Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het eindrapport 'Evaluatie subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend of varend bestaan' (Kamerstuk 29214-112)
2026D22367 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport over de brief d.d. 23 maart 2026 inzake het eindrapport «Evaluatie
subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend of varend bestaan» (Kamerstuk
29 214, nr. 112).
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Sjerp
Inhoudsopgave
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II. Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het eindrapport inzake de evaluatie
subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend of varend bestaan.
De leden van de D66-fractie lezen dat de huidige bekostigingsstructuur momenteel nog
doelmatig is, maar dat deze volgens de evaluatie in de toekomst, waarin meer krimp
wordt verwacht, beproefd wordt. Deze leden constateren dat het huidige bekostigingsmodel
volledig gebaseerd is op het aantal kinderen, terwijl een deel van de lasten van internaten
zoals huisvesting, onderhoud en basisbezetting een vast of semi-vast karakter kent
en niet flexibel kan worden afgebouwd bij dalende deelname. De Minister geeft aan
de uitkomsten van de evaluatie te betrekken bij de vormgeving van de nieuwe regeling.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister hoe zij concreet invulling geeft aan
de aanbeveling om het financieringsmodel nader te bezien, zodat ook in de toekomst
kwaliteit geborgd blijft. Zij vragen daarbij ook of de Minister bereid is een hybride
model, bestaande uit een vast basisbedrag per locatie en een variabele kindgebonden
bijdrage, te overwegen. Tot slot vragen de leden van de D66-fractie welke concrete
maatregelen de Minister overweegt om de financiële continuïteit van internaten bij
verdere krimp te waarborgen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het eindrapport
en de kabinetsreactie. Zij hebben geen verdere vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het eindrapport inzake
de evaluatie van de subsidieregeling voor de opvang van kinderen van ouders met een
trekkend of varend bestaan. Zij hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Minister naar verwachting de
Kamer in het najaar zal informeren over de ontwerpregeling. Is de Minister eventueel
bereid om bij het aanleveren van de ontwerpregeling ook nader te reflecteren op de
voor- en nadelen van de in het rapport gesuggereerde alternatieve mogelijkheden voor
onderwijs, huisvesting en financiering?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het eindrapport dat er naar aanleiding
van het onderzoek nog bredere vraagstukken aan de orde zijn gekomen, die relevant
zijn voor de toekomst maar niet tot de kern van het onderzoek behoren. Dit gaat in
het bijzonder om vraagstukken omtrent samenwerking en clustering en vastgoedstructuren.
Hoe reflecteert de Minister hierop en is zij bereid de vraagstukken nader te onderzoeken?
Zo ja, welke concrete vervolgstappen worden hiervoor gezet en welk tijdspad heeft
zij voor ogen? Zo nee, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister inzake de evaluatie van de subsidieregeling opvang kinderen van ouders
met een trekkend of varend bestaan en van het bijbehorende evaluatierapport.
Deze leden lezen dat de subsidieregeling op hoofdlijnen als doeltreffend en doelmatig
wordt beoordeeld en dat de Minister voornemens is de regeling te verlengen. Tegelijkertijd
bevat de evaluatie verschillende aandachtspunten ten aanzien van de toekomstbestendigheid
van de regeling, de positie van specifieke subdoelgroepen en de financieringssystematiek.
Daarover hebben deze leden nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat in de evaluatie wordt gesproken over het heroverwegen
van de noodzaak om bepaalde subdoelgroepen binnen de regeling te handhaven. Deze leden
vragen de Minister welk concreet vangnet is voorzien voor kinderen en ouders als de
regeling voor bepaalde subdoelgroepen wordt aangepast of beëindigd. Deze leden vragen
de Minister te garanderen dat geen enkel kind tussen wal en schip valt bij een eventuele
heroverweging van de regeling voor specifieke subdoelgroepen.
Voorts vragen genoemde leden de Minister op welke bestaande voorzieningen deze gezinnen
in dat geval zouden kunnen terugvallen en in hoeverre die voorzieningen in de praktijk
daadwerkelijk toegankelijk en passend zijn voor gezinnen met een trekkend of varend
bestaan.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of in kaart is gebracht hoeveel kinderen
en ouders in de knel komen als de regeling voor specifieke subdoelgroepen wordt beperkt
of beëindigd. Indien dat niet het geval is, vragen deze leden waarom niet en of de
Minister daartoe alsnog bereid is.
Deze leden vragen de Minister welke risico’s zij ziet voor de ontwikkeling, de stabiliteit
van de opvang en het welzijn van deze kinderen wanneer bestaande opvangvoorzieningen
zouden wegvallen. Voorts vragen zij hoe wordt voorkomen dat ouders noodgedwongen stoppen
met werken of informele, mogelijk minder stabiele of minder veilige, opvang moeten
organiseren als de regeling wordt beperkt.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe een eventuele afbouw of beperking
van de regeling zich verhoudt tot de culturele en economische waarde van de betrokken
sectoren.
Deze leden vragen de Minister of zij het risico ziet dat bepaalde groepen in de praktijk
feitelijk geen gebruik meer kunnen maken van internaatvoorzieningen wanneer zij buiten
de regeling zouden komen te vallen.
Voorts vragen deze leden of in de evaluatie rekening is gehouden met mogelijke toekomstige
groei van het aantal kinderen uit deze subdoelgroepen. Zij vragen de Minister tevens
hoe flexibel het beleid is ingericht om in te spelen op een eventuele stijging van
de vraag naar internaatopvang. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of zij
het risico onderkent dat nu capaciteit of maatwerk wordt afgebouwd, terwijl dit op
een later moment mogelijk met extra kosten weer moet worden opgebouwd.
Deze leden vragen de Minister in hoeverre zij erkent dat de verschillende subdoelgroepen
binnen de regeling structureel andere behoeften kunnen hebben dan reguliere gezinnen
en dat juist daarom maatwerk binnen deze regeling van belang kan zijn. Voorts vragen
deze leden of het heroverwegen van de positie van bepaalde subdoelgroepen vooral is
ingegeven door inhoudelijke afwegingen of door financiële overwegingen. Zij vragen
de Minister daarop helder in te gaan.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat noodzakelijk
maatwerk verdwijnt onder het mom van vereenvoudiging of stroomlijning van beleid.
Genoemde leden vragen de Minister of zij bereid is de regeling in de huidige vorm
te laten voortbestaan zolang niet overtuigend is aangetoond dat aanpassing geen nadelige
gevolgen heeft voor kinderen en ouders die van deze regeling afhankelijk zijn. Indien
de Minister daartoe niet bereid is, vragen deze leden dat uitvoerig te motiveren.
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast in de evaluatie dat het huidige bekostigingsmodel
onvoldoende aansluit op de werkelijke kostenstructuur van internaten en dat een hybride
financieringsmodel wordt aanbevolen. Deze leden vragen de Minister welke richting
zij op dit punt voor ogen heeft bij de vormgeving van de nieuwe regeling en op welke
wijze zij daarbij de continuïteit van opvanglocaties wil waarborgen.
Tot slot vragen deze leden hoe de Kamer voorafgaand aan de nieuwe ontwerpregeling
wordt meegenomen in de keuzes ten aanzien van de financieringssystematiek, mede gezien
het voornemen van de Minister om de regeling per 2027 te verlengen en de Kamer in
het najaar te informeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de evaluatie van de subsidieregeling
opvang kinderen van ouders met een trekkend of varend bestaan. Deze leden hebben hierover
nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de daling van het aantal kinderen structureel
van aard is. Deze leden vragen hoeveel internaten er momenteel zijn en welke gevolgen
dit heeft voor het aantal internaten of locaties van internaten. Dreigen er op dit
moment internaten of internaatlocaties te sluiten en zo ja, welke? En verwacht de
Minister dat er daardoor in de toekomst minder budget nodig is voor de subsidieregeling,
en zo ja, hoeveel minder?
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister reageert op de aanbevelingen uit
het onderzoek. Is de Minister voornemens om de aanbeveling over te nemen om een hybride
financieringsmodel in te voeren, om de (financiële) stabiliteit van internaten te
versterken? En hoe kijkt de Minister naar de aanbeveling om de huurcomponent expliciet
te erkennen en (deels) te subsidiëren? Deze leden vragen ook hoe de Minister naar
meerjarige subsidietoekenning kijkt, aangezien verschillende stakeholders aangeven
dat dit niet aansluit bij de behoefte aan voorspelbaarheid.
De leden van de CDA-fractie vragen wat de reactie van de Minister is op de overige
bevindingen uit het onderzoek, zoals de bevindingen over de toegankelijkheid van internaten
en de bevindingen over de ouderbijdrage.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling het rapport van de evaluatie
subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend of varend bestaan gelezen.
Deze leden vinden het geruststellend dat de regeling als doeltreffend wordt beoordeeld.
Dat ouders de nabijheid van scholen, de continuïteit in onderwijs en de sociale omgeving
van internaten waarderen is belangrijk en goed om te lezen. Dat ook de doelmatigheid
als goed beoordeeld wordt, is een goed teken.
De leden van de BBB-fractie vinden het positief dat in dit onderzoek de ervaringen,
wensen en inzichten van ouders van met name schipperskinderen (die het meest van deze
opvang gebruik maken) nadrukkelijk zijn meegenomen. Juist deze ouders weten als geen
ander wat voor hun kinderen werkt in de praktijk. Dat zij aangeven dat internaten
voor hun kinderen vaak de meest stabiele en passende oplossing zijn, zien deze leden
als een belangrijk signaal dat de huidige opvangstructuur in veel gevallen goed aansluit
bij de behoeften van schippersgezinnen. De leden van de BBB-fractie lezen het rapport
dus als overwegend zeer positief.
Uit het onderzoek ontstaat het beeld dat internaten voor schipperskinderen in de praktijk
nog altijd voorzien in een duidelijke behoefte en dat volwaardige alternatieven veelal
ontbreken of in elk geval niet dezelfde stabiliteit en uitvoerbaarheid bieden voor
schippersgezinnen. Deze leden zien in het rapport dan ook geen aanleiding om de huidige
systematiek ingrijpend te wijzigen.
De leden van de BBB-fractie hebben daarom geen nadere vragen over het rapport zelf,
maar vernemen wel graag hoe de Minister de uitkomsten van dit onderzoek beoordeelt.
Deelt de Minister de conclusie dat internaten voor veel schippersgezinnen nog altijd
een passende en noodzakelijke voorziening vormen? Kan de Minister tevens bevestigen
dat zij voornemens is deze voorziening ook in de toekomst op vergelijkbare wijze te
blijven ondersteunen en geen wijzigingen voorbereidt die afbreuk doen aan de huidige
praktijk?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken en
wachten de beantwoording van de Minister met belangstelling af en hebben voor nu geen
vragen en/of opmerkingen.
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.