Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over inzet internationale kindontvoering India (Kamerstuk 29279-1019)
2026D20960 Inbreng Verslag van een schriftelijk overleg
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd over de brief «Inzet internationale kindontvoering India» (Kamerstuk 29 279, nr. 1019).
De voorzitter van de commissie,
Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie,
Van Tilburg
Inhoudsopgave
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
1. Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie
2. Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie
3. Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie
4. Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
5. Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie
6. Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower
II. Reactie van het kabinet
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
1. Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief inzake
de inzet bij internationale kinderontvoering, waaronder in het geval van Insiya ten
opzichte van India. Het is goed om te lezen dat Nederland op diverse manieren en niveaus
de zaak blijft aankaarten bij de Indiase autoriteiten. Toch moet geconstateerd worden
dat dit nog niet tot het gewenste effect geleid heeft, zeker gegeven de lange tijd
die is verstreken sinds Insiya ontvoerd is. Deze leden hebben daarom enkele vragen.
De leden van de D66-fractie zien dat er in de loop van de jaren en ook recent nog
steeds inzet op deze zaak is – buiten de gerechtelijke stappen heeft de heer Rutte
in zijn tijd als Minister-President al eens met de Indiase Minister-President, de
heer Modi, gesproken over de ontvoering, en Minister-President Rob Jetten heeft onlangs
met mevrouw Rashid gesproken over de kabinetsinzet op dit onderwerp. Deze leden willen
graag weten wat er al gedaan is sinds de ontvoering om Insiya terug te krijgen uit
India. Welke extra stappen ziet het kabinet om deze zaak in beweging te krijgen? Zijn
er vergelijkbare zaken of voorbeelden uit andere EU-landen bekend, en is daarbij bekend
hoe en/of waarom deze zaken (on)succesvol zijn verlopen, zeker in de gevallen dat
er (ook) een vonnis lag? Ziet het kabinet kansen om met andere EU-landen gezamenlijk
op te trekken richting India om zo meer resultaat te boeken? En ziet het kabinet nog
kansen om de zaak op (korte) termijn bij India onder de aandacht te brengen?
2. Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van het kabinet over
de inzet bij internationale kinderontvoering in India, in het bijzonder de zaak rondom
Insiya. Deze leden waarderen de inzet van het kabinet in deze ingrijpende zaak.
De leden van de VVD-fractie benadrukken dat internationale kinderontvoering de rechtsstaat
raakt. De uitspraak van de Hoge Raad is inmiddels onherroepelijk, toch blijft uitvoering
uit. Deze leden vragen welke concrete resultaten de inzet tot nu toe heeft opgeleverd.
Ook vragen zij welke stappen zijn gezet sinds de uitspraak van de Hoge Raad. Deze
leden vragen hoe het kabinet de huidige inzet richting India beoordeelt. Is deze aanpak
voldoende effectief? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke extra stappen overweegt
het kabinet? Deze leden wijzen op het belang van wederkerigheid. Nederland respecteert
rechterlijke uitspraken. Dat mag ook van andere landen worden verwacht. Hoe brengt
het kabinet deze boodschap over aan de Indiase autoriteiten?
In het licht van het aanstaande bezoek van de Indiase Minister-President Modi aan
Nederland en de ontvangst door de Minister-President, vragen de leden van de VVD-fractie
of deze specifieke zaak onderdeel zal zijn van de gesprekken op het hoogste politieke
niveau. Kan het kabinet bevestigen dat deze zaak expliciet wordt opgebracht?
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie welke diplomatieke en politieke drukmiddelen
Nederland nog tot zijn beschikking heeft om voortgang te bewerkstelligen. Wordt overwogen
om deze kwestie in breder Europees verband te agenderen binnen de Europese Unie (EU)
om zo de druk richting India te vergroten?
Ten slotte vragen de leden van de VVD-fractie hoe het kabinet in algemene zin omgaat
met internationale kinderontvoeringszaken waarbij landen geen partij zijn bij relevante
verdragen. Ziet het kabinet aanleiding om het beleid richting deze landen te intensiveren,
bijvoorbeeld via bilaterale afspraken of aanvullende diplomatieke inzet? Is het kabinet
bereid de Kamer, na het bezoek van de heer Modi aan Nederland, te informeren over
de gesprekken die zijn gevoerd over de zaak Insiya? En is het kabinet tevens bereid
om de Kamer periodiek te blijven informeren over de resultaten van de inspanningen
om ontvoerde kinderen daadwerkelijk terug te halen naar Nederland in lijn met de motie-Ellian
(Kamerstuk 33 836, nr. 79)?
De leden van de VVD-fractie roepen het kabinet op zich maximaal te blijven inzetten
en zien uit naar de beantwoording.
3. Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
de brief over de stand van zaken ten aanzien van de ontvoering van het meisje Insiya
naar India. Deze leden zijn er, net als het kabinet, ten zeerste van doordrongen hoezeer
deze kinderontvoering ingrijpt in het leven van alle betrokkenen. Zij achten het onverteerbaar
voor Insiya en haar moeder dat het onherroepelijk geworden strafvonnis niet ten uitvoer
kan worden gelegd en vooral dat het contact tussen Insiya en haar moeder, die het
eenhoofdig gezag heeft, niet hersteld wordt. Het kabinet meldt in de genoemde brief
dat alle mogelijke inzet wordt gepleegd om het strafvonnis wel ten uitvoer te laten
leggen. Wat is de reactie van de Indiase autoriteiten als Nederland vraagt om de tenuitvoerlegging
van de strafzaak. Welke autoriteiten betreft dit? Geeft het komende bezoek van de
Indiase Minister-President extra mogelijkheden om de Nederlandse inzet nog te intensiveren
of te benadrukken? Zo ja, hoe gaat het kabinet daar gevolg aan geven? Zo nee, waarom
niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat het contactherstel tussen Insiya
en haar moeder concreet in de weg staat. Welke juridische of andere belemmeringen
zijn er? Welke autoriteiten oordelen over dat contactherstel of zijn daar op een andere
manier bij betrokken? En hoe kan het contact wel hersteld worden? Kan het kabinet
het belang van het contactherstel onder de aandacht van de Indiase Minister-President
brengen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat het de Nederlandse kabinet doet
om de moeder van Insiya te ondersteunen bij haar pogingen het contact met haar dochter
te herstellen. Is het kabinet bekend met het feit dat ook India het Internationaal
Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) heeft geratificeerd en dat dat bindende
VN-verdrag onder andere bepaalt dat staten maatregelen moeten nemen «ter bestrijding
van de ongeoorloofde overbrenging van kinderen naar en het niet doen terugkeren van
kinderen uit het buitenland» (artikel 11)? Zo ja, hoe verhoudt zich dat ten opzichte
van het feit dat India niet zorgt dat de ontvoering van Insiya beëindigd wordt? Is
het kabinet bereid dat aan de Indiase Minister-President voor te leggen? Zo nee, waarom
is het kabinet daartoe niet bereid?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of afspraken over mensenrechten deel
uitmaken van het handelsverdrag van de EU met India. Zo ja, vallen daar direct of
indirect ook afspraken onder die de rechten van kinderen in het algemeen en die van
ontvoerde kinderen in het bijzonder raken? En welke afspraken betreffen dat? Wil het
kabinet dat onder de aandacht van de Indiase Minister-President brengen? Kan het kabinet
na afloop van het bezoek van de Indiase Minister-President de Kamer op de hoogte stellen
van wat het kabinet ten aanzien van Insiya besproken heeft en wat de resultaten daarvan
zijn?
4. Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief en hebben een aantal
vragen aan de regering. Deze leden onderschrijven de noodzaak voor de Nederlandse
Staat om zich maximaal in te zetten dat Insiya terugkomt naar Nederland zodat haar
moeder het eenhoofdig gezag kan uitoefenen.
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet aan kan geven of er nog meer vergelijkbare
casussen zijn van kinderontvoering waar zij zich inzet voor herstel van contact en
ouderlijk gezag en of er landen in het bijzonder zijn waarnaar dergelijke vormen van
ontvoering vaker plaatsvinden.
De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet te bevestigen dat de schrijnende zaak
van Insiya staat geagendeerd tijdens (de voorbereidingen van) het bezoek van de Indiase
Minister-President aan Nederland. Deze leden vragen om bevestiging dat deze casus
tijdens het staatsbezoek aan de orde gesteld zal worden. Voorts vragen deze leden
welke mogelijkheden het kabinet ziet om de inzet richting de Indiase regering op dit
onderwerp te intensiveren.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het handelsakkoord tussen de EU en India niet
ingaat op kinderontvoeringen. Deelt het kabinet de opvatting dat, ook als het EU-India
handelsakkoord formeel geen aanknopingspunten bevat, politieke en diplomatieke relaties
wél benut kunnen worden om mensenrechtenkwesties zoals deze onder de aandacht te brengen?
Zo ja, hoe wordt hier concreet invulling aan gegeven?
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet, gezien de langdurige aard van en
de grote maatschappelijke en politieke betrokkenheid bij deze zaak, bereid is de Kamer
frequenter te informeren over de voortgang in deze zaak.
5. Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met grote betrokkenheid kennisgenomen van de brief
over de zaak van het naar India ontvoerde meisje Insiya. Deze leden willen allereerst
benadrukken dat achter deze zaak geen abstract juridisch dossier schuilgaat, maar
een meisje dat al jarenlang is afgesneden van haar moeder, en haar leven in Nederland.
Een zaak die niet alleen raakt aan het hart, maar ook aan de geloofwaardigheid van
de Nederlandse rechtsstaat.
De leden van de BBB-fractie begrijpen dat internationale kinderontvoering juridisch
en diplomatiek ingewikkeld kan zijn. Maar ingewikkeld mag nooit een ander woord worden
voor machteloos. Zeker niet wanneer het gaat om een Nederlands kind, een Nederlandse
moeder en Nederlandse rechterlijke uitspraken. De overheid moet naast haar eigen inwoners
staan wanneer zij klem komen te zitten tussen systemen, grenzen en diplomatieke beleefdheden.
Tegen deze achtergrond hebben deze leden de volgende vragen.
De leden van de BBB-fractie vragen het kabinet of concreet en chronologisch uiteengezet
kan worden welke acties de afgelopen jaren zijn ondernomen richting de Indiase autoriteiten.
Deze leden horen daarbij graag of deze acties telkens op ambtelijk, of ander niveau
is aangekaart. Zij vragen het kabinet expliciet wanneer deze zaak voor het laatst
op ministerieel niveau besproken is met India. En wanneer deze zaak voor het laatst
door de Minister-President, of namens de Minister-President aan de orde is gesteld.
Wat was tijdens deze acties telkens de concrete inzet van Nederland in de richting
van India?
De leden van de BBB-fractie vragen het kabinet wat telkens de reactie van India was.
Welke concrete resultaten heeft de Nederlandse inzet tot nu toe opgeleverd? Hoe beoordeelt
het kabinet zelf de effectiviteit van de huidige aanpak? En acht het kabinet de huidige
inzet voldoende, gelet op het feit dat Insiya nog altijd niet terug is?
De leden van de BBB-fractie vragen het kabinet welke bewindspersoon politiek eindverantwoordelijk
is voor het vlottrekken van deze zaak. Is er een coördinerend bewindspersoon of een
interdepartementale taskforce die deze taak trekt? Zo nee, is het kabinet dan bereid
om een coördinerend bewindspersoon aan te wijzen, of een interdepartementale taskforce
in te stellen?
De leden van de BBB-fractie vragen om niet alleen uiteen te zetten wat Nederland de
afgelopen jaren heeft gedaan, maar ook welke conclusie het kabinet daaruit trekt.
Erkent het kabinet dat de tot nu toe gevolgde aanpak feitelijk niet heeft geleid tot
de terugkeer van Insiya?
De leden van de BBB-fractie vragen hoe het kabinet het feit duidt dat een onherroepelijke
uitspraak van de Nederlandse rechter in deze zaak in de praktijk niet wordt uitgevoerd.
Wat betekent dit volgens het kabinet voor de geloofwaardigheid van de Nederlandse
rechtsstaat? Acht het kabinet het uitlegbaar dat iemand die in Nederland onherroepelijk
is veroordeeld voor ontvoering van een kind, tot op heden zijn straf niet in Nederland
uitzit?
De leden van de BBB-fractie vragen welke mogelijkheden er internationaal bestaan om
naleving van Nederlandse rechterlijke uitspraken in dit soort zaken te bevorderen
en/of af te dwingen. Heeft Nederland internationale fora of multilaterale mechanismen
benut om deze zaak aan te kaarten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De leden van de BBB-fractie vragen of het kabinet bereid is om deze zaak nadrukkelijker
te framen als een zaak over naleving van rechterlijke uitspraken binnen het strafrecht,
en rechtstatelijke samenwerking, in plaats van uitsluitend als consulaire of familierechtelijke
kwestie.
De leden van de BBB-fractie vragen of het kabinet kan bevestigen dat Insiya enkel
de Nederlandse nationaliteit heeft. Zo ja, welke bijzondere verantwoordelijkheid voelt
het kabinet voor haar bescherming, terugkeer en consulaire positie? Deze leden vragen
of Nederland ooit consulaire toegang tot Insiya heeft gevraagd. Zo ja, wanneer, hoe
vaak en met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
De leden van de BBB-fractie vragen of Nederland ooit zelfstandig heeft kunnen vaststellen
hoe het met Insiya gaat, los van informatie van de vader, diens omgeving of de Indiase
autoriteiten. Zo nee, vindt het kabinet het aanvaardbaar dat Nederland al jarenlang
niet zelfstandig heeft kunnen vaststellen hoe het gaat met een Nederlands kind dat
door een strafbaar feit uit Nederland is weggehaald?
De leden van de BBB-fractie constateren dat tussen Nederland en India een uitleveringsverdrag
geldt, oorspronkelijk gesloten tussen het VK en Nederland. Kan het kabinet bevestigen
dat dit verdrag nog altijd de geldende verdragsbasis vormt voor uitlevering tussen
Nederland en India? En kan het kabinet bevestigen dat het verdrag uitlevering mogelijk
maakt van personen die beschuldigd van of zijn veroordeeld voor een misdrijf dat op
het grondgebied van de verzoekende staat is gepleegd en die zich bevinden op het grondgebied
van de aangezochte staat?
De leden van de BBB-fractie constateren dat het verdrag onder meer «abduction», «child
stealing» en «kidnapping of minors and their false imprisonment» noemt als uitleveringsdelicten.
Erkent het kabinet dat deze verdragsbepalingen direct raken aan de zaak van Insiya?
Deze leden vragen om per genoemd verdragsdelict uiteen te zetten waarom de feiten
waarvoor de vader in Nederland is veroordeeld daar volgens Nederland wel of niet onder
vallen.
De leden van de BBB-fractie vragen het kabinet of de Nederlandse strafrechtelijke
veroordeling van de vader juridisch aan India is gepresenteerd onder een of meer van
deze uitleveringscategorieën. Indien Nederland het uitleveringsverzoek niet heeft
gebaseerd op deze verdragscategorieën, waarom niet?
De leden van de BBB-fractie vragen, indien India heeft betwist dat de zaak onder deze
uitleveringscategoriëen valt, om expliciet toe te lichten op welke grond India dat
heeft gedaan.
De leden van de BBB-fractie vragen te bevestigen dat het verdrag ook uitlevering mogelijk
maakt voor deelneming aan genoemde misdrijven. Deze leden vragen het kabinet voorts
of Nederland in het uitleveringsverzoek expliciet heeft gewezen op de rol van de vader
als uitlokker, medepleger of deelnemer aan de ontvoering.
De leden van de BBB-fractie vragen of Nederland in het uitleveringsverzoek onderbouwd
heeft dat de gedragingen waarvoor de vader is veroordeeld ook naar Indiaas recht strafbaar
zijn en dus vallen onder de dubbele strafbaarheid. En indien Nederland dit heeft gedaan,
heeft India de dubbele strafbaarheid in deze zaak betwist? Op grond van welke argumenten
dan?
De leden van de BBB-fractie vragen of India zich heeft beroepen op de discretionaire
mogelijkheid om eigen onderdanen niet uit te leveren. Zo ja, kan het kabinet dan bevestigen
dat het dus niet gaat om een verdragsrechtelijke onmogelijkheid, maar om een (politieke)
keuze van India? En als India weigert om een eigen onderdaan uit te leveren, heeft
Nederland dan van India verlangd dat het de strafvervolging of strafexecutie in India
zelf ter hand neemt? Zo ja, wat was hier de reactie van India op? Zo nee, waarom niet?
De leden van de BBB-fractie constateren dat het kabinet stelt dat het recent gesloten
vrijhandelsakkoord tussen de EU en India geen inhoudelijke of juridische aanknopingspunten
bevat voor deze zaak. Deze leden vinden dat een teleurstellende en onbevredigende
conclusie. Wil het kabinet op zijn minst erkennen dat handelsrelaties nooit volledig
losstaan van diplomatieke en politieke relaties?
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Europese Commissie het akkoord presenteert
als een versterking van economische en politieke banden tussen de EU en India, en
dat de gepubliceerde teksten hoofdstukken bevatten over institutionele bepalingen,
geschillenbeslechting, transparantie, goede regelgevingspraktijken en duurzame ontwikkeling.
Is het kabinet bereid te erkennen dat dit niet hetzelfde is als «geen aanknopingspunten»
voor politieke agendering van rechtsstatelijke samenwerking?
De leden van de BBB-fractie vragen het kabinet, indien de conclusie blijft dat er
geen aanknopingspunten zijn, om dan per relevant hoofdstuk toe te lichten waarom daar
geen enkele mogelijkheid bestaat om de bredere rechtstatelijke relatie met India te
agenderen.
De leden van de BBB-fractie vragen het kabinet of Nederland bereid is om bij de Raad,
de Europese Commissie en de EU-delegatie in New Delhi te bepleiten dat samenwerking
op justitieel gebied, kinderbescherming, internationale kinderontvoering, naleving
van rechtelijke uitspraken, het familierecht en het ontbreken van een effectieve medewerking
door India onderdeel wordt van de bredere EU-India relatie. Zo nee, waarom niet?
De leden van de BBB-fractie vragen of het kabinet deze zaak expliciet beoordeelt onder
het VN-Kinderrechtenverdrag. Kan het kabinet aangeven hoe Nederland, gegeven het feit
dat Insiya een Nederlands kind is en de Nederlandse rechter het gezag bij haar moeder
heeft gelegd, invulling geeft aan het belang van het kind, het recht op behoud van
familiebanden en de verplichting om illegale overbrenging en niet-terugkeer van kinderen
naar het buitenland te bestrijden?
De leden van de BBB-fractie vragen het kabinet of India in bilaterale contacten expliciet
is gewezen op de verplichtingen uit het VN-Kinderrechtenverdrag, in het bijzonder
de verplichting om illegale overbrenging en niet-terugkeer van kinderen te bestrijden.
Zo ja, wanneer is dit gebeurd en wat was de reactie van India? Zo nee, waarom heeft
Nederland dit kinderrechtelijke kader niet nadrukkelijker ingezet?
De leden van de BBB-fractie vragen of het kabinet kan bevestigen dat India geen partij
is bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Welke gevolgen heeft dat concreet gehad
voor deze zaak? En heeft Nederland India de afgelopen jaren aangespoord om toe te
treden tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag? Zo nee, waarom niet? En is het kabinet
bereid om toetreding van India tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag actief te agenderen
in bilaterale gesprekken in EU-verband?
Is het kabinet bereid om, tot de tijd dat India toetreedt tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag,
met India een bilateraal noodprotocol of werkafspraak te sluiten voor kinderontvoeringszaken,
gericht op snelle lokalisering, onafhankelijke welzijnscontrole, contactherstel, erkenning
van gezagsbeslissingen en een concreet terugkeerpad?
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Indiase Minister-President een strategisch
partnerschap tussen Nederland en India heeft aangekondigd.1 Deze leden vragen wat dit strategische partnerschap tussen Nederland en India concreet
in gaat houden. Welke beleidsterreinen vallen onder dat strategische partnerschap?
Worden justitiële samenwerking, rechtsstatelijke samenwerking en kinderbescherming
onderdeel van dit strategische partnerschap? Zo nee, waarom niet? Is het kabinet bereid
om deze zaak expliciet te betrekken bij de vormgeving en totstandkoming van een strategisch
partnerschap met India? Zo nee, waarom niet? Vindt het kabinet het geloofwaardig om
te spreken van een strategisch partnerschap als fundamentele rechtstatelijke kwesties
tussen beide landen onopgelost blijven? En kan het kabinet toezeggen dat samenwerking
met India op economisch en technologisch terrein niet los wordt gezien van deze zaak?
De leden van de BBB-fractie hebben vernomen dat Minister-President Modi Nederland
op korte termijn bezoekt. Kan het kabinet aangeven wanneer dit bezoek precies plaatsvindt,
en wanneer en met welke (politieke) ambtsdragers Modi komt te spreken volgens het
programma?
De leden van de BBB-fractie vragen of deze zaak al op de agenda van dit bezoek staat.
Zo ja, op welk niveau en met welke concrete inzet? Zo nee, waarom nog niet? Is het
kabinet bereid om voorafgaand aan het bezoek expliciet bij India aan te kondigen dat
Nederland deze zaak op het hoogste politieke niveau zal opbrengen? En is Minister-President
Jetten bereid om Modi persoonlijk te vragen om medewerking aan de terugkeer van Insiya
en de tenuitvoerlegging van de straf van de vader? En is de Minister-President bereid
om ook aan de Koning te vragen, mocht een ontmoeting tussen hem en Modi op de planning
staan, of hij ook persoonlijk aan Modi wil vragen om medewerking aan de terugkeer
van Insiya en de tenuitvoerlegging van de straf van de vader?
De leden van de BBB-fractie vragen of het kabinet bereid is om niet alleen te spreken
over «aandacht vragen», maar om concrete uitkomsten te vragen, zoals contactherstel,
consulaire toegang, medewerking aan uitlevering en een tijdpad voor terugkeer.
De leden van de BBB-fractie vragen of het kabinet bereid is om vóór het bezoek van
Minister-President Modi een aangescherpt handelingskader vast te stellen, met concrete
doelen, termijnen en vervolgstappen. Daarbij vragen deze leden in ieder geval om niet
alleen te spreken over «aandacht vragen», maar om concrete uitkomsten te vragen en
in te gaan op consulaire toegang, onafhankelijk vaststellen van Insiya’s welzijn,
structureel contactherstel met haar moeder, een tijdpad voor terugkeer van Insiya
en medewerking aan uitlevering of een juridisch alternatief. Ook vragen zij welke
consequenties het kabinet verbindt aan het opnieuw uitblijven van medewerking door
India, en of de zaak dan wordt opgeschaald naar het hoogste politieke niveau en in
EU-verband.
De leden van de BBB-fractie vragen of het kabinet de Kamer direct na het bezoek kan
informeren over wat hierover precies is besproken, en wat India heeft toegezegd. En
welke concrete stappen zet het kabinet als India tijdens of na dit bezoek opnieuw
geen beweging laat zien?
De leden van de BBB-fractie constateren dat in de beslisnota behorende bij de Kamerbrief
op meerdere plekken informatie is weggelakt met een beroep op het «procesbelang van
de staat». Kan het kabinet concreet maken wat hieronder wordt verstaan in deze zaak?
Gaat het om een lopende juridische procedure, diplomatie onderhandelingen, consulaire
belangen, of iets anders? Hoe weegt het kabinet dit procesbelang tegen het grondwettelijke
informatierecht van de Kamer? En is het kabinet bereid om de weggelakte passages vertrouwelijk
aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
De leden van de BBB-fractie vragen welke diplomatieke, politieke en beleidsmatige
drukmiddelen Nederland daadwerkelijk heeft geïnventariseerd indien India opnieuw geen
concrete medewerking verleent. Kan het kabinet daarbij ingaan op opschaling in EU-verband,
agendering in mensenrechten- en rechtsstaatdialogen, het verbinden van de zaak aan
hoogambtelijke bezoeken, handelsmissies, visumfacilitatie, talentmobiliteit, defensiesamenwerking,
technologiesamenwerking en andere vormen van bilaterale samenwerking?
De leden van de BBB-fractie vragen of het kabinet bereid is om een escalatieladder
met termijnen aan de Kamer te sturen, desnoods vertrouwelijk. Kan het kabinet daarbij
aangeven welke stap volgt na dertig dagen zonder concrete toezegging van India, welke
stap volgt na zestig dagen, en welke stap volgt na negentig dagen?
Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de brief over de inzet bij
internationale kinderontvoering naar India en in het bijzonder de zaak van Insiya.
De leden van Groep Markuszower wijzen erop dat deze zaak niet alleen gaat over complexe
internationale verhoudingen, maar begint bij een gewelddadige ontvoering die zich
op klaarlichte dag in Amsterdam heeft afgespeeld. Een jong kind is daarbij met grof
geweld meegenomen, midden in onze rechtsstaat. Tegen die achtergrond dringt zich een
fundamentele vraag op: welk signaal denkt het kabinet af te geven door feitelijk te
accepteren dat deze ontvoering tot op de dag van vandaag niet heeft geleid tot daadwerkelijke
terugkeer van het kind en dat de hoofdverantwoordelijke zich daaraan kan blijven onttrekken?
De leden van Groep Markuszower moeten constateren dat er al jarenlang wordt gesproken
over inzet, aandacht en diplomatieke inspanningen, maar dat het resultaat uitblijft.
Insiya verblijft nog altijd in India en heeft haar moeder al jaren niet gezien. De
vraag dringt zich op wat de inzet van het kabinet feitelijk waard is als dit niet
leidt tot concrete stappen richting terugkeer. Kan het kabinet daarom helder en zonder
omhaal aangeven wat de gekozen strategie tot nu toe concreet heeft opgeleverd en waarom
diezelfde aanpak in de toekomst wél tot resultaat zou leiden? Ziet het kabinet niet
in dat er een drastische koerswijziging nodig is door meer druk uit te oefenen op
India?
De leden van Groep Markuszower lezen dat India stelt niet te kunnen ingrijpen in de
eigen rechtsgang. Deze leden vragen het kabinet of het deze redenering accepteert,
terwijl er sprake is van een onherroepelijk Nederlands vonnis en een situatie waarin
een kind al jarenlang wordt onttrokken aan het eenhoofdig ouderlijk gezag van de moeder.
Waar ligt voor het kabinet de grens? Wanneer is «begrip voor de lokale rechtsgang»
niet langer verdedigbaar?
De leden van Groep Markuszower constateren dat Nederland binnen Europa wél resultaten
boekt, zoals de aanhouding en overlevering van een veroordeelde in deze zaak. Dat
maakt het contrast met India des te schrijnender. Is het kabinet bereid om expliciet
uit te spreken dat India in deze zaak onvoldoende meewerkt? Zo nee, waarom wordt die
conclusie niet getrokken?
Met het aanstaande bezoek van de Indiase Minister-President Narendra Modi aan Nederland
zien de leden van Groep Markuszower een cruciaal moment. Kan het kabinet toezeggen
dat deze zaak op het hoogste niveau en ondubbelzinnig aan de orde wordt gesteld? Wordt
daarbij ook expliciet gevraagd om concrete stappen van Indiase zijde en zo ja, welke?
Kan de Kamer na afloop van het bezoek zo snel mogelijk een brief ontvangen met daarin
de gestelde eisen, de gegeven garanties en gekoppelde sancties?
De leden van Groep Markuszower vragen het kabinet of er daadwerkelijk drukmiddelen
worden ingezet, of dat het bij diplomatieke gesprekken en verzoeken blijft. Welke
consequenties verbindt het kabinet aan het uitblijven van medewerking door India?
Zijn er scenario’s uitgewerkt waarin Nederland de relatie met India op onderdelen
herziet als er geen voortgang komt? Daarnaast vragen deze leden of het kabinet bereid
is om deze zaak en vergelijkbare zaken, nadrukkelijker onderdeel te maken van de bredere
bilaterale en Europese agenda richting India. Waarom wordt nu gesteld dat er geen
relatie is met bijvoorbeeld economische samenwerking, terwijl juist die relatie mogelijk
invloed kan uitoefenen?
De leden van Groep Markuszower vragen het kabinet ook om duidelijkheid over de inzet
richting de vader, die wordt gezien als de centrale figuur achter de ontvoering. Welke
concrete stappen worden gezet om hem ter verantwoording te roepen? Wordt er actief
ingezet op internationale signaleringen, opsporingsverzoeken of andere juridische
instrumenten en zo ja, met welk resultaat?
Tot slot vragen de leden van Groep Markuszower het kabinet om niet opnieuw te volstaan
met algemene formuleringen over inzet, maar concreet te maken wat er de komende weken
en maanden gaat gebeuren. Welke stappen worden vóór, tijdens en na het bezoek van
Minister-President Modi gezet en welke resultaten moeten dat opleveren? Voor de leden
van Groep Markuszower staat voorop dat het hier gaat om een kind dat al jarenlang
van haar moeder is gescheiden. Dat vraagt niet om terughoudendheid, maar om zichtbare
inzet en, waar nodig, om het opvoeren van de druk.
II. Reactie van het kabinet
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
I. van Tilburg, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.