Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 846 Wijziging van de Bankwet 1998 in verband met de invoering van een periodieke rapportageverplichting betreffende hypothecaire leningen ten behoeve van de financiële stabiliteitstaak en statistische taak van DNB (Wet rapportage hypotheekmarkt DNB)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 1 juni 2026
Inleiding
De regering is de vaste commissie voor Financiën erkentelijk voor de aandacht die
zij aan het onderhavige wetsvoorstel heeft geschonken en voor de door haar daarover
gestelde vragen. De vragen worden zo veel mogelijk beantwoord in de volgorde van het
door de commissie uitgebrachte verslag. Voor zover vragen, vanwege overeenkomst in
onderwerp, gezamenlijk beantwoord zijn, is dit vermeld.
Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Wet rapportage
hypotheekmarkt DNB. Deze leden vinden het borgen van de financiële stabiliteit uiterst
belangrijk, maar vinden het net zo belangrijk dat dit niet ten koste gaat van de privacy
van mensen. Daarom steunen deze leden het voorliggende wetsvoorstel en hebben deze
leden op dit moment geen vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
Wet rapportage hypotheekmarkt DNB en de daarbij behorende memorie van toelichting.
Deze leden onderschrijven het belang van een stabiel financieel stelsel en adequate
monitoring van risico’s, maar hechten tevens groot belang aan proportionaliteit, dataminimalisatie,
regeldrukbeperking en rechtszekerheid voor rapportageplichtige partijen. In dat licht
hebben deze leden (...) vragen en opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel voor een rapportageverplichting
voor financiële instellingen aan DNB over hypothecaire leningen, zodat DNB haar statistische
en financiële stabiliteitstaken goed kan uitvoeren. Zoals vaker opgemerkt heeft Nederland
een gigantische hypotheekschuldenberg en is het goed dat in het oog te houden. Deze
leden zien de meerwaarde van de rapportageverplichting om tijdig te kunnen bijsturen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden
zijn van mening dat de hoge hypotheekschuld een risico kan vormen voor de financiële
stabiliteit van Nederland als Nederlanders in de toekomst minder in staat zouden zijn
om hun hypotheeklasten goed te betalen. Dergelijke risico’s beter monitoren, juichen
deze leden in principe toe.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.
Deze leden hebben daarover enkele vragen.
§ 1. Inleiding
De leden van de VVD-fractie lezen dat bij algemene maatregel van bestuur, vanuit proportionaliteitsoptiek,
drempelwaarden worden vastgesteld per rapportageplichtige partij, zodat uitsluitend
partijen met relatief grote hypotheekportefeuilles rapportageplichtig worden. Welk
inzicht heeft DNB op dit moment reeds in de omvang en samenstelling van hypotheekportefeuilles?
Kan de regering toelichten welke lacunes er bestaan in de huidige informatievoorziening
en waarom deze niet toereikend wordt geacht voor de uitoefening van de statistische
en financiële stabiliteitstaak van DNB?
In de huidige situatie verkrijgt DNB de gegevens over hypothecaire leningen door het
doen van reguliere uitvragen op grond van de bestaande uitvraagbevoegdheid uit artikel
9d van de Bankwet 1998. Hoewel DNB op deze wijze dus reeds inzicht heeft in de hypotheekportefeuilles
van kredietaanbieders, voldoet deze uitvraagbevoegdheid niet meer. Dat komt omdat
de uitvraagbevoegdheid een verbod1 bevat om persoonsgegevens – dus naar personen herleidbare gegevens – uit te vragen,
terwijl door toenemende digitalisering niet meer kan worden uitgesloten dat gegevens
over hypotheken naar individuele personen herleidbaar zijn. Deze discrepantie heeft
tot zorgen geleid bij DNB en de partijen die de gegevens moeten aanleveren. Ook de
Autoriteit Persoonsgegevens heeft aangedrongen op zorgvuldige gegevensbescherming
door het creëren van een grondslag met waarborgen voor de noodzakelijke informatievoorziening
van DNB. Daarom is besloten om de grondslag te versterken voor de verwerking door
DNB van gegevens over de ontwikkelingen op de hypotheekmarkt. Hierbij is voorzien
in alle waarborgen om herleidbaarheid naar personen tegen te gaan.2 De gegevens zijn voor DNB noodzakelijk om inzicht te krijgen in ontwikkelingen op
de hypotheekmarkt die gevolgen kunnen hebben voor de financiële stabiliteit en om
deze ontwikkelingen over de jaren heen te kunnen volgen en te analyseren. Op deze
wijze kunnen ontwikkelingen die risico’s voor de stabiliteit van het financiële stelsel
met zich brengen door DNB worden gesignaleerd en zo mogelijk gemitigeerd.
§ 2. Hoofdlijnen van het voorstel
§ 2.1 Aanleiding
De leden van de VVD-fractie lezen dat de noodzaak van het wetsvoorstel wordt onderbouwd
met de relatief grote omvang van de Nederlandse hypotheekschuld en de bijzondere risicokenmerken
van de Nederlandse hypotheekmarkt, waaronder het grote aandeel aflossingsvrije hypothecaire
leningen en hoge financieringspercentages. Op welke wijze hebben de risico’s van aflossingsvrije
hypothecaire leningen zich de afgelopen jaren ontwikkeld?
Kan de regering aangeven of en in welke mate deze risico’s zijn afgenomen, mede in
het licht van aangescherpte leennormen en beleid gericht op afbouw?
Aflossingsvrije hypotheken kunnen hogere risico’s met zich meebrengen dan hypothecaire
leningen met een periodiek aflossingsschema. Bij aflossingsvrije hypotheken vormt
de woningwaarde doorgaans de primaire bron van terugbetaling. Dit kan huishoudens
en kredietverstrekkers kwetsbaar maken in het geval dat de waarde van de woning daalt
tot onder de hoofdsom van de hypotheek, omdat er dan een restschuld ontstaat als een
huishouden de woning op dat moment wil verkopen. Terugval van inkomen na pensionering
kan deze risico’s vergroten.
Het aandeel aflossingsvrije hypotheken in Nederland neemt de laatste jaren gestaag
af en bedraagt nu zo’n 45% van de totale hypotheekschuld. Daarentegen is het aandeel
annuïtaire en lineaire leningen fors toegenomen, van 26 miljard euro (4%) begin 2013
naar 350 miljard euro (40%) in 2022. De zowel absolute als relatieve afname van aflossingsvrije
hypotheken in Nederland komt hoofdzakelijk door de introductie van de fiscale aflossingseis3 en de niet-fiscale aflossingseis4 van kredietaanbieders.
In haar toezicht besteedt DNB nadere aandacht aan aflossingsvrije hypotheken. Zo verwacht
zij van financiële instellingen dat zij een goede balans vinden tussen het volume
van de aflossingsvrije portefeuilles, het eigen vermogen en de risico’s die een bepaald
type instelling kan dragen. Daarnaast moeten financiële instellingen beschikken over
voldoende informatie over de staat en waarde van het onderpand en relevante omstandigheden
die van invloed zijn op toekomstige betaalbaarheid. Daarbij is het van belang dat
financiële instellingen de extra risico’s meenemen in de tarieven van het hypotheekproduct
en in de waardering op de balans. DNB geeft aan dat het aannemelijk is dat de bovenstaande
elementen zullen leiden tot een verdere afname van het volume aflossingsvrije hypothecaire
schulden in Nederland.5
Opgemerkt zij dat de uitvraagbevoegdheid en de rapportageverplichting niet zijn bedoeld
voor het reguliere toezicht op financiële ondernemingen, maar voor de financiële stabiliteitstaak
en statistische taak van DNB op grond van de Bankwet 1998. Regulier toezicht wordt
uitgeoefend op basis van de toezichtwetgeving, zoals de Wet op het financieel toezicht
(Wft).
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie om een internationale vergelijking. Hoe
verhoudt de Nederlandse aanpak zich tot andere lidstaten waar vergelijkbare risico’s
bestaan? De leden van de VVD-fractie vragen op welke wijze toezichthouders in andere
landen inzicht verkrijgen in hun hypotheekmarkten?
De hypotheekmarkt per land verschilt enorm. Evenzo loopt de wijze waarop toezichthouders
en centrale banken in andere landen inzicht verkrijgen in hun hypotheekmarkten aanzienlijk
uiteen per land. Alleen Denemarken heeft net als Nederland een groot aandeel aflossingsvrije
hypotheken. De Nederlandse hypotheekmarkt laat zich overigens niet goed vergelijken
met de Deense hypotheekmarkt omdat Deense hypotheken doorgaans anders gefinancierd
worden dan Nederlandse hypotheken.
In veel landen wordt inzicht in de hypotheekmarkt verkregen via een combinatie van
bronnen, zoals toezichtrapportages en kredietregisters. Het toezicht op kredietaanbieders
is voor een groot deel EU-breed geharmoniseerd.
Hierbij geldt voor de toezichtrapportages dat deze inzicht op instellingsniveau geven,
bijvoorbeeld in de vorm van gemiddelde LTV-ratio’s (de totale blootstelling gedeeld
door de waarde van al het onderpand). Zij geven echter geen inzicht in de details
per hypothecaire lening. Doordat toezichtrapportages geaggregeerd zijn op instellingsniveau
en niet op leningniveau, zijn deze niet geschikt voor het opstellen van statistieken
en het monitoren van financiële stabiliteitsrisico’s voor de hypotheekmarkt in Nederland
en ontbreekt hierin het voor de statistische en financiële stabiliteitstaken van DNB
benodigde detailniveau.
Sommige EU-lidstaten, zoals Frankrijk, Italië en Oostenrijk, hebben een kredietregister
dat informatie bevat over uitstaande schulden en betalingsgedrag. Echter, dergelijke
kredietregisters bieden veelal geen volledig beeld van relevante risicokenmerken van
hypothecaire leningen, zoals aflossingsstructuren, LTV-ratio’s of rentevaste periodes.
Nederland heeft overigens niet een dergelijk kredietregister.
Uit het voorgaande blijkt dat voor het uitoefenen van de statistische en financiële
stabiliteitstaak door DNB de informatie uit toezichtrapportages of een eventueel kredietregister
niet volstaat. Voor de uitvoering van deze taken heeft DNB meer gedetailleerde informatie
nodig over hypothecaire leningen in Nederland. In enkele van de ons omringende landen,
zoals Ierland en het Verenigd Koninkrijk, zijn periodieke en gedetailleerde gegevensverzamelingen
op leningniveau (zogeheten loan-level data) ingericht om de nationale centrale bank
en toezichthouder te voorzien van uitgebreide informatie over de gehele hypotheekmarkt.
Deze gegevens worden daar tevens ingezet voor zowel statistische doeleinden, als voor
het monitoren van financiële stabiliteit en macroprudentiële risico’s, net zoals in
Nederland.
Ook internationale organisaties, waaronder het Europees Comité voor Systeemrisico’s
(ESRB), hebben herhaaldelijk gewezen op het belang van gedetailleerde data bij het
monitoren van vastgoed- en hypotheekrisico’s, onder meer in de zogenoemde Data Gap
Recommendations.6 Daarnaast heeft het Internationaal Monetair Fonds (IMF) in het kader van het Financial Sector Assessment Program (FSAP) aanbevolen dat autoriteiten beschikken over een duidelijke wettelijke grondslag
om op regelmatige basis toegang te hebben tot gedetailleerde transactie- en leninggegevens,
waaronder gegevens over hypothecaire leningen voor woningen en commercieel vastgoed,
ten behoeve van risicomonitoring en -analyse.7
Voorts lezen de leden van de VVD-fractie dat proportionaliteit en rechtszekerheid
beter worden geborgd door het vooraf vastleggen van data-attributen en toepassing
van dataminimalisatie dan bij een onbepaalde uitvraagbevoegdheid. Kan de regering
nader toelichten op welke wijze dit in de praktijk wordt vormgegeven en hoe wordt
voorkomen dat de rapportageverplichting in de toekomst alsnog in omvang toeneemt?
In de huidige situatie verkrijgt DNB de gegevens over hypothecaire leningen door het
doen van reguliere uitvragen op grond van de bestaande uitvraagbevoegdheid uit artikel
9d van de Bankwet 1998. Bij deze uitvraagbevoegdheid ligt dus niet wettelijk vast
welke informatie (ook wel: «data-attributen») kan worden opgevraagd. Dat kan rechtsonzekerheid
meebrengen voor de informatieverstrekkers. In het Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998,
dat zal worden gewijzigd met het wijzigingsbesluit Besluit rapportage hypotheekmarkt
DNB, zal precies worden vastgelegd welke hypotheekgegevens gerapporteerd moeten worden
aan DNB. Deze algemene maatregel van bestuur wordt naar verwachting in het voorjaar
publiek geconsulteerd via www.internetconsultatie.nl, om vervolgens voor advies aan de Afdeling Advisering van de Raad van State te zullen
worden toegezonden. Het vastleggen van de data-attributen op AMvB-niveau leidt ertoe
dat toekomstige nieuwe attributen alleen in het Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998 kunnen
worden toegevoegd nadat alle procedurele vereisten (zoals publieke consultatie, advisering
door adviesorganen en de Raad van State) voor het wijzigen van een AMvB zijn doorlopen.
Attributen kunnen dan niet meer op ad hoc basis worden toegevoegd. Voor de rapportageplichtige
partijen geeft dit dan ook de nodige rechtszekerheid.
Bij de selectie van de data-attributen die worden vastgelegd wordt in het belang van
de proportionaliteit een scherpe keuze gemaakt tussen wat echt noodzakelijk is (need to know) voor de statistische en financiële stabiliteitstaak van DNB en wat niet (nice to know). Daarmee wordt het aantal attributen gehalveerd voor de banken ten opzichte van
de huidige uitvraag. Zie in dit verband ook de beantwoording van de vraag van de VVD-fractie
in paragraaf 2.2.
Als laatste lezen de leden van de VVD-fractie op dit punt dat in de memorie van toelichting
wordt gesteld dat het huidige verbod op het gebruik van persoonsgegevens in de Bankwet
1998 belemmerend werkt voor het verkrijgen van noodzakelijke gegevens. Het wetsvoorstel
creëert daarom een grondslag voor verwerking van persoonsgegevens door DNB en rapportageplichtige
partijen. Kan de regering nader toelichten waarom het huidige verbod niet langer volstaat
en waarom het verwerken van persoonsgegevens onvermijdelijk is voor het uitvoeren
van de statistische en financiële stabiliteitstaak van DNB?
In de huidige situatie gebruikt DNB de uitvraagbevoegdheid op grond van artikel 9d
van de Bankwet 1998 om de gegevens bij partijen uit te vragen. Toen de uitvraagbevoegdheid
in 2015 in de Bankwet 1998 werd geïntroduceerd, werd verondersteld dat voor de statistische
en financiële stabiliteitstaak van DNB geen persoonsgegevens nodig zouden zijn. Sindsdien
zijn de digitaliseringsmogelijkheden echter enorm toegenomen. Daarmee is ook de herleidbaarheid
van gegevens toegenomen. Databronnen kunnen bijvoorbeeld met toepassing van AI op
grote schaal worden gecombineerd met andere (openbare) databronnen en kunnen stelselmatig
worden doorzocht en gekoppeld. Deze steeds verdergaande digitaliseringsmogelijkheden
maken dat gegevens steeds meer en beter herleidbaar naar personen worden. De gegevens
die DNB nodig heeft voor het uitvoeren van haar taken zijn geen direct herleidbare
gegevens. Zo kunnen de vier cijfers van de postcode van een leningnemer niet direct
naar hem worden herleid. Maar door verdergaande digitalisering – bijvoorbeeld als
de vier cijfers van zijn postcode worden gekoppeld aan zijn geboortejaar, zijn toetsinkomen
en de openbare gegevens uit het kadaster – kunnen gegevens mogelijk wel naar hem worden
herleid. Deze wijze van verwerken wordt uiteraard niet voorzien, maar doordat de theoretische
mogelijkheid daartoe bestaat, moeten deze gegevens op grond van de AVG als persoonsgegevens
worden aangemerkt. Dit alles maakt dat het verbod zoals opgenomen in artikel 9d van
de Bankwet belemmerend werkt voor DNB. Om die reden wordt voorzien in een gedegen
grondslag, met de nodige waarborgen voor de gegevensbescherming om de voor DNB noodzakelijke
gegevens te kunnen verwerken.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het volgens de regering belangrijk is om een
nauwkeurig beeld te vormen van hoe de hypotheekmarkt in Nederland zich ontwikkelt.
Dat is nodig vanwege de relatief grote omvang van de Nederlandse hypotheekschuld en
de bijzondere risicokenmerken van de Nederlandse hypotheekmarkt namelijk een groot
aandeel aflossingsvrije hypothecaire leningen en daarnaast hypothecaire leningen waarmee
een substantieel deel van de waarde van het onderpand is gefinancierd. Ontwikkelingen
die zich de laatste jaren hebben voorgedaan, zoals stijgende hypotheekrentes, krapte
op de woningmarkt met grote prijsstijgingen tot gevolg en toenemende kansen op extreem
weer (met overstromings- of verzakkingsrisico) hebben de urgentie nog vergroot.
Deze leden vragen daarom wat vervolgens met de rapportage-informatie gebeurt. Deze
leden vragen of de regering kan aangeven wat tot op heden met monitoring van en rapportage
over de hypothecaire leningmarkt is gedaan, tot welke inzichten dit heeft geleid en
wat momenteel het oordeel is met betrekking tot impact van hypotheekschulden op financiële
stabiliteit in Nederland.
De rapportage-informatie die DNB ontvangt wordt gebruikt voor de uitvoering van haar
wettelijke taken op het gebied van statistiek en financiële stabiliteit. De gegevens
stellen DNB in staat om ontwikkelingen en risico’s op de hypotheekmarkt structureel
en over de tijd te monitoren en vormen belangrijke input voor het monitoren van systeemrisico’s
en voor eventuele macroprudentiële maatregelen om systeemrisco’s te beperken.
De uitkomsten van deze monitoring worden onder meer verwerkt in openbare en periodieke
publicaties van DNB, waaronder het halfjaarlijks Overzicht Financiële Stabiliteit8, statistische publicaties en thematische analyse over de woning- en hypotheekmarkt,
zoals de DNB-studies over overstromingsrisico en transitierisico.9 In deze publicaties wordt inzicht gegeven in relevante ontwikkelingen, zoals de omvang
en samenstellingen van de hypotheekschuld, kwetsbaarheden van huishoudens en de gevoeligheid
voor macro-economische en aan klimaat en natuur gerelateerde schokken. Voornoemde
analyses en publicaties kunnen aanleiding vormen voor het ontwikkelen of aanscherpen
van beleid.
Zo zijn bijvoorbeeld hypotheekschulden sinds 2013 gedaald, mede door strengere leennormen,
maar blijft het Nederlandse schuldniveau van circa 80% bbp ruim boven het gemiddelde
in het Eurogebied. Hoge hypotheekschulden kunnen de financiële stabiliteit onder druk
zetten doordat huishoudens kwetsbaarder worden voor economische schokken, zoals stijgende
rente, inkomensverlies of dalende woningprijzen. Bij hoge schulden kunnen dergelijke
schokken leiden tot betalingsproblemen, die de verliezen voor financiële instellingen
vergroten en de kredietverlening kunnen verstoren. Daarnaast kan een hoge schuldenlast
de bestedingsruimte van huishoudens beperken, waardoor negatieve schokken zich via
lagere consumptie kunnen versterken en bredere macro-economische gevolgen kunnen hebben.
Om de weerbaarheid van Nederlandse banken te vergroten heeft DNB per 1 januari 2024
een ondergrens opgelegd aan de gemiddelde risicoweging die banken hanteren voor hun
hypothecaire leningenportefeuilles. Deze maatregel is nu tot en met 30 november 2026
van kracht, zoals ook blijkt uit de Regeling verlenging van risicoweging hypothecaire
leningen 2024.
De leden van de CDA-fractie merken op dat enkele door de regering benoemde risico’s
immers al jaren bekend zijn. Zo vragen deze leden waarom tot op heden niet is gekozen
om bepaalde risico’s in onze hypothekenportefeuille bewust te verlagen. Kan de regering
aangeven hoe 100 procent financiering zich verhoudt tot financiële stabiliteitsrisico’s.
De regering is niet voornemens om de LTV-limiet aan te scherpen, en voelt zich hierin
gesterkt door de positieve evaluatie van SEO naar de hypothecaire leennormen10. Wel adviseert SEO om de kwaliteit van taxaties te verbeteren met als doel om de
beschermende werking van de LTV-limiet te vergroten. Hiertoe worden stappen gezet.11,
12
Maatregelen zoals het verlagen van de LTV-limiet tot onder de 100% kunnen niet los
worden gezien van de bredere Nederlandse economische context. Zo kent Nederland een
goede sociale zekerheid en een uitgebreid pensioenstelsel. De bijdragen daaraan door
sociale- en pensioenpremies verkleinen de vrije financiële ruimte, waardoor sparen
voor een koopwoning – met name in het financiële spitsuur van het leven – lastig is
voor veel huishoudens. Hierdoor is de behoefte aan toegang tot schuldfinanciering
groter. Doordat grote financiële risico’s zoals de kans op het verliezen van een baan
en een eventuele restschuld bij de verkoop van een woning13 in belangrijke mate collectief worden gedekt en de woning voor veel huishoudens niet
dient als pensioenvoorziening, beperkt dit de noodzaak tot private besparingen ter
financiering van de eigen woning. In algemene zin is de toegevoegde waarde van nog
meer sparen voor veel huishoudens op dit moment dus beperkt. Dit is in lijn met de
conclusies van het CPB uit 2021 in het rapport «sturen naar vermogen: De vermogensopbouw
bezien vanuit de levensloop»14. Hierin wijst het CPB op de risico’s dat een aanzienlijke groep huishoudens vermogen
vast heeft zitten in een eigen woning of pensioenfonds, waarbij zij bij financiële
tegenvallers geen beroep kunnen doen op direct beschikbaar spaargeld. Voorts zij opgemerkt
dat bij een aanscherping van de LTV-limiet de toegankelijkheid van de woningmarkt
voor met name starters zal verslechteren.
De leden van de CDA-fractie zien bijvoorbeeld in de meeste andere landen een loan-to-value
van 90 procent of minder. Deze leden hebben ook vaker gepleit voor een bouwspaarproduct,
zodat jongeren beter kunnen sparen voor de aankoop van een eigen woning en met een
minder hoge schuld hoeven beginnen. Graag vragen deze leden hierop een reflectie van
de regering.
Bouwsparen kan huishoudens helpen om het voor de aankoop van een eigen woning benodigde
eigen geld bijeen te sparen.15 Het bevorderen van de inleg van eigen middelen bij de aanschaf van een woning kan
bredere risico’s op de huizenmarkt mitigeren en een positieve uitwerking hebben op
de financiële stabiliteit en economische volatiliteit van Nederland. Maar met een
LTV-limiet van 100% blijft de noodzaak voor Nederlandse huishoudens om te sparen voor
de aankoop van een woning in beginsel beperkt.16 Het afsluiten van een hypotheek wordt bovendien fiscaal gesubsidieerd omdat de rente
en kosten van de eigenwoning aftrekbaar zijn. Daarmee is de toegevoegde waarde van
(fiscaal gestimuleerd) bouwsparen in de Nederlandse context op dit moment beperkt.
Mocht de maximale LTV in de toekomst worden verlaagd en de noodzaak om te sparen daarmee
toenemen, dan kan een vorm van bouwsparen mogelijk aantrekkelijk zijn. Dit zal echter
in de brede context van de dan geldende (fiscale) regulering van de woningmarkt moeten
worden bezien.
De leden van de CDA-fractie lezen dat in het wetsvoorstel overgegaan wordt tot een
rapportageverplichting omdat DNB periodieke data nodig heeft op zeer specifieke datapunten.
Als het toezicht tot op heden niet als zodanig was ingericht, maar een meer incidenteel
karakter had op basis van een uitvraagbevoegdheid van DNB zonder nader gespecificeerde
data, vragen deze leden hoe DNB de afgelopen jaren goed in staat is geweest haar statistische
en toezichtstaak uit te voeren. Deze leden vragen de regering hierop nader in te gaan.
DNB heeft de bestaande uitvraagbevoegdheid uit de Bankwet 1998 periodiek ingezet (voor
banken vier keer per jaar, voor niet-banken één keer per jaar) om gegevens te verkrijgen
om haar wettelijke taken op het gebied van statistiek en financiële stabiliteit uit
te kunnen voeren. Zoals ook uiteengezet in paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel heeft DNB de gegevens over de hypotheekmarkt periodiek nodig.
Daarom is een rapportageverplichting hiervoor passender dan een uitvraagbevoegdheid,
die naar zijn aard een meer incidenteel karakter heeft.
Opgemerkt zij dat de uitvraagbevoegdheid en de rapportageverplichting niet zijn bedoeld
voor het reguliere toezicht op financiële ondernemingen, maar voor de financiële stabiliteitstaak
en statistische taak van DNB op grond van de Bankwet 1998. Regulier toezicht wordt
uitgeoefend op basis van de toezichtwetgeving, zoals de Wet op het financieel toezicht
(Wft).
Ook vragen de CDA-fractieleden de regering of wordt verwacht dat met de verzamelde
data op grond van de rapportageverplichting tot nieuwe inzichten of analyses zal worden
gekomen.
De rapportageverplichting is noodzakelijk om de informatievoorziening van DNB te borgen,
nu de grondslag voor de informatie-uitvraag die DNB in de huidige situatie gebruikt
niet meer voldoet (zie ook paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting). De voorgestelde
rapportageverplichting stelt DNB blijvend in staat de ontwikkelingen en risico’s op
de hypotheekmarkt structureel en over de tijd te monitoren, zodat zij haar wettelijke
taken op het gebied van statistiek en financiële stabiliteit goed kan blijven uitoefenen.
De ontvangen gegevens dragen bij aan verdiepende analyses, bijvoorbeeld door de blootstelling
van hypotheekportefeuilles aan specifieke risicofactoren (zoals overstromingsgevoelige
gebieden) beter in kaart te brengen. Er zal geen sprake zijn van een nieuwe invulling
van de wettelijke taken van DNB als gevolg van onderhavig wetsvoorstel.
De leden van de BBB-fractie merken op dat hoewel het monitoren van gegevens een beter
beeld kan geven van risico’s op de hypotheekmarkt, alleen monitoren er niet voor kan
zorgen dat deze risico’s afnemen. Afgelopen jaren is de hypotheekschuld in Nederland
enorm toegenomen en is de schuldpositie van met name starters bij tegenslag zoals
verandering in de arbeidsmarkt in toenemende mate onhoudbaar. Hoe kijkt de regering
daarnaar?
Monitoring kan ervoor zorgen dat toekomstige negatieve ontwikkelingen worden gedetecteerd
en er maatregelen genomen kunnen worden als dat nodig zou zijn. De leden van de BBB-fractie
merken op dat de totale Nederlandse hypotheekschuld in absolute zin is toegenomen.
Eind 2024 hadden Nederlandse huishoudens samen ruim € 851 miljard aan hypotheekschuld
bij Nederlandse financiële instellingen.17 Dat is ongeveer 30% meer dan tien jaar geleden. Overigens zijn over dezelfde periode
de huizenprijzen ruim verdubbeld, inkomens hard gestegen en ten opzichte van het bbp
is de hypotheekschuld bij Nederlandse financiële instellingen afgenomen van ruim 100%
in 2010 tot 75% in 2025. Hoge huizenprijzen kunnen met name voor starters aanleiding
geven om veel te lenen. Met de hypothecaire leennormen wordt daarom beoogd te voorkomen
dat huishoudens bij het aangaan van een hypotheek onverantwoorde financiële risico’s
nemen. In 2025 heeft SEO geconcludeerd dat de leennormen doeltreffend zijn in het
bevorderen van verantwoorde kredietverstrekking door het beschermen van huishoudens
tegen overkreditering en het voorkomen van betalingsachterstanden.
De leden van de BBB-fractie constateren ook dat hoewel macroprudentiële maatregelen,
zoals het verhogen van de kapitaalbuffers voor banken, ervoor kunnen zorgen dat banken
beter bestand zijn tegen prijscorrecties op de woningmarkt, dit nog niets doet voor
woningbezitters met een hoge hypotheekschuld. Welke maatregelen kan de regering nemen
om ervoor te zorgen dat de schuldhoudbaarheid voor (nieuwe) kopers verbetert?
Zoals toegelicht in het antwoord op de vorige vraag en eerdere vragen, is de schuldhoudbaarheid
van de hypotheekschulden in Nederland sinds 2013, het jaar waarin ongeveer een op
drie woningen onder water stond en veel huishoudens betalingsachterstanden hadden,
enorm verbeterd. De aanscherping en wettelijke verankering van de leennormen hebben
daar een belangrijke rol in gespeeld. SEO is in haar recente evaluatie18 positief over de doeltreffendheid, doelmatigheid en uitvoerbaarheid van de leennormen
die beogen huishoudens te beschermen tegen overkreditering. Volgens SEO waarborgt
de LTI-norm betaalbare maandlasten voor diverse soorten huishoudsamenstellingen, ook
in het geval van een beperkte daling van het inkomen of stijging van de uitgaven.
De geïntroduceerde aflossingsverplichtingen zorgen er bovendien voor dat huishoudens
hun schuldpositie gedurende de looptijd van de hypotheek stapsgewijs afbouwen.
De leden van de BBB-fractie vragen of de regering van mening is dat er vooral moet
worden gekeken naar de oorzaken van de hoge schuldenberg en dat beleid zich vooral
moet richten op het verkleinen van de totale hypotheekschuld?
Het verkleinen van de totale hypotheekschuld in Nederland in nominale zin is geen
doel op zich. Belangrijk is de houdbaarheid van hypotheekschulden, in de eerste plaats
voor huishoudens en uiteindelijk voor de financiële stabiliteit. Prudente leennormen
zijn daarbij een belangrijk instrument. Onder meer DNB, AFM en het CPB blijven de
impact van deze normen op de financiële stabiliteitsrisico’s en toegang tot de woningmarkt
monitoren19,
20, in samenhang met breder beleid voor de macro-economie, woningmarkt en financiële
stabiliteit.
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat bij de berekening van de leennormen voor
hypothecair krediet voortaan ook advies gevraagd wordt aan DNB (zie motie Flach c.s.
(Kamerstuk 32 847, nr. 1227) en de reactie van de regering daarop (Kamerstuk 32 847, nr. 1349)). In hoeverre kan DNB nu al aan die extra taak voldoen en in hoeverre is het voorliggende
wetsvoorstel daarvoor nodig?
Zoals de leden van de SGP-fractie terecht onder de aandacht brengen zal DNB net als
de AFM (ieder op zijn eigen terrein) op mijn verzoek (mede namens de Minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) en in reactie op de motie Flach c.s. zorgen
voor periodieke analyse van financiële stabiliteits- en toegankelijkheidsaspecten
bij de vaststelling van leennormen. Zoals ook naar voren komt uit de brief aan uw
Kamer waarnaar de leden van de SGP-fractie verwijzen, zullen de uitkomsten van deze
analyses een vaste plek krijgen in de governance van de leennormen. Op deze manier krijgen financiële stabiliteit en toegankelijkheid
van de koopwoningmarkt een nadrukkelijkere rol bij het vaststellen van de leennormen.
Het eerste monitoringsrapport hiervan is onlangs door DNB op haar website gepubliceerd.21 Voor de analyse maakt DNB gebruik van de gegevens over de hypotheekmarkt. Zoals gezegd
worden deze gegevens in de huidige situatie uitgevraagd op grond van de bestaande
uitvraagbevoegdheid in artikel 9d van de Bankwet 1998 (zie ook het antwoord op de
vragen van de CDA-fractie hierboven). Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zullen
de gegevens worden gerapporteerd op grond van de rapportageverplichting. DNB kan dus
gezien de gegevens die zij verkrijgt onder de uitvraagbevoegdheid al voldoen aan deze
extra taak. Zoals reeds toegelicht bij de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie
hierboven (en zoals ook volgt uit paragraaf 2.1 en 2.6 van de memorie van toelichting)
is de rapportageverplichting noodzakelijk om de informatiepositie van DNB met betrekking
tot de hypotheekmarkt voor de toekomst goed te borgen, terwijl tegelijkertijd ook
wordt voorzien in de nodige waarborgen om de zorgvuldige gegevensbescherming te garanderen.
§ 2.2 Noodzaak detailniveau hypotheekgegevens
De leden van de VVD-fractie lezen dat gedetailleerde gegevens over de hypothecaire
lening, de hypotheeknemer en het onderpand noodzakelijk worden geacht om zicht te
houden op kwetsbaarheden die relevant zijn voor de financiële stabiliteit. Hoe wordt
het onderscheid gemaakt tussen gegevens die strikt noodzakelijk zijn («need to know»)
en gegevens die minder essentieel zijn («nice to know»)? Kan de regering concreet
aangeven welke criteria hierbij worden gehanteerd en hoe wordt geborgd dat uitsluitend
strikt noodzakelijke gegevens worden uitgevraagd? Zorgt het voorliggende voorstel
ervoor dat hypotheekverstrekkers extra uitvragen moeten doen aan hypotheeknemers?
DNB heeft een interne evaluatie gedaan om te bepalen welke data-attributen, die op
dit moment periodiek worden uitgevraagd op grond van de bestaande uitvraagbevoegdheid,
onder de rapportageverplichting moeten worden vastgelegd. Hierbij is gekeken welke
data-attributen achterwege kunnen blijven tot het punt dat de analyses op het gebied
van financiële stabiliteit niet meer zouden kunnen worden uitgevoerd. De kritieke
impact is hier dus als criterium gehanteerd. Alleen attributen die geclassificeerd
zijn als «essentieel» (need-to-know) voor het monitoren van de hypotheekmarkt worden
behouden voor de rapportageverplichting. Deze informatie kan niet worden afgeleid
uit andere attributen. De overige, niet-essentiële, datapunten uit de bestaande uitvragen
van DNB worden in het kader van de rapportageverplichting geschrapt. Zo werd in de
reguliere uitvraag een aantal attributen gevraagd over hypotheken die gesecuritiseerd
zijn, waaronder de datum van securitisatie en de naam van de securitisatiepool. Dat
betreft weliswaar nuttige informatie voor analyses over gesecuritiseerde hypotheken
(nice-to-know), maar niet noodzakelijke informatie. Het voornemen bestaat daarom om
dergelijke data-attributen niet langer op te nemen in het Uitvoeringsbesluit Bankwet
1998. Daarnaast zal een aantal attributen dat niet meer noodzakelijk is vanwege de
kleinere scope van de rapportageverplichting ten opzichte van de reguliere uitvraag
komen te vervallen. Zo bestaat er, ter vermindering van de lastendruk, het voornemen
om alleen hypothecaire leningen van woningen die zich in Nederland bevinden in de
rapportage op te nemen. Deze kleinere scope van de rapportage leidt ertoe dat het
attribuut «land van het residentieel onroerend goed» niet meer nodig is.
Deze interne evaluatie zal dan ook resulteren in een vermindering van het aantal attributen
in de rapportages over hypothecaire leningen van banken voor woningen (bijna 50%)
en zakelijk vastgoed (bijna 70%).
Voor niet-banken is na interne evaluatie geconcludeerd dat alle (32) data-attributen
uit de reguliere uitvraag noodzakelijk zijn. Vanwege de noodzaak tot betere risicobeoordeling
(zoals in relatie tot duurzaamheidsrisico’s) zullen er een zevental data-attributen
worden toegevoegd ten opzichte van de uitvraag. De data-attributen die moeten worden
gerapporteerd worden vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998. Het Besluit
rapportage hypotheekmarkt DNB waarmee het Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998 wordt gewijzigd,
wordt naar verwachting dit voorjaar publiek geconsulteerd via www.internetconsultatie.nl.
Zoals ook uit de memorie van toelichting naar voren komt leidt de voorgestelde rapportageverplichting
er niet toe dat hypotheekverstrekkers extra uitvragen moeten doen aan hypotheeknemers.
De data-attributen die gerapporteerd moeten worden zijn beschikbaar bij de rapportageplichtige
partijen. Indien een data-attribuut niet beschikbaar zou zijn, is er net als onder
de huidige uitvraag de optie om «unknown» te rapporteren. De rapportageverplichting noopt dus niet tot rapportage van gegevens
die niet beschikbaar zijn bij de rapportageplichtige partijen of tot extra uitvragen
bij hun klanten.
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast of toegelicht kan worden wat de toegevoegde
waarde is van dermate veel verzamelde data. Zou eenzelfde resultaat niet eveneens
bereikt kunnen worden met een fors kleinere representatieve steekproef?
Een steekproef geeft niet het noodzakelijke inzicht in risico’s voor de financiële
stabiliteit. Bij een steekproef ontbreekt representativiteit omdat die de diversiteit
van een populatie niet voldoende weerspiegelt. De kwetsbaarheden voor het financiële
stelsel komen daaruit niet op betrouwbare wijze naar voren. Ook is het niet mogelijk
om op basis van steekproeven extreme gebeurtenissen te voorspellen en scenarioanalyses
uit te kunnen voeren. Dergelijke analyses zijn belangrijk voor tijdige risicobeoordeling
in periodes waarin risico’s groeien of veranderen. Juist de beschikbaarheid van gedetailleerde
hypotheekgegevens maakt het mogelijk om opkomende en nieuwe risico’s te relateren
aan de stabiliteit van financiële ondernemingen, bijvoorbeeld door de samenhang van
bepaalde karakteristieken te bezien. Met een periodieke aanlevering van deze gegevens
is het mogelijk om deze risico’s over de tijd te monitoren en te analyseren vanuit
macroprudentieel perspectief. Hierdoor kan DNB tijdig actie ondernemen, bijvoorbeeld
door beleidsmakers, financiële ondernemingen en externe stakeholders te waarschuwen
voor bepaalde ontwikkelingen. Om betrouwbare statistieken over de hypotheekmarkt te
kunnen maken is een dekkingspercentage van 95–98% noodzakelijk. Dat percentage wordt
ook in Europees verband gehanteerd (zie ook paragraaf 2.2 van de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel).
De leden van de SGP-fractie lezen dat het voorliggende wetsvoorstel mede is ingediend
doordat in de huidige systematiek van de rapportageverplichting niet kan worden uitgesloten
dat de gegevens tot personen herleidbaar zijn. Door het onderhavige wetsvoorstel kan
echter een scala aan gegevens worden opgevraagd, zoals leeftijd en toetsingsinkomen
van de leningnemer, vier cijfers van de postcode, energielabel van de woning. Leidt
dit niet juist tot veel grotere kans op herleidbaarheid van persoonsgegevens?
De genoemde gegevens, zoals ook uitvoerig is toegelicht in de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel, zijn voor DNB noodzakelijk om de taken op het gebied van de
financiële stabiliteit en statistiek goed uit te kunnen voeren. Deze gegevens maken
ook onderdeel uit van de uitvragen die onder de huidige uitvraagbevoegdheid worden
gedaan. Juist bij dergelijke gegevens – die op zichzelf niet-herleidbaar zijn maar
gezien de steeds verdergaande digitaliseringsmogelijkheden steeds gemakkelijker te
herleiden zijn naar personen – kan herleidbaarheid niet meer worden uitgesloten. Om
die reden is het verbod op het uitvragen van persoonsgegevens in de huidige regelgeving
niet meer houdbaar (zie ook de beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractie
onder paragraaf 2.1 hierboven en zie tevens paragraaf 2.6 van de memorie van toelichting).
Voorliggend wetsvoorstel is er juist op gericht om de herleidbaarheid naar personen
op basis van de voor DNB noodzakelijke gegevens onmogelijk te maken. Daarom is voorzien
in diverse wettelijke waarborgen. Zo worden de gegevens door de rapportageplichtige
partijen gepseudonimiseerd gerapporteerd aan DNB, zodat de gegevens voor DNB niet
herleidbaar zijn naar individuen. In de voorgenomen wijziging van het Uitvoeringsbesluit
Bankwet 1998 zal worden geborgd dat de pseudonimiseringssleutel niet aan DNB mag worden
verstrekt. Ook wordt daarin bepaald dat DNB niet over mag gaan tot re-identificatie
van de gerapporteerde gepseudonimiseerde gegevens. Voorts zal onder het gewijzigde
Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998 geen geboortedatum meer worden gerapporteerd maar
enkel een geboortejaar. Voor personen jonger dan 25 jaar of ouder dan 87 jaar (die
statistisch minder vaak voorkomen en dus eerder herleidbaar kunnen zijn) zal ook geen
geboortejaar worden gerapporteerd. Voorts worden postcodes beperkt tot vier cijfers
en zal over kleine postcodegebieden (met weinig woningen, waardoor de herleidbaarheid
zou toenemen) niet worden gerapporteerd.
Kan de regering meer in het algemeen reflecteren op de brede uitvraag van persoonsgegevens
in relatie tot de noodzaak van deze uitvraag door de DNB om te voldoen aan de wettelijke
taken? Waarom is er niet veel meer terughoudendheid betracht bij de mate van rapportageverplichtingen?
Zoals ook naar voren komt in de memorie van toelichting wordt de voorgestelde rapportageverplichting
ingericht om te zorgen voor een gedegen grondslag waarmee DNB kan beschikken over
de voor haar statistische en financiële stabiliteitstaak noodzakelijke gegevens. Om
goed te kunnen voldoen aan die taken zijn gedetailleerde gegevens over individuele
hypothecaire leningen onontbeerlijk. Gekozen is voor een rapportageverplichting en
niet voor een uitvraag, omdat daarmee de rechtszekerheid voor de rapportageplichtige
partijen wordt gediend en de proportionaliteit beter bewaakt blijft (zie tevens paragraaf
2.1 van de memorie van toelichting en de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie,
onder paragraaf 2.1 hierboven). Bij het vastleggen van de data-attributen die gerapporteerd
moeten worden wordt zo veel mogelijk terughoudendheid betracht, door stevig in te
zetten op data-minimalisatie en uitsluitend die data-attributen vast te leggen die
essentieel zijn voor DNB om de genoemde taken uit te voeren (zie ook de beantwoording
van de vragen van de VVD-fractie hierboven in deze paragraaf).
In het verlengde van de vorige vragen wijzen de leden van de SGP-fractie op de stevige
kritiek van de Raad van State op dit onderdeel van het wetsvoorstel. Ook de Raad van
State vraagt of een nadere beperking van tot personen herleidbare gegevens niet mogelijk
is. Deze leden vinden de beantwoording op die vragen van de Raad van State door de
regering weinig overtuigend. Zo wordt er gewezen op risico’s van klimaatverandering,
waarbij overstromingen van de Maas worden genoemd. De leden van de SGP-fractie vragen
of dat een brede uitvraag van persoonsgegevens rechtvaardigt. Daarnaast wordt er bijvoorbeeld
gewezen op de noodzaak van het opvragen van het geboortejaar «om kosten van verschillende
beleidsopties in kaart te brengen voor bijvoorbeeld de 30-jaarstermijn voor de hypotheekrenteaftrek
en de afbouw hiervan». Is dat ook een doel van het voorliggende wetsvoorstel? Gaat
dat niet veel verder dan het doel om DNB meer mogelijkheden te geven om aan zijn wettelijke
eisen te voldoen?
Anders dan de leden van de SGP-fractie lijken te veronderstellen, heeft de Raad van
State positief geadviseerd over het wetsvoorstel. De Raad van State wijst op de relatief
grote omvang van de hypotheekschuld in Nederland en de risico’s die daarmee samenhangen
en onderschrijft de noodzaak dat DNB zijn statistische taak en financiële stabiliteitstaak
goed kan uitvoeren. Daarvoor is een goede informatiepositie van DNB onontbeerlijk,
hetgeen wordt geborgd met dit wetsvoorstel, zoals ook is toegelicht in paragraaf 2.1
en 2.2 van de memorie van toelichting. Het advies van de Raad van State waarop de
vragen van de leden van de SGP-fractie zien, vraagt om nadere motivering van de noodzaak
van de data-attributen «geboortejaar», «vier cijfers van de postcode» en «toetsinkomen».
Zoals ook naar voren komt in het nader rapport is in die nadere motivering voorzien
in de memorie van toelichting. Informatie over leeftijd is bijvoorbeeld vereist om
onderscheid te maken tussen starters en doorstromers. Deze twee groepen zijn zowel
relevant voor zowel de statistische taak als de financiële stabiliteitstaak. De statistieken
die DNB maakt over de hypotheekmarkt zijn voor de regering noodzakelijk om goede beleidsafwegingen
te kunnen maken over bijvoorbeeld de eigenwoningregeling.
Ook zijn voornoemde statistieken noodzakelijk om uitvoering te kunnen geven aan moties
van uw Kamer, bijvoorbeeld die waarin wordt gevraagd om monitoring van de leennormen
(zie de motie Flach c.s., zie tevens de beantwoording van de vragen van uw fractie
onder paragraaf 2.2). Dergelijke analyses vereisen informatie over leeftijd: de financieringsnormen
zijn immers afhankelijk van de leeftijd van de leningnemer. Ook inkomenstoetsen hangen
van de leeftijd af. Bij ouderen bepaalt de leeftijd bijvoorbeeld in hoeverre het pensioeninkomen
bij de toets moet worden betrokken.
Ook de vier cijfers van de postcode van een onderpand behorend bij een hypothecaire
lening zijn voor DNB noodzakelijk om de omvang van hypotheken te monitoren en daaruit
belangrijke systeemrisico’s te kunnen analyseren. Hiermee kan DNB de diversificatie
strategieën van banken, beleggingsinstellingen, pensioenfondsen en verzekeraars die
risico lopen vanwege grote lokale blootstellingen (bijvoorbeeld rondom een bepaalde
rivier, of in gebieden vatbaar voor verzakking of in aardbevingsgebied) monitoren
en zorgen dat deze risico’s adequaat worden beheerst. Ook is het dan mogelijk om het
belang en de risico’s in gesecuritiseerde portefeuilles inzichtelijk te maken, bijvoorbeeld
door de geografische afhankelijkheid van hypothecaire leningen binnen gesecuritiseerde
pools te analyseren. Dit inzicht is van belang om de risico’s van hypotheekportefeuilles
te monitoren en die risico’s te kunnen mitigeren met macroprudentiële maatregelen,22 zodat banken, beleggingsinstellingen, pensioenfondsen en verzekeraars voldoende gekapitaliseerd
zijn en schokken geen stabiliteitsrisico’s veroorzaken.23 De recessie van 2008 is bijvoorbeeld mede veroorzaakt door onvoldoende inzicht in
gesecuritiseerde hypotheekproducten.
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering bereid is om de algemene maatregel
van bestuur, waarin de gegevens die opgevraagd mogen worden opgesomd zullen worden,
veel beperkter vorm te geven. Is bij de algemene maatregelen van bestuur op basis
van het onderhavige wetsvoorstel een voor- of nahangprocedure voorzien?
In de voorgenomen wijziging van het Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998 zal een precieze
lijst met data-attributen die moeten worden gerapporteerd worden vastgelegd. Hiermee
wordt een beperking in het aantal te rapporteren data-attributen ten opzichte van
de reguliere uitvraag beoogd. Zoals ook toegelicht bij de beantwoording van de vragen
van de VVD-fractie hierboven, wordt de rapportage over hypothecaire leningen van banken
voor woningen naar verwachting bijna 50% beperkter in omvang ten opzichte van de bestaande
uitvraag en zal bij zakelijk vastgoed de beperking naar verwachting circa 70% zijn.
Er wordt voorzien in alle gebruikelijke processtappen, zoals publieke consultatie
en advisering door de Autoriteit Persoonsgegevens, het Adviescollege Toetsing Regeldruk
en de Raad van State. Ook zal de ECB om een opinie worden gevraagd en zal DNB een
uitvoeringstoets verrichten. Verder zal een invoeringstoets worden gedaan waarmee
een jaar na inwerkingtreding van de verplichting wordt getoetst of de rapportageverplichting
voldoende werkbaar is voor de doelgroep. In voorhang (of nahang) van het wijzigingsbesluit
wordt niet voorzien nu alle hoofdelementen van de rapportageverplichting op wetsniveau
worden vastgelegd. Dit is conform de Aanwijzingen voor de regelgeving (zie aanwijzing
2.19 en 2.35).
§ 2.3 Gesloten systeem voor gebruik, interne deling en verdere verstrekking
De leden van de VVD-fractie lezen dat op grond van de AVG ieder intern verzoek tot
hergebruik van gegevens getoetst wordt. Hoe gaat dit in de praktijk in zijn werk?
De Bankwet 1998 voorziet in artikel 9e, tweede lid, in een grondslag die interne deling
van de gegevens mogelijk maakt met andere organisatieonderdelen van DNB die zich bezighouden
met andere taken, zoals prudentieel toezicht. Er zijn drie voorwaarden voor interne
deling. Interne deling mag ten eerste niet-structureel plaatsvinden, ten tweede uitsluitend
in geanonimiseerde vorm en ten derde alleen als DNB de gegevens ook zelfstandig had
kunnen verkrijgen van de financiële instellingen waarop toezicht wordt uitgeoefend.
Door in dit geval de voor de statistische of financiële stabiliteitstaak verkregen
gegevens intern te delen, wordt tegengegaan dat DNB tweemaal dezelfde gegevens moet
uitvragen. Hiermee is beoogd regeldruk te voorkomen.
Als een ander organisatieonderdeel van DNB een deelverzameling van de gegevens nodig
heeft voor het eigen werkveld moet dat organisatieonderdeel bij de DNB-divisie Statistiek
een aanvraag om interne deling indienen. Granulaire data worden, zoals hiervoor aangegeven,
alleen intern gedeeld in geanonimiseerde vorm. Hierop is de AVG niet van toepassing.
Toch zal steeds getoetst worden op verenigbaarheid en noodzakelijkheid om zeker te
stellen dat het hergebruik past bij het doel waarvoor DNB de gegevens heeft verzameld
en om te voorkomen dat gegevens breder gedeeld worden dan noodzakelijk voor de wettelijke
taken van DNB.
In geval een ander organisatieonderdeel van DNB de divisie Statistiek verzoekt een
analyse uit te voeren voor toezichtdoeleinden op basis van de pseudonieme dataset
is de AVG wel van toepassing. Het betreft dan een verdere verwerking met een ander
doel dan waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verzameld. De AVG verplicht DNB
dan vooraf te toetsen of dit doel verenigbaar is en of de verwerking noodzakelijk
is.
In alle gevallen vindt deze toetsing op verenigbaarheid en noodzakelijkheid vooraf
plaats met een aanvraagformulier dat wordt ingevuld door het aanvragende organisatieonderdeel
en wordt beoordeeld door divisie Statistiek. In de aanvraag moet duidelijk zijn omschreven
op welke gegevens het verzoek ziet en waarom het gebruik van deze gegevens voor de
andere taak noodzakelijk is. De divisie Statistiek toetst de aanvraag aan de hand
van de voorwaarden genoemd in artikel 9e van de Bankwet 1998. Indien aan alle voorwaarden
is voldaan kunnen de gegevens met het andere organisatieonderdeel worden gedeeld om
te worden hergebruikt.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de voorgestelde rapportageverplichting
de huidige Residential Real Estate-uitvraag (RRE), Commercial Real Estate-uitvraag
(CRE) en de Hypotheken Loan Level-data-uitvraag vervangt. Welke overige gegevensuitvragen
voor rapportageplichtige partijen blijven bestaan? Waarom worden deze uitvragen niet
eveneens vervangen of geïntegreerd in het voorgestelde systeem, mede met het oog op
verdere vermindering van regeldruk?
Zoals de leden van de VVD-fractie terecht constateren vervangt de voorgestelde rapportageplicht
inderdaad de genoemde periodieke uitvragen. Op grond van de Bankwet 1998 worden geen
andere periodieke uitvragen gedaan en gelden geen andere rapportageverplichtingen;
wel blijft de huidige uitvraagmogelijkheid ex artikel 9d Bankwet 1998 bestaan om bijvoorbeeld
in incidentele gevallen tegemoet te komen aan informatieverzoeken van het Internationaal
Monetair Fonds (IMF), de Raad voor Financiële Stabiliteit (FSB) en de Bank voor Internationale
Betalingen (BIS).
Zoals ook naar voren komt in paragraaf 3.2 van de memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel kunnen de rapportageplichtige partijen daarnaast verplicht zijn bepaalde
statistische rapportages aan te leveren op basis van EU-verordeningen of ECB-regelgeving.
Aangezien dit Europese wetgeving is met een ander doel dan het wetsvoorstel, is integratie
daarvan in het huidige voorstel niet mogelijk. Daarnaast kunnen rapportageplichtige
partijen op nationaal niveau verplicht zijn bepaalde statistische rapportages aan
te leveren op basis van de Wet financiële betrekkingen buitenland ten behoeve van
de samenstelling van de betalingsbalans van Nederland. Deze wet richt zich niet op
hypotheekleningen en daarom kunnen deze rapportages niet worden geïntegreerd in het
wetsvoorstel.
Ten slotte gelden voor banken en verzekeraars ook rapportageplichten op basis van
de Wft ter implementatie van Europese richtlijnen. Omdat deze toezichtrapportages
op instellingenniveau plaatsvinden en niet op leningniveau, missen zij het detailniveau
dat noodzakelijk is voor de statistische en financiële stabiliteitstaken van DNB.
In geval wel op leningniveau gegevens worden opgevraagd uit hoofde van de toezichttaak,
dan is dat slechts incidenteel en slechts bij een specifieke instelling, waardoor
het geen inzicht biedt in de hypotheekmarkt als geheel en het niet mogelijk is om
ontwikkelingen over meerdere kwartalen of jaren te volgen.24
De leden van de SGP-fractie constateren dat interne deling van gegevens binnen DNB
mogelijk is, maar onder andere alleen op niet-structurele basis. Wat wordt daarmee
precies bedoeld? Waarom is er niet gekozen voor formuleringen als «bij hoge uitzondering»
of «incidenteel». Zijn dat niet meer striktere formuleringen en wordt daarmee niet
meer recht gedaan aan de kritiek van bijvoorbeeld de Raad van State?
Het wetsvoorstel richt zich op de statistische en financiële stabiliteitstaak van
DNB, maar ziet niet op de (microprudentiële) toezichtstaak van DNB ten aanzien van
individuele instellingen. Om die reden is in artikel 9e, tweede lid, opgenomen dat
de gegevens niet structureel – in de zin van systematisch – kunnen worden gedeeld
met andere organisatieonderdelen, zoals het onderdeel van DNB dat toezicht houdt.
Dat is gedaan naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State, die om verduidelijking
vroeg (zie paragraaf 2.2 van de memorie van toelichting en zie het nader rapport).
Het is uiteraard wel van belang dat gegevens kunnen worden gedeeld met het organisatiedeel
van DNB dat belast is met het toezicht wanneer dat relevant is, bijvoorbeeld wanneer
een analyse nodig is voor een het monitoren van een bepaalde trend of de beheersing
van specifieke risico’s. Dit is een van de lessen die DNB uit de financiële crisis
heeft getrokken. Gegevensuitwisseling is soms noodzakelijk om bepaalde risico’s op
macroniveau adequaat te adresseren. De formulering «incidenteel» of «bij hoge uitzondering»
zoals de fractieleden suggereren is dan minder passend. Daarom is voor de term «niet-structureel»
gekozen. Bij interne datadeling gelden bovendien de waarborgen die de wet opsomt;
interne datadeling gebeurt alleen met volledig geanonimiseerde data én het betreffende
organisatieonderdeel moet een wettelijke grondslag hebben waarmee het zelfstandig
dezelfde gegevens op zou kunnen vragen bij de betreffende financiële instelling. Door
in dit geval de voor de statistische of financiële stabiliteitstaak verkregen gegevens
intern te delen, wordt tegengegaan dat DNB tweemaal dezelfde gegevens moet uitvragen.
Op die manier leidt dit voorstel tot lastendrukverlichting (zie ook de beantwoording
van de vragen van de VVD-fractie aan het begin van deze paragraaf).
§ 2.4 Vaststelling rapportageplichtige partijen
De leden van de VVD-fractie lezen dat de rapportageverplichting wordt opgelegd aan
partijen die gezamenlijk veruit het grootste deel van de Nederlandse hypotheekmarkt
bestrijken. Welk deel van de hypotheekmarkt blijft desondanks buiten beeld?
Zoals de leden van de VVD-fractie terecht constateren wordt de rapportageverplichting
uitsluitend opgelegd aan partijen die gezamenlijk veruit het grootste deel van alle
hypothecaire leningen in Nederland in beheer hebben of op de balans hebben staan,
zodat aldus over vrijwel de gehele Nederlandse hypotheekmarkt wordt gerapporteerd.
Verder bestaat het voornemen om vanuit proportionaliteitsoptiek in het Uitvoeringsbesluit
Bankwet 1998 te voorzien in drempelwaarden per rapportageplichtige partij, zodat alleen
partijen met aanzienlijke hypotheekportefeuilles rapportageplichtig worden. Deze uitgangspunten
zorgen ervoor dat met de rapportageverplichting 95% tot 98% van de hypotheekmarkt
inzichtelijk wordt. Dit percentage is noodzakelijk voor representatieve statistieken.
Met de genoemde drempelwaarden wordt voorkomen dat partijen met kleine hypotheekportefeuilles
belast worden met de rapportageverplichting. Deze partijen blijven buiten beeld, maar
kunnen ook worden gemist. Aangezien zij niet beschikken over aanzienlijke hypotheekportefeuilles
dragen zij slechts in geringe mate bij aan de risico’s voor de financiële stabiliteit.
Daarnaast constateren de leden van de VVD-fractie dat bij securitisatie de oorspronkelijke
verstrekker veelal beheerder blijft en de leningen daardoor onder de rapportageverplichting
blijven vallen. In welke gevallen is dit niet zo en welk risico levert dit op voor
de volledigheid van de rapportages?
Indien securitisatie van hypothecaire leningen plaatsvindt, worden verschillende hypothecaire
leningen gebundeld verkocht aan een andere partij die daarna de schuldeiser van de
leningen wordt. De nieuwe schuldeiser is in de regel een «special purpose vehicle» die geen rapportageplichtige entiteit (zoals bank, beleggingsinstelling, pensioenfonds
of verzekeraar) is. Securitisatie betekent een wijziging van schuldeiser, maar meestal
niet van beheerder. De oorspronkelijke verstrekker van de lening (over het algemeen
een rapportageplichtige partij, zoals een bank) blijft in de meeste gevallen de beheerder
van de lening en verzorgt het klantcontact. Omdat rapportageplichtige partijen ook
de rol van «beheerder» rapporteren vallen deze hypothecaire leningen ook na securitisatie
onder de reikwijdte van de rapportageverplichting. In sommige gevallen wordt het beheer
van de hypothecaire leningen bij securitisatie wel overgedragen, bijvoorbeeld aan
een gespecialiseerde dienstverlener die (geen bank, beleggingsinstelling, pensioenfonds
of verzekeraar is en dus) niet onder de rapportageverplichting valt. Dat betekent
dat over een klein deel van alle gesecuritiseerde hypothecaire leningen niet zal worden
gerapporteerd. Dit aandeel is zo beperkt dat het geen gevolg heeft voor de volledigheid
van de rapportage of de kwaliteit of betrouwbaarheid van de daarop gebaseerde statistieken
of analyses. Zoals ook volgt uit paragrafen 2.2. en 2.4 van de memorie van toelichting
wordt beoogd dat een percentage van 95% tot 98% van de hypotheekmarkt onder de rapportageverplichting
valt. Indien het beheer van gesecuritiseerde hypotheken door niet-rapportageplichtige
partijen in de toekomst een grote vlucht neemt en daardoor het inzicht in de hypotheekmarkt
onder druk zou komen te staan, kan worden overwogen een wetswijziging voor te bereiden
om een aanvullende groep dienstverleners (gespecialiseerde servicers) rapportageplichtig
te maken. Op dit moment is dat echter onvoldoende doelmatig.
Voorts lezen de leden van de VVD-fractie dat via drempelwaarden wordt gestreefd naar
een dekkingsgraad van 95 procent tot 98 procent van de hypotheekmarkt. Waarom voldoet
een lager percentage, bijvoorbeeld 50 procent of 70 procent, niet aan het vereiste
van representativiteit? Wat zou een dergelijk lager percentage betekenen voor het
aantal rapportageplichtige partijen en de regeldruk?
Het is voor representatieve en betrouwbare statistieken en analyses noodzakelijk dat
95% tot 98% van de hypotheekmarkt inzichtelijk is. Dit is vergelijkbaar met andere
rapportages, zoals de AnaCredit-rapportage van de ECB, die een dekkingspercentage
van 98% heeft.25 Uit een dekkingspercentage van bijvoorbeeld 50% kunnen geen betrouwbare conclusies
worden getrokken en geen risico-inschattingen worden gemaakt die bruikbaar zijn om
risico’s voor de financiële stabiliteit uit af te leiden. Grote delen van de markt
blijven dan buiten beeld, waardoor ontwikkelingen en risico’s niet goed kunnen worden
waargenomen. Een lager dekkingspercentage zou betekenen dat minder partijen rapportageplichtig
worden. Dat verlaagt de regeldruk voor die individuele instellingen die niet langer
hoeven te rapporteren, maar het gaat ten koste van de kwaliteit van de rapportage
en ten koste van een gelijk speelveld tussen instellingen. Overigens zijn er naar
verwachting slechts 45 rapportageplichtige partijen om een dekkingsgraad van 95–98%
te bereiken.
Ten aanzien van hypothecaire leningen voor zakelijk vastgoed lezen de leden van de
VVD-fractie dat de rapportageverplichting vooralsnog uitsluitend op banken van toepassing
zal zijn. Wat wordt bedoeld met «vooralsnog»? Wanneer verwacht de regering dat andere
partijen relevant worden op dit terrein en op welke wijze wordt dit gemonitord?
In de huidige situatie spelen niet-bancaire partijen geen grote rol bij het verstrekken
van hypothecaire leningen voor zakelijk vastgoed. Mocht dit in de toekomst veranderen
dan is het denkbaar dat de voorgestelde rapportageverplichting ook opgelegd wordt
aan deze partijen. Hun impact op de financiële stabiliteit wordt dan namelijk groter.
Een dergelijke aanpassing van de rapportageverplichting vergt een wijziging van het
wettelijk kader waarvoor alle formele processtappen noodzakelijk zijn.
De leden van de CDA-fractie lezen dat niet alle rapportageplichtige partijen gaan
rapporteren. Bij algemene maatregel van bestuur worden drempelwaarden vastgesteld
voor de omvang van de hypotheekportefeuille van rapportageplichtige partijen waarboven
de rapportageverplichting gaat gelden. Doel van deze drempelwaarden is dat met de
rapportageverplichting 95 procent tot 98 procent van de hypotheekmarkt inzichtelijk
wordt voor DNB, omdat een dergelijk percentage noodzakelijk is voor representatieve
statistieken. Over hypotheken bij kleine instellingen of ouders die hypothecair lenen
aan de kinderen, bijvoorbeeld via hun BV, gaat dan ook (begrijpelijk overigens) nu
niet gerapporteerd worden. Deze leden vragen of de regering wel in beeld heeft hoe
groot die groep nu ongeveer is in percentage van de hypotheekmarkt en of dat invloed
heeft op de representativiteit.
Zoals ook volgt uit paragrafen 2.2. en 2.4 van de memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel en de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie onder paragraaf
2.4 is met de keuze van de rapportageplichtige partijen geborgd dat een percentage
van 95% tot 98% van de hypotheekmarkt onder de rapportageverplichting valt (en daarmee
dus 5% tot 2% buiten beeld blijft). Met de drempels, die naar verwachting worden vastgelegd
bij algemene maatregel van bestuur, wordt verder geborgd dat uitsluitend partijen
met relatief grote hypotheekportefeuilles rapportageplichtig worden. Zodoende worden
partijen met kleinere portefeuilles ontzien. Hun portefeuilles hebben vanwege de beperkte
omvang in verhouding tot de grote portefeuilles geen relevantie voor de statistieken
of de financiële stabiliteit in Nederland. Er is bij DNB geen informatie beschikbaar
over ouders die hun kinderen een hypothecaire lening verstrekken via hun BV. Deze
gegevens vallen buiten de rapportageverplichting.
De leden van de SGP-fractie lezen dat bij algemene maatregel van bestuur drempelwaarden
worden vastgesteld voor de omvang van de hypotheekportefeuille van rapportageplichtige
partijen waarboven de rapportageverplichting gaat gelden. Kan de regering reeds inzicht
geven in deze drempelwaarden? Wat zijn factoren die daarbij van belang zijn?
Het voornemen bestaat om de drempelwaarden voor de omvang van de hypotheekportefeuille
per type rapportageplichtige partij waarboven de rapportageverplichting aangrijpt
vast te leggen in het Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998. Het wijzigingsbesluit hiertoe,
het Besluit rapportage hypotheekmarkt DNB, wordt naar verwachting dit voorjaar publiek
geconsulteerd via www.internetconsultatie.nl. Met de voorziene drempelwaarden wordt geborgd dat een percentage van 95% tot 98%
van de hypotheekmarkt onder de rapportageverplichting zal vallen, wat, zoals hiervoor
omschreven is, noodzakelijk is voor representatieve statistieken en analyse doeleinden.
§ 2.5 Vaststelling en wijze van de te rapporteren gegevens
De leden van de VVD-fractie lezen dat banken de meest uitgebreide gegevensset moeten
aanleveren, maar dat deze set door dataminimalisatie kleiner zal zijn dan onder de
huidige uitvraagbevoegdheid. Voor andere rapportageplichtige partijen geldt een beperktere
set, die op onderdelen juist zal toenemen. Deze leden vragen om een overzichtelijke
vergelijking tussen de huidige en toekomstige gegevenssets, uitgesplitst naar type
rapportageplichtige partij. In welke gevallen wordt de gegevensuitvraag teruggebracht,
in welke gevallen neemt deze toe en waarom.
De gevraagde vergelijking zal onderdeel uitmaken van de regeldrukparagraaf in de toelichting
bij het Besluit rapportage hypotheekmarkt DNB (dat uitwerking zal geven aan de rapportageverplichting
en waarin de drempels worden vastgelegd en daartoe het Uitvoeringsbesluit Bankwet
1998 wijzigt). In onderstaande tabel is een vergelijking opgenomen tussen de huidige
en toekomstige gegevenssets, uitgesplitst naar type rapportageplichtige partij.
Aantallen data-attributen
rapportageplichtige partij
data-attributen onder de reguliere uitvraag
data-attributen onder de rapportageverplichting
banken hypothecaire leningen voor woningen
132
68
banken hypothecaire leningen voor zakelijk vastgoed
134
42
niet-banken voor hypothecaire leningen voor woningen
32
39
Uit de tabel volgt dat het aantal data-attributen in de rapportage voor banken over
hypothecaire leningen voor zakelijk vastgoed afneemt met ruim 2/3 en die over hypothecaire
leningen voor woningen bijna halveert ten opzichte van het aantal onder de uitvraag.
Alle data-attributen zijn beoordeeld op noodzakelijkheid aan de hand van de criteria
genoemd in antwoord op uw vragen in paragraaf 2.2. Voor de rapportage over hypothecaire
leningen voor zakelijk vastgoed zij opgemerkt dat een deel van de afname daarnaast
is veroorzaakt door hergebruik van gegevens uit de Europese AnaCredit-rapportage (zie
ook paragraaf 2.5 van de memorie van toelichting). Voor niet-banken worden op grond
van dezelfde criteria zeven data-attributen aan de rapportage toegevoegd. Deze data-attributen
zijn noodzakelijk om risico’s op de hypotheekmarkt vanuit macroprudentieel perspectief
adequaat te analyseren. Zij bieden aanvullend inzicht in onder meer schuldposities,
vroege aflossingen, het type onderpand en energielabels (mits beschikbaar). De toevoeging
van de marktwaarde van het hypotheekdeel draagt bovendien bij aan consistente en beter
vergelijkbare data.
Daarnaast constateren deze leden dat voor zakelijk vastgoed gebruik wordt gemaakt
van gegevens uit de AnaCredit-rapportage. Kan de regering toelichten hoe wordt voorkomen
dat alsnog dubbele rapportageverplichtingen ontstaan?
De AnaCredit-rapportage bevat een aantal data-attributen over hypothecaire leningen
voor zakelijk vastgoed. Bij het vastleggen van de data-attributen die banken over
zakelijk vastgoed moeten rapporteren op grond van de rapportageverplichting worden
geen data-attributen vastgelegd die hergebruikt kunnen worden uit de AnaCredit-rapportage.
Er ontstaat daarom geen overlap. Mocht in de toekomst de AnaCredit-rapportage worden
uitgebreid met data-attributen die ook zijn vastgelegd onder de rapportageverplichting
dan kan, met de vrijstellingsmogelijkheid zoals opgenomen in het voorgestelde artikel
9dd, de rapportageverplichting tijdelijk even worden «uitgezet» voor deze data-attributen.
Uiteraard ligt het in de rede dat in deze gevallen ook een wijziging van het Uitvoeringsbesluit
Bankwet 1998 zal worden voorbereid die recht doet aan de nieuwe situatie, waarna de
vrijstelling kan worden ingetrokken (zie tevens de artikelsgewijze toelichting van
artikel 9dd). Zodoende wordt nagestreefd dat partijen niet onnodig geconfronteerd
worden met dubbele rapportageverplichtingen.
De leden van de VVD-fractie concluderen daarnaast dat ervoor gekozen is om niet meer
gegevens aan elkaar te koppelen die de overheid al heeft (bijvoorbeeld bij CBS, Belastingdienst
en Kadaster), waardoor nu juist meer gegevens van hypotheekverstrekkers opgevraagd
worden. In hoeverre kan dit ertoe leiden dat hypotheeknemers extra gegevens moeten
verstrekken en wat betekent dit in het algemeen voor ervaren regeldruk?
De leden van de VVD-fractie doelen op de getrapte benadering waarin in de Bankwet
1998 is voorzien voor de huidige uitvraagbevoegdheid. Kernpunt van deze benadering
is dat een deel van de benodigde gegevens reeds aanwezig zou kunnen zijn bij (semi-)overheidsinstellingen
zoals het CBS, de Belastingdienst, het Kadaster en de Kamer van Koophandel. In dergelijke
gevallen zou het efficiënter kunnen zijn die gegevens rechtstreeks daar op te vragen
en alleen een uitvraag door DNB te doen wanneer de bestaande registraties niet toereikend
zijn. Echter, voor de gegevens waarop dit wetsvoorstel ziet en waaruit risico’s van
hypothecaire leningen met woningen en zakelijk vastgoed als onderpand naar voren komen,
blijkt de getrapte benadering niet van toegevoegde waarde. Ook niet bij inzet van
de uitvraagbevoegdheid. De gegevens die CBS, Belastingdienst of Kadaster voorhanden
hebben, zijn niet gericht op risico’s van hypothecaire leningen met woningen en zakelijk
vastgoed als onderpand. Zij kunnen soms beschikken over een enkel attribuut (zoals
een hypotheeksom of de woningwaarde bij aankoop), maar in die gevallen is het vanuit
privacy perspectief voor de betrokken leningnemers meer belastend om die gegevens
te koppelen aan de gegevens waarover de banken en andere rapportageplichtige partijen
beschikken. Het zou namelijk nopen tot koppeling aan een uniek identificerend nummer
van de leningnemer, zoals het BSN (zie hierover ook paragraaf 2.5 van de memorie van
toelichting). De verwerking daarvan door DNB zou een veel groter gevolg voor de persoonlijke
levenssfeer betekenen dan de rapportageverplichting in voorgestelde vorm veroorzaakt.
Een dergelijke getrapte benadering levert voor de rapportageplichtige partijen ook
geen noemenswaardige lastenverlichting op, omdat slechts een zeer beperkt deel van
de attributen voorhanden is bij deze (semi-)overheidsinstellingen.
Gezien het bovenstaande is bij het vormgeven van de voorgestelde rapportageverplichting
afgezien van het inbouwen van dergelijke koppelingen. Zoals ook naar voren komt uit
de beantwoording van de vragen van uw fractie hierboven leidt invoering van de rapportageverplichting
er bovendien vooral toe dat hypotheekverstrekkers minder gegevens aan DNB moeten verstrekken.
Zoals ook uit de beantwoording van de vragen van uw fractie onder paragraaf 2.2 en
in paragraaf 6.1 van de memorie van toelichting naar voren komt, leidt de voorgestelde
rapportageverplichting er evenmin toe dat hypotheekverstrekkers extra uitvragen moeten
doen aan de hypotheeknemers. De data-attributen die gerapporteerd moeten worden zijn
reeds beschikbaar bij de rapportageplichtige partijen. Mocht een data-attribuut om
wat voor reden dan ook toch niet beschikbaar zou zijn bij een rapportageplichtige
partij, dan is er, net als onder de huidige uitvraag, de optie «unknown» te rapporteren. De rapportageverplichting leidt dus niet tot extra uitvragen bij
hypotheeknemers.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er een per rapportageplichtige partij en per
type lening, zo laag mogelijke periodiciteit van de rapportageverplichting wordt vastgelegd
in de algemene maatregel van bestuur. Deze leden vragen wat dit concreet kan betekenen
voor laagste en hoogste frequentie van aanleveren van gegevens en of dat mogelijk
vaker is dan in de huidige situatie van financiële instellingen wordt verwacht.
De periodiciteit van de rapportageverplichting wordt per rapportageplichtige partij
vastgelegd in het Besluit rapportage hypotheekmarkt DNB (dat uitwerking geeft aan
de rapportageverplichting en daartoe het Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998 wijzigt).
Het voornemen is dat banken vier maal per jaar rapporteren en niet-banken één maal
per jaar. In de memorie van toelichting is uiteengezet wat het verschil in periodiciteit
rechtvaardigt. Kort gezegd hebben banken een veel grotere hypotheekportefeuille dan
pensioenfondsen, verzekeraars en beleggingsinstellingen, zodat zij daarmee een grotere
impact op de financiële stabiliteit hebben. De uitvragen die onder de uitvraagbevoegdheid
worden gedaan kennen eenzelfde periodiciteit. Die periodiciteit is echter niet wettelijk
vastgelegd, waardoor uitvragen theoretisch frequenter zouden kunnen plaatsvinden.
Dat zou onder de rapportageverplichting niet kunnen zonder een wijziging van de algemene
maatregel van bestuur en het doorlopen van alle daarvoor gebruikelijke processtappen
zoals publieke consultatie en advisering door de Autoriteit Persoonsgegevens, het
Adviescollege Toetsing Regeldruk en de Raad van State. Het vastleggen van de periodiciteit
zorgt derhalve voor meer rechtszekerheid bij de rapportageplichtige partijen.
Ook vragen de leden van de CDA-fractie of bepaalde data-attributen naar verwachting
geautomatiseerd kunnen worden verzameld door rapportageplichtigen of dat dit mogelijk
een hoge administratieve last is.
In de toelichting van het voorgenomen Besluit rapportage hypotheekmarkt DNB (dat uitwerking
geeft aan de rapportageverplichting en daartoe het Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998
wijzigt) zullen de regeldrukeffecten van de rapportageverplichting worden uitgewerkt
en becijferd. Daarin wordt inderdaad uitgegaan van het geautomatiseerd verzamelen
van de gegevens uit interne databronnen bij een rapportageplichtige partij. Onder
de huidige uitvraagbevoegdheid verzamelen de partijen de gegevens ook geautomatiseerd.
Er zal in voornoemd besluit rekening worden gehouden met de kosten om een dergelijk
systeem te bouwen (voor nieuwe partijen), aan te passen (voor bestaande partijen)
en te onderhouden (voor alle partijen).
§ 2.6 Waarborgen bij verwerking van gegevens
De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel waarborgen bevat zoals
pseudonimisering, een verbod op re-identificatie en een bewaartermijn van 12 jaar.
Hoe wordt gecontroleerd dat DNB niet overgaat tot re-identificatie van gegevens? Welke
sancties gelden bij overtreding van dit verbod?
Zoals toegelicht bij de beantwoording van de vragen van uw fractie in paragraaf 2.3
is voor gebruikers van de gegevens voorzien in maatregelen om te zorgen dat geen re-identificatie
van de gegevens plaatsvindt. Allereerst is uitsluitend een zeer selecte groep medewerkers
geautoriseerd en bevoegd om inzicht te verkrijgen in de gehele gegevensset. Dit wordt
in een gebruikersbestand bijgehouden. Deze medewerkers worden onderworpen aan restricties
bij gebruik van de gegevens. Zij moeten voordat ze toegang krijgen verklaren dat ze
zich bewust zijn van het verbod op re-identificatie en geen handelingen uitvoeren
die daarmee strijdig zijn. Re-identificatie kan een vermoeden tot een integriteitschending opleveren. Dat kan aanleiding zijn tot een bijzonder onderzoek. Als blijkt
dat een medewerker de wet of de interne regels van DNB heeft overtreden kan dat aanleiding
zijn om een sanctie op te leggen in lijn met de Sanctieprocedure bij overtreding regelgeving DNB. Er kan dan tevens sprake zijn van een datalek omdat re-identificatie moet worden
beschouwd als een ongeoorloofde toegang tot persoonsgegevens. De Privacy Office van
DNB zal dan beoordelen of het datalek moet worden gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens,
die kan overgaan tot het doen van een onderzoek en tot handhaving. Tevens wordt beoordeeld
of melding aan betrokkenen noodzakelijk is.
Ten aanzien van de bewaartermijn lezen de leden van de CDA-fractie dat na het verstrijken
van 12 jaar de gegevens zodanig bewerkt worden dat deze zelfs na koppeling met andere
bronnen niet meer herleid zouden kunnen worden tot individuen, waardoor betrokkenen
niet meer identificeerbaar zijn. Deze leden vragen de regering waarom niet wordt gekozen
voor verwijderen van gegevens, zodat je zeker weet dat er nooit alsnog op een onbehoorlijke
manier mee omgegaan kan worden.
Na het verstrijken van 12 jaar worden de gegevens zodanig bewerkt dat deze zelfs na
koppeling met andere bronnen niet meer herleid zouden kunnen worden tot personen,
waardoor betrokkenen op geen enkele wijze meer identificeerbaar zijn. Zo kunnen de
postcodes worden teruggebracht naar twee cijfers en geboortejaren in leeftijdsgroepen
ingedeeld. Na het anonimiseren van de gegevens is de AVG niet meer van toepassing
op deze gegevens. De geanonimiseerde set gegevens is echter nog steeds belangrijk,
bijvoorbeeld voor het doen van macro-analyses van ontwikkelingen die meer dan 12 jaar
van elkaar verwijderd zijn. Zo kunnen ontwikkelingen in verder uit elkaar liggende
perioden op macroniveau met elkaar worden vergeleken. Dergelijke macro-analyses en
vergelijkingen zijn te maken met de gegevens nadat ze geanonimiseerd zijn. Ook kunnen
de gegevens nog belangrijk zijn om eerder uitgevoerde onderzoeken te kunnen valideren.
Het doel van de dataverzameling is onder meer het monitoren van de financiële stabiliteit
over de tijd en het tijdig signaleren van risico-opbouw. Daarvoor is het noodzakelijk
om ontwikkelingen in schuldposities van bepaalde groepen huishoudens over de tijd
te kunnen volgen. Het geheel verwijderen van data beperkt DNB in het uitvoeren van
lange termijn analyses en historische vergelijkingen.
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering precies kan toelichten waarom is
gekozen voor een bewaartermijn van 12 jaar? Waarom volstaat een kortere periode niet?
De woningmarkt en de hypothecaire kredietverlening ontwikkelen zich over meerdere
jaren en kennen duidelijke cyclische patronen van stijging en daling. Om deze ontwikkelingen
goed in samenhang te kunnen analyseren is een langere bewaartermijn nodig. Met een
korte bewaartermijn kunnen dergelijke meerjarige ontwikkelingen niet adequaat worden
gevolgd.
Daarnaast kunnen risico’s voor financiële stabiliteit zich geleidelijk opbouwen, divers
van aard zijn en pas na verloop van tijd zichtbaar worden. Met een langere bewaartermijn
kunnen risico’s beter worden geduid en kan, waar nodig, teruggekeken worden naar onderliggende
oorzaken die in het verleden zijn ontstaan. Naar aanleiding van het advies van de
AP is de initiële bewaartermijn van de dataset verkort van 15 naar 12 jaar.26 Na deze periode worden de gegevens geanonimiseerd bewaard. Hiermee wordt een balans
geboden tussen het belang van gegevensbescherming en het kunnen uitvoeren van analyses
in het kader van de statistische en financiële stabiliteitstaak.
Daarnaast lezen de leden van de SGP-fractie dat de gegevens na 12 jaar zodanig bewerkt
worden dat deze zelfs na koppeling met andere bronnen niet meer herleid zouden kunnen
worden tot individuen, waardoor betrokkenen niet meer identificeerbaar zijn. Dat roept
ten eerste de vraag op of dat in de 12 jaar daarvoor wel mogelijk is. Daarnaast vragen
deze leden hoe deze bewerking precies plaatsvindt. Waarom wordt er niet voor gekozen
om deze gegevens te vernietigen? Aangezien de gegevens niet worden vernietigd en zelfs
nog worden gebruikt, is er dan geen sprake van een veel langere (wellicht zelfs onbeperkte)
bewaartermijn? Waarom worden de gegevens na een bepaalde periode niet vernietigd?
Klopt het dat het voorliggende wetsvoorstel daaraan geen eisen stelt?
Zoals aangegeven in paragraaf 2.2 onder een eerdere vraag van uw fractie, is het door
de toegenomen digitale mogelijkheden om gegevens aan elkaar te koppelen inderdaad
niet meer uit te sluiten dat gegevens te herleiden zijn tot personen. Om die reden
kent het wetsvoorstel tal van waarborgen waardoor DNB de noodzakelijke gegevens zorgvuldig
en zonder risico op herleidbaarheid naar personen kan verwerken. Zoals ook naar voren
komt uit de beantwoording van de vragen van de CDA-fractie hierboven, worden de gegevens
na het verstrijken van 12 jaar zodanig bewerkt dat deze zelfs na koppeling met andere
bronnen niet meer herleidbaar zouden kunnen zijn tot personen, waardoor betrokkenen
op geen enkele wijze meer identificeerbaar zijn. Na het anonimiseren is de AVG niet
meer van toepassing op deze gegevens, omdat er geen enkele relatie meer te leggen
is naar personen. Restricties met betrekking tot de bewaartermijn voor dergelijke
gegevens zijn dan ook niet nodig vanuit gegevensbeschermingsoptiek. Voor de vraag
hoe de gegevens worden geanonimiseerd en waarom vernietiging van de geanonimiseerde
gegevens niet aan de orde is, wordt verwezen naar de beantwoording van vraag van de
CDA-fractie hieromtrent aan het begin van deze paragraaf.
§ 3. Verhouding met ander recht
§ 3.1 Overig internationaal recht
De leden van de VVD-fractie nemen kennis van de toelichting dat het Europese recht
een nationale rapportageverplichting niet in de weg staat. Welke toekomstige Europese
ontwikkelingen worden voorzien die van invloed kunnen zijn op het voorliggende wetsvoorstel?
Binnen het Eurosysteem wordt nagedacht over een rapportageraamwerk waarin verschillende
bestaande en nieuwe rapportages van banken worden geïntegreerd (het zogeheten IReF,
het «integrated reporting framework»). Dit rapportageraamwerk zal worden gebaseerd op artikel 5.1 van de statuten van
het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank en Verordening
(EG) nr. 2533/9827. De details van dit besluit van de Europese Centrale Bank liggen echter nog niet
vast en naar verwachting zal dit raamwerk pas na 2029 in werking treden, na goedkeuring
door de Governing Council van de Europese Centrale Bank. Op dit moment is nog niet duidelijk of en in hoeverre
het IReF van invloed zal zijn op het voorliggende wetsvoorstel.28
Daarnaast lezen deze leden dat bij eventuele dubbele aanlevering van data-attributen
in de toekomst kan worden bezien of doorgifte de voorkeur verdient. Waarom is er niet
voor gekozen om reeds nu een wettelijke grondslag te creëren die deze (toekomstige)
doorgifte mogelijk maakt?
In paragraaf 3.3 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is uiteengezet
of er sprake is van samenloop met andere nationale wetgeving. Hierin is ingegaan op
het wetsvoorstel Wet toezicht rapportage van de AFM. Op dit moment is de verwachting
dat de gegevensset onder dat voorstel niet overeenkomt met die van het voorliggende
wetsvoorstel, mede gezien het verschil in doelstelling en rapportageplichtige partijen.
Het is daarom op dit moment niet opportuun om een grondslag voor doorgifte van gegevens
te creëren; bovendien is het zeer de vraag of eventuele doorgifte van bepaalde gegevens
voor rapportageplichtige partijen tot minder lastendruk zal leiden. Als er al sprake
zal zijn van overlap, zal het slechts een klein gedeelte van de te leveren gegevens
betreffen. Mocht dit scenario zich in de toekomst voordoen, dan zal in overleg met
de sector bezien worden wat de voorkeur heeft.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Europese wetgever niet heeft voorzien in
een rapportageverplichting ten aanzien van gegevens met betrekking tot hypothecaire
leningen aan de centrale bank in het kader van statistiek en financiële stabiliteit.
Deze leden vragen of de regering inzicht heeft in hoe in andere landen deze taak door
de centrale bank wordt uitgevoerd. Deze leden vragen hoe strikt Nederland hierin is
in relatie tot andere landen en waarom de regering dit verdedigbaar/verstandig acht.
Zoals toegelicht in de beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractie
onder paragraaf 2.1 verschilt de wijze waarop centrale banken inzicht verkrijgen in
hun hypotheekmarkten per land. Toezichthouders en centrale banken maken daarbij gebruik
van verschillende bronnen, zoals kredietregisters, toezichtrapportages en in sommige
landen aanvullende periodieke gegevensverzamelingen. Binnen de Europese Unie bestaat
geen geharmoniseerde rapportageverplichting voor hypothecaire leningen ten behoeve
voor statistiek en financiële stabiliteit. Dit komt doordat de hypotheekmarkt per
land sterk verschilt, waardoor het maken van uniforme standaarden moeilijk uitvoerbaar
is.
Tegen deze achtergrond geven lidstaten, binnen het Europeesrechtelijke kader, op nationaal
niveau invulling aan de informatievoorziening ten behoeve van de uitvoering van de
wettelijke taken door de nationale centrale bank. Nederland sluit hiermee aan bij
de praktijk in andere landen met een grote en systeemrelevante hypotheekmarkt. Voorbeelden
hiervan zijn Ierland en het Verenigd Koninkrijk, waar eveneens gekozen is voor een
nationale inrichting van een meer gedetailleerde nationale gegevensverzameling.
Zoals toegelicht in paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting in het wetsvoorstel
heeft de Nederlandse hypotheekmarkt specifieke kenmerken in vergelijking met die van
andere lidstaten. Daarnaast is Nederland relatief gevoelig voor duurzaamheidsrisico’s
vanwege de lage geografische ligging en spelen ontwikkelingen zoals renteveranderingen,
vergrijzing en krapte op de woningmarkt een belangrijke rol. Deze kenmerken brengen
relatief grotere risico’s voor de financiële stabiliteit met zich mee in relatie tot
andere lidstaten. Het monitoren van risico’s en het mitigeren ervan op basis van gedetailleerde
gegevens is dan ook juist in Nederland zeer noodzakelijk.
§ 3.2 Overig nationaal recht
De leden van de VVD-fractie lezen dat in de memorie van toelichting wordt erkend dat
er overlap kan ontstaan met andere rapportageverplichtingen, zoals die van de AFM.
Hoe wordt voorkomen dat rapportageplichtige partijen meermaals dezelfde gegevens moeten
aanleveren? Is overwogen om een wettelijke grondslag voor gegevensdoorgifte op te
nemen om regeldruk te beperken?
Bij totstandkoming van het onderhavige wetsvoorstel is overwogen om een wettelijke
grondslag voor gegevensverstrekking aan bijvoorbeeld de AFM op te nemen. Mede naar
aanleiding van het advies van het Adviescollege Toetsing Regeldruk is bezien of doorgifte
zou leiden tot lastenvermindering. Dat bleek echter nauwelijks het geval (zie ook
de beantwoording van de vragen van uw fractie onder paragraaf 3.2). De doorgiftemogelijkheden
zijn mede naar aanleiding van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens en het
gesloten systeem van de Bankwet 1998, in het belang van zorgvuldige gegevensbescherming,
beperkt (zie paragrafen 2.3, 3.3 en 6.2 van de memorie van toelichting). Ook de consultatiereacties
van rapportageplichtige partijen hebben het belang van gegevensbescherming onderstreept.
Daarbij hebben de rapportageplichtige partijen verzocht om te waarborgen dat persoonsgegevens
niet verder worden verstrekt (bijvoorbeeld aan de AFM). Het belang van deugdelijke
gegevensbescherming weegt in dit geval zwaarder dan de lasten die dubbel aanleveren
van enkele data-attributen met zich zou kunnen brengen.
§ 5. Gevolgen van het wetsvoorstel
§ 5.1 Bedrijfseffecten
De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre partijen voorbereidingstijd krijgen
om zich voor te bereiden op de inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel
en in hoeverre er vooraf met hen gesproken is over dit voorstel.
Partijen die vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet rapportageplichtig zijn
(omdat de omvang van hun hypotheekportefeuille de op hen van toepassing zijnde drempel
overstijgt, zie tevens de beantwoording van de vragen van de SGP-fractie onder paragraaf
2.4) krijgen vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet 12 maanden de tijd om
te voldoen aan de rapportageverplichting. Deze implementatieperiode zal worden vastgelegd
in het Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998. Voornoemde termijn is in overleg met de sector
bepaald. Voor partijen die in de toekomst onder de drempel komen te vallen, wordt
eveneens beoogd om in het Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998 een implementatieperiode
van 12 maanden op te nemen.
§ 5.2 Regeldrukeffecten
De leden van de VVD-fractie vragen of verder gespecificeerd kan worden wat ermee bedoeld
wordt dat regeldrukkosten «een fractie» kunnen stijgen. Wat voor extra regeldrukkosten,
zowel incidenteel als structureel, worden verwacht?
In de toelichting op het voorgenomen Besluit rapportage hypotheekmarkt DNB (dat uitwerking
geeft aan de rapportageverplichting en daartoe het Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998
wijzigt) zal uitvoerig worden ingegaan op de regeldrukgevolgen van de rapportageverplichting.
Deze algemene maatregel van bestuur wordt naar verwachting dit voorjaar publiek geconsulteerd
via www.internetconsultatie.nl. Hierin zal uiteen worden gezet dat de structurele regeldrukkosten van banken naar
verwachting substantieel zullen afnemen als gevolg van de invoering van de rapportageverplichting
(met circa 50% voor de rapportage over woninghypotheken en met circa 70% voor de rapportage
over zakelijk vastgoed). Voor niet-banken (pensioenfondsen, verzekeraars en beleggingsinstellingen)
blijven de structurele regeldrukkosten naar verwachting vrijwel gelijk. Vanwege het
feit dat er (ten opzichte van de huidige uitvraag) enkele data-attributen worden toegevoegd
voor deze partijen, werd in de memorie van toelichting uitgegaan van de mogelijkheid
dat de regeldrukkosten voor deze partijen als gevolg van deze toevoeging «een fractie»
zouden kunnen stijgen. Er wordt echter geen stijging van de structurele regeldrukkosten
voor deze partijen verwacht, wel een beperkte eenmalige regeldruk (omdat bestaande
systemen om de gegevens intern te verzamelen moeten worden aangepast vanwege de toegevoegde
data-attributen). Daar staat tegenover dat de rapportageverplichting ook voor deze
partijen zorgt voor rechtszekerheid met betrekking tot de grondslag voor het verwerken
van persoonsgegevens en de bijbehorende waarborgen maar ook over de omvang van de
rapportage. Deze zaken maken de gegevensoverdracht proportioneler en werkbaarder en
dragen dus positief bij aan vermindering van ervaren regeldruk.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering weinig tot geen extra regeldruk
verwacht en in sommige gevallen zelfs regeldrukvermindering voorziet. Echter zal hier
bij de uitwerking van de algemene maatregel van bestuur pas definitief een oordeel
over te geven zijn. Deze leden vragen wat de gevolgen zijn als dit in de verdere uitwerking
toch tegen blijkt te vallen. Deze leden vragen of de regering bereid is als doelstelling
mee te nemen dat het voorliggende wetsvoorstel de regeldruk over de gehele breedte
vermindert.
Een van de uitgangspunten van het wetsvoorstel is regeldrukvermindering voor de rapportageplichtige
partijen. Mede vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en lastenbeperking voor de rapportageplichtige
partijen is ervoor gekozen om op het niveau van een algemene maatregel van bestuur
vast te leggen welke data-attributen gerapporteerd moeten worden (zie ook de beantwoording
van de vragen van de VVD-fractie onder paragraaf 2.1). Dat heeft als voordeel dat
(anders dan onder de uitvraag) de data-attributen voor langere tijd vastliggen. Bovendien
is het principe van dataminimalisatie strikt toegepast. Voor banken zal het aantal
te rapporteren data-attributen voor hypothecaire leningen voor woningen naar verwachting
met circa 50% afnemen. Voor zakelijk vastgoed zal het aantal data-attributen dat moet
worden gerapporteerd zelfs met circa 70% afnemen. Voor niet-banken neemt het aantal
data-attributen iets toe (met enkele data-attributen) maar dat heeft geen gevolgen
voor de structurele regeldruk, wel geeft dat beperkte eenmalige regeldruk (omdat bestaande
systemen om de gegevens intern te verzamelen vanwege de toegevoegde data-attributen
moeten worden aangepast). Zoals in de beantwoording van vraag hiervóór van de VVD-fractie
reeds uiteen is gezet, staat tegenover de beperkte stijging van de eenmalige regeldruk
dat de rapportageverplichting ook leidt tot meer rechtszekerheid met betrekking tot
de grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens en de bijbehorende waarborgen
en over de omvang van de rapportage. Deze zaken maken de gegevensoverdracht proportioneler
en werkbaarder voor deze partijen. In het Besluit rapportage hypotheekmarkt DNB (dat
uitwerking geeft aan de rapportageverplichting en daartoe het Uitvoeringsbesluit Bankwet
1998 wijzigt) worden de regeldrukkosten toegelicht. Het besluit wordt naar verwachting
dit voorjaar publiek geconsulteerd via www.internetconsultatie.nl.
§ 6. Advies en consultatie
§ 6.1 Openbare consultatie
De leden van de VVD-fractie constateren dat de rapportageverplichting naar verwachting
circa 50 partijen zal raken. Kan de regering een totaalbeeld schetsen van de structurele
regeldruk en uitvoeringskosten voor deze partijen, mede in vergelijking met de huidige
situatie?
Er wordt op dit moment vanuit gegaan dat 45 partijen rapportageplichtig worden onder
het wetsvoorstel; dat zijn twee partijen meer dan onder de huidige uitvraagbevoegdheid.
Dit komt in de eerste plaats doordat banken ook gaan rapporteren als hun niet-bancaire
dochterondernemingen met zetel in Nederland zelfstandig voldoen aan de drempelwaarde
die voor banken zelf geldt. Daarnaast wordt de rapportageverplichting ook opgelegd
aan banken en verzekeraars met zetel buiten Nederland als de hypothecaire leningen
voor woningen worden verstrekt via een in Nederland gelegen bijkantoor dat de drempelwaarde
bereikt. Het gaat in beide gevallen om substantiële hypotheekportefeuilles, er worden
dezelfde drempelwaarden gehanteerd als voor banken en verzekeraars zelf. Dergelijke
substantiële portefeuilles kunnen niet gemist worden voor representatieve statistieken.
Hiermee wordt bovendien zoveel mogelijk een level playing field nagestreefd voor de rapportagelast binnen de Nederlandse hypotheekmarkt.
Voor een totaalbeeld van de incidentele en structurele regeldruk voor deze partijen,
mede in vergelijking met de huidige situatie, wordt verwezen naar de toelichting op
het Besluit rapportage hypotheekmarkt DNB (dat uitwerking geeft aan de rapportageverplichting
en daartoe het Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998 wijzigt). In de toelichting op deze
algemene maatregel van bestuur zal uitvoerig worden ingegaan op de regeldrukgevolgen
van de rapportageverplichting.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er geen gehoor wordt gegeven aan het verzoek
van de NVB en DUFAS om toevoeging van een horizonbepaling op grond waarvan de rapportageverplichting
vervalt of wordt heroverwogen, bijvoorbeeld zodra toekomstige ontwikkelingen ertoe
leiden dat (delen van) de benodigde gegevensset onderdeel uit gaan maken van bijvoorbeeld
een Europese statistische uitvraag. Ondanks dat inderdaad nu niet op voorhand duidelijk
is of dergelijke Europese regelgeving er komt, en zo ja, in hoeverre dan sprake is
van overlap met de onderhavige rapportageverplichting, kan het opnemen van een dergelijke
horizonbepaling in de ogen van deze leden ook geen kwaad en disciplineert het ook
om scherp te blijven op de ontwikkelingen met betrekking tot rapportageverplichtingen
en kansen tot verlagen van regeldruk. Deze leden vragen of de regering alsnog bereid
is een dergelijke horizonbepaling toe te voegen.
Een horizonbepaling heeft tot gevolg dat de wet na verloop van een bepaalde periode
komt te vervallen, tenzij bij wet geregeld wordt dat deze voortduurt. Het opnemen
van een dergelijke bepaling zou op dit moment niet effectief zijn, nu er geen enkele
aanwijzing is dat er op voorzienbare termijn Europese regelgeving komt die voorziet
in granulaire rapportages over hypothecaire leningen. Pas wanneer die aanwijzingen
er wel zouden zijn en duidelijk is in hoeverre sprake zou zijn van overlap met de
onderhavige rapportageverplichting, zou het heroverwegen van de rapportageverplichting
aan de orde zijn. Mochten toekomstige ontwikkelingen de rapportageverplichting (gedeeltelijk)
overbodig maken, zal de rapportageverplichting zo snel mogelijk worden ingetrokken
of aangepast om dubbele lasten te voorkomen. Om op dergelijke ontwikkelingen snel
te kunnen inspelen is voorzien in een vrijstellingsmogelijkheid bij ministeriële regeling.
Hiermee kan de rapportageverplichting tijdelijk worden «uitgezet» totdat een aanpassing
van het wettelijk kader is doorgevoerd. Daarmee wordt beoogd ervoor te zorgen dat
partijen niet onnodig geconfronteerd worden met de rapportageverplichting bijvoorbeeld
als die voor dubbele lasten zorgt. Het is nadrukkelijk alleen mogelijk partijen vrij
te stellen. Voor situaties waarbij het nodig is de rapportageverplichting op te leggen
aan meer partijen of andere partijen kan de vrijstellingsregeling niet worden gebruikt
(zie ook memorie van toelichting, artikelsgewijze deel, Artikel I, onderdeel A, over
het voorgestelde artikel 9dd van de Bankwet 1998, en zie ook de beantwoording van
de vragen van de leden van de VVD-fractie onder paragraaf 2.5).
De Minister van Financiën,
E. Heinen
Ondertekenaars
E. Heinen, minister van Financiën