Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 12 mei 2026
2026D20557 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Defensie hebben de onderstaande fracties de behoefte
vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Defensie over de Raad Buitenlandse
Zaken Defensie van 12 mei 2026.
De voorzitter van de commissie,
Paternotte
Adjunct-griffier van de commissie,
Manten
Inhoudsopgave
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
II Antwoord / Reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Raad Buitenlandse zaken Defensie van 12 mei 2026. Hierover hebben deze
leden nog enkele vragen.
Is het kabinet bereid om in de RBZ en de EDA Steering Board te pleiten voor concrete
resultaatsverplichtingen voor het EDA, zodat het agentschap aantoonbaar bijdraagt
aan capaciteitsopbouw in plaats van primair beleidscoördinatie? Welke lopende EDA-projecten
beschouwt het kabinet als voldoende succesvol om op te schalen en welke juist als
onvoldoende effectief? In hoeverre acht het kabinet het realistisch dat het EDA daadwerkelijk
vraagbundeling van defensieaanschaf kan realiseren, en welke aanvullende instrumenten
of bevoegdheden zijn hiervoor noodzakelijk? Is het kabinet bereid om in Brussel in
te zetten op een duidelijkere taakafbakening tussen het EDA, de Europese Commissie
en de NAVO, en waar ziet het kabinet momenteel de grootste overlap of inefficiëntie?
Welke concrete versterkingen van mandaat en/of middelen zal Nederland actief bepleiten
om het EDA effectiever te maken? Op welk moment concludeert het kabinet dat het EDA
onvoldoende bijdraagt aan de versterking van Europese defensiecapaciteiten en welke
alternatieven ziet het kabinet in dat geval, zo vragen de leden van de D66-fractie.
Over de Europese Veiligheidsstrategie hebben de leden van de D66-fractie de volgende
vragen: gaat Nederland zich in de RBZ Defensie actief inzetten voor meetbare en tijdgebonden
doelstellingen in de EVS en hoe wordt voorkomen dat dit een breed maar niet-bindend
document blijft? Welke concrete commitments wil Nederland opgenomen zien in de EVS
ten aanzien van de steun aan Oekraïne, bijvoorbeeld op het gebied van productiecapaciteit
en leveringen? Welke strategische afhankelijkheden wil het kabinet prioritair verminderen,
en is het bereid om hiervoor ook economische of budgettaire consequenties te accepteren?
Welke rol ziet het kabinet voor de EU in het tegengaan van hybride dreigingen, en
waar ligt volgens het kabinet de grens ten opzichte van NAVO en nationale verantwoordelijkheden?
Hoe wil Nederland borgen dat de voortgang op de EVS structureel wordt gemonitord en
lidstaten worden aangesproken op naleving?
Verder vragen de leden van de D66-fractie waar voor Nederland in de RBZ Defensie de
primaire prioriteit ligt: snelle capaciteitsopbouw, versterking van de Europese defensie-industrie
of strategische autonomie? Is het kabinet bereid om in Brussel actief te kiezen voor
coalities van lidstaten die sneller willen samenwerken, ook als niet alle lidstaten
aansluiten? Hoe voorkomt het kabinet dat de toename van EU-defensie-initiatieven leidt
tot meer coördinatie en bureaucratie, maar onvoldoende concrete militaire output,
zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie zien kansen voor verdere Europese samenwerking nu de verkiezingen
in Hongarije een nieuwe regering hebben opgeleverd. Verwacht het kabinet dat de Hongaarse
blokkade van nieuwe steunpakketten voor Oekraïne vanuit de Europese Vredesfaciliteit
zal worden opgeheven? Hoeveel compensatie verwacht het kabinet nog te ontvangen vanuit
het fonds? Op welke manier zal Nederland zich inspannen om eventuele blokkades op
te heffen? Zijn er (naast Oekraïne-gerelateerde zaken) nog andere voorstellen op het
gebied van defensie en veiligheid die Hongarije in de afgelopen jaren heeft geblokkeerd
met hun veto? Zo ja, welke inspanning gaan we zien vanuit het kabinet om deze voorstellen
nieuw leven in te blazen?
De leden van de D66-fractie hebben ook nog enkele vragen over Europese defensiesamenwerking.
Hoe staat het kabinet tegenover het voorstel van Eurocommissaris Kubilius voor de
oprichting van een Europese Defensie Unie buiten de EU met deelname van het Verenigd
Koninkrijk, Noorwegen en Oekraïne? Wat is de Nederlandse inzet bij de verdere operationalisering
van Artikel 42.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie? Welke verwachtingen
heeft Nederland van de interne markt richtlijn voor defensie waar de Europese Commissie
mee zal komen? Hoe beoordeelt het kabinet de kritiek van Eurocommissaris Kubilius
op het veelvuldig gebruik van Artikel 346 VWEU door EU-lidstaten? Hoe kijkt het kabinet
in dat kader naar de aangekondigde aanpassing van Duitse wetgeving waarbij juist wordt
ingezet op het vaker gebruikmaken van de uitzonderingsgrond?
Tot slot hebben de leden van de D66-fractie nog enkele losse vragen. In lijn met de
Europese ambities is in het coalitieakkoord afgesproken dat aanbestedingsprocedures
voor defensiematerieel zullen worden vereenvoudigd. Welke actie zal het kabinet hier
concreet op ondernemen en zal hier worden gewacht op het Europese voorstel? Wanneer
zal de Kamer hierin worden meegenomen?
Nederland zou zich daarnaast inzetten voor een Europees defensiemechanisme en een
Europese versie van Five Eyes. Op welke manier zal het kabinet zich hier concreet
voor inzetten en wanneer hoort de Kamer daar meer over? Wanneer kan de Kamer de concreet
uitgewerkte voorstellen verwachten voor de gezamenlijke Europese aanschaf van strategische
capaciteiten in lijn met de aangenomen motie Belhirch c.s. (Kamerstuk 36 800-X, nr. 36)?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie steunen Oekraïne, omdat het een soeverein land is dat
door de Russische agressor onrechtmatig is binnengevallen. Tegelijkertijd heeft Nederland
inmiddels al heel veel aan Oekraïne betaald. Het is nu aan andere landen om meer bij
te dragen, zodat Nederland zich weer kan richten op de eigen problemen en de Nederlanders.
De leden van de PVV-fractie willen daarom substantieel minder financiële steun geven
aan Oekraïne en vinden dat Nederland eerst zijn eigen problemen moet oplossen. In
verhouding heeft Nederland al aanzienlijk meer bijgedragen dan veel andere landen
in Europa, met name landen in Zuid-Europa. De Minister moet juist die landen aanspreken
om extra bij te dragen.
De leden van de PVV-fractie verzetten zich tegen de Ukraine Support Loan, een financieel
steunpakket van 90 miljard euro. Kan de Minister aangeven welke financiële risico’s
Nederland loopt bij deze lening en in hoeverre Nederland garant staat voor eventuele
verliezen?
Kan de Minister concreet maken welk aandeel andere lidstaten bijdragen en hoe dit
zich verhoudt tot de Nederlandse bijdrage? Welke voorwaarden worden gesteld aan Oekraïne
bij deze leningen en hoe wordt toezicht gehouden op de besteding? Oekraïne mag, wat
de leden van de PVV-fractie, betreft nooit lid worden van de NAVO of de Europese Unie.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen om de bijdrage
aan de EUMAM te verlengen tot november 2028. Defensie werkt zelf aan een enorme opschaling
en verkort al trainingen om de doorstroom op peil te houden, terwijl er tegelijkertijd
sprake is van een tekort aan opleiders. Kan de Minister aangeven wat de afwegingen
zijn bij het verlengen van de EUMAM tot 2028? Kan de Minister aangeven wat de invloed
is van de verlenging van de EUMAM op de eigen trainingscapaciteiten en de operationele
slagkracht?
En kan de Minister toelichten of andere landen deze inzet (deels) kunnen overnemen,
zodat de druk op de Nederlandse defensieorganisatie wordt verlicht, zo vragen deze
leden.
De leden van de PVV-fractie hebben vragen over het internationale onderzoek naar het
opblazen van de Nord Stream-pijpleidingen. Over de uitkomsten van dit onderzoek zou
de Kamer worden geïnformeerd. Kan de Minister aangeven wat de Nederlandse inzet is
binnen dit onderzoek? Zet Nederland zich actief in om het proces te versnellen en
is de Minister bereid om waar mogelijk extra ondersteuning te bieden om dit te realiseren?
Kan de Minister toezeggen dat de Kamer tijdig en volledig wordt geïnformeerd over
de uitkomsten? Kan de Minister daarnaast aangeven wie volgens het kabinet verantwoordelijk
is voor het opblazen van de Nord Stream-pijpleidingen en wanneer daar duidelijkheid
over wordt verwacht? Is Nederland voornemens om alle directe en indirecte schade op
de daders te verhalen, zo vragen de leden van de PVV-fractie.
II Antwoord/ Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Paternotte, voorzitter van de vaste commissie voor Defensie -
Mede ondertekenaar
N.E. Manten, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.