Nota van wijziging : Tweede nota van wijziging
35 501 Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen
Nr. 14 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 12 mei 2026
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
Het opschrift komt te luiden:
Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en enige andere wetten met
het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien
van overlastgevende vreemdelingen, het verruimen van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring
en het verhogen van het strafmaximum van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht
(novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring)
B
De considerans komt te luiden:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
en enige andere wetten te wijzigen met het oog op het handhaven van de mogelijkheden
om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen, het verruimen
van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring en het verhogen van het strafmaximum
van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht;
C
Artikel I wordt als volgt gewijzigd:
1.
Onderdeel E, onder 2, komt als volgt te luiden:
2. Onderdeel B komt als volgt te luiden:
B
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vierde en vijfde lid vervallen, onder vernummering van het zesde en zevende
lid tot vierde en vijfde lid.
2. Het vierde lid (nieuw) komt als volgt te luiden:
4. Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in het eerste en tweede lid, opleggen aan
de vreemdeling aan wie toegang is geweigerd, indien het belang van de openbare orde
of de nationale veiligheid zulks vordert. De maatregel wordt uitsluitend opgelegd
indien zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat, voor een zo kort mogelijke
periode. De artikelen 58, tweede en derde lid, 58a en 59, tweede en derde lid, zijn
van overeenkomstige toepassing.
3. In het vijfde lid (nieuw) wordt «het zesde lid» vervangen door: «vierde lid».
2.
Na onderdeel L wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
La
Na artikel 99, onderdeel T, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
Ta
In artikel 96a, vierde lid, wordt «artikel 59, zesde lid,» vervangen door «artikel 59,
derde lid,» en «artikel 59, vijfde lid» door «artikel 59, tweede lid,».
D
Onder vernummering van artikel II tot V worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
ARTIKEL II
De Vreemdelingenwet 2000 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 27, vierde lid, wordt na «inreisverbod» ingevoegd «of een ongewenstverklaring».
B
In artikel 45, achtste lid, wordt na «inreisverbod» ingevoegd «of een ongewenstverklaring».
C
In artikel 62a, tweede lid, wordt na «inreisverbod» ingevoegd «of een ongewenstverklaring».
D
Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, aanhef, wordt «Tenzij afdeling 3 van toepassing is,» vervangen
door «Onverminderd artikel 66a, eerste en tweede lid,».
2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «drie jaren» vervangen door «twee jaren».
3. In het derde lid wordt «In afwijking van artikel 8» vervangen door «In afwijking
van artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die
een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28
heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist en de behandeling van deze
aanvraag op grond van deze wet in Nederland mag worden afgewacht,».
E
Artikel 68, eerste lid, komt te luiden:
1. Onze Minister kan ambtshalve wegens gewijzigde omstandigheden dan wel op aanvraag
van de vreemdeling besluiten tot opheffing of tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.
ARTIKEL III
In bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt de zinsnede met betrekking tot
de Vreemdelingenwet 2000 als volgt gewijzigd:
1. Onder verlettering van onderdelen e en f tot f en g wordt een onderdeel ingevoegd,
luidende:
e. een ongewenstverklaring als bedoeld in artikel 67, eerste lid, waartoe is besloten
door middel van een zelfstandige beschikking jegens een vreemdeling voor wie ook een
terugkeerbesluit geldt of wiens aanvraag als bedoeld in artikel 28 niet is ingewilligd
dan wel wiens vergunning als bedoeld in artikel 28 is ingetrokken of niet is verlengd
2. Aan onderdeel f (nieuw) wordt toegevoegd «of van een ongewenstverklaring van een
vreemdeling jegens wie ook een terugkeerbesluit geldt of wiens aanvraag als bedoeld
in artikel 28 niet is ingewilligd dan wel wiens vergunning als bedoeld in artikel 28
is ingetrokken of niet is verlengd».
ARTIKEL IV
In artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht wordt «zes maanden» vervangen door «een
jaar».
Toelichting
Onderdeel A en B
In verband met de in onderdeel D voorgestelde wijzigingen worden het opschrift en
de considerans van het wetsvoorstel gewijzigd.
Onderdeel C
Zoals werd aangestipt bij de eerste nota van wijziging heeft het grote tijdsverloop
dat de wetsbehandeling inmiddels in beslag neemt, ertoe geleid dat bepaalde onderdelen
van het wetsvoorstel inzake regels met betrekking tot de terugkeer van vreemdelingen
en vreemdelingenbewaring (Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring)1 verouderd zijn en dat er onmisbare voorzieningen ontbreken. De eerste nota van wijziging
van de novelle (het wetsvoorstel tot wijziging van Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien
van overlastgevende vreemdelingen2) die de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring wijzigt, beoogde onder meer het wetsvoorstel
in overeenstemming te brengen met het bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel
betreffende de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband
met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel-en migratiepact 2026 (Uitvoerings-
en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026).3 Daarbij zijn echter twee technische wijzigingen over het hoofd gezien. Deze worden
nu alsnog toegevoegd.
Artikel 6 Vw 2000 omvat de regeling voor grensbewaring. Deze regeling ziet op de groep
van personen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd omdat niet aan de voorwaarden
voor toegang tot Nederland of het Schengengebied is voldaan. Voor grensbewaring geldt
– net als voor de territoriale bewaring – een maximale duur, zoals thans is geregeld
in artikel 59, vierde en vijfde lid, Vw 2000 en na de inwerkingtreding van de Wet
terugkeer en vreemdelingenbewaring geregeld zal zijn in artikel 59, tweede en derde
lid, Vw 2000 (nieuw). Bij de voorziene aanpassing van artikel 6 Vw 2000 is per abuis
over het hoofd gezien dat verduidelijkt diende te worden dat de maximale duur voor
grensbewaring (overeenkomstig artikel 59, tweede en derde lid, Wv 2000) altijd geldt
en dus ook wanneer personen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd geen asielaanvraag
hebben gedaan. Om die reden wordt in de eerste zin van artikel 6, vierde lid, Vw 2000
(nieuw) geschrapt «en op wie voorafgaand aan de toegangsweigering het derde lid van
toepassing was». Voor de leesbaarheid wordt daarbij onderdeel E, onder 2, van de novelle
(het wetsvoorstel tot wijziging van Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring met het
oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van
overlastgevende vreemdelingen4) die de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring wijzigt, helemaal vervangen. Alleen
de wijziging van artikel 6 onder sub 1 is nieuw.
In artikel I, onderdeel BT, van het wetsvoorstel betreffende de Uitvoerings- en implementatiewet
Asiel- en migratiepact 2026 wordt voorzien in een nieuw artikel 96a van de Vreemdelingenwet
2000 (Vw 2000). In het vierde lid van dat artikel wordt verwezen naar het huidige
artikel 59, vijfde en zesde lid, Vw 2000. Na de inwerkingtreding van artikel 99, onderdeel M,
van het wetsvoorstel inzake regels met betrekking tot de terugkeer van vreemdelingen
en vreemdelingenbewaring (Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring) zullen de bepalingen
die zijn opgenomen in artikel 59, vijfde en zesde lid, Vw 2000 echter verplaatst zijn
naar artikel 59, tweede en derde lid, Vw 2000. Om ervoor te zorgen dat de verwijzing
in het nieuwe artikel 96a Vw 2000 na de inwerkingtreding van de Wtvb nog steeds kloppend
is, wordt in deze nota van wijziging een wijzigingsbepaling aan de Wtvb toegevoegd.
Onderdeel D
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000
Artikel II herneemt de verruiming van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring, een
maatregel die oorspronkelijk was opgenomen in de Asielnoodmaatregelenwet (Kamerstukken
36 704). Over dit wetsvoorstel en deze specifieke maatregel heeft de Afdeling advisering
van de Raad van State eerder al advies uitgebracht.5 Hierna volgt een korte samenvatting van de hoofdlijnen van de maatregel, gevolgd
door een wetstechnische toelichting op de voorgestelde wijzigingen.
In de kern wordt met de onderhavige maatregel beoogd het opnieuw mogelijk te maken
om een ongewenstverklaring op te leggen aan personen die onder de Terugkeerrichtlijn
vallen, met name in Nederland verblijvende derdelanders. De ongewenstverklaring heeft
thans alleen betrekking op andere categorieën vreemdelingen, zoals burgers van de
EU en hun gezinsleden, en onderdanen van derde landen die zich buiten Nederland bevinden.
De mogelijkheid om een ongewenstverklaring op te leggen aan personen die onder de
Terugkeerrichtlijn vallen bestond voorheen altijd al, maar is in 2011 met de implementatie
van de Terugkeerrichtlijn afgeschaft. De veronderstelling destijds was dat het Europese
inreisverbod in vergelijkbare gevallen zou kunnen worden uitgevaardigd als een nationale
ongewenstverklaring en dezelfde rechtsgevolgen zou sorteren, doordat de gronden grotendeels
gelijk zijn getrokken.6 Een samenloop van beide instrumenten werd daarom niet nodig bevonden. Naderhand is
echter gebleken dat, anders dan bij de implementatie werd verondersteld, het inreisverbod
pas rechtsgevolgen sorteert wanneer de vreemdeling het grondgebied van de EU heeft
verlaten en niet daarvoor al.7 Bovendien is uit latere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State gebleken dat niet aan alle vreemdelingen uit de doelgroep die onder
de Terugkeerrichtlijn vallen, een inreisverbod kan worden opgelegd. De eis uit de
jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU dat dan aangetoond moet worden dat
sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare orde, blijkt vaak een te hoge
drempel voor oplegging van een inreisverbod te zijn. Er moet namelijk worden aangetoond
dat het persoonlijke gedrag van de betrokken vreemdeling een werkelijke, actuele en
voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving
aantast. Dit heeft als gevolg dat ook in gevallen waarin wel degelijk sprake is van
ernstige vormen van overlast en crimineel gedrag met nadelige maatschappelijke gevolgen,
het nauwelijks haalbaar is om aan dit criterium te voldoen.8
Artikel II maakt de hiervoor beschreven onbedoelde effecten van de beperking ongedaan
betreffende de doelgroep aan wie een ongewenstverklaring opgelegd kan worden. Onderdeel D
van artikel II wijzigt artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 op een aantal punten.
Onder 1 schrapt het onderdeel dat de ongewenstverklaring uitsluitend kan worden opgelegd
in de gevallen waarin geen inreisverbod wordt opgelegd. Samenloop van beide instrumenten
wordt daardoor mogelijk. Door in artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 «Tenzij afdeling
3 van toepassing is» – de woorden die de samenloop voorkwamen – uitdrukkelijk te vervangen
door «Onverminderd artikel 66a, eerste en tweede lid» wordt ook geëxpliciteerd dat
de regeling van het EU-rechtelijk, uit de (implementatie van de) Terugkeerrichtlijn
verplicht voortvloeiend inreisverbod onverkort van toepassing blijft. Het huidige
eerste lid zal de grondslag blijven voor oplegging van de ongewenstverklaring ter
zake van niet onder de Terugkeerrichtlijn vallende vreemdelingen. De wijziging betekent
dat in beginsel aan alle vreemdelingen een ongewenstverklaring kan worden opgelegd,
zoals oorspronkelijk – vóór de implementatie van de Terugkeerrichtlijn – ook het geval
was. De ongewenstverklaring betreft een nationaalrechtelijke bevoegdheid, die niet
een implementatie is van EU-regelgeving, zoals artikel 66a van de Vreemdelingenwet
2000 inzake het inreisverbod dat wel is. Voor zover wordt overwogen door de vreemdeling
gepleegde strafbare feiten aan ongewenstverklaring ten grondslag te leggen, moeten
deze ook in de nationale context worden beoordeeld. Het is dus de uitdrukkelijke bedoeling
dat aan de jurisprudentie rondom de uitleg van het begrip ernstige bedreiging van
de openbare orde als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn
geen betekenis toekomt bij de interpretatie van de begrippen in artikel 67 van de
Vreemdelingenwet 2000. Wel is aannemelijk dat indien in rechte reeds vaststaat dat
er sprake is van een dergelijke ernstige bedreiging, in elk geval is voldaan aan de
voorwaarde van gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid, bedoeld in artikel 67,
eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel kan echter ook andere
omstandigheden omvatten.
Om een ongewenstverklaring eventueel met een meeromvattende beschikking te kunnen
opleggen, bevatten de onderdelen A, B, en C wijzigingen van de artikelen 27, 45 en
62a van de Vreemdelingenwet 2000. Zoals hiervoor bleek, wordt hiermee niet bepaald
dat een ongewenstverklaring alleen kan worden opgelegd als ook een terugkeerbesluit
wordt genomen. Er zijn immers situaties denkbaar waarin een terugkeerbesluit niet
mogelijk is en de vreemdeling desondanks ongewenst verklaard kan worden. Bijvoorbeeld
in het geval de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft in een andere lidstaat.
Geëxpliciteerd wordt slechts dat niet alleen een inreisverbod, maar ook een ongewenstverklaring
– al dan niet naast een inreisverbod – in één beschikking samen kan gaan met een beslissing
over een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 27 of 45 van de Vreemdelingenwet
2000 of een kennisgeving van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten
als bedoeld in artikel 62a van de Vreemdelingenwet 2000.
Onder 3 wijzigt onderdeel D het derde lid van artikel 67. Dit lid bepaalt dat de ongewenst
verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 geen
rechtmatig verblijf kan hebben. De wijziging bevat een uitzondering die voorkomt dat
de vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel
heeft ingediend, geen rechtmatig verblijf heeft, terwijl op die aanvraag nog niet
is beslist en terwijl hij de behandeling van deze aanvraag op grond van de Vreemdelingenwet
2000 in Nederland mag afwachten.
Artikel 68 van de Vreemdelingenwet 2000 betreft de opheffing van de ongewenstverklaring.
De IND kan dit nu alleen doen op aanvraag van de vreemdeling. Onderdeel E – de wijziging
van artikel 68, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 – maakt het mogelijk dat
de IND hiervan niet langer afhankelijk is en de ongewenstverklaring ook ambtshalve
kan opheffen. Dit geldt in algemene zin, maar aangezien de opheffing van het inreisverbod
(artikel 66b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000) wel ambtshalve kan plaatsvinden
en wordt voorgesteld beide instrumenten te kunnen laten samengaan, is van belang dat
de regels hierover gelijk worden getrokken. Als de IND ambtshalve iemands inreisverbod
kan opheffen, dan moet de IND ook zelf kunnen overwegen al dan niet diens ongewenstverklaring
op te heffen. De formulering is gemodelleerd naar de bestaande bewoordingen voor de
opheffing van het inreisverbod (artikel 66b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
Bij de totstandbrenging hiervan was reeds beoogd dat de bepalingen elkaars equivalent
waren en dat de IND ambtshalve, wegens gewijzigde omstandigheden of op aanvraag van
de vreemdeling kan besluiten tot opheffing of tijdelijke opheffing. De betekenis van
de bewoordingen is hetzelfde.9 Concreet geldt ten slotte dat artikel 68, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000
een basis biedt om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de duur
van de ongewenstverklaring na vertrek uit Nederland, waarbij aandacht zal zijn voor
de verhouding met het Unierechtelijke instrument van het inreisverbod en de geharmoniseerde
termijnen die in dat kader door de Uniewetgever zijn gesteld.
Onderdeel D, onder 2, herneemt het door de Tweede Kamer tijdens de behandeling van
het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet aangenomen amendement van de leden Rajkowski
en Van Zanten,10 dat strekte tot verlaging van de drempel voor het kunnen opleggen van een ongewenstverklaring.
Voor een toelichting op de voorgestelde wijziging wordt verwezen naar de toelichting
bij het amendement.
Voor een uitgebreide toelichting op de verruiming van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring
wordt voorts verwezen naar de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet.11
Voor een beschrijving van de uitvoeringsgevolgen van de maatregel wordt verwezen naar
de Uitvoeringstoets uitbreiding ongewenstverklaring.12 Daarin is uitgegaan van een bandbreedte van circa 800 tot 1200 extra ongewenstverklaringen
per jaar, afhankelijk van instroom en afdoeningspraktijk. Hieruit volgt dat de wijziging
voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), politie (AVIM), Centraal Orgaan
opvang asielzoekers (COA), Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV), Koninklijke Marechaussee
(KMar), Openbaar Ministerie (OM) en Raad voor de rechtspraak (Rvdr) uitvoerbaar is,
mits wordt voldaan aan randvoorwaarden zoals voldoende personele en financiële capaciteit
en tijdige aanpassing van IV-systemen. Voor de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)
geldt dat uitvoerbaarheid afhankelijk is van tijdige beschikbaarheid van voldoende
personele en detentiecapaciteit. Deze randvoorwaarden zullen worden betrokken bij
de verdere implementatie.
Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel III bevat noodzakelijke wijzigingen over rechtsbescherming in verband met
de uitbreiding van de ongewenstverklaring. De rechtsbescherming volgt het bestaande
regime van rechtsmiddelen, afhankelijk van het aan de orde zijnde geval.
De vreemdeling (gemeenschapsonderdaan) ten aanzien van wie naar huidig recht wordt
besloten tot een ongewenstverklaring, kan en moet hiertegen eerst bezwaar maken alvorens
in beroep te kunnen gaan bij de rechtbank. Dit geldt ook voor de vreemdeling tegen
wie nu een inreisverbod wordt uitgevaardigd, indien dit onderdeel is van een meeromvattende
beschikking waarbij een verblijfsvergunning regulier wordt afgewezen en die geldt
als terugkeerbesluit (artikel 27 van de Vreemdelingenwet 2000). Een en ander blijft
zo en zal tevens gelden indien een ongewenstverklaring onderdeel is van een beschikking
die ook een afwijzing omvat van een verblijfsvergunning regulier. Ook in geval zal
worden besloten tot ongewenstverklaring van een vreemdeling bij wie dit nu niet kan
omdat afdeling 3 van hoofdstuk 6 van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is, wordt
bezwaar opengesteld in geval geen terugkeerbesluit geldt of, kort gezegd, negatieve
beslissing over de asielvergunning is genomen, zoals derdelanders die niet in de Europese
Unie zijn.
Op grond van de Regeling rechtstreeks beroep (bijlage 1 bij de Awb) kan nu geen bezwaar
worden gemaakt en moet rechtstreeks beroep worden ingesteld tegen een inreisverbod
dat wordt uitgevaardigd als onderdeel van een meeromvattende beschikking waarbij een
verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen en die geldt als terugkeerbesluit (artikel 45
van de Vreemdelingenwet 2000) of waarbij de vreemdeling kennis wordt gegeven van een
vertrekverplichting, hetgeen geldt als terugkeerbesluit (artikel 62a van de Vreemdelingenwet
2000). Ook dit blijft zo en geldt tevens als een ongewenstverklaring onderdeel wordt
van een beschikking waarbij een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen of waarbij
kennisgeving van een vertrekverplichting plaatsvindt. Artikel III, onder 1, introduceert
een nieuw onderdeel e. Geldt jegens de vreemdeling een terugkeerbesluit, is diens
aanvraag tot een vergunning asiel afgewezen, niet in behandeling genomen, niet-ontvankelijk
verklaard of buiten behandeling gesteld of is die vergunning ingetrokken of niet verlengd,
dan geldt rechtstreeks beroep ook voor de ongewenstverklaring waartoe ingevolge het
wetsvoorstel in een zelfstandige beschikking kan worden besloten, kort gezegd bij
derdelanders die in een andere lidstaat zijn en derdelanders die thans geen ongewenstverklaring
kunnen krijgen vanwege de uiteenlopende invulling van de gronden die in de rechtspraak
is ontstaan.
Ten slotte blijft bezwaar in de regel openstaan als eerste rechtsmiddel voor de (tijdelijke)
opheffing van een ongewenstverklaring. In het verlengde van het bovenstaande geldt
echter rechtstreeks beroep, indien het de (tijdelijke) opheffing van een ongewenstverklaring
betreft van een vreemdeling jegens wie ook een terugkeerbesluit geldt dan wel die
te maken heeft met de daar verwoorde negatieve beslissingen over de asielvergunning.
Vergelijkenderwijs is ook de (tijdelijke) opheffing van het inreisverbod immers aan
de bezwaarfase onttrokken. Hiertoe strekt artikel III, onder 2.
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht
Artikel IV herneemt het door de Tweede Kamer tijdens de behandeling van het voorstel
voor de Asielnoodmaatregelenwet aangenomen amendement van de leden Van Zanten en Rajkowski,13 dat strekte tot verhoging van de maximumstraf voor het begaan van het misdrijf, omschreven
in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (onrechtmatig verblijf in weerwil van
een «zwaar» inreisverbod of ongewenstverklaring). Voor een toelichting op de voorgestelde
verhoging wordt verwezen naar de toelichting op het amendement.
Artikel V (nieuw)
Artikel V (nieuw) van de wet is inhoudelijk ongewijzigd. Het artikel regelt dat deze
wet op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking kan treedt, dat voor
de verschillende artikelen van de wet of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld. Dit maakt dat de artikelen I en II, III en IV (nieuw) op verschillende
momenten in werking kunnen treden.
De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.