Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Kapitaalmarktintegratie en Toezichtcentralisatie Pakket (KTP)(Kamerstuk 22112-4241)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4324
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 29 april 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Financiën over de brief van 30 januari 2026 over het Fiche: Kapitaalmarktintegratie
en Toezichtcentralisatie Pakket (KTP)(Kamerstuk 22 112, nr. 4241).
De vragen en opmerkingen zijn op 6 maart 2026 aan de Minister van Financiën voorgelegd.
Bij brief van 29 april 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, C. Jansen
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Steur
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het fiche over
het kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket (KTP). Deze leden onderschrijven
het belang van een sterkere, transparantere en meer geïntegreerde Europese kapitaalmarkt
met gecentraliseerd toezicht. De leden van de D66-fractie hebben nog enkele vragen
en opmerkingen.
De leden van de D66-fractie lezen dat een van de doelen van het pakket is om het regelgevend
kader te versimpelen en daarmee de lasten voor financiële instellingen te verlichten.
Deze leden vragen de Minister hoe concreet wordt gemeten of deze vereenvoudiging daadwerkelijk
leidt tot lagere administratieve lasten voor financiële instellingen. Op welke indicatoren
wordt dit gebaseerd? Wanneer kan de Minister hierover rapporteren of dit inderdaad
het geval is?
De financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk heeft de Europese Commissie
uiteengezet in het Impact Assesment, als onderdeel van de publicatie van het kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket.
Daaruit blijkt dat financiële instellingen profiteren als gevolg van deze voorstellen,
bijvoorbeeld doordat ze maar bij één toezichthouder hoeven te rapporteren en gebruik
kunnen maken van versimpelde lidmaatschaps- en monitoringsprocessen. Ook zullen er
minder verschillen in de interpretatie van Europese regelgeving ontstaan tussen de
lidstaten. Dit verlaagt hun administratieve lasten en bevordert efficiëntie.
Op dit moment lopen de onderhandelingen over dit pakket nog. De Tweede Kamer zal op
de gebruikelijke wijze worden geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen.
Het kabinet zet in op een afronding van de onderhandelingen voor het einde van 2026.
Op dat moment kan het kabinet meer duidelijkheid geven over de te verwachten lastenverlichting.
Daarna moeten elementen uit dit pakket worden geïmplementeerd binnen, zoals het er
nu naar uitziet, 24 maanden. Vanaf 2029 zouden de eerste effecten van dit pakket zichtbaar
moeten worden. Daarnaast zal vijf jaar na inwerkingtreding de Europese Commissie,
conform de Better Regulation Guidelines, de eerste evaluatie uitvoeren. Daarbij dient opgemerkt te worden dat bij wijzigingen
van regelgeving er eerst een kleine verzwaring van de administratieve lasten te verwachten
is om deze wijzigingen te implementeren (eenmalig) en dat de positieve structurele
gevolgen op de iets langere termijn zichtbaar zullen worden.
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet in beginsel positief staat tegenover
het voorstel om de regels voor vermogensbeheerders te versoepelen. Ze begrijpen dat
de nieuwe regels de regeldruk kunnen verminderen, maar vragen de Minister welke concrete
risico’s hierbij kunnen ontstaan. Kan de Minister nader toelichten welke risico’s
bijvoorbeeld kunnen ontstaan op het gebied van toezicht en controleerbaarheid en belangenconflicten.
In de eerste plaats stelt de Europese Commissie voor om het regelgevend kader voor
vermogensbeheerders meer te harmoniseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de regels voor
het verlenen van een vergunning en de procedure voor het notificeren van fondsen.
Hierdoor kunnen beheerders van beleggingsinstellingen eenvoudiger grensoverschrijdend
deelnemingsrechten aanbieden, hetgeen leidt tot kostenbeperking. Dit leidt niet per
definitie tot minder bescherming. Daarnaast zorgt het voorstel voor regeldrukvermindering
door de regels voor uitbesteding te versoepelen. De Europese Commissie stelt voor
om het uitvoeren van werkzaamheden binnen een Europese groep van vermogensbeheerders
niet langer als uitbesteding te kwalificeren. Hierdoor zal de Autoriteit Financiële
Markten (AFM) minder zicht hebben op wie bepaalde taken uitvoert binnen de groep van
vermogensbeheerders. Net als uitbesteding aan derden, kan ook uitbesteding binnen
de groep onder meer ICT risico’s meebrengen en leiden tot belangenconflicten. Hoewel
de uitbestedingsregels binnen de groep niet meer gelden, blijven er wel andere specifieke
regels gelden voor het beheersen van interne ICT risico’s (DORA) als het niet gaat
om uitbesteding en hetzelfde geldt op grond van de Wet op het financieel toezicht
voor het beheersen van belangenconflicten. De beheerder van een beleggingsinstelling
of beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) die
werkzaamheden binnen de groep laat uitvoeren, blijft verantwoordelijk dat wordt voldaan
aan DORA en de regels op grond van de Wet op het financieel toezicht. De AFM houdt
toezicht op de naleving van deze regels door de verschillende entiteiten binnen de
vermogensbeheergroep.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister hoe het kabinet de effecten van dit
pakket wil monitoren en de vraag wil beantwoorden of de voorstellen uit het kapitaalmarktintegratie-
en toezichtcentralisatiepakket daadwerkelijk bijdragen aan het versimpelen van het
aanbieden van deelnemingsrechten in beleggingsfondsen in de Europese Unie, het creëren
van een geïntegreerde markt en het versterken van het toezicht.
De maatregelen in dit pakket leveren naar verwachting grote bijdragen op deze gebieden.
De maatregelen die bijdragen aan het versimpelen van het aanbieden van deelnemingsrechten
in beleggingsfondsen zijn onder andere: uniforme regels en snellere procedures voor
het grensoverschrijdend aanbieden van producten, geen extra nationale vereisten en
vereenvoudigde vergunningsprocessen voor werkzaamheden binnen een juridische groep.
Daarnaast wordt de kapitaalmarktintegratie versterkt doordat bijvoorbeeld grote centrale
instellingen beter moeten samenwerken via technische koppelingen en fondsen makkelijker
toegang krijgen tot bewaarinstellingen in andere landen. De voorstellen versterken
het toezicht door de bevoegdheden van ESMA uit te breiden. Verschillen in toezicht
op de financiële markten in de verschillende lidstaten belemmeren op dit moment de
Europese kapitaalmarkt. De Europese Commissie schat de economische baten van het voorstel
tussen de € 1,36–3,62 biljoen over 30 jaar, door sterkere marktintegratie en risicodeling.
De uiteindelijke effecten zijn afhankelijk van het resultaat van de onderhandelingen
en zijn op nationaal niveau niet goed te monitoren. Op Europees niveau kan worden
gekeken naar de omvang (diepte) van de kapitaalmarkten en de mate waarin deelnemingsrechten
grensoverschrijdend worden aangeboden.
Deze leden vragen wanneer de Minister verwacht de eerste voortgangsupdate of evaluatie
van de Europese Commissie over dit pakket te ontvangen? Is de Minister voornemens
om periodiek te rapporteren over de effecten van dit pakket?
Zoals eerder genoemd zal de Tweede Kamer over de voortgang van de onderhandelingen
over het pakket op de gebruikelijke manier worden geïnformeerd. Dat betreft onder
meer de geannoteerde agenda voor en de verslagen van de Eurogroep of Ecofinraad besprekingen.
Binnen deze gremia wordt regelmatig gesproken over de voortgang op de Spaar en Investeringsunie.
Vijf jaar na inwerkingtreding zal de Europese Commissie, conform de Better Regulation Guidelines van de Europese Commissie, de eerste evaluatie uitvoeren. Het kabinet zal in eerste
instantie kijken naar de resultaten die de Europese Commissie rapporteert voordat
besloten wordt om periodiek te rapporteren.
Deze leden vragen daarnaast of de Minister kan aangeven welke specifieke verplichtingen
zoals Wwft-, fiscale- of duurzaamheidsrisico-rapportages door dit voorstel verdwijnen
of worden vereenvoudigd.
Het voorstel is niet van invloed op de genoemde verplichtingen.
De leden van de D66-fractie lezen dat een sterkere rol voor de Europese toezichthouder
kan bijdragen aan harmonisatie en een gelijk speelveld. Deze leden vragen de Minister
hoe wordt gewaarborgd dat centralisatie van toezicht daadwerkelijk leidt tot minder
fragmentatie en lagere nalevingskosten en niet tot een overbodige extra toezichtlagen
naast nationale toezichthouders.
Het kabinet zet in op een duidelijke afbakening van bevoegdheden tussen de nationale
toezichthouders en de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten (European Securities and Markets Authority, ESMA). Deze afbakening moet zorgen voor een duidelijke rolverdeling tussen de nationale
toezichthouders en ESMA. Het kabinet zal tijdens de onderhandelingen scherp blijven
letten op voldoende waarborgen om dubbel toezicht te voorkomen, waaronder een heldere
criteria voor welke instellingen onder ESMA toezicht vallen en welke onder nationaal
toezicht. Daarbij merkt het kabinet op dat door de overheveling van toezichtstaken
naar ESMA er ook minder ruimte ontstaat om open normen in de regelgeving verschillend
te interpreteren.
De leden van de D66-fractie lezen dat een deel van het toezicht op grote marktpartijen
wordt overgeheveld naar de Europese toezichthouder ESMA. Deze leden vragen hoe wordt
geborgd dat nationale toezichthouders voldoende betrokken blijven bij het toezicht
op instellingen die een belangrijke rol spelen in de Nederlandse financiële sector,
zonder dat dit leidt tot overbodige toezichtlagen. Ook vragen deze leden hoe de Minister
voorkomt dat verschillen in interpretatie tussen ESMA en nationale toezichthouders
alsnog blijven bestaan.
Naast de overheveling van toezichtsbevoegdheden bevat het pakket ook een herziening
van de governance van ESMA. Binnen de nieuwe governance blijft er een belangrijke rol weggelegd voor
de Board of Supervisors (BoS). Hierin is ook de AFM vertegenwoordigd. Daarnaast blijft de AFM betrokken in
de verschillende commissies binnen ESMA en zal ESMA ook een samenwerkingsovereenkomst
sluiten met de AFM. Ook blijven in deze voorstellen enkele toezichtstaken, waarvoor
lokale kennis en expertise belangrijk zijn, bij de nationale toezichthouders belegd.
Daarmee wordt geborgd dat nationale toezichthouders voldoende betrokken blijven. Onder
meer door een duidelijke rolverdeling tussen een nieuw op te richten Executive Board
(EB), de BoS en de nationale toezichthouders wordt getracht overbodige toezichtlagen
tegen te gaan, waarbij tegelijkertijd oog wordt gehouden voor de kennis en ervaring
van de nationale toezichthouders.
De leden van de D66-fractie ontvangen signalen uit de sector dat de huidige toepassing
van de Investment Firm Regulation (IFR) en Investment Firm Directive (IFD) in sommige
gevallen sterk leunt op bankachtige kapitaaleisen die mogelijk niet altijd aansluiten
bij het risicoprofiel van niet-bank beleggingsondernemingen. Deze leden vragen de
Minister hoe het kabinet deze signalen beoordeelt.
Ik herken deze signalen uit de sector en deel ook het beeld dat de sector schetst.
Beleggingsondernemingen kunnen activiteiten ondernemen die ook door banken ondernomen
worden, zoals handelen voor eigen rekening of vermogensbeheer. Tegelijkertijd verschillen
beleggingsondernemingen significant van banken. Beleggingsondernemingen trekken geen
deposito’s aan bij het publiek en hebben in tegenstelling tot banken slechts een beperkte
portefeuille buiten het handelsboek. De prudentiële risico’s die voortvloeien uit
hun activiteiten verschillen daardoor van de risico’s die aan het bedrijf van bank
verbonden zijn. Om die reden is er in 2021 een specifiek prudentieel raamwerk voor
beleggingsondernemingen geïntroduceerd, de verordening en richtlijn prudentiële vereisten
voor beleggingsondernemingen (de Investment Firm Regulation en Investment Firm Directive, hierna IFR/IFD), dat beoogt de specifieke risico’s voor beleggingsondernemingen
adequaat te adresseren, ten behoeve van de financiële stabiliteit.
Over het algemeen functioneert dit raamwerk naar behoren. Tegelijkertijd zijn er ook
elementen in het raamwerk die kunnen worden verbeterd. In het huidige raamwerk classificeren
sommige beleggingsondernemingen, afhankelijk van hun activiteiten en vanaf een bepaalde
balansgrootte, namelijk als bank, waarmee het prudentieel kader voor banken (de verordening
en richtlijn kapitaalvereisten, Capital Requirements Regulation en Capital Requirements Directive, hierna CRR/CRD) op de beleggingsonderneming van toepassing wordt. Ik ben van mening
dat deze systematiek voorbij gaat aan de specifieke risico’s in het bedrijfsmodel
van de betreffende beleggingsondernemingen. Ook voor kleinere beleggingsondernemingen
zien wij dat het raamwerk op sommige onderdelen meer proportioneel kan worden vormgegeven.
Relatief kleine beleggingsondernemingen worden onder de IFR/IFD aan strenge governance
vereisten onderworpen, daar waar deze in de CRR/CRD slechts gelden voor banken die
kwalificeren als een «significante instelling». Dat leidt mogelijk tot een ongelijk
speelveld.
Gelet hierop zet ik mij in Europa in voor een gerichte herziening van IFR/IFD. Hiertoe
is een gezamenlijk non-paper geschreven met De Nederlandsche Bank (DNB) en de AFM.1 In dit non-paper roep ik de Europese Commissie op om het raamwerk risico-sensitiever
en meer proportioneel te maken.
Een herziening van IFR/IFD is daarom ook onderdeel van de kabinetsinzet op de kapitaalmarktunie,
vanwege de belangrijke rol van beleggingsondernemingen in het functioneren van Europese
kapitaalmarkten.2 Onder andere door vermogensbeheerdiensten aan te bieden, handelsactiviteiten te faciliteren
via handelsplatformen en door liquiditeit te verschaffen middels market making activiteiten. Beleggingsondernemingen dragen daarmee bij aan het efficiënt mobiliseren
van privaat kapitaal en voorzien in noodzakelijke infrastructuur voor een geïntegreerde
kapitaalmarkt. Een passend en proportioneel prudentieel raamwerk is in dat licht van
belang.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het fiche van de werkgroep Beoordeling
Nieuwe Commissievoorstellen (BNC) over het kapitaalmarktintegratie en toezichtcentralisatiepakket
(KTP). Deze leden zijn over het algemeen verheugd om te lezen dat er werk wordt gemaakt
van een diepere Europese kapitaalmarkt. Deze leden merken daarbij op, net zoals het
kabinet dat doet, dat het voor de nationale en Europese concurrentiekracht belangrijk
is dat lidstaten over de eigen schaduw heen stappen. Deze leden hebben over het fiche
nog enkele vragen en opmerkingen.
Reikwijdte van het voorstel
Een belangrijk onderdeel van de nu voorgestelde wijzigingen, betreft het overhevelen
van toezichtstaken van nationale toezichthoudende instanties van de lidstaten naar
de Europese autoriteit voor effecten en markten (ESMA). Nederland is de thuisbasis
voor relatief veel grote internationaal opererende handelsplatformen, waardoor de
leden van de VVD-fractie aannemen dat dit voorstel relatief ook meer impact heeft
op Nederland.
Deze leden hebben momenteel echter onvoldoende inzicht in de totale reikwijdte van
dit voorstel in Nederland en dus de gevolgen. Graag zouden deze leden dit inzicht
wel van het kabinet krijgen. Te denken valt dan aan het aantal Nederlandse ondernemingen
op wie het voorstel impact heeft, het aantal Nederlandse klanten wat impact zou ondervinden
van deze wijzigingen en andere relevante inzichten.
Het kabinet is het met de leden eens dat de overhevelen van toezichtstaken een belangrijk
onderdeel is van de voorgestelde wijzigingen. Het kabinet steunt dit, onder meer omdat
het verwacht dat entiteiten die nu onder meerdere toezichthouders vallen lagere administratieve
lasten krijgen, minder dubbele processen en lagere toezichtkosten. Dit zorgt voor
eindbeleggers voor lagere handels- en beheerkosten, een groter productaanbod en meer
vertrouwen in de interne markt.
Nederland heeft een relatief groot en internationaal georiënteerd financieel marktstelsel,
met onder meer Euronext Amsterdam als één van de grootste beurzen in de Europese Unie
(EU) en meerdere grote handelsplatformen, centrale tegenpartijen en bewaarinstellingen
die grensoverschrijdend actief zijn. De inschatting van het kabinet is dat direct
toezicht door ESMA op grond van de voorstellen voor ongeveer zeven groepen van handelsplatformen
en drie post-trade instellingen in Nederland zou gelden. Ook de crypto-markt is in Nederland van substantiële
omvang. Er zijn circa 23 Crypto Asset Service Providers (CASP’s) en naar verwachting rond de vier a vijf Nederlandse CASP’s die potentieel
onder ESMA-toezicht zouden komen te vallen. De precieze reikwijdte van de centralisatie
van toezichtstaken en daarmee het aantal van deze ondernemingen op wie dit impact
heeft, is echter afhankelijk van de definitieve drempelwaarden, die nog via gedelegeerde
handelingen worden uitgewerkt. Het kabinet zet in op heldere, objectieve en proportionele
drempelwaarden die marktpartijen vooraf rechtszekerheid bieden over hun toezichtregime.
De AFM en DNB zijn nauw betrokken bij de technische uitwerking van deze criteria en
brengen hun expertise in het Europese proces in.
De leden van de VVD-fractie merken daarbij ook op dat zij enkele definities in het
voorstel nog onduidelijk vinden. Dit geldt bijvoorbeeld voor wanneer een handelsplatform
als «significant» wordt aangemerkt («het handelsplatform is belangrijk voor de economie
van de Europese Unie of het handelsplatform is significant qua omvang en heeft tevens
een significante grensoverschrijdende dimensie»). Een dergelijke definitie van «significant»
is wel belangrijk, omdat dit bepaalt of het toezicht wordt overgeheveld naar ESMA.
Deze leden vragen aan de Minister of het kabinet aan de Europese Commissie duidelijkheid
gaat vragen over deze en andere definities, zodat de impact van het voorstel in Nederland
goed in kaart kan worden gebracht.
Een handelsplatform is significant als het belangrijk is voor de economie van de EU
of als het een grensoverschrijdende dimensie heeft. Het voorgestelde artikel 38 septies
ter van de MiFIR-verordening bepaalt wanneer dit zo is:
• Een handelsplatform is belangrijk voor de economie van de EU als het minimaal vijf
procent van de EU-handel in een bepaalde klassen financiële instrumenten doet.
• Het heeft een grensoverschrijdende dimensie als a) het bij een groep hoort waarvan
een ander handelsplatform, centrale bewaarinstelling (CSD) of centrale tegenpartij
(CTP) in een andere lidstaat opereert, of b) meer dan de helft van de handel in financiële
instrumenten onder een andere toezichthouder valt, of c) meer dan de helft van de
transacties minimaal één partij uit een andere lidstaat heeft.
• Daarnaast is een handelsplatform significant als het handelsvolume meer dan de helft
van de totale EU-handel in een bepaalde klasse financiële instrumenten vertegenwoordigt.
Het kabinet zet zich in voor heldere criteria op level 1 welke marktpartijen onder
ESMA-toezicht komen te vallen en specifiek genoeg zijn om rechtszekerheid te bieden.
Rol van nationale toezichthouder
Bij het aannemen van dit voorstel zouden veel bevoegdheden worden overgedragen aan
ESMA. De leden van de VVD-fractie horen graag of er voor lidstaten nog waarborgen
zijn ingebouwd om in te grijpen bij ondernemingen die voortaan onder het toezicht
zouden komen te staan van ESMA of dat nationale toezichthouders signalen kunnen afgeven
aan ESMA om in te grijpen, waarbij er substantiële waarborgen zijn dat ESMA deze signalen
serieus zal behandelen. Deze leden hechten hier wel belang aan, aangezien het in de
lijn der verwachting licht dat nationale toezichthouders dichter op de betreffende
markt zitten.
Er zijn substantiële waarborgen om zeker te stellen dat ESMA signalen van nationale
toezichthouders serieus neemt. Binnen de nieuwe governance van ESMA is er bijvoorbeeld een belangrijke rol weggelegd voor de BoS, waar ook de
AFM in is vertegenwoordigd. Daarnaast blijft de AFM betrokken in de verschillende
commissies binnen ESMA. Ook worden ESMA en de nationale toezichthoudende autoriteiten
verplicht tot intensievere samenwerking en informatie-uitwisseling, om directe toezichttaken
soepel en proportioneel uit te voeren. Gegeven de overdracht van toezichtstaken naar
ESMA, zal ESMA deze samenwerkingsarrangementen zelf organiseren met de nationale toezichthouders.
Innovatie
De leden van de VVD-fractie lezen dat het voorstel is om ESMA bevoegdheden te geven
over de vergunningverlening aan cryptoactivadienstverleners. Het idee is bovendien
dat ESMA in sommige gevallen toezicht houdt en handhaaft op deze dienstverleners.
Deze leden vragen hoe streng de Europese Commissie dan wel ESMA in dat geval van plan
is toezicht te houden op deze dienstverleners. Daarbij merken deze leden op dat crypto
in landen buiten de Europese Unie juist lijkt te worden omarmd en het niet uitgesloten
is dat de blockchaintechnologie achter crypto innovaties op andere terreinen teweeg
zal brengen. Met andere woorden: hoe wil het kabinet ervoor zorgen dat met het overhevelen
van bevoegdheden innovaties niet in de kiem worden gesmoord?
Het kabinet staat positief tegenover het centraliseren van toezicht op CASPs onder
ESMA. Gezien de internationale en grensoverschrijdende aard van cryptoactiva is toezicht
dat over de landsgrenzen heen kijkt noodzakelijk. Op die manier kan Europees toezicht
onder ESMA bijdragen aan het ontwikkelen van een holistische blik op Europese cryptomarkten
en eerder trends, uitdagingen voor de markt en risico’s identificeren. Verder kan
Europees toezicht bijdragen aan een uniform niveau van consumentenbescherming en prudentiële
vereisten en daarmee een gelijker speelveld tussen Europese CASPs, wat innovatie ten
goede komt. Juist door het toezicht op deze partijen te centraliseren verwacht het
kabinet dat voor deze relatief jonge sector er ruimte ontstaat om op te schalen binnen
de Europese markt. Tegelijkertijd zal het kabinet tijdens de onderhandelingen van
het marktintegratiepakket scherp meekijken op de toezichtsbevoegdheden die eventueel
naar ESMA zullen gaan, waarbij het kabinet het van belang acht dat ESMA voldoende
capaciteit, mandaat en expertise krijgt om deze taak naar behoren uit te voeren.
Baten
De leden van de VVD-fractie zijn blij om te zien dat er bij dit voorstel een impact
assessment is uitgevoerd. Deze leden lezen dat de Europese Commissie de baten tussen
de € 1,36 en 3,62 miljard euro over dertig jaar schat (p.14 van het BNC-fiche). Een
alinea verderop gaat het echter om 1,36 en 3,62 biljoen euro. Deze leden nemen aan
dat het hier gaat om een omissie en dat het miljard betreft.
De leden van de VVD-fractie vragen of deze bedragen enkel de kostenbesparing bedragen
of dat hierin ook het geschatte extra investeringsvolume die met het voorliggende
voorstel kan vrijkomen is meegenomen. Zo niet, zijn er schattingen van het extra investeringsvolume
dat dit voorstel teweeg kan brengen en zo ja, hoeveel bedraagt dit?
Het impact assessment van de Europese Commissie laat zien dat dit pakket hier een grote bijdrage aan levert:
de economische baten worden geschat op tussen de 1,36 en 3,62 biljoen euro voor de
komende 30 jaar. Daarin zijn ook geschatte toegenomen investeringen meegenomen. Het
feit dat dit pakket investeringen stimuleert is ook een belangrijk motief voor de
voorgestelde maatregelen, omdat investeringen cruciaal zijn om de toekomstige welvaart
en concurrentievermogen te behouden, zoals blijkt uit de rapporten van Letta en Draghi.
Efficiëntie toezicht
Voor ESMA ontstaan naar verwachting substantiële kosten door nieuwe taken. De leden
van de VVD-fractie lezen dat het kabinet bij deze uitbreiding van taken en bevoegdheden
van ESMA oog wil houden voor behoud van efficiëntie van het toezicht en voor beheersing
van de kosten. Deze leden zijn er groot voorstander van als het kabinet hier actief
op aanstuurt. Hoe wil het kabinet dit concreet voor elkaar krijgen?
Het kabinet wil efficiëntie van toezicht en beheersing van de kosten realiseren door
bij de Europese onderhandelingen scherp te blijven letten op afbakening van bevoegdheden,
om dubbel toezicht te voorkomen. Daarbij wil het kabinet efficiëntie en kostenbeheersing
als expliciete randvoorwaarden in de eindtekst te verankeren. Daarnaast moet de centrale
dataverzameling door ESMA dubbele rapportageverplichtingen voorkomen en zo kosten
besparen. Ook denkt de AFM actief mee over een operationeel efficiënte inrichting
van ESMA en proberen we Nederlandse best practices te implementeren bij ESMA.
Tegelijkertijd is het realistisch te verwachten dat centralisatie van toezicht, zeker
in de aanloopfase wanneer processen operationeel worden ingericht, gepaard zal gaan
met hogere kosten voor ESMA. ESMA zal immers moeten investeren in capaciteit, expertise
en infrastructuur om de nieuwe taken verantwoord uit te kunnen voeren. Het kabinet
acht het daarom van belang dat hierover geen onrealistische verwachtingen bestaan.
Op langere termijn kunnen schaalvoordelen en verminderde fragmentatie echter wel degelijk
tot efficiëntievoordelen leiden zoals beschreven in de impactanalyse van de Europese
Commissie.
Bezwaar
De leden van de VVD-fractie lezen dat een gedelegeerde handeling opgesteld door de
Europese Commissie alleen in werking treedt als zowel het Europees Parlement als de
Raad van Ministers geen bezwaar maakt binnen twee maanden. Deze periode kan nog eens
worden verlengd met twee maanden op verzoek van het parlement of de Raad. Op basis
van wat voor besluitvorming zou dit maken van bezwaar plaats moeten vinden (moet er
unaniem bezwaar worden gemaakt/moet er één lidstaat bezwaar maken/qualified majority
voting)? Wat geldt er voor het verlengen van de termijn?
Op grond van artikel 290, lid 2, laatste alinea, VWEU geldt dat voor bezwaar het Europees
Parlement een absolute meerderheid (de helft plus 1 van het aantal leden) vereist
is. Voor de Raad van de Europese Unie (hierna Raad) is een gekwalificeerde meerderheid
vereist.
Voor het verlengen van de termijn zijn de eisen laagdrempeliger, omdat verlenging
geen inhoudelijk oordeel bevat.
• Op basis van Regel 114, lid 5, tweede alinea, van de Rules of Procedure van het Europees Parlement geldt dat de namens het Europees Parlement bevoegde commissie
kan beoordelen of het noodzakelijk is de termijn te verlengen. De voorzitter van die
commissie informeert vervolgens de Europese Commissie namens het Europees Parlement.
• Voor de Raad geldt dat het verlengen van de termijn een procedurele kwestie is, waarvoor
een gewone meerderheid is vereist (art. 240 lid 3 VWEU).
• Uit punt 18 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de
Raad en de Europese Commissie over beter wetgeven (IIA) volgt: «Onverminderd de spoedprocedure
mag de bezwaartermijn die in elke basishandeling per geval wordt vastgesteld, in beginsel
niet minder dan twee maanden bedragen; op initiatief van elke instelling (het Europees
Parlement of de Raad) kan die termijn met twee maanden worden verlengd.»
De clausule over mogelijkheid van verlenging van de bezwaartermijn betreft een op
basis van het IIA gebruikelijke clausule voor de situatie waarin een lidstaat overweegt
bezwaar te maken, maar twijfelt. In dat geval is extra tijd om de handeling verder
te bestuderen en bespreken in Brussel noodzakelijk
Deze bevoegdheid om gedelegeerde handelingen te nemen kan bovendien op elk moment
worden ingetrokken door het parlement of de Raad, zo lezen de leden van de VVD-fractie.
Hoe is het voorstel dat dit proces in zijn werk gaat?
Dit is een gebruikelijke clausule op grond van artikel 290, lid 2, sub a, VWEU. Hiervoor
geldt dezelfde wijze van besluitvorming als hierboven beschreven: absolute meerderheid
in het Europees Parlement, gekwalificeerde meerderheid in de Raad.
Deze leden lezen daarnaast dat de periode van twee maanden afwijkt van de gangbare
drie maanden. Waarom is door de Europese Commissie voor deze afwijking gekozen?
De termijn voor bezwaar van twee maanden is de standaardtermijn uit punt 18 van het
IIA en daarmee niet ongebruikelijk. De instellingen kunnen hier in specifieke wetgevingshandelingen
van afwijken en een langere termijn vaststellen. Hiervan wordt regelmatig gebruik
gemaakt, zeker in wetgeving op het gebied van de financiële markten. Het is het kabinet
niet bekend waarom in het geval van gedelegeerde handelingen op grond van de verordening
is gekozen voor een termijn van twee maanden in plaats van drie, maar het ziet daar
ook geen bezwaar in.
Ook voor technische reguleringsnormen lezen deze leden dat het Europees Parlement
en de Raad bevoegdheidstoedeling kan intrekken en inwerkingtreding van gedelegeerde
handelingen kan blokkeren. Ook daaromtrent verzoeken deze leden het kabinet graag
om in te gaan op hoe de vork in de steel zit.
Hiervoor gelden dezelfde vereisten als voor de gedelegeerde handelingen die bij de
vragen hiervoor uiteen zijn gezet.
Voortgang voorstel
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet wil inzetten op een ruimere implementatietermijn
(ruim twee jaar in plaats van de door de Europese Commissie voorgestelde anderhalf
jaar) en ook een langere overgangstermijn dan de door de Europese Commissie voorgestelde
12 maanden. Deze leden vragen het kabinet of het kabinet niet tóch mogelijkheden ziet
tot versnelling van executie van dit voorliggende voorstel van de Europese Commissie,
gezien het belang van behoud van gezonde Europese- en nationale concurrentiekracht,
waarbij implementatie en overgang naar een nieuw regime natuurlijk wel op een ordentelijke
manier dient te gebeuren.
Het wetgevingsproces in Nederland neemt gemiddeld twee jaar in beslag doordat er verschillende
procedurele stappen en waarborgen voor kwaliteit zijn ingebouwd. Dit betreft onder
meer internetconsultatie, (uitvoerings-)toetsing door onder meer het Adviescollege
toetsing regeldruk en de toezichthouders en advisering door de Afdeling advisering
van de Raad van State. Het doorlopen van deze stappen kost tijd. Een implementatietermijn
die korter is dan 24 maanden blijkt in de praktijk veelal te kort. Als het niet lukt
om de implementatie binnen de voorgeschreven termijn af te ronden, zal de Europese
Commissie over gaan tot een formele inbreukprocedure wegens niet-tijdige implementatie.
Deze inbreukprocedure kan uiteindelijk leiden tot oplegging van aanzienlijke boetes
en dwangsommen.
Daarnaast is het kabinet van mening dat een ruimere overgangstermijn cruciaal is voor
een zorgvuldige overdracht van bevoegdheden aan ESMA, waarbij de continuïteit en behoud
van kennis en expertise voorop staan.
De leden van de VVD-fractie lezen bovendien dat het kabinet de nodige weerstand verwacht
op het voornemen in het voorstel om het toezicht te centraliseren. Deze leden vinden
het in het kader van de Nederlandse- en Europese concurrentiekracht wederom echter
belangrijk dat er met gepaste snelheid voortgang wordt geboekt op dit dossier. Kan
het kabinet toezeggen de Kamer actief op de hoogte te houden over de voortgang van
dit voorstel van de Europese Commissie?
Het voorliggende voorstel kan daarnaast gevolgen hebben op de financiën en het personeelsbestand
van de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandse Bank. Kan het kabinet toezeggen
de Kamer ook hiervan op de hoogte te houden?
Zoals eerder genoemd zal de Tweede Kamer over de voortgang van het pakket op de gebruikelijke
manier worden geïnformeerd. Dat betreft onder meer de geannoteerde agenda voor en
de verslagen van de Eurogroep of Ecofinraad besprekingen.
Wanneer op dit pakket een akkoord is bereikt en de onderhandelingen zijn afgerond
kunnen DNB en AFM een inschatting geven wat de eventuele gevolgen voor hun personeelsbestand
zal zijn. Zij zullen hier in het kader van de implementatie van het pakket ook in
hun uitvoeringstoetsen bij de benodigde wetgeving ook aandacht aan besteden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsappreciatie van het
Europese voorstel tot uitbreiding van de bevoegdheden en toezichttaken van de Europese
Autoriteit voor Effecten en Markten (ESMA). Deze leden maken zich zorgen over de groeiende
macht van Brusselse instanties ten koste van de nationale soevereiniteit. Naar aanleiding
hiervan hebben deze leden een aantal vragen.
De leden van de PVV-fractie willen weten hoe het kabinet de voorgestelde overheveling
van directe toezichttaken van nationale instanties als de AFM en DNB naar de Europese
autoriteit ESMA rijmt met het uitgangspunt dat Nederland zelf zeggenschap moet houden
over zijn eigen financiële markten.
Het kabinet is voorstander van het overhevelen van toezichtstaken van de nationale
toezichthouders naar ESMA. Dit omdat het kabinet grote voordelen van een diepere Europese
kapitaalmarkt voor de verdere ontwikkeling van de Nederlandse kapitaalmarkt ziet.
Voor marktpartijen die in meerdere EU-lidstaten actief zijn, is versterking van het
directe Europees toezicht effectiever. Dit zorgt voor een gelijker speelveld met consistentere
interpretatie en toepassing van de regels waarmee geschillen over toezicht kunnen
worden voorkomen. Bij de voorstellen behouden nationale toezichthouders zoals de AFM
bovendien een belangrijke rol. Zo is de AFM vertegenwoordigd binnen de BoS van ESMA.
Daarnaast blijft de AFM betrokken in de verschillende commissies binnen ESMA en zal
ESMA ook een samenwerkingsovereenkomst moeten sluiten met de AFM. Op die manier heeft
de AFM ook meer dan nu invloed grote Europese partijen die op de Nederlandse financiële
markten actief zijn, maar nu niet onder AFM toezicht vallen.
De leden van de PVV-fractie vragen het kabinet om toe te lichten hoe de aangekondigde
uitbreiding van honderden fte’s bij ESMA zich verhoudt tot de wens om de omvang van
het Europese ambtenarenapparaat en de bijbehorende regeldruk juist te beperken.
Centralisatie van toezicht beperkt de regeldruk omdat marktpartijen maar bij één toezichthouder
hoeven te rapporteren en omdat er minder nationale verschillende interpretaties ontstaan
van Europese regelgeving. Daarom steunt het kabinet het voorstel om het toezicht over
te hevelen van de nationale toezichthoudende instanties naar ESMA, waar dit efficiënt
kan worden ingericht. Gezien de extra taken van ESMA is het kabinet ook positief over
de uitbreiding van het personeelsbestand. Daarbij zal het kabinet oog houden voor
behoud van efficiëntie van het toezichtraamwerk en voor de beheersing van de kosten.
Voorts constateren de leden van de PVV-fractie dat Nederland een van de grootste nettobetalers
aan de Europese Unie is en deze leden vragen waarom het kabinet zou instemmen met
een nieuwe verdeelsleutel vanaf 2028, waarbij de EU-begroting een groter deel van
de kosten van ESMA op zich neemt, wat feitelijk neerkomt op een hogere indirecte bijdrage
van de Nederlandse belastingbetaler. Hoeveel meer gaat Nederland bijdragen als gevolg
hiervan?
De kosten voor Europese toezichthouders worden gedekt binnen de bestaande EU-begrotingen.
Het kabinet is van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen
de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027 en dat deze
moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Daarnaast moet de
ontwikkeling van de administratieve uitgaven, waaronder de kosten voor ESMA, in lijn
zijn met de Raadsconclusies van juli 2020 over het Meerjarig Financieel Kader (MFK)
akkoord. Het kabinet wil niet vooruit lopen op de integrale afweging van middelen
na 2027.
De leden van de PVV-fractie willen weten hoe het kabinet aankijkt tegen de constatering
dat door de centralisatie bij ESMA essentiële kennis van de specifieke Nederlandse
marktdynamiek verloren kan gaan, terwijl juist nationale toezichthouders dichter op
de lokale markt staan en daardoor misstanden effectiever kunnen opsporen.
Het kabinet herkent de zorg die deze leden uiten. Het is een reëel aandachtspunt dat
bij centralisatie van toezicht de lokale marktkennis van nationale toezichthouders
niet verloren mag gaan. Echter merkt het kabinet ook op dat voor de grotere instellingen
die grensoverschrijdend opereren het juist erg belangrijk is dat er voldoende kennis
is bij de toezichthouden ten aanzien van de Europese marktdynamiek.
Het is in dit verband positief dat de voorstellen reeds voorzien in mogelijkheden
voor betrokkenheid van nationale toezichthouders bij het Europese toezicht. Dit biedt
een goede basis om lokale expertise te borgen en zelfs verder op te bouwen, ook wanneer
ESMA formeel de hoofdverantwoordelijkheid draagt. Nederland zet in de onderhandelingen
actief in op een structurele en inhoudelijke invulling van deze betrokkenheid. Zo
pleit het kabinet voor een langere overgangstermijn dan de voorgestelde 12 maanden
voor het overhevelen van toezichttaken naar ESMA, om de continuïteit van het toezicht
te waarborgen. Ook blijft er binnen de nieuwe governance van ESMA een belangrijke rol weggelegd voor de BoS. Hierin is ook de AFM vertegenwoordigd.
Daarnaast blijft de AFM betrokken in de verschillende commissies binnen ESMA.
De leden van de PVV-fractie merken op dat het pakket maar liefst zestien delegatiegrondslagen
bevat die de Europese Commissie de macht geven om verordeningen en richtlijnen aan
te vullen. Deze leden vragen of het kabinet de zorg deelt dat hiermee belangrijke
besluitvorming over onze financiële sector verschuift van de nationale wetgever naar
Europese instellingen en hun ambtelijke organisaties.
Het toekennen van deze bevoegdheden is mogelijk, omdat het geen essentiële onderdelen
van de basishandelingen betreft. De bevoegdheden zijn – met andere woorden – goed
ingekaderd. Het kabinet acht het wenselijk om deze technische uitwerking te delegeren,
omdat dit zorgt voor de nodige flexibiliteit om in te spelen op markt- en technologische
ontwikkelingen.
De leden van de PVV-fractie vragen het kabinet om te bevestigen dat de extra toezichtkosten
die aan de financiële sector worden doorgerekend, niet uiteindelijk zullen leiden
tot hogere tarieven voor bankdiensten, pensioenen en beleggingsproducten voor de Nederlandse
burger.
Het kabinet kan op dit moment geen uitspraken doen over de uiteindelijke effecten
op tarieven voor eindgebruikers, nu de definitieve vormgeving van het toezichtmodel
en de bijbehorende kostenstructuur nog onderwerp van onderhandeling zijn. Wel is het
kabinet van mening dat een goed ingericht Europees toezichtmodel op termijn juist
kan bijdragen aan efficiëntere markten en lagere kosten. Het kabinet zet in op beperking
van onnodige administratieve lasten en zal de kostengevolgen voor de sector, en indirect
voor de consument, nadrukkelijk meewegen in zijn onderhandelingspositie.
De leden van de PVV-fractie willen weten hoe het kabinet zal waarborgen dat de vijf
onafhankelijke leden van het nieuwe uitvoerend bestuur van ESMA uitsluitend op basis
van bewezen inhoudelijke deskundigheid worden geselecteerd en niet binnen een Europees
«ons-kent-ons»-netwerk van politieke benoemingen.
Zoals voorgesteld in het nieuwe artikel 44a van de ESMA Verordening betreft het een
open selectieprocedure die wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad (Official Journal) van de Europese Unie. De leden van het uitvoerend bestuur worden geselecteerd op
basis van verdienste, vaardigheden, kennis, integriteit, erkende ervaring op het gebied
van toezicht op de financiële markten, en andere relevante kwalificaties. Bovendien
dienen de leden van het uitvoerend bestuur verschillende soorten toezicht-ervaring
te vertegenwoordigen, waaronder prudentieel toezicht, en moeten, voor zover mogelijk,
gezamenlijk een adequaat begrip hebben van de sectoren waarin ESMA direct toezicht
uitoefent.
De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet geen voorstander is van de
nieuwe urgentieprocedure waarmee de Europese Commissie eenzijdig technische normen
buiten werking kan stellen. Deze leden vragen of het kabinet een dergelijk ingrijpend
voorstel dat, de rechtszekerheid aantast, met een veto kan blokkeren.
Artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en
Artikel 53, lid 1, VWEU (ex artikel 47, lid 2, EG) vormt de rechtsgrondslag voor deze
wetgeving. Daaruit volgt dat deze wetgeving moet worden aangenomen met een gekwalificeerde
meerderheid en dat het gebruik van een veto in dit geval niet mogelijk is.
Het kabinet zal zich inzetten om te achterhalen welke toegevoegde waarde deze urgentieprocedure
heeft en welke praktijksituaties hiermee verholpen kunnen worden. Indien dit geen
sluitend antwoord oplevert, zal het kabinet zich er in de onderhandelingen voor inzetten
om deze bevoegdheid te laten schrappen.
De leden van de PVV-fractie vragen ten slotte het kabinet om te garanderen dat de
zogenoemde «proportionele betrokkenheid» van nationale toezichthouders bij het centraal
toezicht op instellingen die voor Nederland van substantieel belang zijn, niet louter
symbolisch is zodra ESMA de formele hoofdverantwoordelijkheid krijgt.
Het kabinet ziet in de huidige voorstellen dat de betrokkenheid van de nationale toezichthouders
niet symbolisch is. Binnen de nieuwe governance van ESMA blijft een belangrijke rol weggelegd voor de BoS. Hierin is ook de AFM vertegenwoordigd.
Daarnaast blijft de AFM betrokken in de verschillende commissies binnen ESMA en zal
ESMA ook een samenwerkingsovereenkomst moeten sluiten met de AFM.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie ondersteunen de inzet van de Europese Commissie om het
toezicht op financiële instellingen in de EU te versterken door bepaalde toezichtstaken
over te hevelen van de nationale toezichthoudende instanties naar de ESMA. Duidelijkheid
van afbakening van taken is hierin essentieel. Wat is de precieze afbakening van grootste
handelsplatformen (significant trading venues) waarbij het toezicht bij de ESMA komt
te liggen? Wat is de precieze definitie van «significante omvang en significante grensoverschrijdende
activiteit»? Wanneer is iets «significant» volgens de Europese Commissie? In hoeverre
wordt de AFM bij deze wijziging in toezichtstaken betrokken?
Het kabinet zet in op heldere, objectieve en proportionele drempelwaarden die marktpartijen
vooraf rechtszekerheid bieden over hun toezichtregime. De AFM en De Nederlandsche
Bank (DNB) zijn nauw betrokken bij de technische uitwerking van deze criteria en brengen
hun expertise in het Europese proces in.
De criteria voor «significant» hangt af van het type marktpartij. Zoals eerder benoemd
antwoord op vragen van de VVD-fractie is een handelsplatform significant als het belangrijk
is voor de economie van de EU of als het een grensoverschrijdende dimensie heeft.
Het voorgestelde artikel 38 septies ter van de MiFIR-verordening bepaalt wanneer dit
zo is:
• Een handelsplatform is belangrijk voor de economie van de EU als het minimaal vijf
procent van de EU-handel in een bepaalde klassen financiële instrumenten doet.
• Het heeft een grensoverschrijdende dimensie als a) het bij een groep hoort waarvan
een ander handelsplatform, centrale bewaarinstelling (CSD) of centrale tegenpartij
(CTP) in een andere lidstaat opereert, of b) meer dan de helft van de handel in financiële
instrumenten onder een andere toezichthouder valt, of c) meer dan de helft van de
transacties minimaal één partij uit een andere lidstaat heeft.
• Daarnaast is een handelsplatform significant als het handelsvolume meer dan de helft
van de totale EU-handel in een bepaalde klasse financiële instrumenten vertegenwoordigt.
De leden van de CDA-fractie zien duidelijke voordelen in het verder uniformeren van
het toezicht. Deze leden vragen echter in hoeverre deze uniformering in de praktijk
daadwerkelijk zal worden gerealiseerd, temeer daar de appreciatie van het krachtenveld
nog als voorzichtig wordt omschreven.
Deze leden roepen het kabinet op zich in te zetten voor het integraal overnemen van
het voorliggende pakket, inclusief een rol voor ESMA in het toezicht, en actief medestanders
te zoeken binnen de Raad. Kan de Minister nader uiteenzetten welke concrete inzet
hij pleegt om steun te verwerven bij andere lidstaten en welke landen hierin als potentiële
partners worden gezien?
Het kabinet is groot voorstander van het integraal overnemen van het voorliggende
pakket, inclusief een rol voor ESMA in het toezicht en pleit hiervoor bij de onderhandelingen
in de raadswerkgroepen. Daarnaast is het kabinet actief op zoek naar medestanders.
Dit doet het kabinet door deel te nemen aan kopgroepen zoals in de E6 met Duitsland,
Frankrijk, Spanje, Italië en Polen. Zoals eerder aan uw kamer gemeld3, roepen deze lidstaten roepen in een gezamenlijke brief op tot meer integratie en
betere toezichtregulering via snelle en ambitieuze behandeling van het kapitaalmarktintegratie-
en toezichtcentralisatiepakket. De lidstaten roepen ook op tot een algemene oriëntatie
van de Raad op het pakket voor de zomer van 2026.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
R.A. van der Steur, adjunct-griffier