Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 (Kamerstuk 21501-02-3393)
21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken
Nr. 3417
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 20 mei 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft een
aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingssamenwerking over de brief van 4 mei 2026 over de geannoteerde agenda
voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3393).
De vragen en opmerkingen zijn op 13 mei 2026 aan de Minister van Buitenlandse Handel
en Ontwikkelingssamenwerking voorgelegd. Bij brief van 20 mei 2026 zijn de vragen
beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Den Hollander
Adjunct-griffier van de commissie, Prenger
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
2
Inbreng D66-fractie
2
Inbreng VVD-fractie
13
Inbreng Groenlinks-PvdA-fractie
16
Inbreng CDA-fractie
20
Inbreng JA21-fractie
29
Inbreng BBB-fractie
35
Inbreng DENK-fractie
40
Inbreng SGP-factie
45
Inbreng CU-fractie
48
Inbreng SP-fractie
52
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Inbreng leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad Buitenlandse Zaken Handel. Deze leden onderstrepen dat een actief Europees handelsbeleid
in deze geopolitieke tijd onmisbaar is voor economische weerbaarheid, diversificatie
van waardeketens en het verdedigen van een op regels gebaseerde internationale orde.
Daarover hebben deze leden de volgende vragen.
WTO
De leden van de D66-fractie delen de teleurstelling over de beperkte uitkomsten van
de 14e Ministeriële Conferentie van de WTO. Juist in een tijd van toenemend protectionisme,
geopolitieke fragmentatie en handelsconflicten is een sterke, moderne en op regels
gebaseerde WTO van groot belang. Deze leden constateren dat er brede steun bestaat
voor hervorming, maar dat gebrek aan consensus opnieuw concrete voortgang heeft geblokkeerd.
Welke concrete voorstellen steunt Nederland om de besluitvorming binnen de WTO te
verbeteren?
1. Antwoord van het kabinet:
Nederland steunt aanpassingen die besluitvorming bij de World Trade Organization (WTO) flexibeler en pragmatischer maken, om de huidige verlamming in WTO-besluitvorming
te doorbreken. De meest concrete manier om dat te doen is via plurilaterale akkoorden,
dat wil zeggen afspraken tussen een groep landen maar niet alle WTO-leden. Momenteel
zijn de onderhandelingen afgerond voor twee nieuwe plurilaterale akkoorden bij de
WTO, namelijk het Investment Facilitation for Development Agreement (IFDA) en het E-Commerce Agreement (ECA). Nederland is, als lidstaat van de Europese Unie (EU), onderdeel van beide
plurilaterale akkoorden. Bij de 14e ministeriële conferentie van de WTO (MC14) hebben de deelnemende landen afgesproken
om de nodige stappen te zetten om deze akkoorden in werking te laten treden. Voor
ECA is afgesproken het akkoord op voorlopige basis buiten de WTO toe te gaan passen,
aangezien inwerkingtreding binnen de WTO wordt geblokkeerd. Nederland is voorstander
van de snelle toepassing van beide plurilaterale akkoorden en ook van nadere plurilaterale
samenwerking op andere WTO thema’s. Dit laat onverlet dat Nederland daarnaast pleitbezorger
blijft van multilaterale samenwerking en hervormingen binnen de WTO.
Is het kabinet bereid binnen de EU te pleiten voor een werkprogramma waarin expliciet
wordt gekeken naar besluitvorming zonder volledige unanimiteit, bijvoorbeeld voor
procedurele besluiten of voor het opnemen van plurilaterale akkoorden binnen de WTO-architectuur? Welke gelijkgezinde landen wil het kabinet
hiervoor actief mobiliseren richting de vervolggesprekken in Genève?
2. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet is daartoe bereid. Het kabinet zet zich in voor meer flexibele en pragmatische
besluitvorming binnen de WTO, zowel via plurilaterale akkoorden als door bepaalde
procedurele WTO-besluitvorming zonder volledige unanimiteit te laten plaatsvinden.
Binnen de EU bestaat hiervoor reeds brede steun. Het kabinet zal de Europese Commissie
oproepen de samenwerking te blijven zoeken met gelijkgezinde landen binnen de WTO
en de Commissie ondersteunen in de eigen bilaterale contacten.
Deze leden vragen daarnaast naar het herstel van een goed functionerend systeem voor
geschillenbeslechting. Welke stappen zet Nederland om de EU-inzet op herstel van de
Appellate Body te versterken?
3. Antwoord van het kabinet:
Nederland is voorstander van hervorming en volledig herstel van bindende geschillenbeslechting
bij de WTO. Momenteel functioneert het geschillenbeslechtingssysteem van de WTO inderdaad
niet naar behoren omdat het beroepsorgaan (het Appellate Body) inactief is. De reden hiervoor is dat de Verenigde Staten (VS) de benoeming van
leden van dit beroepsorgaan al enkele jaren blokkeert. Het ligt niet in de lijn der
verwachting dat de VS in de komende jaren deze blokkade zal opheffen, wat betekent
dat de huidige situatie van een geschillenbeslechtingssysteem dat onvolledig functioneert
zal voortduren. Vandaar dat Nederland momenteel vooral inzet op uitbreiding van het
ledenbestand van het alternatieve beroepsorgaan, het Multi-Party Interim Appeal Arbitration Arrangement (MPIA). Het MPIA bestaat sinds 2020 en is opgericht als tijdelijk alternatief voor
het reguliere beroepsorgaan. Het ledenbestand van het MPIA is in de afgelopen maanden
weer gegroeid. Momenteel zijn 61 WTO-leden lid van het MPIA. Overigens wordt het WTO
geschillenbeslechtingssysteem in eerste instantie ook door WTO-leden die geen partij
zijn bij het MPIA – waaronder de VS – nog altijd goed gebruikt.
En welke landen probeert de EU te bewegen tot deelname aan de MPIA zolang het reguliere
beroepsmechanisme niet functioneert?
4. Antwoord van het kabinet:
De EU is voorstander van een MPIA waar zoveel mogelijk WTO-leden onderdeel van zijn.
Een groot ledenbestand is belangrijk voor een zo goed mogelijk functionerend geschillenbeslechtingssysteem
bij de WTO. Deze boodschap wordt vanuit de EU uitgedragen in bilateraal contact met
alle derde landen. Het ledental van het MPIA is inmiddels gegroeid naar 61, zoals
aangegeven in het antwoord op de vorige vraag.
Straat van Hormuz / Midden-Oosten en handel
De leden van de D66-fractie maken zich blijvende zorgen over de gevolgen van de afsluiting
van de Straat van Hormuz voor internationale waardeketens, energieprijzen en voedselzekerheid.
Zij roepen het kabinet op om binnen de EU te pleiten voor een actieve Europese diplomatieke
inzet gericht op heropening van deze essentiële handelsroute.
Naast de impact op energieprijzen maken deze leden zich grote zorgen over verstoringen
in de toeleveringsketens voor kunstmest. Welke impact voorziet het kabinet op oogsten,
zowel in Europa als daarbuiten?
5. Antwoord van het kabinet:
De Golfregio levert 30 procent van de wereldwijd verhandelde grondstoffen en kant-en-klare
meststoffen. Bijna twee miljoen ton kunstmest zit momenteel vast achter de blokkade.
De future prijzen van ureum (een belangrijke grondstof voor kunstmest) zijn ruim 70 procent
hoger dan begin dit jaar en op het hoogste niveau sinds oktober 2022. Bij een tekort
aan kunstmest missen gewassen de bemesting op het juiste moment, dalen opbrengsten,
en stijgen voedselprijzen. Het Wereldvoedselprogramma waarschuwt dat nog eens 45 miljoen
mensen, voornamelijk in Azië en Afrika, in voedselonzekerheid terechtkomen als de
Straat van Hormuz niet voor medio 2026 weer open gaat. Nederland en Europa zijn voor
de import van kunstmest niet erg afhankelijk van het Midden-Oosten. Hoewel er geen
lagere oogsten in Europa worden voorzien als gevolg van de blokkade, hebben Nederlandse
en Europese boeren wel te maken met hogere prijzen.
Op welke manier werkt het kabinet, in Europees verband, aan het proactief verlichten
van deze problematiek?
6. Antwoord van het kabinet:
Voor onder druk staande oogsten buiten Nederland zet het kabinet zich in voor een
gecoördineerde internationale respons, zowel via de EU als via de internationale financiële
instellingen. Daarbij is het van belang dat elk instrument op de juiste plek wordt
ingezet. Het IMF heeft een centrale rol bij betalingsbalansdruk, reserves en macro-economische
stabilisatie. De Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken kunnen landen ondersteunen
bij het beschermen van prioritaire uitgaven, sociale vangnetten, voedselzekerheid,
energievoorziening en hervormingen die de weerbaarheid vergroten. International Finance Corporation (IFC), Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) en regionale ontwikkelingsbanken kunnen daarnaast bijdragen aan handelsfinanciering,
garanties en risicodekking voor kritieke importketens, waaronder energie, voedsel,
kunstmest en medicijnen.
Binnen de EU pleit Nederland voor een respons die snel, gecoördineerd en doelgericht
is, met aandacht voor de meest kwetsbare landen. Daarbij moet worden voorkomen dat
Europese maatregelen, bijvoorbeeld op het gebied van energiezekerheid of opslag, onbedoeld
de druk op kwetsbare importerende landen verder vergroten. De inzet van Nederland
is dat beperkte middelen gericht worden ingezet voor korte-termijn crisisrespons en
tegelijk moet er aandacht blijven voor de versterking van structurele weerbaarheid,
waaronder voedselzekerheid, energiezekerheid en diversificatie van toeleveringsketens.
En hoe ondersteunt de EU kwetsbare landen die door stijgende energie- en kunstmestprijzen
onevenredig hard worden geraakt?
7. Antwoord van het kabinet:
De EU ondersteunt kwetsbare landen op meerdere manieren. Allereerst via haar eigen
instrumenten, waaronder het Global Europe raamwerk, gericht op voedselzekerheid, sociale
bescherming en energievoorziening. Daarbij is het van belang dat steun terechtkomt
bij landen die door hogere energie- en kunstmestprijzen het hardst worden geraakt.
Daarnaast zet Nederland erop in dat de EU haar rol als grootste ontwikkelingsfinancier
en als belangrijke aandeelhouder in de internationale financiële instellingen strategisch
gebruikt. Het International Monetair Fonds (IMF) is daarbij belangrijk voor landen
met betalingsbalansdruk en afnemende reserves. De Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken
kunnen helpen om prioritaire uitgaven, sociale vangnetten, voedselzekerheid en energievoorziening
overeind te houden. Voor de private sector kunnen ontwikkelingsbanken ook handelsfinanciering
en risicodekking inzetten om kritieke importketens, zoals voedsel, kunstmest, energie
en medicijnen draaiende te houden.
Tot slot is het van belang dat de Europese respons zelf geen extra druk creëert op
kwetsbare landen. Europese maatregelen voor energiezekerheid moeten daarom zo veel
mogelijk gecoördineerd zijn en mogen er niet toe leiden dat lage-inkomenslanden verder
uit de markt worden gedrukt. Nederland pleit binnen de EU voor een gerichte, gecoördineerde
respons die acute prijsschokken helpt opvangen en tegelijk inzet op structurele weerbaarheid,
waaronder voedselzekerheid, energietransitie en diversificatie van toeleveringsketens.
Handelsakkoorden en diversificatie
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat het EU-Mercosur-akkoord eindelijk gedeeltelijk
in werking is getreden. Dit akkoord biedt economische kansen aan beide zijden van
de Atlantische Oceaan en draagt bij aan de diversificatie van Europese handelsrelaties,
juist nu de geopolitieke situatie Europa dwingt minder afhankelijk te worden van een
beperkt aantal handelspartners. Deze leden zien in dat licht ook het belang van voortgang
op handelsakkoorden met landen als India en Indonesië.
De leden vragen daarnaast specifiek aandacht voor de Indo-Pacific. Zij constateren
dat er veel beweging is in de handelsrelatie met ASEAN-landen, waaronder de Filipijnen,
Maleisië en Thailand. Juist in een regio die onder hoge geopolitieke druk staat, is
het van belang dat de EU haar relaties verdiept met belangrijke partners voor de toekomst,
die net als Europa belang hebben bij vrije handel, weerbare waardeketens en het hooghouden
van de internationale rechtsorde. Deze leden vragen het kabinet daarom hoe het de
voortgang in de onderhandelingen met de Filipijnen, Maleisië en Thailand beoordeelt,
mede naar aanleiding van de voortgangsrapportage handelsakkoorden. Welke kansen ziet
het kabinet om de handelsrelatie met deze landen verder te verdiepen? En hoe zet Nederland
zich ervoor in dat deze akkoorden bijdragen aan economische veiligheid en duurzame
ontwikkeling?
8. Antwoord van het kabinet:
Conform de beleidsbrief Buitenlandse Zaken 20261 zet het kabinet in op verdieping van relaties met gelijkgestemde partners en middenmachten
en spoort het kabinet de Europese Commissie aan tot het sluiten van nieuwe handels-
en investeringsverdragen. Hieronder vallen ook de Filipijnen, Maleisië en Thailand.
Een zesde onderhandelingsronde met de Filipijnen is gepland in de week van 18 mei;
een vierde ronde met Maleisië is gepland in juni dit jaar; hetzelfde geldt voor de
negende onderhandelingsronde met Thailand, waarmee wederzijdse marktaanboden reeds
gewisseld zijn. Het kabinet zet zich in voor economische veiligheid en duurzame ontwikkeling
door, naast lagere tarieven, het belang van afspraken over toegang tot grondstoffen
te benadrukken, evenals afspraken over duurzaamheid en het stimuleren van lokale economieën.
De Kamer wordt via de periodieke voortgangsrapportage handelsakkoorden op de hoogte
gehouden.
Algemeen Preferentieel Stelsel
De leden van de D66-fractie nemen met instemming kennis van het bereiken van een akkoord
over de herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel. Zij vinden het positief dat gunstige markttoegang nadrukkelijker
wordt gekoppeld aan fundamentele arbeidsrechten en de Overeenkomst van Parijs. Tegelijkertijd
vragen zij aandacht voor de uitvoerbaarheid hiervan voor partnerlanden. Deelt het
kabinet de opvatting dat deze voorwaarden alleen effectief en ontwikkelingsgericht
kunnen zijn wanneer landen ook voldoende worden ondersteund bij de naleving ervan?
9. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet hecht aan de ondersteuning van ontwikkelingslanden bij de implementatie
van onder andere arbeidsrechten en duurzaamheidsstandaarden. In de EU verloopt technische
assistentie via het Neighbourhood, Development and International Cooperation Instrument (NDICI). Dit is het EU instrument voor ontwikkelingssamenwerking en nabuurschapsbeleid
voor de periode 2021–2027. Nederland heeft ook diverse programma’s die in ontwikkelingslanden
bijdragen aan bijvoorbeeld de verduurzaming van waardeketens, naleving van arbeidsrecht
en het verbeteren van arbeidsomstandigheden. Bovendien ondersteunt Nederland programma’s
die de capaciteit van vakbonden en maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden
vergroten.
Hoe zet Nederland zich er binnen de EU voor in dat landen in het mondiale Zuiden technische
assistentie, capaciteitsopbouw en ruimte voor sociale dialoog krijgen om aan deze
duurzaamheidsafspraken te voldoen?
10. Antwoord van het kabinet:
Zie het antwoord op vraag 9.
Op welke manier worden vakbonden en maatschappelijke organisaties in begunstigde landen
betrokken bij de monitoring en uitvoering van de duurzaamheidsafspraken onder het
APS?
11. Antwoord van het kabinet:
Voor landen die onder het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS) extra markttoegang
krijgen (de zogenaamde APS+ landen waarvoor ook extra duurzaamheidsafspraken gelden)
is een specifiek monitoringsregime van kracht om te toetsen of deze landen de internationale
verdragen opgenomen in de verordening ratificeren en effectief implementeren. De Europese
Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden verzorgen monitoringsmissies
in APS+ landen. Daar spreken zij ook met maatschappelijke actoren, waaronder met vakbonden
en maatschappelijke organisaties, over de naleving van mensenrechten, arbeidsrechten,
afspraken over milieu- en klimaatbescherming en goed bestuur. Op basis van deze monitoringsmissies
wordt eens in de drie jaar een monitoringsrapport gepubliceerd met aanbevelingen voor
het betreffende APS+ land. De naleving van internationale verdragen door standaard
APS en EBA (Everything But Arms) landen wordt gemonitord via bestaande dialogen en monitoringsprocedures die losstaan
van het APS, zoals een EU-mensenrechtendialoog en monitoring door de VN. In de herziene
verordening wordt de belangrijke rol van het maatschappelijk middenveld bij monitoring
expliciet benadrukt.
Handelsrelatie EU-Verenigd Koninkrijk
De leden van de D66-fractie zijn verheugd over de positieve beweging in de relatie
tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk. Juist in deze geopolitieke tijd is nauwere
samenwerking met het VK van groot economisch en strategisch belang. Deze leden nemen
met bijzondere instemming kennis van de herintreding van het VK in het Erasmus+-programma,
als belangrijke stap in het herstellen van de banden tussen jonge Europeanen en Britten.
Deze leden constateren dat de Britse regering inzet op verdere verdieping van de relatie
met de EU, onder meer via afspraken over voedsel- en landbouwproducten, vermindering
van grensbarrières, samenwerking op emissiehandel en een regeling voor jongerenmobiliteit.
Tegelijkertijd blijven de Britse rode lijnen – geen terugkeer naar de interne markt,
douane-unie of vrij verkeer – vooralsnog overeind.
Hoe beoordeelt het kabinet deze Britse inzet? Deelt het kabinet de opvatting dat Nederland,
als handelsland en nauwe partner van het VK, belang heeft bij het zoveel mogelijk
verlichten van handelsbarrières binnen de politieke ruimte die nu bestaat?
12. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet verwelkomt de huidige toenadering tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk
(VK). Conform de beleidsbrief Buitenlandse Zaken 20262 zet het kabinet in op verdieping van relaties met gelijkgestemde partners en middenmachten,
waaronder het VK. Daarbij deelt het kabinet de opvatting dat Nederland als handelsland
en nauwe partner van het VK belang heeft bij het zoveel mogelijk verlichten van handelsbarrières.
Het kabinet zet zich in om onderhandelingen over twee akkoorden over sanitaire en
fytosanitaire (SPS) zaken en over de koppeling van emissiehandelssystemen (ETS) bij
een volgende EU-VK Top af te ronden. Voorwaarden zijn dat de integriteit van de interne
markt gewaarborgd blijft en de afspraken bijdragen aan een gelijk speelveld.
Welke concrete stappen ziet het kabinet om de handelsrelatie met het VK verder te
verdiepen, bijvoorbeeld op het terrein van SPS-afspraken, douanesamenwerking, wederzijdse
erkenning, emissiehandel, energie, beroepskwalificaties en jongerenmobiliteit? Deze
leden vragen hoe Nederland zich binnen de EU opstelt richting een bredere EU-VK-reset.
Is het kabinet bereid te pleiten voor een ambitieuze inzet, waarbij handelsbarrières
worden verminderd, samenwerking op energie en klimaat wordt verdiept en uitwisseling
van studenten, jongeren en professionals verder wordt vergemakkelijkt?
13. Antwoord van het kabinet:
Het VK is en blijft voor NL en de EU een zeer belangrijke partner. Het VK en de Europese
Commissie werken aan verdieping van de relatie op basis van het Common Understanding opgesteld tijdens de eerste EU-VK Top. De Commissie en het VK hebben zich gecommitteerd
aan drie resultaten bij de volgende Top, die naar verwachting eind juni zal plaatsvinden.
Het gaat om de genoemde akkoorden over sanitaire en fytosanitaire zaken, koppeling
van emissiehandelssystemen en jeugdmobiliteit. Nederland pleit tevens voor een snelle
start van onderhandelingen over aansluiting van de elektriciteitsmarkten (conform
het BNC-fiche3) en de daaraan gekoppelde onderhandelingen over een cohesiebijdrage van het VK, in
lijn met het aangenomen Raadsmandaat. Op het gebied van buitenland, veiligheid- en
defensiebeleid vindt nauwe samenwerking plaats tussen EU lidstaten en het VK. Het
kabinet ziet kansen om samenwerking op het gebied van bijvoorbeeld defensie-industrie
te versterken.
Handelsrelatie EU-Verenigde Staten
De leden van de D66-fractie nemen met teleurstelling kennis van de recente dreigingen
van de Amerikaanse president om tarieven op de Europese auto-industrie te verhogen.
Zij constateren dat president Trump de EU een deadline van 4 juli 2026 heeft gesteld
om de afspraken uit de Turnberry-deal uit te voeren, met de dreiging van hogere tarieven
indien de EU dat niet doet. Daarbij is onder meer gesproken over een verhoging van
autotarieven van 15 naar 25 procent.
Deze leden benadrukken dat zij nog altijd zorgen hebben over de mate waarin de Verenigde
Staten zich gebonden achten aan de afspraken die in Turnberry zijn gemaakt. Ook recente
Amerikaanse waarschuwingen dat broodnodig Europees beleid rond technologische soevereiniteit
strijdig zou zijn met handelsafspraken, dragen bij aan deze zorgen.
Hoe reflecteert het kabinet op deze dreigementen en uitspraken vanuit Amerikaanse
zijde? Deelt het kabinet de zorg dat de betrouwbaarheid van de Verenigde Staten als
handelspartner onder druk staat wanneer tariefdreigingen worden ingezet terwijl de
EU bezig is met democratische en wetgevende procedures?
14. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet zich in voor een snelle implementatie van de Turnberry deal aan EU-zijde.
Daarbij geldt dat het kabinet erop zal letten dat ook de VS zich aan de afspraken
houdt, waarbij het mogelijk moet zijn de implementatie aan EU zijde op te schorten
indien dat niet het geval is.
Voor wat betreft wet- en regelgeving geldt dat eventuele verschillen van inzicht kunnen
bestaan in de trans-Atlantische relatie maar niet horen te worden geadresseerd door
middel van economische machtsmiddelen, dreigementen of dwang. Nederland zal binnen
de EU blijven benadrukken dat Europese wet- en regelgeving niet ter discussie kan
staan onder druk van derde landen. Dit standpunt wordt in de EU breed gedeeld door
andere lidstaten en de Europese Commissie.
Hoe beoordeelt het kabinet de spanning tussen enerzijds snelle inwerkingtreding van
de Turnberry-afspraken en anderzijds de noodzaak om de EU voldoende te beschermen
tegen nieuwe Amerikaanse tariefmaatregelen?
15. Antwoord van het kabinet:
De Amerikaanse heffingen en de aanhoudende onzekerheid die daarmee gepaard gaat, zijn
in niemands voordeel. Tegelijkertijd blijven de Verenigde Staten (VS) een van de belangrijkste
handelspartners van zowel Nederland als de EU. In het oordeel van het kabinet is de
EU nog altijd beter af mét de Turnberry afspraken dan zonder. Een situatie waarin
de meeste heffingen aan VS-zijde zijn geplafonneerd op 15 procent is beter dan een
situatie zonder een dergelijk plafond. De gemaakte afspraken bieden bovendien een
basis voor verdere onderhandelingen. Daarbij beschikt de EU over voldoende instrumenten
om de Europese belangen te beschermen, mocht de VS haar afspraken onder de Turnberry
deal niet nakomen.
Deze leden achten, ondanks de duidelijke mankementen, snelle inwerkingtreding van
het akkoord van belang om verdere escalatie in de trans-Atlantische handelsrelatie
te voorkomen. Tegelijkertijd vragen zij hoe het kabinet aankijkt tegen aanvullende
waarborgen om de Amerikaanse zijde daadwerkelijk aan de afspraken te binden. Ziet
het kabinet voldoende handvatten in het bestaande akkoord om te reageren op nieuwe
Amerikaanse tarieven?
16. Antwoord van het kabinet:
Ja. Wat betreft de EU-verordeningen is het voor het kabinet van belang dat er voldoende
bijsturingsmogelijkheden zijn mocht de VS zich niet aan haar afspraken houden. Daarom
heeft Nederland zich in de Raad uitgesproken voor een stevige monitorings- en evaluatieclausule,
zodat de impact van de EU-tariefverlagingen en implementatie aan VS-zijde goed kunnen
worden gevolgd. Daarbij moet de mogelijkheid bestaan om de tariefverlagingen op te
schorten bij niet-naleving van afspraken door de VS, zoals ook expliciet opgenomen
in de Raadspositie. Ook het Europees Parlement is hier voorstander van. In meer algemene
zin heeft de EU voldoende instrumenten om te reageren als de VS haar afspraken niet
nakomt.
Hoe beoordeelt het kabinet de inzet van het Europees Parlement voor clausules die
tariefpreferenties kunnen opschorten wanneer de VS nieuwe tarieven invoert, en voor
een zogenoemde sunrise clause waarbij EU-concessies pas ingaan zodra de VS haar verplichtingen
nakomt?
17. Antwoord van het kabinet:
De kabinetsinzet is gericht op een goede implementatie van de Turnberry deal, aan
beide zijden van de Atlantische Oceaan. Het is daarom zaak dat aan EU-zijde de triloog
onderhandelingen over de EU-verordeningen ter implementatie van de Turnberry deal
spoedig worden afgerond. Dat geeft de EU een betere uitgangspositie om de VS aan te
spreken op de implementatie aan VS-zijde op die punten waar de EU ontevreden is, zoals
de heffingen op staal- en aluminiumderivaten, en om de gesprekken over verdere carve outs met de VS te hervatten.
Het kabinet is geen voorstander van een sunrise clausule; een dergelijke clausule brengt het risico met zich mee dat de implementatie
van het Joint Statement in een patstelling belandt. Zoals ook beschreven in het antwoord
op de vorige vraag is het kabinet voorstander van maatregelen die erop zien dat de
EU haar zijde van de deal kan opschorten als de VS de gemaakte afspraken niet nakomt.
Handelsrelatie met Israël en illegale nederzettingen
De leden van de D66-fractie nemen met teleurstelling kennis van het uitblijven van
voldoende steun, ook bij besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, voor Europese
maatregelen in de handelsrelatie met Israël in brede zin, en voor een Europees handelsverbod
op producten uit illegale nederzettingen in het bijzonder.
Deze leden constateren dat de Raad Buitenlandse Zaken Handel een logisch moment biedt
om opnieuw te pleiten voor een Europees handelsverbod op producten uit illegale nederzettingen.
Is het kabinet bereid zich tijdens de RBZ Handel actief uit te spreken voor Europese
handelsmaatregelen tegen illegale nederzettingen?
18. Antwoord van het kabinet:
Zoals uw leden constateren was er tijdens de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 11 mei
jl. onvoldoende draagvlak voor Europese maatregelen op het gebied van handel. Het
kabinet blijft zich inspannen om het draagvlak voor maatregelen in EU-verband te vergroten,
parallel aan de inzet voor nationale maatregelen om producten uit de onrechtmatige
nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren. EU-maatregelen hebben
de voorkeur van het kabinet, omdat deze doorgaans effectiever zijn, en daarmee een
grotere impact hebben, dan nationale maatregelen. Deze inzet van het kabinet zal tijdens
de RBZ Handel worden besproken met andere EU-handelsministers.
Wat is de inzet van het kabinet om lidstaten die zich hiertegen verzetten alsnog te
overtuigen? Hoe benut het kabinet de mogelijkheden om met gelijkgezinde lidstaten
een coalitie te vormen, om zo de invloed en overtuigingskracht richting terughoudende
lidstaten te vergroten?
19. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zal zich in lijn met relevante moties en toezeggingen aan het parlement
blijven inzetten voor het vergroten van draagvlak voor EU-maatregelen. Het kabinet
staat hiervoor in contact met zowel gelijkgezinde lidstaten, als lidstaten die aanname
van EU-maatregelen nog niet steunen. Tegelijkertijd blijft het kabinet samenwerken
met landen die net als Nederland nationale maatregelen hebben aangekondigd ten aanzien
van de handel in goederen afkomstig uit de onrechtmatige nederzettingen, met als doel
om informatie uit te wisselen en waar mogelijk de effectiviteit en onderlinge coherentie
van nationale maatregelen zoveel mogelijk te bevorderen.
Deze leden blijven daarnaast aandringen op het voortvarend presenteren van een nationaal
handelsverbod op producten uit illegale nederzettingen, indien Europese besluitvorming
uitblijft.
Russisch lng en economische veiligheid
De leden van de D66-fractie nemen met zorg kennis van berichtgeving dat Nederland
in de eerste drie maanden van dit jaar nog altijd 12 procent van het geïmporteerde
vloeibare gas uit Rusland betrok. Zij constateren dat dit moeilijk te rijmen is met
de inzet om Europese afhankelijkheid van Russische energie zo snel mogelijk af te
bouwen en te voorkomen dat Europese betalingen de Russische oorlogskas blijven spekken.
Hoe beoordeelt het kabinet deze aanhoudende import van Russisch lng? Kan het kabinet
uitsplitsen welk deel hiervan daadwerkelijk voor Nederlands gebruik bestemd is en
welk deel via Rotterdam wordt doorgevoerd naar andere Europese landen?
20. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet heeft zich in EU-verband de afgelopen jaren hard ingezet voor de afbouw
van de import van Russische olie en gas. Per 1 januari 2027 zijn alle LNG-importen
per REPowerEU-verordening en sanctiewetgeving verboden. Het Russisch LNG dat nog binnenkomt
via de GATE terminal, wordt geïmporteerd op basis van langetermijncontracten die marktpartijen
ruim voor de Russisch inval in Oekraïne met Russische producenten hebben gesloten.
Conform het 19de sanctiepakket en de zogenaamde REPowerEU verordening (Verordening (EU) 2026/261)
mag deze import tot uiterlijk 31 december 2026 doorgaan.
Het is niet aan te geven welk deel van dit Russisch gas wordt gebruikt in Nederland
en welk deel wordt doorgevoerd naar andere landen. Dat gas wordt vanuit de GATE terminal
ingevoerd in het Nederlandse gastransportnet waar het wordt gemengd met gas uit andere
bronnen (bijoorbeeld de Nederlandse kleine velden en Noorwegen) waarna niet meer valt
te achterhalen waar de Russische moleculen blijven.
Welke mogelijkheden ziet het kabinet om de import van Russisch lng sneller af te bouwen
dan de Europese deadline van begin 2027, zonder de leveringszekerheid onevenredig
te raken?
21. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet deelt de ambitie om de import van Russisch LNG naar Europa zo snel mogelijk
te reduceren.
Op dit moment binnen de EU biedt de REPowerEU-verordening de mogelijkheid om de import
van Russisch LNG uiterlijk per 31 december 2026 te beëindigen.
Het kabinet ziet echter geen mogelijkheid om de import van Russisch gas eenzijdig
sneller af te bouwen. Dit hangt samen met het feit dat het hier gaat om een EU-bevoegdheid
en een gereguleerde interne markt, waarbij importbeperkingen niet door afzonderlijke
lidstaten eenzijdig kunnen worden opgelegd, en waarin het kabinet bovendien geen mogelijkheden
heeft om in te grijpen in reeds gesloten lange termijncontracten tussen marktpartijen.
Het kabinet blijft zich in EU-verband inzetten voor snelle en consequente afbouw van
de import van Russisch LNG binnen het afgesproken EU-kader. Het kabinet zet daarnaast
actief in op diversificatie van importstromen.
En is het kabinet bereid zich in EU-verband te verzetten tegen uitstel van het volledige
verbod op Russisch lng, ook nu de afsluiting van de Straat van Hormuz druk zet op
de wereldwijde lng-markt?
22. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet is volledig gecommitteerd aan het doel om het Russische verdienvermogen
verder te ondermijnen en de import van Russisch lng naar de Europese Unie volledig
uit te faseren. Uitstel van de overeengekomen data in het kader van de Ruslandsancties
en van het RePowerEU-afbouwplan is wat het kabinet betreft dan ook niet aan de orde.
Oeigoerse dwangarbeid
De leden van de D66-fractie blijven grote zorgen houden over producten die mogelijk
met Oeigoerse dwangarbeid tot stand zijn gekomen. Zij wijzen op recente berichtgeving
van Nieuwsuur dat de import van goederen uit Xinjiang naar Nederland de afgelopen
jaren is verzesvoudigd en vorig jaar bijna 500 miljoen euro bedroeg, ondanks de ernstige
mensenrechtenschendingen tegen Oeigoeren en andere minderheden in de regio. Ook zou
Nederland een deadline hebben gemist voor de aanwijzing van een toezichthouder onder
de nieuwe Europese regels tegen producten die met dwangarbeid zijn gemaakt.
Kan het kabinet toelichten waarom het de motie-Van Baarle/Bamenga als uitgevoerd beschouwt,
terwijl de handel met Xinjiang toeneemt en de praktische handhaving nog in voorbereiding
lijkt?
23. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet veroordeelt gedwongen arbeid waar ook ter wereld, en deelt de zorgen over
de situatie van de Oeigoeren. De Anti-dwangarbeidverordening is een belangrijk Europees
instrument om dwangarbeid wereldwijd tegen te gaan. De regels voor bedrijven gaan
gelden vanaf 14 december 2027. Vanaf dat moment zal er ook gehandhaafd worden.
De Europese Commissie wordt verantwoordelijk voor het onderzoek doen naar en vaststellen
van producten gemaakt met dwangarbeid buiten de Europese grenzen, waaronder in China.
Het is dus van belang dat zij op de hoogte zijn van het risico op dwangarbeid aldaar
en goed voorbereid zijn op het toezicht en de handhaving van de verordening. In lijn
met de moties Van Baarle4 en Van Baarle/Bamenga5 heeft Nederland de afgelopen jaren regelmatig aandacht gevraagd bij de Commissie
over het belang van het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid. De Commissie is mede
dankzij de inzet van Nederland beter geïnformeerd over het risico op dwangarbeid in
China.
Daarnaast zet Nederland zich in om bedrijven actief te informeren over de Anti-dwangarbeidverordening
en hen te ondersteunen bij het toepassen van gepaste zorgvuldigheid. Daarnaast vinden
er regelmatig gesprekken plaats met het bedrijfsleven en andere stakeholders over
de verordening. Bedrijven kunnen onder andere terecht bij het MVO-steunpunt (RVO)
en het postennetwerk in China voor informatie en ondersteuning.
In het antwoord op vraag 25 hieronder wordt nader ingegaan op het toezicht in Nederland
door een nog aan te wijzen Nederlandse toezichthouder.
Welke concrete stappen zet het kabinet om producten die met Oeigoerse dwangarbeid
zijn gemaakt van de Nederlandse en Europese markt te weren?
24. Antwoord van het kabinet:
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 23 wordt de Europese Commissie verantwoordelijk
voor het onderzoek doen naar en vaststellen van producten gemaakt met dwangarbeid
buiten de EU-grenzen, waaronder in China vervaardigde producten. Nederland heeft de
afgelopen jaren op verschillende momenten in het kader van de Anti-dwangarbeidverordening
aandacht gevraagd voor het belang van het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid. Daarnaast
worden bedrijven actief geïnformeerd over de verordening en ondersteund bij het toepassen
van gepaste zorgvuldigheid.
Wanneer wordt de Nederlandse toezichthouder aangewezen?
25. Antwoord van het kabinet:
Lidstaten moesten voor 14 december 2025 één of meerdere toezichthouder(s) aanwijzen.
Aan die verplichting is gedeeltelijk voldaan. Een aantal markttoezichthouders, namelijk
de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Inspectie Leefomgeving en Transport
(ILT), Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ),
zijn aan de Commissie doorgegeven voor de handhaving van het verbod wanneer dwangarbeid
is vastgesteld. De Kamer is hierover geïnformeerd via de geannoteerde agenda voor
de RBZ Handel van 19 en 20 februari jl. Daarnaast moet elke lidstaat één leidende
bevoegde autoriteit aanwijzen. Het ministerie voert al geruime tijd gesprekken met
verschillende partijen die geschikt kunnen zijn. Deze rol omvat meerdere taken, waaronder
het beoordelen van ingediende informatie, het onderzoek doen naar producten gemaakt
met dwangarbeid in Nederland, en het nemen van besluiten of het verbod geschonden
is. Het ministerie heeft samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
de gesprekken met potentiële kandidaten voor de rol van leidende bevoegde autoriteit
geïntensiveerd. Het kabinet streeft ernaar op korte termijn een leidende bevoegde
autoriteit aan te wijzen. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 23 en 24
hierboven treedt de Europese Commissie voor gevallen van dwangarbeid buiten de EU
op als leidende bevoegde autoriteit.
En is het kabinet bereid ervoor te pleiten dat Xinjiang expliciet als risicoregio
wordt opgenomen in de Europese risicodatabase?
26. Antwoord van het kabinet:
Ja, daar is het kabinet toe bereid.
Inbreng leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda met de inzet voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 en de overige
stukken. In een wereld van toenemende geopolitieke spanningen en instabiliteit benadrukt
volgens de leden van de VVD-fractie nog maar eens het belang van een actief, strategisch
en realistisch handelsbeleid. Deze leden hebben nog een aantal vragen.
De leden van de VVD-fractie benadrukken dat de trans-Atlantische relatie de hoeksteen
van onze economische welvaart vormt. Deze leden constateren dat er vanuit Washington
stevige kritiek bestaat op de trage Europese uitvoering van het Turnberry-akkoord.
Zij geven aan dat hoewel er vaak kritiek is op Washington, we ook eerlijk moeten zijn
dat de Verenigde Staten wel een punt hebben als het gaat om trage Europese uitvoering
van het Turnberry-akkoord. De Verenigde Staten zijn de grootste buitenlandse investeerder
in Nederland, terwijl Nederland tegelijkertijd behoort tot de grootste investeerders
in de Verenigde Staten. Dat wederzijdse belang vraagt volgens deze leden om nuchterheid,
strategisch inzicht en een pragmatische koers.
De leden van de VVD-fractie steunen daarom de-escalatiestrategie van bondskanselier
Merz. Wat deze leden betreft moet Europa laten zien dat het gemaakte afspraken serieus
neemt in plaats van de confrontatie op te zoeken. Zij vragen de Minister daarom hoe
hij er in Europees verband op aandringt dat de Europese Unie sneller uitvoering geeft
aan de afspraken uit het Turnberry-akkoord. Welke concrete stappen zet Nederland om
binnen de Europese Unie meer tempo te maken?
27. Antwoord van het kabinet:
De kabinetsinzet is gericht op een goede implementatie van de Turnberry deal, aan
beide zijden van de Atlantische Oceaan. Het kabinet zet in dat verband in op spoedige
afronding van de triloog onderhandelingen over de EU-verordeningen ter implementatie
van de Turnberry deal aan EU-zijde. De verwachting is dat deze triloog spoedig kan
worden afgerond. Het kabinet zal zich in de Raad opnieuw uitspreken voor een spoedige
implementatie aan EU-zijde.
Tegelijkertijd vinden de leden van de VVD-fractie wel dat moet worden voorkomen dat
instrumenten als het Anti-Coercion Instrument lichtvaardig worden ingezet. Wat deze
leden betreft dient dit instrument uitsluitend te worden gebruikt als drukmiddel bij
ernstige geopolitieke chantage of existentiële dreigingen. Diplomatie richting onze
belangrijkste handelspartner moet volgens deze leden altijd maximaal worden benut
voordat verdere economische tegenmaatregelen worden overwogen.
Ten aanzien van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) constateren de leden van de VVD-fractie
dat de uitkomsten van de 14e Ministeriële Conferentie in Yaoundé teleurstellend zijn. Deze leden maken zich in
het bijzonder zorgen over het uitblijven van structurele WTO-hervormingen en het aflopen
van het e-commerce moratorium. Wat de leden betreft verliest een Wereldhandelsorganisatie
die structurele hervormingen blijft uitstellen haar geloofwaardigheid. Sinds 1998
vormt dit moratorium, dat invoerrechten op digitale overdrachten zoals software, data
en streamingdiensten voorkomt, een fundament onder de wereldwijde digitale economie.
Het wegvallen daarvan creëert volgens deze leden grote onzekerheid voor bedrijven
en dreigt te leiden tot een versnippering van nationale digitale heffingen. Deze leden
vragen daarom hoe de Minister de risico’s voor de Nederlandse techsector en digitale
handel beoordeelt nu het moratorium onder druk staat. Welke inzet pleegt Nederland
binnen de WTO om alsnog tot verlenging van het moratorium of alternatieve internationale
afspraken te komen?
28. Antwoord van het kabinet:
Uiteraard betreurt het kabinet dat het niet gelukt is om het e-commerce moratorium
opnieuw te verlengen tijdens de 14e Ministeriële Conferentie (MC14) van de WTO. De EU zal zich blijven inspannen om tot
een oplossing te komen, waarbij het uitgangspunt blijft dat voorkomen moet worden
dat landen heffingen op elektronische transmissies invoeren. In dat licht is het positief
dat 66 WTO-landen, waaronder de EU, tijdens MC14 zijn overeenkomen om het zogenoemde
E-Commerce Agreement (ECA) op voorlopige basis toe te gaan passen.6 Dit plurilaterale akkoord bevat onder meer een verbod op elektronische heffingen
dat vergelijkbaar is met het e-commerce moratorium. Bovendien bevatten een aantal
recente EU-handelsovereenkomsten een vergelijkbaar verbod op heffingen op elektronische
transmissies, waardoor in de handelsrelaties met een aanzienlijk aantal andere landen
rechtszekerheid op dit punt geborgd blijft.
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie nadrukkelijk aandacht voor de positie
van China binnen de WTO. Deze leden vinden het niet langer uitlegbaar dat de tweede
economie ter wereld zich nog altijd beroept op de status van ontwikkelingsland. Daardoor
blijft China volgens deze leden ruimte houden voor grootschalige staatssteun, marktverstoring
en oneerlijke concurrentie, zonder de verantwoordelijkheden te dragen die passen bij
zijn economische gewicht.
De leden van de VVD-fractie vragen de Minister daarom welke concrete stappen Nederland
samen met gelijkgestemde partners zet om de druk op China binnen de WTO op te voeren.
Welke instrumenten of beperkende maatregelen worden overwogen indien China blijft
weigeren zijn status en verplichtingen aan te passen aan de economische realiteit
van vandaag?
29. Antwoord van het kabinet:
De drieslag van China als handelspartner, concurrent en systeemrivaal blijft onverminderd
van belang.7 Daarbij deelt het kabinet de zorgen over het Chinese industrie- en handelsbeleid,
die ook breder in de EU leven. Nederland zet zich in EU-verband dan ook in voor een
versterking van het gelijk speelveld tussen industriële sectoren, via onder andere
een effectieve inzet van het EU handelsinstrumentarium.
De status van ontwikkelingsland bij de WTO is een classificatie die landen voor zichzelf
mogen bepalen en waarvoor geen vastgestelde criteria gelden. China heeft recent aangekondigd
om in toekomstige WTO-overeenkomsten niet langer aanspraak te zullen maken op bepaalde
voordelen die ontleend kunnen worden aan de status van ontwikkelingsland. Het kabinet
beschouwt dit als een logisch en positief besluit, maar constateert tegelijk dat China
in WTO-verband nog steeds aan de status van ontwikkelingsland vasthoudt. Nederland
zal in EU-verband blijven benadrukken dat landen in de WTO geen oneigenlijk beroep
mogen doen op de voordelen die de status van ontwikkelingsland kan bieden.
De leden van de VVD-fractie benadrukken dat in een wereld waarin de WTO steeds vaker
vastloopt, handelsverdragen belangrijker worden. Zij constateren dat het succes van
CETA laat zien dat stabiele en voorspelbare handelsafspraken een krachtig antwoord
vormen op toenemend mercantilisme en economische fragmentatie.
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de Europese Unie hierin een unieke
positie heeft. De betrouwbaarheid van Europa maakt de Europese Unie aantrekkelijk
voor landen die niet willen kiezen tussen Washington en Beijing. Wat deze leden betreft
moet de Europese Unie daarom veel intensiever samenwerken met landen zoals Japan,
Zuid-Korea, Australië en Canada, niet alleen via afzonderlijke handelsverdragen, maar
ook via een breder strategisch netwerk gericht op economische veiligheid, leveringszekerheid
en kritieke grondstoffen.
De leden van de VVD-fractie vragen de Minister daarom of hij mogelijkheden ziet voor
een bredere alliantie van gelijkgestemde middelmachten op het gebied van economische
veiligheid, kritieke grondstoffen en de bescherming van vitale maritieme handelsroutes.
Kan de Minister daarnaast een concreet tijdpad schetsen voor wanneer een formele top
met deze partners zou kunnen plaatsvinden om dergelijke afspraken nader uit te werken
en vast te leggen?
30. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet deelt het beeld dat een grote rol is weggelegd voor de EU op het gebied
van economische veiligheid, zoals ook verwoord in de beoordeling van de Mededeling
«Versterking van de economische veiligheid van de EU»8 die op 30 januari aan uw Kamer is gestuurd. Zoals in de Beleidsbrief Buitenlandse
Zaken 20269 uiteengezet, wil Nederland zijn risicovolle strategische afhankelijkheden afbouwen
en de economische veiligheid versterken, onder meer via diversificatie van handelspartners,
innovatie en gerichte investeringen, en door het verbreden en verdiepen van partnerschappen
met gelijkgezinde landen, waaronder middelmachten als Japan, Zuid-Korea, Australië
en Canada.
Het kabinet onderkent dat economische veiligheid alleen in gezamenlijkheid kan worden
versterkt. Nederland werkt daarom al nauw samen met Europese partners en andere gelijkgestemde
landen binnen bestaande kaders, zoals de EU, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
(NAVO), de G7 (via de EU) en via thematische partnerschappen op het gebied van economische
veiligheid, kritieke grondstoffen en halfgeleiders. Hoewel het kabinet op dit moment
geen aanleiding ziet om een afzonderlijke formele top te organiseren, is het wel de
inzet om de samenwerking met deze gelijkgezinde landen verder te verdiepen en concretiseren.
Inbreng leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennis genomen van de agenda voor de
Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 en hebben hier nog enkele vragen en
opmerkingen over.
De leden lezen dat de Raad tijdens de lunch zal spreken over de implementatie van
handelsakkoorden. In dat kader hebben de leden van deze fractie enkele vragen over
Investor-State Dispute Settlement (ISDS), het mechanisme in internationale investeringsverdragen
dat buitenlandse investeerders het recht geeft om een staat aan te klagen buiten de
nationale rechtbanken om. De leden wijzen erop dat Nederland zelf bijvoorbeeld geconfronteerd
wordt met rechtszaken van ExxonMobil en Shell vanwege de sluiting van het gasveld
in Groningen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet of zij herinneren dat eind
vorige maand in Colombia een historische conferentie plaatsvond, de eerste conferentie
over de transitie weg van fossiele brandstoffen, gezamenlijk georganiseerd door Colombia
en Nederland, en of zij herinneren dat daar op de agenda specifiek werd verwezen naar
ISDS als een obstakel voor een groene transitie. Ook vragen zij het kabinet of zij
bekend zijn met de vooraf aan de conferentie verstuurde brief door 220 economen en
rechtsgeleerden aan de Colombiaanse president Gustavo Petro, waarin zij oproepen tot
maatregelen inzake ISDS.
31. Antwoord van het kabinet:
Tijdens de eerste conferentie «Transitioning away from Fossil Fuels» is inderdaad
onder meer gesproken over het investeerder-staatgeschillenbeslechtingsmechanisme (ISDS).
Investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBO’s), waarvan ISDS deel kan uitmaken, hebben
als doel investeringen van de investeerder van de ene verdragspartij op het grondgebied
van de andere verdragspartij bescherming te bieden in aanvulling op de bescherming
die voortvloeit uit nationale wetten en regelingen van de verdragspartijen. Investeringsbescherming
draagt daarmee bij aan het versterken van het investeringsklimaat, waaronder ten behoeve
van investeringen die nodig zijn voor de groene transitie. Het kabinet is op de hoogte
van de brief die is verstuurd aan president Gustavo Petro. Het kabinet zet in op modernisering
van het ISDS systeem en niet op de afschaffing daarvan.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af of de Minister kan uitweiden
over de discussies die zijn gevoerd over ISDS op deze conferentie. De Nederlandse
regering liet bij monde van Minister van Veldhoven na afloop weten dat «verschillende
partijen en verschillende landen verschillende standpunten» hadden ingenomen, maar
niet welke standpunten. De leden vragen welke positie de Nederlandse regering heeft
ingenomen in de discussies over ISDS. Deelt de Nederlandse regering de mening van
de Colombiaanse Minister Irene Vélez Torres, die zei dat ISDS regeringen al jaren
belemmert om doortastender klimaatmaatregelen te nemen, en die een stappenplan heeft
ontwikkeld om uit ISDS te stappen? Erkent de Minister, net als zijn Colombiaanse collega,
dat ISDS een obstakel vormt voor de groene transitie? Zo nee, waarom niet?
32. Antwoord van het kabinet:
Over ISDS wordt inderdaad verschillend gedacht door verschillende landen en door verschillende
maatschappelijke organisaties. Nederland heeft tijdens de conferentie aangegeven voorstander
te zijn van een hervorming van het ISDS mechanisme en in te zetten op een modernisering
van het systeem op zowel nationaal, Europees als multilateraal niveau. Nederland beschouwt
het ISDS systeem niet als een obstakel voor de energietransitie. Het ISDS-systeem
is sectorneutraal, dus ook investeringen die noodzakelijk zijn voor de transitie worden
hierdoor beschermd, zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag.
Welke positie gaat Nederland innemen bij toekomstige verdragen die ter tafel komen
als daarin een vorm van ISDS is opgenomen? Hoeveel bilaterale of multilaterale handels-
en investeringsverdragen waarin Nederland op dit moment partij is, bevatten een vorm
van ISDS? Welke daarvan lopen binnen deze kabinetsperiode af? Welke van de vrijhandelsverdragen
of investeringsverdragen die nu door Europa in onderhandeling zijn (onder andere met
Indonesië, India, en Mexico) bevatten een vorm van ISDS?
33. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet hecht belang aan investeringsbeschermingsverdragen en beschouwt dergelijke
verdragen als één van de instrumenten voor een actief en ambitieus internationaal
handels- en investeringsbeleid. Derhalve staat Nederland in beginsel positief tegenover
toekomstige verdragen die ISDS elementen bevatten. Dit wel met inachtneming van de
inzet op modernisering van het ISDS-systeem, zoals is voorzien in het Nederlandse
en Europese beleid ten aanzien van ISDS10.
Op dit moment is Nederland partij bij ongeveer 75 in werking zijnde handels- en investeringsverdragen
die een vorm van ISDS bevatten. Geen van deze verdragen loopt tijdens deze kabinetsperiode
af.
In de Voortgangsrapportage handelsakkoorden van 6 mei jl.11 is uw Kamer geïnformeerd over de status van de lopende onderhandelingen en recent
afgeronde akkoorden. Wat betreft de EU vrijhandels- en investeringsverdragen waar
ISDS onderdeel van is, lopen op dit moment enkel nog onderhandelingen over een investeringsbeschermingsakkoord
met India. De onderhandelingen tussen de EU en Indonesië over een investeringsbeschermingsovereenkomst
zijn in oktober 2025 afgerond. De onderhandelingen over de gemoderniseerde EU-Mexico
Global Agreement zijn in januari 2025 afgerond. Dit gemoderniseerde verdrag bevat
bepalingen over de totstandkoming van een permanent investeringshof (Investment Court System) dat bestaat uit een Gerecht van eerste aanleg en een Hof van Beroep. De procedures
voor het investeringshof zullen transparant zijn en de mogelijkheid bieden voor inbreng
van geïnteresseerde derden die een relevant belang hebben bij het geschil. Daarnaast
zijn er gedragscodes opgenomen die de onafhankelijkheid van de leden van het investeringshof
moeten garanderen. Het kabinet beschouwt deze afspraken als een belangrijke stap in
de modernisering van het internationale ISDS-systeem.
Over het handelsverdrag met Indonesië vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
zich af hoe risico’s op ontbossing en landrechten bij de uitvoering van dit verdrag
worden gewaarborgd. Hoe kijkt Nederland naar het idee om de handelsvolumes van producten
met ontbossingsrisico naar de EU na de invoering bij te houden, om te zien of er daadwerkelijk
sprake is van een stijging?
34. Antwoord van het kabinet:
In het bijhouden van handelsvolumes is het niet mogelijk om onderscheid te maken tussen
producten met een ontbossingsrisico en producten die daadwerkelijk bijgedragen hebben
aan ontbossing. Bovendien zal onder de EU Verordening Ontbossingsvrije producten een
verbod opgelegd worden aan het op de EU-markt brengen van producten die bijgedragen
hebben aan ontbossing. Het handelsakkoord heeft geen impact op de eisen van de ontbossingsverordening.
Is Nederland het eens dat de EU aanzienlijke middelen en diplomatieke inspanningen
moet inzetten om duurzame productie te stimuleren in partnerlanden zoals Indonesië?
En is de Nederlandse regering het eens dat het maatschappelijk middenveld een rol
moet krijgen in het houden van toezicht op de wijze waarop het Palmolieprotocol moet
worden uitgevoerd?
35. Antwoord van het kabinet:
Nederland is een belangrijke toevoerhaven naar Europa en streeft mede daarom naar
een gelijk speelveld binnen de EU op het gebied van duurzame handel. Nederland roept
daarom de EU en andere lidstaten op om met eenduidige lijnen te komen richting partnerlanden,
inclusief Indonesië, om duurzame productie te stimuleren. In multilaterale context
zet het kabinet in op het verhogen van productiestandaarden wereldwijd. In handelsakkoorden
en andere bilaterale instrumenten zet het kabinet ook in op het maken van afspraken
over verduurzaming van productie. Middels unilaterale wetgeving zoals de EU Verordening
Ontbossingsvrije Producten wordt duurzame productie in partnerlanden eveneens gestimuleerd.
Hierbij wordt ook bijgedragen aan flankerend beleid ter ondersteuning van implementatie
van deze wetgeving.
Op het gebied van duurzame productie in Indonesië ondersteunt Nederland de verduurzaming
van de palmolieketen middels technische assistentie via het NISCOPS II programma.
Daarnaast draagt Nederland bij aan het Team Europe Initiatief ontbossingsvrije waardeketens, dat als doel heeft om duurzame, ontbossingsvrije
toeleveringsketens te bevorderen door middel van technische assistentie aan producenten
en overheden.
In het Palmolieprotocol is afgesproken dat de verdragspartijen de betrokkenheid van
relevante stakeholders in de EU en Indonesië bij de implementatie van het protocol
zullen stimuleren. Het kabinet onderschrijft het belang van de rol van het maatschappelijk
middenveld, ook in het kader van het Palmolieprotocol.
Over de conferentie over de hervorming van de WTO, delen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
de mening van het kabinet dat het teleurstellend is dat er geen consensus is bereikt
over noodzakelijke hervormingen. De leden wijzen erop dat een goed functionerende
WTO belangrijk is voor een mondiaal handelssysteem gebaseerd op regels, en dat hervormingen
noodzakelijk zijn om recht te doen aan landen in het mondiale Zuiden. Zij vragen het
kabinet om aan te geven hoe zij denken dat een weg uit deze impasse eruit kan zien.
36. Antwoord van het kabinet:
De Nederlandse inzet bij de WTO zal er, ook na de teleurstellende uitkomst van MC14,
op gericht blijven om hervormingen bij de WTO door te voeren die het gelijk speelveld
tussen landen kunnen verbeteren en die het multilaterale handelssysteem sterker en
eerlijker maken. Daarvoor zal nadrukkelijk de samenwerking worden gezocht met landen
die hetzelfde doel voor ogen hebben, ook in het Mondiale Zuiden.
Bij 14e ministeriële conferentie (MC14) is nogmaals duidelijk geworden dat multilaterale
besluitvorming bij de WTO zeer moeilijk is om te bewerkstelligen, maar dat plurilaterale
samenwerking wel mogelijkheden biedt om tot nieuwe internationale handelsafspraken
te komen. Nederland ziet plurilaterale samenwerking dan ook als een mogelijkheid om
de impasse in besluitvorming bij de WTO te doorbreken. Nederland zet derhalve in op
totstandkoming van een aantal nieuwe plurilaterale verdragen in de komende periode,
zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 1.
Tot slot lezen de leden van deze fractie dat het in de Raad zal gaan over de Turnberry-deal
tussen de EU en de VS. Zij vragen het kabinet hoe het staat met de onderhandelingen
tussen de Raad en het Europees Parlement, en of de verwachting is dat belangrijke
aanpassingen van het Europees Parlement – in het bijzonder een sunset clause; een
sunrise clause voor staal en aluminium; opschortingsclausules bij ernstige schendingen
van mensenrechten en fundamentele democratische beginselen; formele koppeling met
het Anti-Coercion Instrument – in de uiteindelijke overeenkomst zullen komen. Is het
kabinet het eens dat, zelfs als de overeenkomst verbetert, fundamentele zorgen over
de deal – zoals de zwakke onderhandeling vanuit de EU, de zeer onevenwichtige uitkomst,
en zorgen over de juridische basis voor de tarieven en WTO-conformiteit – overeind
blijven en niet worden weggenomen?
37. Antwoord van het kabinet:
De Amerikaanse heffingen en de aanhoudende onzekerheid die daarmee gepaard gaat, zijn
in niemands voordeel. Tegelijkertijd blijven de Verenigde Staten (VS) een van de belangrijkste
handelspartners van zowel Nederland als de EU. In het oordeel van het kabinet is de
EU nog altijd beter af mét de Turnberry afspraken dan zonder. Een situatie waarin
de meeste heffingen aan VS-zijde zijn geplafonneerd op 15 procent is beter dan een
situatie zonder een dergelijk plafond. De gemaakte afspraken bieden bovendien een
basis voor verdere onderhandelingen. Daarbij beschikt de EU over voldoende instrumenten
om de Europese belangen te beschermen, mocht de VS haar afspraken onder de Turnberry
deal niet nakomen.
Voor wat betreft de EU-verordeningen ter implementatie aan EU-zijde is het voor het
kabinet van belang dat er voldoende bijsturingsmogelijkheden zijn mocht de VS zich
niet aan haar afspraken houden. Daarom heeft Nederland zich in de Raad steeds uitgesproken
voor een stevige monitorings- en evaluatieclausule, zodat de impact van de EU-tariefverlagingen
en implementatie aan VS-zijde goed kunnen worden gevolgd. Daarbij moet de mogelijkheid
bestaan om de tariefverlagingen op te schorten bij niet-naleving van afspraken door
de VS, zoals ook expliciet opgenomen in de Raadspositie. Ook het Europees Parlement
is hier voorstander van. Het kabinet kan zich ook vinden in een sunset clausule. Het kabinet is echter geen voorstander van een sunrise clausule; een dergelijke clausule brengt het risico met zich mee dat de implementatie
van het Joint Statement in een patstelling belandt.
Het kabinet verwacht dat de triloog over de EU-verordeningen spoedig kan worden afgerond.
Tijdens de aanstaande Raad Buitenlandse Zaken Handel zal het kabinet opnieuw aandringen
op spoedige implementatie van de Turnberry deal aan EU-zijde.
Hoe ziet het kabinet een overeenkomst waarin Europa belooft om grote hoeveelheden
vloeibaar gas te kopen, als verenigbaar met onze nationale en internationale verplichtingen
om af te stappen van fossiele energie?
38. Antwoord van het kabinet:
De EU heeft in het kader van de Turnberry deal met de VS aangegeven om voor 700 miljard
dollar Amerikaanse energieproducten aan te kopen. De Turnberry deal betreft een politieke
afspraak tussen de VS en de EU, die als zodanig geen energie inkoopt. De vraag naar
energieproducten wordt bepaald door inkopende bedrijven. Het kabinet beschouwt aardgas
als transitiebrandstof in de omschakeling naar een koolstofvrij energiesysteem in
2050. Het kabinet voert actief beleid om per 2050 klimaatneutraal te zijn, overeenkomstig
het doel van de EU. Dat laat onverlet dat de EU voorlopig voor haar energiebehoefte
deels afhankelijk is van de import van aardgas, waaronder uit de Verenigde Staten.
Inbreng leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026, de voortgangsrapportage handelsakkoorden,
de brief over de herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel, de brief over
de EU-Canada handelsrelatie, de reactie op de grondstoffenalliantie tussen de VS,
Japan en de EU en de EU-signalering.
De leden van de CDA-fractie beoordelen deze agenda vanuit één centrale overtuiging:
in een wereld waarin handelsroutes worden verstoord, bondgenootschappen verschuiven
en protectionisme toeneemt, moet Europa zijn strategische autonomie op het gebied
van handel, grondstoffen en voedselzekerheid veel actiever vormgeven. Europa is voor
cruciale grondstoffen voor de landbouw, zoals fosfaat en kali, afhankelijk van Rusland,
Belarus en Marokko. Voor plantaardige eiwitten voor veevoer is de EU grotendeels aangewezen
op Brazilië en de VS. De afsluiting van de Straat van Hormuz laat zien hoe kwetsbaar
toeleveringsketens zijn wanneer geopolitieke spanningen oplopen. Het regeerakkoord
onderstreept terecht dat Nederland de banden verder moet aanhalen met gelijkgezinde
landen als Canada, het Verenigd Koninkrijk, Japan en Noorwegen, en dat diversificatie
van kritieke grondstoffen essentieel is. De leden van de CDA-fractie vinden dat voedselgrondstoffen
en eiwitstromen in dat rijtje thuishoren. Juist de samenwerking met zogenoemde middenmachten
– landen als Canada, Australië, Brazilië en Marokko, die landbouwgrond, grondstoffen
of verwerkingscapaciteit hebben die Europa nodig heeft – biedt perspectief voor een
weerbare Europese handelspositie. Vanuit dit perspectief stellen deze leden de volgende
vragen.
Wereldhandelsorganisatie (WTO)
De leden van de CDA-fractie delen de teleurstelling over de magere uitkomst van de
14e Ministeriële Conferentie van de WTO in Yaoundé. Juist in een tijd van geopolitieke
spanning, handelsconflicten en groeiend protectionisme is een sterke WTO immers nodig.
Voornoemde leden constateren dat er geen akkoord is gekomen over een WTO-hervorming
en dat er ook geen verlenging is van het e-commerce moratorium (afspraak binnen de
WTO dat landen geen invoerheffingen mogen opleggen op elektronische transmissies).
Kan de Minister precies aangeven wat de Nederlandse inzet wordt in Genève? Welke concrete
stappen wil Nederland dat de EU zet om alsnog tot resultaat te komen?
39. Antwoord van het kabinet:
De Nederlandse inzet bij de World Trade Organization (WTO) in Genève zal in eerste instantie gevormd worden door de prioriteiten en de
inzet zoals beschreven in de kaderinstructie voor de 14e ministeriële conferentie (MC14). Dit document is op 29 januari 2026 met uw Kamer
is gedeeld.12 Plurilaterale samenwerking in en rond de WTO zal in de komende jaren belangrijker
worden om de impasse in besluitvormingsprocessen bij de WTO te doorbreken. Dit is
een ontwikkeling die Nederland onderschrijft, zoals ook beschreven in het antwoord
op vraag 1 hierboven. Om tot plurilaterale akkoorden te komen zal samenwerking met
gelijkgezinde landen van groot belang zijn. Nederland zal zich daarom actief inzetten
voor een EU die het vizier openhoudt en samenwerkingsgronden zoekt met een brede groep
aan landen.
De leden van de CDA-fractie vragen ook hoe realistisch het kabinet het acht dat de
WTO via consensus nog tot stevige hervormingen kan komen. Is het kabinet bereid om
binnen de EU te pleiten voor meer samenwerking met gelijkgezinde middenmachten, zoals
Canada, Japan, Australië en het Verenigd Koninkrijk, als hervorming met alle WTO-leden
niet zou lukken?
40. Antwoord van het kabinet:
Ja, het kabinet is bereid om binnen de EU te pleiten voor meer samenwerking met gelijkgezinde
middenmachten, zowel binnen de WTO als daarbuiten. MC14 heeft wederom getoond dat
het zeer moeilijk is om tot besluitvorming met consensus te komen bij de WTO. De verwachting
is helaas ook niet dat dit in de komende jaren zal veranderen. Een inzet bij de WTO
die meer de nadruk legt op plurilaterale samenwerking en waarbij duidelijker wordt
opgetrokken met gelijkgezinde landen is een pragmatische manier om toch voortgang
te boeken in internationale handelsafspraken.
Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet aankijkt tegen plurilaterale
akkoorden binnen of naast de WTO. Kunnen zulke akkoorden een praktische uitweg bieden
als sommige leden hervorming blijven blokkeren? Waar liggen voor Nederland hierbij
de grenzen?
41. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet is voorstander van plurilaterale samenwerking in en rond de WTO, zoals
ook aangegeven in de antwoorden op de twee voorgaande vragen. Momenteel zijn de onderhandelingen
afgerond voor twee nieuwe plurilaterale akkoorden bij de WTO, namelijk het Investment Facilitation for Development Agreement (IFDA) en het E-Commerce Agreement (ECA). Nederland is, als lidstaat van de Europese Unie (EU), onderdeel van beide
plurilaterale akkoorden. Bij de 14e ministeriële conferentie van de WTO (MC14) hebben de deelnemende landen afgesproken
om de nodige stappen te zetten om deze akkoorden in werking te laten treden. De inwerkingtreding
van plurilaterale akkoorden binnen het WTO-acquis heeft de voorkeur, maar als dit door langdurige blokkades door enkele WTO-leden onmogelijk
wordt gemaakt, is de tijdelijke inwerkingtreding van plurilaterale akkoorden buiten
de WTO een pragmatische oplossing om toch tot besluitvorming op internationale handelsthema’s
te komen.
Sommige thema’s binnen de WTO zullen echter multilaterale besluitvorming blijven vergen.
Het gaat bijvoorbeeld om onderwerpen die van invloed zijn op de handelspositie van
elk WTO-lid, zoals afspraken omtrent toegestane subsidies of het gebruik van nationale
veiligheidsgronden om unilaterale handelsmaatregelen te nemen.
De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over oneerlijke concurrentie door industriële
subsidies, staatsbedrijven en marktverstoring. Kan de Minister aangeven hoe Nederland
binnen de EU inzet op stevigere WTO-regels voor industriële subsidies? Wordt daarbij
ook expliciet gekeken naar de rol van China?
42. Antwoord van het kabinet:
Hervormingen die de bestaande WTO-regels omtrent industriële subsidies verduidelijken
en aanscherpen zijn een belangrijke prioriteit binnen de Nederlandse inzet bij de
WTO. Grootschalige marktverstorende industriële subsidies door bepaalde landen, waaronder
China, leiden tot oneerlijke concurrentie op wereldmarkten. Het doel van zulke hervormingen
moet volgens Nederland dan ook zijn dat het mondiale gelijke speelveld tussen industriële
sectoren wordt versterkt en dat marktverstorende industriële steunmaatregelen effectief
geadresseerd worden.
In dit verband wijzen de leden van de CDA-fractie op de analyse van Anne Applebaum
in Autocracy, Inc., waarin zij beschrijft hoe autocratische regimes – waaronder China,
Rusland en Iran – niet langer op ideologische gronden samenwerken, maar op basis van
wederzijds economisch en politiek belang. Zij zetten industriële subsidies, staatsbedrijven
en kleptocratische financieringsstructuren in om hun machtspositie te versterken,
waarbij zij het internationale handelssysteem naar hun hand zetten. De leden van de
CDA-fractie vragen de Minister of hij deze analyse deelt en welke consequenties hij
hieruit trekt voor de Nederlandse en Europese handelspolitiek. Is het kabinet bereid
om, in lijn met Applebaums oproep aan democratieën om gezamenlijk op te trekken, binnen
de EU te pleiten voor een coherente strategie die de handelsverstoringen door autocratische
netwerken adresseert, bijvoorbeeld door steviger optreden tegen staatssteun aan buitenlandse
staatsbedrijven, strengere investeringsscreening en het tegengaan van marktverstoring
via gedumpt aanbod?
43. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet erkent dat het huidige op regels gebaseerde handelssysteem onder druk
staat, mede door de inzet van bijvoorbeeld industriële subsidies en andere marktverstorende
praktijken door grote economische spelers. Een belangrijk onderdeel van het antwoord
op deze problematiek is het verdiepen van samenwerking met gelijkgezinde partners
en het diversifiëren van handelsrelaties, onder meer via nieuwe handelsakkoorden.
Nieuwe partnerschappen kunnen helpen tegenwicht te bieden aan de groeiende economische
invloed van andere machtsblokken. Daarnaast steunt Nederland de effectieve en gerichte
inzet van het bestaande EU-handelsinstrumentarium, om waar nodig op te treden tegen
oneerlijke concurrentie en marktverstoring.
Ten aanzien van het e-commerce moratorium vragen de leden van de CDA-fractie welke
gevolgen het verlopen van dit moratorium kan hebben voor Nederlandse bedrijven, in
het bijzonder voor mkb-bedrijven en digitale dienstverleners. Welke landen overwegen
volgens het kabinet invoerheffingen op elektronische transmissies? En wat doet de
EU om schade voor Europese bedrijven te voorkomen?
44. Antwoord van het kabinet:
Uiteraard betreurt het kabinet dat het niet gelukt is om het e-commerce moratorium
opnieuw te verlengen tijdens de MC14 van de WTO. Dit betekent dat het WTO-landen nu
in principe vrijstaat om invoerheffingen op elektronische transmissies in te voeren,
tenzij zij zich in een bilaterale handelsovereenkomst hebben verbonden om daar onderling
van af te zien, zoals de EU met een aantal landen heeft gedaan. Vooralsnog heeft het
kabinet echter geen signalen ontvangen dat derde landen op dit moment daadwerkelijk
overwegen om een dergelijke heffing te introduceren. Ondertussen blijft de EU zich
onverminderd inzetten voor voortzetting van het moratorium. Ook is het positief dat
een groep van 66 WTO-leden, waaronder de EU, tijdens MC14 overeen zijn gekomen om
het e-commerce agreement (ECA) op voorlopige basis toe te passen.13 Dit plurilaterale akkoord bevat onder meer een verbod op elektronische heffingen
dat vergelijkbaar is met het e-commerce moratorium, waarmee in ieder geval in deze
groep landen een zekere mate van rechtszekerheid blijft bestaan.
Economische veiligheid: De impact van de situatie in het Midden-Oosten op handel
De leden van de CDA-fractie maken zich grote zorgen over de gevolgen van het conflict
in het Midden-Oosten voor handel, energieprijzen, voedselzekerheid en mondiale stabiliteit.
Deze leden steunen de inzet dat vrije doorvaart moet worden hersteld. Zij vragen de
Minister welke concrete rol de EU hierbij kan spelen. Gaat het hierbij alleen om diplomatieke
druk, of ook om praktische ondersteuning van internationale of humanitaire initiatieven?
45. Antwoord van het kabinet:
In het licht van het fragiele staakt-het-vuren tussen de VS en Iran en de voortdurende
belemmeringen van vrije doorvaart in de Straat van Hormuz zet het kabinet zich onverminderd
in voor een diplomatieke oplossing. Het kabinet roept hier in verschillende Europese
fora en bilaterale contacten consistent toe op. De uitbreiding van het sanctie-instrument
om Irans belemmering van de vrije doorvaart in de Straat van Hormuz te adresseren
is bijna een feit, en hier zal door de EU spoedig opvolging aan worden gegeven. Ook
zet het kabinet zich in om het huidige momentum te benutten om de samenwerking tussen
de EU en de Golfstaten te versterken.
Welke bijdrage is Nederland bereid te leveren als de veiligheidssituatie dat toelaat?
46. Antwoord van het kabinet:
Zoals eerder aan de Kamer gemeld onderzoekt Nederland een mogelijke militaire bijdrage
in coalitieverband. Frankrijk en het VK plannen voor een missie met een brede internationale
coalitie. Nederland is betrokken bij deze planning.
De plannen zijn nog in ontwikkeling, en eventuele activatie is pas aan de orde zodra
een aantal randvoorwaarden is bereikt, waaronder een einde aan de vijandelijkheden.
Eventuele Nederlandse inzet als onderdeel van een internationale militaire presentie
vergt dan eerst nationale politieke besluitvorming conform de artikel 100-procedure.
De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland inzet op EU-sancties tegen Iraanse
personen en entiteiten die betrokken zijn bij het belemmeren van vrije doorvaart.
Kan de Minister aangeven welke sanctie-opties op tafel liggen?
47. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet sinds de aanvang van de Hormuz crisis in op het sanctiespoor, waarbij
de inzet is om verantwoordelijken voor de sluiting van de Straat van Hormuz op de
sanctielijst te kunnen plaatsen. Verdere details zullen volgen wanneer de besluitvorming
van de EU hierover rond is.
De leden van de CDA-fractie vragen ook naar de gevolgen voor lage-inkomenslanden.
Juist deze landen zijn vaak afhankelijk van import van olie, gas en kunstmest uit
de Golfregio. Wat doet Nederland, bilateraal en via de EU, om te voorkomen dat deze
crisis leidt tot hogere voedselprijzen en nieuwe schuldenproblemen in kwetsbare landen?
48. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet deelt de zorg dat lage-inkomenslanden hard kunnen worden geraakt door
de economische gevolgen van de blokkade van de Straat van Hormuz. Veel van deze landen
zijn sterk afhankelijk van import van energie, voedsel en kunstmest, hebben beperkte
begrotingsruimte en kampen in veel gevallen al met hoge schuldendienst. Hogere energie-
en kunstmestprijzen kunnen daardoor snel doorwerken in voedselprijzen, inflatie, betalingsbalansdruk
en nieuwe schuldenproblemen.
Nederland zet zich daarom in voor een gecoördineerde internationale respons, zowel
via de EU als via de internationale financiële instellingen. Daarbij is het van belang
dat elk instrument op de juiste plek wordt ingezet. Het Internationale Monetaire Fonds
(IMF) heeft een centrale rol bij betalingsbalansdruk, reserves en macro-economische
stabilisatie. De Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken kunnen landen ondersteunen
bij het beschermen van prioritaire uitgaven, sociale vangnetten, voedselzekerheid,
energievoorziening en hervormingen die de weerbaarheid vergroten. International Finance Corporation (IFC), Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) en regionale ontwikkelingsbanken kunnen daarnaast bijdragen aan handelsfinanciering,
garanties en risicodekking voor kritieke importketens, waaronder energie, voedsel,
kunstmest en medicijnen.
Binnen de EU pleit Nederland voor een respons die snel, gecoördineerd en doelgericht
is, met aandacht voor de meest kwetsbare landen. Daarbij moet worden voorkomen dat
Europese maatregelen, bijvoorbeeld op het gebied van energiezekerheid of opslag, onbedoeld
de druk op kwetsbare importerende landen verder vergroten. De inzet van Nederland
is dat beperkte middelen gericht worden ingezet voor korte-termijn crisisrespons en
tegelijk dat er blijvende aandacht is voor de versterking van structurele weerbaarheid,
waaronder voedselzekerheid, energiezekerheid en diversificatie van toeleveringsketens.
Kan de Minister daarnaast aangeven wat de gevolgen zijn voor Nederlandse sectoren
zoals landbouw, transport, energie-intensieve industrie en chemie?
49. Antwoord van het kabinet:
Nederlandse sectoren worden primair geraakt door hogere productiekosten (voornamelijk
energie) en problemen in de toeleveringsketens. Dit kan neerwaartse druk zetten op
de winstgevendheid en het concurrentievermogen van Nederlandse bedrijven.
Heeft het kabinet scenario’s klaarliggen voor het mitigeren van de gevolgen van verdere
verstoring van energie-, kunstmest-, aluminium- of heliummarkten?
50. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet heeft de Kamer op 20 april jl. geïnformeerd over maatregelen voor het
mitigeren van de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten.14 In deze brief gaat het kabinet in op verschillende scenario’s, waaronder een verslechtering
van de situatie.
Lunch implementatie handelsakkoorden
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe hij de discussie over het versnellen
van procedures voor handelsakkoorden ingaat. Waar ziet het kabinet ruimte voor versnelling?
En waar trekt het kabinet een duidelijke grens?
51. Antwoord van het kabinet:
Handelsakkoorden bieden grote kansen voor onze economie en voor verduurzaming. Daarnaast
dragen ze bij aan het vergroten van de economische weerbaarheid en slagvaardigheid
van Nederland en de EU. Het kabinet steunt daarom de Commissie in haar ambitieuze
inzet om na de afronding van onderhandelingen het proces richting ondertekening en
ratificatie te versnellen. Versnelling zou mogelijk zijn in het proces van vertalingen
van de onderhandelde teksten en het juridisch opschonen (legal scrubbing) van een tekst.
Het kabinet steunt initiatieven die Europese procedures versnellen, maar ze mogen
geen inbreuk maken op de integriteit van nationale procedures, besluitvorming, of
verminderde beschikbaarheid van informatie, zoals impactanalyses, die de gevolgen
van een akkoord breed in kaart brengen.
Deze leden vragen ook hoe de Kamer tijdig betrokken blijft bij nieuwe handelsakkoorden.
Kan de Minister toezeggen dat versnelling niet ten koste gaat van parlementaire controle,
transparantie en een goede beoordeling van gevolgen voor landbouw, milieu, arbeidsrechten
en strategische afhankelijkheden?
52. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet stuurt de Kamer vier keer per jaar een voortgangsrapportage van alle lopende
onderhandelingen. Daarnaast wordt de Kamer per brief geïnformeerd over tussentijdse
relevante ontwikkelingen. Na een onderhandelaarsakkoord en formele voorlegging aan
de EU-lidstaten beoordeelt het kabinet het akkoord op zijn merites, waarin een breed
palet aan onderwerpen wordt meegenomen. Dit betreft onder meer gevolgen voor Nederlandse
economische sectoren en duurzaamheids- en sociaal-maatschappelijke aspecten van een
akkoord, zoals bijvoorbeeld arbeidsrechten, en tevens de geopolitieke relevantie van
een akkoord. Uw Kamer ontvangt hiervoor standaard een kabinetsappreciatie, zodanig
dat uw Kamer de mogelijkheid heeft hierover desgewenst in gesprek te treden met het
kabinet, alvorens Nederland een definitieve positie inneemt in de Raad. Nederland
geeft bij de Commissie aan dat eventuele versnellingen in het Brusselse proces niet
mogen leiden tot onzorgvuldige besluitvorming of verminderde transparantie, en dat
nationale parlementaire processen gerespecteerd dienen te worden.
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet ervoor zorgt dat bestaande
handelsakkoorden beter worden benut door Nederlandse ondernemers. Veel mkb-bedrijven
kennen de mogelijkheden van handelsakkoorden onvoldoende. Welke concrete stappen zet
het kabinet samen met RVO, ambassades en brancheorganisaties om die benutting te vergroten?
53. Antwoord van het kabinet:
Goede implementatie van handelsakkoorden is essentieel om ervoor te zorgen dat de
kansen die handelsakkoorden bieden ook daadwerkelijk worden benut en gemaakte afspraken
worden nageleefd. Het kabinet zet via verschillende kanalen in op informatievoorziening
aan het bedrijfsleven. Op websites van onder andere de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO), de Douane, de Kamer van Koophandel en de Rijksoverheid staan handelsakkoorden
uitgelegd en wordt verhelderd aan welke voorwaarden moet worden voldaan voor het gebruik
hiervan. Tevens kunnen bedrijven bij deze organisaties terecht met vragen. Voorlichting
aan het Nederlands bedrijfsleven over kansen die handelsakkoorden bieden gebeurt doorlopend
binnen de inzet van het brede handelsinstrumentarium. Dit wordt gezamenlijk uitgevoerd
door de RVO, ambassades en consulaten-generaal, Netherlands Business Support Offices
(NBSOs), en het Trade and Innovate NL netwerk.
Daarnaast worden bedrijven door koepelorganisaties, waaronder door VNO-NCW, actief
ingelicht over (de mogelijkheden van) nieuwe handelsakkoorden. In samenwerking met
de Europese Commissie bestaan verschillende initiatieven, zoals het online Access
to Markets platform en het organiseren van markttoegangsdagen, die bijdragen aan de
kennis over handelsakkoorden.
De leden van de CDA-fractie zijn positief over het versterken van handelsrelaties
met gelijkgezinde landen zoals Canada en Mexico. De motie-Kamminga/Boswijk vroeg terecht
aandacht voor verdieping van deze relaties en voor het veiligstellen van toeleveringsketens
voor kritieke grondstoffen. Deze leden constateren dat de handel met Canada sinds
de voorlopige toepassing van CETA sterk is gegroeid. Ook lezen zij dat Canada beschikt
over belangrijke kritieke grondstoffen, zoals lithium, koper en zeldzame aardmetalen.
Kan de Minister aangeven welke concrete resultaten de samenwerking met Canada inmiddels
oplevert voor Nederlandse bedrijven en voor de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen?
54. Antwoord van het kabinet:
Concrete resultaten voor Nederlandse bedrijven van de samenwerking tussen Nederland
en Canada op kritieke grondstoffen zijn twee handelsmissies (maart 2025 en 2026) naar
de Prospectors & Developers Association of Canada (PDAC) beurs, onder leiding van voormalig Minister Klever en Speciaal Vertegenwoordiger
Grondstoffenstrategie Allard Castelein. In 2025 en 2026 hebben respectievelijk 18
en 22 Nederlandse bedrijven aan PDAC deelgenomen. Deze en toekomstige handelsmissies
stellen Nederlandse bedrijven – ondersteund door het bredere handelsinstrumentarium
– in staat direct hun positie te versterken in de Canadese waardeketen voor kritieke
grondstoffen. Aanvullend is in 2025 een samenwerkingsintentie ondertekend met de provincie
Québec gericht op waardeketenintegratie, recycling en Environmental, Social and Governance (ESG)-standaarden. In februari 2026 hebben acht Canadese bedrijven gespecialiseerd
in kritieke grondstoffen recycling Nederland bezocht om samenwerking met Nederlandse
bedrijven te verkennen.
Voorts verkent het kabinet actief de mogelijkheden voor het stimuleren van nieuwe
waardenketen-ontwikkeling tussen Canada, Nederland en Europa ten behoeve van leveringszekerheid
van kritieke grondstoffen. Het doet dit in samenwerking met Nederlandse en Canadese
marktpartijen, het Nederlands Materialen Observatorium, Europese partners en de Canadese
overheid. De Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft de Tweede Kamer toegezegd
om deze zomer een brief over de Nederlandse bijdrage aan de Critical Raw Materials
Act te sturen. Daarin wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de stand van zaken en
de kabinetsinzet wat betreft het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke
grondstoffen, waaronder de inzet onder de diversificatiepijler van de Nationale Grondstoffenstrategie.
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet bereid is om met Canada een meerjarig
actieplan op te stellen voor kritieke grondstoffen, met aandacht voor mijnbouw, raffinage,
recycling, onderzoek, investeringen en hoge ESG-standaarden.
55. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet ziet geen meerwaarde in het opstellen van een apart meerjarig actieplan
voor kritieke grondstoffensamenwerking met Canada. Voor internationale grondstoffensamenwerking
heeft het kabinet een Europese en internationale aanpak die zich richt op de hele
waardeketen, mede omdat de Nederlandse industrie deze grondstoffen niet of nauwelijks
direct importeert of gebruikt. Nederland importeert vooral producten waar kritieke
grondstoffen in verwerkt zitten. Tegelijk onderneemt Nederland reeds de nodige activiteiten,
o.a. in samenwerking met Canada zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag.
Ten aanzien van Mexico vragen de leden van de CDA-fractie wanneer ondertekening van
het gemoderniseerde EU-Mexico akkoord wordt verwacht.
56. Antwoord van het kabinet:
De ondertekening door Mexico en de EU van het gemoderniseerde EU-Mexico akkoord is
voorzien op 22 mei a.s., tijdens de EU-Mexico top.
Welke kansen ziet het kabinet voor Nederlandse bedrijven?
57. Antwoord van het kabinet:
Het akkoord biedt diverse kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven, zoals uiteengezet
in de kabinetsappreciatie van de modernisering van de EU-Mexico Global Agreement die
14 november 2025 met uw Kamer is gedeeld.15 Zo creëert het akkoord aanvullende markttoegang voor landbouwproducten, hetgeen kansen
kan bieden voor het Nederlandse bedrijfsleven. Hierbij kan specifiek worden gedacht
aan de export van vlees- en zuivelproducten. Ook biedt het akkoord aanvullende marktoegang
op het gebied van diensten en overheidsaanbestedingen.
En hoe wordt de Kamer geïnformeerd over de uitvoering?
58. Antwoord van het kabinet:
Wanneer het gemoderniseerde EU-Mexico akkoord in werking is getreden, zal de implementatie
van het akkoord worden meegenomen in het jaarlijkse rapport van de Europese Commissie
dat ziet op de implementatie van EU-handelsakkoorden. Dit rapport is openbaar en te
raadplegen op de website van de Europese Commissie. Dit rapport wordt daarnaast regulier
geagendeerd op de RBZ Handel, waarover uw Kamer wordt geïnformeerd als onderdeel van
de RBZ cyclus.
Algemeen Preferentieel Stelsel
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de herziening van
het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). Deze leden steunen het doel om ontwikkelingslanden
betere toegang tot de Europese markt te geven. Handel kan immers bijdragen aan armoedebestrijding,
werkgelegenheid en economische ontwikkeling.
Tegelijk lezen de leden van de CDA-fractie dat het APS ook voorwaarden stelt op het
gebied van mensenrechten, arbeidsrechten, goed bestuur, milieu en klimaat. Kan de
Minister aangeven hoe de EU deze voorwaarden in de praktijk gaat controleren? Welke
capaciteit is daarvoor beschikbaar?
59. Antwoord van het kabinet:
Voor landen die onder het APS extra markttoegang krijgen (de zogenaamde APS+ landen
waarvoor ook extra duurzaamheidsafspraken gelden) is een specifiek monitoringsregime
van kracht om te toetsen of deze landen de internationale verdragen opgenomen in de
verordening ratificeren en effectief implementeren. De Europese Commissie en de Europese
Dienst voor Extern Optreden verzorgen monitoringsmissies in APS+ landen. Daar spreken
zij ook met maatschappelijke actoren, waaronder met vakbonden en maatschappelijke
organisaties, over de naleving van mensenrechten, arbeidsrechten, afspraken over milieu-
en klimaatbescherming en goed bestuur. Op basis van deze monitoringsmissies wordt
eens in de drie jaar een monitoringsrapport gepubliceerd met aanbevelingen voor het
betreffende APS+ land. De naleving van internationale verdragen door standaard APS
en EBA (Everything But Arms) landen wordt gemonitord via bestaande dialogen en monitoringsprocedures die losstaan
van het APS, zoals een EU-mensenrechtendialoog en monitoring door de VN.
Daarnaast vragen deze leden hoe de nieuwe koppeling met terugkeersamenwerking in de
praktijk gaat werken. Het kabinet geeft zelf aan dat besluitvorming over visummaatregelen
vaak traag verloopt. Is het kabinet bereid om binnen de EU te pleiten voor een helder
escalatiemechanisme, waarbij handelsvoordelen onder het APS automatisch worden opgeschort
wanneer een partnerland structureel niet meewerkt aan terugkeer?
60. Antwoord van het kabinet:
De tijdelijke gedeeltelijke of volledige intrekking van tariefpreferenties kan grote
economische gevolgen hebben voor APS-landen. Dit besluit is daarom onderhevig aan
verschillende besluitvormingsprocedures. Zo zijn de terugkeerafspraken in de APS herziening
afhankelijk van besluitvorming onder de Visumcode over visummaatregelen bij onvoldoende
samenwerking op terugkeer. Daarnaast is ruimte ingebouwd voor overleg met het betreffende
APS-land.
Het kabinet is geen voorstander van het automatisch opschorten van tariefpreferenties,
omdat het kabinet hecht aan het behoud van een genereus en ruimhartig stelsel voor
ontwikkelingslanden. Bovendien hecht het kabinet aan brede relaties met partnerlanden,
gebaseerd op wederzijdse belangen, waaronder op het gebied van migratie. Bij dergelijke
brede relaties is het van belang eerst een dialoog te voeren en een zorgvuldig proces
te doorlopen voordat tot maatregelen wordt overgegaan.
En hoe voorkomt de Minister dat de koppeling met migratie ertoe leidt dat juist de
armste landen, waar de noden het grootst zijn, als eerste hun handelspreferenties
verliezen?
61. Antwoord van het kabinet:
In besluitvorming over de mogelijke tijdelijke gedeeltelijke of volledige intrekking
van tariefpreferenties bij onvoldoende terugkeersamenwerking wordt rekening gehouden
met de kwetsbare positie van minst ontwikkelde landen. De drempel voor de intrekking
van tariefpreferenties ligt hoger bij minst ontwikkelde landen, ook omdat die landen
vaak beperkte capaciteit hebben om maatregelen te implementeren.
Inbreng leden van de JA21-fractie
De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda Raad
Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026. Zij hebben enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de fractie van JA21 maken zich zorgen over de ratificatie en uitvoering
van de Turnberry deal die spoedig dient te worden afgerond. Deze leden zijn van mening
dat een pragmatische houding die zorgt voor voorspelbaarheid voor bedrijven nu van
het grootste belang is. Daarom vragen zij het kabinet in de Raad te pleiten voor een
zo snel mogelijke verwerking van de Turnberry deal. Deelt het kabinet dit standpunt
van deze leden?
62. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet deelt de visie dat bedrijven aan beide kanten van de Atlantische oceaan
belang hebben bij voorspelbaarheid en stabiliteit in de trans-Atlantische handelsrelatie.
Tijdens de aanstaande Raad Buitenlandse Zaken Handel zal het kabinet opnieuw aandringen
op spoedige implementatie van de Turnberry deal aan EU-zijde.
Kan zij toezeggen zich hiervoor hard te maken in de Raad? Welke discussiepunten maken
het nu dat de triloog nog niet heeft kunnen worden afgerond?
63. Antwoord van het kabinet:
Ja, dat kan het kabinet toezeggen. Voor wat betreft de EU-verordeningen ter implementatie
aan EU-zijde is het voor het kabinet van belang dat er voldoende bijsturingsmogelijkheden
zijn mocht de VS zich niet aan haar afspraken houden. Daarom heeft Nederland zich
in de Raad steeds uitgesproken voor een stevige monitorings- en evaluatieclausule,
zodat de impact van de EU-tariefverlagingen en implementatie aan VS-zijde goed kunnen
worden gevolgd. Daarbij moet de mogelijkheid bestaan om de tariefverlagingen op te
schorten bij niet-naleving van afspraken door de VS, zoals ook expliciet opgenomen
in de Raadspositie. Ook het Europees Parlement is hier voorstander van. Het kabinet
kan zich ook vinden in een sunset clausule, zoals voorgesteld door het Europees Parlement. Het kabinet is echter geen
voorstander van een sunrise clausule zoals het Europees Parlement voorziet; een dergelijke clausule brengt het
risico met zich mee dat de implementatie van het Joint Statement in een patstelling
belandt.
Het kabinet verwacht dat de triloog over de EU-verordeningen spoedig kan worden afgerond.
Tijdens de aanstaande Raad Buitenlandse Zaken Handel zal het kabinet opnieuw aandringen
op spoedige implementatie van de Turnberry deal aan EU-zijde.
De leden van de fractie van JA21 zijn van mening dat escalatoire handelsreacties vanuit
de Europese Unie zeer terughoudend moeten worden ingezet. Deze leden wijzen erop dat
extra Europese tegenheffingen uiteindelijk ook Europese bedrijven, producenten en
consumenten raken, zeker voor een open economie als Nederland. Zij vragen het kabinet
daarom expliciet of het zich in EU-verband verzet tegen een automatische logica van
dreigingen tot vergeldingsmaatregelen richting de Verenigde Staten. Deelt het kabinet
de opvatting dat het economisch onverstandig is om als reactie op Amerikaanse handelsbarrières
zelf opnieuw barrières op te werpen die de Europese economie verder belasten?
64. Antwoord van het kabinet:
Europese bedrijven hebben inderdaad baat bij stabiliteit en voorspelbaarheid in de
trans-Atlantische handelsrelatie. Daarom zet het kabinet in op een spoedige implementatie
van de Turnberry-Deal. Een situatie waarin de Amerikaanse heffingen geplafonneerd
zijn is beter dan een situatie zonder een dergelijk plafond. Mochten de VS zich echter
niet houden aan de Turnberry-Deal en nieuwe heffingen invoeren, dan kan het noodzakelijk
zijn om proportionele en gerichte tegenmaatregelen te nemen om het Europese belang
te beschermen.
De leden van de fractie van JA21 zijn van mening dat de Europese reactie op drukzettende
Amerikaanse importheffingen handelsdiversificatie moet zijn in plaats van escalatie.
Die handelsdiversificatie wordt mede aangemoedigd door de Kamer bij monde van de motie
Hoogeveen c.s. (Kamerstuk 21 501-20, nr. 2344). Hoe vervult het kabinet deze aanjagersrol in de Raad?
65. Antwoord van het kabinet:
De inzet van het kabinet op het afbouwen van risicovolle strategische afhankelijkheden
door verdere diversificatie van handelspartners is uiteengezet in de Beleidsbrief
Buitenlandse Zaken16. Het kabinet geeft hieraan invulling door in EU-verband de Commissie aan te sporen
onderhandelingen met derde landen te versnellen en nieuwe partnerschappen aan te gaan.
De voorlopige toepassing van het handelsdeel van het EU-Mercosur akkoord per 1 mei
jl., de aanstaande ondertekening van het gemoderniseerde EU-Mexico akkoord en de recente
afronding van onderhandelingen met Australië, India en Indonesië zijn belangrijke
mijlpalen in dit opzicht.
De Minister was onlangs in Egypte; is daar ook gesproken over verdieping van het Deep
and Comprehensive Free Trade Agreement met het land?
66. Antwoord van het kabinet:
In 2011 kreeg de Commissie een mandaat om te onderhandelen over verbreding en verdieping
van het Associatieakkoord tussen de EU en Egypte, met afspraken over onder meer dienstenhandel
en investeringen. Een dialoog over deze zogenoemde Deep and Comprehensive Free Trade Area (DCFTA) is gestart in juni 2013; de onderhandelingen liggen momenteel stil. Dit onderwerp
is niet ter sprake gekomen tijdens het bezoek aan Egypte dat plaatsvond van 4 tot
en met 7 mei jongstleden.
Kan het kabinet tevens toelichten wanneer gesprekken zullen beginnen met de Gulf Cooperation
Council over een handelsakkoord?
67. Antwoord van het kabinet:
In 2024 zijn door de Europese Commissie verkennende gesprekken gevoerd over het hervatten
van de onderhandelingen over een EU-Gulf Cooperation Council (GCC) handelsakkoord.
Hierbij is gebleken dat de ambitieniveaus van enerzijds de EU en anderzijds de Golfstaten
ver uit elkaar liggen. Voor zowel de EU als Nederland gaat het hierbij om onderwerpen
zoals beleidsruimte in de energiesector, arbeidsrechten, staatssteun en investeringen.
De inschatting is dat, ondanks de veranderde context, die situatie niet is veranderd.
Conform de motie Hoogeveen c.s.17 blijft het kabinet zich inzetten voor het verkennen van een bredere handelsovereenkomst
met de GCC. Ondertussen wordt ook het spoor van onderhandelingen met individuele GCC-staten
verkend, waarbij voor de VAE geldt dat deze onderhandelingen al lopen.
De leden van de fractie van JA21 vragen daarnaast specifiek aandacht voor China. Deze
leden erkennen dat de handelsrelatie met China complex is en dat er terechte zorgen
bestaan over economische veiligheid, staatssteun, marktverstoringen en strategische
afhankelijkheden. Tegelijkertijd constateren deze leden dat China een van de belangrijkste
handelspartners van de Europese Unie blijft en dat duidelijke en afdwingbare handelsafspraken
juist kunnen bijdragen aan meer wederkerigheid, voorspelbaarheid en het verminderen
van handelsirritaties.
Deze leden wijzen erop dat het Comprehensive Agreement on Investment (CAI), waarover
in 2020 in principe overeenstemming werd bereikt, mede bedoeld was om Europese bedrijven
betere markttoegang te geven, regels af te spreken over staatsbedrijven en gedwongen
technologieoverdracht tegen te gaan. De ratificatie van het akkoord werd in 2021 politiek
bevroren. De leden van de fractie van JA21 vragen het kabinet daarom of het bereid
is in de Raad te verkennen of onderdelen van het CAI of vergelijkbare afspraken over
markttoegang, investeringsbescherming en wederkerigheid opnieuw bespreekbaar kunnen
worden gemaakt. Zo nee, waarom niet?
68. Antwoord van het kabinet:
De EU heeft de goedkeuringsprocedure van de Comprehensive Agreement on Investment (CAI) in mei 2021 stilgelegd, als reactie op Chinese sancties op Europese politici.
Het Europees Parlement heeft bovendien aangegeven het CAI niet te zullen behandelen
zolang deze sancties van kracht zijn. Hervatting van het goedkeuringsproces of heropenen
van onderhandelingen over onderdelen van het CAI is op dit moment niet aan de orde.
Naast de politieke situatie dient daarbij ook te worden meegewogen op welke wijze
de EU-China handels- en investeringsrelatie het beste in balans kan worden gebracht;
hierover loopt een bredere discussie binnen de Europese Unie, zoals ook uiteen gezet
in de verslagen van de recente bijeenkomsten van de Raad Buitenlandse Zaken Handel
waar de EU-China relatie op de agenda stond.
Hoe voorkomt het kabinet dat het Europese China-beleid doorslaat van noodzakelijke
de-risking naar economisch schadelijke ontkoppeling?
69. Antwoord van het kabinet:
De drieslag van China als partner, concurrent en systeemrivaal blijft van belang en
is het uitgangspunt voor «de-risking, not decoupling».18 Het kabinet hanteert derhalve een gebalanceerde aanpak en onderkent dat de Chinese
economie, gezien haar omvang en innovatiekracht, belangrijke kansen biedt voor het
Nederlandse verdien- en innovatievermogen. Via handels- en innovatiemissies, economische
dialogen en ondersteuning door RVO en de posten wordt hier actief op ingezet. Tegelijkertijd
is het kabinet zich bewust van de risico’s van risicovolle strategische afhankelijkheden
en zet het gericht in op het verminderen daarvan, onder meer via de Nationale Grondstoffenstrategie,
de EU Critical Raw Materials Act en het bredere economische veiligheidsinstrumentarium.
De leden van de fractie van JA21 constateren dat binnen de Europese Unie in toenemende
mate wordt gesproken over zogenoemde «local content»-eisen en «Made in Europe»-criteria
binnen industrie- en aanbestedingsbeleid. Deze leden begrijpen de wens om strategische
afhankelijkheden te verminderen, maar waarschuwen tegelijkertijd voor een ontwikkeling
richting impliciet protectionisme en verstoring van internationale waardeketens. Deze
leden vragen het kabinet daarom hoe het aankijkt tegen dergelijke lokale inhoudseisen.
Deelt het kabinet de opvatting dat het opleggen van vergaande Europese local content-verplichtingen
uiteindelijk kan leiden tot hogere kosten, minder concurrentie, verstoring van mondiale
productieketens en tegenmaatregelen van handelspartners?
70. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet hanteert een terughoudende positie ten aanzien van Europese voorkeurscriteria
zoals lokale inhoudsvereisten en zet zich zo veel als mogelijk in voor een Made with Europe benadering die in overeenstemming is met de internationale verplichtingen de EU,
waaronder die van de World Trade Organization (WTO) en bilaterale EU handelsovereenkomsten. Daarbij is het kabinet van mening dat
de handel verstorende effecten van een dergelijk voorkeursprincipe beperkt moeten
blijven, tenzij economische weerbaarheidsoverwegingen tot een andere afweging nopen.
Sterke economische betrekkingen tussen de EU en derde landen zijn immers in het Nederlands
belang. Niet alleen vanwege de diversificatie-mogelijkheden om risicovolle strategische
afhankelijkheden af te bouwen, maar ook omdat de Nederlandse welvaart baat heeft bij
open handel met een hoge mate van concurrentie.19 Daarmee sluit het kabinet aan op de motie Hoogeveen op dit punt.20
Hoe voorkomt het kabinet dat de Europese Unie, in reactie op protectionistische tendensen
elders in de wereld, zelf vergelijkbare handelsverstorende instrumenten gaat inzetten?
Is het kabinet bereid zich in de Raad uit te spreken tegen de trend richting local
content-eisen en te blijven pleiten voor open markten, wederkerigheid en diversificatie
van handelspartners?
71. Antwoord van het kabinet:
Zoals in het antwoord op vraag 70 hierboven uiteengezet draagt het kabinet een terughoudende
positie uit ten aanzien van een Europees voorkeursprincipe zoals lokale inhoudsvereisten.
Daarnaast spoort het kabinet de Europese Commissie actief aan nieuwe handels- en investeringsverdragen
te sluiten om onze handelsrelaties te diversifiëren. Ook zet Nederland zich in EU-verband
in voor het bevorderen van een internationaal gelijk speelveld, waar handelsmaatregelen
tegen concurrentievervalsing en marktverstorende praktijken onderdeel van zijn.21 Het kabinet is zich ervan bewust dat een aantal handelspartners wel een nationaal
voorkeursbeleid hanteert. De EU zet zich daarom continu in voor betere toegang van
EU-bedrijven tot derde markten. Dit kan onder andere door nieuwe handelsovereenkomsten
te sluiten en door derde landen aan te spreken op marktverstorende handelspraktijken.
Indien nodig, treft de EU daar maatregelen tegen door bijvoorbeeld inzet van het handelsdefensieve
instrumentarium of recentere instrumenten zoals het Instrument voor Internationale
Overheidsopdrachten (International Procurement Instrument, IPI).
De leden van de fractie van JA21 constateren voorts dat de Europese Unie steeds meer
inzet op handelsakkoorden met duurzaamheidshoofdstukken, keteneisen en aanvullende
regelgeving. Deze leden onderschrijven het belang van eerlijke handel en basisnormen,
maar vragen tegelijkertijd aandacht voor het risico dat Europese regeldruk en complexe
compliance-eisen de praktische markttoegang voor handelspartners bemoeilijken. Hoe
weegt het kabinet dit risico mee in de onderhandelingen over nieuwe handelsakkoorden?
72. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet herkent het risico dat Europese wetgeving bij kan dragen aan regeldruk
en handelsbelemmeringen, en het kabinet zet zich er dan ook voor in om handelsbeperkende
effecten van EU wetgeving zo veel mogelijk te bepreken om er voor te zorgen dat de
EU een betrouwbare en aantrekkelijke handelspartner blijft voor derde landen. Bovendien
is het van belang dat nieuwe wetgeving in lijn is met internationale verplichtingen
van de EU, waaronder die in handelsakkoorden.
Handelsakkoorden worden gesloten om markttoegang over en weer daadwerkelijk te verbeteren.
Het kabinet ziet handelsakkoorden voorts als een goed instrument om mogelijke onduidelijkheid
over EU wetgeving weg te nemen. Handelsakkoorden en de onderhandelingen daarover bieden
een platform om wederzijdse ontwikkelingen in wetgeving te bespreken om zo voorspelbaarheid
voor bedrijven uit derde landen te vergroten en handelsbelemmerende effecten waar
mogelijk tegen te gaan. Het is echter niet mogelijk om derde landen een voorkeursbehandeling
te bieden in handelsakkoorden bij de toepassing van EU wetgeving.
Deelt het kabinet de opvatting dat de EU moet waken voor een situatie waarin handelsakkoorden
op papier markttoegang vergroten, maar aanvullende regelgeving die toegang in de praktijk
juist complexer maakt?
73. Antwoord van het kabinet:
Zie het antwoord op vraag 72.
De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van de antwoorden van het kabinet
op het schriftelijk overleg over de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026. Deze
leden vragen het kabinet nader in te gaan op de positie van het Koninkrijk ten opzichte
van Venezuela. Het kabinet stelt dat «het bereid is een constructieve rol te spelen
om de situatie te verbeteren waardoor in de toekomst mogelijk ook de randvoorwaarden
ontstaan voor verantwoorde economische kansen.» Aan welke constructieve rol wordt
hier specifiek gedacht?
74. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet benadrukt, ook richting de Venezolaanse autoriteiten, dat verdere concrete
stappen richting herstel van de rechtsstaat en democratie in Venezuela noodzakelijk
zijn, ook om de sociaaleconomische situatie duurzaam te verbeteren. Sociaaleconomische
ontwikkeling in Venezuela is gekoppeld aan herstel van rule of law en institutionele hervormingen. Het is uiteraard aan Venezuela zelf om dergelijke
processen vorm te geven. Het kabinet is bereid, waar mogelijk, een constructieve rol
te spelen die kan bijdragen aan herstel van de rechtsstaat en democratie, bijvoorbeeld
in de facilitatie van politieke dialoog.
Hoe worden de landen Aruba en Curaçao, mede in het licht van hun reeds uitgesproken
ambities, binnen het buitenlandbeleid in de optimale positie gebracht om nieuwe economische
kansen met Venezuela te kunnen grijpen?
75. Antwoord van het kabinet:
Herstel van de rechtsstaat en democratie in Venezuela is belangrijk om in de toekomst
op verantwoorde wijze naar economische kansen te kijken. Economische aangelegenheden
vallen echter binnen de autonome bevoegdheden van Curaçao en Aruba en dus buiten het
mandaat van Nederland en het Koninkrijk.
Tenslotte willen de leden van de fractie van JA21 een verzoek doen betreffende de
gevolgen van een mogelijke opschorting van het handelsdeel van het associatieakkoord
met Israël. Tijdens het plenaire debat over de situatie in het Midden-Oosten van 16 april
jongstleden heeft de Minister van Buitenlandse Zaken aangegeven dat er weinig zicht
is op de mogelijke gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven en toeleveringsketens.
Hij gaf daarbij aan wel bereid te zijn te kijken of daar meer informatie over verstrekt
zou kunnen worden. Zou het kabinet bereid zijn per brief de Kamer hierover te informeren
met daarover beschikbare informatie?
76. Antwoord van het kabinet:
Het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting van het handelsdeel van het
EU-Israël Associatieakkoord (hierna: opschorting) is niet aangenomen door de Raad.
Indien dit voorstel wel zou worden aangenomen, zouden zowel Israël als de EU geen
aanspraak meer kunnen maken op preferentiële behandeling onder titel II, titel III
en hoofdstukken 2, 3 en 4 van titel IV van de Associatieovereenkomst zolang de opschorting
van kracht zou zijn. In de praktijk betekent dit dat wederzijdse handel zou plaatsvinden
onder de voorwaarden van de Wereldhandelsorganisatie (most favoured nation, MFN). Dit heeft rechtstreeks invloed op kosten van de handel in bepaalde goederen,
maar niet op de beschikbaarheid van deze goederen.
Opschorting zou een beperkt deel van de totale goederenstroom tussen de EU en Israël
treffen. 63 procent van de export van Israël naar de EU en bijna 70 procent van de
EU-export naar Israël vindt namelijk al plaats onder MFN-voorwaarden, waarbij veelal
sprake is van een nultarief. De handelsstroom die momenteel wel onder preferentiële
voorwaarden plaatsvindt, zou bovendien in beperkte mate worden getroffen omdat de
gemiddelde toegepaste MFN-heffingen van Israël en de EU respectievelijk 1,9 en 3 procent
zijn. De effecten verschillen wel per productcategorie; heffingen voor landbouwproducten
zijn doorgaans (beduidend) hoger dan voor industriegoederen.
Aangezien Israël niet tot de voornaamste handelspartners van Nederland behoort, zouden
de directe economische gevolgen van opschorting voor de Nederlandse economie naar
verwachting zeer gering zijn. Er is beperkt zicht op de mogelijke gevolgen voor specifieke
bedrijven, sectoren en toeleveringsketens, onder meer omdat de effecten van een verhoging
van invoerheffingen variëren op basis van de prijselasticiteit van specifieke goederen.
En wat is de laatste stand van zaken omtrent die voornemen in Europees verband?
77. Antwoord van het kabinet:
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei jl. bleek onvoldoende steun voor het
gedeeltelijk of volledig opschorten van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël.
De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van artikel 2 van het
EU-Israël Associatieakkoord blijft gericht op het vergroten van draagvlak voor EU-maatregelen
onder andere lidstaten.
Inbreng leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 en hebben hierover nog enkele vragen.
Impact Midden-Oosten op handel, energieprijzen en kunstmest
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Raad zal spreken over de impact van het conflict
in het Midden-Oosten op handel en internationale waardeketens. Deze leden lezen ook
dat prijseffecten kunnen optreden op onder meer gas-, aluminium- en kunstmestmarkten.
Kan de Minister aangeven welke Nederlandse sectoren volgens het kabinet op dit moment
het meest kwetsbaar zijn voor deze prijsstijgingen en verstoringen, specifiek in de
landbouw, visserij, transportsector, maakindustrie en energie-intensieve industrie?
78. Antwoord van het kabinet:
De genoemde sectoren zijn inderdaad kwetsbaar voor verstoringen en prijsstijgingen.
Met name energie-intensieve industrie, zoals chemie en glastuinbouw, worden geraakt
door hogere gasprijzen. De landbouw wordt onder andere geraakt door hogere kunstmestprijzen.
Voor wat betreft verstoringen in de aluminiummarkt wordt dit met name gevoeld in de
bouw en de maakindustrie. De prijseffecten zullen op termijn echter breed doorwerken
in de economie door middel van hogere inflatie. De kwetsbaarheid van specifieke bedrijven
voor deze verstoringen hangt onder andere af van hun mogelijkheid om hogere prijzen
door te belasten aan de eindgebruikers.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Europese Commissie tijdelijk ruimere
staatssteunregels toestaat via het Middle East Crisis Temporary State Aid Framework.
Kan de Minister aangeven of het kabinet voornemens is gebruik te maken van deze verruimde
staatssteunruimte, bijvoorbeeld voor bedrijven die hard worden geraakt door hogere
kosten voor energie, brandstof en kunstmest? Zo ja, voor welke sectoren, onder welke
voorwaarden en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
79. Antwoord van het kabinet:
Voor Nederland is het gebruik van het steunkader nu niet aan de orde, Nederland heeft
een evenwichtig pakket staan: het kabinet heeft bijna EUR 1 miljard vrijgemaakt voor
ondernemers en huishoudens. Het kabinet houdt ook rekening met de onzekerheid van
de huidige situatie. Daarom zijn verschillende scenario’s uitgewerkt en houdt het
kabinet bewust ruimte om op te schalen als de situatie verder verslechtert. Daarnaast
werkt het kabinet aan het structureel afbouwen van de afhankelijkheid van fossiele
energie. Dat maakt ondernemers en onze economie op de lange termijn sterker en minder
kwetsbaar.
Deze leden vragen hoe de Minister voorkomt dat Nederlandse bedrijven op achterstand
komen te staan wanneer andere lidstaten wel gebruikmaken van deze ruimere staatssteunruimte.
Is de Minister bereid in kaart te brengen welke lidstaten gebruikmaken van deze mogelijkheden
en welke gevolgen dit heeft voor het Europese gelijke speelveld?
80. Antwoord van het kabinet:
In hoeverre het tijdelijk crisiskader negatieve gevolgen heeft voor de interne markt
hangt af van de mate waarin andere EU-lidstaten gebruik gaan maken van de verruimde
mogelijkheden om staatssteun te verlenen. Een verstoring van het gelijke speelveld
is in zo’n situatie denkbaar, als de verschillen tussen EU-lidstaten groot zijn. Het
is aan de Europese Commissie toe te zien op de effecten op de interne markt en het
kabinet houdt eventuele steunverlening door andere EU-lidstaten in de gaten.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast hoe de Minister deze kwestie in Europees
verband aan de orde stelt. Deelt de Minister de zorg dat verschillen in nationale
steunmaatregelen kunnen leiden tot concurrentieverstoring binnen de interne markt,
juist voor sectoren die al onder zware druk staan?
81. Antwoord van het kabinet:
Nederland heeft eerder in de reactie op de consultatie over het voorstel voor het
Tijdelijk crisiskader richting de Europese Commissie aangegeven van mening te zijn
dat een tijdelijk crisiskader in algemene zin nu nog niet noodzakelijk is. Dit geldt
voor staatssteun voor alle type sectoren, dus ook in bijvoorbeeld de agrarische sector.
Indien de noodzaak later wel ontstaat, moet een crisiskader zo gericht en tijdelijk
mogelijk zijn vanwege mogelijke nadelige effecten op het gelijke speelveld op de interne
markt en aan bepaalde randvoorwaarden voldoen. Dit gaat met name om prijsprikkels
voor de vermindering van fossiel energieverbruik. Zoals in het antwoord op vraag 80
is aangegeven is een verstoring van het gelijke speelveld in zo’n situatie denkbaar,
als de verschillen tussen EU-lidstaten groot zijn.
Voedselzekerheid en handelsmissie Egypte
De leden van de BBB-fractie constateren dat begin mei een economische tuinbouwmissie
naar Egypte heeft plaatsgevonden. Deze leden hebben begrepen dat samenwerking op het
gebied van land- en tuinbouw, water, zaaizaad, pootgoed, glastuinbouw, precisielandbouw
en voedselzekerheid daarbij belangrijke thema’s waren. Kan de Minister aangeven welke
concrete resultaten deze missie heeft opgeleverd? Kan de Minister daarbij ingaan op
de vraag welke kansen deze missie concreet biedt voor Nederlandse boeren, tuinders,
veredelaars, watertechnologiebedrijven, kennisinstellingen en het mkb? Hoe wordt ervoor
gezorgd dat deze missie niet blijft steken in gesprekken en netwerkbijeenkomsten,
maar leidt tot concrete handelskansen en projecten?
82. Antwoord van het kabinet:
De economische tuinbouwmissie naar Egypte heeft concrete vervolgstappen opgeleverd
voor samenwerking rond voedselzekerheid, duurzame land- en tuinbouw en efficiënt watergebruik
in een snel groeiende landbouwmarkt. Zo namen aan een van de programmaonderdelen,
een door Nederland georganiseerde conferentie, ruim 600 deelnemers deel en er vonden
bijna 100 gerichte matchmakinggesprekken plaats, waaruit direct bedrijfsbezoeken en
vervolgafspraken zijn voortgekomen. Dit heeft mede geleid tot aanvullende investeringsplannen
voor de komende jaren, met name in bedekte teelt, post-harvest technologie, supply chain management en zadenteelt.
Een gezamenlijke «Shared Agenda» met het Egyptische Agricultural Research Center verankert afspraken over onder meer bescherming van kwekersrechten, zaadkwaliteit
en inspectiecapaciteit, toegang tot biologische bestrijdingsmiddelen en substraten,
en verdere samenwerking op kassenbouw, pootgoed en citrus ketens. Daarmee ontstaan
duidelijke kansen voor Nederlandse boeren, tuinders, veredelaars, watertechnologiebedrijven,
kennisinstellingen en het midden- en kleinbedrijf. In het belang van vertrouwelijkheid
en een gelijk speelveld wordt niet ingegaan op resultaten van individuele bedrijven,
maar de missie is nadrukkelijk gericht op concrete handels- en samenwerkingsprojecten
en niet alleen op netwerkbijeenkomsten.
De leden van de BBB-fractie vragen ook hoe de samenwerking met Egypte op het terrein
van voedselzekerheid past binnen de bredere handelsagenda van het kabinet. Ziet de Minister voedselzekerheid als een vast en herkenbaar
onderdeel van het Nederlandse handelsbeleid, juist omdat Nederland op dit gebied veel
kennis en praktijkervaring te bieden heeft?
83. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet onverminderd in op de Nederlandse kennis en kunde op het gebied van
land- en tuinbouw als belangrijk onderdeel van onze internationale handelsstromen.
In de handelsrelatie met veel landen, waaronder Egypte, staat deze sector centraal.
Onder andere middels een vanuit ontwikkelingssamenwerking gefinancierde zogeheten
Combitrack, komen lokale marktontwikkeling en marktkansen voor de Nederlandse land-
en tuinbouwsector samen in Egypte. Deze Combitrack laat zien dat voedselzekerheid
en agrohandel nauw met elkaar verbonden zijn. Zij worden als zodanig benoemd als prioriteit
in de gezamenlijke beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026.
Handelsakkoorden en kansen voor Nederlandse ondernemers
De leden van de BBB-fractie lezen dat tijdens de lunch zal worden gesproken over de
implementatie van handelsakkoorden en het versnellen van procedures. Deze leden onderschrijven
dat handelsakkoorden alleen waarde hebben wanneer ondernemers ze ook echt kunnen gebruiken.
Kan de Minister aangeven hoe het kabinet ervoor zorgt dat vooral mkb’ers, regionale
bedrijven en ondernemers in de agrofoodsector beter worden geïnformeerd over concrete
kansen uit nieuwe en bestaande handelsakkoorden?
84. Antwoord van het kabinet:
Goede implementatie van handelsakkoorden is essentieel om ervoor te zorgen dat de
kansen die handelsakkoorden bieden ook daadwerkelijk worden benut en gemaakte afspraken
worden nageleefd. Het kabinet zet via verschillende kanalen in op informatievoorziening
aan het bedrijfsleven. Op websites van onder andere de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO), de Douane, de Kamer van Koophandel en de Rijksoverheid staan handelsakkoorden
uitgelegd en wordt toegelicht aan welke voorwaarden moet worden voldaan voor het gebruik
hiervan. Tevens kunnen bedrijven bij deze organisaties terecht met eventuele vragen.
Voorlichting aan het Nederlands bedrijfsleven over kansen die handelsakkoorden bieden
gebeurt doorlopend binnen de inzet van het brede handelsinstrumentarium. Dit wordt
gezamenlijk uitgevoerd door de RVO, ambassades en consulaten-generaal, Netherlands
Business Support Offices (NBSOs), en het Trade and Innovate NL netwerk.
Daarnaast worden bedrijven door koepelorganisaties, waaronder door VNO-NCW, actief
ingelicht over (de mogelijkheden van) nieuwe handelsakkoorden. In samenwerking met
de Europese Commissie bestaan verschillende initiatieven, zoals het online Access
to Markets platform en het organiseren van markttoegangsdagen, die bijdragen aan de
kennis over handelsakkoorden.
Kan de Minister aangeven of bij de implementatie van handelsakkoorden standaard wordt
gekeken naar de gevolgen voor Nederlandse boeren, tuinders, familiebedrijven en mkb’ers?
Zo ja, hoe wordt die beoordeling gemaakt? Zo nee, is de Minister bereid dit voortaan
explicieter mee te nemen?
85. Antwoord van het kabinet:
Bij de beoordeling van een handelsakkoord door het kabinet worden verschillende impactanalyses
meegenomen in de beoordeling. In deze beoordeling is speciale aandacht voor de impact
op mkb-bedrijven. Daarnaast gaan de analyses in op specifieke sectoren, waaronder
verschillende landbouwsectoren.
WTO en weerbaarheid van de Nederlandse economie
De leden van de BBB-fractie lezen dat de uitkomsten van MC14 beperkt waren en dat
er geen afspraken zijn gemaakt over WTO-hervormingen en het voortzetten van het e-commerce
moratorium. Kan de Minister aangeven wat het uitblijven van deze afspraken concreet
betekent voor Nederlandse ondernemers?
86. Antwoord van het kabinet:
De Nederlandse inzet bij de WTO is erop gericht om hervormingen door te voeren binnen
de WTO en in het multilaterale handelssysteem, met als doel het gelijke speelveld
tussen landen te verbeteren en om het handelssysteem sterker en eerlijker te maken.
Dit is nodig omdat veel handelsregels uit de vorige eeuw dateren en verouderd raken.
Ze sluiten steeds minder goed aan bij de huidige geo-economische situatie en de machtsverhoudingen
tussen landen. Het doorvoeren van hervormingen moet bijdragen aan het moderniseren
en het stabieler en voorspelbaarder maken van het handelssysteem waarin Nederlandse
bedrijven dagelijks opereren. Het is daarom teleurstellend dat het bij 14e ministeriële conferentie (MC14) van de WTO niet is gelukt een concreet hervormingsplan
aan te nemen.
Het verlopen van het e-commerce moratorium bij de WTO betekent dat er geen multilateraal
verbod meer is op het invoeren van importheffingen op elektronische transmissies.
In principe staat het WTO-leden nu dus vrij dergelijke heffingen in te voeren, hetgeen
kan leiden tot hogere kosten voor bedrijven en consumenten. Vooralsnog heeft het kabinet
echter geen signalen ontvangen dat derde landen op dit moment daadwerkelijk overwegen
om een dergelijke heffing te introduceren. Daarbij speelt mee dat het onduidelijk
is hoe zulke heffingen er in de praktijk uit moeten zien. Voorts geldt dat in bilaterale
handelsakkoorden, waaronder een aantal van de akkoorden van de EU, een vergelijkbaar
verbod op e-commerce heffingen is opgenomen. Ook hebben 66 WTO-leden tijdens MC14
besloten om het e-commerce agreement (ECA) met een met het moratorium vergelijkbaar verbod op voorlopige basis toe te
gaan passen.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister zich in Europees verband inzet
voor een handelsbeleid dat open handel combineert met bescherming van vitale Nederlandse
belangen. Deze leden vinden dat Nederland handelsland is en moet blijven, maar dat
dit niet naïef mag zijn. Kan de Minister aangeven hoe het kabinet in de Raad inzet
op minder strategische afhankelijkheden, betrouwbare handelsroutes en eerlijke concurrentievoorwaarden
voor Nederlandse bedrijven?
87. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet erkent dat de wereld om ons heen snel verandert en deelt de noodzaak om
de geo-economische positie van de EU en Nederland te verstevigen. Dat vraagt enerzijds
om het versterken van ons verdienvermogen en anderzijds om de afbouw van onze risicovolle
strategische afhankelijkheden. Nederland zet zich daarom in EU-verband in voor een
actief handelsbeleid, waaronder het sluiten van nieuwe of moderniseren van bestaande
handels- en investeringsakkoorden. Daarmee diversifiëren we onze handelspartners en
vergroten we de weerbaarheid van onze waardeketens. Dat is cruciaal voor zowel ons
verdienvermogen als de bescherming van onze vitale belangen. Tegelijkertijd spant
Nederland zich in voor de bevordering van een internationaal gelijk speelveld voor
Europese bedrijven, zoals door de inzet van handelsmaatregelen tegen concurrentievervalsing
en marktverstorende praktijken.22 Ook daarmee draagt het handelsbeleid bij aan de bescherming van onze vitale belangen.
Inbreng leden van de DENK-fractie
De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 en hebben naar aanleiding daarvan nog
enkele vragen en opmerkingen.
In de brief gaat de Minister in op de uitvoering van een motie over het voorkomen
dat producten die gefabriceerd zijn met Oeigoerse dwangarbeid op de Nederlandse markt
komen. De leden van de DENK-fractie maken zich in dit kader ernstige zorgen over de
voortgaande groei van de handelsrelatie met Xinjiang (Oost-Turkestan), terwijl er
sprake is van structurele en grootschalige mensenrechtenschendingen tegen de Oeigoerse
bevolking, waaronder de inzet van dwangarbeid. Deze leden vragen de Minister hoe hij
deze ontwikkeling beoordeelt in het licht van de recente bevindingen van Nieuwsuur,
waaruit blijkt dat de handel tussen Nederland en Xinjiang (Oost-Turkestan) de afgelopen
jaren aanzienlijk is toegenomen en in 2024 bijna een half miljard euro bedroeg.
88. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet veroordeelt dwangarbeid waar ook ter wereld, en deelt de zorgen van de
DENK-fractie over de situatie van de Oeigoeren. In de verslaggeving van Nieuwsuur
worden cijfers van de Chinese douane gebruikt. Het kabinet kan deze cijfers niet verifiëren.
Een mogelijke verklaring voor de toename van import uit Xinjiang is dat de regio een
belangrijke import- en exporthub is geworden. Daardoor zijn niet alle producten die
China via Xinjiang verlaten ook daar geproduceerd. Ook kan uit de toename van de import
uit Xinjiang niet automatisch worden geconcludeerd dat de toegenomen instroom van
producten geheel middels dwangarbeid is vervaardigd. Bovendien zijn niet alle producten
die via Nederland binnenkomen bestemd voor de Nederlandse markt. De Anti-dwangarbeidverordening
is een belangrijk Europees instrument om te voorkomen dat producten gemaakt met dwangarbeid,
waaronder Oeigoerse dwangarbeid, op de Europese markt aangeboden worden. Vanaf 14 december
2027 gaan de regels voor bedrijven gelden en wordt er gehandhaafd. Nederland heeft
in lijn met de moties Van Baarle (Kamerstuk 36 600 V, nr. 53 en Kamerstuk 35 207, nr. 90) en Van Baarle/Bamenga (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 41) de afgelopen jaren regelmatig aandacht gevraagd bij de Commissie over het belang
van het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid. De Commissie is mede dankzij de inzet
van Nederland beter geïnformeerd over het risico op dwangarbeid in China.
Voorts vragen de leden van de DENK-fractie welke concrete stappen Nederland sinds
de aanneming van de Europese anti-dwangarbeidverordening heeft gezet om producten die vervaardigd zijn met dwangarbeid uit de Nederlandse
en Europese markt te weren.
89. Antwoord van het kabinet:
In lijn met de moties Van Baarle23 en Van Baarle/Bamenga24 heeft Nederland de afgelopen jaren regelmatig aandacht gevraagd bij de Commissie
over het belang van het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid. De Commissie is mede
dankzij de inzet van Nederland beter geïnformeerd over het risico op dwangarbeid in
China. Daarnaast zet Nederland zich in om bedrijven actief te informeren over de Anti-dwangarbeidverordening
en hen te ondersteunen bij het toepassen van gepaste zorgvuldigheid. Er vinden regelmatig
gesprekken plaats met het bedrijfsleven en andere stakeholders over de verordening.
Bedrijven kunnen onder andere terecht bij het MVO-steunpunt (RVO) en het postennetwerk
in China voor informatie en ondersteuning.
In dat kader vragen deze leden tevens of het klopt dat Nederland nog altijd geen nationale
toezichthouder heeft aangewezen voor de uitvoering en handhaving van deze verordening.
Indien dat het geval is, vernemen deze leden graag waarom dit nog niet is gebeurd,
op welke termijn alsnog een toezichthouder zal worden aangewezen en welke gevolgen
het uitblijven hiervan heeft voor de handhaving op producten die mogelijk met Oeigoerse
dwangarbeid zijn vervaardigd.
90. Antwoord van het kabinet:
Lidstaten moesten voor 14 december 2025 één of meerdere toezichthouder(s) aanwijzen.
Aan die verplichting is gedeeltelijk voldaan. Een aantal markttoezichthouders, namelijk
de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Inspectie Leefomgeving en Transport
(ILT), Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ),
zijn aan de Commissie doorgegeven voor de handhaving van het verbod wanneer dwangarbeid
is vastgesteld. De Kamer is hierover geïnformeerd via de geannoteerde agenda voor
de RBZ Handel van 19 en 20 februari jl. Daarnaast moet elke lidstaat één leidende
bevoegde autoriteit aanwijzen. Het ministerie voert al geruime tijd gesprekken met
verschillende partijen die geschikt kunnen zijn. Deze rol omvat meerdere taken, waaronder
het beoordelen van ingediende informatie, het onderzoek doen naar producten gemaakt
met dwangarbeid in Nederland, en het nemen van besluiten of het verbod geschonden
is. Het ministerie heeft samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
de gesprekken met potentiële kandidaten voor de rol van leidende bevoegde autoriteit
geïntensiveerd. Het kabinet streeft ernaar op korte termijn een leidende bevoegde
autoriteit aan te wijzen.
Wel geldt dat de Europese Commissie verantwoordelijk is voor het onderzoek doen naar
en vaststellen van producten gemaakt met dwangarbeid buiten de EU-grenzen, waaronder
in China vervaardigde producten. Lidstaten zijn verantwoordelijk voor het onderzoek
en vaststellen van dwangarbeid binnen de eigen landsgrenzen. Pas als de Anti-dwangarbeidverordening
van toepassing is in december 2027, kan daadwerkelijk worden gehandhaafd. Tot die
tijd treft Nederland voorbereidingen voor een effectieve implementatie van de verordening.
Er lopen gesprekken met een veelvoud aan toezichthouders en de Douane om na te gaan
hoe deze verordening in de Nederlandse context het best kan worden uitgevoerd.
Welke andere stappen zet de regering nationaal ter voorbereiding op de verordening,
wensen de leden ook te vragen.
91. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet werkt momenteel aan de effectieve implementatie van de Anti-dwangarbeidverordening
in Nederland. Naast de gesprekken met potentiële toezichthouders en de Douane voert
het kabinet gesprekken met andere EU lidstaten en de Europese Commissie. Het kabinet
werkt voorts aan de uitvoeringswet, laat de regeldrukeffecten van de verordening in
kaart brengen, en ondersteunt en informeert bedrijven, o.a. via het MVO-steunpunt.
Daarnaast vinden er regelmatig gesprekken met het bedrijfsleven en andere stakeholders
plaats over de Anti-dwangarbeidverordening.
Het kabinet heeft vorig jaar een onderzoek laten uitvoeren dat een eerste inzicht
biedt in landen en productgroepen met een potentieel risico op dwangarbeid in de Nederlandse
import.25 Het kabinet heeft dit onderzoek aan de Europese Commissie en andere EU lidstaten
gepresenteerd en hierover nadere gesprekken gevoerd met de Europese Commissie.
Daarnaast vragen de leden van de DENK-fractie of de Minister bereid is zich in Europees
verband in te zetten voor een verzwaarde bewijslast voor producten afkomstig uit Xinjiang
(Oost-Turkestan), vergelijkbaar met de Amerikaanse Uyghur Forced Labor Prevention
Act, waarbij bij producten uit deze regio standaard wordt vermoed dat zij met dwangarbeid
zijn vervaardigd tenzij het tegendeel wordt bewezen. Indien de Minister hiertoe niet
bereid is, verzoeken deze leden uiteen te zetten waarom niet.
92. Antwoord van het kabinet:
De Anti-dwangarbeidverordening is reeds in werking getreden en kan niet meer worden
gewijzigd. In tegenstelling tot de Amerikaanse Uyghur Forced Labor Prevention Act is de verordening landenneutraal. De Europese Commissie komt met richtsnoeren over
o.a. de bewijsstandaard en staatsgeleide dwangarbeid. Bij het prioriteren van zaken
zal de toezichthouder op grond van de verordening rekening houden met de omvang en
de ernst van de dwangarbeid. Bij staatsgeleide dwangarbeid zal de omvang en ernst
groot zijn. Het kabinet verwacht dat de verordening reeds voldoende ruimte biedt om
producten gemaakt met staatsgeleide dwangarbeid van de Europese markt te weren. Aanvullende
stappen nemen voorafgaand aan de toepassingsdatum acht het kabinet prematuur.
Voorts vragen de leden de Minister uiteen te zetten wat sinds aanneming van de motie
Van Baarle (Kamerstuk 36 600 V, nr. 53) door de regering specifiek is gedaan op het gebied van het weren van producten die
mogelijk met Oeigoerse dwangarbeid tot stand zijn gekomen.
93. Antwoord van het kabinet:
Sinds aanneming van de motie-Van Baarle (Kamerstuk 36 600 V, nr. 53) heeft het kabinet verschillende acties in gang gezet26 waaronder het organiseren van een bijeenkomst voor EU-lidstaten en de Europese Commissie
over de implementatie van de Anti-dwangarbeidverordening en is binnen dit kader en
in het Unienetwerk tegen met dwangarbeid vervaardigde producten specifiek het tegengaan
van (staatsgeleide) Oeigoerse dwangarbeid geagendeerd. Daarnaast heeft het kabinet
zorgen over de mensenrechtensituatie in China aangekaart, zowel in bilaterale gesprekken
met China als in multilateraal verband met gelijkgezinden en is er input van experts
en andere stakeholders aangeleverd voor de EU-richtsnoeren over staatsgeleide dwangarbeid,
gepaste zorgvuldigheid en de op te zetten database met risicoproducten en -regio’s.
Tot slot heeft het kabinet zich ingespannen voor de implementatie van de aanbevelingen
van het OHCHR-rapport over de mensenrechtensituatie in Xinjiang, waaronder door dit
aan te kaarten in de nationale verklaringen tijdens de Mensenrechtenraden in Genève
in maart en september jl.
Tot slot wensen de leden van de DENK-fractie te vragen hoe de regering concreet zich
tot de Europese Commissie wendt om de implementatie van de antidwangarbeidverordening
zo streng mogelijk te maken op het gebied van Oeigoerse dwangarbeid. Welke mogelijkheden
biedt de verordening hiertoe, wensen de leden te vragen. Is de regering bijvoorbeeld
bereid om aan de Europese Commissie te vragen om geheel Xinjiang (Oost-Turkestan)
tot risicogebied aan te wijzen, vragen deze leden.
94. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet spreekt regelmatig met de Europese Commissie over de Anti-dwangarbeidverordening
en zal dit blijven doen. In deze gesprekken zal het kabinet blijvend aandacht vragen
voor effectieve implementatie van de Anti-dwangarbeidverordening, ook met het oog
op het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid. De Europese Commissie zal verantwoordelijk
worden voor besluiten over dwangarbeid buiten de EU. Producten waar het besluit over
gaat mogen de EU-markt niet op, en worden aan de EU-grens tegengehouden of moeten
van de markt af worden gehaald. Nederland zal – net als andere EU lidstaten – worden
betrokken bij deze besluitvorming. Het Unienetwerk tegen met dwangarbeid vervaardigde
producten, waarin de Europese Commissie en EU lidstaten vertegenwoordigd zijn, is
een belangrijk platform om deze gesprekken te voeren.
Het kabinet is ertoe bereid aan de Europese Commissie te vragen om Xinjiang op te
nemen in de database met risicoregio´s en -producten van de Anti-dwangarbeidverordening.
De leden van de DENK-fractie vragen verder of mensenrechtenschendingen tegen de Oeigoeren
expliciet onderdeel zullen zijn van de gesprekken tijdens de aankomende handelsmissie
naar China.
95. Antwoord van het kabinet:
Tijdens het aanstaande werkbezoek staan de kansen en uitdagingen in de economische
relatie met China centraal. Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen
en het tegengaan van dwangarbeid is daar onderdeel van. Er wordt op dit moment nog
gewerkt aan de invulling van het programma, daarom is het niet mogelijk vooruit te
lopen op de agenda van het bezoek.
Tevens vragen deze leden of de Minister bereid is tijdens deze handelsmissie nadrukkelijk
aandacht te vragen voor de situatie van de Oeigoeren en de inzet van dwangarbeid in
Xinjiang (Oost-Turkestan). Indien de Minister daartoe niet bereid is, vernemen deze
leden graag waarom dit het geval is.
96. Antwoord van het kabinet:
Er wordt op dit moment nog gewerkt aan de invulling van het programma. Het kabinet
kan op dit moment nog niet aangeven welke onderwerpen expliciet onderdeel zullen zijn
van het werkbezoek. IMVO-gerelateerde onderwerpen, waaronder het tegengaan van dwangarbeid
in waardeketens, zijn voor het kabinet en bedrijven die actief zijn in China zeker
relevant.
Op de agenda staat ook het Midden-Oosten, merken de leden op. Daarom vragen de leden
van de DENK-fractie of de Minister tijdens de komende Raad bereid is zich in te zetten
voor opschorting van het handelsdeel van het EU-associatieakkoord met Israël, conform
meerdere aangenomen oproepen uit de Kamer. Indien de Minister daartoe niet bereid
is, verzoeken deze leden dit nader toe te lichten.
97. Antwoord van het kabinet:
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 11 mei jl. bleek onvoldoende steun voor
het gedeeltelijk of volledig opschorten van het Associatieakkoord tussen de EU en
Israël. De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2
van het EU-Israël Associatieakkoord blijft gericht op het vergroten van draagvlak
onder andere lidstaten voor EU-maatregelen.27 Deze inzet van het kabinet zal tijdens de RBZ Handel worden besproken met andere
EU-handelsministers.
Tevens vragen deze leden hoe effectief de Minister het huidige Europese beleid acht
ten aanzien van de etikettering van producten afkomstig uit illegale Israëlische nederzettingen.
Daarbij vernemen deze leden graag hoeveel controles de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden
op de correcte etikettering van dergelijke producten, hoeveel overtredingen daarbij
zijn vastgesteld en welke sancties of maatregelen worden opgelegd wanneer producten
uit illegale nederzettingen onjuist zijn geëtiketteerd of ten onrechte profiteren
van handelsvoordelen.
98. Antwoord van het kabinet:
Het etiketteringsbeleid is gebaseerd op EU-wetgeving met betrekking tot juiste en
niet-misleidende herkomstaanduiding. Deze wetgeving is bedoeld om consumenten van
correcte informatie te voorzien en is algemeen van toepassing, ongeacht het land of
gebied waar producten vandaan komen. Er zijn dus geen specifieke regels voor de door
Israël bezette gebieden of voor welk ander gebied of land dan ook.28 Derhalve staat het etiketteringsbeleid ook los van gerichte handelspolitieke maatregelen,
zoals tarifaire of kwantitatieve beperkingen.29
Hoewel dezelfde etiketteringsregels van toepassing zijn op alle landen en gebieden,
heeft het EU Hof van Justitie wel nadere toelichting gegeven over de manier waarop
deze regels moeten worden toegepast in de context van de (onrechtmatige nederzettingen
in) de door Israël bezette gebieden.
Specifiek heeft het Hof op 12 november 2019 verduidelijkt dat op levensmiddelen afkomstig
uit een door Israël bezet gebied, dit gebied moet worden vermeld. Indien levensmiddelen
afkomstig zijn uit een Israëlische nederzetting binnen dat gebied, moet ook deze herkomst
worden vermeld.30
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is verantwoordelijk voor toezicht
op de geldende etiketteringswetgeving. De NVWA controleert risicogericht en sanctioneert
conform het staande interventiebeleid. Sinds begin 2025 heeft de NVWA zes meldingen
ontvangen
over herkomstetikettering van producten die mogelijk onterecht als «producten uit
Israël» gezien konden worden. Van deze zes waren er vier onterecht gemeld, één melding
heeft niet geleid tot maatregelen en één melding is opgevolgd met een waarschuwingsbrief
aan het betreffende bedrijf.
Ten slotte vragen de leden in het kader van overige onderwerpen welke concrete stappen
de regering naar aanleiding van de aanneming van de motie van het lid Van Baarle c.s.
(Kamerstuk 36 180, nr. 209) zal zetten om de Europese Commissie te verzoeken om de rol van de Verenigde Arabische
Emiraten (VAE) in de oorlog in Sudan bespreekbaar te maken en hierin Europese medestanders
te vinden. De leden wensen te vragen of de Minister dit de aankomende Raad zal doen.
99. Antwoord van het kabinet:
Conform de motie van het lid Van Baarle c.s.31 heeft het kabinet recentelijk in Brussel het conflict in Soedan onder de aandacht
gebracht van Commissie en EU-lidstaten in relatie tot het onderhandelingsmandaat.
In dit kader vragen deze leden ook of de rol van de VAE in de oorlog in Sudan momenteel
wordt betrokken bij handelsafwegingen, diplomatieke contacten of onderhandelingen
met de VAE. Indien dit niet het geval is, verzoeken deze leden de regering uiteen
te zetten waarom dit niet het geval is.
100. Antwoord van het kabinet:
Nederland onderhoudt een brede bilaterale relatie met de VAE, een belangrijke partner
voor Nederland en de EU. Binnen deze relatie spreekt het kabinet op politiek en hoogambtelijk
niveau met de VAE over de situatie in de regio en regionale stabiliteit, waaronder
ook de oorlog in Soedan. Daarbij zet Nederland in op constructief engagement met de
VAE waarbij aandacht wordt besteed aan de humanitaire situatie, de gevolgen van de
oorlog voor Soedan, de regio en de EU, en over wapenleveranties van derde partijen
aan de strijdende partijen.
Inbreng leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026.
De leden van de SGP-fractie hebben nog een aantal vragen over versoepeling van staatssteunregels,
de handelsrelatie met Israël en de (herziening van de) APS-verordening.
Economische veiligheid
De leden van de SGP onderschrijven het belang dat het kabinet hecht aan de opening
van de Straat van Hormuz, die illegaal geblokkeerd wordt door de Islamitische Republiek
Iran. Primair moet de druk op het ayatollahregime daartoe verder worden opgevoerd.
Het kabinet geeft aan dat de leveringszekerheid vooralsnog niet in gevaar komt. Toch
kunnen er bedrijven zijn waarvan de aanvoerketens zodanig onder druk raken dat zij
door de oorlog in het Midden-Oosten in de problemen komen. De Europese Commissie staat
tijdelijk toe dat lidstaten tot het einde van het jaar extra staatssteun verlenen.
Zo kunnen lidstaten tot 70 procent van de extra kosten voor energie en kunstmest compenseren.
Is het kabinet voornemens van deze mogelijkheid gebruik te maken? Zo nee, hoe waarborgt
het kabinet een gelijk speelveld wanneer andere lidstaten wél gebruikmaken van deze
versoepeling van de staatssteunregels?
101. Antwoord van het kabinet:
Voor Nederland is het gebruik van het steunkader nu niet aan de orde. Nederland heeft
een evenwichtig pakket staan: het kabinet heeft bijna EUR 1 miljard vrijgemaakt voor
ondernemers en huishoudens. Het kabinet houdt ook rekening met de onzekerheid van
de huidige situatie. Daarom zijn verschillende scenario’s uitgewerkt en houdt het
kabinet bewust ruimte om op te schalen als de situatie verder verslechtert. Daarnaast
werkt het kabinet aan het structureel afbouwen van de afhankelijkheid van fossiele
energie. Dat maakt ondernemers en onze economie op de lange termijn sterker en minder
kwetsbaar.
In hoeverre het Tijdelijk crisiskader negatieve gevolgen heeft voor de interne markt
hangt af van de mate waarin andere EU-lidstaten gebruik gaan maken van de verruimde
mogelijkheden om staatssteun verlenen. Het is aan de Europese Commissie toe te zien
op de effecten op de interne markt en het kabinet houdt eventuele steunverlening door
andere EU-lidstaten in de gaten.
Handel met Israël
De leden van de SGP-fractie constateren dat de lidstaten in de Raad van de Europese
Unie een politiek akkoord hebben bereikt over een nieuw sanctiepakket tegen kolonisten.
Over de inhoud van deze sancties is nog weinig bekend. De leden van de SGP kunnen
zich voorstellen dat deze sancties door Israël niet los worden gezien van pleidooien
vanuit verschillende lidstaten voor opschorting van het handelsdeel van de associatieovereenkomst
tussen de EU en Israël. Kan het kabinet inzichtelijk maken welke gevolgen de voorgenomen
sancties en een eventuele opschorting van het handelsdeel van de associatieovereenkomst
kunnen hebben voor de handelsrelatie met Nederland? Kan het kabinet daarnaast aangeven
in hoeverre rekening wordt gehouden met mogelijke Israëlische tegenmaatregelen en
de Kamer hierover te informeren zodra hierover meer duidelijkheid is?
102. Antwoord van het kabinet:
De Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) bereikte recentelijk een politiek akkoord over het
derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties. Dit pakket
wordt binnenkort formeel aangenomen en gepubliceerd. Daarmee worden dan ook de individuele
sancties tegen personen en/of organisaties bekend. De directe gevolgen hiervan zijn
het bevriezen van tegoeden van deze entiteiten en een inreisverbod in de EU. Ook mogen
EU personen en bedrijven geen zaken meer doen met personen en entiteiten op de sanctielijst.
Het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting van het handelsdeel van het
EU-Israël Associatieakkoord (hierna: opschorting) is niet aangenomen door de RBZ.
Indien dit voorstel wel zou worden aangenomen, zouden zowel Israël als de EU geen
aanspraak meer kunnen maken op preferentiële behandeling onder titel II, titel III
en hoofdstukken 2, 3 en 4 van titel IV van de Associatieovereenkomst zolang de opschorting
van kracht zou zijn. In de praktijk betekent dit dat wederzijdse handel zou plaatsvinden
onder de voorwaarden van de Wereldhandelsorganisatie (most favoured nation, MFN). Dit heeft rechtstreeks invloed op kosten van de handel in bepaalde goederen,
maar niet op de beschikbaarheid van deze goederen.
Opschorting zou een beperkt deel van de totale goederenstroom tussen de EU en Israël
treffen. 63 procent van de export van Israël naar de EU en bijna 70 procent van de
EU-export naar Israël vindt namelijk al plaats onder MFN-voorwaarden, waarbij veelal
sprake is van een nultarief. De handelsstroom die momenteel wel onder preferentiële
voorwaarden plaatsvindt, zou bovendien in beperkte mate worden getroffen omdat de
gemiddelde toegepaste MFN-heffingen van Israël en de EU respectievelijk 1,9 en 3 procent
zijn. De effecten verschillen wel per productcategorie; heffingen voor landbouwproducten
zijn doorgaans (beduidend) hoger dan voor industriegoederen.
Aangezien Israël niet tot de voornaamste handelspartners van Nederland behoort, zouden
de directe economische gevolgen van opschorting voor de Nederlandse economie naar
verwachting zeer gering zijn. Mogelijke politieke en diplomatieke gevolgen zijn onderdeel
van de discussie over deze maatregel in EU-verband. Eventuele Israëlische tegenmaatregelen
zijn evenwel niet op voorhand te voorspellen. Indien van toepassing zal het kabinet
de Kamer hierover informeren.
APS
Met interesse hebben de leden van de SGP de brief gelezen over de herziening van de
verordening over het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). De SGP steunt tariefpreferenties
voor ontwikkelingslanden, omdat dit één van de meest effectieve vormen van beleidscoherentie
is. Vrijhandel vormt een cruciale voorwaarde voor marktontwikkeling en industrialisatie,
waardoor minst ontwikkelde landen en lage-inkomenslanden beter in staat zijn armoede terug te dringen en een goed functionerende samenleving
op te bouwen. Bij ernstige marktverstoringen door import van bepaalde (landbouw)producten
uit lagere middeninkomenslanden moet de EU, zoals het kabinet terecht aangeeft, vrijwaringsmaatregelen
kunnen nemen. Kan het kabinet recente voorbeelden geven dat de Europese Commissie
hiertoe moest overgaan?
103. Antwoord van het kabinet:
Een recent voorbeeld van vrijwaringsmaatregelen in het kader van APS is de tijdelijke
intrekking van tariefpreferenties voor ethanol uit Pakistan in juni 2025 naar aanleiding
van een ernstige verstoring van de Europese markt.32
Ernstige en systematische schendingen van bepaalde internationale verdragen kunnen
aanleiding zijn om tariefpreferenties gedeeltelijk of geheel in te trekken. Het kabinet
noemt in dit verband Wit-Rusland (2007) en Cambodja (2020). Kunnen de leden van de
SGP uit de geannoteerde agenda opmaken dat dit de enige voorbeelden zijn, of is dit
instrument vaker toegepast? Wat de leden van de SGP blijft intrekking van preferenties
gelden als een ultimum remedium, dat niet lichtvaardig moet worden ingezet wanneer
de waarden van de EU en bijvoorbeeld Afrikaanse handelspartners uiteenlopen.
104. Antwoord van het kabinet:
Wit-Rusland en Cambodja zijn van de huidige APS-landen de enige voorbeelden van de
volledige en gedeeltelijke intrekking van APS-tariefpreferenties wegens ernstige en
systematische schendingen van internationale verdragen. De intrekking van APS-tariefpreferenties
is een laatste redmiddel.
Inbreng leden van de ChristenUnie fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda. Ze hebben een aantal vragen.
CSDDD/ IMVO
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de Minister kijkt naar de implementatie
van de Wet zorgplicht kinderarbeid (WZK), nu de definitieve CSDDD na afzwakking niet
toereikend is om aan de verplichtingen zoals gesteld in de WZK te voldoen. Is de Minister
voornemens de WZK te implementeren? Zo nee, waarom niet? Als de Minister niet van
plan is de WZK te implementeren, hoe borgt de Minister dat Nederland de verplichtingen
om kinderarbeid tegen te gaan, die middels de WZK reeds in een aangenomen wet waren
vervat, straks niet worden verzwakt?
105. Antwoord van het kabinet:
Inzet van het kabinet is nog steeds om de Wet Zorgplicht Kinderarbeid (WZK) in te
trekken en te vervangen door de Wet internationaal verantwoord ondernemen (Wivo),
de implementatiewet voor de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD). Daarmee kiest het kabinet nadrukkelijk voor een Europese én bredere zorgvuldigheidsverplichting.
Dat draagt bij aan het gelijke speelveld in Europa, voorkomt onnodige regeldruk en
is naar verwachting effectiever. Zo richt de WZK ziet uitsluitend op kinderarbeid,
terwijl de CSDDD alle mensenrechten- en milieurisico’s adresseert. Ook ziet de CSDDD in tegenstelling tot de WZK
op alle stappen van het gepaste zorgvuldigheidsproces en is in de Wivo een uitgebreid
toezicht- en handhavingsinstrumentarium voorzien.
Het kabinet ziet de CSDDD daarmee als een geschikt instrument om kinderarbeid tegen
te gaan, in aanvulling op reeds bestaande nationale wetgeving tegen kinderarbeid,
de verwachting dat alle Nederlandse bedrijven handelen in lijn met de richtlijnen
van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s), en in combinatie met bestaande instrumenten om bedrijven te helpen om kinderarbeid
in hun waardeketens tegen te gaan, zoals het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen
(SPVO). Tot slot is ook de Anti-dwangarbeidverordening van belang in dit verband.
Die verbiedt het op de EU-markt brengen van producten gemaakt met dwangarbeid, inclusief
gedwongen kinderarbeid, onafhankelijk van de grootte van het bedrijf en is van toepassing
met ingang van 14 december 2027.
De leden van de ChristenUnie zien dat er in andere EU-lidstaten al wetten bestaan
die zorgen voor de bescherming van mensenrechten, zoals de Lieferkettengesetz in Duitsland
en de devoir de vigilance in Frankrijk. Op welke manieren zorgen deze lidstaten ervoor
dat de implementatie van de CSDDD in nationale wetgeving er niet voor zorgt dat de
bescherming van mensenrechten, milieu of klimaat wordt afgezwakt?
106. Antwoord van het kabinet:
In algemene zin is voor het antwoord op deze vraag artikel 1, lid 2 van de CSDDD (de
zogenaamde non-regressiebepaling) van belang. Hieruit volgt dat lidstaten het niveau
van de bescherming van de mensen-, arbeids- en sociale rechten, of van de bescherming
van het milieu of de bescherming van het klimaat, in beginsel niet mogen verlagen
als gevolg van de CSDDD. tenzij er al nationale wetgeving over gepaste zorgvuldigheid
van toepassing was op het moment van de vaststelling van de CSDDD. Dan mogen lidstaten
wel bepalingen, met name ten aanzien van de reikwijdte, van die nationale wetgeving
aanpassen om deze in overeenstemming te brengen met deze richtlijn. Het is aan Frankrijk
en Duitsland om te besluiten op welke manier zij uitvoering geven aan deze bepalingen
in de CSDDD in relatie tot hun reeds bestaande gepaste zorgvuldigheidswetgeving.
De leden van de ChristenUnie vragen ook naar de uitvoering van de aangenomen motie-Ceder/Hirsch
(Kamerstuk 21 501-02, nr. 3144) over een concreet doel en plan zodat meer bedrijven de OESO-richtlijnen onderschrijven.
Wanneer kunnen de leden dit plan verwachten?
107. Antwoord van het kabinet:
Het Nederlandse IMVO-beleid is reeds gebaseerd op de OESO-richtlijnen en bestaat uit
een doordachte mix van maatregelen om meer bedrijven te stimuleren hiermee aan de
slag te gaan (Kamerstuk 26 485, nr. 337). Dit jaar wordt het IMVO-beleid geëvalueerd, waarbij ook aanbevelingen zullen worden
gedaan over hoe het IMVO-beleid effectiever en doelmatiger kan worden ingezet. Zoals
ook aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen over de BHOS-begroting
van januari jl.33 betrekt het kabinet de motie Ceder-Hirsch (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3144) graag bij de reactie op deze evaluatie. De evaluatie zal naar verwachting begin
2027 aan uw Kamer worden toegestuurd.
Handelsakkoord tussen EU en Indonesië
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister kan schetsen hoe de huidige
mensenrechtensituatie is in West-Papua. Welk beeld schetsen gerenommeerde NGO’s over
deze situatie?
108. Antwoord van het kabinet:
De mensenrechtensituatie in de Papoea provincies van Indonesië is zorgelijk. Verschillende
(mensenrechten)organisaties, waaronder Human Rights Watch en Amnesty International,
rapporteren onder andere over geweld en inbreuken op eigendommen van de inheemse bevolking.
Er vallen ook slachtoffers door geweld gebruikt door lokale gewapende groepen.
De leden vragen op welke wijze de EU de situatie in West-Papua concreet heeft aangekaart,
zowel binnen als buiten de onderhandelingen over het handelsakkoord?
109. Antwoord van het kabinet:
In het kader van de onderhandelingen over het handelsakkoord wordt in bredere zin
gesproken over de naleving van mensenrechten en arbeidsrechten. Gezien de vertrouwelijke
status van de onderhandelingen, kan niet gedeeld worden welke specifieke punten aan
de orde zijn gekomen.
Buiten de context van de onderhandelingen vond in februari van dit jaar tussen de
EU en Indonesië de reguliere mensenrechtendialoog plaats; hierbij zijn verschillende
punten van zorg gewisseld.
Tevens vragen de leden welke stappen het kabinet zet om de situatie van de Papua’s
te verbeteren, alvorens het handelsakkoord wordt getekend.
110. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet volgt de situatie in de Papoea provincies nauwlettend, onder andere via
de Nederlandse ambassade in Jakarta. Ter bevordering van de bescherming van mensenrechten
ondersteunt de Nederlandse ambassade in Jakarta verschillende projecten en brengt
het bezoeken aan verschillende provincies door heel Indonesië, inclusief Papoea. De
Nederlandse ambassade in Jakarta heeft het bezoek van een delegatie van de Vaste Kamercommissie
voor Buitenlandse Zaken aan Indonesië in juli 2025 ondersteund, en gefaciliteerd dat
de leden onder andere met de Indonesische mensenrechtencommissie over de situatie
in Papoea hebben gesproken. Deze inzet zal zich niet beperken tot de fase voordat
het handelsakkoord met Indonesië getekend is, maar zal ook daarna voortgezet worden.
Bovendien biedt het handelsakkoord een aanvullend platform om te spreken over mensenrechten,
met name arbeidsrechten, en duurzame ontwikkeling.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister of Nederland, vanuit de historische
verantwoordelijkheid die ons land heeft, kartrekker wil zijn in het pleiten om het
akkoord niet te sluiten, tenzij de mensenrechtensituatie van de Papua’s aanzienlijk
verbetert en met Indonesië afspraken over verbeteringen wordt gemaakt. Zo nee, waarom
niet?
111. Antwoord van het kabinet:
Hoewel de mensenrechtensituatie in de Papoea provincies zorgelijk is, is het kabinet
niet bereid te pleiten voor het niet sluiten van het akkoord. Dit akkoord is in bredere
zin belangrijk voor het versterken van de relatie tussen de EU en Indonesië en biedt
bovendien een extra platform om de situatie in de Papoea provincies van Indonesië
aan te kaarten. Het afhouden van het sluiten van het handelsakkoord zou een negatieve
impact hebben op de relatie tussen de EU en Indonesië, wat druk op verbetering van
de mensenrechtensituatie niet dichterbij brengt.
Handelsakkoord tussen EU en de VAE
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister of hij kan schetsen wat de
betrokkenheid is van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) ten aanzien van de situatie
in Sudan en welk beeld gerenommeerde NGO’s schetsen over die betrokkenheid?
112. Antwoord van het kabinet:
Het conflict in Soedan is buitengewoon complex. Veel landen in de regio hebben belangen
en spelen een rol in Soedan. De Verenigde Arabische Emiraten (VAE) maakt onderdeel
uit van het Quad initiatief – een samenwerkingsverband met de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië
en Egypte, met als doel het beëindigen van het conflict.
De leden van de Quad, andere landen uit de regio en vertegenwoordigers van het Quintet
(de Verenigde Naties (VN), de Europese Unie (EU), de Liga van Arabische Staten (LAS),
de Intergovernmental Authority on Development (IGAD) en de Afrikaanse Unie (AU)) hebben zich op 30 april jl. gecommitteerd aan
de Berlin Principles for Sudan, waarin wordt opgeroepen tot een onmiddellijke wapenstilstand, bescherming van burgers,
berechting van verantwoordelijken voor oorlogsmisdaden en het stoppen van externe
steun aan de strijdende partijen.
Tegelijkertijd zijn er in de media en vanuit non-gouvernementele organisaties diverse
berichten verschenen over de betrokkenheid van regionale actoren bij het voortduren
van het conflict.
Het kabinet spreekt binnen de brede bilaterale relatie met de VAE op politiek en hoogambtelijk
niveau over de situatie in Soedan. Inzet van de gesprekken is constructief engagement
met de VAE als relevante actor die aangeeft bij te willen dragen aan een einde van
het conflict en als belangrijk lid van de Quad. In deze gesprekken onderstreept het
kabinet de noodzaak van een onmiddellijk staakt-het-vuren, ongehinderde humanitaire
toegang, en het stoppen van wapenleveranties van derde partijen aan de strijdende
partijen. Verder zet Nederland zich in voor aanvullende EU-sanctiemaatregelen tegen
actoren en sectoren die het conflict voeden.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen dan ook in hoeverre er met de VAE bij
de onderhandelingen over het akkoord wordt gesproken over de situatie in Sudan. Is
de Minister het met de leden eens dat er geen handelsakkoord met de VAE kan worden
gesloten zolang de humanitaire ramp in Sudan voortduurt? Welke stappen zouden er volgens
de Minister moeten worden gezet voordat een handelsakkoord zou kunnen worden gesloten?
113. Antwoord van het kabinet:
De EU is exclusief bevoegd als het gaat om de handelspolitiek en de Europese Commissie
voert op dit moment de onderhandelingen over een handelsakkoord met de VAE, op basis
van een mandaat van de Raad. In dit soort onderhandelingen gaat het primair om handels-
en markttoegangsonderwerpen. Dat laat onverlet dat de situatie in de regio, waaronder
die in Sudan, voor Nederland en de EU belangrijke aandachtspunten zijn in de bredere
politieke dialoog met de VAE. Juist onze economische banden maken het mogelijk om
ook over andere onderwerpen – waaronder Soedan – een constructieve dialoog te voeren.
Conform de motie van het lid Van Baarle c.s.34 heeft het kabinet recentelijk in Brussel het conflict in Soedan onder de aandacht
gebracht van Commissie en EU-lidstaten in relatie tot het onderhandelingsmandaat.
Het kabinet zal, zodra er een onderhandelingsresultaat voorligt t.a.v. het handelsakkoord,
dit akkoord in zijn geheel en op zijn merites beoordelen.
Inbreng leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie zien grootschalige conflicten in de wereld die buiten de
afspraken van het internationaal recht blijven plaatsvinden. Ook Nederland moet zich
inzetten bij betrokken de (handels)partners om tot vrede te komen. Daarom hierover
een aantal vragen.
Een van de verdragen die onze eigen wapenexportcriteria afbreekt, is het Verdrag van
Aken. Kan de Minister aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot toetreding
tot dit verdrag? Hoe is hierbij gewogen dat hoewel op papier wapenexportcriteria hetzelfde
zijn, er signalen zijn dat deze in de praktijk door bijvoorbeeld Frankrijk anders
worden toegepast?
114. Antwoord van het kabinet:
Middels de brief over het Nederlands exportcontrolebeleid in 202435 d.d. 27 juni 2025 is de Kamer geïnformeerd dat Nederland formeel is uitgenodigd om
toe te treden tot het Verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein (ook wel
bekend als het Verdrag van Aken) waar Duitsland, Frankrijk, Spanje en sinds december
2025 ook het Verenigd Koninkrijk bij zijn aangesloten. In reactie op deze uitnodiging
wordt momenteel gewerkt aan de parlementaire goedkeuringsstukken. Binnen afzienbare
tijd zullen deze stukken gereed zijn en zal het verdrag aanhangig worden gemaakt bij
de Raad van State. Hierna volgt het parlementaire goedkeuringstraject.
Het Verdrag berust op het vertrouwen dat de Verdragspartijen hebben in elkaars wapenexportcontrolesystemen
die gestoeld zijn op het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole
(2008/944/GBVB) en het Wapenhandelsverdrag. Vertrouwen stellen in Europese partners
is daarbij niet nieuw, maar vormt de basis van de Europese samenwerking.
Daarnaast draagt het Verdrag bij aan convergentie van het wapenexportbeleid omdat
het ruimte biedt voor intensief overleg met de andere verdragspartijen om potentiële
exportbestemmingen te bespreken en risico-inschattingen te delen. Verdragspartijen
kunnen eventuele zorgen vroegtijdig identificeren en bespreekbaar maken middels de
overlegstructuren die het Verdrag daartoe biedt. Hiermee gaat het verdrag verder dan
huidige Europese samenwerking op het wapenexportbeleid waar EU-lidstaten elkaar achteraf
informeren over afgewezen vergunningen.
Binnen de Europese Commissie ligt er een plan om regels voor de wapenexportvergunningen
te versimpelen door met Algemene overdrachtsvergunningen te gaan werken. Lidstaten
verliezen zo zicht op de uiteindelijke bestemming van wapens, Nederland verliest haar
eigen exportcontroletoets, rapportageverplichtingen beperkt en uitzonderingen voor
wapentransfers zonder vergunningen worden uitgebreid.
Kunt u op deze punten inzicht geven wat dit voor Nederlandse wapenexport en toepassing
van criteria betekent?
115. Antwoord van het kabinet:
Hiervoor verwijst het kabinet graag naar het Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen
(BNC)-fiche36 over de beoordeling van het kabinet van het Defence Readiness Omnibus pakket, waaronder de intra-EU-overdrachten richtlijn (2009/43/EG) en wordt u spoedig
middels de kabinetsreactie op de reactie van Stop Wapenhandel c.s. over versimpeling
van de intra-EU-overdrachten richtlijn verder geïnformeerd.
Welke inbreng heeft Nederland hierop in Europa geleverd?
116. Antwoord van het kabinet:
Hierover bent u geïnformeerd middels het BNC-fiche37 over de beoordeling van het kabinet van het Defence Readiness Omnibus pakket, waaronder de intra-EU-overdrachten richtlijn (2009/43/EG) en wordt u spoedig
middels de kabinetsreactie op de reactie van Stop Wapenhandel c.s. over versimpeling
van de intra-EU-overdrachten richtlijn verder geïnformeerd.
Wat is de invloed van lobby van wapenfabrikanten geweest op de totstandkoming van
dit plan en bent u bereid hier inzicht in te geven of hier meer informatie over te
verkrijgen?
117. Antwoord van het kabinet:
De wijzigingsvoorstellen zijn gepubliceerd in de context van de notie dat het geen
oorlog is, maar ook geen vrede, en dat veel regelgeving in de EU niet op die situatie
is toegerust. Bevorderen van de Europese defensie-industriesamenwerking en versterking
van de Nederlandse en Europese defensie-industrie is van belang voor onze veiligheid
en om die reden is het evident dat de Europese Commissie ook met de industrie overlegt
om de eventuele knelpunten voor het opschalen van de Europese defensie-industrie te
identificeren.
Verschillende Europese landen hebben zich al negatief opgesteld tegen dit plan, die
de Commissie allerlei gedelegeerde bevoegdheden geeft. Gaat de regering zich hierbij
aansluiten en niet instemmen met het huidige voorstel?
118. Antwoord van het kabinet:
Voor de positie van Nederland verwijst het kabinet graag naar het BNC-fiche38 over de beoordeling van het kabinet van het Defence Readiness Omnibus pakket, waaronder de intra-EU-overdrachten richtlijn en wordt u spoedig middels de
kabinetsreactie op de reactie van Stop Wapenhandel c.s. over versimpeling van de intra-EU-overdrachten
richtlijn verder geïnformeerd.
Is de Minister het eens met de stelling dat het versimpelen van het wapenexportbeleid
op geen enkele manier de huidige Europese exportcriteria mag ondermijnen?
119. Antwoord van het kabinet:
De intra-EU-overdrachten richtlijn heeft betrekking op de overdracht van militaire
goederen binnen de EU en heeft als doel de regels en procedures hiervoor te vereenvoudigen,
ten einde de behoorlijke werking van de interne markt te waarborgen. De richtlijn
en de voorgestelde wijzigingen zien niet toe op de uitvoer van militaire goederen
naar landen buiten de EU. Alle EU lidstaten zijn gebonden aan het EU Gemeenschappelijk
Standpunt inzake wapenexportcontrole en het Wapenhandelsverdrag.
En hoe ziet verdere besluitvorming er uit, wanneer wordt de Tweede Kamer over de uitkomst
van de onderhandelingen geïnformeerd en wanneer besluit het kabinet hierover?
120. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet heeft uw Kamer middels het BNC-fiche39 vooraf geïnformeerd over de beoordeling en de inzet van het kabinet van het Defence Readiness Omnibus pakket, waaronder de intra-EU-overdrachten richtlijn. De onderhandelingen tussen
de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie (trilogen) hierover zijn
begin 2026 van start gegaan en zijn nog gaande. Het kabinet kan hier niet op vooruit
lopen en zal uw Kamer na afronding van de onderhandelingen informeren over de uitkomsten
hiervan.
De Verenigde Arabische Emiraten spelen een belangrijke rol in de wapenstromen richting
Soedan. Het kabinet heeft aangegeven dat zij voldoende doet om wapenexport te controleren
en dat zij geen aanwijzingen ziet dat via de VAE een omleiding heeft plaatsgevonden
naar Soedan onder Nederlandse vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen.
Het artikel van Follow the Money liet zien dat dit in Yemen wel is gebeurd, ondanks
waarschuwingen vanuit het ministerie. Waar baseert de Minister het uitsluiten van
het omleidingsrisico op?
121. Antwoord van het kabinet:
Het ministerie toetst elke vergunningaanvraag voor de uitvoer van militaire goederen
voorafgaand aan de uitvoer op basis van een risicoanalyse. Risico’s zijn daarbij nooit
volledig uit te sluiten. De toetsing vindt plaats aan de hand van de criteria van
het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake Wapenexportcontrole en het Wapenhandelsverdrag
waarbij per geval wordt gekeken naar de aard van de goederen, het eindgebruik en (de
situatie in) het land van eindbestemming. Bij vergunningaanvragen voor de VAE wordt
zorgvuldig getoetst aan het omleidingsrisico naar Soedan (criterium 7) en wordt alle
relevante informatie meegenomen in de beoordeling. Indien aan de hand van de op dat
moment beschikbare informatie duidelijke risico’s bestaan op ongewenst eindgebruik,
zoals een bijdrage aan ernstige mensenrechtenschendingen of omleiding, wordt een vergunningaanvraag
afgewezen.
Welke stappen zijn er gezet na de illegale acties van de VAE in Yemen om dit risico
uit te sluiten?
122. Antwoord van het kabinet:
Nederland heeft blijvend aandacht voor het risico op ongewenst eindgebruik en omleiding
bij vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen naar de VAE en heeft
ook in EU-verband de risico’s van omleiding van wapens naar Soedan meermaals onder
de aandacht gebracht. Vergunningaanvragen worden zorgvuldig en per geval getoetst
aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole
en het Wapenhandelsverdrag, waarbij alle relevante en op dat moment beschikbare informatie
wordt betrokken. Daarbij is er specifiek aandacht voor het risico op omleidingsrisico
naar ongewenste eindgebruikers. Indien op basis van de beschikbare informatie duidelijke
risico’s bestaan op ongewenst eindgebruik of omleiding, wordt een vergunningaanvraag
afgewezen.
Het kabinet geeft aan de VAE een belangrijke partner te vinden en solidair te zijn
als het gaat om de veiligheidsbehoeftes van de VAE door de oorlog in Iran. Hoe kan
worden uitgesloten dat deze veiligheidsbehoeftes niet gebruikt worden om wapens door
te sluizen naar Soedan?
123. Antwoord van het kabinet:
Als gevolg van het conflict tussen de Verenigde Staten, Israël en Iran worden landen
in de regio geconfronteerd met toenemende spanningen en veiligheidsrisico’s. Met inachtneming
van de zorgvuldige wapenexportcontroletoets aan het Europees Gemeenschappelijk Standpunt
inzake Wapenexportcontrole en het Wapenhandelsverdrag heeft Nederland oog voor de
legitieme veiligheidsbehoefte van de Golfstaten gedurende de crisis. Nederland blijft
alle aanvragen voor de uitvoer van militaire goederen en dual-use goederen met militair
eindgebruik zorgvuldig en per geval aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt
inzake wapenexportcontrole en het Wapenhandelsverdrag toetsen. Hierbij is voor de
VAE specifiek aandacht voor het risico op omleiding naar Soedan. Indien aan de hand
van de op dat moment beschikbare informatie duidelijke risico’s bestaan op ongewenst
eindgebruik, zoals een bijdrage aan ernstige mensenrechtenschendingen of omleiding,
wordt een vergunningaanvraag afgewezen.
Hoe staat het daarnaast met het handelsakkoord tussen de VAE en Europa en hoe wordt
daar juist dit punt, van het steunen van strijdende partijen in Soedan, op tafel gelegd
tijdens de onderhandelingen over het handelsakkoord? Zoals het Clingendael-rapport
aangeeft, geeft een goed bondgenootschap juist reden om sterke kritiek te leveren.
124. Antwoord van het kabinet:
De EU is exclusief bevoegd als het gaat om de handelspolitiek en de Europese Commissie
voert op dit moment de onderhandelingen over een handelsakkoord met de VAE, op basis
van een mandaat van de Raad. In dit soort onderhandelingen gaat het primair om handels-
en markttoegangsonderwerpen. Dat laat onverlet dat de situatie in de regio, waaronder
die in Sudan, voor Nederland en de EU belangrijke aandachtspunten zijn in de bredere
politieke dialoog met de VAE. Juist onze economische banden maken het mogelijk om
ook over andere onderwerpen – waaronder Soedan – een constructieve dialoog te voeren.
Conform de motie van het lid Van Baarle c.s.40 heeft het kabinet recentelijk in Brussel het conflict in Soedan onder de aandacht
gebracht van Commissie en EU-lidstaten in relatie tot het onderhandelingsmandaat.
Vandaag werd bekend dat Nederland 110 miljoen euro levert aan technologie aan Israël.
De leden van de SP-fractie snappen niet hoe na 3 jaar aan genocide, en Europese regels
die regelen geen spionagesoftware te exporteren naar landen waar mensenrechten onder
druk staan, Nederland hier lak aan heeft en handel voor laat gaan op moraal. Is de
Minister het met ons eens dat niet uitgesloten kan worden dat technologie wordt ingezet
voor mensenrechtenschendingen? Is de Minister het met ons eens dat een handelsdeal
met Israël haaks staat op de noodzaak druk uit te oefenen op de Israëlische regering
om mensenrechtenschendingen in de Westelijke Jordaanoever en genocide in Gaza te stoppen?
125. Antwoord van het kabinet:
Vergunningaanvragen voor de uitvoer van strategische goederen (dual-use en militair)
worden zorgvuldig getoetst op het risico op ongewenst eindgebruik, zoals schending
van mensenrechten. Aanvragen worden per geval strikt beoordeeld door te kijken naar
de aard van de goederen, de aannemelijkheid van het opgegeven eindgebruik, de eindgebruiker
en het land van bestemming. Een vergunning zal niet worden toegewezen wanneer de inschatting
is dat er een risico bestaat dat goederen en technologie worden ingezet bij mensenrechtenschendingen.
Is de Minister bereid openheid van zaken te geven over de contracten die zijn aangegaan,
zoals andere lidstaten wel hebben gedaan, en direct te stoppen met onderhandelingen
voor nieuwe aanbestedingen die deze Europese regels overtreden?
126. Antwoord van het kabinet:
Op het terrein van openheid inzake vergunningverlening van strategische goederen is
Nederland één van de meest transparante landen van Europa. Tijdige publicatie van
de maandrapportages over onder meer de export van dual use goederen en technologie zijn belangrijk voor het kabinet. De laatste rapportage op
de website van de Rijksoverheid is van april dit jaar.41 Voorts is er bij de export van dual use goederen en technologie sprake van een transactie tussen marktpartijen, waarbij de
Nederlandse overheid een rol speelt bij het al dan niet verlenen van vergunningen
voor goederen die vergunningplichtig zijn. De Nederlandse overheid heeft in dat kader
geen aanbestedende rol en is ook geen partij bij onderhandelingen voor aanbestedingen
die de Europese regels op het gebied van exportcontrole zouden kunnen overtreden.
Hoe kan het exportbeleid naar Israël zijn aangescherpt, zoals het ministerie aangeeft,
terwijl er nog steeds niet uit te sluiten is dat deze dual-use-technologie ook kan
worden ingezet voor militaire doeleinden? Dan is het toch noodzakelijk om deze technologie
niét te exporteren?
127. Antwoord van het kabinet:
Export wordt altijd zorgvuldig en voorafgaand aan de export getoetst, behalve als
er sprake is van algemene vergunningen. In 2025 heeft het kabinet uw Kamer geïnformeerd
middels een Kamerbrief42 over het besluit om Israël uit te sluiten van de algemene vergunning, die gebruikt
kon worden voor de uitvoer van laag-risico bulkgoederen. Het gaat hierbij om informatiebeveiligingsproducten
(apparatuur en programmatuur) die bedoeld zijn om de interne infrastructuur van (civiele)
eindgebruikers te ondersteunen.
Door deze wijziging dienen exporteurs een individuele of globale vergunning aan te
vragen om deze goederen te mogen exporteren. Dit betekent dat op dit moment alle transacties
van dual-use goederen naar Israël voorafgaand aan de uitvoer worden getoetst aan de
geldende criteria.
Kan de Minister verantwoorden waarom deze licenties toch afgegeven zijn terwijl het
wist dat er risico bestond op schending van mensenrechten en burgerslachtoffers?
128. Antwoord van het kabinet:
Vergunningaanvragen voor dual-use goederen worden zorgvuldig getoetst op het risico
op ongewenst eindgebruik, zoals schending van mensenrechten. Een vergunning zal niet
worden toegewezen wanneer de inschatting is dat er een risico bestaat dat goederen
en technologie worden ingezet bij mensenrechtenschendingen.
Alleen exporteurs met een vooraf door de Douane goedgekeurd Internal Compliance Program (ICP) kunnen een globale vergunning voor dual-use goederen aanvragen. In een ICP
geven exporteurs aan hoe ongewenste eindgebruikers worden geïdentificeerd en ongewenst
eindgebruik wordt voorkomen. Daarnaast dienen exporteurs periodiek te rapporteren
over wat er naar welke eindgebruikers is geëxporteerd. Dit wordt gecontroleerd door
de Douane. Wanneer er onregelmatigheden worden geconstateerd of toch indicaties blijken
te zijn dat er ongewenst eindgebruik heeft plaatsgevonden, kan daarop actie worden
ondernomen.
Vorige week bracht de Minister een bezoek aan de grensovergang aan Rafah. Tot welke
conclusies is de Minister gekomen met betrekking tot het beleid dat nu gevoerd wordt
in Nederland en Europa als het gaat om druk op Israël?
129. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de humanitaire situatie in de Gazastrook.
Mijn bezoek aan de Noord-Sinaï in Egypte, waaronder de Egyptische kant van de grensovergang
bij Rafah, heeft deze indruk bevestigd. Ik bracht, vergezeld door de gouverneur van
de Noord-Sinaï, onder meer een bezoek aan het logistiek centrum van de Egyptische
Rode Halve Maan. Ik zag daar met eigen ogen hoe moeilijk het voor hulporganisaties
is om humanitaire goederen Gaza in te krijgen. Grote hoeveelheid hulpgoederen worden
door Israël niet toegelaten en staan vast voor de grensovergang met Gaza. Wat ik zag
maakte duidelijk hoe belangrijk het is dat Nederland, zowel bilateraal als in multilateraal
(EU-)verband, constant Israël oproept om veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke
toegang aan alle professionele humanitaire organisaties te verlenen. Dat geldt voor
de VN en de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging, en eveneens voor de relevante internationale
ngo’s. Het is cruciaal dat Israël op dit gebied stappen zet. Daarnaast is de snel
verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem,
zeer zorgelijk.
Zoals uw Kamer bekend heeft Nederland, naar aanleiding van zorgen over de situatie
in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, in de EU het initiatief genomen
om de Israëlische naleving van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren.
De kabinetsinzet blijft er op gericht om voldoende steun te vergaren voor binnen de
EU voorgestelde maatregelen, naar aanleiding van deze evaluatie en de aanhoudende
verslechtering van de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Daarbij onderstreept
het kabinet dat maatregelen zijn bedoeld om de druk op te voeren zodat Israël van
koers verandert op de bovengenoemde kwesties. Het kabinet verwelkomt de aanname van
het derde pakket aan sancties tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties en
zet zich in voor een vierde pakket. Het kabinet werkt, als bekend, tevens aan nationale
maatregelen om producten uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette
gebieden te weren van de Nederlandse markt.
Welke «klemmende oproep» heeft deze Minister gedaan aan zijn Israëlische collega en
wat was daarop het antwoord?
130. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de humanitaire situatie in de Gazastrook.
Het kabinet brengt deze zorgen consequent bij de Israëlische autoriteiten onder de
aandacht en wijst hen daarbij op hun verantwoordelijkheden onder het internationaal
recht.
Welke boodschap neemt de Minister mee naar zijn Europese collega’s?
131. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet spreekt met EU-lidstaten om het draagvlak voor EU-maatregelen te vergroten
en staat daarvoor in contact met zowel gelijkgezinde lidstaten als lidstaten die aanname
van EU-maatregelen nog niet steunen, in lijn met relevante moties en toezeggingen
aan de Kamer.
Tenslotte heeft de Minister aangegeven 5 miljoen euro toe te zeggen aan het VN-fonds
voor de wederopbouw van Gaza. Is het duidelijk waar dit geld naartoe gaat?
132. Antwoord van het kabinet:
De toezegging betreft een bijdrage aan het Horizon Fund van de VN, dat een brug gaat slaan tussen humanitaire hulp en vroeg herstel van basisvoorzieningen
in de Palestijnse Gebieden. Hiermee zal de VN werken aan puin ruimen, basisvoorzieningen
als energie, onderwijs, en gezondheid, aan werkgelegenheid, en aan de versterking
van de publieke instanties.
Wordt dit geld nu al uitgegeven of pas als het vredesplan van Trump wordt uitgevoerd?
Indien dat laatste, betekent dat dat Trump uiteindelijk over deze gelden gaat beschikken
en deze mogelijk gaat uitgeven aan zijn «Riviera van het Midden-Oosten»?
133. Antwoord van het kabinet:
Het Horizon Fund is al operationeel en de eerste uitgaven zullen op korte termijn plaatsvinden om
de in het antwoord op vraag 132 genoemde doeleinden te financieren. Het fonds wordt
beheerd door de VN. De inzet van middelen is daarmee onafhankelijk van de structuren
van de Board of Peace. Wel neemt het fonds VNVR-resolutie 2803 en het vredesplan als strategisch uitgangspunt.
Het is zaak dat het vredesplan slaagt en het kabinet vindt het belangrijk om daaraan
bij te dragen.
Daarnaast lezen de leden van de SP-fractie dat Unicef heeft gepubliceerd dat elke
week er een kind gedood wordt op de Westelijke Jordaanoever, dat 93 procent van deze
doden gepleegd zijn door Israëlische strijdkrachten en dat maart 2026 de maand was
met de meeste Palestijnse gewonden door kolonistenaanvallen in 20 jaar. Het kabinet
deelt de mening van de SP-fractie dat de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever
illegaal zijn. Wat gaat de Minister doen om dit geweld in te temmen en uiteindelijk
volledig te mitigeren?
134. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet deelt inderdaad in lijn met het advies van 19 juli 2024 van het Internationaal
Gerechtshof (IGH) dat de Israëlische bezetting onrechtmatig is en er sprake is van
annexatie van grote delen van de Westelijke Jordaanoever. Het kolonistengeweld op
de Westelijke Jordaanoever is het afgelopen jaar toegenomen. Het kabinet veroordeelt
kolonistengeweld. Het kabinet brengt deze boodschap consequent over en benadrukt daarbij
dat Israël als bezettende macht verantwoordelijk is voor de bescherming van de bevolking
en voor het vervolgen van plegers van dit geweld. De Raad Buitenlandse Zaken ging
op 11 mei jl. akkoord met het derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten en
hun organisaties. Dit pakket is op initiatief van Nederland tot stand gekomen en het
kabinet werkt aan een volgend sanctiepakket.
Welke stappen worden er nu in Europees verband gezet door het aannemen van de kolonistensancties
en welke mogelijke escalatie-ladder houdt het kabinet rekening mee als het geweld
aanhoudt?
135. Antwoord van het kabinet:
Zoals uw Kamer bekend heeft Nederland zich ingezet voor de aanname van het derde sanctiepakket
tegen gewelddadige kolonisten en organisaties. Daarnaast heeft Nederland tijdens de
Raad Buitenlandse Zaken van april jl. aangekondigd te werken aan een vierde pakket
sancties, in lijn met de moties Van Lanschot/Van der Werf, Hirsch en Van Baarle43. Deze inzet is gericht op het verder verhogen van de druk op betrokkenen die zorgen
voor verdere verslechtering van de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Dit is
onderdeel van een voortdurende aanpak van het kabinet, waarbij pakketten van individuele
listings van personen en organisaties onderdeel uitmaken van een bredere diplomatieke
inzet, bestaande uit meerdere instrumenten.
Tenslotte willen de leden van de SP-fractie nog kort stilstaan bij de aangenomen motie
over de Blocking Statute, Kamerstuk 21 501-02-3371. Kan de Minister aangeven of, en zo ja op welke wijze, het instellen van het EU Blocking
Statute recent is besproken bij de vergaderingen van de EU? Zo ja, wat was de Nederlandse
inbreng hierbij en was deze in lijn met de aangenomen motie?
136. Antwoord van het kabinet:
In algemene zin is de Nederlandse inbreng inzake de motie voor het instellen van het
Blocking Statute dat het aan de Europese Commissie is om een voorstel te doen ter
activering van de antiboycotverordening (het Blocking Statute). Dat vergt een zorgvuldige
afweging. Het kabinet pleit in lijn met motie-Dobbe c.s.44 bij de Europese Commissie, binnen de Raad en bij het Europees Parlement voor het
treffen van de noodzakelijke voorbereidingen om het Blocking Statute zo snel mogelijk
toe te passen voor als de Commissie daartoe een voorstel doet. Indien de VS nieuwe
sancties afkondigen die het functioneren van het Hof naar verwachting ernstig zullen
belemmeren, dan zal het kabinet zich conform de moties in EU-verband hard maken voor
het daadwerkelijk activeren van de antiboycotverordening.
Heeft Nederland in EU-verband, inclusief bij de Europese Commissie, gepleit voor en
aangedrongen op het instellen van het EU Blocking Statute? Zo nee, waarom niet? Zo
ja, hoe dan? Bent u bereid om als kabinet zich publiekelijk uit te spreken voor het
activeren van het EU Blocking Statue, zoals ook Spanje en Slovenië hebben gedaan?
137. Antwoord van het kabinet:
Zie het antwoord op vraag 136 hierboven.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R. den Hollander, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -
Mede ondertekenaar
M. Prenger, adjunct-griffier