Lijst van vragen : Lijst van vragen over de Periodieke rapportage Omgevingsveiligheid en Milieurisico's 2018-2024 (Kamerstuk 28089-351)
2026D22029 Lijst van vragen
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen voorgelegd
aan de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over hun brief
houdende de Periodieke rapportage Omgevingsveiligheid en Milieurisico's 2018–2024 (Kamerstuk 28 089, nr. 351).
De voorzitter van de commissie,
Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie,
Koerselman
Nr
Vraag
1
Op basis van welke concrete indicatoren of evaluatieresultaten concludeert u dat de
beleidsinzet in het algemeen als doeltreffend kan worden beschouwd?
2
Welke concrete taken, programma’s of verantwoordelijkheden zouden geraakt worden bij
de genoemde besparingsvarianten, in het bijzonder ten aanzien van het stelsel van
vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-stelsel) en de inzet van agentschappen?
3
Welke concrete wijzigingen in de begrotingsstructuur worden overwogen om de koppeling
tussen beleidsdoelen, instrumenten en financiële middelen te verbeteren, en op welke
termijn wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
4
Welke agentschappen worden bedoeld met de constatering dat de publieke verantwoording
over de inzet en resultaten beperkt beschikbaar is, en welke maatregelen worden genomen
om deze transparantie te vergroten?
5
Gezien het feit dat de onderzoekers concluderen dat de beleidsinzet in het algemeen
doeltreffend is, maar deze conclusie te rooskleurig vinden en het beeld eerder als
gemengd omschrijven; op welke specifieke evaluaties baseert de Minister zijn optimisme,
en hoe weegt hij hierbij het oordeel van de deskundigen mee dat de resultaten van
instrumenten in werkelijkheid achterblijven bij de doelstellingen?
6
Hoe geven indicatoren, zoals het aantal vergunningsaanvragen en REACH-dossiers, volgens
u inzicht in het daadwerkelijke doelbereik van het beleid, in plaats van uitsluitend
in beleidsactiviteiten of procesoutput?
7
Wat wordt bedoeld met de passage dat een te grote nadruk op het (lage) aantal incidenten
effect kan hebben op de veiligheidsbeleving van inwoners, en waarom zou dit aanleiding
zijn om terughoudend te zijn met dergelijke indicatoren?
8
Wanneer kan de Kamer concrete indicatoren tegemoetzien waarmee niet alleen output,
maar ook outcome en impact van het beleid inzichtelijk worden gemaakt, inclusief de
veiligheidsbeleving van inwoners?
9
Bent u, gezien het feit dat de effectiviteit en efficiëntie van samenwerkingsprogramma’s
en convenanten wisselend en soms zeer beperkt is, met name op het gebied van veiligheid
bij bedrijven, bereid om kritisch te kijken naar het nut van deze vrijblijvende instrumenten
en aan te geven of een verschuiving naar striktere handhaving of sanering van deze
programma's wordt overwogen om bureaucratie te verminderen?
10
Gelet op het feit dat de structuur van de begroting onvoldoende aansluit op de inhoudelijke
doelen, waardoor de doeltreffendheid en doelmatigheid van de inzet van middelen moeilijk
te beoordelen is, hoe kan de Kamer haar controlerende taak ten aanzien van de besteding
van publieke middelen naar behoren uitvoeren als u de aanbeveling om de begrotingsstructuur
te herzien nog niet duidelijk hebt overgenomen?
11
Welke concrete beleidsmatige verbeteringen zijn sinds 2021 voortgekomen uit evaluaties
binnen de Strategische Evaluatie Agenda, waar in de brief naar wordt verwezen?
12
Tegen de achtergrond dat de totale uitgaven voor omgevingsveiligheid en milieurisico’s
in de periode 2018–2024 ongeveer 392 miljoen euro bedroegen, waarbij een groot deel
naar agentschappen zoals het RIVM en Rijkswaterstaat gaat, kunt u, in het kader van
een doelmatige besteding van belastinggeld, verklaren waarom de publieke verantwoording
over de inzet van deze honderden miljoenen door agentschappen volgens de onderzoekers
beperkt is en evaluaties van de doeltreffendheid van hun programma’s «schaars» zijn?
13
Kunt u uitleggen waarom de aanbeveling uit de beleidsdoorlichting van 2018 om meer
kwantitatief evaluatiemateriaal beschikbaar te stellen voor onder andere het transport
van gevaarlijke stoffen is genegeerd, en waarom er nog steeds voornamelijk op basis
van kwalitatieve methoden (meningen en processen) wordt gerapporteerd in plaats van
op basis van harde veiligheidscijfers?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
G.B. Koerselman, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.