Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026 (Kamerstuk 21501-32-1792)
2026D23054 Inbreng verslag van een schriftelijk overleg
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben
de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de Geannoteerde
agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-32, nr.1792).
De voorzitter van de commissie,
Steen
Adjunct-griffier van de commissie,
Bosman
Inhoudsopgave
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de FvD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II Antwoord / Reactie van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
III Volledige agenda
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de agenda van de
formele Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden willen in het bijzonder
stilstaan bij het vraagstuk van de beschikbaarheid en betaalbaarheid van meststoffen,
omdat dit vraagstuk naar hun oordeel niet alleen een economisch, maar ook een fundamenteel
strategisch karakter heeft. De Europese landbouw staat voor grote uitdagingen: klimaatverandering,
biodiversiteitsverlies en geopolitieke spanningen ondermijnen op termijn de voedselzekerheid
op ons continent. De huidige prijsstijgingen van kunstmest, mede veroorzaakt door
verstoringen in de energiemarkt en de handelsroutes rond de Straat van Hormuz, laten
zien hoe kwetsbaar ons voedselsysteem is wanneer het sterk leunt op importen van buiten
de Europese Unie (EU). Deze leden zijn dan ook blij dat de Europese Commissie (EC)
op 19 mei 2026 een actieplan voor meststoffen heeft gepresenteerd en dat het kabinet
werk maakt van maatregelen om de directe problemen te verzachten. Tegelijk hopen zij
dat dit moment ook wordt aangegrepen om de koers voor de langere termijn te bepalen.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister hoe hij het actieplan van de EC beoordeelt
en in hoeverre de daarin opgenomen maatregelen, zoals steun aan boeren, versterking
van de Europese productie, precisielandbouw en de ontwikkeling van biobased en lage-CO₂-meststoffen,
aansluiten bij de Nederlandse inzet. Deze leden vragen ook of de Minister van mening
is dat dit actieplan voldoende ambitie toont voor de middellange en lange termijn,
of dat aanvullende stappen nodig zijn.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de discussie over een mogelijke
tijdelijke uitzondering op de Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM)-heffing voor
geïmporteerde kunstmest. Deze leden begrijpen dat hoge inputkosten druk leggen op
boeren, maar vragen de Minister hoe hij aankijkt tegen het risico dat een tijdelijke
vrijstelling de prikkel wegneemt om te investeren in duurzamere alternatieven zoals
Renure en de Europese kunstmestindustrie te versterken. Welk effect heeft deze vrijstelling
op Europese kunstmestproducenten? Zij vragen voorts of de Minister het voorstel van
rapporteur Canfin in het Europees parlement (EP) kent en hoe hij dit idee waardeert
als mogelijke brug tussen klimaatambities en de bestaanszekerheid van boeren. Is de
Minister het met deze leden eens dat het terugvloeien van de gelden niet alleen direct
naar het boerenerf is, maar ook wordt ingezet om duurzamer alternatieven te stimuleren,
zoals meer grondgebonden landbouw?
De leden van de D66-fractie wijzen erop dat Europa voor een aanzienlijk deel afhankelijk
is van import van kalium- en fosfaatmeststoffen uit Rusland en Belarus en dat ook
de afhankelijkheid van energie en diervoeder uit het buitenland de weerbaarheid van
ons voedselsysteem beperkt. Deze leden vragen de Minister hoe hij deze geopolitieke
kwetsbaarheid weegt in de Nederlandse inzet bij de Raad en welke concrete stappen
Nederland bepleit om de strategische autonomie van de EU op het gebied van meststoffen
te vergroten. Zij vragen ook of de Minister bereid is om bij de Raad te pleiten voor
een ambitieuzer diversificatiebeleid waarbij de EU actief inzet op alternatieve bronnen
en het verminderen van importafhankelijkheid op de lange termijn.
De leden van de D66-fractie zijn ervan overtuigd dat de structurele oplossing voor
de mestproblematiek, de geopolitieke kwetsbaarheid en de uitdagingen op natuur hand
in hand gaat met de omschakeling naar een meer grondgebonden landbouw. Wanneer de
hoeveelheid vee beter in balans is met het eigen landareaal, verminderen niet alleen
de uitstoot van stikstof en broeikasgassen, maar ook de afhankelijkheid van geïmporteerd
diervoeder en kunstmest. Deze leden vragen de Minister hoe hij de relatie ziet tussen
de kortetermijnmaatregelen rond mestbeschikbaarheid en de langetermijnambitie voor
een grondgebonden landbouwsysteem. Zij vragen ook of de Minister van mening is dat
het actieplan van de EC voldoende aandacht besteedt aan deze structurele omslag, of
dat hier aanvullend beleid voor nodig is.
De leden van de D66-fractie willen in dit verband een concreet instrument uitlichten,
Renure: kunstmestvervangers geproduceerd uit dierlijke mest. Deze technologie biedt
een aantrekkelijk perspectief, omdat zij tegelijk de druk op de kunstmestmarkt vermindert,
de kringloop van nutriënten sluit en de afhankelijkheid van geïmporteerde meststoffen
terugdringt. Tegelijkertijd hebben deze leden ook zorgen bij het uitrollen van Renure,
omdat dit alleen bijdraagt aan een grondgebonden kringlooplandbouw als dit onder de
juiste voorwaarden wordt toegepast. In tegenstelling tot bijvoorbeeld kunstmest dat
buiten de mestnorm valt. Deze leden vragen de Minister of Renure een expliciete plek
krijgt in het Europese actieplan voor meststoffen en hoe de Europese regelgeving op
dit punt zich ontwikkelt. Zij hechten eraan dat de regelgeving voor Renure zodanig
wordt vormgegeven dat het middel echt bijdraagt aan grondgebondenheid en niet verworden
tot een omweg om de mestoverschot problematiek te verdoezelen. Zij vragen de Minister
hoe hij borgt dat de normen voor RENURE streng genoeg zijn om dit te garanderen, maar
tegelijk voldoende werkbaar om innovatie en praktijkadoptie te stimuleren.
De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van precisielandbouw en innovatie
als middelen om het gebruik van meststoffen te verminderen zonder de productiviteit
te schaden. Nederland heeft op dit vlak een sterke kennispositie. Deze leden vragen
de Minister op welke manier Nederland deze expertise inbrengt in de Europese discussie
over het actieplan voor meststoffen en hoe hij borgt dat de Europese aanpak voldoende
ruimte biedt voor vernieuwing en de toepassing van biobased alternatieven. Zij vragen
tot slot of de Minister mogelijkheden ziet om de bestaande kennis en technologie op
het gebied van duurzame meststoffen en kringlooplandbouw beter te benutten als onderdeel
van de Europese strategie voor strategische autonomie en voedselzekerheid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken aangaande de Landbouw-
en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden hebben hierover een aantal opmerkingen
en vragen.
Europees mestbeleid, beschikbaarheid en betaalbaarheid van meststoffen
De leden van de VVD-fractie zien dat Europese boeren opnieuw worden geraakt door geopolitieke
onrust en stijgende kosten. Waar eerder de energiecrisis en de oorlog in Oekraïne
tot forse kunstmestprijsstijgingen leidden, zorgen spanningen in het Midden-Oosten
opnieuw voor onzekerheid over beschikbaarheid en betaalbaarheid van meststoffen. Tegelijkertijd
staat op de agenda van de Landbouw- en Visserijraad het Europese actieplan voor meststoffen,
gericht op ondersteuning van landbouwers en het versterken van veerkrachtige voedselsystemen.
De leden van de VVD-fractie vinden dat Europa hier niet passief kan toekijken. Boeren
moeten kunnen beschikken over betaalbare productiemiddelen, zonder dat voedselproductie
in Europa verder onder druk komt te staan. Strategische autonomie betekent immers
ook voedselzekerheid. Daarom hebben deze leden de volgende vragen aan de Minister.
Hoe beoordeelt de Minister de berichten dat de EC werkt aan aanvullende steunmaatregelen
om boeren te beschermen tegen oplopende kunstmestprijzen? Welke opties liggen volgens
de Minister op tafel en steunt Nederland een gerichte Europese aanpak om prijsschokken
op te vangen? Kan de Minister aangeven hoe het Europese actieplan concreet gaat bijdragen
aan meer leveringszekerheid en lagere afhankelijkheid van instabiele externe markten
voor kunstmestgrondstoffen? Wordt daarbij ook gekeken naar het versterken van Europese
productiecapaciteit?
De leden van de VVD-fractie zien tegelijkertijd kansen in innovatie en circulariteit.
Nederland heeft veel kennis op het gebied van hoogwaardige mestverwerking. Kan de
Minister bevestigen dat Nederland in Brussel actief inzet op het sneller toelaten
en opschalen van circulaire meststoffen, zoals onder andere Renure, als volwaardig
alternatief voor kunstmest?
De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister de mening deelt dat Europese regelgeving
innovatie nu te vaak belemmert, terwijl juist modernisering en technologische ontwikkeling
boeren weerbaarder kunnen maken. Kan de Minister daarnaast toezeggen dat bij de Nederlandse
appreciatie van het Europese actieplan nadrukkelijk wordt gekeken naar zowel betaalbaarheid
op de korte termijn als structurele versterking van de concurrentiekracht en strategische
autonomie van de Europese landbouw?
Nieuwe Genomische Technieken (NGT’s)
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stand van zaken rondom de
Europese onderhandelingen over Nieuwe Genomische Technieken (NGT’s). Deze leden constateren
dat de Europese Raad reeds groen licht heeft gegeven op het onderhandelingscompromis
en dat behandeling in het EP naar verwachting zal plaatsvinden tijdens de ENVI-commissie
van 1 tot en met 6 juni 2026 en de plenaire stemming van 15 tot en met 18 juni 2026.
De leden van de VVD-fractie onderstrepen het grote belang van innovatie binnen de
land- en tuinbouw, zeker in het licht van voedselzekerheid, weerbaarheid, verduurzaming
en het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Deze leden zien NGT’s als een belangrijke
technologie om sneller en gerichter gewassen te ontwikkelen die beter bestand zijn
tegen ziekten, droogte en veranderende omstandigheden. Zij constateren tegelijkertijd
dat op het onderhandelingscompromis verschillende amendementen zijn ingediend die
volgens betrokken sectorpartijen kunnen leiden tot aanzienlijke vertraging van het
proces of zelfs het stilvallen van het gehele voorstel. Zij vragen de Staatssecretaris
om een appreciatie van de huidige stand van zaken binnen het EP. Hoe beoordeelt de
Staatssecretaris de risico’s voor vertraging of heropening van de onderhandelingen
indien amendementen worden aangenomen? Daarnaast vragen deze leden welke gevolgen
een langdurige vertraging of mogelijke intrekking van het voorstel zou hebben voor
de Nederlandse veredelingssector, de concurrentiepositie van Nederland en het Europese
innovatieklimaat.
De leden van de VVD-fractie lezen dat verschillende amendementen zien op aanvullende
verplichtingen rondom traceerbaarheid, etikettering, detectiemethoden en octrooiering.
Deze leden vragen de Staatssecretaris in hoeverre dergelijke aanvullende eisen volgens
het kabinet proportioneel, uitvoerbaar en werkbaar zijn voor veredelingsbedrijven
en kennisinstellingen. Ook vragen deze leden hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen
amendementen die ertoe kunnen leiden dat lidstaten aanvullende nationale maatregelen
kunnen nemen rondom NGT’s. Acht de Staatssecretaris het wenselijk dat hierdoor opnieuw
versnippering binnen de Europese interne markt ontstaat?
De leden van de VVD-fractie wijzen daarnaast op de breed aangenomen motie-Den Hollander
c.s. waarin het kabinet is verzocht te komen tot een ambitieuze innovatieagenda voor
de tuinbouw-, zaadveredelings- en biotechnologiesector (Kamerstuk 36 800-XIV, nr. 49). Deze leden zien voortgang op het NGT-dossier als een belangrijk onderdeel daarvan.
Zij vragen de Staatssecretaris daarom welke inzet het kabinet de komende periode richting
het EP en andere lidstaten pleegt om voortgang op het NGT-voorstel te ondersteunen
en het belang van een werkbaar en innovatievriendelijk Europees kader te onderstrepen.
Visserijakkoorden met derde landen
De leden van de VVD-fractie onderstrepen het belang van een sterke en toekomstbestendige
Nederlandse visserijsector. Deze leden vinden het van groot belang dat Nederlandse
vissers kunnen blijven investeren in innovatie, verduurzaming en efficiëntere vistechnieken.
De pelagische visserij is daar volgens deze leden een belangrijk voorbeeld van. Tegelijkertijd
constateren zij dat innovatieve Nederlandse visserijmethoden in Europees verband regelmatig
onder druk staan, terwijl Nederlandse vissers juist investeren in verduurzaming en
lagere brandstofkosten. Zij vragen de Staatssecretaris daarom op welke wijze hij zich
in Europees verband inzet voor een gelijk speelveld en voor behoud van ruimte voor
innovatieve en duurzame vistechnieken binnen de Nederlandse visserijsector.
De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast kennisgenomen van de lopende onderhandelingen
over de visserijakkoorden met Mauritanië en Marokko. Deze leden constateren dat de
voorwaarden binnen het partnerschap met Mauritanië steeds verder onder druk staan,
onder meer door afnemende vangstmogelijkheden, hoge operationele kosten en oneerlijke
concurrentie met niet-EU-vloten. Ook constateren deze leden dat er nog weinig duidelijkheid
bestaat over de voortgang van een nieuw akkoord met Marokko, terwijl dit van groot
belang is voor de Nederlandse pelagische visserijsector. Zij vragen de Staatssecretaris
daarom naar de actuele stand van zaken van de onderhandelingen met Mauritanië en Marokko.
Welke inzet pleegt het kabinet in Brussel om te komen tot werkbare afspraken, eerlijke
concurrentievoorwaarden en toekomstbestendige toegang voor de Nederlandse pelagische
sector? Kan de Staatssecretaris daarnaast aangeven of hij mogelijkheden ziet om het
proces rondom een nieuw akkoord met Marokko actief te ondersteunen of te versnellen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda.
Deze leden hebben vragen en opmerkingen hierover en dragen enkele diversenpunten aan
over visserij.
Verslag 3–5 mei
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn in beginsel kritisch over de vereenvoudingsvoorstellen
van de EC. Deze leden lezen dat enkele landen hebben opgeroepen om een Omnibusvoorstel
voor de visserij te presenteren. Zij horen graag meer over welke lidstaten dit bepleiten
en wat volgens hen onderdeel zou moeten zijn van een dergelijk voorstel. Dit verbaast
deze leden, omdat de evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) aangaf
dat knelpunten vooral een probleem zijn met implementatie of lagere regelgeving. Hoe
kijkt het kabinet hiernaar? Deze leden lezen dat Nederland de controleverordening
aandroeg als mogelijk punt om te vereenvoudigen. Kan het kabinet duidelijk uitleggen
wat haar kritiek is op de controleverordening (en ander beleid wat volgens haar «simpeler»
moet) en of het kabinet (impliciet) steun heeft uitgesproken voor een Omnibusvoorstel
voor de visserij? Is het kabinet bereid om zich actief tegen de komt van een Omnibus
voor visserij uit te spreken en voor wezenlijke problemen in de bureaucratie te kijken
naar hoe bestaand beleid praktischer uitvoerbaar gemaakt kan worden, zonder het beleid
an sich aan te passen? Deze leden wijzen erop dat vereenvoudiging nooit een doel op
zich is en niet ten koste mag gaan van publieke belangen zoals gezondheid en dierenwelzijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat ook het grote aantal afwijzingen
van eco-activiteiten is besproken met sectorvertegenwoordigers. Welke boerenorganisaties
zijn betrokken geweest? Deze leden vragen zich af welke concrete uitkomsten dit gesprek
had. Welke acties volgen voor het kabinet naar aanleiding van het gesprek? Welke nieuwe
inzichten heeft dit opgeleverd?
Verslag 27 april 2026
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de grenzen voor inkomenssteun ter
discussie lagen. Deze leden steunen de Nederlandse inzet wat betreft het gericht inzetten
van inkomenssteun ter bevordering van publieke belangen en het halen van juridische
doelen. Zoals ook in de motie-Bromet/Podt (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1780) is gesteld, zijn deze leden van mening dat de bandbreedte van inkomenssteun beperkt
moet worden ten gunste van het bekostigen van ecosysteemdiensten. Echter lezen zij
alleen dat de ondergrens van de inkomenssteun ter sprake is gekomen en niet de bovengrens
ter discussie is gesteld. Hoe kijkt het kabinet naar het beperken van beide kanten
van de bandbreedte? Is dit in de Landbouw- en Visserijraad van 27 april 2026 ook ter
sprake gekomen en zo ja, welke opvattingen bestonden hierover?
Geannoteerde agenda
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij dat de motie-Bromet/Podt (Kamerstuk
21 501-32, nr. 1780) wordt ingebracht bij deze discussie. Deze leden verzoeken het kabinet expliciet
om zowel de ondergrens als de bovengrens van de bandbreedte voor inkomenssteun ter
discussie te stellen. Verder vragen zij hoe deze motie verder wordt uitgevoerd en
met welke lidstaten het kabinet hierin optrekt. Is er brede steun voor dit voorstel,
of hoe denkt het kabinet dat te kunnen vergaren? Volgens deze leden is dit nodig voor
een Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) dat effectief de doelen voor klimaat en
natuur behaalt.
Diversenpunt: Visserij
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele opmerkingen en vragen over
de visserij. Deze leden verwijzen naar de uitspraak van de rechtbank in Den Haag over
onvergunde sleepnetvisserij op de Doggersbank (NRC, 11 mei 2026, «Zonder vergunning
geen sleepnetvisserij meer in een beschermd zeegebied», https://www.nrc.nl/nieuws/2026/05/11/zonder-vergunning-geen-sleepnetvis…). Deze leden zijn benieuwd hoe het kabinet op deze uitspraak reageert en welke gevolgen
de uitspraak heeft voor bodemberoerende visserij die plaatsvindt op andere plekken
in de Noordzee. Is het kabinet bereid om, als vervolg op de uitspraak, de controle
en handhaving op bodemberoerende visserij in beschermde gebieden te versterken? Hoe
reageert het kabinet op de uitspraak dat vissers voor «miljoenen» in hun jaaromzet
geraakt worden door deze uitspraak? Graag ontvangen zij een onderbouwing waaruit blijkt
wat de economische waarde is van visserij op de Doggersbank.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet om uit te leggen hoe zij
de motie-Kostić/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1782) uitvoert. Ziet het kabinet ruimte om dit bij de Landbouw- en Visserijraad in te
brengen? Welke specifieke acties neemt het kabinet om opvolging te geven aan de motie?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de stukken aangaande de Landbouw-
en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden hebben hierover een aantal opmerkingen
en vragen.
De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is om de discriminatie van
schaalvergroting te stoppen. Grote bedrijven borgen onze voedselzekerheid en mogen
niet worden afgestraft voor hun efficiency.
De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is om ervaren boeren niet
uit te sluiten van steun. Het uitsluiten van pensioengerechtigde boeren leidt tot
het verdwijnen van landbouwgronden en productiecapaciteit.
De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is Renure per direct te erkennen
als kunstmestvervanger en de opschorting van CBAM-heffingen om de kosten direct te
verlagen.
De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is een einde te maken aan
de Brusselse regelzucht. Dat de Minister zweeg over de administratieve lasten van
gewasbeschermingsmiddelen is een breuk met het belang van de sector. Wat deze leden
betreft zou Nederland juist de strijd moeten aanvoeren tegen de afvinklijstjes uit
Brussel.
De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is om onze nationale soevereiniteit
te plaatsen boven sector overstijgende EU bemoeienis met betrekking tot ons landbeheer.
Onze grond en ons landschap zijn van Nederland, niet van Brussel.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om kritisch te onderzoeken
in hoeverre de huidige, zeer strikte normen voor waterkwaliteit en het waterbeheer
onbedoeld bijdragen aan het verdwijnen van de noodzakelijke leefomgeving voor vissoorten
zoals de ansjovis. De Oosterschelde verliest door een gebrek aan brak water haar functie
als paaigebied. Erkent het kabinet dat het handhaven van dergelijke hoge normen in
de toekomst kan leiden tot het verdwijnen van meer vissoorten en het definitief verloren
gaan van eeuwenoud Nederlands visserijerfgoed?
De leden van de PVV-fractie blijven strijden voor een sector die gewaardeerd wordt
om wat zij doet, het voeden van ons volk, zonder de knoet van onnodige EU dogma's.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de Landbouw- en
Visserijraad van 26 mei 2026 en hebben hierover enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de op 13 mei
jongstleden gepresenteerde Uitvoeringsagenda van de Werktafel Visserij, waarmee concrete
acties zijn vastgelegd voor een toekomstbestendige visserij- en aquacultuursector.
Is de Minister bereid de Kamer te informeren op welke wijze deze uitvoeringsagenda
wordt betrokken bij de Nederlandse inbreng in de Raad en hoe het kabinet in Europees
verband aandacht zal vragen voor voldoende ruimte voor innovatieve en duurzame vangsttechnieken,
in lijn met de ambities uit het regeerakkoord?
De leden van de CDA-fractie constateren dat de EC de evaluatie van het GVB voorbereidt.
Het regeerakkoord benadrukt het belang van samenwerking met Noordzeelanden en duidelijke
Europese regelgeving voor de visserijsector. Kan de Minister uiteenzetten welke positie
Nederland inneemt ten aanzien van een eventuele herziening van de GVB-basisverordening
en deelt de Minister de opvatting van deze leden dat het bestaande GVB-kader in de
kern voldoende instrumenten bevat en dat de prioriteit moet liggen bij volledige en
consequente uitvoering van het huidige beleid, in plaats van een langdurig en onzeker
herzieningstraject?
De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat het Actieplan Meststoffen op 19 mei
wordt gepubliceerd. Kan de Minister toelichten in hoeverre het Actieplan Meststoffen
concrete ruimte biedt voor de erkenning en opschaling van Renure als volwaardig alternatief
voor kunstmest? Is de Minister bereid zich in de Raad hard te maken voor een snellere
Europese erkenning van Renure, zodat Nederlandse veehouders en akkerbouwers hier op
korte termijn van kunnen profiteren?
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij uiteen kan zetten hoe het aankijkt
tegen de oproep vanuit delen van de Europese landbouwsector om de CBAM-heffingen op
geïmporteerde kunstmest tijdelijk op te schorten, mede in het licht van de hoge kosten
voor boeren en de concurrentiepositie van de Europese landbouw en is de Minister bereid
zich in Europees verband in te zetten voor tijdelijke verlichting, zolang er nog geen
gelijk speelveld bestaat voor Europese producenten en agrariërs.
De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat een gelijk speelveld binnen Europa
een harde randvoorwaarde is voor een gezonde Nederlandse veehouderijsector. Is de
Minister bereid zich er in de Raad voor in te zetten dat de EU Livestock Strategy
gepaard gaat met afdwingbare Europese minimumnormen voor dierenwelzijn, zodat Nederlandse
veehouders niet worden benadeeld ten opzichte van concurrenten uit andere lidstaten
of uit derde landen die aan lagere eisen hoeven te voldoen, zodat er een gelijk speelveld
wordt nagestreefd?
De leden van de CDA-fractie hechten grote waarde aan een inzet op strategische autonomie
en voedselzekerheid gezien de geopolitiek situatie. Is de Minister bereid zich er
in Europees verband in het kader van de EU livestock strategy in te zetten voor een
balans tussen enerzijds verduurzamingsdoelen en anderzijds het behoud van voldoende
productiecapaciteit binnen de Europese Unie, zodat de afhankelijkheid van import uit
derde landen niet verder toeneemt en het verdienvermogen van Europese boeren blijft
behouden?
De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de in de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst
met het Verenigd Koninkrijk (VK) afgesproken quotumoverdracht eind 2026 afloopt. Kan
de Minister aangeven wat de stand van zaken is van de onderhandelingen over de visserijafspraken
met het VK na 2026 en hoe de Minister zich ervoor inzet dat de belangen van de Nederlandse
visserijsector daarbij worden geborgd?
De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de toenemende ruimtedruk op de
Noordzee als gevolg van onder meer de uitrol van windparken op zee. Het regeerakkoord
benadrukt dat windmolens op zee natuurversterkend worden gebouwd, met oog voor de
visserij. Is de Minister bereid zich er in de Raad voor in te zetten dat bij de integrale
Noordzeeaanpak, inclusief de uitvoering van de Natuurherstelverordening, voldoende
ruimte voor de visserij behouden blijft en dat medegebruik van windparkgebieden door
vissers actief wordt bevorderd?
De leden van de CDA-fractie wijzen op de diesel- en CO₂-afhankelijkheid van de visserijsector.
Deze leden wijzen in dat verband op het Deense model van een gefaseerde CO₂-heffing
op visserijbrandstoffen met een hoog terugbetalingspercentage, bedoeld om ondernemers
te prikkelen te investeren in zuiniger vistuig en motoren. Denemarken heeft dit model
voor 2026–2028 opgeschort, mede omdat omliggende landen niet volgden. Is de Minister
bereid in de Raad te pleiten voor een gecoördineerde Europese CO₂-prijsprikkel voor
de visserij, zodat een gelijk speelveld wordt geborgd en investeringen daadwerkelijk
ten goede komen aan verduurzaming? Hoe wil het kabinet de verduurzaming van de vloot
nationaal versnellen, in lijn met de Uitvoeringsagenda Werktafel Visserij?
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken voor
de Landbouw en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden hebben hierover een aantal
vragen en opmerkingen.
De leden van de JA21-fractie begrijpen dat bij de vorige Landbouw en Visserijraad
is gesproken over het GVB. Nederland benoemde ook dat er op evenwichtige wijze rekening
moet worden gehouden met ecologische en sociaaleconomische doelstellingen. Een aantal
lidstaten gaf daarop aan dat de ecosysteem-benadering op dit moment niet goed werkt
en dat deze meer in evenwicht moet zijn. Welke bezwaren zijn er precies tegen die
ecosysteembenadering en op welke manier beoogt men daar meer evenwicht in te brengen?
Welke plannen zijn er om aquacultuur te stimuleren? Op welke manier is bij die vorige
raad de pulsvisserij aan de orde gekomen? Onlangs verscheen het onderzoek naar Klimaatimpact-
en voedingswaarde van in Nederland geproduceerd en geconsumeerd voedsel uit zee en
de CO2 productie bij vis, maar daarin is een aantal belangrijke Nederlandse vissoorten niet
onderzocht (Wageningen University and Research, 2 maart 2026, «Klimaatimpact en voedingswaarde
van voedsel uit zee», https://open.overheid.nl/documenten/e549427f-5642-4443-9ff5-44675c3eeed…). Is de Minister van mening dat het goed is om dit ook te onderzoeken voor soorten
als de paling, zeebaars, schelvis, wijting, kabeljauw en voor schelpdieren?
De leden van de JA21 fractie vragen of de Minister de zorg deelt dat Brusselse regels
in de praktijk vernieuwing, veiligheid en verduurzaming van vissersschepen kunnen
blokkeren, terwijl het recente EU-rapport erkent dat de sector kampt met een verouderende
vloot en hoge kosten. (Europese Commissie, 28 april 2026, «European Union’s fishing
fleet: evolution, challenges and future», https://cinea.ec.europa.eu/publications/digital-publications/study-euro…) Hoe reageert de Minister op de bevindingen in dat rapport?
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister wat hij verwacht ten aanzien van de
stijging van de kunstmestprijzen als gevolg van het gerommel in de straat van Hormuz
voor het komende seizoen. Met welke prijsstijgingen moeten boeren rekening houden?
De leden van de JA21-fractie vragen welk standpunt de Minister gaat bepleiten ten
aanzien van CBAM en de invoering van CO2 belasting op meststoffen en specifiek ten aanzien van de mogelijkheid voor de EC
om sectoren uit te sluiten van de heffing. Welke bredere geopolitieke gevolgen voorziet
de Minister hiervan met betrekking tot de beschikbaarheid van en handel in voedsel,
en de effecten voor Nederland? Welke wetenschappelijke inzichten gaat het kabinet
vanuit ten aanzien van de milieu en klimaatgevolgen van het gebruik van kunstmest
versus dierlijke mest voor de meest voorkomende Nederlandse bodemomstandigheden, met
betrekking tot de effecten op de kwaliteit van de boden, de ecologische gevolgen en
de CO2 uitstoot, mede gezien de hoeveelheid gas die voor de productie wordt gebruikt? Is
de Minister het eens met deze leden dat de meest eenvoudige manier om minder afhankelijk
te worden van kunstmest is om meer dierlijke mest of Renure te gebruiken? Hoe beoordeelt
de Minister het actieplan van meststoffen dat op 19 mei 2026 wordt gepresenteerd om
de problemen met betrekking tot de betaalbaarheid en beschikbaarheid van meststoffen
te beperken? Welke mogelijkheden ziet de Minister om de inzet en productiecapaciteit
van Renure voor Nederland te versnellen en wat gaat hij daarvoor doen? Wat is de stand
van zaken van de plannen voor de subsidieregeling om de productie van Renure op te
schalen?
De leden van de JA21-fractie vragen welke mogelijkheden de Minister ziet om, mede
gezien de bevindingen van het recente rapport «De Nederlandse stikstofcrisis. Van
verwarring naar verbinding», meer en sneller stappen te nemen om bodemkwaliteit van
natuurgebieden te verbeteren en herstellen dor het toevoegen van calcium, kalium en
magnesium (Ros et al., maart 2026, «De Nederlandse stikstofcrisis. Van verwarring
naar verbinding», https://edepot.wur.nl/711347)?
Vragen en opmerkingen van de leden van de FvD-fractie
De leden van de FvD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken aangaande de Landbouw-
en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden hebben hierover een aantal opmerkingen
en vragen. Klopt het dat er residuen van gewasbeschermingsmiddelen die in Nederland
niet zijn toegestaan, worden gevonden op geïmporteerd voedsel (Institut Veblen, april
2026, «Residues of pesticides banned in the EU in imported food: ending a dangerous
and unjust double standard», https://www.veblen-institute.org/Residues-of-pesticides-banned-in-the-E…)? Waarom kiest het kabinet ervoor om in te stemmen met strengere regels voor gewasbeschermingsmiddelen
in de EU en daarmee Nederland en tegelijkertijd ook in te stemmen met import vanuit
niet-EU landen waarin deze strengere regels niet gelden?
De leden van de FvD-fractie vragen verder of de Staatssecretaris zich bij de Landbouw-
en Visserijraad in gaat zetten, gebaseerd op de aangenomen motie-Russcher/Van Duijvenvoorde
(Kamerstuk 21 501-32 nr. 1773), om de EU vast te laten houden aan het historische aandeel van circa 23 procent
in de makreelvangst.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Visserij
De leden van de BBB-fractie hebben de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad
(mei) met interesse gelezen en hebben daarover enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie merken op dat in de motie-Van der Plas (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1770) is opgeroepen om in gesprek te gaan met de sector om tot alternatieven te komen
voor de aanlandplicht en vragen hoe het staat met de uitvoering van de motie en welke
concrete stappen hierin inmiddels zijn gezet?
De leden van de BBB-fractie vragen of het klopt dat het voornemen bestaat om de schoolbox
formeel op te heffen en wat hiervan de onderliggende redenen zijn.
De leden van de BBB-fractie vragen in hoeverre er in het verleden onderzoek is gedaan
naar de houting populatie in Nederland en specifiek in het IJsselmeer en wat de meest
recente stand van deze populatie is.
De leden van de BBB-fractie vragen voorts of de uitkomsten van dit recente vis onderzoek
ook zijn of worden gedeeld met het Voedingscentrum.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om met een concreet tijdpad
en duidelijke data te komen voor de uitvoering van de brandstofsteun voor de visserij,
zodat de sector eindelijk weet waar zij aan toe is conform de toezegging in het vorige
debat over de Landbouw- en Visserijraad.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris waarom de passieve visserij
niet wordt meegenomen in de regeling voor brandstofsteun, terwijl ook deze sector
te maken heeft met hoge kosten.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om zo snel mogelijk in gesprek
te gaan met Rijkswaterstaat en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (I&W)
over de nieuwe concept-beheerplannen voor de Waddenzee en de grote gesloten gebieden
daarin.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe de nieuwe gesloten gebieden
van de concept beheerplannen zich verhouden tot bestaande afspraken uit onder andere
het mosselconvenant en het handkokkelconvenant.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat beheerplannen
gebaseerd worden op theoretische referentiewaarden die onnatuurlijk hoog zijn vastgesteld.
Waar wordt op dit moment een onafhankelijke review op wordt uitgevoerd.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris of vogelonderzoekers kunnen
meevaren op kotters om in de praktijk te onderzoeken wat de daadwerkelijke effecten
van visserij op vogelsoorten en leefgebieden zijn in plaats van model aannamen te
gebruiken.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij zich ervoor gaat inzetten
dat de positieve inzichten over maritieme eiwitten daadwerkelijk landen in toekomstige
voedingsadviezen.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister wanneer de nieuwe wetgeving voor de
rivierkreeftvisserij eindelijk naar de Kamer wordt gestuurd, aangezien de consultatie
al in januari is afgerond.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om met de Minister van I&W
en vertegenwoordigers uit de sector in gesprek te gaan over de toenemende frequentie
van controles op vissersschepen. Hoe wordt gewaarborgd dat controles binnen de visserij
rationeel en proportioneel blijven?
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij ervoor gaat zorgen
dat economie en sociale belangen binnen het GVB weer beter in balans worden gebracht.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris welke concrete maatregelen
hij ziet om bureaucratie binnen het GVB te verminderen en het toekomstperspectief
voor jonge vissers te verbeteren.
Landbouw
De leden van de BBB-fractie maken zich grote zorgen over de gevolgen van de huidige
instabiele geopolitieke situatie. Deze leden zijn verheugd om te lezen dat het mestactieplan
door de EC bekend gemaakt zal worden. Zij willen in dat licht nogmaals benadrukken
dat op dit moment de situatie bestaat dat door strenge regels dierlijke mest verplicht
vervangen wordt door kunstmest. Op dit moment wordt van de toegestane stikstofgift
een beperkt deel stikstof uit dierlijke mest toegestaan. Het overige aandeel wordt
dus verplicht als kunstmest gegeven. Hoewel de ruimte voor gebruik van kunstmest moet
blijven bestaan voor die gewassen of momenten van toedienen waar dierlijke vaste-
of drijfmest niet mogelijke is, of op een andere manier als onderdeel van een goed
en compleet bemestingsplan, is het afdwingen van een groot gebruiksaandeel kunstmest
volgens deze leden een slecht idee. Het zorgt ten slotte voor een even grote stikstofgift,
maar met hogere klimaat-, milieu en natuurbelasting. Wanneer boeren de ruimte krijgen
om waar mogelijk een veel groter aandeel van de stikstofgift uit dierlijke mest te
halen, is dat bewezen beter voor de waterkwaliteit en wordt de natuurlijke kringloop
van de landbouw veel beter gesloten. De grote afhankelijkheid van Nederland en Europa
van kunstmest die grotendeels uit het buitenland komt, is bovendien dus een groot
risico op dit moment. Hoewel Renure een deel van de kunstmest kan vervangen, kan de
afhankelijkheid van kunstmest veel sneller en milieuvriendelijker afgebouwd worden
als een groter aandeel van de stikstofgift niet langer verplicht uit kunstmest gehaald
wordt. Deze leden vragen de Minister om hierop te reflecteren. Als de Minister het
niet eens is met de bovenstaande redenatie kan hij dan aangeven waarom niet? Welke
onderzoeken liggen eraan ten grondslag om te zeggen dat het beter zou zijn om het
aandeel stikstof uit dierlijke mest te beperken ten koste van stikstof uit kunstmest?
Als de Minister het eens is met deze leden dat het beter zou zijn om een groter aandeel
van de toegestane stikstofgift uit dierlijke mest toe te staan, kan hij dan toezeggen
hierop inzet te plegen in Europa? Zo nee, waarom niet?
De leden van de BBB-fractie zijn tot slot erg bezorgd over de onrust die de laatste
weken is ontstaan door het niet toekennen van de premie voor een aantal eco-activiteiten
bij een aanzienlijk deel van de deelnemers van de eco-regelingen. Deze leden vragen
de Minister om in Europa aan te geven dat bij extreme weersomstandigheden in sommige
gevallen kennelijk niet gekozen kan worden voor een resultaatverplichting, soms zelfs
achteraf. De onzekerheid van uitbetaling van deze premies geeft het risico dat boeren
niet langer mee willen doen. Aangezien deze regelingen niet als inkomenssteun werken,
maar boeren hiervoor land braak laten liggen of een zeer kleine opbrengst accepteren
ten gunste van natuurdoelen, is dit voor hen een onoverkomelijk risico. Als de deelname
aan dit soort regelingen door dit soort onzekerheden onderdruk komt te staan, is dat
uiteindelijk slecht voor natuur en milieu, niet voor de ondernemers, want zij zullen
dan eerder weer kiezen voor hoogproductieve gewassen. Hoe ziet de Minister dit en
kan hij hierop inzet tonen bij de komende Landbouw- en Visserijraad?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onder meer
de geannoteerde agenda. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen naar aanleiding van het overleg in
de laatste Landbouw- en visserijraad over het risicomanagement in de Europese landbouwsector.
Deze leden horen graag hoe het voorzitterschap dit onderwerp verder wil behandelen.
Zij willen in dit verband het blijvende belang van inzet op een weerbare voedselvoorziening
en voedselzekerheid benadrukken. Zo wees een recent rapport van de Pan-European Commission
on Climate and Health op de kwetsbaarheid van de Europese voedselvoorziening voor
klimaatverandering. (Pan European Commission on Climate and Health, 17 mei 2026, «Pan-European
Commission on Climate and Health: Call to Action», https://www.who.int/europe/publications/m/item/pan-european-commission-…) Deze leden horen graag hoe Nederland ervoor zorgt dat voedselzekerheid op de agenda
blijft, niet alleen wat betreft de uitvoering van de Europese voedselstrategie, maar
ook in beleidsvorming rond gewasbescherming en de Nitraatrichtlijn (minder afhankelijkheid
van kunstmest).
De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat 19 mei 2026 het Actieplan Meststoffen
wordt gepresenteerd. Deze leden ontvangen graag een eerste reactie op het voorgestelde
Actieplan. Welke mogelijkheden ziet de Minister voor meer ruimte voor toepassing van
Renure-meststoffen, onder meer door beperkende voorwaarden te verruimen of aan te
passen, en voor gerichte derogatie? Hoe gaat hij aanknopingspunten hiervoor benutten?
Deze leden hebben begrepen dat er op Europees niveau discussie is over het omgaan
met de CBAM-heffing voor kunstmeststoffen. Zij hebben begrepen dat er door de rapporteur
van het EP een voorstel is gedaan om het voorgestelde tijdelijke fonds voor decarbonisatie
ook open te stellen voor akkerbouwers. Zij horen graag of de Minister dit voorstel
steunt.
De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen naar aanleiding van de terugkoppeling
van het sectoroverleg over de ecoregeling. Deze leden waarderen de inzet om bij alle
dossiers met een afwijzing voor de eco-activiteit groenbedekking alsnog een menselijke
beoordeling te doen. Zij hebben in dit verband wel een vraag: niet alle boeren hebben
foto’s gemaakt als bewijsmateriaal om te kunnen laten zien dat sprake was van doodgevroren
groenbedekking. Hoe wordt hiermee omgegaan? Wat zijn de mogelijkheden om in de toekomst
min of meer automatisch, dus kort na de opname(s), een melding te geven als het Areaal
Monitoring Systeem aangeeft dat niet aan de voorwaarden voldaan zou zijn? Dan hebben
telers de gelegenheid om zelf bewijsmateriaal te verzamelen. Deze leden hebben ook
een vraag wat betreft het (te) laat opkomen van kruidenmengsels bij groene braak voor
voldoende groenbedekking (minimaal 80 procent). Wordt coulance betracht in verband
met de droogte in het voorjaar? Deze leden willen erop wijzen dat telers wel de betreffende
percelen braak hebben laten liggen en zo teeltopbrengsten zijn misgelopen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda van de Landbouw- en
Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
Bescherming van vissen, vogels en oceanen
De leden van de PvdD-fractie hebben opgemerkt dat vertegenwoordigers van de Europese
visserij-industrie in Brussel hard lobbyen voor afzwakking van de Europese visserijregels.
(Europêche, 30 april 2026, «Europêche calls for a targeted revision of the CFP following
Commission evaluation», https://europeche.org/europeche-calls-for-a-targeted-revision-of-the-cf…) Deze leden merken op dat visserij-lobbyisten pleiten voor verzwakking van het Gemeenschappelijk
Visserijbeleid, inclusief afschaffing van het verbod op overboord gooien van ondermaatse
vis, verzwakking van de regels voor de toegang tot de diepzee, verzwakking van de
controleregels op illegale en niet-gerapporteerde visserij en het subsidiëren van
de overcapaciteit van de Europese vloot. Zij merken op dat de visserij-industrie een
steeds grotere vat krijgt op het EP en de EC en dat het idee om de Europese visserijregels
fors af te zwakken dreigt te worden overgenomen door deze instellingen. Tegelijkertijd
merken deze leden op dat uit een recente evaluatie van de EC blijkt dat de duurzaamheid
van de Europese visserij maar langzaam verbetert en dat oceaanbeschermingsdoelen niet
behaald zijn (Europese Commissie, 30 april 2026, «Commission evaluation shows slow
progress in fishing sustainability and ongoing challenges for EU fishers», https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_26_938). Deelt de Staatssecretaris de zorgen van deze leden over het niet behalen van de
beschermingsdoelen? Deelt de Staatssecretaris de zorgen over het niet naleven van
de internationale en wettelijke verplichting om overbevissing uiterlijk te stoppen
tegen 2020 en over het feit dat zowel in Europese wateren als daarbuiten nog forse
overbevissing plaatsvindt? Deelt de Staatssecretaris de zorgen over het feit dat uit
de evaluatie blijkt dat er maar beperkt voortgang is gemaakt op het toepassen van
selectievere en milieuvriendelijkere visserijmethodes? Deelt de Staatssecretaris de
mening dat er op dit moment geen enkele gegronde reden is om het bestaande visserijbeleid
af te zwakken, gezien de huidige regels al niet voldoende zijn gebleken om de overbevissing
en schadelijke exploitatie van onze zeeën te stoppen? Zo ja, is de Staatssecretaris
bereid om zich in Brussel uit te spreken tegen afzwakkingen van het Europese visserijbeleid?
Is de Staatssecretaris met deze leden van mening dat beter ingezet kan worden op goede
implementatie van de huidige visserij en natuurbeschermingswetgeving dan op het afzwakken
daarvan?
De leden van de PvdD-fractie merken op dat uit de evaluatie van de EC blijkt dat veel
vissers «ongewenste soorten» die zij vangen nog steeds overboord gooien in strijd
met de aanlandplicht. Deze leden maken zich zorgen over het feit dat 70 tot 80 procent
van deze overboord gegooide vissen alsnog sterven, maar niet worden afgetrokken van
de beschikbare visserijquota. Deelt de Staatssecretaris de mening dat het overboord
gooien van ongewenste vissen een verspillende praktijk is? Kan het illegaal overboord
gooien van ongewenste vissen volgens de Staatssecretaris bijdragen aan overbevissing?
In hoeverre hecht de Staatssecretaris aan goede controle op het verbod op het overboord
gooien van ongewenste vissen en zijn de controles daarop scherp genoeg? Waarom pleit
het Nederlandse kabinet in Brussel voor het versoepelen van de controleregels, terwijl
veel visserijregels op dit moment niet worden nageleefd? (Agence Europe, 31 maart
2026, «Germany and other countries call for European fisheries legislation to be simplified»,
https://agenceurope.eu/en/bulletin/article/13840/6/germany-and-other-co…) Ziet de Staatssecretaris een verband tussen het niet naleven van de visserijregels
en de blijvende overbevissing door de Europese vloot?
De leden van de PvdD-fractie hebben vorig jaar kennisgenomen van het rapport van Compassion
in World Farming en willen hier graag nog aandacht voor vragen. (Compassion in World
Farming, NB, « The Growing Threat of Carnivorous Aquaculture», https://www.ciwf.nl/media/dayhg4fj/ciwfgb-_251008_cam-_endit-_octopus-r…) Deze leden hebben namelijk geconstateerd dat er een zorgwekkende ontwikkeling van
toename in viskwekerijen. Kan de Staatssecretaris een reactie geven op het rapport?
Onderschrijft hij de noodzaak om carnivore aquacultuur te beperken? Zo nee, waarom
niet? Is hij bereid om zich hiervoor in de EU hard te maken? Zo nee, waarom niet?
Hoe oordeelt de Staatssecretaris over de «Keep them wild-pledge»? (Compassion in World
Farming, «Keep Them Wild: Sign the Global Pledge», https://www.ciwf.org/programmes/endit/keep-them-wild/global-pledge/) Is hij bereid deze pledge te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie ontvangen graag de stand van zaken omtrent de aangenomen
motie om op korte termijn met maatregelen te komen om pijlinktvissen beter te beschermen,
in Europees verband te pleiten voor voorzorgsbeheer, met aandacht voor het verbeteren
van de monitoring, het kunnen opleggen van tijdelijke vangstbeperkingen en het behouden
van een gezonde pijlinktvispopulatie (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1782). Kan de Staatssecretaris zijn plannen hierover in ieder geval vóór het commissiedebat
Visserij en Landbouw- en Visserijraad op 16 juni 2026 naar de Kamer sturen?
De leden van de PvdD-fractie vragen tevens naar de uitvoering van de aangenomen motie-Kostic/Bromet
over het verzetten tegen EU-plannen om meer aalscholvers te doden (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1756). Eerder liet het kabinet weten de Kamer hierover «op korte termijn» te informeren
(Kamerstuk 36 915-XIV, nr. 6). Indien deze informatie nu nog niet kan worden verschaft, ontvangen deze leden graag
een tijdsaanduiding wanneer de Kamer hierover wel zal worden geïnformeerd.
Stierengevechten
De leden van de PvdD-fractie vinden het onbegrijpelijk dat de Minister aangeeft dat
hij het de verantwoordelijkheid van individuele lidstaten vindt om subsidies voor
stierengevechten te beëindigen (Kamerstuk 28625–381). Deze leden vinden deze uitspraken
niet rijmen met de breed gedeelde wens in de Kamer om een einde te maken aan subsidies
voor stierengevechten (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1292). Zij vragen de Minister of hij alsnog bereid is om zich bij de onderhandelingen
over het GLB 2028–2034 in te zetten om fokkers van de «toro de lidia» expliciet uit
te sluiten van deelname aan directe GLB-betalingen en fondsen voor plattelandsontwikkeling,
verantwoording en transparantie te versterken om te voorkomen dat subsidies voor de
veehouderij worden omgebogen naar de stierenvechtsector en dierenwelzijn prioriteit
te geven bij de onderhandelingen over het GLB. Deze leden hopen dat de Minister dit
wil toezeggen.
Transporten van piepjonge kalfjes van Ierland naar Nederland
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de tijdlijn van de Staatssecretaris
met betrekking tot het bestrijdingsprogramma infectieuze boviene rhinotracheïtis.
Deze leden vragen waarom de Staatssecretaris ervoor kiest om de goedkeuring van de
EC uiterlijk vier jaar na inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur (AMvB)
aan te vragen? Wat wordt bedoeld met «uiterlijk» vier jaar? Deze leden vinden vier
jaar na inwerkingtreding van de AMvB namelijk een erg lange periode om vreselijke
langeafstandstransporten met piepjonge kalfjes in stand te houden. Houdt de Staatssecretaris
er nadrukkelijk rekening mee dat deze goedkeuring ook eerder kan worden aangevraagd.
Zo ja, hoeveel eerder? Zo nee, waarom niet? Is de Staatssecretaris bereid om deze
termijn zoveel mogelijk in te korten? Zo nee, waarom niet?
Schadelijke subsidieregelingen
De leden van de PvdD-fractie zijn benieuwd naar de opvolging van het Kunming Montreal
Global Biodiversity Framework (2022) en het Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
(RVO)-rapport «Quickscan effecten van het LNV instrumentarium op natuur en biodiversiteit»
(RVO, 30 juni 2023, «Quickscan LNV instrumentarium op natuur en biodiversiteit», https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/30/bijlage-qu…). Nederland heeft zich gecommitteerd om in 2025 het nationale beleid, inclusief alle
subsidieregelingen, onderzocht te hebben op mogelijk schadelijke effecten voor biodiversiteit.
Kan de Minister aangeven wat de stand van zaken is omtrent dit onderzoek dat wordt
uitgevoerd door Wageningen University & Research en CE Delft en wanneer deze naar
de Kamer wordt gestuurd?
Landbouwgif en Omnibus Food & Feed Package
De leden van de PvdD-fractie blijven ook met veel aandacht de ontwikkelingen rondom
landbouwgif en in het bijzonder het Omnibus Food & Feed Package volgen en hebben hier
aanvullende vragen over. Uit de brief van de staatsecretaris over de Standing Committee
on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF)-vergadering kan worden opgemaakt dat Nederland
grotendeels blijft meebewegen met de Europese procedure voor verlening van toelating
van gevaarlijke stoffen zoals onder andere tebuconazool (Kamerstuk 27 858, nr. 746). In een aangenomen motie-Ouwehand uit 2013 (Kamerstuk 27 858, nr. 208) werd expliciet gevraagd om een uitfaseringspad van deze en vier andere azoolfungiciden.
De brief laat duidelijk zien dat er erkenning is voor de risico's, maar blijft ook
vasthouden aan bestaande praktijken. Deze leden vragen waarom de staatsecretaris de
verlening van toelating van gevaarlijke stoffen blijft toestaan terwijl de risico's
bekend zijn. In het licht van het veel besproken Omnibus Food & Feed Package vragen
deze leden ook of de Staatssecretaris zich zal houden aan zijn uitspraak tijdens het
plenaire debat over de Food and Feed Safety Simplification Omnibus om tegen het pakket
te stemmen als duidelijk is dat het zal leiden tot een verslechtering van de bescherming
van mens, dier en milieu en het niet leidt tot het toelaten van duurzame middelen
en hiervoor te pleiten op Europees niveau.
Natuurbranden
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de Nederlandse positie ten aanzien
van het voorstel Integrale Natuurbrandbeheersing. Deze leden vragen of de Minister
bereid is om bij de onderhandelingen ook te wijzen op de gevaren van Defensie activiteiten
voor de natuur en het risico op natuurbranden dat daarbij gepaard gaat. Gaat de Minister
delen wat er in de afgelopen weken is gebeurd in Nederland met verschillende natuurbranden
door toedoen van Defensie activiteiten in natuurgebieden met explosieve middelen?
Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de agenda van de Landbouw-
en Visserijraad van 26 mei 2026 en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van Groep Markuszower zijn van mening dat het onze Nederlandse boeren niet
gemakkelijk wordt gemaakt. Aan de ene kant worden zij gedwongen om dure kunstmest
aan te schaffen. Aan de andere kant moeten zij hun eigen dierlijke mest, een waardevolle
grondstof, tegen hoge kosten afvoeren vanwege starre Europese regels. Hoe kan het
dat we boeren opzadelen met torenhoge kosten, terwijl we tegelijkertijd een perfect
bruikbaar alternatief weg reguleren? Hoe kijkt de Minister zelf naar deze tegenstrijdigheid
en belangrijker: wat gaat hij hier in Europa concreet aan doen? De EC komt met een
actieplan voor meststoffen, maar laten we eerlijk zijn: zolang Nederland braaf achter
elke Brusselse regel aan blijft lopen, verandert er niets. Boeren hebben nu praktische
maatregelen nodig om hun bedrijf draaiende te houden. Deze leden vragen daarom aan
de Minister of hij bereid is om zich hard te maken voor meer ruimte voor het gebruik
van dierlijke mest. Op zijn minst tijdelijk, zolang kunstmestprijzen hoog zijn, moeten
boeren hun eigen mest kunnen benutten in plaats van die verplicht af te voeren. Een
subsidie vanuit Europa klinkt misschien mooi, maar is de wereld op zijn kop, daar
draait namelijk de belastingbetaler voor op. (De Telegraaf, 19 mei 2026, «Europese
Commissie werkt aan megasteun voor boeren na kunstmestschok door Midden-Oosten-oorlog;
voedselprijzen gaan anders drastisch omhoog», https://www.telegraaf.nl/binnenland/europese-commissie-werkt-aan-megast…). Terwijl het alternatief dierlijke mest een vele malen logischere oplossing zou
kunnen zijn. Is de Minister het met deze leden eens? Zo nee, waarom niet?
De leden van Groep Markuszower hebben dan nog enkele vragen over het Mercosur-akkoord.
Een akkoord dat volgens dit kabinet goed zou zijn voor de economie, met een marginale
bbp-groei van 0,02 procent. Maar tegen welke prijs? Landen als Frankrijk, Oostenrijk,
Hongarije en Ierland hebben niet voor niets grote bezwaren. Inmiddels heeft ook Polen
dit akkoord aangevochten bij het Europese Hof van Justitie, omdat het akkoord Europese
boeren blootstelt aan oneerlijke concurrentie. Boeren in Zuid-Amerika produceren onder
lagere standaarden. Minder regels, lagere kosten. Ondertussen moeten onze boeren voldoen
aan de strengste eisen ter wereld. Laten we trots zijn op onze landbouwsector en zeer
goed oppassen voor het wegconcurreren van onze eigen landbouw. Terwijl wij hier onze
boeren uitkopen en beperken, importeren we producten waarvoor elders veel lagere standaarden
voor dierenwelzijn en milieubescherming gelden. Deze leden vragen de Minister dan
ook hoe hij dit rechtvaardigt tegenover Nederlandse boeren en naar de Nederlandse
consument. Wat gaat de inzet van Nederland worden om de concurrentie eerlijker te
maken? Steeds meer boeren stoppen. De kosten stijgen, de regels stapelen zich op en
perspectief ontbreekt. Ondertussen wordt onze voedselzekerheid steeds afhankelijker
van het buitenland. In een tijd van geopolitieke spanningen is dat geen verstandig
beleid en dat is een risico. Nederland moet weer kiezen voor zijn eigen boeren. Voor
voedselproductie op eigen bodem.
De leden van Groep Markuszower zijn van mening dat het nu tijd is dat deze Minister
opkomt voor de Nederlandse belangen en de Nederlandse agrarische sector. Wat gaat
daarbij de Nederlandse inzet zijn?
II Antwoord / Reactie van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en
Natuur
III Volledige agenda
Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026
Kamerstuk 21 501-32-1792 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen,
d.d. 13 mei 2026
Verslag Landbouw en Visserijraad 27 april 2026
Kamerstuk 21 501-32-1791 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen,
d.d. 11 mei 2026
Verslag informele Landbouw- en Visserijraad van 3–5 mei 2026, jaarrapportage GLB-NSP
en sectoroverleg over de eco-regelingen
Kamerstuk (2026Z10015) – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen,
d.d. 15 mei 2026
SCoPAFF-vergadering gewasbescherming mei 2026
Kamerstuk 27 858-746 – Brief Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A.
Erkens, d.d. 4 mei 2026
Kwartaalrapportage lopende EU-wetgevingshandelingen eerste kwartaal 2026
Kamerstuk 22 112-4325 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen,
d.d. 7 mei 2026
Fiche: Mededeling Integrale Natuurbrandbeheersing
Kamerstuk (2026Z09436) – Brief Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen, d.d. 8 mei 2026
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
J. Bosman, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.