Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over reactie op de brief van de NVSHA over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen (Kamerstuk 29282-626)
2026D22757 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport over de brief d.d. 23 april 2026 inzake Reactie op de brief van
de NVSHA over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen (Kamerstuk
29 282, nr. 626).
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Sjerp
Inhoudsopgave
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II. Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Nederlandse Vereniging
van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen
voor SEH-artsen, en de reactie van de Minister daarop. Deze leden hebben op dit moment
geen verdere vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de NVSHA over het
Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen. Zij hebben op dit moment
geen verdere vragen en kijken er naar uit om dit verder te bespreken in het notaoverleg
arbeidsmarktbeleid in de zorg gepland op 8 juni 2026.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake reactie
op advies van het Capaciteitsorgaan rondom de opleidingsplaatsen. Zij hebben nog wel
enkele vragen en opmerkingen over deze brief.
In de brief lezen deze leden dat er «richtinggevende instructies» zijn gemaakt op
het aantal instroomplaatsen voor 2027. Kan nader worden toegelicht waarom er op 50
opleidingsplaatsen is ingezet in plaats van 60, zoals geadviseerd door het adviesorgaan?
Wat zijn de implicaties voor het personeelstekort als er 50 opleidingsplaatsen worden
gehonoreerd? En wat zijn de daarmee samenhangende gevolgen voor het eventueel moeten
sluiten van SEH’s?
Genoemde leden lezen dat «het kabinet niet vooruit kan lopen op de budgettaire besluitvorming,
zijn deze instructies gericht op de huidige financiële kaders.» Kan worden toegelicht
hoeveel extra budgettaire ruimte nodig is om deze extra 10 opleidingsplekken mogelijk
te maken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Nederlandse Vereniging
van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen
voor SEH-artsen, en de reactie van de Minister daarop. Deze leden hebben hierover
nog enkele vragen aan de Minister.
Op welk moment vindt budgettaire besluitvorming plaats? Waarom is hier niet reeds
over besloten bij Voorjaarsnota? Hoe wordt voorkomen dat de huidige gang van zaken
leidt tot onduidelijkheid of onzekerheid bij artsen die zich willen aanmelden voor
een SEH-opleiding?
Zijn er consequenties te verwachten nu Stichting Bols een start heeft moeten maken
met toewijzingsjaar 2027 op basis van de huidige financiële kaders? Kan verwacht worden
dat indien de Minister het advies van het Capaciteitsorgaan volgt en niet te veel
tijd verloren is gegaan, om toewijzingsjaar 2027 in te richten op basis van het nieuwe
aantal opleidingsplaatsen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de reactie op de
brief van de NVSHA over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen
en hebben op dit moment geen aanvullende vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister op
de brief van de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen over het Capaciteitsorgaan
en de opleidingsplaatsen voor SEH-artsen.
Deze leden constateren dat de Minister aangeeft dat er nog geen besluit is genomen
over het aantal instroomplaatsen voor 2027. Ook schrijft de Minister dat de integrale
kabinetsreactie op de ramingen van het Capaciteitsorgaan nog wordt voorbereid en dat
de Kamer daarover in mei 2026 zal worden geïnformeerd. De leden van de JA21-fractie
vragen de Minister om bij deze besluitvorming het advies van het Capaciteitsorgaan
zwaarwegend te laten zijn en dit advies, waar het gaat om de benodigde opleidingscapaciteit,
op te volgen.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister daarbij niet alleen te kijken naar
SEH-artsen, maar ook naar andere medisch specialismen waar tekorten dreigen, zoals
neurologen. Indien de Minister voornemens is om af te wijken van de ramingen, vragen
deze leden aan de Minister om dan gemotiveerd aan te geven waarom dat verantwoord
zou zijn in het licht van de toegankelijkheid, kwaliteit en continuïteit van zorg.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister specifiek in te gaan op de situatie
rond SEH-artsen. Klopt het dat er veel belangstelling is voor de opleiding tot SEH-arts
en dat er meer geschikte kandidaten zijn dan beschikbare opleidingsplaatsen? Zo ja,
deelt de Minister de opvatting dat dit juist een argument is om voldoende opleidingsplaatsen
beschikbaar te stellen, zeker nu de acute zorg onder druk staat?
Deze leden benadrukken dat acute zorg wezenlijk verschilt van planbare zorg. Patiënten
kiezen bij acute zorg niet zelf naar welk ziekenhuis zij gaan. Het is daarom van groot
belang dat patiënten in acute situaties snel terecht kunnen in een ziekenhuis waar
voldoende deskundige SEH-artsen beschikbaar zijn. Bovendien wordt een diagnose vaak
pas op de spoedeisende hulp gesteld. De leden van de JA21-fractie vragen de Minister
of zij deelt dat juist om deze reden in alle ziekenhuizen voldoende SEH-artsen beschikbaar
moeten zijn.
Ook vragen genoemde leden of de Minister erkent dat de samenwerking tussen de SEH-arts
en de huisarts essentieel is voor zowel de kwaliteit als de betaalbaarheid van de
acute zorg. Hoe wordt deze samenwerking betrokken bij de besluitvorming over opleidingsplaatsen
en de spreiding van SEH-artsen over het land?
De leden van de JA21-fractie vinden het van belang dat de kwaliteit van acute zorg
overal in Nederland gelijkwaardig is. Kan de Minister aangeven hoe zij voorkomt dat
regionale verschillen ontstaan doordat sommige ziekenhuizen wel voldoende SEH-artsen
kunnen aantrekken en andere ziekenhuizen niet? Welke analyse heeft de Minister gemaakt
van de oorzaken waardoor sommige ziekenhuizen kampen met tekorten aan SEH-artsen,
terwijl andere ziekenhuizen hierin beter slagen?
Tot slot vragen de leden van de JA21-fractie of de Minister bereid is goede voorbeelden
van regionale samenwerking nadrukkelijker te betrekken bij het beleid. Deze leden
wijzen daarbij onder meer op samenwerkingen zoals Alkmaar-Den Helder, Venlo-Roermond
en Goes. Welke lessen trekt de Minister uit dergelijke voorbeelden en hoe kunnen deze
bijdragen aan een betere spreiding, beschikbaarheid en continuïteit van SEH-artsen
in alle regio’s?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister op
de brief van de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulpartsen (NVSHA) over de
opleidingscapaciteit voor SEH-artsen. Deze leden zien de problemen rondom de opleidingsplaatsen
voor SEH-artsen als opvallende casus binnen het grotere vraagstuk van de opleidingsplaatsen
voor meerdere groepen specialisten. Zij maken zich grote zorgen over de signalen vanuit
de praktijk over steeds verder oplopende werkdruk, personeelstekorten en de druk op
de toegankelijkheid van de acute zorg. Zij willen de Minister hierover de volgende
vragen voorleggen.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat het Capaciteitsorgaan in de meest recente
raming expliciet adviseert om het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen fors uit
te breiden, van 40 naar 60 plaatsen per jaar. Deze leden constateren dat dit advies
niet lichtvaardig tot stand komt, maar gebaseerd is op onafhankelijke analyses van
toekomstige zorgvraag, uitstroom, vergrijzing, arbeidsmarktontwikkelingen en signalen
uit de praktijk over de oplopende druk op de acute zorg.
De leden van de BBB-fractie merken daarnaast op dat adviezen van het Capaciteitsorgaan
in eerdere jaren veel gewicht kregen bij besluiten over het aantal opleidingsplaatsen
binnen medische vervolgopleidingen, ook wanneer deze adviezen leidden tot een verlaging
van de instroom. Deze leden vinden het daarom opvallend dat nu, bij een dringend advies
om de instroom van SEH-artsen fors te verhogen vanwege oplopende tekorten en toenemende
druk op de acute zorg, wel nadrukkelijk wordt gewezen op financiële kaders en terughoudendheid.
Kan de Minister toelichten waarom het advies van het Capaciteitsorgaan in dit geval
niet zonder meer leidend lijkt te zijn? Welke omstandigheden maken volgens de Minister
dat nu mogelijk van het advies wordt afgeweken? Kan de Minister daarnaast aangeven
of de regio hierbij disproportioneel geraakt wordt?
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de Minister het met hen eens is dat
juist in een sector waar sprake is van hoge werkdruk, groeiende personeelstekorten
en toenemende druk op de toegankelijkheid van zorg, terughoudendheid bij het opleiden
van extra zorgprofessionals moeilijk uitlegbaar is. Hoe voorkomt de Minister dat op
korte termijn wordt bespaard op opleidingscapaciteit, terwijl dit op langere termijn
juist kan leiden tot grotere tekorten en hogere maatschappelijke kosten?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de NVSHA waarschuwt voor een structureel en
fors tekort aan SEH-artsen, terwijl de druk op de spoedeisende hulp steeds verder
toeneemt door vergrijzing, complexere zorgvragen, problemen in de doorstroming binnen
ziekenhuizen en personeelstekorten elders in de keten. Deelt de Minister de opvatting
van deze leden dat juist op de spoedeisende hulp voldoende personeel van levensbelang
is voor patiënten en voor de veiligheid en houdbaarheid van de acute zorg? De leden
van de BBB-fractie lezen daarnaast dat de NVSHA spreekt over «verborgen vacatures»,
omdat ziekenhuizen uit financiële of strategische overwegingen niet alle openstaande
vacatures tegelijk publiceren. Daarnaast maken deze leden zich zorgen over de aankomende
pensioengolf. Kan de Minister concreet toelichten op welke wijze dit signaal wordt
meegenomen in de beoordeling van de benodigde opleidingscapaciteit? Is de Minister
bereid hierover aanvullend in gesprek te gaan met de NVSHA en het Capaciteitsorgaan,
zodat tekorten niet structureel worden onderschat?
De leden van de BBB-fractie constateren dat de NVSHA aangeeft dat er momenteel sprake
zou zijn van een tekort van circa 300 opgeleide SEH-artsen. Hoe beoordeelt de Minister
deze analyse? Acht de Minister het wenselijk dat SEH-afdelingen structureel draaien
op minimale bezetting, zonder ruimte voor ziekte, zwangerschap, scholing of uitval?
Hoe verhoudt dit zich volgens de Minister tot duurzame inzetbaarheid en het voorkomen
van burn-outs of uitstroom naar andere beroepen onder zorgprofessionals?
De leden van de BBB-fractie maken zich ernstig zorgen over de hoge werkdruk onder
SEH-artsen. Nu al behoren SEH-artsen internationaal tot de beroepsgroepen met de hoogste
druk en belasting, mede vanwege de onregelmatige diensten en de voortdurende acute
verantwoordelijkheid. Deelt de Minister de opvatting van de leden van de BBB-fractie
dat het onverstandig is om uitsluitend te sturen op «zo krap mogelijk roosteren»,
terwijl dit juist kan leiden tot extra uitval, hogere werkdruk en uiteindelijk nog
grotere personeelstekorten?
De leden van de BBB-fractie zijn blij dat er ondanks de hoge werkdruk toch voldoende
belangstelling bestaat onder sollicitanten voor de opleiding of omscholing tot SEH-arts
en dat er voldoende opleidingscapaciteit is bij opleidingsziekenhuizen. De opleiding
tot SEH-arts is daarnaast relatief kort. Kan de Minister toelichten waarom in een
sector met zulke grote tekorten en zulke hoge druk dan niet maximaal wordt ingezet
op uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen? En wat doet de Minister om omscholing
voor andere specialisten naar SEH-arts te bevorderen?
De leden van de BBB-fractie begrijpen uit de beantwoording van eerdere Kamervragen
dat het kabinet niet vooruit wil lopen op budgettaire besluitvorming. Deze leden vragen
de Minister echter of zij het met hen eens is dat financiële kaders nooit leidend
mogen zijn boven de toegankelijkheid en veiligheid van acute zorg. Hoe weegt de Minister
het risico mee dat onvoldoende opleidingsplaatsen nu zullen leiden tot grotere personeelstekorten,
meer SEH-noodstops, sluiting of afbouw van ziekenhuizen of afdelingen en hogere maatschappelijke
kosten in de toekomst?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister verwijst naar het Aanvullend Zorg-
en Welzijnsakkoord (AZWA), regionale samenwerking en technologische innovaties. Deze
leden erkennen dat dergelijke maatregelen kunnen bijdragen, maar constateren tegelijkertijd
dat technologie geen extra arts aan het bed zet wanneer de SEH overvol raakt. Deelt
de Minister de opvatting dat voldoende goed opgeleide zorgprofessionals uiteindelijk
de basis vormen van een toegankelijke acute zorgketen? Deelt zij ook de opvatting
dat technologische innovaties dus geen reden kunnen zijn om minder artsen op te leiden?
Zo nee, waarom niet?
Voor de leden van de BBB-fractie is de symbiose tussen huisarts en SEH-arts ook erg
belangrijk voor de kwaliteit en betaalbaarheid van ons systeem. Nederland heeft een
mooi en uniek systeem waarbij patiënten meestal eerst langs de huisarts gaan voor
ze naar de SEH gaan. Voor de huisarts is de SEH-arts een belangrijk contact binnen
het ziekenhuis, terwijl de SEH-arts veel heeft aan de huisarts dichterbij. Internationaal
onderzoek wijst erop dat het vertrek van SEH-artsen grote gevolgen heeft voor huisartsen
en leidt tot zorgwoestijnen. Op welke manier houdt de Minister rekening met deze symbiose
bij de besluitvorming rondom opleidingsplaatsen?
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister daarnaast of zij het met deze leden
eens is dat SEH-artsen een cruciale rol vervullen binnen de acute zorgketen en dat
voorkomen moet worden dat deze beroepsgroep overvraagd raakt. Welke concrete maatregelen
neemt de Minister specifiek om de duurzame inzetbaarheid van SEH-artsen te verbeteren
en uitstroom van artsen te voorkomen?
Steeds vaker is sprake van SEH-noodstops (een tijdelijke presentatiestop). Kan de
Minister aangeven hoe vaak dit momenteel voorkomt, hoe deze cijfers zich ontwikkelen
en in hoeverre personeelstekorten hierbij een rol spelen? Acht de Minister het risico
reëel dat SEH’s in de komende jaren vaker tijdelijk moeten afschalen indien de instroom
van nieuwe SEH-artsen onvoldoende groeit? Hoe beoordeelt de Minister voorts aan de
signalen vanuit de NVSHA dat steeds meer SEH’s werken met minimale bezetting, terwijl
de zorgvraag juist complexer wordt. Deelt de Minister de zorg dat dit uiteindelijk
ten koste kan gaan van kwaliteit, veiligheid en werkplezier?
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de spoedeisende hulp een cruciaal onderdeel
vormt van de levensvatbaarheid van regionale ziekenhuizen en van de bereikbaarheid
van acute zorg in de regio. Deze leden wijzen erop dat de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd (IGJ) recent nog kritisch was op nieuwe alternatieve verschijningsvormen
van acute zorg en dat bovendien recent een nieuw kwaliteitskader voor de acute zorg
is vastgesteld. Is de Minister het met de leden van de BBB-fractie eens dat het sluiten,
afbouwen of verschralen van SEH’s nooit het gevolg mag zijn van een tekort aan opleidingsplaatsen
voor SEH-artsen? Hoe voorkomt de Minister dat door een gebrek aan voldoende opleidingscapaciteit
uiteindelijk wordt getornd aan de scope, kwaliteit en continuïteit van de spoedeisende
hulp, juist in regionale ziekenhuizen en regio’s waar de druk op de bereikbaarheid
van zorg al groot is? Hoe kijkt de Minister in dat licht naar ontwikkelingen in onder
meer Denemarken, waar juist weer meer wordt ingezet op regionale spreiding van acute
zorg in plaats van verdere concentratie, mede omdat dit helpt om personeel beter te
behouden en aan te trekken. Welke lessen trekt de Minister uit deze ontwikkeling voor
de toekomst van de acute zorg in Nederland?
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister daarnaast of zij het ermee eens is
dat acute zorg meer moet zijn dan enkel een voorziening «waar je terecht kan als je
van een keukentrap gevallen bent, met een net te diepe snijwond of met pijn rechtsonder
in je buik» (SIRM, 2026). Hoe borgt de Minister dat regionale SEH’s ook in de toekomst
voldoende capaciteit, deskundigheid en breedte behouden om complexe acute zorg te
kunnen blijven leveren?
Voorts vragen de leden van de BBB-fractie hoe de Minister de samenhang ziet tussen
het tekort aan SEH-artsen en het tekort aan SEH-verpleegkundigen. In hoeverre versterken
deze tekorten elkaar op de werkvloer, bijvoorbeeld in termen van werkdruk, roosterproblemen
en risico op uitval? Welke integrale aanpak kiest de Minister om beide tekorten tegelijkertijd
aan te pakken?
Vaak zijn SEH-artsen veel tijd kwijt aan het organiseren van uitstroom van patiënten
naar andere afdelingen en instanties. De leden van BBB-fractie hebben het kabinet
eerder verzocht aan te geven welke instrumenten worden ingezet om de uitstroom te
verhogen. Daarop reageerde het kabinet vooral met middelen die de instroom beperken.
Kan de Minister daarom aangeven welke maatregelen specifiek worden genomen om uitstroom
van de SEH te bevorderen?
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie of de Minister bereid is om, mede gelet
op de signalen vanuit het veld, het advies van het Capaciteitsorgaan over substantiële
uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen alsnog volledig over
te nemen. Indien de Minister daartoe niet bereid is, kan zij dan concreet aangeven
welke gevolgen zij acceptabel acht voor de werkdruk, toegankelijkheid en continuïteit
en kwaliteit van de acute zorg?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister
op de brief van de NVSHA over het Capaciteitsorgaan en opleidingsplaatsen voor SEH-artsen
en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
Vragen inzake het thema 1 «Het advies van het Capaciteitsorgaan: onderbouwing en opvolging».
Deze leden zijn tevreden dat de Minister de opmerkingen over de absorptiecapaciteit
heeft aangepast voor wat betreft de SEH-artsen. De Minister geeft aan dat de NVSHA
«overtuigend heeft aangetoond dat er onder SEH-artsen meer sollicitanten dan opleidingsplaatsen
zijn». Kan de Minister aangeven of er ook sectoren zijn waar het aantal opleidingsplaatsen
groter is dan het aantal aanmeldingen of succesvolle sollicitaties?
Deze leden hechten sterk aan de objectiviteit van het Capaciteitsorgaan, ondanks het
feit dat hun schattingen wat deze leden betreft jarenlang te laag waren. Nu het advies
niet of wellicht niet overgenomen wordt proberen deze leden het advies en de opvolging
te doorgronden. Deze leden constateren dat de Minister in eerdere beantwoording1 het ramingsmodel beschrijft als een samenstel van factoren – waaronder demografie,
zorgvraag, vergrijzing, in- en uitstroom en opleidingscapaciteit – maar daarbij niet
specifiek ingaat op de verwerking van verborgen vacatures. Kan de Minister daarom
alsnog concreet aangeven op welke manier het Capaciteitsorgaan verborgen vacatures
meeneemt en in hoeverre dit bij eerdere adviezen het geval was?
Kan de Minister aangeven in hoeverre het huidige advies rekening houdt met de vergrijzing
van patiënten en hoeveel SEH-artsen nodig zijn om in dit scenario te voldoen? Kan
de Minister aangeven of op basis van het huidige advies de vergrijzing en pensioen
van SEH-artsen voldoende wordt gecoverd? En kan de Minister aangeven of er meer SEH-artsen
nodig zijn in het kader van weerbaarheid en defensie? En kan de Minister aangeven
op welke manieren deze redeneringen zijn meegenomen in het BOLS-advies?
Deze leden constateren dat de Minister enerzijds aangeeft niet vooruit te kunnen lopen
op de budgettaire besluitvorming, terwijl VWS anderzijds aan Stichting BOLS reeds
richtinggevende instructies voor het toewijzingsjaar 2027 heeft gegeven die uitdrukkelijk
zijn gericht op de huidige financiële kaders. Kan de Minister bevestigen dat het aantal
opleidingsplaatsen voor SEH-artsen voor 2027 daarmee feitelijk reeds door de bestaande
financiële kaders wordt begrensd, nog voordat de Kamer de kabinetsreactie op de ramingen
heeft ontvangen? Hoe verhoudt zich dit tot het uitgangspunt dat de zorginhoudelijke
raming van het Capaciteitsorgaan leidend is?
Deze leden constateren voorts dat de Minister het oplopende tekort vooral beantwoordt
met brede arbeidsmarktafspraken, zoals het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord en
het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg, die zien op het totale personeelstekort in zorg
en welzijn. Kan de Minister aangeven welke maatregelen specifiek zijn gericht op de
opleidingscapaciteit voor SEH-artsen, los van deze brede akkoorden?
De Kamer wordt door de Minister in het tweede kwartaal van dit jaar geïnformeerd over
de ramingen van het Capaciteitsorgaan over het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen
voor de periode 2027 tot 2030. Kan hierin ook duidelijk gemaakt worden hoe de verdeling
tussen civiel en militair voor deze jaren eruitziet? Zo nee, waarom niet? Kan deze
verdeling ook meegenomen worden in de integrale reactie op de ramingen die op dit
moment wordt voorbereid?
Vragen inzake het thema 2 «Opleidingsplaatsen via het Instituut Samenwerking Defensie
en Relatieziekenhuizen (IDR)». Genoemde leden hebben een aantal vragen over het Instituut
Samenwerking Defensie en Relatieziekenhuizen (IDR). Het IDR verbindt de Nederlandse
krijgsmacht met veertien civiele relatieziekenhuizen, onder andere met het doel om
traumateams te trainen en gereed te houden voor inzet, zodat militaire zorgverleners
hun specialistische vaardigheden op peil kunnen houden. Een van de onderdelen van
deze samenwerking is dat er SEH-artsen werkzaam bij Defensie, worden opgeleid in een
van de relatieziekenhuizen en hierbij op een opleidingsplaats voor een SEH-arts geplaatst
worden. Het gaat hierbij dus specifiek over de medisch specialisten in opleiding tot
spoedeisende hulp arts, de AIOS die via het IDR werken. Gaan de opleidingsplekken
die voor Defensie beschikbaar zijn in de relatieziekenhuizen, ten koste van het landelijke
aantal beschikbare opleidingsplaatsen of zijn dit extra opleidingsplekken? Genoemde
leden vragen hierbij een overzicht van de aantallen SEH-artsen die zijn opgeleid via
het IDR in de afgelopen 10 jaar, met daarbij inzichtelijk hoeveel per jaar in welk
relatieziekenhuis.
Vragen inzake het thema 3. «Financiering van de opleidingsplaatsen». Wie financiert
deze opleiding, het Ministerie van Defensie of het relatieziekenhuis? Wie ontvangt
de beschikbaarheidsbijdrage die vanuit het Ministerie van VWS aan deze opleidingsplek
beschikbaar gesteld wordt, Defensie of het relatieziekenhuis? Hoeveel beschikbaarheidsbijdrage
keert VWS uit voor 1 opleidingsplek van een arts in opleiding tot specialist/AIOS
(SEH-arts)?
Deze leden constateren dat sinds 1 januari 2025 ook modules van de verpleegkundige
vervolgopleidingen vanuit de beschikbaarheidsbijdrage worden bekostigd. Tegen die
achtergrond vragen deze leden hoe de financiering voor de mensen in opleiding via
het IDR in brede zin wordt geregeld wanneer de SEH’s bekostigd gaan worden middels
budgetbekostiging.
Kan de Minister aangeven wat de meerkosten zijn voor het opleiden van alle SEH-artsen
conform het advies van het Capaciteitsorgaan? En wat de meerkosten zijn bij het volledig
opleiden van alle medisch specialisten conform het Capaciteitsorgaan?
Vragen inzake het thema 4. «Toegankelijkheid van acute zorg en de positie van regionale
ziekenhuizen». Deze leden benadrukken dat juist acute zorg toegankelijk moet zijn.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) stelt dat acute zorg bij
uitstek tijdsgebonden (spoedeisende) zorg is die moet worden verleend in situaties
waarin direct, of binnen enkele minuten tot uren, medisch ingrijpen noodzakelijk is.
Het doel is het voorkomen van overlijden, blijvende gezondheidsschade of het behandelen
van hevige pijn en acute ongerustheid. Deze leden maken zich zorgen over de gevolgen
van het gebrek aan opleidingscapaciteit voor de regionale ziekenhuizen. Kan de Minister
toelichten in welke ziekenhuizen de personeelstekorten onder artsen het grootst zijn?
Kan de Minister aangeven in hoeverre het gebrek aan opleidingsplaatsen regionale ziekenhuizen
disproportioneel raakt? Kan de Minister benadrukken dat toegankelijke acute zorg een
essentieel onderdeel is van toekomstbestendigheid?
Deze leden constateren dat de Minister de inrichting van de acute zorg, waaronder
de beschikbaarheid en kwaliteit van de spoedeisende zorg, grotendeels belegt bij regionale
afspraken in het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord en het Integraal
Zorgakkoord. Deze leden wijzen erop dat juist de regio’s met de grootste personeelstekorten
daarmee voor de zwaarste opgave staan. Kan de Minister aangeven hoe wordt voorkomen
dat het overlaten aan regionale afspraken leidt tot een ongelijke beschikbaarheid
van acute zorg, en welke landelijke ondergrens de Minister daarbij hanteert?
Vragen inzake het thema 5. «Normen en kwaliteitskader voor de acute zorg». Deze leden
vrezen daarbij dat een tekort aan opleidingsplaatsen op (korte) termijn zal leiden
tot nieuwe tijdrovende discussies over kwaliteit of profiel van regionale ziekenhuizen.
Kan de Minister aangeven wat de minimale bezetting van acute zorg en SEH is? Kan de
Minister aangeven of er inmiddels betere normen zijn dan de 45-minutennorm om reisafstand
te meten? Kan de Minister het huidige kwaliteitskader en de workforce SEH waaraan
wordt gerefereerd in Zorgvisie inclusief de looptijd delen met de Kamer?
Deze leden constateren dat de Minister heeft aangekondigd de regelgeving rond het
afschalen of (tijdelijk) sluiten van een SEH aan te scherpen, en dat beide Kamers
hiervan nog voor de zomer een concept ontvangen. Kan de Minister de Kamer informeren
over de stand van zaken en de hoofdlijnen van deze aanscherping, en aangeven hoe deze
zich verhoudt tot het tekort aan opleidingsplaatsen voor SEH-artsen?
Vragen inzake thema 6. «Pandemische paraatheid en opschaalbaarheid van de SEH-capaciteit».
De leden van de Groep Markuszower constateren dat de SEH bij een pandemie of grootschalige
gezondheidscrisis de eerste piek aan patiënten opvangt, terwijl de opleiding tot SEH-arts
meerdere jaren duurt en dus niet op korte termijn kan worden opgeschaald. Een structureel
tekort betekent daarmee dat er geen buffer is voor crisisopschaling. Kan de Minister
aangeven of de ramingen van het Capaciteitsorgaan voor SEH-artsen voor 2027–2030 uitsluitend
uitgaan van de reguliere zorgvraag, of dat daarin ook de benodigde opschaalcapaciteit
voor een pandemie of crisis is meegewogen?
Deze leden constateren dat de Minister in eerdere beantwoording op de vraag of het
verantwoord is dat SEH-afdelingen zonder buffer opereren, heeft verwezen naar de mogelijkheid
van een tijdelijke presentatiestop. Deze leden merken op dat een presentatiestop een
noodmaatregel binnen de reguliere zorg is en geen opschaalbare crisiscapaciteit. Kan
de Minister aangeven hoe de acute zorg bij een pandemie of grootschalige crisis kan
opschalen wanneer er in de reguliere situatie reeds geen buffer beschikbaar is?
Genoemde leden constateren dat het kabinet in het kader van pandemische paraatheid
de verkorte opleiding Basis Acute Zorg heeft ingericht, die zich richt op het breder
en flexibeler opleiden van verpleegkundigen, en daarnaast de Nationale Zorgreserve
heeft opgezet. Kan de Minister bevestigen dat deze instrumenten niet voorzien in volwaardig
opgeleide SEH-artsen, en toelichten hoe het tekort aan juist deze beroepsgroep in
een crisissituatie wordt opgevangen? Maken SEH-artsen onderdeel uit van de Nationale
Zorgreserve?
De leden van de Groep Markuszower wijzen erop dat een deel van de SEH-capaciteit via
het IDR verbonden is met Defensie. Kan de Minister aangeven of bij een gelijktijdige
militaire en civiele crisis een spanning ontstaat tussen de inzet van militaire SEH-artsen
voor Defensie en de bezetting van de civiele SEH’s?
Tot slot vragen deze leden of de Minister bereid is om in de integrale reactie op
de ramingen expliciet in te gaan op de vraag of de geadviseerde opleidingsaantallen
voor SEH-artsen volstaan voor een pandemie- of crisisscenario, en zo nodig een afzonderlijke
paraatheidsmarge te benoemen.
Deze leden vragen de Minister aan te geven wat de tijdslijn is om te komen tot een
definitieve beslissing. Kan de Minister deze vragen beantwoorden ten behoeve van het
Notaoverleg arbeidsmarktbeleid in de zorg?
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.