Verslag van een bijeenkomst : Verslag van drie Interparlementaire bijeenkomsten over AI (AI-Days)
26 643 Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
N/ Nr. 1512
VERSLAG VAN DRIE INTERPARLEMENTAIRE BIJEENKOMSTEN OVER AI (AI-DAYS)
Vastgesteld op 18 mei 2026
Een delegatie van de Tweede Kamer en een delegatie van de Eerste Kamer hebben op 14
en 15 april 2026 deelgenomen aan (onderdelen van) de AI Days met nationale parlementen
in het Europees Parlement in Brussel. De delegatie van de Tweede Kamer bestond uit
de leden El Boujdaini (D66), Zwinkels (CDA), Kathmann (GroenLinks-PvdA, online) en Van den Berg (JA21). De delegatie van de Eerste Kamer bestond uit de leden Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Wijk (BBB) en Van de Sanden (fractie-Van de Sanden). De delegatie brengt hierbij verslag uit van deze bijeenkomst.
De AI Days werden georganiseerd door het Europees Parlement en brachten leden van
nationale parlementen en het Europees Parlement (EP) samen om van gedachten te wisselen
over de institutionele implicaties van kunstmatige intelligentie (AI), de impact op
democratische processen en de arbeidsmarkt, en de implementatie van de AI-verordening.
Het programma bestond uit twee interparlementaire commissiebijenkomsten en een bijeenkomst
van de AI Act werkgroep in het EP over de implementatie en handhaving van de AI-verordening.
Interparlementaire commissiebijeenkomst over de Institutionele aspecten van AI in
de context van Europese integratie
Op 14 april 2026 hebben enkele leden van de delegaties deelgenomen aan de interparlementaire
commissiebijeenkomst van de commissie voor Constitutionele Zaken (AFCO) van het Europees
Parlement, getiteld «Institutionele aspecten van kunstmatige intelligentie in de context van Europese
integratie». De vergadering werd georganiseerd door de AFCO-commissie, met ondersteuning van het
Directoraat voor Betrekkingen met Nationale Parlementen. Deze bijeenkomst had als
doel om met nationale parlementen uit EU-lidstaten en kandidaat-lidstaten van gedachten
te wisselen over drie hoofdthema’s: internationale samenwerking rond AI, interparlementaire
samenwerking (inclusief een mogelijk AI-observatorium) en de impact van AI op verkiezingen
en mogelijke hervorming van Europees kiesrecht en verdragen.
De bijeenkomst werd geopend door:
• Sven Simon, voorzitter van de commissie Constitutionele Zaken van het Europees Parlement;
• Roberta Metsola, voorzitter van het Europees Parlement;
• Henna Virkkunen, uitvoerend vice-voorzitter voor technologische soevereiniteit, veiligheid
en democratie van de Europese Commissie.
In de openingsbijdragen werd benadrukt dat AI aanzienlijke kansen biedt, maar ook
risico’s met zich meebrengt voor onder meer verkiezingen, publieke opinievorming en
fundamentele rechten. Deze risico’s moeten we als Europese Unie beperken via regelgeving.
Tegelijkertijd werd onderstreept dat deze regelgeving ruimte moet laten voor innovatie.
Er werd gewezen op het risico van fragmentatie tussen lidstaten en het belang van
Europese investeringen in AI-infrastructuur, data en energievoorziening. Ook werd
aandacht besteed aan de maatschappelijke impact van AI, waaronder veranderingen op
de arbeidsmarkt en de noodzaak om deze transitie actief te begeleiden.
Keynote speech
De keynote speech werd verzorgd door Amandeep Singh Gill, Vice-secretaris-generaal
van de Verenigde Naties en speciaal gezant voor digitale en opkomende technologieën.
Gill benadrukte dat AI een mondiale ontwikkeling is, die vraagt om een gecoördineerde
internationale respons. Hij onderscheidde drie centrale thema’s:
• het grensoverschrijdende karakter van AI en de noodzaak van internationale samenwerking;
• de combinatie van economische kansen en maatschappelijke risico’s, waaronder desinformatie
en manipulatie;
• de concentratie van macht bij een beperkt aantal actoren, wat ongelijkheid kan versterken.
Volgens Gill heeft Europa een voortrekkersrol gespeeld in het ontwikkelen van een
waardengedreven digitale agenda en kan het nu ook een brug slaan tussen regulering
en innovatie binnen het thema AI. Daarbij blijft het van belang om kernprincipes zoals
mensenrechten, rechtsstaat en het algemeen belang te waarborgen. Ook wees hij op de
noodzaak van zowel «hard law» (verdragen) als «soft governance» in multilaterale samenwerking.
Ook vond een discussie plaats in het kader van het conceptrapport van rapporteur Emmanouil
Kefalogiannis (Europees Parlement) over de institutionele aspecten van AI.1 Kefalogiannis benadrukte dat AI vraagt om een internationaal governancekader, vergelijkbaar
met eerdere verdragen rond strategische en potentieel destabiliserende technologieën.
Europa zou daarin volgens hem niet aan de zijlijn moeten staan, maar juist een leidende
rol moeten nemen in het vormgeven van mondiale standaarden. Centraal stond daarbij
de noodzaak om democratische controle te versterken, met nadruk op transparantie,
verantwoording en institutionele weerbaarheid in een tijd waarin algoritmische systemen
steeds meer invloed krijgen op besluitvorming en publieke opinie.
In dezelfde discussie waarschuwde Gheorghe Piperea, rapporteur voor advies namens
de commissie Internal Market and Consumer Protection (IMCO), voor overregulering en
pleitte hij voor een zorgvuldige balans tussen innovatie en bescherming. Hij onderstreepte
dat AI inderdaad nieuwe risico’s meebrengt voor democratische processen, zoals beïnvloeding
van de publieke opinie, maar stelde dat dit niet moet leiden tot een te zwaar of centralistisch
Europees kader. Volgens hem is het essentieel dat het bestaande verkiezings- en institutionele
kader wordt gemoderniseerd, zonder nationale bevoegdheden te ondermijnen of democratische
flexibiliteit te verliezen. Hij pleitte daarom voor een pragmatische benadering, waarin
AI vooral wordt gezien als ondersteunend instrument voor instituties, en niet als
vervanging van menselijke besluitvorming of politieke verantwoordelijkheid.
Panel I: Horizontale parlementaire samenwerking op het gebied van AI.
Tijdens het eerste panel vond een gedachtewisseling plaats tussen het panel, de leden
van nationale parlementen en het Europees Parlement over interparlementaire samenwerking
en AI-governance. Het panel bestond uit:
• James Geoghegan, lid van het Europees Parlement en vicevoorzitter van de commissie
voor AI van het Ierse parlement;
• Thierry Sother, lid van de Franse Nationale Assemblée en vicevoorzitter van de commissie
Europese Zaken van de Franse Nationale Assemblée.
Tijdens het eerste panel stond de versterking van interparlementaire samenwerking
rond AI centraal. In de bijdragen van de panelleden en de daaropvolgende gedachtewisseling
werd breed erkend dat AI zich grensoverschrijdend ontwikkelt, wat vraagt om intensievere
en meer gestructureerde samenwerking tussen parlementen.
Geoghegan benadrukte dat AI niet alleen een technologisch, maar nadrukkelijk ook een
constitutioneel en democratisch vraagstuk is. Volgens hem moeten parlementen voorkomen
dat zij reactief opereren en juist actief richting geven aan de governance van AI.
Hij onderstreepte daarbij het belang van versterking van parlementaire expertise en
noemde een mogelijk AI-observatorium als instrument om kennisdeling en toezicht te
verbeteren.
Sother legde de nadruk op de noodzaak van structurele interparlementaire samenwerking.
Hij stelde dat geen enkel nationaal parlement in staat is om de impact van AI zelfstandig
te adresseren, gezien de grensoverschrijdende aard van technologie en informatiestromen.
Volgens hem zijn meer operationele en structurele samenwerkingsvormen nodig, waarin
parlementen niet alleen best practices delen, maar ook concrete ervaringen met implementatie,
toezicht en incidenten.
In de gedachtewisseling met nationale parlementen werd het spanningsveld tussen enerzijds
een sterker institutioneel kader en anderszijds overregulering verder verdiept. Meerdere
parlementariërs benadrukten dat AI leidt tot concentratie van macht en informatie
bij een beperkt aantal actoren, wat risico’s oplevert voor democratische controle.
Tegelijk werd gewezen op de noodzaak om parlementen beter toe te rusten, onder meer
via investeringen in kennis, AI-geletterdheid en institutionele capaciteit. Daarnaast
werd breed erkend dat harmonisatie op Europees niveau noodzakelijk is om fragmentatie
te voorkomen, maar dat tegelijkertijd ruimte moet blijven voor nationale invulling.
Ook werd gewezen op het belang van betrokkenheid van regionale en lokale overheden,
aangezien de toepassing van AI in toenemende mate op decentraal niveau plaatsvindt.
Overkoepelend kwam naar voren dat effectieve parlementaire betrokkenheid bij AI vraagt
om versterkte interparlementaire samenwerking, een betere informatiepositie en een
duidelijke rolverdeling tussen Europees en nationaal niveau. Zonder deze randvoorwaarden
bestaat het risico dat parlementen onvoldoende grip houden op een technologisch en
maatschappelijk zeer dynamisch dossier.
Panel II: Democratische waarborgen in de Europese Unie: verkiezingsintegriteit en
institutionele ontwikkeling.
Het tweede panel richtte zich op de impact van AI op democratische processen en verkiezingen.
Het panel bestond uit:
• Catherine Morin-Desailly, vicevoorzitter van de commissie Europese zaken van de Franse
Senaat;
• Marco Lombardo, lid van de commissie EU-beleid van de Italiaanse Senaat;
• Riina Sikkut, lid van de commissie Financiën van het Estse parlement.
Het tweede panel richtte zich op de impact van AI op democratische processen, met
bijzondere aandacht voor verkiezingen, publieke opinievorming en institutionele weerbaarheid.
Centraal stond de vraag in hoeverre het huidige juridische en institutionele kader
toereikend is om deze ontwikkelingen het hoofd te bieden.
Een belangrijk uitgangspunt in de discussie, onder meer benadrukt door Morin-Desailly,
was dat AI niet slechts een technologische of economische ontwikkeling is, maar in
de kern een democratische uitdaging vormt. De inzet van algoritmes raakt direct aan
fundamentele vragen over wie besluiten neemt, op basis van welke informatie en welke
democratische controle hierover plaatsvindt. Daarmee zou de focus moeten verschuiven
van louter regulering van technologie naar de bescherming van democratische processen
en instituties. In dat licht werd benadrukt dat parlementen hun rol actiever moeten
invullen en beter toegerust moeten zijn om deze ontwikkelingen te sturen.
Tegelijkertijd werd breed gewezen op de risico’s voor verkiezingsintegriteit en publieke
opinievorming. AI maakt het mogelijk om op grote schaal en met hoge snelheid desinformatie
te verspreiden, bijvoorbeeld via deepfakes en microtargeting. Zoals ook door Sikkut
werd benadrukt, kan dit het publieke debat verstoren en het vertrouwen in verkiezingen
onder druk zetten, mede door de toename van buitenlandse inmenging en de uitdaging
om feit en fictie van elkaar te onderscheiden. De grensoverschrijdende aard van deze
technologieën maakt dat nationale maatregelen op zichzelf onvoldoende zijn, wat de
noodzaak van Europese samenwerking en coördinatie onderstreept.
Naast deze risico’s werd ook aandacht besteed aan de kansen die AI kan bieden voor
democratische processen. Sikkut wees er in dit verband op dat AI juist ook kan bijdragen
aan betere informatievoorziening en meer toegankelijke burgerparticipatie, bijvoorbeeld
door meertalige communicatie. Dit onderstreept dat niet alleen moet worden gekeken
naar risico's, maar dat ook gekeken moet worden naar hoe technologie kan bijdragen
aan democratische vernieuwing.
Een terugkerend thema in het panel was de vraag of het huidige juridische kader nog
aansluit bij deze ontwikkelingen. In lijn met eerdere bijdragen van onder meer Sother
werd benadrukt dat bestaande regels rondom verkiezingen en politieke communicatie
onvoldoende zijn toegesneden op de digitale en AI-gedreven realiteit. Tegelijkertijd
werd onderkend dat verkiezingssystemen sterk nationaal verankerd zijn, wat maakt dat
volledige harmonisatie niet vanzelfsprekend is. Dit leidt tot een spanningsveld tussen
de behoefte aan Europese afstemming en het behoud van nationale democratische structuren.
Daarnaast kwam het vraagstuk van macht en ongelijkheid nadrukkelijk naar voren. De
ontwikkeling en toepassing van AI zijn in sterke mate geconcentreerd bij een beperkt
aantal actoren, wat risico’s met zich meebrengt voor transparantie en democratische
controle. Verschillende deelnemers benadrukten daarom het belang van investeringen
in kennis en AI-geletterdheid, zodat parlementen en burgers beter in staat zijn om
deze technologie te begrijpen en te beoordelen.
Overkoepelend werd duidelijk dat AI een structurele impact heeft op democratische
processen en instituties. Het waarborgen van verkiezingsintegriteit en democratische
legitimiteit vraagt om een combinatie van passende regelgeving, sterke parlementaire
en institutionele toerusting en intensieve samenwerking tussen lidstaten en Europese
instellingen. Daarbij blijft het essentieel om een balans te vinden tussen technologische
innovatie, bescherming van fundamentele rechten en respect voor nationale democratische
tradities.
Interparlementaire commissievergadering Menselijk werk in het digitale tijdperk –
AI, nieuwe vormen van werken en werkgerelateerde stress
Op 15 april 2026 hebben enkele leden van de delegaties deelgenomen aan de interparlementaire
commissievergadering van de commissie voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken (EMPL),
getiteld «Menselijk werk in het digitale tijdperk – AI, nieuwe vormen van werken en werkgerelateerde
stress».
De vergadering werd geopend door:
• Li Andersson, voorzitter van de Commissie voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken van het Europees Parlement;
• Marinos Moushouttas, Minister van Arbeid en Sociale Verzekeringen, Cypriotisch voorzitterschap
van de Raad van de EU;
• Manuela Geleng, directeur Werkgelegenheid en Vaardigheden, Europese Commissie, directoraat-generaal
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie.
In de openingsbijdrage werd digitalisering en AI op de arbeidsmarkt neergezet als
een centrale beleidsopgave voor de EU. Het voorzitterschap benadrukte dat het ontwikkelen
van vaardigheden en levenslang leren prioriteit is, omdat niet alle werknemers toegang
hebben tot AI-technologie en digitale scholing. De Europese Commissie gaf aan dat
er momenteel data wordt verzameld over de impact van AI op werk, in het kader van
de voorbereiding van de Quality Jobs Act, gericht op een balans tussen bescherming
van werknemers en concurrentiekracht van bedrijven, met name het MKB.
Anderson stelde dat AI geen duidelijke afname van het totale aantal banen laat zien,
maar wel een verschuiving in type werk en een sterke toename in vraag naar digitale
en AI-vaardigheden. Tegelijk waarschuwde zij voor risico’s zoals intensivering van
werk, verlies van autonomie, surveillance en mogelijke dehumanisering van werk. Bestaande
EU-kaders zoals de AI-Verordening, de Algemene Verordening Gegevensbescherming (EU)
2016/679 en de Richtlijn (EU) 2024/2831 betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden
bij platformwerk, bieden volgens haar al een stevige basis, maar verschillen tussen
lidstaten blijven bestaan en moeten worden meegenomen in toekomstige regelgeving.
In de opening werd daarmee een duidelijke spanning geschetst tussen innovatie en bescherming,
waarbij zowel productiviteitsgroei als sociale risico’s centraal werden gesteld.
Sessie I: Aanpassing van het digitale en sociale acquis aan nieuwe vormen van werk
De eerste sessie richtte zich op de kansen en uitdagingen van algoritmisch management
en de rol van regelgeving bij het waarborgen dat de digitale transformatie van werkplekken
hand in hand gaat met kwalitatief goed werk. Als uitgangspunt diende onder meer de
resolutie van het Europees Parlement waarin de Europese Commissie wordt opgeroepen
tot voorstellen over algoritmisch management op de werkvloer, evenals recente wetgevende
ontwikkelingen, met name de Richtlijn Platformwerk (Richtlijn (EU) 2024/2831), die
voortbouwt op het sociale en digitale acquis van de EU.
De sessie werd ingeleid met een keynote door Nuno Meira Simoes da Cunha, Senior specialist
arbeidsmarktinstituties bij de International Labour Organization (ILO). Vervolgens
gaven de volgende sprekers een reactie:
• Marc Angel, voorzitter van de Monitoringgroep voor de Richtlijn Platformwerk;
• Andrzej Buła, rapporteur van de EMPL-commissie voor digitalisering, kunstmatige intelligentie
en algoritmisch management op de werkvloer;
• Michael McNamara, mede-rapporteur LIBE voor de digitale omnibus over AI en medevoorzitter
van de IMCO-LIBE werkgroep over de implementatie en handhaving van de AI-verordening;
• Alberto Mayoral, lid van de Commissie Werkgelegenheid van het Spaanse parlement;
• Pascale Gruny, vicevoorzitter van de commissie Sociale Zaken van de Franse Senaat;
De sessie maakte duidelijk dat algoritmisch management en platformwerk leiden tot
een fundamentele herstructurering van de arbeidsmarkt, waarvoor zowel op Europees
als internationaal niveau nieuwe regelgevingskaders moeten worden ontwikkeld. Tegelijkertijd
werd zichtbaar dat er verschillen bestaan in de benadering daarvan, met name ten aanzien
van de balans tussen bescherming van werkenden, innovatie, uitvoerbaarheid en economische
concurrentiekracht.
In zijn keynote benadrukte Cunha (ILO) dat algoritmisch management een steeds grotere
rol speelt bij werving, taaktoewijzing, monitoring, training en planning van werktijden.
Dit brengt volgens hem efficiëntievoordelen met zich mee, maar ook duidelijke risico’s
op een ongelijke behandeling. Hij wees daarnaast op lacunes in bestaande internationale
arbeidsnormen, met name bij grensoverschrijdende platformarbeid. De ILO werkt daarom
aan een wereldwijd normenkader voor «decent work in the platform economy», dat zich
richt op transparantie, toegang tot informatie, respect voor fundamentele arbeidsrechten
en het recht op menselijke toetsing van algoritmische besluiten.
Vanuit het Europees Parlement positioneerde Angel de Richtlijn Platformwerk als de
eerste integrale poging om algoritmisch management binnen de EU te reguleren. De richtlijn
stelt voor het eerst expliciete grenzen aan het gebruik van algoritmes bij taaktoewijzing,
monitoring en besluitvorming over werkenden. Kernprincipes zijn transparantie, beperkingen
op het gebruik van gevoelige data en menselijke tussenkomst. Tegelijk benadrukte hij
dat de waarde van de richtlijn sterk afhankelijk is van implementatie en handhaving
door lidstaten, anders zouden het slechts regels op papier zijn.
Angel waarschuwde dat recente voorstellen van de Europese Commissie (de Omnibus AI
en de Omnibus Digitaal) bestaande waarborgen, zoals die voortvloeien uit de AVG, kunnen
verzwakken, waardoor transparantie en toezicht minder effectief worden en verschillen
tussen werkenden kunnen toenemen. McNamara onderschreef dit nadrukkelijk. Hij wees
erop dat de AI-verordening nog niet volledig is geïmplementeerd, maar reeds wordt
aangepast zonder dat de Europese Commissie een formeel impact assessment heeft uitgevoerd.
Volgens hem staan drie punten centraal: het afzwakken van verplichtingen rond AI-geletterdheid,
het verruimen van de mogelijkheden voor het verwerken van gevoelige persoonsgegevens
bij bias-detectie en het schrappen van registratieverplichtingen voor AI-systemen.
Hij zet in op aanscherping, onder meer door strengere voorwaarden voor het verwerken
van gevoelige persoonsgegevens, uitbreiding van waarborgen en het behoud van registratie
van AI-systemen in plaats van zelfevaluatie als essentieel instrument voor toezicht
en handhaving. Volgens McNamara zijn deze elementen cruciaal voor de bescherming van
fundamentele rechten en effectieve controle op AI-systemen.
Tegenover deze nadruk op regulering en waarborgen werd door Buła benadrukt dat goed
ontworpen regelgeving innovatie niet belemmert, maar juist bijdraagt aan vertrouwen,
rechtszekerheid en eerlijke concurrentie tussen werkgevers en werknemers.
Mayoral onderstreepte dat regelgeving alleen onvoldoende is en dat effectieve implementatie
van AI in de arbeidsmarkt afhankelijk is van investeringen in digitale vaardigheden,
opleiding en een sterke rol voor sociale dialoog en vakbonden. Gruny wees in dit verband
op de Franse praktijk, waarin via institutionele structuren en sectorale akkoorden
wordt gewerkt aan versterking van de positie van platformwerkers. Zij wees daarnaast
op onderzoek dat wijst op negatieve effecten van algoritmisch management op mentale
gezondheid, onder meer door ondoorzichtige beloningsstructuren en prestatiedruk.
De gedachtewisseling tussen de delegaties van de aanwezige lidstaten draaide vooral
om de vraag hoe de arbeidsmarkt moet omgaan met de snelle opkomst van AI en platformwerk,
en hoe daarbij een balans kan worden gevonden tussen bescherming van werkenden, economische
concurrentiekracht en uitvoerbaarheid van regels. Er werd verschillende malen gewezen
op het belang van transparantie in algoritmische besluitvorming, met name dat werknemers
inzicht moeten hebben in de besluiten die hen raken en dat toezichthouders voldoende
zicht moeten houden op AI-systemen. Ook de brede economische impact van AI kwam terug,
inclusief de ongelijkheid in een groot deel van de bedrijven, met name in het MKB,
dat nog onvoldoende is toegerust voor AI-toepassing. Dit vergroot het risico op ongelijkheid.
Tegelijk werd breed benadrukt dat de transitie alleen kan slagen met stevige investeringen
in digitale vaardigheden, training en ondersteuning.
De sessie laat daarmee een gelaagd beeld zien: er is brede steun voor regulering van
algoritmisch management en platformwerk, maar tegelijkertijd bestaan er zorgen over
innovatiemogelijkheden, mogelijke verzwakking van bestaande waarborgen, verschillen
in nationale accenten en een sterke behoefte aan aanvullende maatregelen op het gebied
van implementatie, toezicht, vaardigheden en sociale dialoog.
Sessie II: Digitalisering van de werkplek en psychosociale risico’s
De tweede sessie ging in op arbeidsomstandigheden en nieuwe vormen van werk, met bijzondere
aandacht voor het beter adresseren van psychosociale risico’s op EU-niveau. Dit onderwerp
staat centraal in een lopend wetgevend initiatief van de commissie werkgelegenheid
en sociale zaken (EMPL), die momenteel werkt aan een rapport op basis van artikel 225
VWEU.2 De bijeenkomst diende daarnaast als platform om gemeenschappelijke uitdagingen te
identificeren en ervaringen en best practices tussen lidstaten uit te wisselen. De
uitkomsten zullen tevens worden meegenomen in het werk van de commissie rond digitalisering
en automatisering op de werkvloer, in aanloop naar verwachte Commissie-initiatieven
tegen het einde van het jaar in het kader van de aangekondigde Quality Jobs Act.
De sessie werd ingeleid met een keynote door William Cockburn, uitvoerend directeur
van het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA). Vervolgens
gaven de volgende sprekers een reactie:
• Estelle Ceulemans, rapporteur van het EMPL-eigen initiatiefverslag over psychosociale
risico’s, stress en mentale gezondheid op het werk;
• Marko Pavić, lid van de commissie Onderwijs, Wetenschap en Cultuur van het Kroatische
parlement;
• Adam Gomoła, vicevoorzitter van de commissie Europese Zaken van de Poolse Sejm;
• Giulio Romani, confederaal secretaris van de Europese Vakbondsconfederatie (ETUC);
• Isaline Ossieur, senior-adviseur bij BusinessEurope.
De sessie draaide om de toenemende psychosociale risico’s van digitalisering en AI
op de werkvloer, zoals stress, burn-out en verlies van autonomie. In de keynote van
Cockburn (EU-OSHA) werd geschetst dat digitalisering en plaatsonafhankelijk werken
sterk zijn toegenomen en dat psychosociale risico’s wijdverspreid zijn: bijna de helft
van de werknemers ervaart werkdruk of tijdsdruk, en een aanzienlijk deel ervaart stress,
angst of fysieke klachten. Hij legde een duidelijke link tussen de inzet van digitale
technologie en hogere werkintensiteit, minder autonomie en meer communicatieproblemen.
Tegelijk benadrukte hij ook mogelijke voordelen van digitalisering, zoals efficiëntere
risico-detectie en preventie via technologie (bijv. sensoren, VR en wearables). Zijn
centrale boodschap: digitalisering moet mensgericht en transparant worden ingericht.
Ceulemans bouwt hierop voort, maar legt de nadruk op de noodzaak van nieuwe Europese
wetgeving. Volgens haar schiet het huidige arbokader tekort voor psychosociale risico’s,
zeker door digitale monitoring en AI. Zij pleit voor een richtlijn met sterkere bescherming,
meer aandacht voor kwetsbare groepen en een grotere rol voor werknemersvertegenwoordiging.
Romani gaat nog verder en stelt dat psychosociale risico’s door digitalisering structureel
en systemisch zijn: het vervaagt de grens tussen werk en privé, leidt tot langere
werktijden en verhoogde stress, en algoritmisch management vergroot controle en monitoring.
Hij benadrukte vooral het gebrek aan transparantie: werknemers weten vaak niet op
basis waarvan beslissingen over werk, loon of inzet worden genomen. Volgens hem is
het huidige EU-kader onvoldoende en is bindende EU-regelgeving nodig, inclusief recht
op informatie, consultatie en beperking van dataverwerking.
Daartegenover plaatste Ossieur een duidelijk contrasterend perspectief. Zij erkende
dat mentale gezondheid belangrijk is, maar stelde dat er geen «one size fits all»-oplossing
bestaat. Volgens haar verschillen nationale systemen sterk en laten de data geen eenduidig
beeld zien: hoge werkdruk leidt niet automatisch tot slechtere mentale gezondheid.
Zij waarschuwde dat te complexe regelgeving vooral kleine en middelgrote ondernemingen
kan belasten en niet noodzakelijk tot betere resultaten leidt.
In de politieke bijdragen werd digitalisering breed erkend als structurele transformatie.
Verschillende nationale parlementen brachten hierbij hun eigen accenten aan. Gomoła
benadrukte bijvoorbeeld de maatschappelijke impact van digitalisering en waarschuwde
voor het «altijd-aan»-effect en verlies van controle; hij pleitte voor sterkere afdwingbare
normen en bescherming van privétijd. Andere bijdragen onderstreepten juist het belang
van vaardigheden, inclusiviteit en sociale dialoog, maar verschillen in de mate waarin
Europese harmonisatie wenselijk is.
De kernconclusie van de sessie was dat digitalisering onvermijdelijk leidt tot diepgaande
veranderingen in werk, maar dat de maatschappelijke uitkomst sterk afhangt van de
mate waarin mensgericht ontwerp, transparantie en preventie van psychosociale risico’s
worden ingebouwd in beleid en praktijk, op Europees of nationaal niveau.
Interparlementaire Commissiebijeenkomst over de AI-verordening
Op 15 april 2026 hebben enkele leden van de delegaties ook deelgenomen aan de bijeenkomst
van de gezamenlijke IMCO-LIBE werkgroep over de implementatie en handhaving van de
AI-verordening, getiteld «De AI-verordening: stand van zaken van de implementatie van nationale sandboxes en
praktijktesten».
De bijeenkomst werd georganiseerd door Brando Benifei en Michael McNamara, co-voorzitters
van de werkgroep over implementatie en handhaving van de AI-act, ondersteund door
de Innovatie- en Partnerschapsontwikkelingsunit van het Directoraat-generaal Partnerschappen.
Benifei lichtte toe dat de AI-verordening nationale AI-testomgevingen onder toezicht
van toezichthouders (regulatory sandboxes) introduceert als gecontroleerde omgevingen
om AI-systemen te ontwikkelen en testen, met als doel innovatie te stimuleren en tegelijk
risico’s voor fundamentele rechten, gezondheid en veiligheid te beperken. Hij benadrukte
dat lidstaten verschillende keuzes maken in de inrichting van deze testomgevingen,
wat kan leiden tot versnippering. McNamara stelde dat de echte test van de AI-verordening
ligt in de implementatie in de lidstaten en dat de werkgroep is opgericht om deze
uitvoering continu te volgen en ervaringen uit te wisselen.
In de discussie kwam duidelijk naar voren dat lidstaten sterk uiteenlopende benaderingen
kiezen. Benifei wees op gecentraliseerde modellen (zoals in Duitsland en Litouwen),
gedecentraliseerde of sectorale modellen (zoals in Spanje en Ierland), en nieuwe (nog
niet aangewezen) autoriteiten (zoals in Oostenrijk en Kroatië). Dit werd door hem
benoemd als risico voor fragmentatie van de interne markt en inconsistent toezicht.
McNamara plaatste daarnaast vraagtekens bij de voortgang in lidstaten en wees op het
risico dat implementatie wordt uitgesteld, mede in het licht van voorgestelde verschuivingen
in deadlines voor testomgevingen. Hij vroeg expliciet in hoeverre nationale parlementen
daadwerkelijk zicht hebben op de uitvoering.
Vanuit de lidstaten werden verschillende praktijkvoorbeelden gedeeld. Letland gaf
bijvoorbeeld aan een nationaal AI-centrum te hebben opgezet dat fungeert als coördinatiepunt
en verantwoordelijk is voor de uitvoering van de testomgeving, inclusief real-world
testing en samenwerking met toezichthouders. Litouwen lichtte toe dat sinds oktober
2025 een nationale testomgeving operationeel is, bedoeld om bedrijven te ondersteunen
bij compliance en testen, naast een AI-centrum voor de publieke sector. Polen benadrukte
het belang van structurele rapportage aan nationale parlementen over de werking van
testomgevingen en pleitte voor nauwe samenwerking tussen nationale parlementen, de
AI Board en het Europese AI Observatory. Italië gaf aan dat de implementatie nog in
een beginfase verkeert en dat er nog weinig zichtbare voortgang is. Verschillende
deelnemers wezen bovendien op het risico dat verschillen in nationale implementatie
leiden tot ongelijkheid en een verzwakte interne markt.
Daarnaast klonk er bredere kritiek op de uitvoerbaarheid van de plannen. Zo werd vanuit
Portugal de vraag opgeworpen hoe lidstaten überhaupt voldoende gekwalificeerd personeel
moeten vinden voor toezicht en implementatie, zeker gezien het feit dat dit op Europees
niveau al een uitdaging vormt. De zorg werd geuit dat dit probleem zich alleen maar
zal vergroten wanneer elke lidstaat afzonderlijk capaciteit moet opbouwen. Een Belgische
parlementariër merkte op dat testomgevingen in de praktijk nog vaak niet meer zijn
dan een buzzword, zonder dat zij tot concrete of aantoonbare resultaten leiden.
Overkoepelend werd benadrukt dat de effectiviteit van de uitvoering van de AI-verordening
in belangrijke mate zal afhangen van nauwe samenwerking tussen lidstaten en EU-instellingen,
versterkt parlementair toezicht en het voorkomen van fragmentatie in de toepassing
van de regelgeving.
Ondertekenaars
L. Boeve , griffier