Voorstel van wet : Voorstel van wet
36 940 Regels voor de inzet van arbeidsrechtelijke instrumenten en loonsubsidie om werkgevers in staat te stellen zoveel mogelijk werknemers te behouden in tijden van crises (Wet personeelsbehoud bij crisis)
Nr. 2 VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te voorzien in een structureel
wettelijk kader voor de inzet van arbeidsrechtelijke instrumenten en loonsubsidie
ter ondersteuning van werkgevers in het behouden van zoveel mogelijk werknemers ten
tijde van crises;
Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Algemene begrippen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
arbeidscapaciteit:
bedongen arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek tussen de werkgever en zijn werknemers;
crisis:
een omstandigheid als bedoeld in artikel 2;
crisistijdvak:
het tijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid;
herplaatsing:
een herplaatsing door de werkgever van de werknemer overeenkomstig artikel 660b, eerste
lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
loonaangifte:
de opgave, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting
1964;
loonheffingennummer:
het loonheffingennummer waarmee de werkgever ingevolge artikel 28, eerste lid, onderdeel d,
van de Wet op de loonbelasting 1964 opgave aan de inspecteur heeft gedaan;
Onze Minister:
Onze Minister van Werk en Participatie;
overheidswerkgever:
de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Werkloosheidswet;
overheidswerknemer:
de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Werkloosheidswet;
polisadministratie:
de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen;
UWV:
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
vereniging van werknemers:
een vereniging van werknemers, die krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen
van haar leden als werknemers te behartigen, als zodanig werkzaam is, en ten minste
twee jaar in het bezit is van rechtspersoonlijkheid;
verloonde uren:
de uren waarover loon is betaald en waarvan door de werkgever ingevolge artikel 28,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgave aan de inspecteur
is gedaan;
verminderde loondoorbetaling:
een verminderde loondoorbetaling door de werkgever aan de werknemer op grond van artikel 660b,
eerste lid, onderdeel b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
werkgever:
de werkgever, bedoeld in de Werkloosheidswet, niet zijnde een overheidswerkgever;
werknemer:
de werknemer in de zin van hoofdstuk I, paragraaf 2, en hoofdstuk III van de Werkloosheidswet,
niet zijnde een overheidswerknemer;
wettelijk minimumloon:
het uurloon waarop een persoon van de leeftijd van de werknemer ingevolge het bepaalde
bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag recht heeft.
Artikel 2. Crisis
1. De onvoorzienbare omstandigheid die in redelijkheid niet tot het reguliere ondernemingsrisico
kan worden gerekend, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, vormt een crisis
in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen.
2. Van een crisis is sprake in geval van:
a. schade aan een productiemiddel ten gevolge van een niet aan opzet of bewuste roekeloosheid
van de werkgever of de eigenaar van het productiemiddel te wijten brand of explosie;
b. schade aan een productiemiddel ten gevolge van uitzonderlijke weersomstandigheden;
c. overheidsmaatregelen ter beperking van de gevolgen van uitzonderlijke weersomstandigheden;
of
d. overheidsmaatregelen ter beperking van de verspreiding van planten- of dierziekten.
3. Een hierna genoemde omstandigheid, anders dan de omstandigheid in het tweede lid,
valt niet onder het reguliere ondernemingsrisico en kan worden aangewezen als crisis,
mits deze onvoorzienbaar is en het niet onaannemelijk is dat deze omstandigheid gedurende
ten minste één maand zal leiden tot ten minste 20% verminderde inzet van arbeidscapaciteit
binnen de onderneming van één of meerdere werkgevers:
a. uitval van vitale openbare infrastructuur;
b. een gewapend conflict tussen staten of een gewapend conflict tussen een regeringsleger
en een of meer gewapende groepen, of tussen deze gewapende groepen onderling;
c. een door een buitenlandse overheid aan Nederland of in Nederland gevestigde ondernemingen
opgelegde sanctie, voor zover het aanwijzen van de sanctie als crisis in overeenstemming
is met het Nederlandse buitenlandbeleid en Onze Minister daarbij handelt in overeenstemming
met de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;
d. een ramp als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s, voor zover deze niet
valt onder de toepassing van het tweede lid; of
e. door een overheidsorgaan bij of krachtens de artikelen 31, 35, 38, 47, 54, onderdelen
b, c en d, 58d, 58f tot en met 58k, en 58o van de Wet publieke gezondheid genomen
maatregelen ter bestrijding van een epidemie van een infectieziekte of een directe
dreiging daarvan.
4. Bij ministeriële regeling kunnen weersomstandigheden die niet uitzonderlijk zijn
als bedoeld in het tweede lid en omstandigheden die niet onvoorzien zijn als bedoeld
in het derde lid worden aangewezen.
5. Ook een omstandigheid, anders dan de omstandigheid genoemd in het tweede of derde
lid, kan worden aangewezen als crisis, mits is voldaan aan de criteria in het eerste
lid en het niet onaannemelijk is dat deze gedurende ten minste één maand zal leiden
tot ten minste 20% verminderde inzet van arbeidscapaciteit binnen de onderneming van
één of meerdere werkgevers.
6. De aanwijzing, bedoeld in het derde en vijfde lid, en het vaststellen van de aanvangsdatum
van de crisis vindt plaats bij ministeriële regeling. De aanwijzing in het vijfde
lid vindt plaats in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad.
Paragraaf 2. De initiële aanvraag
Artikel 3. Vaststelling op aanvraag werkgever
1. Op aanvraag van een werkgever die het voornemen heeft gebruik te maken van herplaatsing
of verminderde loondoorbetaling, stelt het UWV vast of die werkgever:
a. door een crisis is geraakt als bedoeld in artikel 5;
b. van dit voornemen melding heeft gemaakt bij Onze Minister; en
c. de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming werkzame
personen, bijeengekomen in een vergadering, in de gelegenheid heeft gesteld advies
als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden uit te brengen over het door de werkgever
voorgenomen besluit tot herplaatsing of verminderde loondoorbetaling.
2. Ten aanzien van een werkgever die niet kan voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel c, omdat hij op grond van de Wet op de ondernemingsraden
niet verplicht is een ondernemingsraad in stand te houden en evenmin om ten minste
tweemaal per jaar een vergadering als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de Wet
op de ondernemingsraden, te beleggen, en die geen personeelsvertegenwoordiging heeft,
stelt het UWV vast of die werkgever de in de onderneming werkzame personen, bijeengekomen
in een vergadering, in de gelegenheid heeft gesteld om advies uit te brengen.
3. Het UWV geeft de beschikking, bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken na ontvangst
van de aanvraag.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de melding van de werkgever
en het verkrijgen van inzage in de gemelde informatie door een vereniging van werknemers.
Artikel 4. Crisistijdvak
1. De beschikking, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt per crisis slechts eenmaal
gegeven en heeft betrekking op een door de werkgever bij de aanvraag aan te geven
crisistijdvak van twee, vier of zes aaneengesloten maanden.
2. Het crisistijdvak, bedoeld in het eerste lid, kan op aanvraag van de werkgever worden
verlengd, ten hoogste tot een duur van zes aaneengesloten maanden. De verlenging vindt
plaats met twee of vier maanden.
3. Op de aanvraag tot verlenging, bedoeld in het tweede lid, is artikel 3 van overeenkomstige
toepassing.
4. De beschikking geldt met ingang van de eerste dag na bekendmaking daarvan door het
UWV aan de werkgever en kan terugwerken tot en met tien weken, te rekenen vanaf de
dag waarop de werkgever zijn aanvraag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of zijn aanvraag
tot verlenging, bedoeld in artikel 4, tweede lid, bij het UWV heeft ingediend, maar
uiterlijk tot en met de eerste dag van de crisis en in geval van verlenging uiterlijk
tot de laatste dag van het crisistijdvak waarop de voorafgaande beschikking betrekking
had.
Artikel 5. Geraakt door een crisis
1. Een werkgever is door een crisis geraakt wanneer het aannemelijk is dat hij ten gevolge
van die crisis de in het crisistijdvak gelegen perioden van twee aaneengesloten maanden,
geteld vanaf aanvang crisistijdvak, gemiddeld ten minste 20% van de hem ter beschikking
staande arbeidscapaciteit niet kan benutten op de wijze waarop hij deze zou hebben
benut indien zich geen crisis zou hebben voorgedaan.
2. Bij ministeriële regeling kunnen criteria worden bepaald op basis waarvan in ieder
geval aannemelijk wordt geacht dat een werkgever door een crisis is geraakt.
Artikel 6. Advies op grond van de WOR
1. Tussen de werkgever en de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de in
de onderneming werkzame personen, bijeengekomen in een vergadering geldt ten aanzien
van de adviesaanvraag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
in aanvulling op en in afwijking van de Wet op de ondernemingsraden het bepaalde in
het tweede tot en met vierde lid.
2. De ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming werkzame
personen, bijeengekomen in een vergadering brengt het advies, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, uit of bericht de werkgever van zijn adviesrecht
af te zien, binnen een redelijke termijn nadat de werkgever het advies heeft gevraagd.
Deze redelijke termijn zal in beginsel niet meer dan twee kalenderweken bedragen.
3. Als het besluit van de werkgever bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Wet op
de ondernemingsraden, niet overeenstemt met het advies van de ondernemingsraad, geldt
in afwijking van artikel 25, zesde lid, van de Wet op de ondernemingsraden, voor de
werkgever een opschorttermijn van twee weken in plaats van één maand. Voorts geldt
in afwijking van artikel 26, tweede lid, van de Wet op de ondernemingsraden een beroepstermijn
van twee weken in plaats van één maand.
4. Artikel 35b, derde en vijfde lid, van de Wet op de ondernemingsraden is op de personeelsvergadering,
bedoeld in artikel 3, tweede lid, van toepassing.
Artikel 7. Moment en wijze van aanvraag
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kan worden ingediend gedurende
een tijdvak van 26 weken te rekenen vanaf de eerste dag waarop de crisis plaatsvindt
of, indien de aanwijzing van een crisis plaatsvindt op grond van artikel 2, zesde
lid, gedurende een bij ministeriële regeling vast te stellen tijdvak van 26 weken
te rekenen vanaf de dag dat de betreffende omstandigheid door Onze Minister is aangewezen
als crisis.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan niet eerder worden ingediend dan na
afloop van de opschortingstermijn, bedoeld in artikel 6, derde lid, en na afloop van
een eventuele lopende procedure bij de Ondernemingskamer over een voorgenomen besluit
tot herplaatsing of verminderde loondoorbetaling.
3. Een aanvraag tot verlenging als bedoeld in artikel 4, tweede lid, kan worden ingediend
uiterlijk tot en met tien weken na de laatste dag van het crisistijdvak waarop de
voorafgaande beschikking betrekking had.
Artikel 8. Gegevens en bescheiden bij aanvraag
1. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens en bescheiden als bedoeld
in artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht de werkgever verschaft
bij de aanvraag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en de aanvraag tot verlenging,
bedoeld in artikel 4, tweede lid.
2. Het UWV behandelt de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet indien de werkgever
bij zijn aanvraag niet de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, overlegt,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het UWV gestelde
termijn aan te vullen.
Artikel 9. Inlichtingenplicht werkgever
De werkgever is verplicht aan het UWV bij de aanvraag juiste en volledige gegevens
te verstrekken en nadien onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden
mede te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen
zijn op de beschikking op de aanvraag, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
Artikel 10. Intrekken en wijzigen
1. Het UWV kan de beschikking op de aanvraag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en artikel 4,
derde lid, intrekken of ten nadele van de werkgever wijzigen indien hij niet voldoet
aan de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 9, en:
a. de door de werkgever bij zijn aanvraag verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig
blijken dat op die aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, indien bij de
beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend zouden zijn geweest; of
b. de beschikking op de aanvraag onjuist was en de werkgever dit wist of behoorde te
weten.
2. Een intrekking of wijziging als bedoeld in het eerste lid, kan niet plaatsvinden
indien vijf jaren zijn verstreken na de dag van bekendmaking van de in te trekken
of te wijzigen beschikking.
Paragraaf 3. Loonsubsidie
Artikel 11. Aanspraak loonsubsidie
Het UWV verstrekt op aanvraag van een werkgever per loonheffingennummer loonsubsidie
over het loon over de subsidiabele uren in het subsidietijdvak.
Artikel 12. Subsidiabele uren
1. Subsidiabele uren zijn de uren binnen het subsidietijdvak waarover:
a. volledige verminderde loondoorbetaling heeft plaatsgevonden;
b. een werkgever verminderde loondoorbetaling mocht toepassen, maar dat niet of gedeeltelijk
kon laten plaatsvinden omdat het loon anders onder het wettelijk minimumloon zou uitkomen;
c. een werkgever verminderde loondoorbetaling mocht toepassen, maar dat niet of gedeeltelijk
kon laten plaatsvinden omdat de werknemer wegens ongeschiktheid ten gevolge van ziekte,
zwangerschap of bevalling als bedoeld in artikel 629, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, een loon ontvangt dat gelijk is aan of minder is dan 90% van het loon; of
d. een werkgever verminderde loondoorbetaling mag toepassen, maar dat nog niet kon laten
plaatsvinden omdat beslag op het loon is gelegd;
2. Subsidiabele uren worden in aanmerking genomen, indien deze zijn opgenomen in de
polisadministratie.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het aanmerken
van uren als subsidiabele uren, waarbij kan worden bepaald dat bepaalde uren niet
worden aangemerkt als subsidiabele uren.
Artikel 13. Subsidietijdvak
1. Het subsidietijdvak is de periode waarover subsidie wordt aangevraagd. Deze periode
vangt steeds aan op dezelfde dag als waarop het crisistijdvak start en kan twee, vier
of zes maanden omvatten.
2. Het subsidietijdvak kan op aanvraag van de werkgever worden verlengd. De verlenging
vindt plaats met twee of vier maanden, mits het subsidietijdvak binnen de periode
van het crisistijdvak blijft.
Artikel 14. Hoogte loonsubsidie
1. De hoogte van de loonsubsidie is de som van de loonsubsidie per werknemer, bedoeld
in het tweede lid, van werknemers die vallen onder het loonheffingennummer en wordt
berekend op basis van gegevens in de polisadministratie.
2. De hoogte van de loonsubsidie per werknemer, is de uitkomst van:
A x (B/C) x 0,65 x factor werkgeverslasten
Hierbij staat:
A voor subsidiabel loon, berekend door het geconstrueerde loon, bedoeld in het vierde
lid, over alle aangiftetijdvakken waarin het loon over het subsidietijdvak, bedoeld
in artikel 13, is verantwoord.
B voor de subsidiabele uren die betrekking hebben op het subsidietijdvak, bedoeld in
artikel 13.
C voor verloonde uren in de aangiftetijdvakken waarin het loon over het subsidietijdvak,
bedoeld in artikel 13, is verantwoord.
Als factor werkgeverslasten geldt de vastgestelde factor werkgeverslasten op de laatste
dag van het subsidietijdvak.
3. Onder aangiftetijdvak wordt verstaan het tijdvak waarover de werkgever ingevolge
artikel 28, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgave aan
de inspecteur heeft gedaan van het loon van de werknemers voor wie hij in aanmerking
wenst te komen voor een loonsubsidie.
4. Het geconstrueerde loon per werknemer wordt berekend over alle aangiftetijdvakken
waarin het loon over het subsidietijdvak, bedoeld in artikel 13, is verantwoord en
is de uitkomst van:
D / (1 – ((E/F) x 0,1))
Hierbij staat:
D voor het loon, bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen,
voor zover het betreft loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, in deze aangiftetijdvakken.
E voor de subsidiabele uren in deze aangiftetijdvakken.
F voor de verloonde uren in deze aangiftetijdvakken.
5. Het geconstrueerde loon bedraagt niet meer dan het maximale dagloon, bedoeld in artikel 17,
eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, zoals dat gold aan het
einde van het laatste aangiftetijdvak waarin het loon over het subsidietijdvak, bedoeld
in artikel 13, is verantwoord, vermenigvuldigd met 21,75 voor elk aangiftetijdvak
van een maand en vermenigvuldigd met 20 voor elk aangiftetijd van vier weken.
6. In afwijking van het tweede lid, bedraagt de loonsubsidie per werknemer de uitkomst
van:
B x 0,75 x het wettelijk minimumloon x 1,08 x factor werkgeverslasten, indien deze
berekening leidt tot een hogere loonsubsidie voor de werknemer. Voor de factor werkgeverslasten
en het wettelijk minimumloon wordt gekeken naar de vastgestelde factor werkgeverslasten
en het geldende wettelijk minimumloon op de laatste dag van het subsidietijdvak.
7. In afwijking van op het vierde lid, wordt het aantal subsidiabele uren in een aangiftetijdvak
waarover loonsubsidie is aangevraagd gesteld op nihil, indien de werknemer in dat
aangiftetijdvak geen loon of minder loon heeft genoten omdat hij de bedongen arbeid
niet heeft verricht in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap
of bevalling als bedoeld in artikel 629, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
8. Bij ministeriële regeling wordt de factor werkgeverslasten, bedoeld in het tweede
en zesde lid, vastgesteld.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over wat voor de toepassing
van het vierde lid wordt verstaan onder D.
10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de berekening
van de hoogte van de loonsubsidie.
Artikel 15. De aanvraag verlening loonsubsidie
De aanvraag tot verlening van loonsubsidie kan worden ingediend vanaf het moment dat
van de subsidiabele uren en het loon over de subsidiabele uren in het subsidietijdvak,
bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid, loonaangifte is gedaan, tot en met 26
weken na afloop van het crisistijdvak.
Artikel 16. Gegevens en bescheiden bij aanvraag
1. Bij het indienen van een aanvraag, bedoeld in artikel 15, verstrekt het UWV aan de
werkgever een overzicht van werknemers waarvoor subsidiabele uren zijn opgegeven en
gegevens uit de polisadministratie die ten grondslag liggen aan de berekening van
de loonsubsidie. Hierbij wordt het burgerservicenummer verwerkt van de werknemers
waarop de loonsubsidie betrekking heeft.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gegevens die de werkgever
aanlevert bij een aanvraag als bedoeld in artikel 15.
Artikel 17. Subsidieverlening
1. Het UWV geeft binnen zes weken na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in artikel 15,
een beschikking omtrent subsidieverlening.
2. Voor de berekening van de hoogte van de loonsubsidie op grond van artikel 14, worden
voor de beschikking tot subsidieverlening de gegevens uit de polisadministratie gebruikt
zoals deze gelden op het moment van indiening van de aanvraag tot subsidieverlening,
bedoeld in artikel 15.
3. Indien de werkgever niet voldoet aan de verplichting in artikel 23, onderdeel d,
verlaagt het UWV de hoogte van de loonsubsidie, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
berekend op basis van het subsidiabele loon van de werknemer ten aanzien waarvan de
verplichting niet is nagekomen, naar 75% van dat bedrag.
4. Bij een aanvraag tot verlenging van het subsidietijdvak, bedoeld in artikel 13, tweede
lid, wordt de beschikking tot subsidieverlening herzien en wordt de hoogte van de
subsidie opnieuw berekend over het totale subsidietijdvak.
Artikel 18 Subsidieverlening werkgevers met aangiftetijdvak halfjaar of jaar
Als een werkgever een aangiftetijdvak hanteert van een halfjaar of jaar geldt voor
de verlening van loonsubsidie dat:
a. artikel 12, tweede lid, niet van toepassing is;
b. in afwijking van artikel 14, eerste lid, de loonsubsidie mede kan worden berekend
op basis van gegevens die door de werkgever zijn verstrekt;
c. in afwijking van artikel 14, derde lid, onder aangiftetijdvak mede wordt verstaan
het tijdvak waarover het loon wordt genoten, bedoeld in artikel 25 van de Wet op de
loonbelasting 1964, door de werknemer voor wie de werkgever in aanmerking wenst te
komen voor een loonsubsidie;
d. in afwijking van artikel 14, vijfde lid, onder aangiftetijdvak mede wordt verstaan
het tijdvak waarover het loon wordt genoten, bedoeld in artikel 25 van de Wet op de
loonbelasting 1964, door de werknemer voor wie de werkgever in aanmerking wenst te
komen voor een loonsubsidie en de berekening van het maximale geconstrueerde loon
dan naar rato van de duur van dat tijdvak plaatsvindt;
e. in afwijking van artikel 15 een aanvraag tot verlening van de loonsubsidie kan worden
ingediend vanaf het moment dat het loon over de subsidiabele uren in het subsidietijdvak
is uitbetaald;
f. in afwijking van artikel 17, tweede lid, voor de berekening van de hoogte van de loonsubsidie
mede de door de werkgever bij de aanvraag tot subsidieverlening verstrekte gegevens
kunnen worden gebruikt.
Artikel 19. Voorschot
1. Het UWV verstrekt de werkgever bij de beschikking tot subsidieverlening een voorschot.
2. De hoogte van het voorschot bedraagt 100% van het bedrag van de verlening, bedoeld
in artikel 14.
3. Betaling van het voorschot geschiedt binnen twee weken na subsidieverlening.
Artikel 20. Opschorting van de betaling
Onverminderd artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht, schort het UWV de betaling
van een voorschot als bedoeld in artikel 19, eerste lid, op, indien:
a. sprake is van een ernstig vermoeden dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden of de
verplichtingen, bedoeld in artikel 23, onderdeel a, b, en c, die zijn verbonden aan
de loonsubsidie; of
b. een melding van de werkgever daartoe aanleiding geeft.
Artikel 21. Subsidievaststelling
1. Het UWV stelt de loonsubsidie ambtshalve vast vanaf 27 weken na afloop van het crisistijdvak,
bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, en uiterlijk binnen 10 maanden na afloop
van het crisistijdvak.
2. Voor de berekening van de hoogte van de loonsubsidie op grond van artikel 14, worden
voor de beschikking omtrent subsidievaststelling de gegevens uit de polisadministratie
gebruikt zoals deze gelden op de peildatum. Die peildatum is de eerste dag van de
27e week na afloop van het crisistijdvak.
3. Indien in een loonaangifte van de werkgever na de peildatum, bedoeld in het tweede
lid, nieuwe of gewijzigde gegevens zijn opgenomen die zouden leiden tot een lager
bedrag aan loonsubsidie, kan het UWV besluiten deze gegevens in aanmerking te nemen
voor de vaststelling van de hoogte van de loonsubsidie, bedoeld in artikel 14.
4. Indien de werkgever niet voldoet aan de verplichting in artikel 23, onderdeel d,
verlaagt het UWV de hoogte van de loonsubsidie, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
berekend op basis van het subsidiabele loon van de werknemer ten aanzien waarvan de
verplichting niet is nagekomen, naar 75% van dat bedrag.
Artikel 22. Subsidievaststelling werkgevers met aangiftetijdvak halfjaar of jaar
Als een werkgever een aangiftetijdvak hanteert van een halfjaar of jaar geldt voor
de vaststelling van loonsubsidie dat:
a. in afwijking van artikel 14, vijfde lid, voor de berekening van het maximale geconstrueerde
loon het maximale dagloon wordt vermenigvuldigd met 130,5 voor aangiftetijdvakken
van een halfjaar en vermenigvuldigd met 261 voor aangiftetijdvakken van een jaar;
b. in afwijking van artikel 21, eerste lid, het UWV de loonsubsidie ambtshalve vaststelt
vanaf het moment dat van het loon over de subsidiabele uren in het subsidietijdvak,
bedoeld in artikel 13, loonaangifte is gedaan en ten minste 26 weken na afloop van
het crisistijdvak zijn verstreken;
c. indien van het loon over de subsidiabele uren in het subsidietijdvak, bedoeld in artikel 13,
binnen 26 weken na afloop van het crisistijdvak geen loonaangifte is gedaan, het UWV
in afwijking van artikel 21, eerste lid, de loonsubsidie uiterlijk ambtshalve vaststelt
binnen vier maanden nadat loonaangifte is gedaan;
d. indien op de peildatum, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van het loon over de subsidiabele
uren in het subsidietijdvak nog geen loonaangifte is gedaan, wordt in afwijking van
artikel 21, tweede lid, voor de berekening van de subsidievaststelling, de ten tijde
van vaststelling over de aangiftetijdvakken meest recent ingediende loonaangifte waarin
het loon over de subsidiabele uren in het subsidietijdvak is verantwoord, benut.
Artikel 23. Verplichtingen bij subsidieverstrekking en overdraagbaarheid
1. De werkgever aan wie loonsubsidie wordt verstrekt is verplicht:
a. aan het UWV bij de aanvraag tot subsidieverlening juiste en volledige gegevens te
verstrekken en nadien onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden
mede te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen
zijn op het recht op loonsubsidie;
b. een zodanig controleerbare administratie te voeren dat alle voor de verstrekking van
de loonsubsidie van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan en desgevraagd tot
vijf jaar na de datum van vaststelling van de loonsubsidie inzage te geven in deze
administratie;
c. de loonaangifte op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 te doen op de voorgeschreven
wijze;
d. in het crisistijdvak, en tot en met vier maanden na afloop van dat tijdvak geen verzoek
in te dienen als bedoeld in artikel 671a, lid 1 of 2, of artikel 671b, lid 1, onderdeel b,
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek om de arbeidsovereenkomst te beëindigen op grond
van artikel 669, lid 3, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Een verstrekte loonsubsidie is niet overdraagbaar.
Paragraaf 4. Bestuurlijke boete
Artikel 24. Bestuurlijke boete inlichtingenplicht
1. Het UWV kan aan de werkgever die niet voldoet aan de inlichtingenplicht, bedoeld
in artikel 9, of 23, eerste lid, onderdeel a, een bestuurlijke boete opleggen indien
op de aanvraag anders zou zijn beslist of indien de beschikking op de aanvraag zou
zijn ingetrokken of gewijzigd indien de juiste of volledige gegevens bij het UWV bekend
zouden zijn geweest.
2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld
in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. In geval van een herhaalde
overtreding als bedoeld in het zesde lid bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste
het bedrag van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
3. De beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete baseert het UWV in ieder
geval op:
a. de aard en ernst van de overtreding;
b. de mate van verwijtbaarheid van de werkgever; en
c. de mate waarin de overtreding het gevolg is van een handelen of nalaten van het UWV.
4. Het UWV legt een bestuurlijke boete op indien de werkgever:
a. een valselijk opgemaakt of vervalst geschrift als echt en onvervalst heeft gebruikt
om een positieve beschikking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of een loonsubsidie
te verkrijgen of te behouden, dan wel heeft gebruikt om mededelingen te doen over
feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het verkrijgen van die beschikking
of het recht op loonsubsidie;
b. de inlichtingenverplichting opzettelijk heeft overtreden of grove schuld heeft ten
aanzien van de overtreding en dit feit strekt tot bevoordeling van zichzelf; of
c. een overtreding heeft gepleegd waarvoor in beginsel strafrechtelijke vervolging is
aangewezen en strafrechtelijke vervolging in het betreffende geval is uitgebleven.
5. Het UWV ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete, indien:
a. de werkgever voordat de overtreding door het UWV is geconstateerd uit eigen beweging
alsnog de juiste inlichtingen verstrekt; of
b. naar het oordeel van het UWV aannemelijk is dat sprake is van een vergissing of anderszins
een bestuurlijke boete niet zal bijdragen aan de met het betreffende besluit te dienen
doelen.
6. De bestuurlijke boete kan worden verhoogd indien nog geen vijf jaar is verstreken
sinds een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie wegens een overtreding
van de inlichtingenverplichting onherroepelijk is geworden.
7. Het UWV is bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd,
de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan
een schuldregeling.
8. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het
UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke
boete van belang zijn.
9. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn. Van een dringende reden is onder meer sprake indien de nadelige
gevolgen van het opleggen van een bestuurlijke boete voor een belanghebbende onevenredig
zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
10. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
11. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot
de hoogte van de boetes wanneer de werkgever niet voldoet aan de inlichtingenplicht
in artikel 23, eerste lid, onderdeel a.
Paragraaf 5. Wijziging andere wetten
Artikel 25. Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht
De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd.
A
In bijlage 1 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:
Wet personeelsbehoud bij crisis:
een beschikking als bedoeld in artikel 3, eerste lid en artikel 4, tweede lid.
B
In artikel 10 van bijlage 2 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: Wet personeelsbehoud
bij crisis.
Artikel 26. Wijziging van het Burgerlijk Wetboek
Na artikel 660a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt een nieuw artikel ingevoegd,
luidende:
Artikel 660b
1. De werkgever kan een werknemer in verband met een crisis als bedoeld in artikel 2
van de Wet personeelsbehoud bij crisis gedurende het tijdvak, bedoeld in artikel 4,
eerste en tweede lid, van die wet, voor de uren waarin de werknemer de bedongen arbeid
niet kan verrichten:
a. passende arbeid aanbieden met behoud van zijn loon en voor zover hierna niet anders
is bepaald, dezelfde arbeidsvoorwaarden, welke arbeid de werknemer verplicht is te
verrichten met dien verstande dat:
1°. de passende arbeid een bij de functie behorende gelijkwaardige of lagere beloning
kent dan de bedongen arbeid;
2°. de arbeid wordt verricht bij dezelfde werkgever of bij een werkgever binnen dezelfde
groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2; en
3°. eventuele extra reistijd wordt aangemerkt als werktijd en extra reiskosten worden
vergoed; of
b. in afwijking van artikel 628, lid 1, 90% betalen over die uren, met dien verstande
dat hij de werknemer over die uren ten minste het uurloon betaalt waarop een persoon
van de leeftijd van de werknemer ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet minimumloon
en minimumvakantie recht heeft.
2. De werkgever kan de instrumenten, bedoeld in lid 1, inzetten:
a. indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft vastgesteld dat hij
voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet personeelsbehoud
bij crisis;
b. indien per categorie van uitwisselbare functies de herplaatsing of de verminderde
loondoorbetaling voor alle werknemers binnen die categorie voor een gelijk percentage
van de voor hen geldende arbeidsomvang wordt ingezet, waarbij voor de herplaatsing
wordt afgerond op hele uren; en
c. indien voorafgaand aan het crisistijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid,
van de Wet personeelsbehoud bij crisis:
1°. de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd of ontbonden op grond van artikel 669, lid 3,
onderdeel a; en
2°. de werkgever geen toestemming heeft verkregen als bedoeld in artikel 671a, lid 1 of
2, om de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 669, lid 3, onderdeel a, op te zeggen,
die op grond van artikel 671a, zesde lid, tijdens het crisistijdvak geldig is;
d. voor zolang in dat crisistijdvak door de werkgever geen verzoek is ingediend als bedoeld
in artikel 671a, lid 1 of 2, of artikel 671b, lid 1, onderdeel b, om de arbeidsovereenkomst
te beëindigen op grond van artikel 669, lid 3, onderdeel a.
3. Nadat de werkgever de aanvraag voor verlening van loonsubsidie, bedoeld in artikel 15
van de Wet personeelsbehoud bij crisis, heeft ingediend, informeert hij onverwijld
de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming werkzame
personen over de uren, per categorie van uitwisselbare functies, waarover verminderde
loondoorbetaling, als bedoeld in lid 1, onderdeel b, heeft plaatsgevonden.
4. Onder passende arbeid als bedoeld in lid 1, onderdeel a, wordt verstaan alle arbeid
die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding
om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.
5. Lid 1, onderdeel b, is slechts van toepassing op een werknemer die in verband met
ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling als bedoeld in artikel 629
verhinderd is arbeid te verrichten, voor zover deze meer dan 90% van het naar tijdruimte
vastgestelde loon ontvangt.
6. Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking
tot het bepalen van de categorie van uitwisselbare functies, bedoeld in lid 2, onderdeel b.
7. Elk beding dat ten nadele van de werknemer afwijkt van lid 1, onderdeel b, is nietig.
Artikel 27. Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen
De Wet financiering sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 99, onderdeel e, komt te luiden:
e. de bedragen die het UWV ontvangt door de toepassing van de artikelen 23, onderdeel d,
en 24 van de Wet personeelsbehoud bij crisis en artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht
ten aanzien van loonsubsidies als bedoeld in paragraaf 3 van de Wet personeelsbehoud
bij crisis;
B
Artikel 100 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel c wordt voor «de uitvoeringskosten, voorzover deze betrekking hebben
op de in de onderdelen a en b» ingevoegd «de uitvoeringskosten die betrekking hebben
op de uitvoering van de Wet personeelsbehoud bij crisis,» en wordt «voorzover» vervangen
door «voor zover».
2. Onderdeel e komt te luiden:
e. de op grond van paragraaf 3 van de Wet personeelsbehoud bij crisis te betalen loonsubsidies;
Paragraaf 6. Slotbepalingen
Artikel 28. Evaluatiebepaling
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 29. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 30. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet personeelsbehoud bij crisis.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Werk en Participatie,
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.