Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het fiche: herziening verordening 904/2010 betreffende toegang EOM en OLAF tot btw-informatie op het niveau van de Unie (Kamerstuk 22112-4231)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4322
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 24 april 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Staatssecretaris van Financiën over de brief van 16 januari 2026 over het Fiche:
herziening verordening 904/2010 betreffende toegang EOM en OLAF tot btw-informatie
op het niveau van de Unie (Kamerstuk 22 112, nr. 4231).
De vragen en opmerkingen zijn op 27 februari 2026 aan de Staatssecretaris van Financiën
voorgelegd. Bij brief van 24 april 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, C. Jansen
Adjunct-griffier van de commissie, Lips
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Staatssecretaris van Financiën
Inleiding
Met interesse heb ik kennisgenomen van de vragen die door de verschillende fracties
zijn gesteld naar aanleiding van de Kamerbrief over het BNC-fiche herziening verordening
904/2010 betreffende toegang voor het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en het Europees
bureau voor fraudebestrijding (OLAF) tot btw-informatie op het niveau van de Unie.
Bij de beantwoording wordt de volgorde van het verslag aangehouden met dien verstande
dat de beantwoording op vragen van gelijke strekking samen is genomen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het fiche van de werkgroep Beoordeling
Nieuwe Commissievoorstellen (BNC) over de herziene verordening 904/2010 betreffende
toegang voor het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en het Europees bureau voor fraudebestrijding
(OLAF) tot btw-informatie op het niveau van de Unie. Deze leden zijn voorstander van
maatregelen die btw-fraude bestrijden, waarbij volgens deze leden oog dient te zijn
voor de gevolgen voor uitvoeringsorganisaties, het bedrijfsleven en burgers. Ze hebben
over het voorstel van de Europese Commissie nog enkele vragen en opmerkingen.
Het voorstel van de Europese Commissie verplicht Eurofisc-werkterreincoördinatoren
om elke aanwijzing van een vermoeden van fraude op basis van de tussen de lidstaten
uitgewisselde informatie over grensoverschrijdende btw-fraude uit eigen beweging aan
het EOM en OLAF te melden. Deze bepaling van «aanwijzing van een vermoeden» lijkt
verder te gaan dan het principe wat de Belastingdienst nu hanteert om te bepalen of
er sprake is van een strafbaar feit («redelijk vermoeden») en kan verstrekkende gevolgen
hebben, stelt het kabinet in het fiche. Zo staat het voorstel mogelijk op gespannen
voet met grondrechten (bijvoorbeeld bescherming van persoonsgegevens, artikel 8 Handvest
van de grondrechten van de Europese Unie) en verhoogt het mogelijk de uitvoeringslasten
voor de Nederlandse autoriteiten. De leden van de VVD-fractie vinden het daarom belangrijk
dat er een gedegen besluitvormingsproces wordt doorlopen waarbij alternatieven op
het voorliggende voorstel zijn overwogen en er afdoende inzicht is in de gevolgen
van het voorstel. Het kabinet constateert dat de Europese Commissie geen alternatieven
heeft overwogen op het voorstel en stelt dat een impact assessment op het voorstel
ontbreekt, waardoor dit voor deze leden niet lijkt op een gedegen besluitvormingsproces.
Ze vinden dit teleurstellend. Het is ook niet het eerste voorstel van de Europese
Commissie van de afgelopen tijd waar een impact assessment ontbreekt, waar deze naar
mening van deze leden wel toepasselijk was geweest. Er mag beter worden verwacht van
de Europese Commissie vinden de leden van de VVD-fractie, zoals ook het kabinet in
het fiche constateert. Gaat het kabinet zich tijdens de Raad inzetten voor het alsnog
uitvoeren van een impact assessment? Zo ja, hoe wil het kabinet dit voor elkaar krijgen?
Voor deze leden is een impact assessment des te belangrijker als blijkt dat het voorstel
zich niet beperkt tot strikt noodzakelijke gegevensuitwisseling en -inzage.
Het kabinet heeft tijdens de onderhandelingen steeds zijn onvrede uitgesproken over
het ontbreken van een impact assessment en gevraagd of het mogelijk is om alsnog een impact assessment op te stellen. Een aantal andere lidstaten hebben soortgelijke opmerkingen gemaakt.
De Europese Commissie (hierna: Commissie) heeft hier afwijzend op gereageerd, in lijn
met de beweegredenen die de Commissie in het voorstel heeft opgenomen onder de kop
«effectbeoordeling» (impact assessment) om het ontbreken van de impact assessment te verantwoorden. De Commissie geeft aan dat er in de huidige situatie al toegang
is tot de btw-data op nationaal niveau. Toegang tot dezelfde data op Europees niveau
is volgens de Commissie een beperkte wijziging die slechts dient om het EOM en OLAF
beter en efficiënter te laten opereren binnen hun mandaat. Daarnaast verwijst de Commissie
naar het jaarverslag 2024 van het EOM1, de Speciale verslagen 08/20252 en 24/20153 van de Europese Rekenkamer over respectievelijk btw-fraude bij invoer en intracommunautaire
fraude, en de evaluatie van Verordening (EU) nr. 904/2010 in 20254 als beweegredenen voor het voorstel. Bij de evaluatie van Verordening (EU) 904/2010
werd de werking van het EU-kader voor administratieve samenwerking op het gebied van
de btw geanalyseerd aan de hand van de standaardevaluatiecriteria (doeltreffendheid,
doelmatigheid, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde) om alle vormen van samenwerking
te beoordelen waarin wordt voorzien door de onderliggende Verordening (EU) nr. 904/2010
van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude
op het gebied van de btw. Een belangrijke bevinding van de evaluatie was dat het ontbreken
van een uitdrukkelijke verwijzing naar het EOM in Verordening (EU) nr. 904/2010 van
de Raad leidt tot niet-optimale interinstitutionele samenwerking en daardoor de doeltreffende
bestrijding van btw-fraude wordt ondermijnd. Uit de evaluatie is ook gebleken dat
de samenwerkingsinstrumenten tussen Eurofisc en OLAF waarin Verordening (EU) nr. 904/2010
voorziet, niet doeltreffend zijn.
Het kabinet erkent de uitkomsten van de evaluatie en speciale verslagen, maar had
desondanks alsnog graag een impact assessment gezien en blijft het belang hiervan in Europa benadrukken. Tegelijkertijd realiseert
het kabinet zich dat de Commissie in het huidige stadium van de onderhandelingen,
met een mogelijk Raadsakkoord op de aankomende Ecofin van 5 mei, niet meer met een
impact assessment zal komen. Mede vanwege het ontbreken van een impact assessment heeft het kabinet tijdens de onderhandelingen om veel verduidelijkingen en aanpassingen
van de compromistekst gevraagd. Onder meer om ervoor te zorgen dat het voorstel zich
beperkt tot strikt noodzakelijke gegevensuitwisseling en -inzage. Ook heeft het kabinet
samen met enkele andere lidstaten aangedrongen op het in de raadsonderhandelingen
zelf kunnen bevragen van het EOM en OLAF om op deze wijze de ontbrekende informatie
over de voorgestane werkwijze en de impact daarvan te kunnen beoordelen. Op basis
van alle ontvangen informatie en verduidelijkingen kan het kabinet een gedegen oordeel
geven over de impact van het voorstel.
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de reikwijdte dat het voorstel Eurofisc-werkterreincoördinatoren
verplicht om «elke aanwijzing van een vermoeden» van btw-fraude uit eigen beweging
te delen met het EOM en OLAF. Een brede uitleg kan leiden tot het delen van informatie
in een zeer vroeg stadium. Kan het kabinet verduidelijken hoe zij de term «elke aanwijzing
van een vermoeden» uitlegt en welke inzet het kabinet pleegt om te waarborgen dat
deze verplichting niet leidt tot overmatige of prematuur gedeelde informatie?
Het kabinet heeft de Commissie tijdens de onderhandelingen om verduidelijking van
deze term gevraagd. Het kabinet en andere lidstaten hebben gepleit voor een concretere
en meer ingekaderde beschrijving van de informatie die door Eurofisc met het EOM en
OLAF gedeeld moet worden. Naar aanleiding van deze opmerkingen is de tekst van het
voorstel aangepast. De huidige compromistekst beschrijft specifieker de informatie
die met het EOM en OLAF gedeeld moet worden. De meer gedetailleerde invulling wordt
vormgegeven in een uitvoeringshandeling. Het kabinet en andere lidstaten hebben erop
aangedrongen dat het Eurofisc-netwerk vanwege hun expertise nauw betrokken moet worden
bij het opstellen van de uitvoeringshandeling. Op nationaal niveau zal het Coördinatiepunt
BTW-fraude (CPB), onderdeel van de FIOD/internationaal vanuit Nederland betrokken
zijn bij het opstellen van deze uitvoeringshandeling. De wijzigingen die tot nu toe
tijdens de onderhandelingen zijn doorgevoerd in de compromistekst moeten ertoe leiden
dat er geen informatie in een prematuur stadium wordt gedeeld en de informatie binnen
het huidige mandaat van het EOM en OLAF valt.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de toegang van het EOM en OLAF tot Europese
IT-systemen zal plaatsvinden onder toezicht van nationale Eurofisc-verbindingsambtenaren.
Het is nog onduidelijk hoe dit toezicht in de praktijk wordt vormgegeven en wat dit
betekent voor de werklast en uitvoerbaarheid. Hoe beoordeelt het kabinet de uitvoerbaarheid
van het voorgestelde toezicht door Eurofisc-verbindingsambtenaren en acht het kabinet
het wenselijk dat essentiële elementen hiervan expliciet in de verordening zelf worden
vastgelegd in plaats van in een uitvoeringshandeling?
Het kabinet kon uit het voorstel niet opmaken hoe het toezicht door Eurofisc-verbindingsambtenaren
bij de toegang van het EOM en OLAF tot de Europese btw databases en registers eruit
zou zien. Het kabinet kon daardoor geen inschatting maken van de uitvoeringslasten.
Het kabinet en andere lidstaten hebben tijdens de onderhandelingen om verduidelijking
gevraagd en de compromistekst is verduidelijkt. In de huidige compromistekst staat
met betrekking tot gerichte zoekopdrachten op basis van artikelen 49a en 49b aangegeven
dat er alleen sprake is van toegang door het EOM en OLAF indien er auditlogboeken
inzichtelijk zijn. Iedere zoekopdracht moet aan een concrete zaak te koppelen zijn
en het betreffende zaaknummer moet zichtbaar zijn in de auditlogboeken. Deze maatregel
moet de zogenaamde «fishing expeditions» met brede, niet relevante zoekopdrachten voorkomen. Eurofisc-verbindingsambtenaren
kunnen deze auditlogboeken inzien en controleren. Door het toezicht op deze manier
in te vullen zal de werklast omtrent deze nieuwe maatregelen voor de nationale Eurofisc-verbindingsambtenaren
beperkt zijn. Immers, in de nieuwe situatie kunnen het EOM en OLAF zelf informatie
uit de Europese IT-systemen halen, in plaats van dat zij daarvoor de nationale autoriteiten
moeten belasten. Tot op heden kosten deze nationale informatieverzoeken capaciteit
van de nationale Eurofisc-verbindingsambtenaren. Het kabinet is van mening dat de compromistekst op dit punt genoeg is
verduidelijkt in de verordening zelf en kan om deze reden accepteren dat nadere details
worden uitgewerkt in de uitvoeringshandeling. Waarbij, zoals hiervoor al is opgemerkt,
het CPB-onderdeel van de FIOD/internationaal vanuit Nederland betrokken zal zijn.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet aangeeft dat de uitbreiding van
bevoegdheden van het EOM en OLAF mogelijk aanvullende personele en operationele inzet
van Nederlandse instanties vereist. Indien hiervoor geen extra middelen beschikbaar
komen, kan dit invloed hebben op de binnenlandse prioritering van btw-fraudebestrijding.
Kan het kabinet nader uiteenzetten wat de verwachte personele en budgettaire impact
is voor de Belastingdienst en andere betrokken instanties en hoe het kabinet voorkomt
dat nationale fraudebestrijding onder druk komt te staan?
Zoals hierboven toegelicht is door de aanpassingen die tijdens de onderhandelingen
in de compromistekst zijn gedaan duidelijk geworden dat de impact op de personele
en operationele inzet van de Nederlandse instanties beperkt zal zijn met betrekking
tot het toezicht bij de directe toegang van het EOM en OLAF tot de Europese IT-systemen.
Dit beeld werd bevestigd tijdens het gesprek dat tijdens de raadsonderhandelingen
heeft plaatsgevonden met het EOM en OLAF.
Dit geldt ook voor de werkzaamheden in het kader van informatie-uitwisseling vanuit
Eurofisc met het EOM en OLAF op basis van artikel 36 van het voorstel. Er zullen nationale
Eurofisc-verbindingsambtenaren betrokken zijn bij het delen van informatie vanuit
Eurofisc als onderdeel van het reguliere Eurofisc werk, maar het delen zal met name
uitgevoerd worden door de Eurofisc-werkterreincoördinatoren. Het is nog niet mogelijk
om de precieze impact op de werklast van deze Eurofisc-werkterreincoördinatoren in
te schatten. Het kabinet blijft desalniettemin oog houden voor de druk op de Nederlandse
Eurofisc-verbindingsambtenaren en instanties.
De leden van de VVD-fractie lezen dat volgens het kabinet voorkomen moet worden dat
de werkzaamheden van nationale autoriteiten worden belemmerd, met name in gevallen
waarin het EOM nog geen strafrechtelijk onderzoek is gestart. Ook is van belang hoe
samenloop tussen nationale opsporing en EOM-onderzoeken wordt voorkomen. Hoe ziet
het kabinet de samenloop tussen nationale opsporingsbevoegdheden en de rol van het
EOM en welke afspraken zijn nodig om dubbele inspanningen of bevoegdheidsconflicten
te voorkomen?
De nationale opsporingsautoriteiten en het EOM werken goed met elkaar samen. Het EOM
heeft zich in het verleden positief uitgesproken over de samenwerking met Nederland
en de snelheid waarmee de FIOD de gevraagde nationale informatie over potentiële btw-fraude
aanlevert. Niet alleen bij dit voorstel, maar ook in den brede, is het van belang
dat beide partijen een duidelijk afgebakend mandaat hebben waar zij binnen blijven.
Dit voorkomt bevoegdheidsconflicten of onnodige dubbele inspanningen. Verwijzingen
naar de bestaande mandaten in de EOM-verordening 2017/1939 zijn belangrijk; dit voorstel
vergroot het mandaat van de EOM niet. Verder moeten termen en begrippen voor alle
partijen duidelijk zijn. Het kabinet en andere lidstaten hebben zoals eerder aangegeven
om een aantal verduidelijkingen gevraagd tijdens de onderhandelingen en de compromistekst
is naar aanleiding hiervan aangepast. Het kabinet is tevreden over deze aanpassingen.
Het voorstel betreft extra informatie-uitwisseling tussen Europese en nationale instanties.
Dit betreft gevoelige informatie. In het fiche ontbreekt informatie hoe wordt gewaarborgd
dat dit op een veilige manier kan gebeuren. Indachtig toenemende cybercriminaliteit
en geopolitieke dreigingen vinden de leden van de VVD-fractie dit wel relevant. Op
welke manier heeft het kabinet dit meegewogen in haar standpuntbepaling?
Het kabinet heeft veel aandacht voor dataveiligheid. Dit ziet zowel op de systemen
zelf als de personen die daar toegang tot hebben. De verwachting is niet dat het voorstel
leidt tot meer informatie-uitwisseling tussen Europese en nationale instanties, omdat
het EOM en OLAF door het voorstel juist direct informatie ontvangen vanuit het Eurofisc-netwerk
of zelf toegang hebben tot de Europese databases en registers. De informatie die nu
al tussen de nationale autoriteiten en het EOM en OLAF wordt uitgewisseld vindt plaats
via de gebruikelijke beveiligde kanalen. Hier zal het voorstel geen verandering in
aanbrengen. De uitwisseling van informatie tussen het Eurofisc-netwerk en het EOM
en OLAF zal ook via beveiligde kanalen plaatsvinden. Deze beveiligde kanalen bestaan
momenteel al tussen alle lidstaten en de Europese databases en registers (het CCN/CSI
netwerk). De verplichting om dit op een veilige manier te bewerkstelligen is voor
lidstaten opgenomen in de Verordening (EU) nr. 904/2010 en wordt door dit voorstel
uitgebreid naar het EOM en OLAF.
Drie lidstaten nemen momenteel niet deel aan het EOM, zo constateren deze leden. Met
het voorliggende voorstel wordt beoogd de effectiviteit van handhaving op btw-fraude
te verhogen. Welke gevolgen heeft het voor de effectiviteit van de handhaving dat
enkele lidstaten niet deelnemen aan het EOM?
In de lidstaten die geen lid zijn van het EOM kan het EOM geen opsporing of vervolging
uitvoeren. Het EOM kan wel met deze lidstaten samenwerken. De drie lidstaten die geen
lid zijn van het EOM blijven zelf verantwoordelijk voor de handhaving van btw-fraude
en kunnen, waar van toepassing, gebruik maken van de onderzoeken van het EOM. Het
feit dat lidstaten niet deelnemen aan het EOM doet niet af aan een effectieve fraudebestrijding.
Deze lidstaten nemen wel deel aan Eurofisc en werken samen met andere lidstaten.
Ziet het kabinet – indachtig het toedelings-, subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel
– nog mogelijkheden om de effectiviteit van de handhaving op Europees niveau te verhogen
en zo ja, op welke manier dan en is het kabinet ook voornemens dit bij de behandeling
van deze Verordening op te brengen? De leden van de VVD-fractie hechten grote waarde
aan proportionele fraudehandhaving.
Hoewel de Nederlandse opsporingsinstanties over het algemeen snel voldoen aan informatieverzoeken
van het EOM en OLAF erkent het kabinet dat het soms lang kan duren voordat het EOM
en OLAF informatie ontvangen van lidstaten. Bovendien moeten het EOM en OLAF momenteel
hetzelfde informatieverzoek vaak aan meerdere lidstaten afzonderlijk doen. Het EOM
en OLAF geven aan dat het versnellen en versimpelen van deze processen de voornaamste
redenen zijn dat zij informatie van Eurofisc willen ontvangen en directe toegang tot
de Europese btw-databases en registers willen krijgen. Het kabinet heeft tijdens de
onderhandelingen gevraagd of de Commissie naar alternatieve manieren heeft gekeken
om de informatieverzoek-processen te versnellen. De Commissie heeft geen alternatieven
onderzocht en gaf aan dat het voorstel in haar optiek de geschikte manier is om de
Europese btw-fraude netwerken effectiever te bestrijden. Het kabinet heeft zelf geen
alternatieve opties voorhanden en is het met de Commissie eens dat het voorstel kan
bijdragen aan het beoogde doel en indachtig de genoemde beginselen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben het fiche met interesse gelezen. Ze
hebben een aantal vragen.
Allereerst vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de Staatssecretaris om het
begrip «intracommunautaire ploffraude» (MTIC) toe te lichten. Om wat voor fraude gaat
het hier precies?
Intracommunautaire ploffraude is een bekende vorm van btw-fraude met een grensoverschrijdend
element. In de meeste gevallen wordt als «plof-bv» een nieuw opgerichte onderneming
gebruikt, die uit het niets in korte tijd voor grote bedragen inkopen uit andere lidstaten
doet. Deze plof-bv fungeert als tussenpersoon en koopt en verkoopt goederen zonder
btw af te dragen waar dat wel verplicht is. Een voorbeeld: de plof-bv (bedrijf A)
koopt goederen van een bedrijf uit een andere lidstaat (bedrijf B). Omdat het hier
om een intracommunautaire levering gaat, berekent bedrijf B geen btw. Bedrijf A verkoopt
vervolgens de goederen binnenlands door aan een ander bedrijf (bedrijf C) en brengt
hierbij btw in rekening. Na het innen van de btw door bedrijf A worden de opbrengsten
uit bedrijf A gehaald. Bedrijf A draagt de btw niet af aan de Belastingdienst. Bedrijf
C brengt de door bedrijf A in rekening gebrachte btw echter wel als voorbelasting
in aftrek op zijn aangifte. Wanneer de Belastingdienst bedrijf A ontdekt wordt het
btw-nummer ingetrokken of de bv opgeheven. Als dat te laat gebeurt zijn de fraudeurs
vaak alweer begonnen met een nieuwe plof-bv.
Ook vragen deze leden om een toelichting op de stelling dat «de actoren die betrokken
zijn bij de bestrijding van btw-fraude op EU-niveau doeltreffender kunnen handelen».
Welke actoren zijn dat en doeltreffender handelen dan wie?
Met de actoren wordt voornamelijk gedoeld op Eurofisc, het EOM en OLAF. Indien Eurofisc,
het EOM en OLAF doeltreffender handelen dan zij momenteel doen kan er meer MTIC-fraude
worden opgespoord.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook wat het verschil precies is tussen
«alle relevantie informatie van de lidstaten afzonderlijk», waartoe OLAF toegang heeft
krachtens de OLAF-verordening en «de IT-systemen zoals gedefinieerd in de Verordening
(EU) nr. 904/2010». Kan de Staatssecretaris dit toelichten?
OLAF kan in het kader van een onderzoek relevante informatie van lidstaten opvragen.
Lidstaten moeten hier op basis van de OLAF-verordening5 aan meewerken. De data die OLAF nationaal kan opvragen ziet gedeeltelijk op data
die ook te vinden is in de IT-systemen zoals gedefinieerd in de Verordening (EU) nr.
904/2010. Dit betreft de databases en registers die in het voorstel genoemd worden.
Het bekendste voorbeeld hiervan is het VAT Information Exchange System (VIES). Hoewel de nationale en Europese data dus gedeeltelijk overlappen, gaat het
OLAF er voornamelijk om dat zij de relevante informatie sneller ontvangt. Het voorstel
moet dit bewerkstelligen door OLAF onder voorwaarden directe toegang te geven tot
de genoemde IT-systemen. Hierdoor hoeven zij geen informatieverzoek meer bij lidstaten
afzonderlijk te doen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben algemene opmerkingen over de reikwijdte
van de Verordening en de dataveiligheid binnen de nieuwe informatiestromen die door
de herziening zouden worden toegestaan. Ten eerste vragen deze leden de Staatssecretaris
om in Europees verband te pleiten voor een betere afbakening van definities, zodat
er geen risico bestaat dat er onnodig veel gevoelige fiscale gegevens worden uitgewisseld
zonder onderbouwde noodzaak.
Het kabinet deelt de zorgen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA en heeft
tijdens de onderhandelingen consequent gepleit voor betere afbakening van definities.
Hier ben ik nader op in gegaan bij de beantwoording van de vragen van de leden van
de VVD-fractie.
Ten tweede vragen deze leden naar de beveiligingsmaatregelen die worden genomen om
te verzekeren dat data-uitwisseling met het EOM en OLAF op een veilige wijze gebeurt.
Deze leden zijn kritisch over het feit dat dit pas in de uitvoeringshandelingen van
de Europese Commissie wordt uitgewerkt.
Het kabinet vindt de bescherming van de in het voorstel genoemde btw-data van groot
belang en heeft zich hier tijdens de onderhandelingen consequent voor ingezet. De
dataveiligheid is in de compromistekst geborgd. Er is duidelijker afgebakend welke
informatie Eurofisc met het EOM en OLAF moet uitwisselen en het kabinet zet zich ervoor
in dat Eurofisc nauw betrokken is bij de nadere invulling van de bijbehorende uitvoeringshandeling.
De concrete uitwisseling tussen Eurofisc en het EOM en OLAF zal plaatsvinden via beveiligde
kanalen. Met betrekking tot de toegang door het EOM en OLAF tot de IT-systemen zijn
in de compromistekst de voorwaarden voor centrale toegang en de details over wat er
in de bijbehorende uitvoeringshandeling moet komen nader uitgewerkt. Zo moet er via
auditlogboeken inzichtelijk zijn naar welke informatie is gezocht en de zoekopdrachten
moeten aan specifieke zaken te koppelen zijn. Gezien deze verduidelijkingen en nadere
uitwerking in de verordening zelf heeft het kabinet er geen bezwaar tegen dat bepaalde
elementen worden uitgewerkt in de uitvoeringshandeling.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de huidige werkwijze, waarbij het
EOM enkel via nationale autoriteiten toegang kan krijgen tot IT-systemen ter bevordering
van onderzoek, tekortschiet. Ze vragen om een nadere onderbouwing dat deze huidige
werkwijze niet de vereiste snelheid en doeltreffendheid biedt. Tot welke problemen
heeft dit geleid en op basis waarvan stelt de Europese Commissie dat een wijziging
noodzakelijk is?
De Commissie stelt dat een wijziging van de bestaande verordening noodzakelijk is
naar aanleiding van signalen vanuit het EOM en het speciale verslag 08/2025 van de
Europese Rekenkamer over btw-fraude bij invoer. Een groot deel van de btw-fraude die
het EOM opspoort ziet op de MTIC-fraude waar u in een eerdere vraag naar verwijst.
Het in de beantwoording op die vraag genoemde «ploffen» van bedrijven gebeurt vaak
snel en betreft twee of meer lidstaten. Bovendien is het zo dat wanneer het bedrijf
geploft is, het lastiger wordt om de fraudeur op te sporen. Deze fraudeur kan vervolgens
weer een nieuw plofbedrijf in de keten beginnen. Om de fraude effectief op te kunnen
sporen is het belangrijk om zo snel mogelijk informatie te ontvangen van de betrokken
lidstaten. Niet alleen van de plofbedrijven maar ook van de fraudenetwerken er omheen.
Op die manier kan er sneller worden opgetreden. In het beste scenario zelfs voordat
het bedrijf «ploft». Momenteel kan het lang duren voordat het EOM informatie over
de potentiële ploffer van een lidstaat ontvangt. Dit verschilt per lidstaat en informatieverzoek.
Door direct in de in het voorstel genoemde IT-systemen te kijken verwacht het EOM
sneller nieuwe plofbedrijven in beeld te krijgen.
Waarop baseert de Europese Commissie haar raming van de gederfde btw-inkomsten als
gevolg van intracommunautaire ploffraude, die veel hoger uitvalt dan de omvang van
de daadwerkelijk opgespoorde frauduleuze MTIC-transacties?
De Commissie baseert de ramingen op het in december 2024 gepubliceerde VAT GAP MTIC
report.6 In het rapport is op basis van voornamelijk gegevens van Intrastat7 een inschatting gemaakt van het btw-nalevings-gat veroorzaakt door MTIC-fraude.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn waakzaam wat betreft het verlenen van
toegang tot uitgebreide databanken. Deze leden wijzen erop dat zulke toegang bij uitzondering
en enkel met onderbouwde noodzaak verleend dient te worden. Deze leden vragen het
kabinet om haar eigen definitie van «gerichte zoekopdrachten».
Het kabinet heeft geen eigen definitie van de term «gerichte zoekopdrachten». Wat
het kabinet betreft moeten gerichte zoekopdrachten in het kader van dit voorstel aansluiten
bij de mandaten van het EOM en OLAF. Dit betreft informatie die het EOM en OLAF nu
ook al bij de nationale autoriteiten van lidstaten zelf kunnen opvragen. Verder moeten
de gerichte zoekopdrachten gekoppeld zijn aan zaken, zodat er geen «fishing expeditions» naar willekeurige informatie gedaan kunnen worden. Ook moet duidelijk zijn naar welke
informatie gezocht kan worden. Dit moet informatie zijn die nodig is in het kader
van een onderzoek naar een zaak. De gerichte zoekopdrachten moeten alleen plaatsvinden
door specifieke personen die nauw bij de zaak betrokken zijn. Tot slot moet er sprake
zijn van een controlemechanisme om te achterhalen of er voldaan is aan de hierboven
genoemde elementen.
Deze leden zijn kritisch op het feit dat juist deze gevoelige definitie nog nader
moet worden uitgewerkt. Daarnaast ontbreekt de impact assessment, terwijl de Europese
Commissie wel stelt dat er een «effectbeoordeling» is gemaakt. Waarop is die beoordeling
gebaseerd en hoe is dit anders dan de gedegen impact assessment waar het kabinet ook
om vraagt? Gaat de Staatssecretaris samen met andere EU-lidstaten pleiten om alsnog
een impact assessment te laten opstellen en zo ja, met welke collega’s trekt de Staatssecretaris
hierin samen op?
In mijn beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractie ben ik nader ingegaan
op het ontbreken van de effectbeoordeling.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de zienswijze van
de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS).8 EDPS waarschuwt dat de scheidslijn tussen dataverwerking voor administratieve doeleinden
en ten behoeve van opsporing niet moet verwateren. Ook roept de waakhond op om de
verleende toegang voor het EOM en OLAF goed af te kaderen. Heeft de Staatssecretaris
kennisgenomen van de positie van de EDPS en onderschrijft de Staatssecretaris deze
suggesties?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het advies van de EDPS. Het kabinet ziet veel
overeenkomsten tussen dit advies en de eigen inzet bij de onderhandelingen. Het kabinet
pleit tijdens de onderhandelingen voor strikte en duidelijke kaders waarbinnen het
EOM en OLAF toegang tot btw-data krijgen. In de huidige compromistekst zijn begrippen
concreter ingevuld en definities ingekaderd. Voorbeelden hiervan vindt u in de beantwoording
van de eerdere vragen uit dit schriftelijk overleg. Het kabinet is tevreden over deze
wijzingen, die de scheidslijn borgen tussen dataverwerking voor administratieve doeleinden
enerzijds en opsporing anderzijds.
Zijn nationale toezichthouders ook geraadpleegd voor de standpuntbepaling van het
kabinet en zo ja, welke toezichthouders zijn betrokken?
Ja, de nationale toezichthouders zijn nauw betrokken bij de standpuntbepaling en onderhandelingen
over het voorstel. De Belastingdienst, en specifiek de FIOD/CPB, houden zich in Nederland
bezig met de bestrijding van btw-fraude. De FIOD/CPB is vanuit Nederland onderdeel
van het Eurofisc netwerk. Waar het voorstel spreekt over contact met de nationale
autoriteiten voor het aanleveren van data betekent dit het met name het contact dat
het EOM en OLAF hebben met de FIOD/CPB.
Deze leden vragen voorts welk commentaar de toezichthouders hebben meegegeven.
De FIOD/CPB heeft er met name op aangestuurd dat er niet meer informatie wordt gedeeld
dan hoogstnoodzakelijk is en dat er goed toezicht moet zijn op de personen die toegang
krijgen tot de Europese databases en registers. Het is van belang dat het EOM en OLAF
binnen hun mandaat blijven opereren en er moet voorkomen worden dat er zogenaamde
«fishing expeditions» mogelijk zijn. Specifiek ten aanzien van het spontaan verstrekken van informatie
aan het EOM en OLAF in het kader van artikel 36 heeft de FIOD/CPB aangegeven dat het
Eurofisc netwerk een belangrijke rol moet spelen bij het vaststellen van de informatie
die Eurofisc moet delen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen de kritische vragen van het kabinet
over de reikwijdte van de data die gedeeld moet worden met het EOM en OLAF. Deze leden
pleiten voor een nauwe, zorgvuldige afkadering van het soort gegevens dat moet worden
gedeeld door nationale autoriteiten. Gegevensdeling op basis van «iedere aanwijzing
van een vermoeden» is volgens deze leden niet duidelijk genoeg. Deze leden vragen
de Staatssecretaris om toe te lichten hoe de Staatssecretaris zich «in zal zetten
dat er geen overbodige informatie» of informatie in een «te vroeg stadium» wordt gedeeld
met het EOM en OLAF.
Het kabinet acht het positief dat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de kritische
vragen van het kabinet deelt over de reikwijdte van de data die gedeeld moet worden
met het EOM en OLAF. De inzet licht ik nader toe in de beantwoording van de vragen
van de leden van de VVD-fractie.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de Staatssecretaris idealiter ziet
dat «gerichte zoekopdrachten» worden beperkt, wie er volgens hem toegang dienen te
krijgen tot de gevoelige data en hoe het toezicht door nationale Eurofisc-verbindingsambtenaren
naar zijn mening moet worden ingericht. Wat doet de Staatssecretaris om deze zienswijze
kenbaar te maken bij de Europese Commissie?
De gerichte zoekopdrachten moeten binnen het mandaat van het EOM en OLAF vallen. Het
moet gaan om informatie waarvoor het EOM en OLAF nu bij lidstaten zelf kunnen aankloppen
met een informatieverzoek en waarvan lidstaten verplicht zijn om die informatie te
verstrekken. Het kabinet ziet idealiter dat alleen personen binnen het EOM en OLAF
toegang krijgen tot de informatie indien zij nauw betrokken zijn bij de zaken. Deze
personen moeten duidelijk identificeerbaar zijn. Eurofisc-verbindingsambtenaren moet
hierop controles kunnen uitvoeren. Dit is geregeld in de huidige compromistekst. Eurofisc-verbindingsambtenaren
kunnen auditlogboeken controleren waarin is vastgelegd welke persoon naar welke informatie
gezocht heeft en aan welk zaaknummer de zoekopdracht is gekoppeld. Het kabinet heeft
nadrukkelijk aangegeven dat de verantwoordelijkheid voor het toezicht niet of niet-volledig
bij de nationale Eurofisc-verbindingsambtenaren gelegd kan worden. Zij hebben in de
regel geen inzicht in de zaken die bij het EOM en OLAF lopen en kunnen zonder gedegen
kennis van een zaak niet bepalen of hetgeen gezocht is rechtmatig is. Het toezicht
ligt daarom ook bij het EOM en OLAF zelf. In zowel de EOM-verordening9 als in de OLAF-verordening10 zijn expliciete bepalingen opgenomen over toezicht op de eigen werkzaamheden, waaronder
dataveiligheid en gegevensbescherming. Dit toezicht vindt plaats via interne controles,
externe audits en onder toezicht van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming,
met rapportages aan de Europese instellingen. Het kabinet is van mening dat dit voldoende
waarborgen biedt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over gegevensuitwisseling
van btw-informatie teneinde fraude op te sporen. Deze leden merken op dat de btw tax
gap in de Europese Unie aanzienlijk is. De laatste cijfers van de EU-douaneautoriteit
lieten zien dat het EU btw-gat in 2023 opliep tot 128 miljard euro. Als door middel
van het rapporteren van transacties op basis van deze verordening dit btw-gat verkleind
kan worden, dan zou dat volgens deze leden een goede ontwikkeling zijn. Deze leden
merken terughoudendheid in de kabinetsinzet voor het in een vroeg stadium en proactief
delen van informatie tussen het Eurofisc-netwerk. Deze leden vragen of het niet juist
meerwaarde kan hebben om signalen op EU-niveau te analyseren zodat grensoverschrijdende
netwerken kunnen worden geïdentificeerd. Zou het alleen op verzoek rapporteren, zoals
het kabinet voorstelt, dit niet minder effectief maken? Deze leden vragen of het kabinet
deze afweging ook heeft gemaakt.
Het kabinet herkent de afweging en staat er om de genoemde reden voor open dat er
proactief informatie wordt gedeeld door het Eurofisc-netwerk. Een voorwaarde daarbij
moet wel zijn dat de informatie die wordt gedeeld niet verder gaat dan nodig is. Het
kabinet vond dit niet duidelijk blijken uit het voorstel, dit gold specifiek ten aanzien
van de term «iedere aanwijzing van een vermoeden». Het kabinet heeft tijdens de onderhandelingen
om verduidelijking van wat dit inhoudt gevraagd. De compromistekst is tijdens de onderhandelingen
aangepast op een manier die volgens het kabinet de gewenste duidelijkheid verschaft.
Dit heb ik nader toegelicht in de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie.
Indien hieraan wordt vastgehouden kan het kabinet akkoord gaan met het proactief delen
van deze informatie met het EOM en OLAF.
Het kabinet geeft ook aan dat het kabinet voorstander is van maatregelen die btw-fraude
effectief en gericht bestrijden, mits dit niet leidt tot onnodige stijging van administratieve-
en uitvoeringslasten voor het bedrijfsleven en de nationale instanties. De leden van
de CDA-fractie vragen waar het kabinet deze risico’s mogelijk zou zien.
Het kabinet zag deze risico’s voornamelijk terug bij de uitvoeringslasten van de nationale
instanties, specifiek de FIOD/CPB. Deze zorgen zijn in de huidige compromistekst weggenomen.
Zie in dit kader mijn beantwoording van de vragen van de VVD-fractie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de FvD-fractie
De leden van de FvD-fractie hebben kennisgenomen van het fiche over de herziening
van Verordening 904/2010 betreffende de toegang van het Europees Openbaar Ministerie
(EOM) en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) tot btw-informatie op het
niveau van de Unie. Deze leden hebben naar aanleiding hiervan de volgende vragen en
opmerkingen.
De leden van de FVD-fractie lezen ten aanzien van MTIC-fraude dat het in het fiche
beschreven voorstel tot doel heeft de doeltreffendheid en snelheid van opsporing en
vervolging van grensoverschrijdende btw-fraude te vergroten. Deze leden constateren
dat de beschreven MTIC-fraude (ploffraude) structureel mogelijk is door een inherente
asymmetrie in het huidige btw-stelsel: een ondernemer kan goederen btw-vrij inkopen
via een intracommunautaire levering, terwijl hij bij doorverkoop in eigen land wél
btw int van zijn afnemer (btw die vervolgens nooit wordt afgedragen aan de Belastingdienst).
De Europese Commissie raamt de derving als gevolg van MTIC-fraude op 12,5 tot 32,8 miljard
euro per jaar.
De leden van de FVD-fractie pleiten in hun verkiezingsprogramma van 2025 voor een
afschaffing van de B2B (business to business) btw-heffing. Btw wordt dan uitsluitend
geheven bij de eindverkoop aan consumenten (B2C). De fraudeprikkel verdwijnt hiermee
structureel: een missing trader heeft niets meer te innen als er in de keten geen
btw meer wordt berekend.
Deze constateringen leiden tot de volgende vragen van de leden van de FVD-fractie
aan de Staatssecretaris. Is de Staatssecretaris bereid om zich in de Raad in te zetten
voor een herziening van de Europese btw-richtlijn (2006/112/EG), zodanig dat lidstaten
de mogelijkheid krijgen om btw-heffing in B2B-transacties af te schaffen en uitsluitend
nog btw te heffen bij transacties tussen ondernemer en consument? Is de Staatssecretaris
bereid om te bevorderen dat de Commissie alsnog een volwaardige impact assessment
uitvoert die stelselwijziging via afschaffing van B2B-btw als serieus beleidsalternatief
evalueert?
In specifieke gevallen maakt Nederland al gebruik van verleggingen om btw-carrouselfraudemogelijkheden
in bepaalde sectoren weg te nemen.11 Zo past Nederland dit toe bij onder meer de handel in mobiele telefoons, broeikasgas-emissierechten
en laptops.
Een algehele verlegging kan een remedie zijn tegen verlies van btw als gevolg van
btw-carrouselfraude, maar zonder flankerende maatregelen heeft dit ook serieuze nadelen.
De factuur vervult dan geen rol meer voor het verkrijgen van een recht op aftrek van
btw aan de inkoopzijde waardoor het risico op het uitbreiden van een zwarte afzetmarkt
te verwachten is. Hierdoor gaat niet alleen btw verloren, maar ook andere belastingen
en sociale premies. Daarnaast vindt de inning van de btw in dat geval volledig plaats
in de laatste handelsschakel van de consumptieketen waardoor de handhaving grondig
aangepast moet worden.
Welke flankerende maatregelen voldoende zijn om deze nadelen op te vangen moet in
de praktijk nog worden uitgewezen. Daarom heeft Nederland tijdens zijn voorzitterschap
van de Raad van de EU in de eerste helft van 2016 ingezet op het bieden van een mogelijkheid
voor lidstaten die de algemene verlegging in hun land willen toepassen. De btw-richtlijn
2006/112 is toen gewijzigd zodat lidstaten die dat wensten en aan de voorwaarden voldeden,
een veralgemeende verleggingsregeling konden invoeren12. Uiteindelijk heeft geen enkele lidstaat dit in de praktijk gebracht en is die mogelijkheid
inmiddels weer komen te vervallen.
Desondanks is de gedachte van een algemene verlegging niet geheel uit beeld. De ontwikkeling
van de elektronische factuur en snelle digitale rapportage van elementen daaruit als
gevolg van het akkoord op het voorstel VAT in the digital age (hierna: VIDA) zou wellicht kunnen bijdragen aan de flankerende maatregelen die nodig
zijn bij een invoering van een algehele verlegging.13 Indien na de inwerkingtreding van VIDA een stabiel beeld ontstaat dat de data goed
en snel kunnen worden ingezet om handelsstromen te monitoren zou het idee van een
algehele verlegging interessant zijn om weer te verkennen. Inmiddels loopt in opdracht
van de Commissie een studie «VAT beyond VIDA» over toekomstige verbeteringen van het huidige btw-systeem. Dit zou een goed aanknopingspunt
zijn om de algehele verlegging als een alternatief te bezien. Een beleidsalternatief
in een impact assessment zoals door de leden van de FVD-fractie is voorgesteld heeft het kabinet nu niet voor
ogen. In de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie ben ik nader ingegaan op
het ontbreken van de impact assessment.
De leden van de FVD-fractie zijn ten aanzien van het risico van een sluipende Europese
belastingdienst bezorgd over de cumulatieve institutionele ontwikkeling op het terrein
van Europese btw-informatie-uitwisseling en -handhaving. Deze leden zien in het voorliggende
voorstel een stap in een reeks die, indien ongecontroleerd voortgezet, de facto kan
leiden tot het ontstaan van een Europese belastingdienst, zonder dat dit politiek
expliciet is besloten of democratisch gelegitimeerd.
De leden van de FVD-fractie constateren dat de kern van elke belastingdienst bestaat
uit drie elementen: een informatiepositie, heffingsbevoegdheid en handhavingsbevoegdheid.
Met ViDA en het voorliggende voorstel wordt de informatiepositie op Europees niveau
opgebouwd. Het EOM beschikt al over strafrechtelijke handhavingsbevoegdheid bij btw-fraude
boven de 10 miljoen euro. Wat resteert is de expliciete heffingsbevoegdheid.
De leden van de FVD-fractie achten dit een onwenselijke ontwikkeling. Belastingheffing
raakt de kern van nationale soevereiniteit en democratische zelfbeschikking. Besluiten
over wat burgers en bedrijven bijdragen aan de publieke zaak behoren te worden genomen
door democratisch verkozen volksvertegenwoordigingen op nationaal niveau, niet door
Europese instanties die niet rechtstreeks verantwoording afleggen aan de Nederlandse
kiezer.
Deze constateringen leiden tot de volgende vragen van de leden van de FVD-fractie
aan de Staatssecretaris. Deelt de Staatssecretaris de analyse dat de combinatie van
ViDA en het onderhavige voorstel stap voor stap de informatie-infrastructuur opbouwt
die noodzakelijk is voor een Europese belastingdienst, ook al is een formele heffingsbevoegdheid
voor Europese instanties nu niet aan de orde?
Nee. Het doel van het onderhavige voorstel is het verbeteren van de aanpak van grensoverschrijdende
btw-fraude. VIDA heeft als doel belastingontwijking tegen te gaan en administratieve
lasten te verlichten. Beide voorstellen zijn geen opmars naar een Europese Belastingdienst.
Deelt de Staatssecretaris de mening dat de oprichting van een Europese belastingdienst
– in welke vorm dan ook, formeel of feitelijk – onwenselijk is en dat belastingheffing
een exclusieve nationale bevoegdheid dient te blijven?
Het kabinet ziet geen noodzaak voor het oprichten van een Europese Belastingdienst,
dan wel overhevelen van belastingheffingsbevoegdheden naar de EU.
De leden van de FVD-fractie vragen hoe de Staatssecretaris borgt dat de bevoegdheden
van het EOM en OLAF onder het onderhavige voorstel strikt blijven beperkt tot fraudebestrijding
en niet kunnen worden uitgebreid naar reguliere belastingcontrole of -heffing? Welke
juridische waarborgen zijn daarvoor aanwezig en acht de Staatssecretaris deze voldoende?
Het mandaat van het EOM en OLAF ziet niet op belastingcontrole of -heffing en er zijn
geen plannen om dit te wijzigen. Het mandaat van het EOM en OLAF is bovendien niet
geregeld in Verordening (EU) 904/2010 en kan derhalve niet door een wijziging van
deze verordening aangepast worden.
Is de Staatssecretaris bereid om bij de onderhandelingen over dit voorstel te pleiten
voor een expliciete clausule die toekomstige uitbreiding van Europese bevoegdheden
op het terrein van nationale belastingheffing uitsluit?
Het onderhavige voorstel ziet op het creëren van een rechtsgrondslag om btw-data op
EU-niveau met het EOM en OLAF te delen in het kader van het bestrijden van btw-fraude.
Het voorstel maakt geen inbreuk op de nationale belastingheffingsbevoegdheid en ziet
niet op het creëren van een Europese belastingheffingsbevoegdheid. Het opnemen van
de voorgestelde clausule is daarom geen inzet van het kabinet tijdens de onderhandelingen.
De leden van de FVD-fractie lezen dat er in het fiche terecht wordt gewezen op de
spanning met grondrechten (artikel 7 en 8 van het Handvest), met name omdat de Europese
databanken gegevens bevatten van een overweldigende meerderheid bonafide belastingplichtigen.
Welke concrete maatregelen zal de Staatssecretaris bedingen om de proportionaliteit
van de gegevenstoegang te waarborgen en hoe wordt voorkomen dat burgers en bedrijven
zonder aanleiding in het vizier komen van Europese opsporingsinstanties?
In de beantwoording van de vragen van de VVD en GroenLinks-PvdA fracties ga ik nader
in op de Nederlandse inzet tijdens de onderhandelingen en de aanpassingen die in de
compromistekst zijn gedaan.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier