Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over stand van zaken diverse moties en toezeggingen begrotingsbehandeling VWS 2026 (Kamerstuk 36800-XVI-68)
36 800 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026
Nr. 193
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 12 mei 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over
de brief van 12 februari 2026 over stand van zaken diverse moties en toezeggingen
begrotingsbehandeling VWS 2026 (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 68).
De vragen en opmerkingen zijn op 7 april 2026 aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 12 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
3
II.
Reactie van de Minister
3
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
bewindspersonen over de stand van zaken met betrekking tot diverse moties en toezeggingen
die tijdens de begrotingsbehandeling VWS 2026 zijn gedaan. Deze leden hebben daarover
op dit moment geen verdere vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de «Stand van zaken
diverse moties en toezegging en begrotingsbehandeling VWS 2026». Zij hebben hierover
de volgende vraag.
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de Minister de motie van de leden Bushoff
en Van den Hil als uitgevoerd beschouwt. Het is deze leden echter niet duidelijk of
het nu daadwerkelijk gemakkelijker gemaakt zal worden voor K&J-psychologen om aan
de slag te gaan als GZ-psycholoog voor kinderen en jongvolwassenen. Er zijn momenteel
meer dan duizend K&J-psychologen, die niet aan de slag kunnen als GZ-psycholoog voor
kinderen en jongvolwassenen. Gezien de lange wachtlijsten en de krapte op de arbeidsmarkt,
maken de leden van de VVD-fractie zich hier zorgen om. Kan de Minister toelichten
of het nu wel of niet eenvoudiger wordt voor K&J-psychologen om aan de slag te gaan
als GZ-psycholoog voor kinderen en jongvolwassenen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
brief de bewindspersonen over de stand van zaken met betrekking tot diverse moties
en toezeggingen die tijdens de begrotingsbehandeling VWS 2026 zijn gedaan. Zij hebben
nog enkele vragen en opmerkingen over deze brief.
Ten aanzien van de motie van het lid Bushoff (Kamerstuk 29 689, nr. 1301) over in kaart brengen hoeveel mensen om financiële reden afzien van behandeling
tegen MRSA (meticillineresistente Staphylococcus aureus) hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
enkele vragen. Genoemde leden lezen in het advies van ZonMw dat een volledige kosten-effectiviteitsanalyse
nodig zou zijn om de financiële impact te bepalen. Kan de Minister uitleggen waarom
zo’n analyse nodig is, terwijl het Nederlandse search-and-destroy beleid ten aanzien van MRSA al jarenlang als kosteneffectief wordt beschouwd? Dat
is door de Gezondheidsraad bevestigd.
De motie vraagt niet enkel om in kaart te brengen hoeveel mensen afzien van behandeling
om financiële redenen, maar ook wat de financiële impact is om de diagnostiek en behandeling
van het MRSA-virus uit te sluiten van het eigen risico. Kan de Minister erop in gaan
waarom zo’n onderzoek niet wordt uitgevoerd?
Genoemde leden stellen, in lijn met de ZonMw-commissie, dat individuen waarvan het
eigen risico nog niet geheel is aangesproken nu gevraagd worden om kosten te dragen
voor eigen diagnostiek en behandeling van MRSA-dragerschap voor een algemeen belang.
Dit vinden zij onrechtvaardig. Is de Minister van mening dat het rechtvaardig is dat
deze mensen hun eigen risico hiervoor moeten aanspreken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er een complex en langdurig onderzoek
nodig is om in kaart te brengen hoeveel mensen om financiële reden afzien van behandeling
tegen MRSA. Echter, is de Minister dan niet bereid om in ieder geval een globale inschatting
te maken met het veld van de jaarlijkse kosten? Als de kosten op basis van deze inschatting
inderdaad beperkt blijken te zijn, is de Minister dan bereid om deze zorg uit te zonderen
van het eigen risico, juist omdat het gaat om een maatregel in het kader van infectieziektebestrijding
die het algemeen belang dient?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben de brief van de bewindspersonen gelezen en hebben
hier geen opmerkingen en vragen over.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben op dit moment geen vragen over de brief van de
bewindspersonen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de brief over de «Stand van zaken diverse moties
en toezeggingen begrotingsbehandeling VWS 2026» met interesse gelezen en hebben daar
vooralsnog geen vragen over.
II. Reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de «Stand van zaken
diverse moties en toezegging en begrotingsbehandeling VWS 2026». Zij hebben hierover
de volgende vraag.
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de Minister de motie van de leden Bushoff
en Van den Hil als uitgevoerd beschouwt. Het is deze leden echter niet duidelijk of
het nu daadwerkelijk gemakkelijker gemaakt zal worden voor K&J-psychologen om aan
de slag te gaan als GZ-psycholoog voor kinderen en jongvolwassenen. Er zijn momenteel
meer dan duizend K&J-psychologen, die niet aan de slag kunnen als GZ-psycholoog voor
kinderen en jongvolwassenen. Gezien de lange wachtlijsten en de krapte op de arbeidsmarkt,
maken de leden van de VVD-fractie zich hier zorgen om. Kan de Minister toelichten
of het nu wel of niet eenvoudiger wordt voor K&J-psychologen om aan de slag te gaan
als GZ-psycholoog voor kinderen en jongvolwassenen?
Het beroep Kind- en Jeugdpsycholoog (K&J-psycholoog) en het BIG-beroep GZ-psycholoog
zijn afzonderlijke beroepen met elk een eigen opleiding. Het beroep K&J-psycholoog
blijft als zelfstandig beroep bestaan. K&J-psychologen en GZ-psychologen kunnen vergelijkbare
werkzaamheden verrichten in het jeugddomein. K&J-psychologen kunnen daarnaast zorg
verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext.
Beperkingen in de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen vloeien voort uit veldafspraken
en niet uit wettelijke bepalingen. Zoals het kabinet de Kamer op 12 november 2024,
27 mei 2025 en recent op 18 maart 2026 heeft toegelicht,1 reguleert de Wet BIG beroepen alleen wanneer dit noodzakelijk is voor patiëntveiligheid
en het behoud van de kwaliteit van zorg. Het Zorginstituut Nederland heeft in 2022
aangegeven dat zwaardere regulering van het beroep K&J-psycholoog door opname in het
BIG-register in dat licht niet noodzakelijk is, omdat de kwaliteit van de zorg reeds
voldoende wordt gewaarborgd, onder meer via het Kwaliteitsregister Jeugd.2 K&J-psychologen kunnen al werken in de jeugdhulp en kunnen dat blijven doen, aangezien
voor deze groep de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing is.
Zoals het kabinet op 18 maart 2026 aan de Kamer heeft gemeld komen verzoeken tot regulering
van beroepen niet altijd voort uit overwegingen van patiëntveiligheid of kwaliteit
van zorg, maar hangen deze samen met bijvoorbeeld verwachtingen over positie, beloning
of declaratiemogelijkheden. Dit acht het kabinet onwenselijk. Onnodige regulering
kan de inzetbaarheid en mobiliteit van zorgprofessionals beperken en daarmee negatieve
effecten hebben op de arbeidsmarkt, zoals tekorten en verminderde flexibiliteit. Daarom
is het van belang terughoudend om te gaan met regulering en alleen in te zetten waar
dit daadwerkelijk noodzakelijk is voor de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening
en patiëntveiligheid.
Na het niet doorzetten van het conceptwetsvoorstel ter vereenvoudiging van de beroepenstructuur
van psychologische beroepen hebben verschillende veldpartijen, waaronder het NIP en
het Collectief Kinder- en Jeugdpsychologen, verzocht om een overgangs- of coulanceregeling
voor een groep K&J-psychologen die zich heeft omgeschoold in de verwachting dat dit
zou leiden tot een BIG-registratie als GZ-psycholoog. Deze groep heeft vooruitlopend
op besluitvorming op eigen initiatief en daarmee op eigen risico geanticipeerd op
het conceptwetsvoorstel. Tijdens een wetgevingsproces kunnen plannen wijzigen of worden
ingetrokken en aan beleidsvoornemens kunnen geen rechten worden ontleend. Het niet
doorzetten van dit conceptwetsvoorstel leidt daarom niet tot een overgangs- of coulanceregeling.
Dit is op 4 februari 2026 tijdens het rondetafelgesprek met veldpartijen uit de ggz3 nogmaals toegelicht. Veldpartijen hebben bevestigd dat zij dit standpunt begrijpen.
Bovendien is tijdens het rondetafelgesprek afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken
hoe K&J-psychologen breed ingezet kunnen worden, onder andere door mogelijkheden te
zoeken binnen de veldafspraken in het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS).
Tijdens dat rondetafelgesprek is ook afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken
waar het LKS de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen raakt en welke eventuele aanpassingen
helpend kunnen zijn om de beperkingen op te lossen. Knelpunten ten aanzien van de
brede inzetbaarheid en de knelpunten die K&J-psychologen vloeien namelijk voort uit
afspraken die veldpartijen zelf hebben gemaakt in het LKS en niet uit wettelijke bepalingen.
Het Ministerie van VWS speelt hierin geen rol, maar heeft vertrouwen dat veldpartijen
hier concrete afspraken over maken.
Bij de zorgverlening is het belangrijk onderscheid te maken tussen jeugdhulp tot 18
jaar en zorg voor jongvolwassenen vanaf 18 jaar. K&J-psychologen kunnen in het jeugdveld
werkzaam zijn zonder BIG-registratie, aangezien deze registratie geen voorwaarde is
voor inzet in de jeugdhulp. Zij moeten uiteraard voldoen aan de kwaliteitseisen uit
de Jeugdwet en zijn binnen dit kader al breed en flexibel inzetbaar. Voor zorg aan
jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext valt de zorg
vanaf 18 jaar in beginsel onder de Zorgverzekeringswet, waarbij het LKS van toepassing
is.
Voor cliënten die tijdens hun behandeling 18 jaar worden, geldt een overgangsregeling
van maximaal 365 dagen, zodat de behandeling die is gestart op grond van de Jeugdwet
tijdelijk kan worden voortgezet onder de Zorgverzekeringswet bij dezelfde behandelaar.
Dit betekent dat K&J-psychologen zorg kunnen blijven verlenen aan jongvolwassenen
van 18 t/m 24 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext. In de volwassen ggz is het
regiebehandelaarschap voorbehouden aan zorgverleners met een BIG-registratie. K&J-psychologen
zonder BIG-registratie kunnen in de volwassen ggz geen regiebehandelaar zijn. Deze
eis volgt uit het LKS en andere veldafspraken en staat geheel los van de Wet BIG,
aangezien de Wet BIG zelf geen eisen stelt aan het regiebehandelaarschap.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
brief de bewindspersonen over de stand van zaken met betrekking tot diverse moties
en toezeggingen die tijdens de begrotingsbehandeling VWS 2026 zijn gedaan. Zij hebben
nog enkele vragen en opmerkingen over deze brief.
Ten aan zien van de motie van het lid Bushoff over in kaart brengen hoeveel mensen
om financiële reden afzien van behandeling tegen MRSA (meticillineresistente Staphylococcus
aureus) hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie enkele vragen.
Genoemde leden lezen in het advies van ZonMw dat een volledige kosten-effectiviteitsanalyse
nodig zou zijn om de financiële impact te bepalen. Kan de Minister uitleggen waarom
zo’n analyse nodig is, terwijl het Nederlandse search-and-destroy beleid ten aanzien
van MRSA al jarenlang als kosteneffectief wordt beschouwd? Dat is door de Gezondheidsraad
bevestigd.
De motie verzoekt de regering om «in kaart te brengen hoeveel mensen afzien van behandeling
om financiële redenen en wat de financiële impact is om de diagnostiek en behandeling
van het MRSA-virus uit te sluiten van het eigen risico». Ter uitvoering van deze motie
is ZonMw daarom gevraagd hoe een dergelijke analyse verantwoord kan worden uitgevoerd.
De in de motie gestelde vragen staan los van de vraag hoe effectief het «search and
destroy»-beleid is. In Nederland beschermt dit «search and destroy»-beleid kwetsbare
patiënten en hun zorgverleners tegen de MRSA-bacterie.4 Dit beleid richt zich specifiek op risicosituaties binnen zorginstellingen, en geldt
niet voor elke MRSA-drager. Buiten de zorginstellingen geldt terughoudendheid ten
aanzien van het behandelen bij gezonde mensen.
De motie vraagt niet enkel om in kaart te brengen hoeveel mensen afzien van behandeling
om financiële redenen, maar ook wat de financiële impact is om de diagnostiek en behandeling
van het MRSA-virus uit te sluiten van het eigen risico. Kan de Minister erop in gaan
waarom zo’n onderzoek niet wordt uitgevoerd?
Om de financiële impact te kunnen berekenen dient allereerst bekend te zijn hoeveel
mensen om financiële redenen afzien van een behandeling. Dit onderzoek is niet uitvoerbaar
op wetenschappelijk verantwoorde wijze, zoals is geconcludeerd door de ZonMw commissie
Infectieziekten & Resistentie. Daarmee is ook de financiële impact niet te berekenen.
Genoemde leden stellen, in lijn met de ZonMw-commissie, dat individuen waarvan het
eigen risico nog niet geheel is aangesproken nu gevraagd worden om kosten te dragen
voor eigen diagnostiek en behandeling van MRSA-dragerschap voor een algemeen belang.
Dit vinden zij onrechtvaardig. Is de Minister van mening dat het rechtvaardig is dat
deze mensen hun eigen risico hiervoor moeten aanspreken?
Het kan als onrechtvaardig voelen wanneer iemand die niet ziek is een behandeling
ondergaat in het belang van een ander en daarvoor kosten moet maken. Een MRSA-dragerschapsbehandeling
heeft echter ook tot doel om te voorkomen dat het betreffende individu op termijn
mogelijke gezondheidsschade oploopt.
Wat betreft het beleid ten aanzien van het beteugelen van antimicrobiële resistentie
moeten keuzes worden gemaakt die uiteindelijk het meeste opleveren voor de volksgezondheid.
Het risico voor de volksgezondheid is in dit geval onvoldoende inzichtelijk om tot
beleidswijzigingen over te gaan. Het kabinet ziet, nu het doorvoeren van een beleidswijziging
ongericht en waarschijnlijk weinig effectief is, geen redenen om de MRSA-dragerschapsbehandeling
kosteloos ter beschikking te stellen (zie ook het antwoord hierna).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er een complex en langdurig onderzoek
nodig is om in kaart te brengen hoeveel mensen om financiële reden afzien van behandeling
tegen MRSA. Echter, is de Minister dan niet bereid om in ieder geval een globale inschatting
te maken met het veld van de jaarlijkse kosten? Als de kosten op basis van deze inschatting
inderdaad beperkt blijken te zijn, is de Minister dan bereid om deze zorg uit te zonderen
van het eigen risico, juist omdat het gaat om een maatregel in het kader van infectieziektebestrijding
die het algemeen belang dient?
In het advies van de ZonMw Commissie is de grove inschatting gemaakt dat er jaarlijks
bij 3.000–4.000 mensen MRSA-dragerschap wordt vastgesteld. Het aantal mensen dat drager
van de MRSA-bacterie is, ligt hoger, maar niet iedereen in Nederland wordt getest.
De commissie schat verder in dat jaarlijks tussen de 100 en 200 personen afzien van
behandeling van MRSA-dragerschap. Bij een deel van deze 100–200 mensen kan financiële
overwegingen een rol spelen. Bij een aanname van 4.000 mensen die jaarlijks het advies
krijgen om hun dragerschap te behandelen, en de kosten per persoon (ongeveer 300 euro),
is de inschatting dat het totaal aan kosten (voor antibiotica, neuszalf, diagnostiek)
ca. 1,2 miljoen euro bedraagt. Bij meerdere kweek- en behandelrondes zou dit bedrag
iets hoger kunnen zijn.
Onduidelijk blijft hoe groot de effectiviteit van het kosteloos ter beschikking stellen
van MRSA-dragerschapsbehandeling zou zijn, omdat de meerderheid van de dragers nu
ook al bereid is de behandeling te ondergaan en we niet weten welk deel van degenen
die nu afzien van behandeling dit wel zouden doen als hier geen kosten voor zijn.
Het zou erop neer kunnen komen dat de maatregel, die op basis van bovenstaande schattingen
1,2 miljoen zou kosten, ertoe leidt dat enkele tientallen personen meer zich zouden
behandelen voor MRSA-dragerschap. Hiermee lijken de mogelijke kosten (financieel) niet op te wegen tegen
de mogelijke baten (voor de volksgezondheid).
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier