Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Mededeling EU strategie Maatschappelijke Organisaties (Kamerstuk 22112-4248)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4348
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 18 mei 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief
van 30 januari 2026 over het Fiche: Mededeling EU strategie Maatschappelijke Organisaties
(Kamerstuk 22 112, nr. 4248).
De vragen en opmerkingen zijn op 6 maart 2026 aan de Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van 18 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Kisteman
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Haas
VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES EN REACTIE VAN DE MINISTER
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de fiche. Hierover
hebben deze leden nog enkele vragen.
Vraag 1.
De leden van de D66-fractie verwelkomen de EU-strategie voor het versterken en beschermen
van het maatschappelijk middenveld. Een sterk, onafhankelijk en pluriform maatschappelijk
middenveld is een dragende pijler van onze democratie. Tegen onder meer de achtergrond
van de krimpende maatschappelijke ruimte in de Europese Unie, achten deze leden een
Europese strategie gerechtvaardigd. In dat verband zijn zij benieuwd naar best practices in lidstaten waar de krimp van de maatschappelijke ruimte al wordt tegengegaan of
zich niet voordoet. Welke lessen trekt het kabinet daaruit voor de situatie in Nederland?
Welke initiatieven is het kabinet bereid te nemen?
Antwoord 1.
Het kabinet wisselt actief kennis en ervaringen uit met andere lidstaten en Europese
partners over het versterken van het maatschappelijk middenveld en het tegengaan van
de krimpende maatschappelijke ruimte, onder meer via Team Europe-initiatieven. Deze
uitwisseling draagt bij aan het identificeren van effectieve benaderingen ten opzichte
van de maatschappelijke ruimte en het maatschappelijk middenveld en draagt bij aan
het verder ontwikkelen van nationaal beleid. Het kabinet beziet dan ook continu welke
maatregelen bijdragen aan een open, veilig en ondersteunend klimaat voor maatschappelijke
organisaties. Het kabinet is actief in Europese initiatieven als het Defence of Democracy
Package en het European Democracy Shield die – in samenhang met de CSO-strategy –
er mede op gericht zijn het maatschappelijk middenveld te versterken en best practices
uit te wisselen. Binnen het European Centre for Democratic Resilience worden die gepresenteerd
met als doel om samen maar ook eigenstandig tot een versterkte aanpak te komen.
Vraag 2.
Daarnaast benadrukken de leden van de D66-fractie dat de strategie niet mag leiden
tot onbedoelde negatieve effecten voor maatschappelijke organisaties zelf. Een sterke
democratie vraagt volgens deze leden immers om een sterke tegenmacht. Transparantieverplichtingen,
registratie-eisen en financieringsvoorwaarden moeten uitvoerbaar en proportioneel
zijn. Hoe wordt voorkomen dat dergelijke maatregelen leiden tot afschrikkende effecten
(chilling effects), stigmatisering of onevenredige administratieve lasten?
Antwoord 2.
Maatschappelijke organisaties zijn van essentieel belang voor de samenleving. Ze versterken
de democratie, bevorderen de band tussen mensen en gemeenschappen en dragen bij aan
de sociale cohesie. Maatschappelijke organisaties moeten voldoen aan een aantal belangrijke
eisen, zoals het beschermen van de privacy, het waarborgen van de veiligheid en het
voorkomen dat rechtspersonen worden misbruikt voor criminele doeleinden zoals witwassen
en fraude.
Maatschappelijke organisaties hebben te maken met een stapeling van regelgeving waardoor
zij veel regeldruk ervaren. Nieuwe maatregelen dragen niet enkel bij aan de direct
ervaren regeldruk maar kunnen ook leiden tot afschrikkende effecten (chilling effects).
Het kabinet vindt het belangrijk dat de lasten ten gevolge van wettelijke verplichtingen
van de verschillende departementen werkbaar blijven voor maatschappelijke organisaties.
Om onevenredige administratieve lasten te voorkomen werkt het kabinet samen met een
brede vertegenwoordiging uit het maatschappelijk middenveld aan het verminderen en
voorkomen van regeldruk bij onder meer vrijwilligersorganisaties en filantropische
instellingen. Onderdeel daarvan zijn de kansen die zelfregulering kan bieden in het
bevorderen van transparantie en betrouwbaarheid van de sector. Bovendien worden bij
nieuwe maatregelen nauwkeurig de maatschappelijk baten en kosten (in dit geval de
ervaren regeldruk) tegen elkaar afgewogen. Hier wordt onder andere invulling aan gegeven
door de regeldruktoets, het Beleidskompas, internetconsultaties en het Adviescollege
Toetsing Regeldruk.
Het kabinet heeft ook aandacht voor waarborgen voor maatschappelijke organisaties
kijkend naar (nieuwe) Europese initiatieven. In de onderhandelingen over de transparantie-richtlijn
(Defence of Democracy Package) heeft het kabinet ingezet op sterke waarborgen, beperkte
administratieve lasten en het voorkomen van stigmatisering in het geval dat maatschappelijke
organisaties zich dienen te registreren in het op te richten Europese lobbyregister.
Vraag 3.
De leden van de D66-fractie merken op dat een democratisch offensief nodig is. Hoe
reflecteert het kabinet op de aanbevelingen van de jaarlijkse rapportage «Tegenspraak
onder druk» van het College voor de Rechten van de Mens?1 Hoe wil het kabinet ervoor zorgen dat maatschappelijke organisaties in een vroeg
stadium, proactief en in toegankelijke taal worden geïnformeerd over de mogelijkheden
voor participatie bij het opstellen van wetgeving en beleid?
Vraag 4.
Daarnaast zijn de leden van de D66-fractie benieuwd naar hoe de regering reflecteert
op de aanbevelingen uit het MACS-rapport.2 Welke maatregelen wil het kabinet nemen om in lijn met deze aanbevelingen te handelen?
Ziet het kabinet in dat een stapeling van maatregelen nodig is om te komen tot een
versterking van het maatschappelijk middenveld? Is het kabinet in het bijzonder bereid
om te komen tot een nationaal actieplan ter versterking en bescherming van de ruimte
voor het maatschappelijk middenveld?
Antwoord 3 en 4
Het kabinet onderschrijft de belangrijke rol van maatschappelijke organisaties bij
het opstellen van wetgeving en beleid. In de kabinetsreactie op de jaarlijkse rapportage
van het College voor de Rechten van de Mens zal hier verder op gereflecteerd worden,
en zullen ook de aanbevelingen uit het rapport worden geapprecieerd. Het kabinet zal
deze kabinetsreactie na de zomer naar de Kamer sturen.
Het kabinet heeft ook met interesse kennisgenomen van het MACS-rapport en deelt de
zorgen die het rapport schetst over de ruimte voor het maatschappelijk middenveld
om veilig en vrij te kunnen functioneren. In de kabinetsreactie op de jaarrapportage
«Tegenspraak onder druk» van het College voor de Rechten van de Mens, gaat het kabinet
in op de maatregelen die genomen worden om het werk van het maatschappelijk middenveld
te beschermen en te waarborgen. Daarbij wordt in het bijzonder ook ingegaan op de
aanbeveling rondom een nationaal actieplan.
Vraag 5.
Tot slot zijn de leden van de D66-fractie benieuwd naar de uitwerking van het Meerjarig
Financieel Kader. Hoe wordt bij de nadere uitwerking van dit kader gewaarborgd dat
EU-financiering voor maatschappelijke organisaties daadwerkelijk toegankelijk, transparant
en administratief uitvoerbaar is? Welke kansen ziet het kabinet hierin om te komen
tot een gelijker speelveld voor maatschappelijke organisaties? Welke rol wil het kabinet
daarbij spelen?
Antwoord 5.
Het kabinet staat positief tegenover het voorstel van de Commissie voor het programma
AgoraEU, met daarin het onderdeel CERV+ (Citizens, Equality, Rights and Values), dat
het bestaande CERV-programma opvolgt. Met het voorstel onderkent de Commissie dat
financiële steun op Europees niveau benodigd is om ook op die manier bij te dragen
aan het versterken en beschermen van het maatschappelijk middenveld.
Gelet op de geconstateerde druk op Europese waarden en verminderde politieke en financiële
steun aan maatschappelijke organisaties, onderstreept het kabinet het belang van het
voortzetten van directe financiering vanuit de EU. Het kabinet zet zich actief in
om toegankelijkheid en gelijke toegang van het programma voor maatschappelijke organisaties,
inclusief grassrootsorganisaties, te waarborgen en rekening te houden met de capaciteit
van begunstigden. Dit houdt onder meer een mogelijkheid tot kernfinanciering en operationele
subsidies voor maatschappelijke organisaties in, evenals de financiering van strategische
koepelorganisaties gericht op behoud van fundamentele waarden. Het kabinet benadrukt
het belang van structurele, toegankelijke subsidieregelingen, waarbij pleitbezorging
en waakhondfuncties – met name ook voor gemarginaliseerde groepen – nadrukkelijk ondersteund
worden op basis van inhoudelijke kwaliteit. Op die manier zet het kabinet zich in
voor een gelijker speelveld voor maatschappelijke organisaties. Ook zet Nederland
zich binnen het AgoraEU-programma in voor een passende ondersteuningsstructuur, zoals
die bijvoorbeeld reeds zijn weerslag kent in het huidige nationale CERV-contactpunt
bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), dat maatschappelijke organisaties
onafhankelijk informeert en ondersteunt bij het indienen van financieringsaanvragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche
met betrekking tot de mededeling EU-strategie maatschappelijke organisaties. Deze
strategie richt zich op het versterken van de betrokkenheid, bescherming, ondersteuning
en financiering van maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers. Deze
leden merken op dat zij het belang van maatschappelijke organisaties in de samenleving
inzien. Graag willen zij het kabinet een aantal vragen over de strategie stellen.
Vraag 6.
Allereerst vragen de leden van de VVD-fractie wat deze strategie betekent voor de
betrokkenheid van nationale lidstaten van de Europese Unie. Deze leden vragen het
kabinet daarop in te gaan.
Antwoord 6.
Voor het kabinet betekent de strategie mogelijkheden tot ondersteuning en internationale
uitwisseling van kennis en initiatieven ter versterking van de ruimte voor het maatschappelijk
middenveld. Dit gebeurt onder meer in het European Centre for Democractic Resilience
met als doel om binnen dat netwerk tot meer samenhang te komen zonder competenties
of bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten te wijzigen.
Vraag 7.
Er wordt voorgesteld om een nieuw platform op te richten, te weten een EU-platform
ter bevordering van de dialoog tussen de Europese Commissie en het maatschappelijk
middenveld. Wat is de toegevoegde waarde van dit nieuwe platform ten opzichte van
het bestaande Europese raamwerk dat raakt aan de positie van maatschappelijke organisaties?
Zouden de taken van dit nieuwe platform bij een bestaande organisatie kunnen worden
ondergebracht? Wat is de inzet van het kabinet ten aanzien van het op te richten EU-platform
voor het maatschappelijk middenveld? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een
reactie van het kabinet.
Antwoord 7.
In algemene zin verwelkomt het kabinet initiatieven om het maatschappelijk middenveld
te versterken. Het kabinet vraagt bij dergelijke Europese initiatieven aandacht voor
een gerichte en samenhangende aanpak, met heldere doelen, en voortbouwend op reeds
bestaande initiatieven en netwerken. Maatschappelijke organisaties dienen in staat
te worden gesteld om hun rol in onze democratische samenleving in vrijheid te vervullen,
zonder drempels en onnodige administratieve lasten.
Het op te richten EU-platform beoogt een jaarlijkse top te organiseren om strategische
prioriteiten te bespreken. Daarnaast wordt een website ingericht, waar organisaties
gemakkelijk praktische informatie vinden over bijeenkomsten, voorwaarden en aanmelding.
Dit maakt het eenvoudiger om mee te doen en zorgt voor meer duidelijkheid en openheid
over de mogelijkheden om te participeren. Het platform krijgt een flexibele opzet
en bouwt voort op bestaande structuren, in het bijzonder het platform voor grondrechten
van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), met de mogelijkheid
om later uit te breiden naar andere beleidsterreinen. Het platform verschilt van het
reeds bestaande Fundamental Rights Platform van het FRA; waar het FRA-platform zich
vooral richt op dataverzameling en analyse, ligt bij het voorgestelde platform de
nadruk op het voeren van de dialoog met de samenleving en maatschappelijke organisaties
in beleidsprocessen. De informatie die wordt verzameld via het Fundamental Rights
Platform kan worden gebruikt door het voorgestelde platform in dialoog over beleid,
hetgeen dus buiten het kader van het reeds bestaande Fundamental Rights Platform valt.
Gezien de eerdergenoemde verschillen is het onderbrengen van de beoogde taken van
het nieuwe platform bij het FRA-platform niet direct vanzelfsprekend.
Vraag 8.
In het fiche valt te lezen, dat het kabinet in de strategie de koppeling mist met
andere strategieën op het vlak van Europese fundamentele rechten en waarden. Ook ontbreekt
er volgens het kabinet een link met relevante EU-wetgeving. In hoeverre is het kabinet
voornemens om dit in Brussel naar voren te brengen? Kan het kabinet nader motiveren
waarom de grondhouding ten aanzien van de subsidiariteit positief is? Wat wordt in
dezen bedoeld met de grensoverschrijdende aard van de bedreigingen voor het maatschappelijk
middenveld? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van het kabinet.
Antwoord 8.
Het kabinet is gecommitteerd aan het versterken van de rol van het maatschappelijk
middenveld in het kader van de democratische weerbaarheid, zowel nationaal als binnen
de EU. Voor maatschappelijke organisaties zijn heldere structuren en processen inclusief
waarborgen en ruimte om in vrijheid te opereren cruciaal om tot een effectieve aanpak
te komen. In de uitwerking van deze strategie zal het kabinet waar opportuun voor
een koppeling pleiten met andere initiatieven en wet- en regelgeving van de Commissie.
Proportionaliteit en subsidiariteit zal door het kabinet bij ieder nieuw voorstel
beoordeeld worden.
Vraag 9.
Het kabinet verwelkomt het voorstel. In hoeverre speelt daarbij een rol dat de onderhavige
strategie geen directe gevolgen heeft voor de Rijksbegroting? Als dat anders was geweest,
zou het kabinet dan een andere afweging hebben gemaakt? Graag krijgen de leden van
de VVD-fractie een reactie van het kabinet.
Antwoord 9.
Deze strategie heeft inderdaad geen directe gevolgen voor de Rijksbegroting.
Vraag 10.
De Europese Commissie stelt voor om de financiële ondersteuning van maatschappelijke
organisaties te verhogen naar negen miljard euro. Hoeveel geld wordt daar nu aan uitgegeven?
Waar zal die negen miljard euro aan worden besteed? Kan de regering daar enkele voorbeelden
van geven? Verwacht het kabinet dat andere lidstaten ook aan de slag gaan met deze
strategie? Heeft het kabinet daar inzicht in? Lidstaten zijn immers niet verplicht
de strategie over te nemen. In hoeverre moeten lidstaten verantwoording afleggen over
de besteding van de middelen? Zal er een evaluatie plaatsvinden? Zo ja, wanneer? Graag
krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van het kabinet op de hier gestelde
vragen.
Antwoord 10.
De strategie verwijst naar een voorstel programma AgoraEU, dat het huidige Creative
Europe programma (gericht op cultuur en media) en het huidige CERV-programma (gericht
op fundamentele rechten en maatschappelijk middenveld) samenvoegt. De Commissie stelt
een budget van € 8,6 miljard voor, waar € 3,6 miljard wordt voorzien voor CERV+. Het
gaat bij het programma AgoraEU om directe financiering vanuit de EU aan deze thema’s
waarbij uitvoering onder meer plaatsvindt door een EU-agentschap European Education
and Culture Executive Agency (EACEA). Lidstaten maken als zodanig dus geen gebruik
van de financiering of dienen daar verantwoording over af te leggen. Het zijn actoren
(organisaties, sectoren en eventueel regionale en lokale overheden) die zich aanmelden
voor subsidies binnen het programma, en daarnaast de Europese Commissie, om in lijn
met bestaande regelgeving en in het voorstel aangegeven kaders, verantwoording af
te leggen over de gebruikte en uitgekeerde middelen.
Het kabinet zet zich in op stevige garanties op budgettaire en beleidsmatige transparantie
en een ongecompliceerd beheer waarbij de transparantie en een goede verantwoordingsplicht
gehandhaafd blijft. Nederland zet ook in op de betrokkenheid van lidstaten bij het
vaststellen en evalueren van werkprogramma’s door de Commissie middels comitologie-procedures.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met belangstelling kennis van de
Kamerbrief over het Fiche over de EU-strategie Maatschappelijke Organisaties. Deze
leden hebben hierover op dit moment nog enkele vragen.
Vraag 11.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben zorgen over de positie van maatschappelijke
organisaties in de EU en in Nederland. De positie zou wat deze leden moeten worden
versterkt en niet worden verzwakt. De afgelopen tijd, zo constateren deze leden, zijn
er juist stappen gezet om de positie te verzwakken. Deelt het kabinet dit standpunt?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11.
Het kabinet deelt de zorgen dat de ruimte voor het maatschappelijk middenveld onder
druk staat, zowel in Nederland, in de Unie, als daarbuiten. Dat is zorgwekkend, gezien
de belangrijke rol die het maatschappelijk middenveld speelt in de weerbaarheid van
de democratische rechtsstaat. Zoals genoemd onder antwoord 3 en 4 zal in meer detail
worden gereflecteerd op deze ontwikkelingen in de kabinetsreactie op de jaarlijkse
rapportage «Tegenspraak onder druk» van het College voor de Rechten van de Mens. Het
kabinet zal deze kabinetsreactie na de zomer naar de Kamer sturen.
Vraag 12.
In de brief wordt meermaals genoemd dat er wordt ingezet op maatschappelijke organisaties
op Europees niveau, in EU-extern beleid als in de afzonderlijke lidstaten. De EU en
de afzonderlijke lidstaten hebben economische activiteiten en handelsrelaties over
de hele wereld. Het is wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreft in het
belang van de EU dat de landen waar deze activiteiten plaatsvinden een sterke democratie
en rechtstaat hebben, en dat de handels- en economische activiteiten hieraan bijdragen.
Deze leden zouden daarom graag twee punten concrete punten hierover explicieter benoemd
zien: 1) dat de Europese versterking van maatschappelijke organisaties ook dient bij
te dragen aan versterking van maatschappelijk middenveld in de landen waar EU-landen
economische en handels- activiteiten ontwikkelen, en 2) het weerbaar maken van HRDs
kan alleen als er vanuit de overheid ook gestuurd wordt op de actieve bescherming
van HRDs in geval van publieke investeringen en handelsfacilitatie. Deze leden ontvangen
graag een reactie van het kabinet hierop.
Antwoord 12.
Het kabinet onderschrijft dat een sterk maatschappelijk middenveld in partnerlanden
bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, rechtsstaat en stabiele handelsrelaties. Dit
geldt dus ook voor landen waar handels- en economische activiteiten plaatsvinden.
Nederland en de EU zetten hier in het externe beleid actief op in.
Hiernaast steunt het kabinet de specifieke aandacht voor bescherming van HRD’s in
de EU-strategie en het verkennen van sterkere bescherming van maatschappelijke organisaties
en HRD’s. Het kabinet zet zich ook in voor de bescherming van mensenrechtenverdedigers,
onder meer via dialoog, financiering en toepassing van de diligence bij publieke investeringen
en handelsinstrumenten. Zo is in 2025 de dialoog versterkt tussen het Nederlandse
bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en lokale stakeholders, zoals ambassades
en mensenrechtenverdedigers. Dit gebeurde onder meer via het Breed Mensenrechtenoverleg
en het brede handelsberaad.
Vraag 13.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan de Aarhus conventie.
Deze leden constateren dat het vorige kabinet ruimte zocht om onder de verplichtingen
van het dit verdrag uit te komen. Hoe staat het nieuwe kabinet hierin, zo vragen zij.
Ziet het kabinet, net als deze leden, het grote belang van het Verdrag van Aarhus?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 13.
Nederland en de EU zijn partij bij het Verdrag van Aarhus. Als constructieve EU-partner
en verdragspartij werkt Nederland aan de robuuste implementatie van het Verdrag van
Aarhus. Uw Kamer is hierover eerder geïnformeerd via een eerste beleidsreactie3 op het onderzoek van de Universiteit Utrecht4; een vervolg beleidsreactie wordt spoedig aan de Kamer gezonden.
Vraag 14.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet het door de Commissie
omschreven belang van een zorgvuldige monitoring van risico’s en bedreigingen voor
het maatschappelijk middenveld om vrij en veilig te kunnen functioneren, zoals het
versterken van early warning systems voor het signaleren van krimpende ruimte voor
het maatschappelijk middenveld in kandidaat-lidstaten deelt. Deze leden zien in monitoring
een eerste stap. Deelt het kabinet het standpunt dat de EU het voortouw zou moeten
nemen in het ontwikkelen van concrete stappen die lidstaten kunnen nemen om het maatschappelijk
middenveld en mensenrechtenbeschermers te beschermen? Zo ja, is het kabinet bereid
om dit bij de EU in te brengen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 14.
Het kabinet onderschrijft het belang van monitoring, maar ziet ook meerwaarde in verdere
samenwerking op EU-niveau, zoals het delen van best practices en het versterken van
het maatschappelijk middenveld. Nederland staat open voor verdere uitwerking, mits
deze aanvullend is op onze nationale inzet en de subsidiariteit respecteert. Nederland
zal deze boodschap blijven uitdragen in de verschillende EU-fora.
Vraag 15.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat uit het recente MACS-rapport
naar voren komt dat dat de maatschappelijke ruimte in Nederland onder druk staat.
Maar liefst 86 procent van de bevraagde organisaties geeft aan dat hun werkomstandigheden
in 2025 verder zijn verslechterd. Ook wordt gewaarschuwd voor toenemende stigmatisering
van waakhondorganisaties, inperking van vrijheden en maatregelen die steeds vaker
botsen met mensenrechten en rechtsstatelijkheid. De feiten uit het MACS-rapport laten
zien dat verdere inperking in Nederland niet alleen strijdig is met Europese ambities,
maar ook democratische risico’s vergroot op het moment dat civiele ruimte al onder
druk staat. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het zorgelijk om dit te
lezen. Graag ontvangen deze leden een reactie van het kabinet hierop. Deelt het kabinet
de zorgen die uit dit rapport naar voren komen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 15.
Zoals genoemd onder antwoord 3 en 4 deelt het kabinet de zorgen die het rapport schetst
over de ruimte voor het maatschappelijk middenveld om veilig en vrij te kunnen functioneren,
en gaat het kabinet in de kabinetsreactie op de jaarrapportage «Tegenspraak onder
druk» van het College voor de Rechten van de Mens in op de maatregelen die genomen
worden om het werk van het maatschappelijk middenveld te beschermen en te waarborgen.
De kabinetsreactie op deze jaarrapportage wordt naar verwachting na de zomer aan uw
Kamer gestuurd.
Vraag 16.
In verlengde van voorgaande vragen hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
nog enkele specifieke vragen. Hoe verhoudt de ruimte voor het maatschappelijk middenveld
zich tot de recente bezuinigingen voor het maatschappelijk middenveld onder dat buitenlandbeleid?
Hoe verhoudt dit zich tot de kabinetsreactie op motie-Kröger5 naar aanleiding van het voortdurend uitsluiten van dialoog en informatiedeling in
Nederland?
Antwoord 16.
Het kabinet blijft het belang van een sterk maatschappelijk middenveld onderschrijven.
Echter erkent het kabinet ook dat, mede door internationale realiteit, de middelen
schaars zijn. Dit vraagt om prioritering met als doel een zo effectief en doelgericht
mogelijke inzet van middelen. Het kabinet is zich ervan bewust dat de bezuinigingen
van het vorige kabinet fors zijn en grote effecten hebben op organisaties. Maatschappelijke
organisaties blijven gezien worden als belangrijke samenwerkingspartners die een essentiële
rol vervullen in het goed functioneren van de democratische rechtsstaat.
In navolging van de Kamerbrief waarnaar u verwijst, heeft de Minister van Buitenlandse
Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 23 maart jl. een Kamerbrief6 aan de Tweede Kamer gestuurd met daarin zijn appreciatie op onder andere amendement
Kröger c.s. (61), die was ingediend als reactie op de Kamerbrief over motie-Kröger.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Fiche en danken het kabinet
hiervoor. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen
aan het kabinet hierover.
Vraag 17.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de EU-strategie
voor het maatschappelijk middenveld. Deze leden onderschrijven het belang van een
sterk maatschappelijk middenveld als pijler van de democratische rechtsstaat. Tegelijkertijd
vragen zij het kabinet concreet uiteen te zetten wat de toegevoegde waarde van deze
strategie is ten opzichte van reeds bestaande Europese instrumenten, zoals de rechtsstaatrapportage
en de rapportages van het EU-Grondrechtenagentschap. Waar ziet het kabinet overlap en hoe wordt voorkomen dat maatschappelijke
organisaties in de praktijk worden geconfronteerd met dubbele monitoring of aanvullende
verantwoordingsverplichtingen?
Antwoord 17
De EU-strategie voor het maatschappelijk middenveld biedt een aanvullend beleidskader
gericht op ondersteuning, participatie en erkenning van de rol van maatschappelijke
organisaties binnen de Unie. Dit verschilt van bestaande instrumenten, zoals de rechtsstaatrapportage
en de rapportages van het EU-Grondrechtenagentschap (FRA), die primair gericht zijn
op monitoring en analyse. De strategie bouwt hierop voort en introduceert geen nieuwe
monitorings- of verantwoordingsverplichtingen voor maatschappelijke organisaties.
Het kabinet acht het van belang dat overlap wordt voorkomen en zal hier in de verdere
uitwerking aandacht voor blijven vragen.
Vraag 18.
De leden van de CDA-fractie lezen dat een EU-platform voor structurele dialoog zal
worden opgericht. Deze leden hechten eraan dat maatschappelijke betrokkenheid primair
nationaal en lokaal verankerd blijft. Kan het kabinet toelichten hoe wordt gewaarborgd
dat dit platform daadwerkelijk aanvullend is op bestaande nationale overlegstructuren
en niet leidt tot centralisering van participatie op EU-niveau? Welke inzet kiest
het kabinet in de Raad om deze nationale verankering expliciet te borgen?
Antwoord 18.
De Europese initiatieven om de positie van het maatschappelijk middenveld te versterken
hebben geen wetgevend en dwingend karakter en leiden niet tot een bevoegdheidsverdeling
tussen de EU en de lidstaten. Het kabinet zal dit uitgangspunt blijven onderschrijven
bij de nadere uitwerking en onderhandelingen.
Daarbij is het evident – zowel voor het kabinet als voor de Europese Commissie – dat
de kracht van maatschappelijke organisaties juist schuilt in het feit dat dat zij
midden in samenleving opereren. Centralisering van participatie op EU-niveau is derhalve
niet aan de orde.
Vraag 19.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet positief oordeelt over subsidiariteit
en proportionaliteit. Deze leden vragen hoe het kabinet concreet zal bewaken dat dit
niet-wetgevende initiatief niet alsnog leidt tot extra administratieve lasten of sluipende
normering op een terrein dat in belangrijke mate nationaal is verankerd. Op welke
wijze zullen subsidiariteit en proportionaliteit bij de verdere uitwerking actief
worden getoetst? Zij vragen daarnaast hoe wordt gewaarborgd dat eventuele Europese
financiering niet leidt tot inhoudelijke sturing of indirecte normering van maatschappelijke
organisaties, bijvoorbeeld via selectiecriteria of voorwaarden die de onafhankelijkheid
van het maatschappelijk middenveld kunnen beïnvloeden.
Antwoord 19.
De inzet van het kabinet op het maatschappelijk middenveld is een nationale competentie
en de voorstellen die de Commissie doet stellen die competentie niet ter discussie.
Het kabinet zal hier oog voor blijven houden bij de nadere uitwerking. Zo zal het
kabinet nieuwe voorstellen nauwlettend in de gaten houden en bestuderen. De kabinetslijn
is dat een subsidiariteitstoets bij elk voorstel apart gedaan zal worden en deze apart
gewogen zal worden. Uw vragen zien ook op mogelijke drempels, administratieve lasten
en mogelijke negatieve impact voor de onafhankelijkheid van het maatschappelijk middenveld.
Dat is voor het kabinet een groot goed en prioriteit. Dit initiatief dient om het
maatschappelijk middenveld in staat te stellen om hun rol in het democratisch en maatschappelijk
bestel goed en veilig te vervullen. Het kabinet zal actief bij de Commissie bepleiten
– onder meer in het ECDR en in voorkomende gevallen in de raadswerkgroepen (FREMP)
– dat onafhankelijkheid, waarborgen en beperkte administratieve lasten essentieel
zijn voor brede maatschappelijke participatie. Ook in de onderhandelingen over de
transparantie-richtlijn (Defence of Democracy Package) heeft het kabinet deze positie
genomen.
De strategie verwijst naar het huidig CERV-programma en het toekomstig CERV+-programma
(zie ook vraag 5 en 23). Het CERV+-programma heeft tot doel maatschappelijke organisaties
en projecten in brede zin te ondersteunen die, vanuit uiteenlopende doelstellingen
en benaderingen, bijdragen aan de bescherming en bevordering van fundamentele rechten,
gelijkheid, ondersteuning van slachtsoffers van geweld, democratische participatie
en de rechtsstaat. Daartoe worden aan de hand van uiteenlopende thema’s financieringsaanvragen
mogelijk gemaakt. Het kabinet zet zich daarbij in voor toegankelijkheid en gelijke
toegang voor maatschappelijke organisaties binnen het kader van Europese waarden.
Nederland zet zich binnen het desbetreffende AgoraEU-programma ook in voor een passende
ondersteuningsstructuur, zoals die bijvoorbeeld reeds zijn weerslag kent in het huidige
nationale CERV-contactpunt bij RVO, dat maatschappelijke organisaties onafhankelijk
informeert en ondersteunt bij het indienen van financieringsaanvragen. Middels de
comitologieprocedure kan het kabinet ook toezien op de jaarlijkse werkprogramma’s
die door de Commissie worden voorgesteld. Deze jaarlijkse werkprogramma’s presenteren
de thematische kaders waarbinnen projectaanvragen kunnen worden ingediend en reflecteren
de algemene doelstellingen van CERV+.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het fiche over de EU-strategie
voor maatschappelijke organisaties en zijn daar zeer kritisch over.
Vraag 20.
Deze leden merken op dat de Europese Commissie maatschappelijke organisaties in deze
strategie neerzet als «partner in bestuur». Zij vragen de Minister waarom niet-gekozen
organisaties een structurele rol zouden moeten krijgen in beleidsvorming. Vindt de
Minister het wenselijk dat invloed verschuift van gekozen volksvertegenwoordigers
naar organisaties die geen democratisch mandaat hebben en vaak afhankelijk zijn van
EU-subsidies?
Antwoord 20.
Het staat voor het kabinet buiten kijf dat de rol en invloed van gekozen volksvertegenwoordigers
onveranderd blijft onder deze strategie, gezien hun democratisch mandaat. Daarnaast
is het belangrijk om belanghebbenden, zoals burgers en maatschappelijke organisaties
te betrekken bij de besluiten die hen raken (consultatie). Immers hebben zij ervaringen
en deskundigheid die de ontwikkeling van EU-wetgeving en -beleid kunnen voeden en
daarmee verbeteren. Het kabinet ziet meerwaarde in een rol voor het maatschappelijk
middenveld bij de totstandkoming van EU-wetgeving en -beleid.
Vraag 21.
De leden van de Groep Markuszower lezen dat de Commissie maatschappelijke ruimte in
lidstaten wil monitoren. Deze leden vragen wie straks bepaalt wat wel en niet acceptabel
beleid is. Kan de Minister uitsluiten dat lidstaten onder druk worden gezet wanneer
zij democratisch besluiten nemen die Brussel onwelgevallig zijn?
Antwoord 21.
Het kabinet onderschrijft het belang van zorgvuldige monitoring van risico’s en bedreigingen
voor het maatschappelijk middenveld, om daarmee bij te dragen aan vrije en veilige
ruimte voor het maatschappelijk middenveld om te kunnen functioneren. Deze monitoring
gaat primair over risico’s en bedreigingen van de ruimte voor het maatschappelijk
middenveld, en niet over inhoudelijke en beleidskeuzes. Dat is een nationale bevoegdheid.
Vraag 22.
De leden van de Groep Markuszower vinden het zorgelijk dat de Commissie hiermee een
normerende rol lijkt te claimen op een terrein dat thuishoort bij nationale democratieën.
Op welke concrete verdragsbasis meent de Commissie zich te mogen bemoeien met de inrichting
van het maatschappelijk middenveld binnen lidstaten?
Antwoord 22.
De strategie heeft geen wet- of regelgevend karakter. Er vloeien geen verplichtingen
of normen uit voort vanuit de Commissie die impact hebben op de wijze waarop wij als
Nederland onze democratische processen en belangenbehartiging hebben ingericht.
Vraag 23.
De leden van de Groep Markuszower maken zich zorgen over de inhoudelijke richting
van de Europese steun aan maatschappelijke organisaties. Deze leden constateren dat
EU-financiering en ondersteuning in de praktijk vaak terechtkomen bij organisaties
die actief zijn op thema’s als gender, diversiteit, migratie en identiteitspolitiek.
Hoe voorkomt de Minister dat met deze strategie vooral organisaties worden versterkt
die aansluiten bij de beleidsprioriteiten van de Commissie, terwijl andere maatschappelijke
organisaties en burgerinitiatieven minder toegang krijgen tot middelen en invloed?
Antwoord 23.
Gezien de druk op financiële steun aan maatschappelijke organisaties acht het kabinet
het juist waardevol dat de Commissie de mogelijkheden van directe Europese financiering
voortzet, zoals toegelicht onder antwoord 5. Het CERV+-programma heeft tot doel maatschappelijke
organisaties en projecten in brede zin te ondersteunen die, vanuit uiteenlopende doelstellingen
en benaderingen, bijdragen aan de bescherming en bevordering van fundamentele rechten,
democratische participatie en de rechtsstaat. Het kabinet zet zich daarbij in voor
algemene en gelijke toegang voor maatschappelijke organisaties binnen het kader van
Europese waarden.
Vraag 24.
De leden van de Groep Markuszower merken op dat het kabinet zelf waarschuwt voor stigmatisering
en extra regeldruk, maar desondanks positief is over de strategie. Waarom neemt het
kabinet deze risico’s voor lief?
Antwoord 24.
Deze strategie vormt een belangrijk onderdeel van de bescherming van de Europese maatschappelijke
ruimte. Dat is positief. Maatschappelijke organisaties zijn van essentieel belang
voor de samenleving en onze democratische rechtsstaat. Het kabinet vindt het tevens
belangrijk dat de lasten ten gevolge van wet- en regelgeving werkbaar blijven voor
maatschappelijke organisaties en zal bij de nadere uitwerking actief bepleiten dat
voorkomen moet worden dat er (onbedoeld) negatieve effecten optreden voor maatschappelijke
organisaties.
Bij het introduceren van nieuwe wet- en regelgeving is van belang dat er een juiste
balans wordt gevonden tussen bescherming van de samenleving en uitvoerbaarheid.
Vraag 25
De leden van de Groep Markuszower vragen of de Minister erkent dat zogenaamd niet-bindende
strategieën via monitoring, richtsnoeren en financieringsvoorwaarden alsnog dwingend
kunnen worden. In hoeverre kan de Minister garanderen dat dit geen opstap is naar
verdere EU-bemoeienis of wetgeving?
Vraag 26.
Tot slot vragen de leden van de Groep Markuszower of de Minister bereid is zich duidelijk
en actief te verzetten tegen iedere vorm van directe of indirecte bevoegdheidsoverdracht
op dit terrein van de lidstaten naar de Europese Unie.
Antwoord 25 en 26
De EU kan alleen optreden op gebieden waar de EU bevoegd is (attributiebeginsel).
Bovendien treedt de EU alleen op als dit meerwaarde heeft boven nationaal optreden
(subsidiariteitsbeginsel). Het kabinet toetst elk voorstel op deze uitgangspunten,
zoals dat ook hier is gebeurd. In casu is er hier geen sprake van wet- of regelgeving
die de bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten verandert.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Kisteman, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
J.P. van der Haas, adjunct-griffier