Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de antwoorden VGO-onderzoekers naar aanleiding van Gezondheidsraadadvies over gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen (Kamerstuk 28973-297)
2026D20848 Inbreng Verslag van een schriftelijk overleg
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben
de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief Antwoorden VGO-onderzoekers naar
aanleiding van Gezondheidsraadadvies over gezondheidsrisico’s voor omwonenden van
geitenhouderijen (Kamerstuk 28973–297).
De voorzitter van de commissie,
Steen
Adjunct-griffier van de commissie,
De Keijzer
Inhoudsopgave
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
II Antwoord / Reactie van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de antwoorden van
de Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)-onderzoekers op de vragen die voortvloeien
uit het tweede deeladvies van de Gezondheidsraad over gezondheidsrisico's voor omwonenden
van geitenhouderijen. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie constateren dat de VGO-onderzoekers hebben vastgesteld
dat ook op een woonafstand van 500 tot 1.000 meter van een geitenhouderij nog steeds
14 procent meer gevallen van longontsteking worden gevonden dan op een afstand van
meer dan 1.000 meter, maar dat het niet statistisch significant is. Deze leden vragen
de Minister toe te lichten hoe zij dit gegeven weegt bij de uitwerking van de afstandsnorm,
of en welk nader onderzoek zal worden uitgezet en of het voorzorgsbeginsel aanleiding
geeft om de norm van één kilometer als minimumgrens te beschouwen in plaats van als
enige grens.
De leden van de D66-fractie vragen of de Minister het met deze leden eens is dat het
noodzakelijk is dat er op zeer korte termijn duidelijkheid komt richting omwonenden,
gemeenten, geitenhouders en andere betrokkenen gezien de gevolgen voor de gezondheid
en gezien de lopende ontwikkelingen van bijvoorbeeld nieuwe woningen en zorgcentra.
Is er een beeld van hoeveel nieuwe ontwikkelingen op korte termijn duidelijkheid behoeven
en wordt hiermee rekening gehouden?
De leden van de D66-fractie constateren dat de VGO-onderzoekers aangeven geen onderbouwde
uitspraken te kunnen doen over de invloed van bedrijfsgrootte op het gezondheidsrisico,
maar dat dit nadrukkelijk niet betekent dat dit effect er niet is. Het ontbreken van
bewijs is immers geen bewijs van afwezigheid. Deze leden vragen de Minister toe te
lichten of zij, gelet op het voorzorgsbeginsel, bereid is bij de uitwerking van de
afstandsnorm ook uitbreidingslocaties onder de norm te laten vallen. Kan zij tevens
toezeggen verder onderzoek te laten doen naar dit mogelijke effect? Is de Minister
het met deze leden eens dat het belang van in eerste instantie volksgezondheid, maar
ook woningbouw zeer zwaar weegt en is zij bereid om bij de vormgeving van het afwegingskader
naast volksgezondheid het maatschappelijk belang van nieuwe woningbouwprojecten sterk
mee te wegen?
De leden van de D66-fractie vragen de Minister toe te lichten hoe zij de aanbeveling
van de Gezondheidsraad om emissiereducerende maatregelen te treffen concreet gaat
uitwerken en op welke termijn omwonenden resultaat kunnen verwachten van die maatregelen
in de vorm van aantoonbare emissiereductie. Wordt hiervoor een meetbare doelstelling
gehanteerd? Op welke termijn verwacht de Minister dat de invoering van dierrechten
in de geitenhouderij kan helpen om de hoeveelheid geitenhouderijen in de buurt van
omwonenden te beperken?
De leden van de D66-fractie vragen de Minister toe te lichten hoe de monitoring van
gezondheidseffecten bij omwonenden van geitenhouderijen wordt vormgegeven, onder andere
in het kader van bedrijfsgrootte en de emissiereducerende maatregelen, en op welke
termijn(en) deze resultaten aan de Kamer worden gerapporteerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de antwoorden van de VGO-onderzoekers
naar aanleiding van het advies van de Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico’s
voor omwonenden van geitenhouderijen. Deze leden hebben hierover op dit moment geen
nadere opmerkingen of vragen. Eventuele vragen zullen zij stellen tijdens het commissiedebat
Zoönosen en dierziekten op 28 mei 2026.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de bijgevoegde antwoorden van de VGO-onderzoekers.
Deze leden hebben hierover de volgende vragen en opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de bevinding dat op een woonafstand
van 500–1.000 meter van een geitenhouderij 14 procent meer gevallen van longontsteking
worden gevonden dan op een afstand van meer dan 1.000 meter. Deze leden constateren
dat de Gezondheidsraad een verhoogd risico van 73 procent vaststelt binnen 500 meter
en 19 procen binnen de gehele kilometer. Deze leden vragen wat dit betekent voor de
mensen die nu op een afstand van 500–1.000 meter van een geitenhouderij wonen, hoeveel
mensen dit betreft en hoeveel gevallen van longontsteking per jaar aan deze blootstelling
zijn toe te schrijven en vragen de Minister deze cijfers te delen met de Kamer.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de conclusie van de VGO-onderzoekers
dat op basis van het beschikbare onderzoek geen onderbouwde uitspraken gedaan kunnen
worden over de invloed van bedrijfsgrootte op het gezondheidsrisico voor omwonenden.
Deze leden constateren dat de onderzoekers daarbij expliciet aangeven dat dit niet
betekent dat dit effect er niet is, maar dat het met de beschikbare data niet aangetoond
kan worden. Deze leden vragen op welke wijze de Minister de bestaande onzekerheid
over de invloed van bedrijfsomvang meeweegt bij de uitwerking van het beleid ten aanzien
van uitbreidingslocaties.
De leden van de CDA-fractie vragen voorts of de afstandsnorm die momenteel wordt uitgewerkt
ook zal gelden voor uitbreidingen van bestaande geitenbedrijven en wanneer de Kamer
hierover uitsluitsel krijgt.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het feit dat de oorspronkelijke
beleidsvraag over de relatie tussen bedrijfsomvang en risico in relatie tot emissiereducerende
maatregelen door de onderzoekers niet beantwoord kon worden. Deze leden vragen wanneer
de Minister verwacht dat er wel voldoende data beschikbaar is om deze vraag te beantwoorden
en of de Minister bereid is hiertoe aanvullend onderzoek te laten uitvoeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 maart 2026 en de bijbehorende stukken. Deze
leden constateren dat de conclusies rondom de relatie tussen veehouderij en longontstekingen
in de afgelopen jaren herhaaldelijk en ingrijpend zijn gewijzigd. Waar in eerdere
fasen van het VGO-onderzoek nog werd gesproken over een verband met pluimveehouderijen,
is dit verband in latere onderzoeken losgelaten. Tegelijkertijd is de aandacht verschoven
naar geitenhouderijen, waarbij ook daar de aard en omvang van het veronderstelde effect
in de tijd aanzienlijk zijn veranderd. Daarnaast is de afstand waarbinnen een verhoogd
risico zou optreden steeds verder bijgesteld. Waar in eerdere studies werd gekeken
naar afstanden tot twee kilometer, werd dit later teruggebracht naar één kilometer
en blijkt uit de meest recente aanvullende analyse dat het statistisch significante
effect zich in feite beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter. Voor de afstand
tussen 500 en 1.000 meter wordt inmiddels geen statistisch significant verband meer
gevonden. Ook de inschattingen van het aantal extra gevallen van longontsteking zijn
in de tijd sterk gewijzigd, evenals de daaruit afgeleide aantallen ziekenhuisopnames
en sterfgevallen. Deze leden constateren dat deze opeenvolgende en substantiële bijstellingen,
deels op basis van dezelfde onderliggende data, vragen oproepen over de robuustheid
en betrouwbaarheid van de gehanteerde methoden en de daarop gebaseerde conclusies.
Zij vragen de Minister hierop uitgebreid te reflecteren en aan te geven hoe dergelijke
verschuivingen zich verhouden tot de zekerheid waarmee eerder beleidsmatige en maatschappelijke
conclusies zijn getrokken. Deze leden vragen de Minister daarnaast of zij het met
deze leden eens is dat dergelijke forse bijstellingen in conclusies vragen om terughoudendheid
in beleid.
De leden van de BBB-fractie constateren voorts dat de Gezondheidsraad een afstandsnorm
van één kilometer adviseert, terwijl uit de meest recente analyse blijkt dat het verband
tussen 500 en 1.000 meter niet statistisch significant is. Deze leden vragen de Minister
op basis van welke wetenschappelijke onderbouwing wordt vastgehouden aan een afstandsnorm
van één kilometer, nu het effect buiten 500 meter niet overtuigend kan worden aangetoond.
Zij vragen de Minister tevens hoe wordt voorkomen dat beleid wordt gebaseerd op aannames
of veronderstellingen in plaats van op aantoonbare en consistente effecten.
De leden van de BBB-fractie merken op dat nog steeds geen specifiek oorzakelijk mechanisme
is vastgesteld dat het veronderstelde verband tussen geitenhouderijen en longontstekingen
kan verklaren. Er is geen specifieke ziekteverwekker geïdentificeerd en ook geen eenduidige
blootstellingsroute aangetoond. Deze leden vragen de Minister hoe het kabinet de proportionaliteit
van ingrijpende maatregelen weegt, zolang sprake is van statistische associaties zonder
aangetoonde causaliteit. Zij vragen daarbij expliciet hoe wordt voorkomen dat statistische
verbanden in de praktijk worden behandeld als feitelijke oorzakelijke relaties. Daarnaast
vragen deze leden de Minister of zij de opvatting deelt dat het hanteren van ingrijpende
maatregelen zonder aangetoonde causaliteit in essentie een politieke keuze is en geen
puur wetenschappelijke noodzaak.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat het VGO-onderzoek uitsluitend betrekking
heeft op wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en dat andere vormen van verblijf,
zoals werken, onderwijs, zorg en recreatie, niet zijn onderzocht. Deze leden constateren
dat desondanks juist deze niet-onderzochte situaties nu worden betrokken bij beleidsvorming,
onder andere via het aanwijzen van zogenoemde gevoelige locaties. Zij vragen de Minister
hoe dit zich verhoudt tot de wetenschappelijke basis van het onderzoek en hoe het
aanwijzen van dergelijke locaties kan worden gerechtvaardigd zonder dat hiervoor empirisch
bewijs beschikbaar is. Acht de Minister het verdedigbaar om beleid uit te breiden
naar situaties die expliciet buiten de reikwijdte van het onderzoek vallen? Zo ja,
hoe? Deze leden vragen ook of de Minister bereid is om gericht onderzoek te laten
uitvoeren naar deze vormen van verblijf, zodat vastgesteld kan worden of het veronderstelde
verband zich daar al dan niet voordoet.
De leden van de BBB-fractie constateren daarnaast dat de VGO-onderzoekers aangeven
dat geen onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan over de relatie tussen de omvang
van geitenbedrijven en het gezondheidsrisico voor omwonenden. Tegelijkertijd wordt
in de beleidsreactie gesproken over mogelijke maatregelen die juist betrekking hebben
op de omvang van bedrijven, zoals het beperken van uitbreiding. Deze leden vragen
de Minister hoe dergelijke beleidsvoornemens zich verhouden tot het ontbreken van
een aantoonbaar verband. Zij vragen of de Minister het met deze leden eens is dat
het nemen van maatregelen gericht op bedrijfsomvang zonder dat een effect daarvan
is aangetoond, de onderbouwing en daarmee de legitimiteit van het beleid onder druk
zet. Kan de Minister bevestigen dat hier feitelijk sprake is van beleid dat vooruitloopt
op bewijs dat er (nog) niet is?
De leden van de BBB-fractie merken op dat de onderzoekers aangeven dat het ontbreken
van een aangetoond effect van bedrijfsgrootte mede kan samenhangen met beperkt onderscheidend
vermogen van de data. Deze leden vragen de Minister hoe in het beleid wordt omgegaan
met deze onzekerheid en in hoeverre hier het ontbreken van bewijs feitelijk wordt
geïnterpreteerd als een aanwijzing voor mogelijk risico. Zij vragen hoe wordt voorkomen
dat deze benadering leidt tot vergaande maatregelen zonder voldoende wetenschappelijke
onderbouwing.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat uit de voorliggende stukken geen onderbouwd
verband blijkt tussen de omvang van een geitenhouderij en het veronderstelde gezondheidsrisico
voor omwonenden. Deze leden vinden dat niet alleen een lacune, maar ook een aanwijzing
dat de huidige risicoschattingen onvoldoende onderscheidend zijn. Immers, als de omvang
van een bedrijf geen aantoonbaar verschil maakt, betekent dit dat het veronderstelde
effect kennelijk niet toeneemt bij meer dieren. Dat roept de vraag op hoe deze bevinding
zich verhoudt tot situaties met een zeer beperkt aantal geiten, zoals kleinschalige
houderijen of kinderboerderijen. Deze leden benadrukken dat zij dergelijke locaties
niet als probleem zien, maar constateren dat het onderzoek daarmee lastig te rijmen
is. Kan de Minister toelichten hoe deze uitkomsten moeten worden geïnterpreteerd?
Acht zij dit een aanwijzing dat het onderzoek onvoldoende scherp onderscheid maakt
tussen verschillende situaties en hoe voorkomt zij dat op basis van deze onduidelijkheid
generiek beleid wordt ontwikkeld dat geen recht doet aan de feitelijke verschillen
in de praktijk?
De leden van de BBB-fractie merken daarnaast op dat in de beschikbare onderzoeken
geen aanwijzingen naar voren komen dat geitenhouders zelf, hun medewerkers of andere
personen die frequent en langdurig op geitenhouderijen verblijven, een verhoogd risico
hebben op longontstekingen. Deze leden achten dat een relevante observatie, aangezien
juist deze groepen het meest intensief worden blootgesteld. Kan de Minister bevestigen
of deze groepen expliciet zijn onderzocht en zo ja, wat de uitkomsten daarvan zijn?
Indien deze groepen niet vaker longontsteking hebben, hoe verhoudt zich dat tot de
hypothese dat emissies uit geitenhouderijen de oorzaak zouden zijn? Hoe kan de Minister
verklaren dat er sprake zou zijn van een verhoogd risico voor omwonenden, terwijl
de meest intensief blootgestelde groepen dat risico niet laten zien?
Deze leden merken daarbij op dat een mogelijk tegenargument zou kunnen zijn dat geitenhouders
en hun medewerkers gemiddeld gezonder of jonger zijn. Deze leden vinden dat echter
geen afdoende verklaring, aangezien in epidemiologisch onderzoek standaard wordt gecorrigeerd
voor factoren zoals leeftijd, geslacht en gezondheidstoestand. Kan de Minister bevestigen
in hoeverre in het VGO-onderzoek voor deze factoren is gecorrigeerd en of daarmee
verschillen tussen bevolkingsgroepen voldoende zijn ondervangen? Indien dat niet het
geval is, wat zegt dat dan over de betrouwbaarheid van de getrokken conclusies?
De leden van de BBB-fractie constateren voorts dat in de analyses sprake is van verschillende
beperkingen, waaronder het niet kunnen meenemen van bepaalde huisartspraktijken, het
ontbreken van gegevens uit specifieke regio’s zoals Utrecht en het beperkte aantal
patiënten binnen bepaalde afstandscategorieën. Deze leden vragen de Minister in hoeverre
deze beperkingen de betrouwbaarheid en generaliseerbaarheid van de resultaten beïnvloeden
en hoe hiermee in de beleidsvorming rekening wordt gehouden.
De leden van de BBB-fractie wijzen er tot slot op dat bij andere gezondheidsvraagstukken
vaak gebruik wordt gemaakt van integrale maatstaven voor ziektelast om de proportionaliteit
van maatregelen te beoordelen. Deze leden vragen de Minister waarom een dergelijke
integrale weging in dit dossier ontbreekt, terwijl wel ingrijpende maatregelen worden
overwogen. Zij vragen hoe de Minister waarborgt dat beleidskeuzes in dit dossier gebaseerd
zijn op een zorgvuldige en evenwichtige afweging van risico’s, effecten en maatschappelijke
gevolgen.
De leden van de BBB-fractie constateren daarnaast dat in grote delen van Nederland
inmiddels sprake is van een moratorium op geitenhouderijen. Deze leden vinden dat
des te opvallender, omdat juist wordt gesteld dat afstand tot bebouwing een belangrijke
factor is in het mogelijke risico. Een moratorium blokkeert echter niet alleen uitbreiding,
maar ook verplaatsing van bedrijven. Daarmee wordt het voor geitenhouders feitelijk
onmogelijk gemaakt om juist wél meer afstand tot woningen te creëren. Deze leden vragen
de Minister hoe zij deze tegenstrijdigheid ziet. Deelt zij de opvatting dat een moratorium
averechts kan werken wanneer het doel is om afstand tussen bedrijven en bebouwing
te vergroten? Hoe verhoudt het blokkeren van verplaatsing zich tot het beleidsmatig
benadrukken van afstand als risicobeperkende maatregel? Deze leden vragen de Minister
voorts of zij bereid is te onderzoeken in hoeverre het huidige moratorium juist leidt
tot het «vastzetten» van bedrijven op locaties dicht bij woonkernen en daarmee mogelijk
het tegenovergestelde effect heeft van wat wordt beoogd. Kan de Minister tevens aangeven
hoe zij voornemens is dit knelpunt op te lossen en of zij bereid is om provincies
hierin actief te sturen of te ondersteunen?
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister tot slot om expliciet te maken waar
in dit dossier de grens ligt tussen wetenschappelijke onderbouwing en politieke risicokeuzes.
Kan de Minister per voorgestelde maatregel aangeven in hoeverre deze is gebaseerd
op aantoonbare effecten en in hoeverre op voorzorg of aannames? Acht de Minister het
wenselijk om bij zulke ingrijpende gevolgen voor een sectorbeleid te baseren op onzekerheden
die in de tijd aantoonbaar verschuiven?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief Antwoorden VGO-onderzoekers
naar aanleiding van Gezondheidsraadavies. Deze leden wijzen erop dat we al bijna 15
jaar weten dat geitenhouderijen een risico vormen voor de gezondheid van omwonenden.
Omwonenden hebben een verhoogd risico op longontstekingen, met elk jaar honderden
ziekenhuisopnames en zelfs sterfgevallen als gevolg.
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de Kamer de regering heldere kaders heeft
meegegeven voor de aanpak die de regering voor de zomer naar de Kamer zal sturen.
Zo heeft de Kamer duidelijk verzocht om geen uitbreiding, verplaatsing en nieuwbouw
van geitenstallen meer toe te staan (Kamerstuk 29 683, nr. 305) en opgeroepen om woningbouw en volksgezondheid te prioriteren boven de intensieve
geitenhouderij (Kamerstuk 29 683, nr. 320). Deze leden verzoeken het kabinet om deze moties uit te voeren.
De leden van de PvdD-fractie vragen hoe het kabinet het voorzorgsprincipe meeneemt
bij het bepalen van de afstandsnorm. Deelt de Minister de mening dat de volksgezondheid
niet mag lijden onder de geitenhouderij en het voorzorgsbeginsel hierin leidend zal
zijn? Kan de Minister bevestigen dat het kabinet volksgezondheid zal prioriteren boven
de intensieve geitenhouderij, conform de eerdergenoemde aangenomen motie (Kamerstuk
29 683, nr. 320)?
De leden van de PvdD-fractie wijzen er tevens op dat er in Nederland een groot tekort
aan betaalbare woningen is. Zolang er geen heldere afstandsnormen zijn, zullen mensen
die al jaren opzoek zijn naar een woning zich gedwongen kunnen voelen om een woning
te accepteren in de buurt van een geitenhouderij, ondanks dat zij hierdoor een verhoogd
risico hebben op longontstekingen. Tegelijkertijd zal het invoeren van een afstandsnorm
zonder een duidelijke regierol van het kabinet ertoe leiden dat er minder woningen
worden gebouwd en mensen in Nederland langer moeten wachten op een huis door de productie
van geitenvlees, -melk en -kaas voor voornamelijk het buitenland. De Kamer heeft al
aangegeven dat zij dit niet uit te leggen vindt. Kan de Minister bevestigen dat het
kabinet woningbouw zal prioriteren boven de intensieve geitenhouderij, conform eerdergenoemde
aangenomen motie (Kamerstuk 29 683, nr. 320)?
De leden van de PvdD-fractie vragen daarnaast aandacht voor de bredere druk op het
landgebruik in Nederland. Doordat bijna de helft van de grond in Nederland wordt gebruikt
voor de veehouderij is de beschikbare ruimte schaars en dit komt ook nog eens verder
onder druk te staan doordat het huidige landbouwsysteem grote gevolgen heeft voor
de volksgezondheid en de natuur. Deze leden benadrukken dat duidelijke en strenge
afstandsnormen noodzakelijk zijn om de volksgezondheid te beschermen. Tegelijkertijd
constateren zij dat de combinatie van grondgebruik voor de veehouderij, gezondheidsrisico’s
rond geitenhouderijen en andere effecten van de manier waarop het huidige landbouwsysteem
is ingericht, zoals stikstofdepositie en het gebruik van landbouwgif, ertoe leidt
dat een groeiend deel van het land ongeschikt is voor veilige woningbouw. Hoe weegt
het kabinet deze cumulatieve impact van ons landbouwsysteem op het landgebruik?
II Antwoord / Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
D.L. de Keijzer, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.