Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de Geannoteerde agenda van de informele Raad Algemene Zaken van 11 en 12 mei 2026 (Kamerstuk 21501-02-3388)
2026D20868 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal fracties de behoefte
vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de Minister van Buitenlandse
Zaken d.d. 24 april 2026 inzake de geannoteerde agenda van de informele Raad Algemene
Zaken van 11 en 12 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3388) en de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 10 april 2026 inzake het
voorstel roaming Westelijke Balkan (Kamerstuk 22 112, nr. 4310).
De voorzitter van de commissie,
Van Meetelen
De adjunct-griffier van de commissie,
Moonen
Inhoudsopgave
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
II Reactie van de Minister van Buitenlandse Zaken
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor
de informele Raad Algemene Zaken van 11 en 12 mei 2026. Zij hebben hierover een aantal
vragen en opmerkingen.
Meerjarig Financieel Kader
De leden van de fractie van JA21 maken zich grote zorgen over de inzet van de Europese
Commissie voor het volgende Meerjarig Financieel Kader 2028–2034. De Commissie heeft
eerder een voorstel gepresenteerd voor een EU-begroting van ongeveer 2 biljoen euro.
Deze leden achten een dergelijke omvang volstrekt onaanvaardbaar. Nederland is reeds
jarenlang een van de grootste nettobetalers van de Europese Unie. Verdere groei van
de EU-begroting betekent dat Nederlandse huishoudens en bedrijven uiteindelijk opnieuw
de rekening betalen.
De leden van de fractie van JA21 constateren bovendien dat het Europees Parlement
inzet op een nog hogere EU-begroting dan de Europese Commissie. Deze leden achten
dat hoogst onverantwoord. Hoe beoordeelt de Minister deze inzet van het Europees Parlement?
Deelt de Minister de stelling dat een nog hogere inzet vanuit het Europees Parlement
de druk op de Raad vergroot om uiteindelijk uit te komen op een compromis dat alsnog
veel te hoog is?
De leden van de fractie van JA21 vragen hoe de Minister verwacht dat de onderhandelingen
tussen de Raad, Commissie en Europees Parlement zullen verlopen. Gaat de Minister
ervan uit dat het Commissievoorstel het vertrekpunt wordt, of zet de Minister in op
een Raadspositie die daar substantieel onder ligt? Is de Minister bereid binnen de
Raad aan te dringen op een onderhandelingspositie met harde eisen, waaronder een aanzienlijk
lager totaalplafond, geen verslechtering van de Nederlandse nettobetalingspositie,
geen nieuwe Europese belastingen, geen gezamenlijke schulden en geen omzetheffing
voor grote ondernemingen? Kan de Minister toezeggen dat Nederland niet akkoord gaat
met een onderhandelingsmandaat waarin deze rode lijnen onvoldoende zijn opgenomen?
De leden van de fractie van JA21 constateren dat de Europese Commissie in toenemende
mate inzet op een grotere, flexibelere en autonomer gefinancierde EU-begroting. Deze
leden zien daarin een fundamentele verschuiving: van een Unie die financieel afhankelijk
is van bijdragen van lidstaten naar een Unie die steeds meer eigen budgettaire armslag
probeert te verwerven. Dat raakt rechtstreeks aan de begrotingssoevereiniteit van
nationale parlementen.
De Minister schrijft voorstander te zijn van een moderne en toekomstbestendige EU-begroting
met voldoende flexibiliteit om in te spelen op onvoorziene uitdagingen en crises.
Deze leden vragen de Minister nader te concretiseren wat hij onder «voldoende flexibiliteit»
verstaat. Welke bestaande instrumenten acht de Minister daarvoor toereikend, en welke
niet? Kan de Minister uitsluiten dat meer flexibiliteit leidt tot een grotere EU-begroting,
hogere Nederlandse afdrachten of minder parlementaire controle?
De leden van de fractie van JA21 missen in de inzet van het kabinet een duidelijke
vraag die bij elke begrotingsdiscussie centraal zou moeten staan: waarom bezuinigt
de Europese Unie eigenlijk vrijwel nooit? De Commissie en het Europees Parlement spreken
steeds over nieuwe prioriteiten, nieuwe crises en nieuwe financieringsbronnen, maar
veel minder over het schrappen, afbouwen of grondig hervormen van bestaande uitgaven.
Deze leden vinden dat onbegrijpelijk. Indien de EU meer wil doen, dan moet de eerste
vraag zijn welke bestaande uitgaven worden verminderd, niet welke nieuwe belastingen,
afdrachten of schulden worden aangeboord. Hoe kijkt de Minister hiernaar?
De leden van de fractie van JA21 wijzen erop dat landbouwsubsidies en cohesiefondsen
nog altijd een zeer groot deel van de Europese begroting beslaan. Juist op deze terreinen
is een fundamentele hervorming noodzakelijk. Deelt u de opvatting dat landbouw- en
cohesie-uitgaven niet automatisch op peil gehouden moeten worden, maar kritisch moeten
worden beoordeeld op doelmatigheid, toegevoegde Europese waarde en noodzaak?
De leden van de fractie van JA21 vragen of de Minister bereid is in de MFK-onderhandelingen
expliciet in te zetten op lagere uitgaven voor traditionele begrotingsposten zoals
landbouw en cohesie, in plaats van op hogere afdrachten of nieuwe eigen middelen.
Is de Minister bereid in te zetten op een forse verlaging van de cohesie-uitgaven
in het volgende MFK? Deelt u de opvatting dat het cohesiebeleid niet mag verworden
tot een permanent herverdelingsmechanisme tussen lidstaten?
Ten aanzien van landbouwuitgaven vragen deze leden of de Minister bereid is te pleiten
voor een fundamentele hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, waarbij
minder geld verdwijnt in Brusselse bureaucratie, generieke regelingen en steeds uitgebreidere
voorwaarden, en meer ruimte ontstaat voor innovatie, ondernemerschap en lastenverlichting.
Acht de Minister het nog verdedigbaar dat een groot deel van de EU-begroting via traditionele
landbouwuitgaven wordt verdeeld, terwijl tegelijkertijd wordt gesteld dat er onvoldoende
geld is voor grensbewaking, innovatie en concurrentievermogen? Welke mogelijkheden
ziet de Minister om landbouwmiddelen doelmatiger in te zetten en tegelijkertijd de
totale omvang van de EU-landbouwuitgaven te verlagen?
De leden van de fractie van JA21 vragen de Minister of hij bereid is als uitgangspunt
te hanteren dat nieuwe prioriteiten binnen de EU-begroting in beginsel moeten worden
gefinancierd door herprioritering en besparingen binnen bestaande uitgaven. Kan de
Minister toezeggen dat Nederland zich in de onderhandelingen niet beperkt tot het
afwijzen van nieuwe middelen en gezamenlijke schulden, maar ook actief inzet op concrete
bezuinigingen en hervormingen aan de uitgavenkant van de EU-begroting?
De leden van de fractie van JA21 steunen het kabinet in zijn verzet tegen nieuwe instrumenten
die gebruikmaken van gemeenschappelijke leningen, zoals een crisisinstrument. Deze
leden zien gezamenlijke Europese schulden als een principiële grens. Het coronaherstelfonds
werd destijds gepresenteerd als een uitzonderlijk en tijdelijk instrument, maar bestond
in de praktijk uit uitgaven en steun op basis van gezamenlijke EU-leningen. Wat deze
leden betreft mag die uitzondering niet de opmaat worden naar een permanente schuldenunie.
Kan de Minister bevestigen dat Nederland geen enkel nieuw instrument zal steunen dat
direct of indirect leidt tot gemeenschappelijke schuldfinanciering, gezamenlijke aansprakelijkheid
of nieuwe leenruimte op EU-niveau? Kan de Minister daarbij expliciet ingaan op constructies
waarbij de EU goedkoop leent op basis van de kredietwaardigheid en garanties van de
lidstaten, om deze middelen vervolgens door te lenen aan lidstaten? Deelt u de opvatting
dat ook dergelijke «leningen voor leningen» de facto neerkomen op het collectiviseren
van kredietrisico’s, waarbij landen met een sterke kredietwaardigheid, zoals Nederland,
mede garant staan voor goedkopere financiering van lidstaten met zwakkere overheidsfinanciën?
De leden van de fractie van JA21 vragen voorts hoe het krachtenveld in de Raad eruitziet.
Welke lidstaten delen de Nederlandse terughoudendheid ten aanzien van de omvang van
het MFK en het gebruik van gemeenschappelijke leningen?
De leden van de fractie van JA21 vragen ook aandacht voor de financieringszijde van
de EU-begroting en het Eigenmiddelenbesluit. Nieuwe eigen middelen mogen wat deze
leden betreft niet uitgroeien tot Europese belastingen waarmee Brussel rechtstreeks
of semi-rechtstreeks toegang krijgt tot nieuwe inkomstenbronnen. De discussie over
eigen middelen is volgens deze leden geen technische begrotingskwestie, maar een fundamentele
vraag over fiscale soevereiniteit, democratische controle en de financiële verhouding
tussen lidstaten en Europese instellingen. De leden van de fractie van JA21 constateren
dat in de discussie over het volgende MFK verschillende nieuwe eigen middelen aan
de orde zijn, waaronder een grondslag op niet-ingezameld elektronisch afval, een tabak-gerelateerde
bijdrage en een mogelijke bijdrage van grote ondernemingen. Kan de Minister per voorgesteld
eigen middel aangeven of hij dit voorstel steunt, afwijst of nog beoordeelt? Indien
de Minister nog geen definitief oordeel heeft, welke informatie ontbreekt dan precies
en wanneer verwacht hij hierover wel een positie te kunnen innemen?
EU-uitbreiding
De leden van de fractie van JA21 zijn in principe geen voorstander van verdere uitbreiding
van de Europese Unie. De Unie heeft in haar huidige vorm al grote moeite om slagvaardig,
democratisch controleerbaar en financieel beheersbaar te functioneren. Verdere uitbreiding
dreigt deze problemen te vergroten. Indien uitbreiding desondanks aan de orde is,
mag er geen enkele afbreuk worden gedaan aan de Kopenhagencriteria en de absorptiecapaciteit
van de Unie. De Minister schrijft dat vanwege de geopolitieke realiteit een realistisch
perspectief op uitbreiding nodig is. De leden van de fractie van JA21 vragen de Minister
wat hier precies mee wordt bedoeld. Betekent «geopolitieke realiteit» dat de Minister
bereid is politieke of strategische overwegingen zwaarder te laten wegen dan strikte
naleving van de toetredingscriteria? Kan de Minister bevestigen dat toetreding uitsluitend
mogelijk is wanneer kandidaat-lidstaten volledig voldoen aan alle criteria, en dat
geopolitieke urgentie nooit mag leiden tot versoepeling of versnelling van de procedure?
Deze leden vragen in dit verband specifiek naar Oekraïne en Moldavië. De leden van
de fractie van JA21 erkennen het belang van samenwerking met Oekraïne, maar achten
EU-toetreding onrealistisch en onverstandig. Een groot land in oorlog, met grote institutionele,
economische en rechtsstatelijke uitdagingen, kan wat deze leden betreft niet binnen
enkele jaren volwaardig lid worden van de Europese Unie. Is de Minister bereid, net
als Duitsland, expliciet uit te spreken dat Nederland geen versnelde toetredingsprocedure
voor Oekraïne zal steunen? Hoe kijkt de Minister in dit kader naar het onrealistische
Oekraïense tijdspad richting mogelijke EU-toetreding in 2027? En hoe kijkt de Minister
naar de soortgelijke situatie specifiek voor Moldavië?
De leden van de fractie van JA21 vragen daarnaast hoe de Minister aankijkt tegen alternatieve
vormen van nauwere samenwerking met kandidaat-lidstaten, bijvoorbeeld toegang tot
delen van de interne markt, intensievere politieke dialoog of deelname aan bepaalde
programma’s zonder volwaardig lidmaatschap. Acht de Minister dergelijke alternatieven
wenselijk? Zo ja, hoe wordt voorkomen dat deze tussenstappen in de praktijk functioneren
als een sluiproute naar volledig EU-lidmaatschap?
De leden van de fractie van JA21 vragen ook naar de institutionele en budgettaire
gevolgen van uitbreiding. Hoe voorkomt de Minister dat verdere uitbreiding leidt tot
hogere Nederlandse afdrachten, grotere druk op landbouw- en cohesiemiddelen, meer
druk op de buitengrenzen, tragere en complexere besluitvorming en verdere verwatering
van de Nederlandse invloed binnen de Unie? Is de Minister bereid geen verdere stappen
in toetredingsprocessen te steunen zonder voorafgaande, openbare en landenspecifieke
analyse van de gevolgen voor de EU-begroting, de Nederlandse nettobetalingspositie,
de institutionele verhoudingen, de besluitvorming en het functioneren van de Unie?
Tot slot vragen deze leden hoe de Minister waarborgt dat rechtsstatelijke en democratische
voorwaarden ook na toetreding afdwingbaar blijven. De EU heeft in het verleden laten
zien dat zij moeite heeft met handhaving zodra landen eenmaal lid zijn. Welke harde
garanties, terugvalmechanismen of financiële sancties wil de Minister opnemen in toekomstige
toetredingsafspraken?
II. Reactie van de Minister van Buitenlandse Zaken
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.F. van Meetelen, voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken -
Mede ondertekenaar
J.H.R. Moonen, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.