Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over Kabinetsinzet t.a.v. de ministeriële vergadering van de Raad van Europa op 14 en 15 mei in Moldavië (Kamerstuk 20043-159)
20 043 Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa
Nr. 160
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 7 mei 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over het verslag Ministeriële Vergadering
Raad van Europa (Kamerstuk 20 043, nr. 155) en de Kabinetsinzet t.a.v. de ministeriële vergadering van de Raad van Europa op
14 en 15 mei 2026 in Moldavië (Kamerstuk 20 043, nr. 159).
De vragen en opmerkingen zijn op 23 april 2026 aan de Minister van Buitenlandse Zaken
voorgelegd. Bij brief van 7 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Klaver
Adjunct-griffier van de commissie, Dekker
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
7
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
10
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
12
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
18
II
Volledige agenda
29
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsbrief
inzake de ministeriële vergadering van het Comité van Ministers van de Raad van Europa,
alsmede van de onderliggende stukken. Deze leden hebben hierover de volgende vragen
en opmerkingen.
Steun aan Oekraïne: compensatie en gerechtigheid De leden van de D66-fractie spreken hun steun uit voor de inzet van Nederland om
gastland te worden van de Schadevergoedingscommissie voor Oekraïne. Deze leden onderschrijven
het belang van een robuust en geloofwaardig compensatiemechanisme. Tegelijkertijd
constateren de leden van de D66-fractie dat de Parlementaire Assemblee van de Raad
van Europa (PACE) zorgen heeft geuit over onder meer de temporele reikwijdte van het
mechanisme, die momenteel beperkt lijkt tot schade vanaf 24 februari 2022. Deze leden
zijn van mening dat recht moet worden gedaan aan slachtoffers van eerdere Russische
agressie. Kan de Minister uiteenzetten hoe hij aankijkt tegen een uitbreiding van
het mandaat van de Schadevergoedingscommissie, zodat ook schade vanaf 2014 voor compensatie
in aanmerking komt? In hoeverre zet Nederland zich hier actief voor in binnen de Raad
van Europa (RvE) en richting partners?
1. Antwoord van het kabinet:
Deze thematiek is daadwerkelijk in de onderhandelingen aan de orde gekomen. Tijdens
de tweede onderhandelingsronde in mei 2025 deed Oekraïne een voorstel om de temporele
reikwijdte uit te breiden naar februari 2014. Dit voorstel werd door Nederland ondersteund,
maar kon verder op weinig medestand rekenen van de onderhandelingspartners. Om toch
tegemoet te komen aan de wens van Oekraïne dat de Claimscommissie ook mandaat zal
hebben ten aanzien van schadeclaims uit de periode tussen 2014 en 2022, is aan de
preambule een paragraaf toegevoegd die bevestigt dat de beperking in het verdrag tot
schadeclaims van na 24 februari 2022 Rusland op geen enkele wijze ontslaat van zijn
verantwoordelijkheid voor schendingen van het internationaal recht in genoemde periode.
Evenmin wordt de mogelijkheid ontkend de reikwijdte van het verdrag in de toekomst
uit te breiden naar 27 februari 2014. In latere onderhandelingsrondes is hierop niet
meer teruggekomen.
Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat er nog belangrijke vragen openstaan
over de financiering van het schadefonds en de rol van bevroren Russische tegoeden.
Deze leden achten het van groot belang dat deze middelen niet pas na afloop van de
oorlog beschikbaar komen, maar – waar juridisch mogelijk – ook nu al worden ingezet
ten behoeve van Oekraïne. In hoeverre ziet het kabinet mogelijkheden om via de Schadevergoedingscommissie
of aanverwante structuren (zoals de Enlarged Partial Agreement) niet alleen toekomstige
schadevergoedingen te organiseren, maar ook een eerdere inzet van bevroren Russische
tegoeden mogelijk te maken voor steun aan Oekraïne in het heden? Ziet het kabinet
kansen om via dit kader versnelling aan te brengen in het daadwerkelijk beschikbaar
maken van deze middelen?
2. Antwoord van het kabinet:
De Claimscommissie is de tweede stap van het compensatiemechanisme, na het Schaderegister.
Inderdaad moet een Schadefonds als derde en laatste stap nog tot stand komen. Dat
laat onverlet dat in artikel 21 van het Verdrag tot oprichting van een internationale
schadevergoedingscommissie voor Oekraïne staat vermeld dat Rusland uiteindelijk het
schadeplichtige land zal zijn. Er is voor gekozen om eerst in te zetten op een zo
spoedig mogelijke inwerkingtreding van het voornoemde oprichtingsverdrag, opdat discussies
over een op te zetten Schadefonds dat proces niet doorkruisen of vertragen. Vervolgens
dient bezien te worden uit welke financiële bronnen het Schadefonds kan bestaan, zolang
Russische reparatiebetalingen niet gegarandeerd zijn. Hypothetisch zijn er verschillende
mogelijkheden, die evenwel nader onderzocht dienen te worden met de overige onderhandelingspartners,
zoals vrijwillige bijdragen door deelnemende staten, gebruik maken van een (deel)
van de bevroren Russische tegoeden of gebruik maken van een (deel) van EU-leningen.
De leden van de D66-fractie hechten groot belang aan accountability voor het misdrijf
agressie en steunen de oprichting van een speciaal agressietribunaal. Deze leden constateren
dat Nederland onderzoekt of het ook gastland kan worden van dit tribunaal. Zij begrijpen
dat politieke en financiële commitment van grote Europese partners een belangrijke
factor is in deze afweging. In dat licht wijzen deze leden op recente steun van Frankrijk
voor het agressietribunaal. Heeft de Minister inmiddels contact gehad met Frankrijk
over deze steun, en in hoeverre gaat deze gepaard met concrete financiële en politieke
toezeggingen? Ziet het kabinet deze ontwikkeling als aanleiding om de Nederlandse
inzet ten aanzien van het gastlandschap te intensiveren, inclusief het aanbieden van
fase 3 (operationele fase) in Nederland? Is de Minister voornemens om actief bij andere
grote lidstaten aan te dringen op aanvullende steun en medewerking, teneinde de totstandkoming
en operationalisering van het tribunaal te versnellen?
3. Antwoord van het kabinet:
Voor Oekraïne en voor vele andere landen inclusief Nederland is het belangrijk om
momentum te behouden op het verantwoordelijk stellen van Rusland voor het misdrijf
agressie dat tot op de dag van vandaag wordt begaan. In mijn brieven van 28 oktober
2025 en 27 januari 2026 informeerde ik u in detail over de gefaseerde benadering ten
aanzien van de oprichting van het Speciaal Tribunaal voor het Misdrijf Agressie tegen
Oekraïne en het besluit van de ministerraad om – vooruitlopend op de uitwerking van
het mogelijk toekomstig besluit ten aanzien van het huisvesten van het operationele
tribunaal – het gastlandschap aan te bieden voor de eerste fases («Advance Parrty» (fase 0) en «Skelettribunaal» (fase 1)) in Nederland1. Inmiddels is vanuit de Raad van Europa (RvE) in Straatsburg, met financiering van
de EU, een zgn. «advance team» opgestart, waarmee de RvE samen met Nederland de juridische,
operationele en institutionele voorbereidingen treft voor het opzetten van het skelettribunaal.
In Nederland is inmiddels een mogelijke locatie voor het skelettribunaal geïdentificeerd,
waarover naar verwachting tijdens de ministeriele vergadering in Chisinau door de
delegatie een mededeling zal kunnen worden gedaan.
Met betrekking tot de tweede operationele fase, zijn de werkzaamheden van het «advance team» instrumenteel in het ophelderen van juridische, financiële en veiligheidsgerelateerde
randvoorwaarden die van belang zijn voor de besluitvorming over modaliteiten van huisvesting
van het operationele tribunaal in Nederland.
Een belangrijke volgende stap in de oprichting van het tribunaal is de aanname van
de resolutie over het zgn. «Enlarged Partial Agreement» (EPA) van de RvE inzake het «Management Committee» van het tribunaal. Het «Management Committee» zal toezien op de begroting van het tribunaal via een verdeelsleutel en lastenverdeling
(praktische samenwerking), en zal de principalen van het tribunaal (rechters, griffier,
aanklager) verkiezen of benoemen. Nu het minimum aantal landen vereist voor de aanname
van deze resolutie (16 RvE-lidstaten) bereikt is, zal in Chisinau – middels ondertekening
daarvan – een belangrijk politiek signaal aan Rusland kunnen worden afgegeven dat
lidstaten voortgang maken. De periode na Chisinau zullen landen, voor zover van toepassing,
hun nationale procedures doorlopen om aansluiting bij de EPA te bekrachtigen. De EPA
zal pas in werking treden wanneer het Comité van Ministers (CM) van de RvE vaststelt
dat voldoende politiek en financieel draagvlak bestaat voor de start van het tribunaal.
Waar de aangesloten landen, via een door de RvE vastgestelde verdeelsleutel, na inwerkingtreding
van de EPA zullen bijdragen aan de kosten die verbonden zijn aan de totstandkoming
en werking van het tribunaal, zal het «Advance team» van de RvE op basis van de modaliteiten van het mogelijke gastlandschap van Nederland
voor het volledig operationele tribunaal, ramingen voor de meerjarige begroting voor
het operationele tribunaal dienen uit te werken. De politieke en financiële steun
en medewerking van de zgn. «Grand Payeurs» van de RvE (Duitsland, Italië, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk), en de EU wanneer
zij aansluit bij het EPA, zijn van kritieke betekenis, gezien het aanzienlijke aandeel
dat zij in de financiering voor hun rekening zullen nemen. In de besluitvorming voorafgaand
aan de inwerkingtreding van het Tribunaal is hun goedkeuring van het budget vereist.
In de periode na Chisinau zal Nederland, samen met Oekraïne en het «Advance Team», lidstaten, waaronder de «grote betalers», intensief consulteren. Tevens zal outreach gericht zijn op het verbreden van het politieke en financiële draagvlak voor het tribunaal
door aansluiting van landen buiten de RvE.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de inzet van het kabinet rondom
de interpretatieve verklaring over het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
(EVRM) in vreemdelingenzaken. Deze leden hechten eraan dat de integriteit van het
EVRM en de onafhankelijkheid van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)
gewaarborgd blijven. Tegelijkertijd constateren deze leden dat het kabinet zelf aangeeft
dat Nederland in de praktijk beperkt wordt door uitvoeringsvraagstukken, zoals het
gebrek aan medewerking van landen van herkomst. Kan het kabinet uiteenzetten wat de
huidige ervaringen zijn met het verwijderen van veroordeelde vreemdelingen binnen
het bestaande juridische kader van het EVRM? In welke mate vormen juridische beperkingen
daadwerkelijk een obstakel en in welke mate ligt dit bij praktische uitvoeringsproblemen?
4. Antwoord van het kabinet:
Er zijn lidstaten binnen de RvE die problemen ervaren met de uitzetting van vreemdelingen
die strafrechtelijk veroordeeld zijn. Voor Nederland geldt deze problematiek niet
op dezelfde wijze (zie hieronder). Wel trekt Nederland nauw op met andere lidstaten
binnen de RvE om uitdagingen op het gebied van asiel en migratie aan te pakken. Dit
doet het kabinet door samenwerking op de politieke verklaring. Onderdeel van de elementen
in de politieke verklaring zijn de nadruk op het feit dat er sprake moet zijn van
een minimumniveau van ernst om te kunnen spreken van een schending van artikel 3 (verbod
op foltering of onmenselijke behandeling) en dat onnodige beperkingen op uitzetting
van vreemdelingen die strafrechtelijk veroordeeld zijn voorkomen moeten worden. Deze
formulering lijkt tegemoet te komen aan de zorgen van lidstaten die specifieke uitdagingen
ervaren ten aanzien van de uitzetting van vreemdelingen die strafrechtelijk veroordeeld
zijn.
De ervaring van de Nederlandse rechtspraktijk is dat het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens (EVRM) en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens (EHRM) voldoende ruimte biedt om strafrechtelijk veroordeelde (gevestigde)
vreemdelingen te kunnen uitzetten. Binnen het EVRM-kader is verwijdering van veroordeelde
(gevestigde) vreemdelingen mogelijk, mits deze verwijdering niet in strijd is met
het verbod op non-refoulement (het verbod op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling, artikel 3, EVRM)
en de verwijdering verenigbaar is met het recht op respect voor privé, familie- en
gezinsleven (artikel 8, EVRM). Dat vraagt per geval individuele toetsing. Het EVRM
vormt voor Nederland geen primaire belemmering. Waar verwijdering uitblijft, ligt
de oorzaak in de praktijk veelal bij uitvoeringsbelemmeringen zoals identificatie-
en reisdocumenten, operationele capaciteit en het gebrek aan medewerking door landen
van herkomst.
Kan het kabinet daarnaast aangeven welke concrete stappen worden gezet om de medewerking
van landen van herkomst te verbeteren, in het bijzonder waar het gaat om het verstrekken
van reisdocumenten? Welke aanvullende instrumenten acht het kabinet hiervoor noodzakelijk?
5. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet zowel op Europees als bilateraal niveau in op het verbeteren van afspraken
met landen van herkomst voor de terugkeer van vreemdelingen, het tegengaan van irreguliere
migratie en het beschermen van migranten. Indien een persoon een terugkeerbesluit
krijgt, bijvoorbeeld bij afwijzing van de asielaanvraag moet hij terugkeren naar het
land van herkomst. Dat gebeurt bij voorkeur vrijwillig, maar gedwongen als het moet.
Indien de persoon hierbij geen eigen reisdocumenten heeft, is afstemming met het land
van herkomst over het verstrekken van een laissez-passer noodzakelijk om de persoon terug te kunnen laten keren. Het kabinet heeft in zijn
betrekkingen met deze landen van herkomst daarom bijzondere aandacht voor het opbouwen
van relaties tussen operationele diensten aan beide zijden. Ook is er daarbij aandacht
voor het uitwisselen van kennis en expertise. Het doel hiervan is om de samenwerking
in het terugkeerproces zo soepel mogelijk te laten verlopen. Ook op Europees niveau
is hier aandacht voor. Wanneer een derde land onvoldoende meewerkt, kan de Europese
Commissie een voorstel doen tot het nemen van visummaatregelen om het land van herkomst
te bewegen meer stappen te zetten in de terugkeersamenwerking onder artikel 25bis
van de Visumcode. Zo nam de JBZ-Raad – op voorstel van de Europese Commissie – in
2024 visummaatregelen tegen Ethiopië, waardoor de terugkeersamenwerking verbeterde.
Ook zet het kabinet zich ervoor in om in de herziening van het Algemeen Preferentieel
Stelsel, waaronder bepaalde ontwikkelingslanden tariefpreferenties genieten, een koppeling
op te nemen met terugkeersamenwerking. Het Europees Parlement stemde op 24 april jl.
voor een voorstel met deze koppeling. Dit moet nu nog worden bekrachtigd in de Raad.
De leden van de D66-fractie verwelkomen het initiatief voor een Nieuw Democratisch
Pact binnen de RvE. Deze leden zien dit als een belangrijke kans om de democratische
weerbaarheid in Europa te versterken, juist in een tijd van toenemende buitenlandse
inmenging en desinformatie. Kan de Minister nader uiteenzetten hoe Nederland dit pact
concreet wil versterken en invullen? Welke prioriteiten stelt het kabinet hierbij
en hoe wordt ervoor gezorgd dat dit pact leidt tot tastbare resultaten voor burgers
en instituties? De leden van de D66-fractie vragen voorts hoe Nederland voornemens
is om binnen de RvE en breder in Europa actief steun te mobiliseren voor een ambitieuze
invulling van dit pact.
6. Antwoord van het kabinet:
In de beleidsbrief van Binnenlandse Zaken d.d. 24 april heeft het kabinet de plannen
voor het versterken van de democratische rechtsstaat uiteengezet.2 Dit is een kernopgave van het kabinet. Onze Europese democratieën staan onder druk
in deze tijd van internationale spanningen, buitenlandse beïnvloeding en desinformatie
die er op gericht is onze democratische instituties en samenleving te ondermijnen.
Dit wordt ook onderkend door de Secretaris-Generaal (SG) van de RvE die met het strategische
en politieke proces van het Nieuw Democratisch Pact (NDP) erop inzet dat de 46 landen
van de RvE samenwerken aan de versterking en bescherming van onze democratieën. Het
versterken van onze democratische rechtsstaat doen wij niet alleen; onderdeel van
de samenhangende aanpak is Europese samenwerking om de uitdagingen het hoofd te bieden.
Dat doet Nederland bilateraal met landen die dezelfde bedreigingen ervaren en opgaven
hebben, en met Europese instituties als de RvE en de EU. Initiatieven als het «European Democracy Shield» van de Europese Commissie en het NDP van de RvE worden verwelkomd.
Het algemene doel van het NDP is om de weerbaarheid van de democratische rechtsstaat
te versterken; daarbij voortbouwend op bestaande structuren en processen en deze te
innoveren waar nodig en mogelijk. Evenals voor de nationale inzet zet de SG met het
NDP in op het versterken van onder meer democratische instituties, en maatschappelijke
en burgerparticipatie. Juist om stelling te bieden tegen polarisatie, buitenlandse
inmenging en desinformatie. In dat kader wordt ook ingezet op een mogelijk juridisch
instrument t.a.v. het beschermen van democratie en rechtsstaat tegen «Foreign Information Manipulation and Interference» (FIMI).
Het kabinet onderschrijft de brede doelstellingen van het NDP en zal een actieve en
constructieve rol vervullen bij de nadere uitwerking. De beleidsbrief van Binnenlandse
Zaken en het Nederlandse voorzitterschap van het Comité van Ministers in 2027 zijn
daarbij belangrijke ijkpunten om de handen ineen te slaan en tot een samenhangende
en uitgewerkte aanpak te komen. Uw Kamer wordt hierover uiterlijk voor het herfstreces
nader geïnformeerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Binnen de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken hebben de leden van de VVD-fractie
de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan het kabinet over het aankomende
Comité van Ministers van de Raad van Europa (Kamerstuk 20 043, nrs. 155 en 159).
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister in aanloop naar het comité van Ministers van 14 en 15 mei aanstaande.
Deze leden onderstrepen dat de Russische agressie onder geen beding onbestraft mag
blijven en dat het herstel van gerechtigheid voor Oekraïne een absolute prioriteit
is. Zij zien de oprichting van het agressietribunaal en de claimscommissie als belangrijke
instrumenten om de agressor daadwerkelijk ter verantwoording te roepen voor de aangerichte
schade. Deze leden zijn er trots op dat Nederland een centrale rol speelt bij het
afdwingen van deze aansprakelijkheid en het bestraffen van de Russische wandaden.
Zij juichen het toe dat er met Nederlandse middelen wordt bijgedragen aan de wederopbouw
van Oekraïne en dat deze steun meerjarig en onverminderd kan worden ingezet ten behoeve
van herstel van de energie-infrastructuur, drinkwatervoorzieningen en andere noodzakelijke
infrastructuur zoals ziekenhuizen.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de inzet van de
Minister op het gebied van migratie tijdens de ministeriële vergadering van de RvE.
De leden menen dat het EVRM op dit moment te veel invloed heeft op het voeren van
een streng, gericht en onafhankelijk migratiebeleid en menen dat er meer ruimte moet
komen om het algemeen belang af te wegen tegen de rechten die voortvloeiden uit artikel
3 en artikel 8 EVRM. Hoe kijkt de Minister hiernaar?
7. Antwoord van het kabinet:
Er zijn lidstaten binnen de RvE die uitdagingen ervaren op het gebied van asiel- en
migratiebeleid. Voor Nederland geldt dit niet op dezelfde wijze. Wel trekt Nederland
nauw op met andere lidstaten binnen de RvE om uitdagingen op het gebied van asiel
en migratie aan te pakken. Dit doet het kabinet door samenwerking op de politieke
verklaring. De formuleringen die gevonden zijn in deze verklaring lijken tegemoet
te komen aan de zorgen van lidstaten die specifieke uitdagingen ervaren op het gebied
van asiel- en migratie. Voor Nederland komen uitdagingen niet primair voort uit de
bepalingen in het EVRM (zie ook het antwoord op vraag 4). Uitdagingen volgen veelal
uit uitvoeringsproblemen, al dan niet in combinatie met eisen uit EU wet- en regelgeving
en de neerslag van internationale verdragen in nationaal recht en de relevante beleidskaders.
Met het oog op een streng en menswaardig migratiebeleid zet het kabinet in op innovatieve
oplossingen, waaronder het op lange termijn mogelijk maken van het afhandelen van
asielprocedures buiten Nederland (en de EU). Ook hier vormt het EVRM geen belemmering.
Het recente Clingendael rapport «Grenzen verleggen» bevestigt dit.3
Bovendien kent het EVRM al mogelijkheden om, in het geval van niet-absolute rechten,
zoals het recht op respect voor familie- en gezinsleven van artikel 8 EVRM, het algemeen
belang in de vorm van nationale veiligheid, openbare veiligheid, het economisch welzijn
van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming
van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden
van anderen mee te wegen. Dit is onder meer verankerd in artikel 8 lid 2 EVRM, waardoor
het onder omstandigheden voor staten gerechtvaardigd kan zijn de rechten van artikel
8 lid 1 EVRM te beperken. Inzake artikel 8 benadrukken de elementen in de politieke
verklaring dat de juiste balans gevonden moet worden tussen individuele rechten en
belangen, en de zwaarwegende publieke belangen van het waarborgen van vrijheid en
veiligheid in de samenleving.
Voor een uitgebreidere appreciatie van de verhouding van het EVRM tot asiel- en migratiebeleid
verwijst het kabinet naar de Kamerbrief over de modernisering van verdragen die op
korte termijn, nog voor het Commissiedebat over de JBZ-Raad van 4 en 5 juni, met uw
Kamer gedeeld zal worden.
Welke concrete impact verwacht de Minister dat de politieke verklaring zal hebben
op procedures binnen het vreemdelingenrecht?
8. Antwoord van het kabinet:
Indien de politieke verklaring met consensus van alle EVRM-partijen zal worden aangenomen
tijdens de ministeriële bijeenkomst van het Comité van Ministers (CM) in Chisinau
in mei 2026 kan deze worden aangemerkt als een interpretatieve verklaring van de verdragspartijen,
in die zin dat zij onder het verdragenrecht een «later tot stand gekomen overeenstemming»
vormt over de uitleg of toepassing van het EVRM. Met een dergelijke verklaring dient
rekening te worden gehouden door eenieder bij de interpretatie van het EVRM in het
migratiedomein, en kan daarom ook doorwerken in de nationale rechtspraktijk.
Welke stappen is de Minister verder van plan om te zetten om ervoor te zorgen dat
de impact van artikel 3 en 8 EVRM op het vreemdelingenrecht zoveel mogelijk beperkt
wordt?
9. Antwoord van het kabinet:
Over de inzet van het kabinet ten aanzien van het EVRM wordt uw Kamer op korte termijn
geïnformeerd in de Kamerbrief over verdragen die nog voor het Commissiedebat over
de JBZ-Raad van 4 en 5 juni met uw Kamer gedeeld worden.
De leden van de VVD-fractie worden graag geïnformeerd over wat de juridische en diplomatieke
verkenning ten aanzien van een eventuele aanpassing van het EVRM tot nu toe heeft
opgeleverd. Dit alles conform de motie-Van Zanten/ Boomsma (Kamerstuk 32 317, nr. 961) die door de VVD-fractie is gesteund.
10. Antwoord van het kabinet:
De Kamerbrief over verdragen, waar de juridische en diplomatieke verkenning onderdeel
van is, zal op korte termijn, uiterlijk voor het Commissiedebat over de JBZ-Raad van
4 en 5 juni, met uw Kamer gedeeld worden.
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de inzet van het kabinet om te komen tot
een juridisch instrument van de RvE om beter om te kunnen gaan met desinformatie en
inmenging. Deze leden zouden graag van het kabinet horen wat de Nederlandse inzet
gaat zijn tijdens het aankomende comité van Ministers. Wat verwacht het kabinet van
een internationale aanpak van dit probleem?
11. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet bestudeert momenteel het RvE-haalbaarheidsrapport voor een juridisch instrument
rond «Foreign Information Manipulation and Interference» (FIMI), bijvoorbeeld via een raamwerkconventie. FIMI is, net als veel andere vraagstukken
rond dreigingen voor onze democratie en digitalisering, een grensoverschrijdend probleem.
Binnen de RvE kunnen landen best practices uitwisselen, bijvoorbeeld over het detecteren van FIMI binnen mensenrechtelijke kaders
van het EVRM, en het vergroten van de weerbaarheid van burgers en democratische instituties.
De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd naar de strategie voor de externe dimensie
van de organisatie en op welke manier daar landen van buiten de RvE bij worden betrokken.
12. Antwoord van het kabinet:
De RvE zal zich middels de nieuwe externe strategie richten op het verbreden van deelname
van landen – primair uit het Middellandse Zeegebied, het Midden-Oosten en Centraal-Azië
– aan RvE-instrumenten, versterkte strategische samenwerking met waarnemende landen
en niet-lidstaten en versterkte strategische partnerschappen met andere internationale
organisaties, waaronder de EU en OVSE.
Deze leden willen graag weten wat het kabinet ziet als de meest concrete mogelijkheden
voor strategische samenwerking tussen de RvE en de OVSE en de EU? Waar zijn de organisaties
complementair aan elkaar en waar zou strategische samenwerking kunnen schuren?
13. Antwoord van het kabinet:
De samenwerking tussen de RvE, EU en OVSE zou volgens het kabinet primair gericht
moeten zijn op complementariteit t.a.v. thema’s en processen die in de praktijk tot
een sterke synergie tussen de organisaties leiden. Een kracht van de RvE zit in de
normstellende en monitorende instrumenten, die ook voor andere organisaties van toegevoegde
waarde zijn. Verschillende RvE-verdragen en -standaarden vormen de basis voor EU-regelgeving.
Een goed voorbeeld hiervan is het gebruik in EU-verband van rapporten en opinies van
onder meer de Venetië Commissie en de «Group of States against Corruption» (GRECO) over EU-lidstaten en kandidaat-lidstaten. Ook blijft het kabinet zich inzetten
voor toetreding van de EU tot RvE-instrumenten, waaronder het EVRM. Tevens vindt er
veel gezamenlijke programmering plaats van RvE en EU in lidstaten en niet-lidstaten
op de terreinen van democratie, mensenrechten en rechtsstaat. Daarnaast ziet het kabinet
ruimte voor verdere samenwerking tussen de RvE en OVSE op het terrein van de bescherming
van minderheden, de bevordering van tolerantie en non-discriminatie, en het tegengaan
van terrorisme en mensenhandel. Het kabinet zal zich doorlopend blijven inzetten om
het belang van complementariteit tussen de RvE, OVSE en EU te bepleiten.
Juist op de terreinen waar elkaar versterkende complementariteit gevonden kan worden,
schuilt een risico dat de inzet van verschillende organisaties kan schuren of overlappen.
Om dat zoveel mogelijk te voorkomen is er nauwe samenwerking en afstemming over en
weer tussen de RvE, EU en de OVSE. Vanuit RvE-kader gebeurt dat bijvoorbeeld door
de SG en het ondersteunende secretariaat, maar ook door het CM, dat geregeld hoge
functionarissen van andere organisaties uitnodigt voor dialoog en afstemming in kleinere
setting.
Op welke manier houdt de RvE zicht op ontwikkelingen in Rusland nu dit land geen deel
meer uitmaakt van de RvE?
14. Antwoord van het kabinet:
Ondanks de beëindiging van het RvE-lidmaatschap van Rusland, blijft Rusland gebonden
aan de verplichtingen uit hoofde van het EVRM voor feiten gepleegd ten tijde van het
Russische lidmaatschap, waaronder de verplichting om alle uitspraken van het Hof ten
uitvoer te leggen. Het CM blijft toezicht houden op de uitvoering van deze uitspraken.
De SG van de RvE informeert Rusland over de besluiten die worden genomen door het
CM in zaken tegen Rusland.
De algemene en individuele maatregelen die Rusland moet nemen om de uitspraken van
het Hof ten uitvoer te leggen, vallen vaak samen met kwesties die ook door de toezichthoudende
organen van de VN worden gevolgd. De besluiten van het CM in dit kader zijn in 2025
dan ook door de RvE onder de aandacht gebracht van andere relevante internationale
organisaties, zoals de VN, de EU en de OVSE. En marge van de mensenrechtenbijeenkomst
van december 2025, ging het CM in gesprek met de VN speciaal rapporteur voor de mensenrechtensituatie
in Rusland. Rusland heeft zich inmiddels ook uit een aantal conventies van de RvE
teruggetrokken, zoals recent het Anti-Folter Comité (CPT), waardoor ze zich aan toezicht
op deze terreinen onttrekken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsinzet
ten aanzien van de ministeriële vergadering van de Raad van Europa op 14 en 15 mei
in Moldavië. Zij stellen daarover nog enkele vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de verklaring van
de voorzitter van de PACE, Petra Bayr, dat de Knesset met de invoering van de doodstraf
een voorwaarde heeft geschonden om waarnemer van de Assemblee te zijn. Is het kabinet
zich bewust van het feit dat de doodstraf al sinds 1997 niet meer wordt toegepast
in alle 46 lidstaten van de RvE?
15. Antwoord van het kabinet:
Ja.
Is het kabinet zich bewust van het feit dat alle 46 lidstaten Protocol 6 bij het EVRM
hebben geratificeerd, dat de doodstraf verbiedt in vredestijd?
16. Antwoord van het kabinet:
Ja.
Is het kabinet zich bewust van het feit dat alle lidstaten behalve Azerbaijan – dat
overigens de doodstraf in 1998 heeft afgeschaft – Protocol 13 bij het EVRM hebben
geratificeerd, dat de doodstraf verbiedt onder alle omstandigheden?
17. Antwoord van het kabinet:
Ja.
Is het kabinet van mening dat de doodstraf onverenigbaar is met mensenrechtenstandaarden
en respect voor menselijke waardigheid?
18. Antwoord van het kabinet:
Ja.
Is het kabinet het met de verklaring van mevrouw Bayr eens? Zo nee, waarom niet? Zo
ja, is het kabinet voorstander van een opschorting van de waarnemersstatus van Israël
bij de Assemblee? Zo nee, waarom niet?
19. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet verwijst in dit kader naar de twee Kamerbrieven over de kabinetspositie
t.a.v. de Israëlisch doodstrafwetgeving die uw Kamer zijn toegekomen.4
Observer
status bij de Parlementaire Assemblée (PACE) bij de RvE wordt toegekend door de PACE, op
voorstel van het Bureau van de PACE. Het is dan ook aan de PACE zelf om zich hierover
te buigen. Het kabinet heeft hierin geen rol.
Net als voorgaande jaren willen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het kabinet
vragen om aandacht blijven te vestigen op de mensenrechtensituatie in Turkije, in
eerste plaats de naleving van de uitspraken van het EHRM in de zaken Demirtas en Kavala.
Deze leden vragen of de Minister bilateraal bij zijn Turkse ambtsgenoot en bij deze
bijeenkomst van het Comité van Ministers voornemens is plenair aandacht te vragen
voor beide zaken.
20. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet hecht eraan dat alle lidstaten die zich hebben gecommitteerd aan het EVRM,
uitvoering geven aan de vonnissen van het EHRM. Dat geldt onverminderd voor de zaken
van Kavala en Demirtaş. Nederland volgt beide zaken op de voet, zowel in de context
van de RvE als in Turkije. Het kabinet blijft binnen de RvE wijzen op het belang van
opvolging van de uitspraak in deze zaken. Ook blijft het kabinet deze zaken opbrengen
tijdens bilaterale gesprekken met Turkije. Tot slot neemt Nederland via de EU en samen
met andere gelijkgezinde landen deel aan monitoring van belangrijke rechtszittingen
in deze zaken. Het kabinet zal aandacht blijven vragen voor beide zaken, waaronder
in het kader van het reguliere CM en het Mensenrechtenrechtenoverleg van het CM (CMDH),
dat toezicht houdt op naleving van uitspraken van het EHRM door lidstaten, waaraan
de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging (PV) deelneemt. Tijdens de ministeriële
vergadering in Chisinau zullen geen landensituaties besproken worden, met uitzondering
van Oekraïne.
De leden vragen de Minister of hij, conform de aangenomen motie-Piri/Kahraman (Kamerstuk
21 501-20, nr. 2072), alleen wil instemmen met modernisering van de douane-unie met Turkije, wanneer
Turkije de uitspraken van het EHRM respecteert en naleeft.
21. Antwoord van het kabinet:
De EU is exclusief bevoegd op het gebied van handelsbeleid. Daaronder valt ook de
douane-unie met Turkije. Dit betekent dat voor onderhandelingen over de modernisering
van de douane-unie met Turkije eerst een onderhandelingsmandaat dient te worden vastgesteld.
Hiertoe is een besluit van de Raad van de EU nodig. Modernisering van de douane-unie
zal voor zowel de EU als Turkije economische voordelen met zich meebrengen, maar op
dit moment is er nog geen sprake van een discussie in de Raad over een onderhandelingsmandaat.
Wanneer dat wel het geval is, zal Nederland het voorgestelde mandaat op zijn merites
beoordelen. Mochten eventuele toekomstige onderhandelingen over modernisering van
de douane-unie tot een uitkomst leiden, dan zal ook de voorwaardelijkheid ten aanzien
van de rechtsstaat en mensenrechten aan de orde komen, met inachtneming van de motie
Piri/Kahraman.5
Ook vragen de bovengenoemde leden de Minister of hij bilateraal bij zijn Turkse ambtsgenoot
én bij de bijeenkomst van het CvM bereid is zijn afkeuring uit te spreken over het
politieke proces tegen burgemeester Imamoglu van Istanbul conform de motie-Piri/Paternotte
(Kamerstuk 28 676, nr. 493).
22. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet deelt de zorgen over de arrestatie en voortdurende gevangenschap van burgemeester
İmamoğlu. Nederland blijft de afkeuring van het kabinet over de arrestatie bilateraal
en in multilateraal verband overbrengen aan Turkije op verschillende niveaus en blijft
daarbij pleiten voor zijn onmiddellijke vrijlating. Tijdens de ministeriële vergadering
in Chisinau zullen geen landensituaties besproken worden, met uitzondering van Oekraïne.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsinzet voor de ministeriële
vergadering van het Comité van Ministers van de Raad van Europa op 14 en 15 mei 2026
in Chisinau. Deze leden waarderen dat het kabinet inzet op steun aan Oekraïne, migratie,
weerbare democratie en de externe dimensie van de RvE. Zij hebben hierover de volgende
vragen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet voor het herfstreces met een brief
komt over de prioriteiten van het Nederlandse voorzitterschap van het Comité van Ministers
in 2027. Zij vinden dat een belangrijk moment, juist nu de geopolitieke druk op democratie,
rechtsstaat en mensenrechten groot is. Is het kabinet voornemens om de thema’s steun
aan Oekraïne, democratische weerbaarheid en bescherming van de rechtsstaat een centrale
plek te geven? Op welke manier wordt de Kamer betrokken bij de voorbereiding van het
voorzitterschap?
23. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet onderschrijft het belang van het CM-voorzitterschap van het Koninkrijk
in 2027. Het is een unieke gelegenheid voor het kabinet om samen met de RvE en de
lidstaten prioriteiten te stellen. Het kabinet werkt momenteel de prioriteiten uit,
en uw Kamer wordt hier uiterlijk voor het herfstreces over geïnformeerd. Zonder vooruit
te kunnen lopen op de concrete invulling van de prioriteiten, zullen de thema’s weerbaarheid
van de democratische rechtsstaat, steun aan Oekraïne en mensenrechten daarin zeker
een plaats krijgen.
De leden van de CDA-fractie steunen de inzet op accountability voor Oekraïne. Deze
leden lezen dat tijdens de ministeriële vergadering aandacht zal zijn voor het agressietribunaal
en de claimscommissie en dat het kabinet wil dat beide instrumenten in elk geval tijdens
het Nederlandse voorzitterschap in 2027 operationeel zijn. Deze leden vragen of de
Minister per instrument kan aangeven welke concrete stappen nog gezet moeten worden
voordat het agressietribunaal en de claimscommissie echt operationeel zijn. Welke
politieke, juridische of praktische knelpunten ziet het kabinet op dit moment nog?
Welke extra inzet pleegt Nederland om meer landen te laten aansluiten, zodat verdere
vertraging wordt voorkomen?
24. Antwoord van het kabinet:
Graag verwijs ik t.a.v. het Speciaal Tribunaal naar de beantwoording van vraag 3.
Voor wat betreft de schadevergoedingscommissie geldt dat inmiddels 35 staten en de
EU het oprichtingsverdrag hebben ondertekend. Het is nu zaak dat zo spoedig mogelijk
de benodigde 25 ratificaties worden behaald, waarbij ook 50% van het budget gegarandeerd
dient te zijn (artikel 30 lid 3 van het oprichtingsverdrag). Momenteel heeft uw Kamer
het wetvoorstel tot goedkeuring van voornoemd verdrag in behandeling.
Op 16 december jl. had Nederland reeds gastlandschap voor de Claimscommissie aangeboden,
hetgeen een logische stap was nu het Schaderegister zich al in Nederland bevindt.
Samen met de Raad van Europa zijn voorbereidingen gaande, opdat de Claimscommissie
in Nederland operationeel kan zijn zodra het oprichtingsverdrag in werking is getreden.
Hiervoor is onder meer het sluiten van een zetelverdrag noodzakelijk.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het Comité van Ministers naar verwachting een
politieke verklaring zal aannemen over de uitleg van het EVRM in het migratiedomein,
in het bijzonder over artikel 3 en artikel 8. Het kabinet schrijft dat de basiselementen
met consensus zijn aangenomen en dat die volgens het kabinet een goede basis vormen.
Deze leden vragen of de Minister de meest recente concepttekst van deze politieke
verklaring, zodra dat kan, met de Kamer kan delen.
25. Antwoord van het kabinet:
In het CM wordt onderhandeld over de uiteindelijke tekst voor de politieke verklaring.
Vanwege de gevoeligheid van de onderhandelingen kan het kabinet de tekst niet voortijdig
met de Kamer delen, maar pas als deze openbaar beschikbaar is. Dit is vermoedelijk
pas tijdens de ministeriële vergadering in Chisinau op 14 en 15 mei. Zodra mogelijk
zal het kabinet de verklaring met de Kamer delen. De politieke verklaring is grotendeels
gestoeld op de basiselementen die zijn opgesteld door de Steering Committee for Human Rights (CDDH). Gesprekken over de verklaring hebben op dit moment met name betrekking op
de passages over innovatieve oplossingen. De inzet van het kabinet blijft er op dit
punt op gericht dat er voldoende ruimte blijft voor lidstaten om innovatieve oplossingen
t.a.v. asiel- en migratiebeleid te kunnen blijven ontwikkelen en dat er overeenstemming
gevonden wordt tussen alle RvE -lidstaten op de politieke verklaring.
Hoe borgt het kabinet dat de verklaring voldoende ruimte laat voor effectief migratiebeleid,
zonder dat wordt getornd aan de onafhankelijkheid van het EHRM en de kern van het
EVRM?
26. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet heeft er consequent op ingezet dat teksten geen afbreuk doen aan het EVRM
en de onafhankelijkheid van het EHRM. Dit is ook terug te vinden in de elementen die
zijn opgesteld door het CDDH en die de basis vormen voor de politieke verklaring op
14 en 15 mei. De elementen onderschrijven het belang van het EVRM en van de onafhankelijkheid
van de rechtspraak en gaan uit van het feit dat mensenrechten te allen tijden gewaarborgd
dienen te worden. Tegelijk zet het kabinet erop in dat staten voldoende ruimte hebben
om binnen het systeem van de RvE en het EVRM hun eigen asiel- en migratiebeleid te
voeren, waaronder samenwerking met derde landen en innovatieve oplossingen. Het kabinet
streeft ernaar dat deze elementen in de verklaring zoveel mogelijk behouden blijven,
evenals de elementen over het belang van een rechtvaardig evenwicht tussen het algemeen
belang en de noodzaak om individuele rechten te beschermen, de elementen die toezien
op artikel 3 EVRM en de wisselwerking in de uitleg van het EVRM op internationaal
en nationaal niveau.
Begrijpen de leden van de CDA-fractie goed dat het kabinet deze verklaring ziet als
een «later tot stand gekomen overeenstemming» over de uitleg of toepassing van het
EVRM? Welke concrete juridische gevolgen kan dat hebben?
27. Antwoord van het kabinet:
De Nederlandse inzet is erop gericht dat deze verklaring kan worden beschouwd als
een interpretatieve verklaring van de verdragspartijen, in de zin dat deze onder het
verdragenrecht een «later tot stand gekomen overeenstemming» vormt over de uitleg
of toepassing van het EVRM. Indien de politieke verklaring met consensus van alle
EVRM-partijen zal worden aangenomen tijdens de ministeriële bijeenkomst van het CM
in Chisinau in mei, kan deze worden aangemerkt als een interpretatieve verklaring
van de verdragspartijen. Met een dergelijke verklaring dient door eenieder rekening
gehouden te worden bij de interpretatie van het EVRM in het migratiedomein en kan
daarom ook doorwerken in de nationale rechtspraktijk. De verdragsluitende partijen
hebben eerder gezamenlijke politieke verklaringen aangenomen, waaronder bijvoorbeeld
de verklaringen van Interlaken, Izmir en Brighton, waarvan het EHRM kennis heeft genomen
en waarmee het rekening houdt in de ontwikkeling van zijn jurisprudentie.
Nederland ervaart wat het terugsturen van veroordeelde vreemdelingen betreft met name
problemen met landen van herkomst die niet meewerken. De leden van de CDA-fractie
vragen welke concrete opbrengst het kabinet dan wel verwacht van deze verklaring voor
de Nederlandse praktijk.
28. Antwoord van het kabinet:
Zoals het CDA terecht opmerkt worden uitdagingen op het gebied van het terugsturen
van veroordeelde vreemdelingen niet primair veroorzaakt door het EVRM. Tegelijk constateert
het kabinet dat de neerslag van de in het EVRM beschreven rechten in het Unierecht,
nationaal recht en relevante beleidskaders wel tot uitdagingen kan leiden in de uitvoeringspraktijk.
Het kabinet zet er daarom op in dat de politieke verklaring gelezen kan worden als
een interpretatieve verklaring van de verdragspartijen, zoals hierboven beschreven,
die mogelijk ook invloed heeft op de nationale rechtspraktijk.
Voor een bredere uiteenzetting over de verhouding van de belangrijkste uitdagingen
op het gebied van asiel- en migratiebeleid tot internationale verdragen verwijs ik
uw Kamer naar de Kamerbrief hierover die uw Kamer nog voor het Commissiedebat van
de JBZ-Raad op 4 en 5 juni zal ontvangen.
Kan de Minister alsnog de Kamer informeren over de uitkomsten van de ambtelijke verkenning
naar juridische opties rond onder meer opvang in de regio en terugkeerhubs?
29. Antwoord van het kabinet:
De Kamer zal de Kamerbrief inclusief de ambtelijke verkenning nog voor het Commissiedebat
over de JBZ-Raad van 4 en 5 juni te Luxemburg ontvangen.
De leden van de CDA-fractie vinden het positief dat de RvE doorwerkt aan het Nieuw
Democratisch Pact. Deze leden lezen ook dat Nederland actief heeft bijgedragen aan
de ontwikkeling van parameters en aan een haalbaarheidsstudie voor een juridisch instrument
tegen foreign information manipulation and interference (FIMI). Deze leden vragen
welke prioriteiten het kabinet wil inbrengen bij de verdere uitwerking van het Nieuw
Democratisch Pact. Ziet het kabinet daarbij ook expliciet ruimte voor bescherming
van journalisten, advocaten en andere verdedigers van de rechtsstaat? Op welke punten
wil Nederland dat het Pact concreter en praktischer wordt voor lidstaten?
30. Antwoord van het kabinet:
In de beleidsbrief van Binnenlandse Zaken wordt ingegaan op de prioriteiten bij het
versterken van onze democratische rechtsstaat. De weerbaarheid van democratische instituties,
structuren en processen is daarbij een prioriteit, gelet op de externe en interne
dreigingen voor onze democratie. Het kabinet zet zich daarbij ook actief in voor het
beschermen van personen die vitale functies vervullen in ons democratisch bestel.
Het gaat hier bijvoorbeeld om de bescherming van bestuurders en volksvertegenwoordigers,
journalisten, wetenschappers, rechters, advocaten, etc. Bij de uitwerking van het
Nieuw Democratisch Pact – en het European Democracy Shield van de Europese Commissie
– bepleit het kabinet het belang van safety in political and democratic life, brengt het actief onze aanpak in en worden er voorstellen gedaan om die inzet te concretiseren.
Kan de Minister aangeven wat volgens het kabinet de belangrijkste hiaten en uitdagingen
zijn uit de haalbaarheidsstudie over FIMI? Wat is de voorlopige Nederlandse positie
ten aanzien van een mogelijk nieuw juridisch instrument tegen buitenlandse informatiemanipulatie
en beïnvloeding? Hoe voorkomt het kabinet dat dit traject te vrijblijvend blijft,
terwijl de dreiging van desinformatie en buitenlandse inmenging juist steeds groter
wordt?
31. Antwoord van het kabinet:
Zoals boven vermeld, bestudeert het kabinet het RvE-haalbaarheidsrapport voor een
juridisch instrument rond «Foreign Information Manipulation and Interference» (FIMI), bijvoorbeeld via een raamwerkconventie.
Een juridisch instrument kan de nationale inzet van het kabinet versterken om buitenlandse
inmenging en desinformatie tegen te gaan. Normstelling via de RvE kan bijdragen aan
concrete afspraken over grensoverschrijdende informatiedeling en samenwerking rond
FIMI, gezamenlijke respons en extra aandacht voor maatschappelijke weerbaarheid. In
het geval van een raamwerkconventie is het bovendien mogelijk voor landen buiten de
RvE om aan te sluiten bij de onderhandelingen.
De leden van de CDA-fractie wijzen er ook op dat tijdens de vorige ministeriële vergadering
in 2025 het Advocatenverdrag (European Convention on the Protection of the Profession
of Lawyer) is opengesteld voor ondertekening en dat dit door Nederland is ondertekend.
Deze leden vragen wat de stand van zaken is van de verdere behandeling en implementatie
van dit Advocatenverdrag in Nederland. Ziet het kabinet dit verdrag ook als bouwsteen
voor de bredere agenda van democratische weerbaarheid binnen de RvE?
32. Antwoord van het kabinet:
Op 13 en 14 mei 2025 vond de ministeriële vergadering van het CM van de RvE plaats
in Luxemburg. Bij deze gelegenheid ondertekenden zeventien lidstaten het Verdrag van
de RvE tot bescherming van het advocatenberoep, waaronder Nederland. Inmiddels hebben
29 lidstaten het Verdrag ondertekend. Het Verdrag is het eerste juridisch bindende
instrument in zijn soort en zet een belangrijke stap voorwaarts voor de bescherming
en onafhankelijkheid van advocaten. Op dit moment worden de voorbereidingen getroffen
voor de nationale goedkeuringsprocedure. De EU en de EU-lidstaten hebben een gedeelde
bevoegdheid met betrekking tot de onderwerpen waarop het Verdrag betrekking heeft.
Als gezegd hecht het kabinet aan de bescherming van instituties en personen die vitale
functies uitoefenen bij de bescherming van onze democratische rechtsstaat en het waarborgen
van de fundamentele rechten van burgers. De wijze waarop het advocatenberoep beschermd
wordt, kan inspirerend werken voor de bredere en samenhangende agenda, uiteraard rekening
houdend met grondslag en competentie, aard van de functie en context. Per doelgroep
kan de maatregel om het beroep en de persoon te beschermen variëren. Het kabinet betrekt
dit bij de nadere uitwerking van het NDP en bij het vormgeven van deze prioriteit
in de Europese context.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de RvE werkt aan een strategie voor de externe
dimensie, met meer samenwerking met onder meer de EU, de Organisatie voor Veiligheid
en Samenwerking in Europa (OVSE), de Verenigde Naties (VN), waarnemers en niet-lidstaten.
Deze leden steunen betere samenwerking, maar vinden het ook belangrijk dat overlap
en bestuurlijke drukte worden voorkomen. Waar ziet het kabinet de grootste meerwaarde
van de RvE ten opzichte van andere internationale organisaties?
33. Antwoord van het kabinet:
De RvE heeft o.a. door haar technische expertise en ervaring op de terreinen democratie,
rechtsstaat en mensenrechten, maar ook haar geografische reikwijdte een grote meerwaarde.
Zo kan de RvE – als enige internationale organisatie waar Oekraïne wel en Rusland
geen lid (meer) van is – een belangrijke rol spelen op accountability voor Oekraïne. Maar ook op andere terreinen is de bij de RvE aanwezige ervaring en
expertise uitgemond in instrumenten die bijdragen aan normering, monitoring en samenwerking,
waar andere organisaties dankbaar gebruik van maken (graag verwijs ik in dit kader
ook naar de beantwoording van vraag 13). De RvE heeft in dit kader bovendien bewezen
ook goed te kunnen inspelen op nieuwe uitdagingen die zich voordoen, zoals op het
terrein van kunstmatige intelligentie en het tegengaan van buitenlandse inmenging.
Op welke thema’s wil Nederland vooral inzetten als het gaat om complementariteit met
de EU, de OVSE en de VN?
34. Antwoord van het kabinet:
In aanvulling op de beantwoording van vraag 13 t.a.v. de EU en de OVSE, zet het kabinet
in VN-verband met name in op complementariteit t.a.v. de bescherming en bevordering
van mensenrechten, met specifieke inzet op het tegengaan van geweld tegen vrouwen
en meisjes in het kader van het Verdrag van Istanbul.
Over welke niet-lidstaten of waarnemers gaat het concreet bij de versterkte strategische
samenwerking?
35. Antwoord van het kabinet:
Graag verwijs ik naar de beantwoording van vraag 12.
Welke verdragen of instrumenten van de RvE wil het kabinet nadrukkelijker openstellen
of onder de aandacht brengen bij niet-lidstaten?
36. Antwoord van het kabinet:
In dit kader zet het kabinet met name in op voor het kabinet proritaire dossiers,
zoals de instrumenten die zijn opgericht in het kader van accountability voor Oekraïne, maar bijvoorbeeld ook het verdrag van Istanbul en het Advocatenverdrag.
Hoe voorkomt het kabinet doublures met bestaande Europese of multilaterale trajecten?
37. Antwoord van het kabinet:
Graag verwijs ik naar de beantwoording van vraag 13.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het verslag
van de High Level Conferentie over het Europees Sociaal Handvest. Zij delen de gedachte
dat sociale rechten, democratische stabiliteit en veiligheid met elkaar samenhangen.
Deze leden vragen hoe het kabinet de uitkomsten van de Chisinau Declaration wil vertalen
naar de Nederlandse inzet binnen de RvE. Ziet het kabinet sociale rechtvaardigheid
en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden ook als onderdeel van een weerbare democratie?
Kan dit thema een plek krijgen binnen de voorbereiding van het Nederlandse voorzitterschap
in 2027?
38. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet acht sociale rechtvaardigheid van cruciaal belang voor een weerbare democratie,
zoals het ook heeft uitgedragen bij de High Level Conference (HLC). Dit is des te belangrijker bij de huidige economische, demografische en technologische
veranderingen. Het normatieve raamwerk van het Europees Sociaal Handvest (ESH) is
hiervoor een belangrijk fundament. De Chisinau Declaration (sociale rechten) herbevestigt de gedeelde principes en het belang van dit normatieve
raamwerk. Voortbouwend op de Declaration blijft het kabinet zich binnen de RvE inzetten op versterking van de bescherming van
sociale rechten, waaronder fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, waardigheid op de werkplek
en toegang tot een effectieve sociale dialoog. Daarom blijft het kabinet de lidstaten
sterk aanmoedigen tot het aangaan van meer commitment bij de in het ESH-raamwerk gegarandeerde
sociale rechten. Het kabinet benadrukt in haar inzet ook dat de huidige uitdagingen
vragen om samenwerking met sociale partners, het maatschappelijk middenveld, burgers,
andere landen en multilaterale organisaties zoals de RvE. Op de precieze prioriteiten
van het voorzitterschap kan ik niet vooruit lopen. Hierover wordt uw Kamer uiterlijk
voor het herfstreces geïnformeerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met bijzonder veel interesse kennisgenomen van
deze stukken en in het bijzonder de kabinetsinzet ten aanzien van de ministeriële
vergadering van de Raad van Europa op 14 en 15 mei in Moldavië over de politieke verklaring
die daarvoor wordt voorbereid over de interpretatie van het EVRM met betrekking tot
migratie. Zij wijzen erop dat, naar aanleiding van de brief van negen lidstaten van
22 mei 2025, de motie-Eerdmans (Kamerstuk 32 317, nr. 950) is aangenomen om die te ondersteunen. Deze leden zijn van mening dat het dringend
en urgent is om lidstaten en democratisch gekozen bestuurders meer ruimte te geven
om migratiebeleid te voeren en dat het politieke domein te veel wordt ingesnoerd door
het juridische domein, zoals dat is ontstaan door steeds verdere interpretaties van
het EVRM.
De Belgische premier de Wever heeft eveneens opgeroepen tot een nieuw Interpretatie
protocol. Heeft het kabinet contact gehad met de Belgische premier of regering over
die inzet van de Belgen en/of over hun inzet voor deze verklaring? En zo ja, wat is
daar uitgekomen?
39. Antwoord van het kabinet:
Nederland heeft structureel in nauw contact gestaan met verscheidene lidstaten over
de totstandkoming van de politieke verklaring en de aanloop daarnaartoe, waaronder
België. In aanloop naar de ministeriële conferentie in december is er in de kopgroep
van gelijkgezinde lidstaten van Denemarken, Italië, België en Nederland gesproken
over welke instrumenten het meest effectief en gepast zijn om de toepassing van het
EVRM te beïnvloeden. In die context is er ook gesproken over een protocol bij het
EVRM, als ook een interpretatieve verklaring. Dit heeft er toe geleid dat er momenteel
in RvE-verband toegewerkt wordt naar een politieke verklaring, die naar verwachting
met consensus zal worden aangenomen.
De leden van de JA21-fractie hebben de vorige Minister-President een notitie aangeboden
met een voorstel voor een nieuw interpretatieprotocol bij EVRM. Het kabinet verwijst
in de beantwoording op onze vorige vragen hierover uit december 2025 naar een brede
verkenning in het kader van de motie-Van Zanten/Boomsma (Kamerstuk 32 317, nr. 951). In de beantwoording van onze vragen in het verslag schriftelijk overleg van 21 januari
2026 (Kamerstuk 32 317, nr. 990) antwoordt het kabinet dat de uitkomsten van deze verkenning einde van het eerste
kwartaal met de Kamer zullen worden gedeeld en de voorstellen in de JA21-notitie daarin
zullen worden meegenomen. Waar blijft die reactie? Deelt het kabinet de mening dat
de reactie bij het Comité van Ministers in Moldavië moet worden betrokken en dat de
kabinetsreactie in ieder geval op tijd moet worden verstuurd om hierover nog een discussie
te kunnen voeren voordat de bijeenkomst plaatsvindt? De voorstellen in de notitie
van JA21 hebben immers direct betrekking op een nieuwe en bredere interpretatie van
het EVRM die nu in mei voorligt. Onderschrijft het kabinet de inzet en oproep die
daarin wordt beschreven ten aanzien van de interpretatie van artikel 3 en artikel
8, en is het kabinet bereid deze voorstellen in te brengen in de discussie?
40. Antwoord van het kabinet:
Zoals toegezegd in het schriftelijk overleg over de informele JBZ-Raad van 22 en 23 januari
jl. zal het voorstel van JA21 meegenomen worden in de brede verkenning naar verdragen.
De Kamer zal de Kamerbrief inclusief de ambtelijke verkenning voor het Commissiedebat
over de JBZ-Raad van 4 en 5 juni te Luxemburg ontvangen. Het opstellen van een Protocol
bij het EVRM ligt niet voor tijdens de ministeriele vergadering van het CM op 14 en
15 mei in Chisinau. Hiervoor is momenteel ook internationaal onvoldoende draagvlak.
Het kabinet acht het daarom niet opportuun dit te bespreken tijdens deze bijeenkomst.
Met welke andere landen is specifiek overleg geweest in aanloop naar deze bijeenkomst
in Moldavië?
41. Antwoord van het kabinet:
Nederland staat in nauw contact met verschillende lidstaten binnen de RvE over de
voorbereidingen op de politieke verklaring en heeft op verschillende momenten gesprekken
gevoerd met zowel gelijkgezinde lidstaten, als met lidstaten die in eerste instantie
kritisch waren ten aanzien van de elementen in de politieke verklaring.
In het verslag van de JBZ-raad in december (Kamerstuk 32 317, nr. 987) staat tevens: «In de conclusies is ook opdracht gegeven aan de Secretaris-Generaal
om internationaal een dialoog te voeren over migratie. Nederland zet erop in dat deze
dialoog ertoe zal leiden dat jurisprudentie, bijvoorbeeld van het EU Hof van Justitie,
meer in lijn wordt gebracht met uitspraken van het EHRM.» In het eerdergenoemde schriftelijk
overleg van 21 januari 2026 heeft JA21 gevraagd welke specifieke jurisprudentie «meer
in lijn» moet worden gebracht met de uitspraken van het Europese Hof en om een aantal
voorbeelden over de belangrijkste uitspraken waarop wordt gedoeld. Kan het kabinet
dat alsnog doen?
42. Antwoord van het kabinet:
Zoals aangegeven in het schriftelijk overleg over de JBZ-Raad van 22 en 23 januari
jl. wordt u op dit punt nader geïnformeerd in de Kamerbrief over de verkenning naar
verdragen.6 Deze zal nog voor het Commissiedebat over de JBZ-Raad van 4 en 5 juni met uw Kamer
worden gedeeld.
In een eerder schrijven gaf het kabinet aan dat het Unierecht en de jurisprudentie
van het EU-Hof van Justitie, alsook nationale jurisprudentie, de lat vaak hoger legt
dan de mensenrechtelijke ondergrens. Kan het kabinet dat toelichten en onderbouwen
met enkele voorbeelden? Wat wordt dan de inzet van het kabinet richting het Hof van
Justitie? Op welke manier wordt daarbij samengewerkt met andere landen?
43. Antwoord van het kabinet:
Zoals hierboven aangegeven zal uw Kamer op dit punt verder geïnformeerd worden in
de Kamerbrief die nog voor het Commissiedebat van de JBZ-Raad van 4 en 5 juni met
uw Kamer gedeeld zal worden.
Wat is precies de inzet geweest van het kabinet sinds op 10 december op de ministeriële
conferentie in de RvE opdracht is gegeven om een politieke verklaring op te stellen?
Welke stappen heeft het kabinet gezet om deze politieke verklaring te beïnvloeden?
Op welke momenten heeft het kabinet input geleverd? Heeft het kabinet hiertoe «written
statements» en «written comments» opgesteld en ingeleverd en, zo ja, hoeveel? Kan
het kabinet deze (desnoods ter geheime inzage) voorleggen aan de Kamer, zodat de Kamer
inzicht krijgt in het verloop van deze discussie en de Nederlandse inzet? Welke inhoudelijke
inzet heeft het kabinet gepleegd ten aanzien van deze politieke verklaring? In de
JBZ-agenda’s en verslagen is op verschillende momenten aangegeven dat het kabinet
dit initiatief heeft ondersteund, maar niet welke specifiek inhoudelijke wensen het
kabinet over de inhoud van die verklaring heeft neergelegd. De leden van de JA21-fractie
willen graag weten wat deze inbreng en inzet was en daarover in gesprek gaan.
44. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet heeft actief deelgenomen aan de discussies in het CDDH waarin mogelijke
elementen voor de politieke verklaring zijn opgesteld. Het CDDH is een juridisch-technisch
forum dat haar advies en juridische expertise op het gebied van mensenrechten deelt
met het CM. De aard van het werk dat is verricht binnen het CDDH op de politieke verklaring
is daarom juridisch-technisch. Er zijn zowel schriftelijk als mondeling bijdragen
geleverd aan het werk van het CDDH. Na afloop van het werk in het CDDH heeft het kabinet
actief deelgenomen aan de discussies in het CM over de politieke verklaring. Inhoudelijk
heeft het kabinet erop ingezet dat er voldoende ruimte is voor lidstaten om asiel-
en migratiebeleid te voeren; waaronder de mogelijkheid tot innovatieve oplossingen.
Daarbij is ook aandacht gevraagd voor de belangrijkste uitdagingen op het gebied van
asiel en migratie waar lidstaten mee kampen, specifiek met betrekking tot artikel
3 en 8 EVRM. Verder heeft het kabinet aandacht gevraagd voor de synergie in de uitleg
van het EVRM op internationaal en nationaal niveau. Daarnaast heeft het kabinet benadrukt
dat het van belang is dat de politieke verklaring geen afbreuk doet aan het (stelsel
van het) EVRM en de onafhankelijkheid van de rechtspraak. Uw Kamer is eerder geïnformeerd
over deze inzet van het kabinet ten aanzien van de politieke verklaring in het verslag
van de JBZ-Raad van december 2025 en het Schriftelijk overleg van de JBZ-Raad van
januari 2026.7
Is het kabinet van mening dat de verklaring zoals die nu in voorbereiding is en op
basis van het opgestelde concept, de interpretatie van het Verdrag op het gebied van
asiel en migratie voldoende inkadert? De leden van de JA21-fractie ontvangen graag
een toelichting.
45. Antwoord van het kabinet:
De politieke verklaring kan, indien deze met consensus wordt aangenomen op 14 en 15 mei,
worden aangemerkt als een interpretatieve verklaring in de vorm van een later tot
stand gekomen overeenstemming tussen verdragsluitende partijen met betrekking tot
de uitlegging van dat verdrag. Met een dergelijke verklaring dient rekening te worden
gehouden door eenieder bij de interpretatie van het EVRM in het migratiedomein. De
verwachting is daarmee dat de verklaring een belangrijk effect kan hebben op de interpretatie
van het Verdrag op het gebied van asiel en migratie. Voor Nederland zijn hierin belangrijke
elementen vervat, die hun neerslag kunnen hebben op asiel- en migratiebeleid, waaronder
de nadruk op de ruimte van staten om binnen het systeem van de RvE en het EVRM hun
eigen asiel- en migratiebeleid te voeren, waaronder afspraken met derde landen en
nieuwe vormen van migratiesamenwerking. Andere elementen, die naar verwachting een
belangrijke invloed kunnen hebben, zijn
het belang van een rechtvaardig evenwicht tussen het algemeen belang en de noodzaak
om individuele rechten te beschermen; de erkenning dat het verbod op foltering en
onmenselijke en vernederende behandeling onder artikel 3 EVRM absoluut is, en dat
een situatie enkel binnen de reikwijdte van artikel 3 EVRM valt, indien sprake is
van een minimumniveau van ernst; en daarnaast de wisselwerking tussen de uitleg van
het EVRM op internationaal en nationaal niveau. Daarnaast blijft er in de verklaring
erkenning voor het feit dat mensenrechten ten alle tijden gewaarborgd dienen te worden.
Kan het kabinet schetsen en toelichten wat nu precies de juridische status is van
een politieke verklaring die de vorm krijgt van een interpretatieve verklaring, in
de zin van een «later tot stand gekomen overeenstemming»? In hoeverre is deze bindend
voor rechters? Heeft deze verklaring rechtskracht? In hoeverre moeten rechters en
het Hof rekening houden met deze verklaring in de toepassing van verdragsbepalingen
in concrete zaken? Deze leden krijgen graag een toelichting.
46. Antwoord van het kabinet:
Uit het verdragenrecht volgt dat bij de interpretatie van een verdrag rekening dient
te worden gehouden met iedere «later tot stand gekomen» overeenstemming tussen verdragsluitende
partijen met betrekking tot de uitlegging van dat verdrag. De verdragsluitende partijen
hebben eerder gezamenlijke politieke verklaringen aangenomen, waaronder bijvoorbeeld
de verklaringen van Interlaken, Izmir en Brighton, waarvan het EHRM kennis heeft genomen
en waarmee het rekening houdt in de ontwikkeling van zijn jurisprudentie. De effecten
van de politieke verklaring kunnen op deze manier ook doorwerken in de nationale rechtspraktijk.
De leden van de JA21-fractie stellen dat het kabinet heeft aangegeven dat, ook indien
het niet mogelijk blijkt de verklaring bij consensus aan te nemen, deze mogelijk alsnog
gewicht in de schaal kan leggen, als uitdrukking van de politieke wens van de (gekwalificeerde)
meerderheid van de staten die partij zijn bij het EVRM. Welke verwachtingen koestert
het kabinet? Hoe verhoudt het feit dat het dus geheel rechtstatelijk is dat een politieke
verklaring van regeringen wordt opgesteld met de bedoeling om «gewicht in de schaal
te leggen» bij uitspraken van het Hof, zich tot de eerdere stelling van het kabinet,
die als reden werd gegeven om de oorspronkelijke brief van negen lidstaten niet te
tekenen, dat het kabinet niet «op de stoel van de rechter» moet zitten? Deelt het
kabinet de mening dat het dus ook legitiem en uiterst rechtstatelijk is dat regeringen
als wetgevers aangeven dat zij een andere interpretatie wenselijk achten van wetgeving
en verdragen?
47. Antwoord van het kabinet:
De regering onderschrijft dat de scheiding der machten en het beginsel van rechterlijke
onafhankelijkheid te allen tijde moeten worden geëerbiedigd en gewaarborgd. Dit neemt
niet weg dat verdragsluitende partijen een gezamenlijke visie kunnen formuleren over
de interpretatie en toepassing van het betreffende verdrag – in dit geval het EVRM
– in het algemeen. Dit is geaccepteerd onder het internationaal recht en niet op zichzelf
in strijd met de rechtsstaat en de rechterlijke onafhankelijkheid. Uit het verdragenrecht
volgt dat bij de interpretatie van een verdrag rekening dient te worden gehouden met
iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de verdragsluitende partijen
met betrekking tot de uitlegging van dat verdrag. Ook binnen de RvE en het EVRM-systeem
is dit geen onbekend fenomeen. De verdragsluitende partijen hebben eerder gezamenlijke
politieke verklaringen aangenomen, waaronder bijvoorbeeld de verklaringen van Interlaken,
Izmir en Brighton, waarvan het EHRM kennis heeft genomen en waarmee het rekening houdt
in de ontwikkeling van zijn jurisprudentie. Door de discussie over de uitleg van het
EVRM in te kaderen binnen de jurisprudentie van het EHRM, deze discussie te voeren
binnen de daarvoor geëigende fora van de RvE en door instrumenten te gebruiken die
hun basis vinden in verdragen, zorgt de regering ervoor dat zowel de democratische
legitimiteit van het handelen van de staten als de onafhankelijkheid van de rechterlijke
macht gewaarborgd blijven. Dit geldt ook indien een dergelijk statement uiteindelijk
met gekwalificeerde meerderheid zou worden aangenomen, zoals mogelijk is onder de
stemregels binnen het CM. Dit heeft echter niet de voorkeur van het kabinet. De verwachting
is ook dat de politieke verklaring uiteindelijk met consensus zal worden aangenomen.
De leden van de JA21-fractie vragen wat het kabinet vindt van het huidige «CDDH outcome
document containing elements for a political declaration»? Is het kabinet hier tevreden
mee? Kunnen hier nog elementen aan worden toegevoegd en, zo ja, is het kabinet van
plan daarop in te zetten? Zijn er zaken die het kabinet graag toegevoegd zou zien
maar nu hier nog niet instaan? Zijn er sinds het opstellen van deze draft in maart
nog nieuwe elementen toegevoegd of elementen geschrapt? Wat is de laatste versie van
de interpretatieve verklaring en kan het kabinet deze opsturen?
48. Antwoord van het kabinet:
Zoals aangegeven in de Kamerbrief over de ministeriële vergadering van het CM in Chisinau
op 14 en 15 mei vindt het kabinet de elementen een goede basis voor de politieke verklaring.
Momenteel wordt er in het CM onderhandeld over de uiteindelijke tekst voor de politieke
verklaring. Vanwege de gevoeligheid van de onderhandelingen kan het kabinet de tekst
niet voortijdig met de Kamer delen, maar pas als deze openbaar beschikbaar is. Dit
is vermoedelijk pas tijdens de vergadering in Chisinau op 14 en 15 mei. Zodra mogelijk
zal het kabinet de verklaring met de Kamer delen. De politieke verklaring is grotendeels
gestoeld op de basiselementen die zijn opgesteld door de Steering Committee for Human Rights (CDDH). Gesprekken over de verklaring zien met name toe op de passage over innovatieve
oplossingen. De inzet van het kabinet blijft er op dit punt op gericht dat er voldoende
ruimte blijft voor lidstaten om innovatieve oplossingen t.a.v. asiel- en migratiebeleid
te kunnen blijven ontwikkelen en dat er overeenstemming gevonden wordt tussen alle
RvE-lidstaten op de politieke verklaring. Er zijn geen elementen toegevoegd of geschrapt.
Met oog op het belang van consensus wil het kabinet niet aan deze elementen tornen.
De leden van de JA21-fractie stellen dat de concepttekst eerder een uitleg en toelichting
op de werking van het hof en jurisprudentie lijkt te betreffen dan dat hiermee werkelijk
een nieuwe interpretatie mogelijk wordt gemaakt. Is het kabinet het daarmee eens?
Welke passages van de verklaring hebben daadwerkelijk invloed op de interpretatie
van verschillende artikelen met betrekking tot migratie en welke invloed is dat? Welke
inhoudelijke koerswijzigingen worden hier ingezet?
49. Antwoord van het kabinet:
Het CDDH is door het Comité van Ministers verzocht om elementen op te stellen die
meegenomen kunnen worden in de politieke verklaring. Het stuk dat opgesteld is door
het CDDH bevat naast die elementen ook een reflectie op de ontwikkeling van de jurisprudentie
door het EHRM. Het CDDH stuk kan dan ook niet één op één gelezen worden als de concepttekst
voor de politieke verklaring. De politieke elementen die beschreven worden in het
stuk van het CDDH en die ook in de appendix zijn opgenomen vormen de basis voor de
politieke verklaring zelf. Hierin zijn verschillende elementen opgenomen die van invloed
kunnen zijn op de toepassing van het EVRM in het migratiedomein. Voorbeelden hiervan
zijn de verwijzing naar het principe van subsidiariteit en de beoordelingsmarge («margin of appreciation»), de elementen die betrekking hebben op artikel 3 en 8, als ook innovatieve oplossingen.
Kan het kabinet aangeven op welke manier met deze verklaring er meer ruimte ontstaat
voor lidstaten om migratiebeleid te voeren?
50. Antwoord van het kabinet:
Graag verwijs ik naar de beantwoording van vraag 46.
Nemen, als gevolg van deze verklaring, de mogelijkheden om veroordeelde criminele
asielzoekers uit te zetten toe, ook wanneer mogelijk een risico op de loer ligt voor
schending van EVRM-3/non-refoulement?
51. Antwoord van het kabinet:
Zoals in de beantwoording van vraag 4 aangegeven zijn er lidstaten binnen de RvE die
problemen ervaren met de uitzetting van vreemdelingen die strafrechtelijk veroordeeld
zijn. Voor Nederland geldt dit niet op dezelfde wijze. Uitdagingen op dit gebied liggen
voor Nederland dan ook in eerste instantie niet bij het EVRM. Nederland trekt wel
nauw op met andere lidstaten om uitdagingen op het gebied van asiel en migratie aan
te pakken. Het kabinet roept in herinnering dat het verbod op foltering en onmenselijke
of vernederende behandeling onder artikel 3 EVRM absoluut is, en dat uitzetting niet
mogelijk is bij een reële dreiging van een schending van artikel 3 EVRM. Aan dit verbod,
en aan het absolute karakter daarvan, kan en wil het kabinet niet tornen. In de elementen,
die nu besproken worden, en die uw Kamer ook heeft kunnen inzien, wordt benadrukt
dat er sprake moet zijn van een minimumniveau van ernst om te kunnen spreken van een
schending van artikel 3 (verbod op foltering of onmenselijke behandeling) en dat onnodige
beperkingen op uitzetting van vreemdelingen die strafrechtelijk veroordeeld zijn voorkomen
moet worden. Deze formulering lijkt tegemoet te komen aan de zorgen van lidstaten
die specifieke uitdagingen ervaren ten aanzien van de uitzetting van vreemdelingen
die strafrechtelijk veroordeeld zijn.
Meent het kabinet dat de margin of appreciation van de lidstaten door deze verklaring wordt uitgebreid en, zo ja, op welke punten?
Heeft het kabinet tekstsuggesties gedaan om duidelijk aan te geven dat de margin of
appreciation moet worden uitgebreid en vergroot? Deze leden krijgen graag een toelichting.
52. Antwoord van het kabinet:
Zoals blijkt uit de jurisprudentie van het EHRM is het in de eerste plaats aan de
EVRM-Verdragspartijen om de EVRM-rechten te beschermen en vervult het EHRM daarbij
een subsidiaire rol (beginsel van subsidiariteit). Nationale autoriteiten worden in
beginsel beter dan het EHRM in staat geacht om te beoordelen welke beperkingen van
EVRM-rechten in de nationale omstandigheden noodzakelijk zijn; hen komt daarom een
beoordelingsmarge toe bij het waarborgen van de rechten en vrijheden van het EVRM.
Door de verwijzing naar het beginsel van subsidiariteit en de beoordelingsmarge van
staten in de politieke verklaring, wordt deze doctrine in de ogen van het kabinet
opnieuw kracht bijgezet.
Wat verandert er naar aanleiding van deze verklaring? In hoeverre nemen de juridische
mogelijkheden om strenger migratiebeleid te voeren toe met deze verklaring?
53. Antwoord van het kabinet:
Graag verwijs ik naar de beantwoording van vraag 46.
De gedachte achter de politieke verklaring lijkt dat de hoop bestaat dat rechters
mogelijk rekening zullen houden met aspecten verwoord in het document bij toekomstige
uitspraken. In hoeverre denkt het kabinet dat deze verklaring ook van invloed is op
eerdere jurisprudentie? Heeft deze verklaring effect op nieuwe interpretaties van
nieuwe zaken die zich aandienen, of heeft deze ook gevolgen voor eerdere jurisprudentie,
zo vragen de leden van de JA21-fractie.
54. Antwoord van het kabinet:
Zoals eerder benoemd dient eenieder bij de interpretatie van een verdrag rekening
te houden met iedere «later tot stand gekomen» overeenstemming tussen verdragsluitende
partijen met betrekking tot de uitlegging van dat verdrag. Dergelijke verklaringen
hebben geen terugwerkende kracht en gelden daarom alleen voor toekomstige interpretaties
van het verdrag en niet op eerdere jurisprudentie.
Het kabinet stelt dat de elementen in de tekst dat ten aanzien van Artikel 3 EVRM
een situatie enkel binnen de reikwijdte van Artikel 3 EVRM valt, indien sprake is
van een minimumniveau van ernst en dat dit relevant is bijvoorbeeld voor Nederland
in Dublinzaken. De leden van de JA21-fractie vragen of dit betekent dat met beroep
op artikel 3 EVRM niet meer kan worden besloten om bijvoorbeeld Nederland te beletten
om Dublinclaimanten terug te sturen naar België of andere EU-landen (behoudens extreme
ontwikkelingen zoals dat daar een fascistische machtsgreep plaatsvindt of iets dergelijks).
Ook hier de vraag: heeft deze tekst gevolgen voor eerdere jurisprudentie over de legitimiteit
van Dublinclaims en/of andere refoulement-kwesties of gaat dit dan over nieuwe zaken
waarvoor nog geen duidelijke jurisprudentie bestaat?
55. Antwoord van het kabinet:
In de elementen die nu besproken worden, en die uw Kamer ook heeft kunnen inzien,
wordt benadrukt dat er sprake moet zijn een minimumniveau van ernst om te kunnen spreken
van een schending van artikel 3. Het is aan de nationale autoriteiten, onder de controle
van de rechter en het EHRM, om te beoordelen of daarvan sprake is in de concrete omstandigheden
van een voorliggend geval. Indien de verklaring bij consensus wordt aangenomen, dient
hiermee in toekomstige gevallen door eenieder rekening te worden gehouden bij de interpretatie
van het EVRM in deze context. Zoals hierboven aangegeven, kan de verklaring geen effect
hebben op eerdere jurisprudentie van het EHRM.
Wat is de huidige stand van zaken van jurisprudentie ten aanzien van dat minimumniveau
van ernst en op welke manier wordt hierin een verschuiving beoogt door het kabinet
en een verschuiving bereikt middels deze verklaring? In welke mate en op welke manier
worden sociaaleconomische omstandigheden en andere humanitaire aspecten nu meegewogen
bij de toepassing van artikel 3 EVRM volgens staande jurisprudentie? Acht het kabinet
het van belang daar een wijziging in aan te brengen?
56. Antwoord van het kabinet:
Het EVRM bestaat uit algemene minimumnormen ten aanzien van de mensenrechten. Dit
is de ondergrens van hoe de overheid moet omgaan met personen die onder haar rechtsmacht
vallen of die in aanraking komen met overheidshandelen. Dit geldt in het bijzonder
voor artikel 3, dat een absoluut verbod op foltering en onmenselijke en vernederende
behandeling behelst. De elementen in de politieke verklaring onderstrepen het feit
dat artikel 3 EVRM absoluut is, en dat een situatie enkel binnen de reikwijdte van
artikel 3 EVRM valt, indien sprake is van een minimumniveau van ernst. Het kabinet
onderschrijft dit. De verwachting is dat als de politieke verklaring met consensus
wordt aangenomen en daarmee kan worden beschouwd als een interpretatieve verklaring
zoals hierboven beschreven, rechters dit meewegen in de brede afweging over of er
al dan niet sprake is van een schending van artikel 3 EVRM. Sociaaleconomische omstandigheden
en andere humanitaire aspecten worden in zoverre meegewogen tot waar zij relevant
zijn om vast te stellen of er sprake is van een schending van het absoluut verbod
op foltering, onmenselijke behandeling of vernedering onder artikel 3. Het kabinet
voorziet niet in een wijziging hiervan.
Enkele passages in de conceptverklaring stellen dat, ten aanzien van artikel 3, «courts
and authorities may benefit from further guidance» over een aantal aspecten. De leden
van de JA21-fractie vragen wat dit betekent. Betekent dit dat lidstaten de ruimte
hebben om die «further guidance» in te vullen?
57. Antwoord van het kabinet:
De «further guidance» waar om wordt gevraagd zou eruit kunnen bestaan dat het EHRM in de uitspraken nog
duidelijker uiteenzet welke algemene regels worden toegepast en welke grenzen er volgens
het EHRM gelden. Hierdoor zouden dan de nationale autoriteiten en rechters beter in
staat zijn nieuwe gevallen te beoordelen. In de elementen, die nu besproken worden,
en die uw Kamer ook heeft kunnen inzien, worden nog enkele andere voorbeelden genoemd
van manieren waarop aan deze «further guidance» vorm kan worden gegeven; deze liggen bijvoorbeeld in de sfeer van rechterlijke dialoog
en training en capaciteitsopbouw.
De leden van de JA21-fractie vragen wat de gevolgen zijn van artikelen onder «mass
arrivals of migrants by land and sea», artikelen 41 tot 49? Artikel 41 stelt dat «large
numbers of migrants arriving» (…) «may pose a threat to public order and national
security and place a great strain on reception and asylum systems.» Wanneer is volgens
het kabinet sprake van «large numbers»?
58. Antwoord van het kabinet:
Er is geen sluitende definitie van «mass arrivals». In het algemeen geldt dat er sprake is van «mass arrivals» als er zich een uitzonderlijke situatie voordoet, waarbij er een significante verhoging
is van het aantal (irreguliere) aankomsten, die een grote en ontregelende impact heeft
op het functioneren van het asiel- en migratiesysteem in de desbetreffende landen.
In hoeverre wordt de jurisprudentie die voortkomt uit de uitspraak van het Hof Hirsi
Jamaa vs Italië (2012) ingekaderd of gewijzigd? Of worden deze bevindingen slechts
bekrachtigd in artikel 45 bijvoorbeeld.
59. Antwoord van het kabinet:
Staten gaan zelf over de invulling van hun asiel- en migratiebeleid, waaronder het
maken van afspraken met derde landen. Daarbij dienen zij wel rekening te houden met
de bepalingen die opgenomen zijn in internationale verdragen, waaronder mensenrechtenverdragen.
Deze verdragen bevatten in beginsel geen belemmeringen om afspraken te maken met derde
landen over opvang of terugkeer. Wel heeft Nederland verschillende verplichtingen
onder het EVRM, waaronder het verbod op refoulement en het verbod op collectieve uitzetting,
die onderdeel waren van genoemde uitspraak. Nederland kan zich niet aan deze verplichtingen
onttrekken. Wel kan Nederland specifieke afspraken maken met desbetreffende landen
over garanties ten aanzien van het welzijn van de personen in kwestie.
In welke gevallen is sprake van de situatie zoals beschreven in artikel 46?
60. Antwoord van het kabinet:
Paragraaf 46 van het «outcome document» van de CDDH verwijst naar de beslissing van het EHRM in de zaak S.S. e.a. t. Italië. Deze zaak betrof een reddingsoperatie uitgevoerd door de Libische kustwacht in de
«maritime search and rescue region» van Libië, nadat de Libische kustwacht daartoe een signaal had ontvangen van het
Italiaanse Maritime Rescue Coordination Centre (MRCC) in Rome. Het EHRM heeft geoordeeld dat in deze zaak niet kan worden aangenomen
dat de feiten zich hebben afgespeeld binnen de rechtsmacht van Italië, nu Italië geen
effectieve controle uitoefende over het gebied waarin de feiten zich afspeelden en
Italiaans personeel evenmin controle uitoefende over de betrokken personen. Noch de
steun die Italië verleent aan de Libische autoriteiten ten behoeve van migratiemanagement,
noch de rol die de Italiaanse autoriteiten hebben gespeeld bij de aanvang van de reddingsoperatie,
zijn volgens het EHRM voldoende om hiertoe te concluderen.
Wanneer is sprake van instrumentalisering zoals beschreven in deze artikelen? Is daarvoor
voldoende dat statelijke actoren betrokken zijn bij de mensenhandel of moet daar de
intentie achter schuilen om te destabiliseren? Wat betekent artikel 54 concreet voor
de mogelijkheden om binnen de grenzen van de jurisprudentie van het Hof op te treden
tegen «instrumentalisering» van migratie?
61. Antwoord van het kabinet:
Er is in RvE-verband geen juridische definitie opgesteld voor instrumentalisering.
Het CDDH geeft in haar stuk richting aan welke elementen onderdeel kunnen uitmaken
van een situatie van instrumentalisering. Onderdeel hiervan is het feit dat een vijandige
statelijke of niet-statelijke actor met de intentie om de desbetreffende staat te
destabiliseren acteert. In de zogenaamde «Crisis en Force Majeure verordening» (EU-recht) worden vergelijkbare elementen gebruikt om «instrumentalisering» aan
te duiden.8 Punt 54 van het CDDH-document dat elementen voor de politieke verklaring bevat stelt
dat het EVRM een «levend instrument» is. Dat betekent dat er rekening moet worden
gehouden met nieuwe uitdagingen, ook op het gebied van migratie, waaronder instrumentalisering.
Tegelijk bevestigt dit punt dat lidstaten zich te allen tijde moeten houden aan de
rechten en plichten die voortvloeien uit het EVRM.
Ook op andere terreinen dan migratie heeft een steeds verderstrekkende interpretatie
van het EVRM grote gevolgen voor beleid die nooit door de wetgevers zijn voorzien
of bedoeld teweeggebracht, zoals op het gebied van klimaatwetgeving. Deelt het kabinet
de opvatting van de leden van de JA21-fractie dat het dringend noodzakelijk is ervoor
te zorgen dat klimaatbeleid niet in hoge mate wordt verplaatst naar het juridische
domein en dat dit onderdeel moet blijven bij de politieke besluitvorming en dat ook
hiertoe het noodzakelijk is de interpretatie van EVRM verder in te kaderen? Deze leden
krijgen graag een toelichting.
62. Antwoord van het kabinet:
Het EHRM beoordeelt zaken binnen de kaders van het EVRM in het licht van de toepasselijke
omstandigheden, zoals klimaatverandering. Het EHRM oordeelt per zaak en heeft op grond
van artikel 19 EVRM de bevoegdheid het EVRM uit te leggen. Het kabinet erkent en steunt
de belangrijke rol die het EHRM speelt in de waarborging van mensenrechten, democratie
en rechtstaat, die door haar uitspraken en beslissingen erop toeziet dat de lidstaten
het EVRM naleven. Vanwege de subsidiaire rol van het EHRM, overweegt het EHRM over
de verplichtingen onder het EVRM in de context van klimaatverandering dat staten een
gedifferentieerde beoordelingsmarge hebben, wat betekent dat er twee verschillende
beoordelingsmarges bestaan. Namelijk, dat staten een beperkte beoordelingsmarge hebben
ten aanzien van het stellen van klimaatdoelen om klimaatverandering tegen te gaan,
en een ruime beoordelingsmarge als het gaat om de keuze voor middelen en maatregelen
om aan de doelen te voldoen. Het is namelijk niet aan het EHRM om te bepalen wat een
staat precies had moeten doen met betrekking tot klimaatverandering, aangezien dit
aan staten zelf is, enkel of staten in lijn handelen met het EVRM.
Deelt het kabinet de mening van de JA21-fractie dat de «living document» doctrine
die in deze verklaring wordt bekrachtigd, feitelijk veel afwegingsruimte legt bij
het Hof om ontwikkelingen te interpreteren en daarbij de kans aanwezig is dat rechters
op de stoel van politici gaan zitten? Op welke gronden kan het Hof bepalen dat jurisprudentie
moet worden aangepast aan nieuwe omstandigheden?
63. Antwoord van het kabinet:
Uit de «living instrument doctrine», sinds 1978 onderdeel van de jurisprudentie van het EHRM, volgt dat het EVRM een
levend instrument is en dus geïnterpreteerd moet worden in het licht van de actuele
maatschappelijke ontwikkelingen. Hiermee houdt het EHRM oog voor de belangrijkste
hedendaagse uitdagingen, waaronder op het gebied van asiel- en migratiebeleid. Het
kabinet ziet de «living instrument doctrine» dan ook als een belangrijk instrument van het EHRM om in de jurisprudentie bij de
toepassing van het EVRM oog te houden voor de hedendaagse context. Onderdeel hiervan
zijn ook relevante maatschappelijke ontwikkelingen, zoals die waarop de huidige politieke
verklaring ziet.
Een deel van de verklaring betreft de mogelijkheid tot innovatieve oplossingen en
opvang in de regio. Welke mogelijkheden hiertoe worden volgens het kabinet hiermee
verduidelijkt?
64. Antwoord van het kabinet:
De politieke verklaring zal naar verwachting de mogelijkheid voor lidstaten om hun
eigen asiel- en migratiebeleid te voeren bekrachtigen, waaronder samenwerking met
derde landen door middel van nieuwe vormen van samenwerking. Dit is een belangrijke
bevestiging van het feit dat het EVRM in de basis niet in de weg staat van de ontwikkeling
van innovatieve oplossingen op het gebied van asiel- en migratiebeleid.
Op welke manier wil het kabinet gehoor geven aan de oproep die mogelijk in de verklaring
wordt opgenomen «to engage in dialogue with the Court» and »participate in relevant
proceedings before the court?»
65. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet overweegt in dit kader meer inzet op «third party interventions» samen met gelijkgezinde lidstaten. Dit kost echter tijd en aandacht die mede naar
aanleiding van de taakstelling beperkt is. Over de verdere inzet van het kabinet zal
uw Kamer nader worden geïnformeerd via de Kamerbrief over verdragen die nog voor het
Commissiedebat over de JBZ-Raad van 4 en 5 juni met uw Kamer gedeeld zal worden.
Deelt het kabinet de mening van de JA21-fractie dat een politieke verklaring niet
voldoende is om de politieke ruimte om te kunnen handelen te vergroten en het noodzakelijk
is om een aanvullend 17e protocol op te stellen dat specifiek ingaat op de vraag hoe rechters om moeten gaan
met asielmigratie en dat meer duidelijkheid geeft over hoe in dat kader verschillende
artikelen moeten worden gelezen?
66. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet deelt deze mening niet en zal hier verder op ingaan in de Kamerbrief over
verdragen die nog voor het Commissiedebat over de JBZ-Raad van 4 en 5 juni met uw
Kamer gedeeld zal worden.
De leden van JA21 willen alvast aangeven dat zij voornemens zijn een debat aan te
vragen over deze verklaring. Eerder gaf het kabinet aan dat brede steun dan wel consensus
nodig is voor een politieke verklaring.
In mei 2027 zal Nederland het voorzitterschapsstokje overnemen. Kan het kabinet aangeven
welke inzet zij zal willen plegen op het gebied van asiel en migratie en ten aanzien
van het EVRM tijdens haar voorzitterschap en hoe wordt de Kamer daarin betrokken?
67. Antwoord van het kabinet:
Over de concrete prioritering wordt uw Kamer uiterlijk voor het herfstreces geïnformeerd.
II Volledige agenda
– Brief regering d.d. 02-10-2025
Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel – Verslag Ministeriële Vergadering
Raad van Europa
– Brief regering d.d. 10-04-2026
Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen – Kabinetsinzet t.a.v. de ministeriële
vergadering van de Raad van Europa op 14 en 15 mei in Moldavië
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.F. Klaver, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
S.L. Dekker, adjunct-griffier