Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vermeer over het aflopen van de 30jaarstermijn en het budgettair beslag van de hypotheekrenteaftrek
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Staatssecretaris van Financiën over het aflopen van de 30jaarstermijn en het budgettair beslag van de hypotheekrenteaftrek (ingezonden 12 februari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën), mede namens de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening (ontvangen 13 mei 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 1187.
Vraag 1
Uit berichten van onder andere het FD en TaxLive1 blijkt dat na 2031 honderdduizenden mensen hun recht op renteaftrek verliezen, maar
dat de administratie hiervoor ontbreekt, zowel bij de Belastingdienst als bij banken:
wat doet u om te voorkomen dat deze situatie uitloopt op massale bezwaarprocedures
en administratieve chaos voor burgers en uitvoerders?
Antwoord 1
Er is gewerkt aan een ambtelijk rapport2 over de 30-jaarsproblematiek bij de hypotheekrenteaftrek. In dit rapport wordt ingegaan
op de risico’s en de mogelijke oplossingsrichtingen. Voor deze oplossingsrichtingen
wordt naar dit rapport verwezen dat tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede
Kamer is verstuurd.
Vraag 2
Is er wat u betreft een risico dat financiën na 2031 geconfronteerd zal worden met
aanzienlijk hogere derving voor de hypotheekrenteaftrek, aangezien met geen mogelijkheid
gecontroleerd kan worden welke belastingplichtigen al gedurende 30 jaar gebruik hebben
gemaakt van de aftrek en vele belastingplichtigen de aftrek achteloos zullen blijven
toepassen?
Antwoord 2
Zoals in het rapport staat beschreven kunnen de gemiste jaarlijkse belastingopbrengsten
als geen besluitvorming plaatsvindt – en de huidige situatie dus in stand blijft –
vanaf 2031 oplopen tot boven de 100 miljoen euro per jaar door het (on)bewust overschrijden
van de 30-jaarstermijn door burgers. Dit is een inschatting die met grote onzekerheden
omgeven is.
Vraag 3
Het huidige coalitieakkoord lijkt geen wijziging aan te brengen in de ramingen rond
de hypotheekrenteaftrek: waarom is er geen rekening gehouden met extra budgettaire
risico’s?
Antwoord 3
Het genoemde rapport biedt meer inzicht in de budgettaire risico’s bij het aflopen
van de 30-jaarstermijn. Hoewel het wel doorwerking heeft op het EMU-saldo vanaf 2031,
zijn dergelijke effecten niet relevant voor het inkomstenkader.
Vraag 4
Zijn er überhaupt budgettaire risicoanalyses beschikbaar ten aanzien van dit thema?
Antwoord 4
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 5
Zo nee, bent u bereid om deze vorm te geven?
Antwoord 5
Zie het antwoord op vraag 4.
Vraag 6
Waarom is bij het ontwerp van dit systeem volgens u destijds niet beter nagedacht
over de uitvoerbaarheid op de lange termijn en de benodigde administratieve waarborgen?
Antwoord 6
De 30-jaarstermijn is per 1 januari 2001 ingevoerd. Het uitgangspunt van de huidige
wetgeving is dat het primair aan belastingplichtigen is om aannemelijk te maken dat
recht bestaat op een aftrek. Een vorig kabinet heeft in 2019 naar aanleiding van aanbevelingen
van Panteia over het alsnog gaan opzetten van een dergelijk administratiesysteem aangegeven
dit niet te gaan doen om de volgende redenen. Deze overwegingen zijn nog steeds relevant3:
«Het kabinet onderschrijft binnen de huidige eigenwoningregeling het belang van het
door betrokken partijen op de juiste momenten beschikken over de relevante historische
gegevens. Zoals hiervoor echter al is aangegeven verhoudt het uitgangspunt dat de
Belastingdienst verantwoordelijk zou moeten zijn voor het registreren en valideren
van deze gegevens zich niet goed met het belang dat de belastingplichtige – gezien
de bewijslast, het beoogde belastingvoordeel en het juist kunnen doen van aangifte –
heeft. (...)
Overigens zou een registratie vermoedelijk alleen voor nieuwe gevallen – dat wil zeggen
belastingplichtigen die na invoering van de registratie voor het eerst in aanmerking
komen voor aftrek van eigenwoningrente een zinvolle bijdrage kunnen leveren. De Belastingdienst
beschikt namelijk over onvoldoende informatie om een dergelijke registratie ook te
kunnen vullen met historische gegevens. Verder zou een dergelijke registratie leiden
tot een forse toename van administratieve lasten voor belastingplichtigen en de Belastingdienst.»
Ook is eerder door mijn ambtsvoorganger naar aanleiding van de kabinetsreactie op
de evaluaties ingegaan op de uitvoeringsproblemen van de Belastingdienst.4
(...) Een uniform woonoverzicht door de Belastingdienst is niet goed te realiseren.
Voor het beoordelen van de fiscale status van woningen en met name de aftrekbaarheid
van de (hypotheek-)rente is het nodig een koppeling te leggen tussen persoonlijke
gegevens, de persoonlijke situatie en fiscale gegevens en daar een fiscale appreciatie
aan te geven. Het gaat vaak om langjarige gegevens. Het is voor de Belastingdienst
niet mogelijk al deze gegevens, in combinatie met de persoonlijke elementen, in een
administratie vast te leggen en die te ontsluiten. Daarnaast valt het buiten het takenpakket
van de Belastingdienst om voor elke burger met een eigen woning een volledig historisch
dossier op te zetten en bij te houden. (...)
De Belastingdienst probeert belastingplichtigen overigens zo goed mogelijk in staat
te stellen met zo min mogelijk inspanningen automatisch aan fiscale verplichtingen
te kunnen voldoen. Een belangrijk instrument hierbij is bijvoorbeeld de vooraf ingevulde
aangifte. Doordat er geen gegevens beschikbaar zijn, kunnen belastingplichtigen echter
niet geholpen worden bij het onderbouwen van een recht op aftrek.
Verder was de invoering van de 30-jaarstermijn slechts een onderdeel van de invoering
van de Wet inkomstenbelasting 2001. Er is destijds niet voor gekozen een dergelijk
administratiesysteem op te zetten. Naast de bovengenoemde redenen om niet over te
gaan op een administratiesysteem hadden destijds de invoering van het boxenstelsel
(en de vermogensrendementsheffing), het vervangen van belastingvrije sommen door heffingskortingen
en de introductie van uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig
verdienende partner prioriteit. Ook toen waren er al uitdagingen op het gebied van
ICT capaciteit. Het effect van de 30-jaarstermijn zou zich ook pas voor het eerst
voordoen in 2031, terwijl deze onderdelen per 2001 in werking moesten treden.
Vraag 7
Klopt het dat het kabinet feitelijk maar vijf jaar administratie/aangiften bijhoudt
en bewaart van particulieren?
Antwoord 7
Nee, dat klopt niet. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Vraag 8
Kunt u aangeven waarom de Belastingdienst maar vijf jaar aan administratie bewaart,
terwijl de hypotheekrenteaftrek een looptijd tot 30 jaar kent?
Antwoord 8
De Belastingdienst bewaart de aangiften, aanslagen en andere stukken rondom de inkomensheffing
in het algemeen 14 jaar na het belastingjaar conform de Archiefwet en de selectielijst.
De eigenwoningregeling maakt daar onderdeel van uit.5 Overheidsorganisaties zijn wettelijk verplicht (artikel 5 van de Archiefwet 1995
en artikel 5 van het Archiefbesluit 1995) om te beschikken over een selectielijst.
De selectielijst beschrijft welke archiefbescheiden voor vernietiging of voor blijvende
bewaring in aanmerking komen. De gegevens van de afgelopen 14 jaar zijn echter niet
voldoende voor de beoordeling van de 30-jaarstermijn voor alle belastingplichtigen.
Vraag 9
Hoe verhouden deze standaarden aan de kant van de Belastingdienst zich tot de administratievereisten
voor belastingplichtigen(in het bijzonder ondernemers/zelfstandigen)?
Antwoord 9
Administratieplichtigen zijn op basis van artikel 52 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen
(AWR) verplicht de zakelijke administratie over een belastingjaar zeven jaar te bewaren.
Ondernemers voor de inkomstenbelasting zijn administratieplichtig. Voor particulieren
geldt een dergelijke verplichting niet.
De Belastingdienst kan tot vijf jaar terug de te weinig betaalde belasting navorderen.
Daarom is het verstandig om de administratie in ieder geval vijf jaar te bewaren.
Zeker als het gaat om inkomensverlagende posten die de belastingplichtige aannemelijk
moet maken.
Vraag 10
Acht u het verantwoord om van burgers te verlangen dat zij, 30 jaar na ingang van
hun hypotheek, zelf kunnen aantonen dat zij nog recht hebben op renteaftrek, terwijl
de overheid en banken de administratieve gegevens veel korter bewaren? Ziet u risico’s
voor rechtszekerheid en belastingmoraal?
Antwoord 10
Het uitgangspunt van de huidige wetgeving is dat het primair aan belastingplichtigen
is om aannemelijk te maken dat recht bestaat op een aftrek. In het rapport staat beschreven
dat het valt te betwijfelen of belastingplichtigen zich daar voldoende van bewust
zijn en of zij het overzicht zelf wel hebben. De afgelopen jaren hebben er bovendien
meer wijzigingen plaatsgevonden aan de eigenwoningregeling die de benodigde administratie
lastiger hebben gemaakt. Het niet juist kunnen indienen van de aangifte inkomstenbelasting
vanwege het ontbreken van de benodigde informatie is niet goed voor de belastingmoraal
en kan het gevoel van rechtszekerheid schaden. Tegelijkertijd hebben alle uitgewerkte
oplossingen ook voor- en nadelen.
Vraag 11
Bent u voornemens de 30 jaarstermijn te verlengen, omdat de huidige einddatum gezien
de beperkte administratie aan de kant van de overheid niet te handhaven is?
Antwoord 11
In het rapport zijn meerdere oplossingsrichtingen opgenomen. Tegelijkertijd heeft
iedere oplossingsrichting voor- en nadelen. Het kabinet zal naar aanleiding van het
rapport een kabinetsreactie opstellen.
Vraag 12
Kunt u aangeven wat de jaarlijkse budgettaire gevolgen zijn als de termijn wordt verlengd
tot bijvoorbeeld 2040?
Antwoord 12
Het genoemde rapport schetst mogelijke oplossingsrichtingen en de daarmee gepaard
gaande budgettaire gevolgen. Bijlage 3 bij het rapport geeft een indicatie van de
budgettaire gevolgen als de 30-jaarstermijn wordt verlengd tot 2040. De jaarlijkse
budgettaire derving die dan ontstaat bedraagt circa 860 miljoen euro in 2031 en loopt
op tot circa 1,8 miljard euro in 2040.
Vraag 13
Is hiertoe reeds financieel beleid of een kostenraming beschikbaar?
Antwoord 13
Zie antwoord op vraag 12.
Vraag 14
Wanneer verwacht u met een concreet voorstel te komen om de uitvoeringsproblemen rond
deze kwestie tijdig op te lossen?
Antwoord 14
Zoals eerder genoemd zal het kabinet in een kabinetsreactie op het rapport ingaan
hoe het om zal gaan met de 30-jaarsproblematiek.
Vraag 15
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Antwoord 15
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën -
Mede namens
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.