Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026 (Kamerstuk 21501-02-3389)
21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken
nr. 3395
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 8 mei 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de Geannoteerde agenda voor
de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3389), de brief van 17 april 2026 over de Nederlandse inzet tijdens de Toetsingsconferentie
van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) 2026 op het terrein van nucleair ontwapening, non-proliferatie
en het vreedzaam gebruik van nucleaire technologie (Kamerstuk 33 783, nr. 53) en de brief van 10 april 2026 over de Nederlandse diplomatieke presentie in Venezuela
(Kamerstuk 29 653, nr. 92).
De vragen en opmerkingen zijn op 4 mei 2026 aan de Minister van Buitenlandse Zaken
voorgelegd. Bij brief van 8 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Klaver
De griffier van de commissie, Westerhoff
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
6
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
8
Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractie
12
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
15
II
Volledige agenda
25
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026. Zij hebben hierover de volgende vragen en
opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie benadrukken dat de onverminderde militaire, financiële
en humanitaire steun aan Oekraïne, zoals ook vastgelegd in de budgettaire tabel van
het regeerakkoord, essentieel blijft om de Russische agressie het hoofd te bieden
en de Europese veiligheid te waarborgen. Deze leden verwelkomen de inzet van de Minister
om tijdens de Raad aan te dringen op de voorspoedige implementatie van de steunlening
voor Oekraïne. Wat betreft het sanctieregime wijzen de leden van de VVD-fractie op
het belang van eenheid van beleid en een geharmoniseerde uitvoering binnen de Europese
Unie (EU). In het verlengde van de VVD-inbreng over het wetsvoorstel «internationale
sanctiemaatregelen» vragen deze leden of de Minister bereid is van striktere handhaving
in de Raad een speerpunt te maken. Specifiek doelen deze leden op het sneller detecteren
van complexe omzeilingsconstructies via derde landen of buiten territoriale wateren
en het verbeteren van gegevensuitwisseling over omzeilingsconstructies. Is de Minister
bereid om tijdens de Raad te pleiten voor een EU-brede aanpak die «red flags» direct
vertaalt naar gezamenlijke actie?
1. Antwoord van het kabinet:
In de context van de Ruslandsancties beschikt de EU over een instrument waarmee gerichte
exportcontrolemaatregelen kunnen worden ingesteld tegen bedrijven die betrokken zijn
bij omzeiling. Conform de motie Van der Lee c.s.1 levert het kabinet een substantiële bijdrage aan de aanvulling van deze lijst. Bij
aanname van het twintigste sanctiepakket zijn in totaal 921 bedrijven op deze lijst
opgenomen. Voorts zet het kabinet in op versterking van de Europese naleving van sancties,
waaronder een sterkere gezamenlijke aanpak van omzeiling door bijvoorbeeld EU-brede
risicoanalyses. Het kabinet blijft zich inzetten voor een structurele versterking
van sanctie-capaciteit middels een Europese sanctie-instelling.
Verder vragen de leden van de VVD-fractie het kabinet wat het verwacht van het versterken
van de International Coalition for the Return of Ukrainian Children. Wat houdt die
versterking concreet in? En worden gerichte sancties overwogen tegen de entiteiten
die de logistieke infrastructuur achter deze illegale deportaties faciliteren?
2. Antwoord van het kabinet:
De Europese Unie stelde tot op heden gerichte sancties in tegen tientallen personen
en organisaties die betrokken zijn bij de illegale deportaties van Oekraïense kinderen.
Nederland ondersteunt deze aanpak. Wat het kabinet betreft blijven aanvullende sancties
in verband met illegale kindontvoeringen onderdeel van volgende sanctiepakketten.
De bijeenkomst van de International Coalition for the Return of Ukrainian Children
is gericht op effectievere internationale samenwerking bij het opsporen, identificeren
en terugbrengen van gedeporteerde Oekraïense kinderen. Daarnaast moet de versterking
bijdragen aan betere ondersteuning van kinderen na terugkeer, grotere diplomatieke
druk op Rusland en intensivering van accountability- en sanctie-inspanningen tegen
verantwoordelijken voor deze deportaties. De EU stelde tot op heden gerichte sancties
in tegen tientallen personen en organisaties die betrokken zijn bij de illegale deportaties
van Oekraïense kinderen. Nederland ondersteunt deze aanpak. Wat het kabinet betreft
blijven aanvullende sancties in verband met illegale kindontvoeringen onderdeel van
volgende sanctiepakketten. Daarnaast levert Nederland bilateraal steun aan het opsporen,
terugbrengen en ondersteunen van door Rusland illegaal gedeporteerde Oekraïense kinderen,
o.a. via het UN Development Programme (UNDP).
De leden van de VVD-fractie zijn bezorgd over de situatie in het Midden-Oosten en
de gevolgen daarvan voor de wereldeconomie. De eerste prioriteit zou wat deze leden
betreft dan ook moeten zijn het heropenen van de Straat van Hormuz op zo kort mogelijke
termijn. Dat het kabinet voorstander is van een actieve EU-rol ter ondersteuning hiervan,
juichen de leden van de VVD-fractie toe. Deze leden horen graag van de Minister waar
hij dan aan denkt en wat hij namens Nederland tijdens de Raad gaat inbrengen?
3. Antwoord van het kabinet:
Het is van essentieel belang dat de Straat van Hormuz weer opengaat. Als open economie
is Nederland meer dan andere landen kwetsbaar voor verstoringen van internationale
waardeketens. Doordat de wereldhandel sterk internationaal vervlochten is, kunnen
verstoringen elders in de wereld doorwerken in Nederland.
Openheid van de Straat van Hormuz is ook van essentieel belang voor lage-inkomenslanden.
Deze landen zijn over het algemeen afhankelijker van de import van olie, gas en ook
kunstmest uit de Golfregio. Daarnaast worden deze landen snel overboden op internationale
markten, waardoor daar al de eerste energietekorten waargenomen worden.
Nederland steunt de diplomatieke outreach van de EU en de lidstaten richting de VS,
Iran en de Golfstaten om toe te werken naar een politieke oplossing en te kijken waar
een rol van meerwaarde kan worden gespeeld. Hierbij steunt Nederland ook de VN-inzet
om doorvoer van essentiële goederen zoals kunstmest te faciliteren.
Daarnaast is Nederland betrokken bij het Frans-Britse initiatief dat diplomatiek-economische
sporen uitloopt om druk te zetten op Iran om de Straat te heropenen en om de industrie
en vastgezette schepen te ondersteunen. Voor een internationale missie kijkt Nederland
met voorrang naar het tevens Frans-Britse initiatief, waar Nederland al langere tijd
betrokken is bij de voorbereiding en planning van een dergelijke inzet, zodra de situatie
dat toelaat.
Nederland deed tijdens de vorige RBZ voorstellen voor het creëren van mogelijkheden
om met sancties de druk op Iran te verhogen om de Straat van Hormuz zo spoedig mogelijk
te heropenen. Dit wordt momenteel juridisch uitgewerkt in Brussel. Tijdens de aankomende
RBZ zal Nederland aandringen op snelle aanname hiervan ter ondersteuning van het diplomatieke
spoor.
Nederland is voornemens een leidende rol op zich te nemen in de ondersteuning van
(humanitaire) initiatieven gericht op vrije doorvaart in de Straat van Hormuz.
In het verlengde van de huidige situatie moedigen deze leden de Minister aan om in
de Raad te pleiten voor het blijvend verkennen van een brede handelsovereenkomst tussen
de EU en de Gulf Cooperation Council (GCC) met een specifieke focus op de Verenigde
Arabische Emiraten, zeker nu die zich uit de Organisatie van olie-exporterende landen
(OPEC) heeft teruggetrokken. Een dergelijk akkoord is niet alleen van economisch belang,
maar verstevigt ook de politieke relatie met betrouwbare partners in een roerige regio.
De leden van de VVD-fractie spreken hun grote zorg uit over de aanhoudende humanitaire
crisis in Gaza en de alsmaar zorgwekkender wordende situatie op de Westelijke Jordaanoever.
Zij ondersteunen de kabinetsinzet voor de volledige implementatie van VN-veiligheidsraadresolutie
2803 en benadrukken dat ongehinderde humanitaire toegang tot Gaza een prioriteit moet
blijven. Deze leden vragen de Minister wat hij kan doen om te voorkomen dat deze toegang
wordt misbruikt voor de smokkel van wapens of dual-use goederen?
4. Antwoord van het kabinet:
Nederland levert concrete bijdragen aan de monitoring van de invoer van humanitaire
hulp, onder meer via financiering van het door de Veiligheidsraad van de VN ingestelde
2720-mechanisme, en heeft bijdragen geleverd aan de capaciteit van Israël om hulpgoederen
te scannen vóór ze Gaza binnen worden gebracht.
Israël heeft de internationaalrechtelijke verplichting om adequate toegang te faciliteren
voor professionele humanitaire hulporganisaties, dat betreft ook toegang voor essentiële
goederen – bijvoorbeeld materialen voor onderdak of medische hulpmiddelen – die door
Israël als dual use worden beschouwd.
De leden van de VVD-fractie willen graag van de Minister weten waar het kabinet aan
denkt bij de gedragsverandering die het van Israël het liefst ziet en op welke manier
het kabinet de druk op Israël zou willen verhogen?
5. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de humanitaire situatie in de Gazastrook.
Daarnaast is de snel verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever, inclusief
Oost-Jeruzalem, zeer zorgelijk. Het kabinet onderstreept dat het nederzettingenbeleid
van Israël een halt moet worden toegeroepen, de Westelijke Jordaanoever niet mag worden
geannexeerd en dat het toenemende kolonistengeweld onacceptabel is. Daarnaast blijft
het kabinet pleiten voor duurzame verlenging van de banking waiver en de vrijgave
van belastinginkomsten die de Palestijnse Autoriteit toebehoren. Het kabinet erkent
de legitieme veiligheidszorgen van Israël ten aanzien van Hezbollah in Libanon, maar
zet vraagtekens bij de proportionaliteit van het militair optreden van Israël in Libanon.
Zoals bekend in uw Kamer heeft Nederland, naar aanleiding van zorgen over de situatie
in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, het initiatief genomen om de Israëlische
naleving van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren. De kabinetsinzet
blijft er op gericht om voldoende steun te vergaren voor de door de EU voorgestelde
maatregelen, naar aanleiding van deze evaluatie en de aanhoudende verslechtering van
de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Daarbij onderstreept het kabinet dat maatregelen
tegen Israël zijn bedoeld om de druk op te voeren zodat Israël van koers verandert
op de bovengenoemde kwesties.
De leden van de VVD-fractie steunen de High-Level Political Dialogue tussen de EU
en Syrië ter bevordering van de betrekkingen met de Syrische overgangsregering. Deze
leden zijn het met het kabinet eens dat wederopbouw, economisch herstel en transitional
justice belangrijke voorwaarden zijn om duurzame terugkeer te realiseren. De leden
van de VVD-fractie verwelkomen de hernieuwde samenwerking tussen de EU en het Verenigd
Koninkrijk (VK), zeker binnen kopgroepen met Europese landen ten behoeve van Oekraïne.
De leden van de VVD-fractie verwelkomen gesprekken over de Westelijke Balkan. Deze
leden willen graag weten op welke manier de landen in de Westelijke Balkan gestimuleerd
kunnen worden om het EU buitenland- en visumbeleid te implementeren. Wat staat daar
voor hen tegenover? En zijn alle landen in de Westelijke Balkan bereid de EU-sancties
tegen Rusland over te nemen? Op welke manier kan Nederland hen daarin ondersteunen?
6. Antwoord van het kabinet:
Van (potentiële) kandidaat-lidstaten zoals de landen in de Westelijke Balkan verwacht
het kabinet volledige aansluiting bij het EU Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid
(GBVB), inclusief de sancties tegen Rusland. Het kabinet verwelkomt de aandacht van
de Europese Commissie hiervoor in het toetredingsproces en spreekt landen waar dit
een zorgpunt is aan, conform de motie-Van Wijngaarden c.s.2 Niet alle landen in de Westelijke Balkan hebben de EU-sancties tegen Rusland overgenomen.
In een aantal landen blijft implementatie een aandachtspunt. Dit is onderdeel van
de dialoog die de Europese Commissie voert met deze landen. Nederland ondersteunt
deze inzet en is in contact met enkele kandidaat-lidstaten over waar specifieke Nederlandse
kennis en ervaring op gebied van sanctienaleving en bijbehorende nationale wetgeving
hieraan kan bijdragen.
Ook aan aansluiting bij het EU-visumbeleid van kandidaat-lidstaten wordt door de Commissie
en het kabinet aandacht besteed in het toetredingsproces.3
Eén van de doelstellingen van de Hervormings- en Groeifaciliteit voor de Westelijke
Balkan is verdere visumaansluiting van de landen in de Westelijke Balkan. Kandidaat-lidstaten
committeren zich in hun hervormingsagenda’s aan verdere aansluiting bij het EU-visumbeleid.
In ruil voor het doorvoeren van deze hervormingen ontvangen de landen in de Westelijke
Balkan steun uit de Faciliteit.
De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de Minister bereid is om te pleiten
voor het opschorten van IPA-middelen (Instrument for Pre-accession Assisstance) voor
landen die weigeren EU-sancties over te nemen.
7. Antwoord van het kabinet:
Onder het huidige MFK (2021–2027) is GBVB-aansluiting geen voorwaarde voor het ontvangen
van IPA-middelen. Bij de onderhandelingen over steun aan kandidaat-lidstaten onder
het nieuwe MFK is het kabinet voorstander van prestatiegerichte pre-accessiesteun. Tevens pleit het kabinet voor het meewegen van de strategische oriëntatie
van alle landen uit Uitbreidings- en Oostelijk Nabuurschapsregio bij het uitbetalen
van EU-fondsen.
Tot slot willen de leden van de VVD fractie graag geïnformeerd worden over de dreigingsanalyse
van de Single Intelligence Analysis Capacity van de EU (SIAC). Zou dit op vertrouwelijke
basis met de Kamer gedeeld kunnen worden?
8. Antwoord van het kabinet:
De dreigingsanalyse van SIAC betreft een officieel EU-document dat is gerubriceerd.
Het kabinet is niet geautoriseerd om dergelijke vertrouwelijke stukken met uw Kamer
te delen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
voor de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026 en stellen daarover graag nog enkele
vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet blijft oproepen tot
gebruik van de mogelijkheid om militair materieel via de Prioritised Ukraine Requirements
List (PURL) voor Oekraïne in te kopen. Deze leden maken zich zorgen dat door de oorlog
van de VS en Israël met Iran de krapte op de defensiemarkt voor vertraging bij de
levering van Amerikaans militair materieel via PURL zorgt. Is de Minister er zeker
van dat nieuwe bestellingen via PURL nog binnen een jaar aan Oekraïne geleverd kunnen
worden, of op zijn minst binnen de termijnen die gebruikelijk waren voor 28 februari
2026? Zo nee, is de Minister met Europese partners bezig met het bedenken van alternatieven
voor de levering van kritieke militaire goederen?
9. Antwoord van het kabinet:
Via het Amerikaanse Prioritised Ukraine Requirements List (PURL) initiatief ontvangt
Oekraïne cruciale Amerikaanse goederen, waaronder essentiële luchtverdediging. Volgens
de NAVO zullen alle goederen waarvoor NAVO-lidstaten en -partners betaald hebben via
PURL aan Oekraïne geleverd worden en vinden de leveringen ook momenteel doorgang.
De VS heeft meermaals onderstreept dat het de militaire PURL-steun zal blijven leveren.
De goederen die de in de huidige openstaande PURL-pakketten worden aangeboden zijn
door de VS mede-geselecteerd op basis van een snelle levertermijn. Er bestaat evenwel
een risico dat de escalatie in het Midden-Oosten in de toekomst effect zal hebben
op de beschikbaarheid van Amerikaans materieel, met name luchtafweer. Daarom is het
zowel in het Europese als het Oekraïense belang om gelijktijdig te investeren in de
respectievelijke defensie-industrieën om in de toekomst een breder aanbod te hebben
voor kritieke capaciteiten. Zo zet het kabinet zich in om de Oekraïense en Nederlandse
defensie-industriesamenwerking te versterken, waaronder via de coproductie van drones
in Nederland.
De leden van GroenLinks-PvdA-fractie hebben vernomen dat de EU mogelijk voorbereidingen
treft voor een trainingsmissie voor het Libanese leger, ter vervanging van de VN-missie
UNIFIL die binnenkort afloopt. Wat is het standpunt van het kabinet ten aanzien van
een dergelijke missie? Overweegt het kabinet steun aan een dergelijke missie? Zo ja,
in welke vorm?
10. Antwoord van het kabinet:
Tijdens de EU-Libanon Associatieraad van 15 december 2025 heeft de EU de bereidheid
getoond om de Libanese veiligheidssector te blijven steunen. Daarbij werd de mogelijke
inzet van de Europese Vredesfaciliteit genoemd en ook de mogelijkheid van aanvullende
GVDB-missie inzet. Op dit moment is er nog veel onduidelijkheid over post-UNIFIL opties
in Libanon. Nederland spreekt voortdurend steun uit voor initiatieven die bijdragen
aan stabiliteit in Libanon, draagt daar ook concreet aan bij en verwelkomt hierbij
zowel initiatieven en additionele steun vanuit de VN als vanuit EU. Mede door de recente
ontwikkelingen in Libanon en de bredere regio zijn de contouren van een mogelijk EU-initiatief
nog onduidelijk. Wel is duidelijk dat een eventueel nieuw EU-initiatief geen directe
vervanging kan zijn voor het huidige UNIFIL mandaat. Zodra meer bekend is over nieuwe
GVDB-inzet in Libanon, en het kabinet zou willen overgaan tot een Nederlandse deelname,
zal het kabinet de Kamer hierover infomeren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de beantwoording van Kamervragen
van het lid Piri d.d. 23 april 2026 (2026D19946) dat het kabinet het belangrijk vindt dat eventueel gebruik van uithongering, c.q.
de vernietiging van Libanese waterinstallaties door Israël, als methode van oorlogsvoering
onderzocht wordt «en dat bewijsmateriaal van vermeende schendingen wordt verzameld,
op basis waarvan een rechter kan bepalen of hier sprake van is.» De Minister stelt
later, in antwoord op vraag 19 van deze Kamervragen, dat het kabinet momenteel «te
weinig» onderzoek ziet «naar, en berechting van, internationale misdrijven door Israël
zelf.» De Minister vervolgt dat «als een staat niet bereid of niet in staat is om
zelf internationale misdrijven te onderzoeken en degenen die daarvoor verantwoordelijk
zijn te vervolgen en te berechten», «de internationale gemeenschap in beeld» komt.
Is de Minister dan ook van mening, dat de oorlogshandelingen van Israël in Libanon
door een onafhankelijke en onpartijdige instantie zouden moeten worden onderzocht?
Welke onafhankelijke, onpartijdige instantie zou volgens het kabinet hiernaar onderzoek
moeten doen? Is de Minister bereid deze onafhankelijke, onpartijdige instantie hiertoe
op te roepen? En zodra dit bewijsmateriaal er is, is het kabinet dan bereid om naar
de rechter te stappen? Zo nee, waarom niet?
11. Antwoord van het kabinet:
Nederland dringt waar nodig en mogelijk aan op onderzoek naar vermeende internationale
misdrijven, ook in de context van Libanon. In principe is het in eerste instantie
aan de nationale autoriteiten om onderzoek te doen naar mogelijke misdrijven. De internationale
gemeenschap komt in beeld als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf op
te treden. In dit geval is het dus in eerste instantie aan Libanon zelf. Omdat de
capaciteit in Libanon om effectief bewijs te vergaren op dit moment beperkt lijkt,
onderzoekt Nederland de mogelijkheden hoe deze nationale capaciteit verder versterkt
kan worden.
Daarnaast beziet Nederland de internationale mogelijkheden voor bewijsvergaring. Het
Internationaal Strafhof heeft momenteel geen rechtsmacht in Libanon, en kan daarom
geen onderzoek doen naar de misstanden in Libanon. Daarom kijkt Nederland naar andere
opties die bijdragen aan onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar de feiten. De
VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) kan de situatie in Libanon reeds
monitoren. Het OHCHR landenkantoor in Libanon richt zich onder andere op het rapporteren
over mensenrechtenschendingen in het conflict tussen Israël en Hezbollah. Nederland
steunt het VN-mensenrechtenkantoor (OHCHR) in Libanon met een bedrag van USD 1,5 mln.
over de jaren 2025–2026.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen tevens in de beantwoording op de genoemde
Kamervragen dat Israël niet alleen Slovenië, maar ook Nederland onder druk heeft gezet
om geen interventie te plegen in de zaak van Zuid-Afrika bij het Internationaal Gerechtshof.
De leden vinden het goed dat het kabinet alsnog heeft besloten om de interventie te
plaatsen. Kan de Minister aangeven op welke manier Israël de weerstand tegen de interventie
kenbaar heeft gemaakt? Heeft Israël met tegenmaatregelen gedreigd? En is de Minister
niet van mening dat de dreigingen van Israël tegen EU-lidstaten die zich inzetten
tegen straffeloosheid, besproken zouden moeten worden in de Raad, zeker in het licht
van de discussie over de naleving van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord?
Zo nee, waarom niet?
12. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet heeft een eigenstandige afweging gemaakt bij de besluitvorming omtrent
het indienen van een verklaring tot interventie bij genoemde zaak. Het kabinet herkent
zich niet in het geschetste beeld dat sprake zou zijn van dreigementen door Israël
jegens Nederland.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor
de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026 en de kabinetsbrief «Nederlandse diplomatieke
presentie in Venezuela.» Zij hebben een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de fractie van JA21 zijn benieuwd naar de laatste stand rondom de 90
miljard doorlening aan Oekraïne. Hoewel deze leden de keuze voor deze manier van EU-financiering
aan het land niet hebben gesteund, onderschrijven zij het belang van een Oekraïne
dat zichzelf kan blijven verdedigen tegen de aanhoudende Russische agressie. Kan de
Minister toelichten hoe groot de financiële tekorten momenteel zijn voor de Oekraïense
staat?
13. Antwoord van het kabinet:
De noden van Oekraïne zijn sterk afhankelijk van het verdere verloop van de oorlog.
Bij de aankondiging van de steunlening schatte de Europese Commissie dat het ongedekte
financieringstekort van Oekraïne voor de periode 2026–2027 EUR 135 mld. bedroeg, voor
zowel militaire als macro-financiële noden. Met de steunlening van EUR 90 mld. streeft
de EU ernaar twee derde hiervan te dekken, waarbij het resterende tekort door andere
internationale partners gedekt dient te worden. Met deze schatting van de Commissie
werd aangenomen dat de oorlog eind 2026 ten einde zou komen. Gegeven de voortgaande
oorlogssituatie is het denkbaar dat de noden van Oekraïne groter worden, ook in 2027.
Het kabinet blijft hierom naast het bereikte akkoord op de steunlening van EUR 90
mld. bij lidstaten en partnerlanden oproepen tot het vergroten van hun bilaterale
steun aan Oekraïne.
Deze leden lezen in verschillende berichtgeving dat de eerste uitbetalingen van de
doorlening waarschijnlijk eind mei of begin juni zullen plaatshebben. Kan het kabinet
hier een preciezere toelichting over geven?
14. Antwoord van het kabinet:
De Raad heeft op 23 april jl. formeel akkoord bereikt op de steunlening en de benodigde
financieringsstrategie voor 2026. Voordat tot uitbetaling van de begrotingssteun over
kan worden gegaan, zijn enkele formele stappen nodig op basis van de Verordening.
Voor de eerste uitbetalingen in de vorm van macro-financiële bijstand dient Oekraïne
een Memorandum of Understanding overeen te komen met de Europese Commissie, die hiervoor
namens de EU optreedt. In de Memorandum of Understanding worden beleidsvoorwaarden
vastgelegd waaraan uitbetaling van de macro-financiële bijstand wordt gekoppeld. Hierover
wordt op dit moment gesproken in Brussel. Na instemming door de lidstaten, moet Oekraïne
een uitbetalingsverzoek indienen voordat tot uitbetaling over kan worden gegaan. Hierover
wordt op dit moment eveneens gesproken in Europese Raadswerkgroepen in Brussel. Naar
verwachting zal dit op korte termijn worden afgerond en zal inderdaad eind mei of
begin juni een eerste uitbetaling kunnen plaatsvinden. De precieze tijdlijn hangt
af van de voortgang van de besprekingen.
De leden van de fractie van JA21 hebben zich eerder kritisch uitgelaten over de verhoudingsgewijs
achterblijvende steun van met name EU-lidstaten Spanje en Frankrijk. In dit licht
steunen zij het voornemen van het kabinet om bij de komende Raadsvergadering deze
lidstaten te «wijzen op het belang van substantiële bilaterale steun in aanvulling
op de gezamenlijke steunlening.» Hoe denkt het kabinet in EU-verband deze oproep om
te zetten in concrete resultaten? In het verlengde hiervan danken deze leden de Minister
voor de Nederlandse oproep tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april om de import
van Russisch gas te staken.
15. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet deelt de kritische houding ten opzichte van EU-lidstaten waar de steun
aan Oekraïne verhoudingsgewijs achterblijft. In dit kader blijft het kabinet van alle
mogelijkheden gebruik maken om lidstaten erop te wijzen dat de steunlening aan Oekraïne
ter waarde van EUR 90 mld. niet voldoende zal zijn om in de urgente militaire en budgettaire
noden van Oekraïne te voorzien, om deze reden de bilaterale steun aan Oekraïne verhoogd
moet worden en dat de huidige verdeling van bilaterale steun onder lidstaten daarbij
niet duurzaam is. Het kabinet doet deze oproep in de bilaterale gesprekken die zij
met lidstaten voert, bij de verschillende Raadsvergaderingen in Brussel evenals in
de Europese Raad en andere gelegenheden, en bepleit het belang van een eerlijkere
lastenverdeling richting de Europese Commissie.
De leden van de fractie van JA21 maken zich grote zorgen over de gevolgen voor de
mondiale economie nu de situatie rondom de Straat van Hormuz nog altijd hoogst onzeker
is. Deze leden zouden de Minister willen vragen naar de laatste kabinetsvisie op de
huidige conflictsituatie. En zijn er hiernaast nog laatste ontwikkelingen in de voorbereiding
van een eventuele internationale missie in de zeestraat?
16. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet volgt de situatie nauwlettend. De huidige status quo, met een Iraanse
blokkade van de Straat van Hormuz is uiterst onwenselijk. Het verdere onderhandelingsproces
is onduidelijk en onvoorspelbaar, zoals recente aanvallen door Iran op de VAE aantonen.
Het kabinet streeft naar de-escalatie en steunt de diplomatieke inzet om de betrokken
partijen richting een duurzame politieke oplossing te bewegen. Essentieel is dat de
vrije doorvaart in de Straat wordt hersteld, hierbij moet enige vorm van een tolsysteem
worden afgewezen.
Nederland steunt de VN-inzet om doorvoer van essentiële goederen zoals kunstmest te
faciliteren, en wijst op het belang van diplomatieke inspanning om dit initiatief
verder te brengen. Het kabinet onderzoekt eveneens de wenselijkheid van een eventuele
Nederlandse militaire inzet om bij te dragen aan het waarborgen van vrije doorvaart
in de Straat van Hormuz. De planning van de internationale coalitie van inmiddels
meer dan veertig landen onder leiding van het VK en Frankrijk vordert, en Nederland
blijft nauw betrokken. Indien het kabinet besluit over een Nederlandse militaire bijdrage
aan het waarborgen van de vrije doorvaart in de Straat van Hormuz, zal uw Kamer conform
artikel 100 van de Grondwet nader worden geïnformeerd.
Deze leden hebben kennisgenomen van het besluit van de Verenigde Arabische Emiraten
om per 1 mei jongstleden OPEC te verlaten. Met de haven van Fujairah heeft het land
een alternatief voor energie-export via de Straat van Hormuz in handen. Ziet het kabinet
mede in het licht van de onderhandelingen in EU-verband over een handelsovereenkomst
kansen om in te zetten op extra samenwerking op het gebied van energie? Wil de Minister
toezeggen zich hiervoor in Europees verband hard te maken? Is de Minister bereid deze
opties te verkennen als onderdeel van de uitvoering van de motie-Hoogeveen/Maes (Kamerstuk
23 432, nr. 743) en de motie-Maes c.s. (Kamerstuk 23 432, nr. 727)?
17. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet is bekend met het besluit van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) om
per 1 mei jl. uit OPEC te treden en onderkent dat de VAE, mede dankzij de haven van
Fujairah, een belangrijke rol speelt in de regionale energie-infrastructuur en de
veiligheid van energie-aanvoerroutes.
Energiezekerheid is een belangrijk thema in de relatie met de VAE. Afspraken over
energie en grondstoffen zijn onderdeel van de onderhandelingen over een handelsovereenkomst
tussen de EU en de VAE, op basis van het daarvoor vastgestelde onderhandelingsmandaat.
Daarbij is de inzet van zowel het kabinet als de Europese Commissie om ambitieuze
afspraken te maken over markttoegang en intensievere samenwerking op het gebied van
de energiesector, met inachtneming van een gelijk speelveld.
Op bilateraal niveau vindt tweejaarlijkse Joint Economic Committee (JEC) plaats met
de VAE, waarin onder meer energiezekerheid, energietransitie en samenwerking op het
gebied van energie-infrastructuur en logistiek worden besproken. Het kabinet benut
deze JEC en andere bilaterale contacten om, in aanvulling op de inzet in EU-verband,
verdere mogelijkheden voor samenwerking met de VAE op energiegebied te verkennen.In
lijn met de motie-Hoogeveen/Maes (Kamerstuk
23 432, nr. 743) en de motie-Maes c.s. (Kamerstuk
23 432, nr. 727) zal het kabinet zich in Europees verband blijvend inzetten voor voortgang in de
onderhandelingen met de VAE en voor het verkennen van verdere samenwerking met de
Golfstaten op het gebied van energie. Hierbij geldt dat eventuele nieuwe afspraken
moeten passen binnen het bredere EU-beleid ten aanzien van de Golfregio.
De leden van de fractie van JA21 bedanken de Minister voor de spoedige uitvoering
van de motie-Hoogeveen (Kamerstuk 36 800 V, nr. 63). Deze leden onderschrijven het belang voor het Koninkrijk om een goede diplomatieke
presentie in Venezuela te hebben te midden van de uitvoering van het Amerikaanse driestappenplan
voor het land. Graag ontvangen deze leden een duiding van de Minister over de voorlopige
effecten van dit plan. Kan de Minister tevens toelichten welke proactieve rol hij
ziet voor het Koninkrijk in dit proces, op zowel economisch als politiek vlak? Hoe
wordt binnen dit kader rekening gehouden met de belangen en wensen van de landen Aruba
en Curaçao? Hoe wil hij invulling geven aan de specifieke motie-Hoogeveen (Kamerstuk
21 501-02, nr. 3328) hierover?
18. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet ziet dat er een stabielere situatie in Venezuela is dan een aantal maanden
geleden, zonder acute veiligheidsdreiging voor het Koninkrijk. De Amerikaanse inzet
is met name gericht op herstel van de economie en infrastructuur voor diverse sectoren
waaronder de oliesector. De laatste stap in het driestappenplan, de democratische
transitie, lijkt nog het minst uitgewerkt en afhankelijk van voortgang in eerdere
stappen.
Het kabinet benadrukt, ook richting de Venezolaanse autoriteiten, dat verdere concrete
stappen richting herstel van de rechtsstaat en democratie in Venezuela noodzakelijk
zijn, ook om de sociaaleconomische situatie duurzaam te verbeteren. Dit deed ik ook
tijdens het gesprek met mijn Venezolaanse collega Gil in Den Haag op 4 mei jl. Het
kabinet is bereid een constructieve rol te spelen om de situatie te verbeteren waardoor
in de toekomst mogelijk ook de randvoorwaarden ontstaan voor verantwoorde economische
kansen. Het recente herstel van de diplomatieke presentie is daarin een eerste stap.
Over de inzet van het kabinet vindt veelvuldig overleg plaats met de Caribische delen
van het Koninkrijk. Met betrekking tot de motie-Hoogeveen4 heeft het kabinet aangegeven dat het de motie onderschrijft mits er geen sprake is
van een uitbreiding van het handelsinstrumentarium. Het bedrijfsleven kan gebruik
maken van de bestaande instrumenten.
De leden van de fractie van JA21 hebben uit verschillende berichtgeving ook vernomen
dat vanuit Caracas met speciale interesse wordt gekeken naar het EU-Mercosur akkoord;
gegeven het feit dat het land geschorst is, maar formeel nog altijd de status van
volwaardig lid van Mercosur heeft. Ook Bolivia, Panama en Colombia hebben elk een
rol in mogelijke uitbreiding van het Zuid-Amerikaanse handelsblok. Hoe kijkt het kabinet
naar deze ambities?
19. Antwoord van het kabinet:
Het EU-Mercosur akkoord is gesloten tussen de EU en Argentinië, Brazilië, Paraguay
en Uruguay. Andere leden van Mercosur zijn geen verdragspartij bij het akkoord. Indien
een Mercosur-lid wil toetreden tot het EU-Mercosur akkoord, moet daarover worden onderhandeld
met de Europese Commissie. Dit is momenteel niet aan de orde.
Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractie
De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda.
De leden van de DENK-fractie constateren dat de Raad zal spreken over de situatie
in het Midden-Oosten. Deze leden wijzen erop dat de associatieovereenkomst tussen
de EU en Israël expliciet is gebaseerd op eerbiediging van mensenrechten en democratische
beginselen. Op welke wijze spant het kabinet zich concreet in om binnen de Europese
Unie een meerderheid te organiseren voor het opschorten van (ten minste) het handelsdeel
van het EU-Israël-associatieakkoord? Welke lidstaten steunen dit standpunt reeds en
welke lidstaten verzetten zich hiertegen? Hoe gaat het kabinet actief coalities vormen
met gelijkgezinde lidstaten om dit voorstel te agenderen en door te voeren?
20. Antwoord van het kabinet:
Zoals bekend in uw Kamer heeft Nederland, naar aanleiding van zorgen over de situatie
in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, het initiatief genomen om de Israëlische
naleving van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren. De kabinetsinzet
blijft er op gericht om voldoende steun te vergaren voor de door de EU voorgestelde
maatregelen naar aanleiding van deze evaluatie en de aanhoudende verslechtering van
de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Daarbij onderstreept het kabinet dat maatregelen
tegen Israël zijn bedoeld om de druk op te voeren zodat Israël van koers verandert,
o.a. ten aanzien van de humanitaire situatie in de Gazastrook en de situatie op de
Westelijke Jordaanoever. Het kabinet spreekt hierover met EU-lidstaten om het draagvlak
voor de EU-maatregelen te vergroten en staat daarvoor in contact met zowel gelijkgezinde
lidstaten als lidstaten die aanname van EU-maatregelen nog niet steunen. Over de standpunten
van individuele EU-lidstaten doet het kabinet geen uitspraken.
Op welke wijze zet het kabinet zich in voor gerichte EU-sancties tegen Israëlische
Ministers, waaronder Ben Gvir en Smotrich, gezien hun rol bij het aanzetten tot geweld
en uitbreiding van nederzettingen?
21. Antwoord van het kabinet:
Zoals bekend in uw Kamer steunt het kabinet de voorstellen voor Europese sancties
tegen extremistische Israëlische Ministers. Dit omdat zij uit hoofde van hun functie
als bewindspersoon herhaaldelijk geweld door kolonisten tegen de Palestijnse bevolking
hebben aangewakkerd, zij voortdurend de uitbreiding van illegale nederzettingen bepleiten en oproepen tot etnische zuivering in de Gazastrook.
In de Raad bestaat vooralsnog geen unanimiteit voor een dergelijke stap. Nederland
blijft zich hiervoor inzetten en heeft bij het uitblijven van unanimiteit binnen de
EU de Israëlische Ministers Smotrich en Ben-Gvir tot persona non grata verklaard en
hen als ongewenste vreemdelingen in het Schengen Informatie Systeem (SIS) geregistreerd.
Deze ongewenstverklaring en SIS-registratie waren uitzonderlijke stappen en de onderliggende
motivering gold ten aanzien van de specifieke situatie van deze twee Ministers en
de toen aanwezige omstandigheden.
De leden van de DENK-fractie maken zich ernstige zorgen over het voortdurende geweld
van Israëlische kolonisten en de uitbreiding van illegale nederzettingen op de Westelijke
Jordaanoever. Zij hebben hierover de volgende aanvullende vragen. Is het kabinet bereid
om in EU-verband te pleiten voor een uitbreiding van het bestaande sanctieregime tegen
gewelddadige kolonisten naar bredere groepen betrokkenen (financiers, organisaties,
politieke aansturing) en voor structurele sancties in plaats van incidentele listings?
22. Antwoord van het kabinet:
Zoals bekend in uw Kamer zet Nederland zich in voor de aanname van het derde sanctiepakket
tegen gewelddadige kolonisten en organisaties. Daarnaast heeft Nederland tijdens de
Raad Buitenlandse Zaken van april jl. aangekondigd te werken aan een vierde pakket
sancties, in lijn met de moties Van Lanschot/Van der Werf5, Hirsch6 en van Baarle.7 Deze inzet is gericht op het verder verhogen van de druk op betrokkenen die zorgen
voor verdere verslechtering van de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Dit is
onderdeel van een voortdurende aanpak van het kabinet, waarbij pakketten van individuele
listings van personen en organisaties onderdeel uitmaken van een bredere diplomatieke
inzet, bestaande uit meerdere instrumenten.
Is het kabinet bereid te pleiten voor een EU-breed verbod op producten uit illegale
nederzettingen, inclusief een importverbod (in plaats van enkel etikettering), handhaving
en controlemechanismen op EU-niveau?
23. Antwoord van het kabinet:
Parallel aan de inzet voor nationale maatregelen om producten uit de onrechtmatige
nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren van de Nederlandse markt,
blijft het kabinet zich in EU-verband inspannen om het draagvlak voor maatregelen
in EU-verband te vergroten. Bij voldoende steun kunnen maatregelen op het gebied van
handel daarvan deel uitmaken. EU-maatregelen hebben de voorkeur van het kabinet, omdat
de impact daarvan groter is en zij daarmee effectiever zijn dan nationale maatregelen.
De benodigde meerderheid in EU-verband blijft hiervoor vooralsnog echter uit.
Is het kabinet bereid om te pleiten voor het opschorten van samenwerking met Israëlische
entiteiten die actief zijn in nederzettingen, waaronder deelname aan EU-programma’s
(zoals Horizon Europe), onderzoeks- en innovatiepartnerschappen?
24. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet blijft zich in EU-verband inspannen om het draagvlak voor EU-maatregelen
gericht tegen de onrechtmatige nederzettingen te vergroten. De inzet van het kabinet
is er verder zoals bekend in uw Kamer op gericht om steun te vergaren voor de door
de Commissie voorgestelde EU-maatregelen die al op tafel liggen. Het kabinet blijft
steeds bezien welke andere stappen kunnen bijdragen aan een verbetering van de situatie
op de grond.
Op welke wijze zet het kabinet zich in voor een EU-brede aanpak tegen bedrijven die
bijdragen aan de bezetting?
25. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet blijft zich in EU-verband inspannen om het draagvlak voor EU-maatregelen
gericht tegen de onrechtmatige nederzettingen te vergroten. Bij voldoende steun kunnen
maatregelen op het gebied van handel daarvan deel uitmaken. Het kabinet verkent ook,
in lijn met de motie Van Baarle,8 de mogelijkheden om deze inzet mee te nemen in het vierde pakket aan EU-sancties
onder het mensenrechtensanctieregime. EU-maatregelen hebben de voorkeur van het kabinet,
omdat de impact daarvan groter is en zij daarmee effectiever zijn dan nationale maatregelen.
De benodigde meerderheid in EU-verband blijft hiervoor vooralsnog echter uit. Zie
ook het antwoord op vraag 23.
De leden van de DENK-fractie vragen tevens naar verdere mogelijke maatregelen op EU-niveau.
Is het kabinet bereid te pleiten voor een EU-wapenembargo tegen Israël, gezien de
aanhoudende schendingen van het internationaal humanitair recht? Is het kabinet bereid
te pleiten voor opschorting van militaire samenwerking en exportvergunningen op EU-niveau?
26. Antwoord van het kabinet:
Elke vorm van defensiesamenwerking met Israël wordt zorgvuldig en afzonderlijk afgewogen.
Vanwege de huidige ontwikkelingen en de zorgen die het kabinet heeft over het militaire
optreden van de Israëlische regering in Gaza leidt deze weging in de praktijk tot
minimale samenwerking, beperkt tot materieel. Israëlische bedrijven leveren diverse
essentiële militaire systemen of onderdelen hiervan waarvoor geen, minder geschikte
of geen tijdige alternatieven beschikbaar zijn. Het stopzetten van de bestaande samenwerking
met Israëlische bedrijven heeft daarom grote gevolgen voor de slagkracht en het voortzettingsvermogen
van de krijgsmacht, alsmede voor de veiligheid van onze militairen. Eventuele nieuwe
materieel-aankoop uit Israël wordt reeds per geval zorgvuldig gewogen, waarbij het
Ministerie van Defensie onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling
van de krijgsmacht, of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig
leverbaar zijn. Hiermee geeft Defensie tevens invulling aan de motie van het lid Teunissen9 om de afhankelijkheid van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen.
Het kabinet is van mening dat het staande exportcontrolebeleid volstaat om ongewenste
transacties te voorkomen. Wat betreft de uitvoer van militaire goederen worden alle
individuele vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval zorgvuldig
getoetst aan de daarvoor geldende wapenexportcontrolekaders (het EU Gemeenschappelijk
Standpunt inzake wapenexportcontrole en het Wapenhandelsverdrag), zo ook voor Israël.
Daarbij geldt dat een vergunningaanvraag wordt afgewezen indien er een duidelijk risico
wordt geconstateerd dat militaire goederen kunnen bijdragen aan ernstige schendingen
van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht.
Gezien de situatie in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, verleent Nederland
op dit moment geen vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen die kunnen
bijdragen aan de activiteiten van de Israëlische krijgsmacht in de Gazastrook of op
de Westelijke Jordaanoever vanwege het risico op ongewenst eindgebruik. Binnen de
bestaande kaders is er wel ruimte voor de uitvoer van militaire goederen die enkel
voor zelfverdedigingsdoeleinden kunnen worden gebruikt, zoals onderdelen voor het
Iron Dome-luchtafweersysteem. Een wapenembargo zou ook effect hebben op de levering
van deze goederen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie willen de aandacht vestigen op de genocide in Soedan. Deze
leden zien dat de oorlogsmisdaden zich blijven voortzetten, waarbij seksueel geweld
wordt ingezet als oorlogsmiddel, zoals aangetoond in het rapport van Artsen Zonder
Grenzen van 31 maart. Het kabinet geeft aan, naar aanleiding van het rapport, een
extra vrijwillige bijdrage van 6 miljoen euro toe te voegen aan het Internationaal
Strafhof ter versterking van algemene onderzoekscapaciteit van het Hof. Kan het kabinet
toelichten hoe dit geld specifiek wordt ingezet om het seksueel geweld in kaart te
brengen en individuen te vervolgen?
27. Antwoord van het kabinet:
Nederland steunt het Internationaal Strafhof onder andere met vrijwillige bijdragen,
waaronder in de afgelopen jaren EUR 6 miljoen voor de versterking van de onderzoekscapaciteit
van het Hof. Een deel daarvan is ook ten goede gekomen aan het versterken van de capaciteit
voor onderzoek naar conflict-gerelateerd seksueel geweld. Het is aan het Hof om deze
middelen in te zetten naar gelang de behoeften. Nederland respecteert deze onafhankelijkheid
van het Hof. Inmenging in de besteding van deze middelen is, gelet op die onafhankelijkheid,
niet mogelijk en niet aan de orde.
Naast de vrijwillige bijdragen aan het Internationaal Strafhof, steunt Nederland ook
het landenkantoor van de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Soedan
met EUR 2 mln. Het landenkantoor documenteert, monitort en rapporteert over de mensenrechtensituatie
in Soedan, en brengt ook het conflict-gerelateerd seksueel geweld in deze context
in kaart.
Afgelopen maand is het rapport van de Fact Finding Mission van de Verenigde Naties
(VN) over Soedan gepubliceerd. Daarin wordt zeer duidelijk beschreven dat er genocidale
stappen worden gezet in Soedan, specifiek door de Rapid Support Forces (RSF) bij de
belegering van El-Fasher. Wat is de reflectie van het kabinet op dit rapport?
28. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet heeft kennisgenomen van het rapport van de Fact Finding Mission genaamd
«Sudan: Hallmarks of Genocide in El-Fasher» en heeft als reactie hierop op 26 februari
jl. een gezamenlijk statement gepubliceerd met de leden van de Soedan kerngroep in
de Mensenrechtenraad, bestaande uit het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Noorwegen,
Ierland en Nederland.
Hoe wordt de accountability, waar het rapport toe oproept, concreet gemaakt?
29. Antwoord van het kabinet:
Het is aan een (internationale) rechter om schendingen en internationale misdrijven
vast te stellen, om daaropvolgend daders van deze schendingen te bestraffen en te
berechten. Het Internationaal Strafhof doet reeds actief onderzoek naar de situatie
in El-Fasher, waarbij bewijsmateriaal van deze misdrijven wordt verzameld ten behoeve
van toekomstige vervolging. Nederland respecteert de onafhankelijkheid van het Hof,
en mengt zich daarom niet in de inhoudelijke beoordeling van de feiten die nog worden
onderzocht. Wel steunt Nederland het Internationaal Strafhof zodat gedegen en onafhankelijk
onderzoek naar vermeende schendingen kan worden voortgezet (zie het antwoord op vraag
27). Daarnaast zet Nederland zich als lid van de kerngroep Soedan in de Mensenrechtenraad
in voor het mandaat van de Independent International Fact Finding Mission for the
Sudan, zodat onderzoek naar mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitair
oorlogsrecht wordt voortgezet. Deze Soedan kerngroep heeft in februari de Coalition
for Atrocity Prevention in Sudan opgericht, zoals vermeld in het gezamenlijke statement
van 26 februari jl. als reactie op het rapport van de Fact Finding Mission genaamd
«Sudan: Hallmarks of Genocide in El-Fasher».
De leden van de SP-fractie zien dat een staakt-het-vuren in Soedan uitblijft, ondanks
inspanningen van Nederland en Europa. Ook op de conferentie in Berlijn zijn er geen
nieuwe stappen gezet voor een vredesbestand. Welke vervolgstappen is dit kabinet bereid
te nemen om de druk op de strijdende partijen op te voeren om te komen tot een staakt-het-vuren,
zodat deze bloederige oorlog na drie jaar stopt?
30. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet deelt de zorgen over het voortduren van het geweld in Soedan en blijft
zich inzetten voor een einde aan het conflict. Hoewel de Berlijn conferentie niet
heeft geleid tot een onmiddellijk staakt-het-vuren hebben de belangrijkste betrokken
partijen waaronder de co-hosts van conferentie, de leden van de Quad (VS, Saoedi-Arabië,
VAE, Egypte), landen uit de regio en vertegenwoordigers van het Quintet (VN, EU, LAS,
IGAD, AU) op 30 april jl. de Berlin Principles for Sudan aangenomen waarin wordt opgeroepen
tot een onmiddellijke wapenstilstand, bescherming van burgers, berechting van verantwoordelijken
voor oorlogsmisdaden en het stoppen van externe steun aan de strijdende partijen.
Naast o.a. de EU Raadsconclusies voor Soedan vormt dit document een uitgangspunt voor
de verdere inzet van het kabinet om de druk op de conflictpartijen op te voeren. In
EU-verband speelt Nederland een aanjagende rol bij de vormgeving van de diplomatieke
inzet richting Soedan en benadrukt Nederland bij alle betrokken partijen de noodzaak
van een onmiddellijk staakt-het-vuren. Verder zet Nederland zich in voor aanvullende
EU-sanctiemaatregelen tegen actoren en sectoren die het conflict voeden.
Afgelopen maand is er een motie-Dobbe aangenomen (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3373), die oproept om in de Raad Buitenlandse Zaken en naar aanleiding van de conferentie
in Berlijn te pleiten voor extra middelen en steun voor Soedan. Heeft het kabinet
hierop ingezet en wat is daar uitgekomen?
31. Antwoord van het kabinet:
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. benadrukte Nederland het belang
van intensivering van humanitaire inspanningen in Soedan, in lijn met de motie van
het lid Dobbe.10 Op de dag van de RBZ werd een EU-verklaring uitgebracht, waarin de EU de strijdende
partijen opriep tot een staakt-het-vuren en externe actoren opriep te stoppen met
hun steun voor het conflict. Ook benadrukte de EU het belang van ongehinderde humanitaire
toegang. Tijdens de conferentie in Berlijn werd voor EUR 1,5 miljard aan toezeggingen
gedaan voor noodhulp, waarvan EUR 812 mln. door de EU en EU-lidstaten.
Het kabinet geeft aan zich in te blijven zetten voor uitbreiding van EU-sancties tegen
entiteiten en individuen met betrokkenheid bij het gewapend conflict en grove mensenrechtenschendingen.
Kan de Minister aangeven welke entiteiten en individuen het kabinet het liefst op
deze lijst ziet staan en of de Minister dit haalbaar acht?
32. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet blijft voorstander van het verder uitbreiden van sancties tegen entiteiten
en individuen met betrokkenheid bij het gewapende conflict en grove mensenrechtenschendingen.
Het kabinet pleitte tijdens de RBZ van 21 april jl. voor aanvullende sancties om de
druk op de strijdende partijen op te voeren en om de oorlogseconomie in te perken.
Wegens de vertrouwelijke aard van onderhandelingen en het belang van het verrassingseffect
van sancties, kan het kabinet niet ingaan op de status van specifieke aanvullende
sancties.
De Verenigde Arabische Emiraten (VAE) spelen een belangrijke rol in de wapenstromen
richting Soedan. Meerdere moties hebben opgeroepen tot het stoppen van wapenstromen
vanuit de VAE richting Soedan. Toch blijft de VAE een bondgenoot en handelspartner,
zowel voor Nederland als de EU. Hoe rijmt het kabinet deze positie met het handelen
van de VAE in Soedan, en eerder in Yemen?
33. Antwoord van het kabinet:
Nederland onderhoudt een brede bilaterale relatie met de VAE, een belangrijke partner
voor Nederland en de EU. Binnen deze relatie spreekt het kabinet op politiek en hoogambtelijk
niveau met de VAE over de situatie in de regio en regionale stabiliteit, waaronder
ook de crises in Soedan en Jemen. Daarbij zet Nederland in op constructief engagement
met de VAE waarbij aandacht wordt besteedt aan de humanitaire situatie, de gevolgen
van de oorlog voor Soedan, de regio en de EU, en over wapenleveranties van derde partijen
aan de strijdende partijen.
Op het gebied van wapenexportcontrole, toetst Nederland alle aanvragen voor de uitvoer
van militaire goederen en dual-use goederen met militair eindgebruik zorgvuldig en
per geval aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole
en het Wapenhandelsverdrag, waarbij duidelijke risico’s op ernstige schendingen van
mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht tot een afwijzing leiden. Daarbij is
er specifiek aandacht voor het risico op omleidingsrisico naar ongewenste eindgebruikers.
Dit geldt ook voor het omleidingsrisico naar Soedan en Jemen.
Nederland is solidair met de Golfstaten, waaronder de VAE, die direct doelwit zijn
van Iraanse aanvallen. Met inachtneming van de zorgvuldige wapenexportcontroletoets
aan het Europees Gemeenschappelijk Standpunt inzake Wapenexport heeft het kabinet
tevens oog voor de legitieme veiligheidsbehoefte van deze landen gedurende de crisis.
Binnen dat kader verkennen wij de mogelijkheden voor gerichte bijdragen.
De VAE moet het internationaal recht volgen, maar doet dat duidelijk niet. Als er
niks verandert aan de inzet van de VAE, is het kabinet dan bereid om zich publiekelijk
uit te spreken?
34. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet verwacht van alle landen, waaronder de VAE, dat zij het internationaal
recht naleven. Nederland spreekt landen hierop aan, zowel bilateraal als in EU-verband.
Het kabinet maakt steeds een zorgvuldige afweging welke inzet en welke kanalen het
meest effectief zijn om naleving van het internationaal recht te bevorderen.
Kan de Minister ook reflecteren op het rapport11 van Clingendael van afgelopen zomer waarin duidelijk wordt aangegeven dat er geen
strategische afhankelijkheid is voor EU, en dus ook Nederland, om zich niet harder
en openlijker uit te spreken tegen de VAE. Het kabinet geeft aan dat bij alle vergunningsaanvragen
voor de uitvoer van militaire goederen en dual-use goederen met militair eindgebruik
per geval en zorgvuldig wordt getoetst, waarbij wordt gekeken naar het omleidingsrisico
naar Soedan. Volgens het kabinet voldoet het staande beleid en geeft het invulling
aan de motie-Van Baarle/Dobbe (Kamerstuk 22 054, nr. 470) en de motie-Dobbe c.s. (Kamerstuk 22 054, nr. 474). In een artikel12 van Follow the Money van 2 maart 2026 over de wapenexportvergunningen vanuit Nederland
naar de VAE staat echter duidelijk dat, ondanks de risico’s, er nog steeds wapenexportvergunningen
zijn verleend. De huidige maatstaven voldoen dus niet of het kabinet heeft daar lak
aan. Hoe gaat de Minister opvolging geven aan de genoemde twee moties, zodat dit niet
nogmaals gebeurt?
35. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet toetst alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen
en dual-use goederen met militair eindgebruik per geval en zorgvuldig. Daarbij is
specifieke aandacht voor het omleidingsrisico naar Soedan. Als een duidelijk risico
bestaat op ongewenst eindgebruik, zoals een bijdrage aan ernstige mensenrechtenschendingen
of omleiding, dan wordt een vergunningaanvraag afgewezen. Uw Kamer is op 31 maart
jl.13 geïnformeerd over de invulling van de twee genoemde moties. Voor de beantwoording
van vragen naar aanleiding van het artikel van Follow the Money verwijs ik graag naar
de beantwoording van de schriftelijke vragen hierover op 21 april jl.14
Nederland is solidair met de Golfstaten, waaronder de VAE, die direct doelwit zijn
van Iraanse aanvallen. Met inachtneming van de zorgvuldige wapenexportcontroletoets
aan het Europees Gemeenschappelijk Standpunt inzake Wapenexport heeft het kabinet
tevens oog voor de legitieme veiligheidsbehoefte van deze landen gedurende de crisis.
Binnen dat kader verkennen wij de mogelijkheden voor gerichte bijdragen.
In het rapport «Hulp onder vuur: bescherming van hulpverleners in conflictsituaties»15 van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) wordt nogmaals bevestigd hoe belangrijk het
is om als internationale gemeenschap hulpverleners, naast burgers, te beschermen binnen
de humanitaire ruimte. Het kabinet onderschrijft dit belang. Op welke manier, naast
de hiervoor al aangegeven monitoring, zet het kabinet zich in voor bescherming van
hulpverleners in Soedan?
36. Antwoord van het kabinet:
Nederland hecht veel waarde aan het ondersteunen van de veiligheid van hulpverleners
en brengt het belang van dit thema op in diplomatieke contacten. Hulpverleners in
Soedan lopen iedere dag gevaar bij het uitoefenen van hun cruciale werk. Bij de recente
Soedan conferentie in Berlijn heeft Nederland daarom specifiek aandacht gevraagd voor
de veiligheid van hulpverleners, waaronder van gemeenschapsorganisaties zoals de Emergency
Response Rooms.
Nederland is in voortdurende dialoog met humanitaire partners, zoals de VN, de Rode
Kruis- en Halve Maanbeweging en de Dutch Relief Alliance, over de omstandigheden waarin
hulpverleners moeten werken, en over manieren waarop hun toegang tot mensen in nood
zo goed mogelijk kan worden ondersteund. Het is essentieel dat hier voortdurend, en
expliciet, aandacht aan wordt geschonken door alle organisaties die betrokken zijn
bij de hulpprogramma’s, en dus niet alleen door de (lokale) implementerende hulporganisaties.
Nederland blijft financiering vrijmaken voor ondersteunende organisaties, zoals INSO
en Humanitarian Outcomes, die onder andere zorg dragen voor het aanleveren van actuele
veiligheidsinformatie aan hulporganisaties en UNHAS die humanitaire vluchten verzorgt
waardoor hulpverleners op bepaalde trajecten veilig kunnen reizen.
Tenslotte denkt Nederland mee over manieren om een mogelijk staakt-het vuren in Soedan
te handhaven en te monitoren. Effectieve monitoring van een staakt-het-vuren helpt
met het verkleinen van de kans dat het geweld weer oplaait, waaronder tegen hulpverleners.
Kan de Minister reflecteren op de verschillende stappen die het rapport beschrijft
inzake escaleren in diplomatieke middelen?
37. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet politieke en diplomatieke middelen in – bilateraal, in EU- en VN-verband
– om de strijdende partijen op te roepen het humanitair oorlogsrecht na te leven.
Nederland spreekt zich, via dezelfde kanalen, ook uit wanneer hulpverleners worden
gewond of gedood. Daarnaast faciliteert Nederland het werk van onderzoeks- en monitoringsmechanismen,
waaronder het landenkantoor van de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR)
en de Independent International Fact Finding Mission for the Sudan. In reactie op
het recente rapport van deze missie, «Sudan: Hallmarks of Genocide in El-Fasher»,
is de oprichting van de Coalition for Atrocity Prevention in Sudan aangekondigd. Verder
blijft het kabinet zich inzetten voor verdere uitbreiding van sancties tegen entiteiten
en individuen met betrokkenheid bij het gewapende conflict en grove mensenrechtenschendingen,
zoals bijvoorbeeld bij de RBZ van 21 april jl. Zie ook de beantwoording van vragen
27, 29 en 36.
Op welke manier is het kabinet in gesprek met (lokale) hulpverleners in Soedan en
komt het tegemoet aan hun noden?
38. Antwoord van het kabinet:
Nederland levert humanitaire hulp in Soedan via de verschillende VN-organisaties en
door de VN beheerde fondsen, evenals via de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en de
Dutch Relief Alliance. Deze organisaties werken met en via lokale hulpverleners en
organisaties waaronder de Emergency Response Rooms. Nederland onderhoudt nauw contact
met de genoemde humanitaire partners, en is via hen ook in dialoog met hulpverleners.
Dit contact geschiedt zowel vanuit Den Haag als vanuit de ambassade in Nairobi. Er
vinden bijvoorbeeld regelmatig bezoeken aan Soedan plaats samen met onze humanitaire
partners, waarbij ook direct contact wordt gezocht met lokale hulpverleners en de
gemeenschappen die zij helpen. Deze dialoog dient ter uitwisseling van informatie,
onder meer over de uitdagingen waar (lokale) hulpverleners zich in Soedan voor gesteld
zien, en help Nederland om onze partnerschappen, en onze diplomatieke inzet, zo in
te richten dat onze humanitaire partners en lokale hulpverleners het beste worden
ondersteund. Het is evident dat de Nederlandse manier van financieren, met veel flexibiliteit
voor hulporganisaties zodat zij wendbaar zijn en kunnen reageren op de meest urgente
noden, bijdraagt aan de effectiviteit en efficiëntie van de humanitaire respons.
Bij de uitvoering van de motie-Dobbe c.s. (Kamerstuk 29 237, nr. 242) geeft de Minister aan dat hulporganisaties al bescherming van hulpverleners, waaronder
psychosociale hulp, hebben opgenomen. De leden van de SP-fractie zien echter dat hulporganisaties
zwaar ondergefinancierd zijn en dat vanwege veiligheidsoverwegingen maar weinig organisaties
in Soedan aanwezig kunnen zijn. Hierdoor is de psychosociale bescherming minimaal,
ondanks eerder genoemde implementatie van de hulporganisaties. Is het kabinet bereid
om een leidende rol te nemen binnen de VN om te zorgen dat de VN steviger aanwezig
is in het conflictgebied van Soedan, ook in door RSF gecontroleerde gebieden?
39. Antwoord van het kabinet:
Nederland maakt zich reeds sinds het uitbreken van de oorlog hard voor duurzame terugkeer
van de VN in de gebieden met de allerhoogste noden, waaronder in Darfoer en andere
door RSF gecontroleerde gebieden. Dit blijkt een grote uitdaging, temeer omdat dit
stuit op weerstand aan zowel de zijde van SAF als van RSF zijde. Nederland onderhoudt
nauw contact met de VN, waaronder de Humanitair Coördinator van de VN, over mogelijkheden
om de aanwezigheid van de VN in Soedan diplomatiek te ondersteunen, en zal in EU-verband,
evenals in diplomatieke contacten met landen die invloed kunnen uitoefenen op de strijdende
partijen, het belang van sterke aanwezigheid van de VN in heel Soedan blijven onderstrepen.
Dan de situatie in Gaza. De leden van de SP-fractie hebben aanhoudende zorgen over
de situatie van de Palestijnen. De Israëlische regering blijft, in strijd met humanitair
oorlogsrecht, humanitaire hulp voor Gaza blokkeren. Wanneer gaat de Minister maatregelen
nemen om de humanitaire grensovergang structureel te openen en hoe gaat hij ervoor
zorgen dat deze niet opnieuw gesloten kan worden, zoals is afgesproken tijdens het
staakt-het-vuren?
40. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de humanitaire situatie in de Gazastrook.
Nederland blijft onderstrepen dat veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke humanitaire
toegang cruciaal is. Nederland blijft Israël hier consequent op aanspreken. Tevens
onderstreept het kabinet nadrukkelijk en consistent het belang van de naleving van
de afspraken tussen Israël en Hamas over de eerste fase van het vredesplan, waaronder
op het gebied van humanitaire hulp en de structurele opening van grensovergangen.
Dat doet het kabinet zowel in EU-verband als bilateraal in contact met Israël.
Zoals bekend in uw Kamer heeft Nederland, naar aanleiding van zorgen over de situatie
in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, het initiatief genomen om de Israëlische
naleving van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren. De kabinetsinzet
blijft er, mede voor het verbeteren van de humanitaire situatie in de Gazastrook,
op gericht om voldoende steun te vergaren voor de door de EU voorgestelde maatregelen
naar aanleiding van deze evaluatie en de aanhoudende verslechtering van de situatie
op de Westelijke Jordaanoever. Daarbij onderstreept het kabinet dat maatregelen tegen
Israël zijn bedoeld om de druk op te voeren zodat Israël van koers verandert op de
bovengenoemde kwesties.
Ook zien we nog steeds dodelijke aanvallen van Israël op de Palestijnen, terwijl dit
tegen het staakt-het-vuren in gaat. Non-gouvernementele organisaties (NGO’s) tellen
tot nu toe meer dan 700 Palestijnse doden. Is de Minister bereid de Israëlische ambassadeur
te ontbieden en publiekelijk druk op Israël uit te oefenen?
41. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet maakt zich ernstig zorgen over de humanitaire situatie in de Gazastrook
en de burgerslachtoffers. Het kabinet beziet steeds hoe het op een effectieve wijze
kan bijdragen aan verbetering van de situatie ter plaatse en blijft zorgen consistent
onderstrepen in bilaterale gesprekken met Israëli en in multilateraal verband.
Afgelopen maand is de motie-Dobbe c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3371) met betrekking tot het blocking statute aangenomen. Kan de Minister inzage geven
hoe hij aan deze motie uitvoering heeft gegeven in de Raad Buitenlandse Zaken?
42. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet spreekt zich voortdurend uit ter verdediging van de onafhankelijkheid
van het ICC. Het is aan de Europese Commissie om een voorstel te doen ter activering
van de antiboycotverordening (het Blocking Statute). Dat vergt een zorgvuldige afweging.
Het kabinet pleit in lijn met motie-Dobbe c.s.16 bij de Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement voor het treffen van
de noodzakelijke voorbereidingen om het Blocking Statute zo snel mogelijk toe te passen
zodra de Commissie een voorstel hiertoe heeft gedaan. Indien de VS nieuwe sancties
afkondigen die het functioneren van het Hof naar verwachting ernstig zullen belemmeren,
dan zal het kabinet zich conform de moties in EU-verband hard maken voor het daadwerkelijk
activeren van de antiboycotverordening.
Mocht de gehele Raad hiertoe nog niet gewillig zijn, is de Minister bereid om, dan
wel als Nederland, dan wel met een coalition of the willing, al vooruitstrevende stappen
te nemen om het blocking statute nationaal in te stellen?
43. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet acht het met het oog op de effectiviteit en het functioneren van de interne
markt niet wenselijk om een nationale constructie te ontwikkelen. Het kabinet blijft
daarom inzetten op het Europese spoor.et kab
De leden van de SP-fractie zien dat de Sloveense Minister Fajon zich publiekelijk
heeft uitgesproken met betrekking tot het blocking statute. Is de Minister bereid
om het Sloveense voorbeeld te volgen?
44. Antwoord van het kabinet:
Het is aan de Europese Commissie om een voorstel ter activering van de antiboycotverordening
(het Blocking Statute) bij de Raad en het Europees Parlement in te dienen. Dat vergt
een zorgvuldige afweging ten aanzien van timing en voor- en nadelen van het instrument.
Sinds de grootschalige genocide in Gaza door Israël zijn er al meer dan 200 journalisten
vermoord, een afgrijselijke oorlogsmisdaad waar door de internationale gemeenschap
niks aan wordt gedaan. Nu zien deze leden ook dat het Israëlische leger de verantwoordelijkheid
van een aanval bevestigt, namelijk die van 28 maart 2026 en 22 april 2026 in Libanon
met vier dode journalisten tot gevolg. Journalisten zijn van cruciaal belang voor
de bewijsgaring van mensenrechtenschendingen, waar onderzoek en rapporten veelal op
vertrouwen als bron, iets wat het kabinet ondersteunt. Wat is de inzet van het kabinet
als het gaat om het beschermen van de journalistieke vrijheid in oorlogsgebieden en
hoe zorgt deze Minister ervoor dat het internationaal recht wordt gehandhaafd als
het gaat om het straffeloos vermoorden van deze groep?
45. Antwoord van het kabinet:
Persvrijheid, en in ruimere zin veiligheid van journalisten en vrijheid van meningsuiting,
is en blijft één van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Journalisten
worden beschermd onder het humanitair oorlogsrecht en moeten hun belangrijke werk
in conflictgebieden in veiligheid kunnen uitvoeren. Het kabinet onderstreept deze
uitgangspunten en veroordeelt doelbewuste aanvallen op journalisten, overal ter wereld
en nadrukkelijk ook in het Midden-Oosten. Vermeende internationale misdrijven vragen
in algemene zin om gedegen en onafhankelijk onderzoek, ook waar het journalisten betreft.
Nederland vraagt ook al geruime tijd om meer internationale aandacht voor de toenemende
straffeloosheid voor geweld tegen journalisten wereldwijd – onder andere in de context
van de Media Freedom Coalition. Bovendien blijft Nederland het belang van persvrijheid
en veiligheid van journalisten consistent onderstrepen tegenover Israël, zowel publiek
als achter de schermen.
Welke specifieke actie gaat dit kabinet ondernemen, dan wel nationaal dan wel in de
Media Freedom Coalition? Is de Minister bereid onafhankelijk onderzoek te starten,
mogelijk in EU-verband, naar Israëls doelgerichte moord van 28 maart op journalisten,
waartoe verschillende VN-experts oproepen?
46. Antwoord van het kabinet:
Nederland spreekt zich structureel uit voor de bescherming van journalisten en spant
zich in voor het vergroten van internationale aandacht voor de toenemende straffeloosheid
voor geweld tegen journalisten wereldwijd. Zoals vermeld onder vraag 11, dringt Nederland
waar nodig en mogelijk aan op onderzoek naar vermeende internationale misdrijven,
ook in de context van Libanon. In de context van de Media Freedom Coalition heeft
Nederland verschillende verklaringen ondersteund die zien op de veiligheid van journalisten,
waaronder op World Press Freedom Day (3 mei jl.), het tegengaan van straffeloosheid
(3 november jl.) en toegang tot Gaza (21 augustus jl.).
Tot slot staan de leden van de SP-fractie stil bij de energiecrisis in Cuba. Sinds
de blokkade van de Verenigde Staten met betrekking tot fossiele brandstoffen, bovenop
de al bestaande sancties, heeft Cuba te maken met een grote energiecrisis met grote
gevolgen voor de leefbaarheid, gezondheid en veiligheid van de Cubaanse burgers. Is
de Minister zich bewust van deze belasting van de Cubaanse bevolking?
47. Antwoord van het kabinet:
Ja. Er is al langere tijd sprake van een energiecrisis in Cuba. Ook in 2025 werd het
land veelvuldig geplaagd door langdurige periodes van stroomuitval, onder meer door
achterstallig onderhoud aan energiecentrales. Momenteel is sprake van een zich verder
verdiepende crisis, die de Cubaanse bevolking hard raakt. De EU kende daarom voor
2026 een bedrag van EUR 4 mln. toe aan humanitaire hulp. Dit is in april met EUR 2
mln. verhoogd tot EUR 6 mln.
Op welke manier wordt er, bilateraal dan wel in EU-verband, gesproken met de Amerikaanse
regering over Cuba?
48. Antwoord van het kabinet:
Nederland spreekt regelmatig met de Amerikaanse overheid over het Westelijk Halfrond,
waaronder Cuba, op verschillende niveaus. De Nederlandse ambassadeur op Cuba spreekt
samen met andere ambassadeurs van EU-lidstaten regelmatig met zijn Amerikaanse counterpart.
Is dit onderwerp van bespreking tussen premier Jetten en president Trump?
49. Antwoord van het kabinet:
Op dit moment is de energiecrisis in Cuba geen onderwerp van gesprek tussen Minister-President
Jetten en president Trump.
De leden van de SP-fractie verzoeken de Minister om alle vragen in deze inbreng afzonderlijk
te beantwoorden.
II Volledige agenda
– de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 april 2026 over de Geannoteerde
agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3389);
– de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 april 2026 over de Nederlandse
inzet tijdens de Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) 2026 op
het terrein van nucleair ontwapening, non-proliferatie en het vreedzaam gebruik van
nucleaire technologie (Kamerstuk 33 783, nr. 53);
– de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 april 2026 over de Nederlandse
diplomatieke presentie in Venezuela (Kamerstuk 29 653, nr. 92).
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.F. Klaver, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
A.W. Westerhoff, griffier