Jaarverslag : Jaarverslag van de Nationale ombudsman, de Kinderombudsman en de Veteranenombudsman over 2025
36 929 Nationale ombudsman 2025
INHOUDSOPGAVE
VOORWOORD
LEESWIJZER
TERUGBLIK OP 2024
1. HET WERK VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN
1.1. Missie en visie
1.2. Werkwijze, cijfers en relaties met burgers en overheid
1.3. Ontwikkelingen bij de Nationale ombudsman
1.4. Lokale ombudsman
1.5. Aandacht voor professionals en de Raadbaak
1.6. Ombudsagenda
1.6.1. Fundamentele rechten
1.6.1.1. Dak- en thuisloosheid onder volwassenen en kinderen
1.6.1.2. Standplaatsen voor woonwagenbewoners
1.6.1.3. Datalek bevolkingsonderzoek Nederland
1.6.1.4. Inbreng voor debat over Staat van de Rechtsstaat
1.6.1.5. Gevolgen van nieuwe asielmaatregelen
1.6.1.6. Onevenredige hardheden in beleid, wetgeving en uitvoering
1.6.1.7. Opvanglocaties voor Oekraïners
1.6.1.8. Onderzoek naar en poldershops over Europees Migratie- en Asielpact
1.6.1.9. Ongedocumenteerde migranten op Bonaire
1.6.1.10. Toezicht en inzageproces van CTER-registratie
1.6.2. Armoede
1.6.2.1. Innen van schulden en boetes door CJIB
1.6.2.2. Achterstand bij het opleggen van waterschapsbelasting
1.6.2.3. Onzekerheden bij Tijdelijk Noodfonds Energie
1.6.2.4. Hersteloperatie Toeslagen verbeteren
1.6.2.5. Stappen in beter herstel bieden
1.6.2.6. Betere voorlichting over handhaving op schijnzelfstandigheid zzp’ers
1.6.2.7. Stapelfacturen voorkomen
1.6.3. Participatie en invloed
1.6.3.1. Tien jaar decentralisaties
1.6.4. Toegang tot voorzieningen
1.6.4.1. Onveilige situaties bij trapliften voor ouderen
1.6.4.2. Onbetrouwbare bezorging van overheidspost
1.6.4.3. De rol van digitalisering in klachtbehandeling, beleid en media
1.6.4.4. Meer aandacht voor Q-koortspatiënten
1.6.4.5. Volledig digitale tolheffing kan negatief uitwerken voor burgers
1.6.5. Leefbaarheid
1.6.5.1. Gevolgen van gaswinning in Groningen en Noord-Drenthe
1.6.5.2. Nieuwe adviezen voor het kanaal Almelo-de Haandrik
1.6.5.3. Risico’s voor gezondheid en milieu door vuilstort op Bonaire
1.6.5.4. Schadeafhandeling bij dijkversterkingsprojecten
1.6.5.5. De Omgevingswet
1.7. Caribisch Nederland
1.8. Internationale activiteiten
2. HET WERK VAN DE KINDEROMBUDSMAN
2.1. Missie en visie van de Kinderombudsman
2.2. Werkwijze, cijfers en relaties met burger en overheid
2.3. Belangrijke onderwerpen in 2025
2.4. Ombudsagenda
2.4.1. Fundamentele rechten
2.4.1.1. Asielmaatregelen en verslechtering situatie kinderen in crisisnoodopvang
2.4.1.2. Kinderen in de asielopvang
2.4.1.3. Oekraïense kinderen in opvanglocaties
2.4.1.4. Gevolgen van Migratie- en Asielpact
2.4.1.5. Online kinderrechten
2.4.1.6. Kinderen in vlogfamilies
2.4.1.7. Hardhedenbrief aan BZK
2.4.2. Armoede
2.4.2.1. Opgroeien in onzekerheid
2.4.3. Levensloop en ontwikkeling
2.4.3.1. Ruzie en geweld thuis
2.4.3.2. Lhbtiqa+ kinderen
2.4.3.3. Jeugdbeleid en jeugdbescherming
2.4.3.4. Passend onderwijs
2.5. Caribisch Nederland
2.6 Internationale activiteiten
3. HET WERK VAN DE VETERANENOMBUDSMAN
3.1. Missie en visie
3.2. Werkwijze en cijfers
3.3. Belangrijke onderwerpen in 2025
3.4. Ombudsagenda: letselschade veteranen
3.5 Internationale activiteiten
4. ONZE MENSEN
4.1. Personeelsbestand
4.2. Klachten over de organisatie
4.3. Vertrouwenspersoon
4.4. Ziekteverzuim en vitaliteit
4.5. Medewerkers naar buiten
4.6. Nevenfuncties ambtsdragers
Nr. 2
JAARVERSLAG VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN, DE KINDEROMBUDSMAN EN DE VETERANENOMBUDSMAN
INHOUDSOPGAVE
Voorwoord
3
Leeswijzer
7
Terugblik op 2024
8
1.
Het werk van de Nationale ombudsman
10
1.1.
Missie en visie
10
1.2.
Werkwijze, cijfers en relaties met burgers en overheid
10
1.3.
Ontwikkelingen bij de Nationale ombudsman
15
1.4.
Lokale ombudsman
17
1.5.
Aandacht voor professionals en de Raadbaak
18
1.6.
Ombudsagenda
19
1.7.
Caribisch Nederland
48
1.8.
Internationale activiteiten
51
2.
Het werk van de Kinderombudsman
54
2.1.
Missie en visie van de Kinderombudsman
54
2.2.
Werkwijze, cijfers en relaties met burger en overheid
54
2.3.
Belangrijke onderwerpen in 2025
55
2.4.
Ombudsagenda
57
2.5.
Caribisch Nederland
66
2.6
Internationale activiteiten
67
3.
Het werk van de Veteranenombudsman
68
3.1.
Missie en visie
68
3.2.
Werkwijze en cijfers
68
3.3.
Belangrijke onderwerpen in 2025
71
3.4.
Ombudsagenda: letselschade veteranen
74
3.5
Internationale activiteiten
76
4.
Onze mensen
77
4.1.
Personeelsbestand
77
4.2.
Klachten over de organisatie
78
4.3.
Vertrouwenspersoon
78
4.4.
Ziekteverzuim en vitaliteit
79
4.5.
Medewerkers naar buiten
79
4.6.
Nevenfuncties ambtsdragers
79
VOORWOORD
Doen wat nodig is
De komst van een asielzoekerscentrum in Albergen leidde enkele jaren geleden tot grote
onrust en protesten. Inwoners die klaagden over het optreden en de communicatie van
de gemeente, stonden tegenover vier advocaten, zonder iemand van de gemeente zelf
te spreken. De Nationale ombudsman oordeelde in 2025 dat de gemeente Tubbergen, waar
Albergen onder valt, deze klachten onbehoorlijk heeft afgehandeld. De gemeente had
het contact met haar burgers uitbesteed en daarmee feitelijk verbroken. Het gevolg:
zij werden niet gehoord.
Wat in Tubbergen gebeurde, is nog steeds actueel. Ook afgelopen jaar liepen de spanningen
rond asielopvang in het land hoog op. Niet alleen tussen burgers en overheid, maar
ook tussen burgers onderling. Tegelijkertijd zien we opnieuw gemeenten die het gesprek
met inwoners uit de weg gaan. Terwijl een overheid juist in contact moet staan met
de mensen die door haar besluiten worden geraakt.
Een behoorlijke overheid doet wat nodig is én vertelt daarbij het eerlijke verhaal.
Dat betekent duidelijk zijn over wat wel en niet mogelijk is, en waar inwoners wel
of geen inspraak hebben. Alleen dan kan een gesprek ontstaan dat verder gaat dan onvrede
alleen. Een gesprek waarin gemeenten en inwoners ieder hun verantwoordelijkheid te
nemen hebben.
Centraal in ons werk
Hoe kan het beter? Deze vraag staat centraal in ons ombudswerk en loopt als rode draad
door dit jaarverslag. Duidelijke waarden helpen daarbij. Daarom bracht de Nationale
ombudsman begin dit jaar de vernieuwde Behoorlijkheidswijzer uit. Geen abstract kader, maar een praktisch kompas op basis van vier kernwaarden:
1) goed contact met burgers, 2) doen wat nodig is, 3) werken voor álle burgers en
4) eerlijk handelen.
Contact met de burger herstellen
De relatie tussen burger en overheid begint met het horen en zien van burgers door
de overheid. Gebeurt dat niet, dan raakt die relatie onder druk of verstoord.
Dat bleek bijvoorbeeld bij Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. In 2024 en 2025 ontving
de Nationale ombudsman veel klachten over Waternet, de organisatie die namens het
Waterschap de belastingaanslagen int. Door problemen met een nieuw ICT-systeem waren
jarenlang geen belastingaanslagen verstuurd. Toen dit werd hersteld, ontvingen inwoners
meerdere aanslagen in één keer op de mat. Veel mensen kwamen daardoor financieel in
de knel. Zij klopten aan bij de Nationale ombudsman, vooral omdat ze zich niet gehoord
voelden. De ombudsman deed het Waterschap vier aanbevelingen: «Bied excuses aan, ga
in gesprek, geef duidelijke informatie en zoek samen naar een oplossing.» Sinds het
Waterschap hiermee aan de slag ging, vertellen burgers ons dat ze beter geholpen worden.
Ook bij hersteltrajecten zien we hoe belangrijk goed contact is. Toch raken behoeften
van gedupeerden nog te vaak op de achtergrond. Dat kan anders. Bij de afhandeling
van schade door kleine gasvelden in Ekehaar en Hooghalen stelde de Commissie Mijnbouwschade
vast dat de regeling onvoldoende aansloot bij de verwachtingen van inwoners. Door
nauw contact met gedupeerden wordt zichtbaar wat er wringt, en dus wat er moet veranderen.
Zonder structureel contact blijft herstel een papieren belofte.
Doen wat nodig is
Doen wat nodig is betekent verantwoordelijkheid nemen. Ook wanneer het lastig is.
Op Bonaire, bij de vuilstort in Lagun, gebeurt dat al jaren niet. De stank, rook en
de gezondheidsrisico's waarmee omwonenden geconfronteerd worden, zijn een direct gevolg
van een overheid die geen verantwoordelijkheid neemt. Wat het extra schrijnend maakt,
is dat een situatie als deze in Europees Nederland ondenkbaar zou zijn. De ombudsman
roept het kabinet op deze ongelijkheid aan te pakken.
Wetten en regels bepalen in belangrijke mate of de overheid kan doen wat nodig is.
Soms ontbreekt passende wetgeving of werken bestaande regels juist belemmerend. Hoewel
nieuwe wetgeving lang op zich laat wachten en echte doorbraken vaak uitblijven, ziet
de Nationale ombudsman dat aanpassingen wel degelijk het verschil kunnen maken voor
burgers. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de wijzigingen in de Participatiewet.
Lange tijd moesten gemeenten jongeren die bijstand aanvroegen, eerst wegsturen. Zij
kwamen pas in aanmerking voor bijstand nadat ze vier weken hadden geprobeerd werk
te vinden of een opleiding te starten. Pas in 2025 nam de Eerste Kamer de Participatiewet in balans aan, mede op aandringen van de ombudsman. Hierdoor hoeft de vierwekentermijn niet
toegepast te worden en staat de wet niet meer in de weg om te doen wat nodig is.
Een wet veranderen is één ding, burgers echt helpen is iets anders. Dit geldt ook
voor kinderen. Ons systeem is er nog altijd niet goed op ingericht om kinderen te
betrekken bij beslissingen die hun leven aangaan. De ontwikkeling en het welzijn van
kinderen moet worden gewaarborgd in alle voorstellen die raken aan hun belangen. Gelukkig
werd de door de Kinderombudsman ontwikkelde Kinderrechtentoets in 2025 steeds vaker toegepast. Een eerste stap in de goede richting, al zien we
dat de kinderrechtentoets nog in te veel gevallen niet of niet goed wordt uitgevoerd.
Bijvoorbeeld in die gevallen waarin wetgeving en beleid kinderen via hun ouders raakt.
De kinderrechtentoets is juist van meerwaarde daar waar de belangen van kinderen op
het eerste oog niet zichtbaar zijn.
Werken voor álle burgers
Beleid dat niet iedereen bereikt, vergroot ongelijkheid. Het Tijdelijk Noodfonds Energie
(TNE) dat in 2025 voor de derde keer werd opengesteld, is een schrijnend voorbeeld
van een overheid die er niet is voor al haar burgers. Alleen burgers met een DigiD
en digitale mogelijkheden konden zich vorig jaar aanmelden. Bovendien werd het beschikbare
budget niet afgestemd op het probleem, maar op hoeveel energiemaatschappijen bereid
waren mee te betalen. Burgers werden zo bij voorbaat uitgesloten. Niet omdat zij minder
hulp nodig hadden dan anderen, maar omdat zij zich simpelweg niet digitaal aan konden
melden of omdat het geld op was. Dit voorbeeld blijft door de onzekerheid over energieprijzen
ook in 2026 actueel. Net als de noodzaak het Noodfonds nu wél voor iedereen te laten
werken.
Werken voor alle burgers vraagt om een overheid die niet afwacht maar vooruitkijkt.
Die mensen niet laat verdwalen in een lokettenjungle, maar de aanwezige informatie
benut om mensen actief te bereiken en te helpen. Nu gebeurt dat nog te weinig. Daardoor
blijft noodzakelijke hulp buiten bereik en is het niet-gebruik van regelingen onverminderd
hoog. De overheid wacht nog op de burger die aanklopt, terwijl zij doorgaans heel
goed weet wie voor regelingen in aanmerking komen.
We zien dat sommige organisaties en gemeenten burgers proactief benaderen. Bijvoorbeeld
door ze gericht te informeren of een voorziening automatisch toe te kennen. Maar deze
initiatieven zijn vaak nog beperkt in schaal, beperken zich tot één sector of worden
langs elkaar heen ontwikkeld. Bovendien lopen instanties die proactief willen werken
tegen barrières op, waaronder privacyregels.
Om echt tot een proactieve overheid te komen, zijn doorbraken nodig. Daarom publiceert
de Nationale ombudsman tegelijk met dit jaarverslag de Ombudsvisie proactieve overheid. Hierin stellen wij dat proactieve dienstverlening geen vrijblijvende optie is, maar
de norm. Een proactieve overheid kent voorzieningen waar mogelijk automatisch toe,
beperkt de administratieve lasten voor burgers, werkt transparant en biedt zekerheid
door het principe «toegekend is toegekend». Dat moet natuurlijk samengaan met goede
waarborgen, ook op het gebied van privacy. Dit toekomstbeeld is haalbaar als de juiste
stappen worden gezet: door te leren van goede voorbeelden en regie te pakken. Een
behoorlijke overheid handelt proactief.
Het eerlijke verhaal vertellen
Van de overheid mag eerlijkheid worden verwacht. Juist op dat punt schiet bijvoorbeeld
het ministerie van Defensie ernstig tekort bij de afhandeling van schadevergoedingen
voor veteranen met psychisch of lichamelijk letsel. Ondanks aanbevelingen van de Veteranenombudsman
in 2021 en 2025, ervaart de veteraan met letsel nog altijd geen eerlijk handelende
overheid.
Veteranen die de vergoeding aanvragen, krijgen onvoldoende informatie en weten niet
waar ze aan toe zijn. Velen zitten jarenlang vast in een ondoorzichtige procedure
zonder uitzicht op afronding. Die onduidelijkheid veroorzaakt stress en voedt wantrouwen
richting de overheid. Een regeling die rust en zekerheid moet bieden, veroorzaakt
daarmee het tegenovergestelde.
Eerlijk zijn betekent in dit geval: samen aan tafel gaan, duidelijk maken wat wel
en wat niet kan en vertellen waar iemand staat in het proces. Het traject kan voor
veteranen een stuk minder belastend zijn als Defensie transparant is.
Behoorlijkheid als opdracht
Behoorlijk handelen vraagt elke dag inzet: aan de telefoon, aan de balie, bij het
maken van beleid en bij ingrijpende politieke keuzes. Dat dit niet vanzelf gaat, blijkt
uit de 25.000 klachten en signalen die wij in 2025 ontvingen.
Waar het misgaat tussen burger en overheid, trekken wij aan de bel. Zodat de overheid
kan leren en verbeteren. Want de overheid hoort burgers, veteranen en kinderen behoorlijk
te behandelen. Niet omdat wij dat zeggen, maar omdat de overheid dit zelf wil. Zoals
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tubbergen, dat na ons rapport
aangaf het vertrouwen te willen herstellen: «door beter te luisteren, transparant te zijn en samen te werken aan oplossingen.
Alleen samen kunnen we vooruit.» Laten we doen wat nodig is.
Nationale ombudsman en Veteranenombudsman, Reinier van Zutphen
Kinderombudsman, Margrite Kalverboer
substituut-ombudsman, Linda Molenaar
LEESWIJZER
Dit jaarverslag begint met een korte terugblik op de boodschap die de Nationale ombudsman,
Kinderombudsman en Veteranenombudsman centraal stelden in hun Jaarverslag 2024: Zet
de burger centraal.
Hoofdstuk 1 gaat over het werk van de Nationale ombudsman in 2025, met onder meer
een toelichting op de werkwijze en ontwikkelingen in 2025 en de feiten en cijfers
over de verzoeken (klachten, vragen en signalen) die in 2025 zijn binnengekomen. Ook
wordt hier ingegaan op de gesprekken met parlement en kabinet, behoorlijkheid, de
Raadbaak voor professionals, de lokale ombudsfunctie, de onderzoeken en activiteiten
in het kader van de Ombudsagenda, de activiteiten in Caribisch Nederland en de internationale
activiteiten.
In hoofdstuk 2 komt het werk van de Kinderombudsman in 2025 aan bod en in hoofdstuk
3 dat van de Veteranenombudsman, met daarbij steeds de feiten en cijfers voor deze
ombudsfuncties.
Hoofdstuk 4 gaat over de personeelscijfers van de organisatie en de nevenfuncties
van de ombudsmannen, en geeft een overzicht van de klachten die we over ons werk ontvangen
(interne klachten).
Een nadere uitwerking van de cijfers van de Nationale ombudsman is te vinden in de
losse cijferbijlage.
In dit jaarverslag komen voorbeelden terug uit onze rapporten en interventies. Om
redenen van privacy worden de mensen om wie het in deze cases gaat niet bij hun echte
naam genoemd.
Alle in dit jaarverslag genoemde rapporten, brieven, nieuwsberichten en columns van
de Nationale ombudsman en Veteranenombudsman zijn ook te vinden op de website nationaleombudsman.nl, net als de cijfers over ons werk. De publicaties van de Kinderombudsman staan op
de website kinderombudsman.nl. In de digitale versie van dit jaarverslag zijn hyperlinks in de tekst opgenomen.
TERUGBLIK OP 2024
Zet de burger centraal
In ons jaarverslag over 2024 lieten we zien wat er gebeurt als de overheid onvoldoende
uitgaat van het perspectief van de burger. Mensen lopen dan vast in een systeem dat
wel belooft hen te helpen, maar in de praktijk toch vaak tekortschiet. Vooral burgers
in kwetsbare situaties ervaren steeds weer hoe belangrijk het is dat de overheid oog
heeft voor hun persoonlijke omstandigheden, en haar handelen daarop afstemt. Zij krijgen
niet altijd de steun die zij nodig hebben en voelen zich geregeld niet gezien en gehoord
door de overheid. Dat zou wel zo moeten zijn. We gaven het jaarverslag daarom de titel
«Zet de burger centraal».
We benadrukten in 2024 ook dat een rechtsstaat kwetsbaar is en zichzelf niet beschermt.
Het is daarom in eerste aanleg aan de overheid om actief invulling te geven aan de
bescherming van rechten van burgers en hun vertrouwen in die rechtsstaat te versterken.
Toch zagen we dat politieke plannen en bestuurlijke ambities regelmatig veraf staan
van uitvoerbaarheid. Er werden beloftes gedaan zonder dat duidelijk was hoe ze konden
worden waargemaakt. Met als gevolg dat burgers te lang wachten op hulp, verder in
de knel raken, en hun vertrouwen in de overheid verliezen.
We riepen in het jaarverslag de overheid daarom op om beter te luisteren. Naar burgers,
naar uitvoeringsorganisaties en naar instanties die de rechtsstaat bewaken. Zij weten
meestal als geen ander wat werkt en wat niet. Ze geven signalen af en adviseren vaak
vroegtijdig als iets fout loopt of dreigt te gaan lopen. Die signalen en adviezen
worden nog te vaak genegeerd of terzijde geschoven. Als die geluiden door de overheid
niet serieus genoeg worden genomen, betaalt uiteindelijk de burger de prijs.
Tegelijkertijd zagen we in 2024 ook dat het anders kan. Er waren voorbeelden van overheidsorganisaties
die hun fouten erkennen, in gesprek gaan met betrokkenen en werken aan herstel van
vertrouwen. Dat vraagt om een andere houding: niet afwachten, maar actief contact
met de burger zoeken. Niet ten koste van alles vasthouden aan regels en systemen,
maar doen wat voor mensen nodig is. Die voorbeelden laten zien dat een behoorlijke
overheid geen abstract ideaal is, maar door een betrokken en concrete manier van handelen
werkelijkheid kan worden.
We constateerden verder dat de overheid nog onvoldoende handelt vanuit de vraag wat
een burger mag verwachten. Het antwoord is helder: een overheid die grondrechten respecteert,
oog heeft voor mensen en betrouwbaar is in haar handelen. Ook in 2024 stond het burgerperspectief
daarom centraal in onze boodschap. Waar beleid en uitvoering niet uitgaan van de leefwereld
van mensen en waar regels en protocollen soms zwaarder wegen dan begrip voor de situatie
van burgers, daar ontstaan problemen. Juist dan is het nodig om het gesprek met burgers
aan te gaan, naar hen te blijven luisteren en van hen te leren.
Ook in 2024 klopten duizenden burgers bij ons aan, omdat zij met hun problemen vastliepen
of zich door de overheid niet behoorlijk behandeld voelden. We hebben hen (op weg)
geholpen waar dat kon en we zijn daarbij het gesprek blijven voeren met overheden
op alle niveaus. Daarbij deden we steeds dezelfde oproep: doe wat je belooft en zet
de burger centraal. Gelijke behandeling is meer dan het simpelweg toepassen van dezelfde
regels; het vraagt om bescherming voor iedereen. Zeker wanneer rechten onder druk
staan.
Want uiteindelijk is dat waar het om gaat: een overheid die er is voor iedereen, juist
als het schuurt. Een overheid die niet alleen spréékt over de rechtsstaat, maar die
ook elke dag in de praktijk brengt.
1. HET WERK VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN
In het werk van de Nationale ombudsman staat de vraag centraal of burgers behoorlijk
behandeld worden door de overheid. Is de overheid eerlijk, communiceert zij tijdig
en begripvol met burgers en staat het perspectief van burgers hierbij voldoende voorop?
«Werken voor alle burgers vraagt om een overheid die niet afwacht maar vooruitkijkt.
Die mensen niet laat verdwalen in een lokettenjungle, maar de aanwezige informatie
benut om mensen actief te bereiken en te helpen. Nu gebeurt dat nog te weinig.»
Reinier van Zutphen
1.1. Missie en visie
De Nationale ombudsman helpt burgers als het misgaat tussen hen en de overheid. We
wijzen burgers de weg naar het juiste loket, we ondersteunen hen met het geven van
antwoorden en praktische handvatten, en soms komen we tussenbeide. Als het nodig is,
doen we onderzoek. Waar we zien dat de overheid burgers beter kan behandelen, dagen
we overheden uit om anders te kijken naar hun dienstverlening en processen. Met als
doel het voorkomen van vergelijkbare klachten in de toekomst. We zetten ons ervoor
in dat het burgerperspectief is geborgd in alles wat de overheid in Europees en Caribisch
Nederland doet. Ook zijn we een vraagbaak voor ambtenaren, medewerkers van uitvoeringsinstanties,
intermediairs en andere professionals, zodat zij burgers met een hulpvraag beter kunnen
helpen.
1.2. Werkwijze, cijfers en relaties met burgers en overheid
De ombudsman vindt het belangrijk dat de overheid leert van klachten, en geeft overheidsinstanties
daarom zo veel mogelijk de kans om problemen eerst zelf op te lossen. Als de klachtbehandeling
door de overheid niet naar tevredenheid van de burger is verlopen, kan de burger bij
de ombudsman terecht. De klachten, signalen, vragen en overige contacten die bij ons
binnenkomen noemen wij verzoeken.
Ontvangen verzoeken
In 2025 heeft de Nationale ombudsman in totaal 23.001 verzoeken van burgers ontvangen
(24.962 in 2024 en 20.387 in 2023). Dit zijn klachten en signalen (16.896) en overige
contacten, zoals vragen en meldingen (6.105). Al deze verzoeken komen telefonisch,
via de mail, op WhatsApp en via het klachtenformulier op de website binnen.
Het aantal verzoeken met betrekking tot de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)
was in 2025 onverminderd hoog, al was hier wel een lichte daling te zien. We kregen
meer verzoeken over het COA, de politie en de Belastingdienst. En we kregen minder
verzoeken over het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Een overzicht
van alle cijfers is te vinden in de cijferbijlage op onze website nationaleombudsman.nl.
Behandelde verzoeken
In 2025 heeft de Nationale ombudsman 22.780 (2024: 25.394) verzoeken behandeld, exclusief
Woo- en AVG-verzoeken. Het aantal behandelde verzoeken is niet gelijk aan het aantal
ontvangen verzoeken, omdat behandeling niet altijd in hetzelfde kalenderjaar wordt
afgerond. In het overgrote deel (19.726) van deze verzoeken (2024: 21.988) bood de
Nationale ombudsman mensen een luisterend oor, voorzag hij hen van correcte informatie
en verwees hij hen voor verdere hulp door naar de juiste (overheids)organisatie. In
1.063 (2024: 1.172) gevallen was een interventie nodig om tot een oplossing te komen.
De ombudsman komt dan tussenbeide en vraagt de overheidsinstantie of er een oplossing
mogelijk is. Acht verzoeken werden afgerond na bemiddeling tussen burger en overheid.
Ook schreef de ombudsman naar aanleiding van individuele zaken 483 brieven en 41 rapporten.
In de brieven gaf hij – na beperkt onderzoek – een oordeel over het handelen van de
overheid. In de rapporten kwam de ombudsman – na uitgebreider onderzoek – eveneens
met een oordeel. Twee rapporten, «Openbaar lichaam Bonaire schoot tekort na melding
illegale afgraving grond met diabaas» en «Doorbreek de stilte», gingen specifiek over
Caribisch Nederland.
In 98 zaken werd de behandeling tijdens het onderzoek beëindigd, bijvoorbeeld omdat
het probleem door de overheid werd opgelost, of omdat de indiener van de klacht om
andere redenen geen prijs meer stelde op voortzetting van het onderzoek. In 1.361
zaken is de behandeling al vóór de start van het onderzoek beëindigd, omdat de indiener
niet meer reageerde of geen nadere informatie verstrekte, of omdat het probleem inmiddels
was opgelost.
Een uitgebreide specificatie van de behandelde verzoeken staat, uitgesplitst naar
overheidsinstantie, in de cijferbijlage bij het jaarverslag 2025 op nationaleombudsman.nl.
Woo- en AVG-verzoeken
In 2025 heeft de Nationale ombudsman in totaal 70 verzoeken (67 in 2024) ontvangen
op grond van de Wet open overheid (Woo). De ombudsman ontvangt verschillende soorten
Woo-verzoeken: verzoeken om informatie die de individuele burger betreft en verzoeken
om meer algemene informatie. 80 Procent van alle aanvragen zijn verzoeken voor het
verstrekken van persoonlijke informatie die de individuele burger betreft. Besluiten
hierover worden niet gepubliceerd.
De ombudsman ontvangt ook verzoeken op basis van de Algemene verordening gegevensbescherming
(AVG). Dit zijn verzoeken van burgers aan de Nationale ombudsman om de gegevens die
wij over hen hebben in te zien, te verwijderen of te rectificeren. In 2025 ontving
de ombudsman in totaal 22 AVG-verzoeken (22 in 2024): veertien inzageverzoeken, zes
verzoeken tot verwijdering van gegevens en twee verzoeken tot rectificatie in verband
met onjuiste persoonsgegevens.
Onderzoek uit eigen beweging
De ombudsman helpt niet alleen de burger op weg, maar zet ook in op verbetering van
de dienstverlening door de overheid. Dit doet hij met een breed scala aan instrumenten.
Een belangrijk instrument is het onderzoek uit eigen beweging. Zo’n onderzoek richt
zich op structurele knelpunten tussen burger en overheid; op de achterliggende oorzaken
van de problemen, niet alleen op individuele situaties. Vervolgens adviseert de ombudsman
de overheid over de aanpak hiervan. In 2025 zijn uit eigen beweging zeven nieuwe onderzoeken
gestart. Er werden geen onderzoeken uit eigen beweging afgerond.
Signaalbrieven
Signaalbrieven zijn brieven aan de overheid, waarin de Nationale ombudsman direct
inspringt op signalen uit de actualiteit, waaruit blijkt dat burgers in de knel dreigen
te komen. Hij uit in deze brieven zijn zorgen en roept de overheid veelal op om tot
actie over te gaan. De Nationale ombudsman schreef in 2025 zeventien signaalbrieven
(drie in 2024) om aandacht te vragen voor een bepaald onderwerp, met name aan een
minister of staatssecretaris. Drie van die brieven schreef hij samen met de Kinderombudsman.
Advies en informatie
Naast het behandelen van verzoeken, het doen van onderzoek uit eigen beweging en het
schrijven van signaalbrieven zette de Nationale ombudsman zich in 2025 ook op andere
manieren in om de klachtbehandeling en dienstverlening van de overheid te versterken.
Zo zijn er in 2025 32 (2024: 41) presentaties en workshops gegeven; veertien over
professionele klachtbehandeling en achttien over aanhoudend en grensoverschrijdend
klaaggedrag. Ook is 113 keer advies uitgebracht aan overheidsorganisaties om hen te
helpen hun klachtbehandeling verder te verbeteren.
Verder gaf de ombudsman 28 presentaties en 41 interviews om aandacht te vragen voor
(structurele) problemen en het werk van onze organisatie. De substituut ombudsman
gaf vier presentaties. Daarnaast maakte de ombudsman twee driedaagse provincietours
door Noord-Brabant en Drenthe, en legde hij meerdere werkbezoeken af, bijvoorbeeld
aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), dat boetes en schadevergoedingen
int voor overheidsorganisaties. De substituut-ombudsman legde in het kader van haar
kennismaking negen werkbezoeken af. Ook deed de Nationale ombudsman met een stand
in Den Haag voor de eerste keer mee aan de Week van de Rechtsstaat. In die week laten
verschillende (overheids)organisaties aan een breed publiek zien wie ze zijn en welke
rol ze binnen onze rechtsstaat spelen.
De relatie met het parlement
De Nationale ombudsman is er primair voor burgers, maar heeft ook goed contact met
het parlement. Hij informeert het parlement over de uitkomsten van zijn onderzoeken
en over andere signalen uit de samenleving. Ook luistert hij naar de signalen die
het parlement hem meegeeft.
De Nationale ombudsman sprak in 2025 met vaste commissies van de Tweede en Eerste
Kamer over of naar aanleiding van een van zijn onderzoeken. Zo sprak hij samen met
de substituut-ombudsman met de vaste Kamercommissie Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
over het jaarverslag 2023 en het rapport «Herstel bieden: een vak apart» uit 2023.
Dit rapport beschrijft hoe de overheid gedupeerden herstel biedt, en stelt dat overheidsorganisaties
te weinig aandacht hebben voor de behoeften van gedupeerden.
Verder sprak de Nationale ombudsman samen met de Kinderombudsman met de Commissie
voor Binnenlandse Zaken in de Eerste Kamer over het jaarverslag 2023, en nam hij deel
aan een kennismakingsbijeenkomst van de Commissie voor Digitalisering in de Eerste
Kamer. Hij sprak ook samen met de substituut-ombudsman en de Kinderombudsman in de
Commissie voor Binnenlandse Zaken over het jaarverslag 2024.
In 2025 ontving de Nationale ombudsman twee kabinetsreacties, waarvan een op een notitie
van de Nationale ombudsman over verbetervoorstellen voor de hersteloperatie toeslagen
en een op het jaarverslag 2024. Ook werden direct naar aanleiding van een rapport
of brief van de ombudsman één keer Kamervragen gesteld, en werd er in andere Kamervragen
negen keer naar rapporten of brieven van de ombudsman verwezen. Verder gebeurde het
vijf keer dat een bewindspersoon bij de beantwoording van Kamervragen de ombudsman
noemde, terwijl de ombudsman niet in de vragen zelf werd genoemd. Tot slot werden
er in 2025 vier moties ingediend waarin de ombudsman werd aangehaald. Twee hiervan
werden aangenomen en twee werden verworpen.
Diverse onderzoeken en stukken van de ombudsman uit 2025 werden in Kamerstukken genoemd,
zoals het rapport over de hersteloperatie toeslagen vanuit het perspectief van de
ouders, de «Notitie verbetervoorstellen hersteloperatie» (zes Kamerstukken). De samen
met de Kinderombudsman geschreven brandbrief over de voorgenomen asielwetgeving, de
«Zorgenbrief asielmaatregelen», werd het vaakst aangehaald (twaalf Kamerstukken).
Het jaarverslag 2024 «Zet de burger centraal» werd in vijf Kamerstukken genoemd. De
brieven over de gebrekkige postbezorging («Bezorging overheidspost») en over het noodfonds
energie («Heropenen tijdelijk noodfonds energie») kwamen beide in vier Kamerstukken
voor.
Ook zagen we onderzoeken uit eerdere jaren terugkomen in de Kamerstukken van 2025.
Het rapport «Herstel bieden, een vak apart», over schadeherstel door de overheid,
werd opvallend vaak (negentien Kamerstukken) genoemd. Verder was er opnieuw aandacht
voor de reflectie «Blind vertrouwen?», over CTER-registraties (Contraterrorisme, Extremisme
en Radicalisering) van burgers (tien vermeldingen). Er was ook aandacht voor «Hoe
eerder, hoe beter», over vroegsignalering door gemeenten (zeven keer). Tot slot werd
«Sociale minima in de knel», over de ondergrens van sociale zekerheid, uit 2022 in
zes Kamerstukken genoemd.
AB Rechtspraak Bestuursrecht
In AB Rechtspraak Bestuursrecht van Wolters Kluwer worden samenvattingen en annotaties van rapporten en gepubliceerde
brieven van de Nationale ombudsman, de Kinderombudsman en de Veteranenombudsman vermeld.
Van de in 2025 gepubliceerde rapporten en brieven waren dat veertig samenvattingen.
Daarnaast waren er vijf annotaties. Een annotatie ging over het rapport «Oost West,
Thuis Best?» (2025/073), over een klacht over een huisbezoek door toezichthouders
BRP en een boa. De Nationale ombudsman concludeerde dat er sprake was van een grove
schending van het grondrecht huisrecht. Meer daarover staat onder 1.6.1.6. De annotator
gaf zijn wetenschappelijke bespiegelingen daarover. Hij kon zich in het oordeel van
de ombudsman vinden. Een andere annotatie ging over de brief van de Nationale ombudsman
over zijn zorg over de overheidspostbezorging (2025/023). Deze annotatie paste in
een reeks van annotaties over de zorg van met name rechterlijke instanties over de
postbezorging.
De relatie met het kabinet, uitvoeringsorganisaties en lokale overheden
De Nationale ombudsman spreekt met burgers én met de overheid. Het is tenslotte niet
alleen zijn doel om burgers op weg te helpen, maar ook om de overheid te helpen meer
oog te hebben voor het perspectief van de burger, in alles wat zij doet. Het gaat
dan om reguliere individuele gesprekken met kabinetsleden, met bestuurders van nationale
en lokale overheden en met bestuurders van uitvoeringsorganisaties over problemen
en oplossingsrichtingen die de ombudsman ziet op basis van klachten, signalen en eigen
onderzoek. Ook spraken de ombudsman en/of zijn medewerkers geregeld met maatschappelijke
(belangen)organisaties, onder meer over de ervaringen van hun achterban of cliënten
met overheden.
In 2025 sprak de Nationale ombudsman met diverse (demissionaire) kabinetsleden en
met de minister-president. In deze gesprekken stelde hij belangrijke onderwerpen die
burgers raken aan de orde. Eind november sprak de Nationale ombudsman ten behoeve
van de kabinetsformatie met informateur Buma. In het nieuwe jaar volgde tijdens de
formatie nog een gesprek met de onderhandelaars en de formateur, samen met de andere
Hoge Colleges van Staat.
Nationale ombudsman online
De website en sociale media zijn voor de Nationale ombudsman belangrijke kanalen om
in contact te staan met burgers en professionals en informatie met hen te delen. De
ombudsman wordt digitaal door veel mensen gevonden. Hieronder een overzicht van het
gebruik van onze website en sociale media in 2025, met tussen haakjes de aantallen
voor 2024. Uit de cijfers blijkt dat het aantal volgers op sociale media is gestegen,
maar dat het bezoek aan de website tegelijkertijd daalde. Dat is mogelijk te verklaren
door de komst van AI-resultaten in zoekmachines als bijvoorbeeld Google. Daarin wordt
veel online gevonden informatie direct gepresenteerd in het antwoord op de zoekvraag,
met als gevolg dat er niet meer wordt doorgeklikt naar de bronpagina’s.
Website
Website nationaleombudsman.nl in 2025:
– Aantal bezoekers: 475.234 (628.311)
– Paginaweergaven: 1.146.496 (1.759.160)
Top 3 best bezochte webpagina’s (buiten de homepage):
– Klacht indienen: 63.576 paginaweergaven
– Mogen wij uw klacht behandelen: 60.116
– Vacatures Nationale ombudsman: 48.212
Webpagina’s nationaleombudsman.nl/professionals in 2025:
– Paginaweergaven: 38.790 (82.655)
Top 3 best bezochte webpagina’s professionals (buiten de homepage)
– Jaarverslagen: 1.812 paginaweergaven
– Publicaties: 1.508
– Artikel «Zorgvuldig omgaan met aanhoudend en grensoverschrijdend gedrag»: 1.255 weergaven
Volgers van de Nationale ombudsman op sociale media in 2025:
– X: 11.998 (11.998)1
– LinkedIn: 23.300 (20.833)
– Facebook: 9.815 (9.345)
– Instagram: 3.121 (2.592)
– YouTube: 487 (457)
1.3. Ontwikkelingen bij de Nationale ombudsman
Bevoegdheid Nationale ombudsman
De Nationale ombudsman is er voor burgers als het misgaat tussen hen en de overheid.
Zijn bevoegdheid is daarbij beperkt tot gedragingen van bestuursorganen. Deze bestuursorganen
besteden echter steeds vaker taken uit aan private partijen, bijvoorbeeld in het sociaal
domein. Ook ontstaan er nieuwe verbanden waarin overheden samenwerken. Voor de burger
is het daardoor lastig vast te stellen bij wie hij moet aankloppen als het misgaat.
In opdracht van de Tweede Kamer verkent het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK) of de bevoegdheden van de Nationale ombudsman nog wel voldoen. Die verkenning
gebeurt mede in het licht van de zogenaamde Venice Prinicples.2 Deze stellen dat ombudsmannen bevoegd zouden moeten zijn over alle voorzieningen
die te maken hebben met een overheidstaak van algemeen belang, ongeacht of zij door
een orgaan van de overheid of een private partij worden uitgevoerd.
De Nationale ombudsman is betrokken bij deze verkenning. Hij deelt zijn inzichten
over waar burgers tegenaanlopen en hoe het begrip «overheid» beter kan aansluiten
bij het perspectief van burgers. Voor de ombudsman is het namelijk onwenselijk dat
de overheid door uitbesteding van de uitvoering verplichtingen kan ontlopen die bij
overheidsgedragingen horen, zoals de mogelijkheid om een klacht te laten beoordelen
door een onafhankelijke ombudsman.
Eind juni 2025 informeerde de minister van BZK de Tweede Kamer over de voortgang.3 In die Kamerbrief werd aangegeven dat er grond lijkt te zijn voor uitbreiding van
de bevoegdheden, en dat wordt onderzocht hoe die kunnen worden gekoppeld aan publieke
taken die worden uitgevoerd door private partijen. Het gaat daarbij om gebieden als
bestaanszekerheid, opsporing en handhaving, en zorg en welzijn. De Nationale ombudsman
juicht de gekozen richting toe en blijft betrokken bij het vervolg. Het voornemen
is de verkenning in de loop van 2026 te publiceren.
Nieuwe inkleuring van behoorlijkheid
De Nationale ombudsman kijkt steeds of de overheid de burger centraal stelt in alles
wat zij doet. Daarbij is de kernvraag: gedraagt de overheid zich behoorlijk?4 In de loop van de tijd heeft de Nationale ombudsman behoorlijkheidsvereisten ontwikkeld,
die zijn beschreven in de behoorlijkheidswijzer. De relatie tussen de burger en overheid
verandert echter steeds. Daarom begon de Nationale ombudsman een aantal jaren geleden
met een nieuwe inkleuring van de behoorlijkheidswijzer. Dat gebeurde in gesprek met
de wetenschap,5 klachtbehandelaars, andere ombudsmannen, overheidsprofessionals en medewerkers van
de Nationale ombudsman. Er is gekeken of de vereisten nog voldoen aan de huidige verhouding
tussen burger en overheid, maar er is ook besproken of de behoorlijkheidswijzer voldoende
bruikbaar is voor de overheid zelf. Behoorlijkheid is namelijk veel meer dan alleen
een toetsingskader van de Nationale ombudsman voor individuele klachten; het is een
manier om als overheid vanuit het burgerperspectief te werken. In een ideale situatie
wordt er al behoorlijk gehandeld vóór er een klacht ontstaat. Daarvoor is het nodig
dat behoorlijkheid binnen de overheid voldoende leeft, en dat de behoorlijkheidswijzer
genoeg duidelijkheid geeft over wat een behoorlijke overheid betekent voor de dienstverlening
en de beoordeling van klachten.
Dit proces is eind 2025 afgerond, en de ombudsman lanceerde de nieuwe behoorlijkheidswijzer
in januari 2026. Een nieuwe online wijzer maakt het voor klachtbehandelaars makkelijker om klachten over de dienstverlening
van de overheid te toetsen aan de vereisten. Een checklist helpt te bepalen welke
vereisten in een bepaalde situatie het meest relevant zijn. Ook worden de behoorlijkheidsvereisten
waar nodig aangepast, uitgebreider toegelicht en geïllustreerd met voorbeelden uit
de praktijk van de Nationale ombudsman, om zo in de praktijk meer handelingsperspectieven
te bieden.6 Er zijn nieuwe kernwaarden geformuleerd om het gesprek over wat behoorlijk handelen
inhoudt op gang te brengen. Met de nieuwe online omgeving is daarnaast de basis gelegd
voor behoorlijkheid als «levend» waardenkader. Zo kunnen nieuwe voorbeelden worden
toegevoegd en kan er op nieuwe ontwikkelingen worden ingespeeld. Nog belangrijker
is dat het gesprek over behoorlijkheid gevoerd blijft worden. Dat zal de ombudsman
ook in 2026 blijven doen.
Meerjarenstrategie 2027–2029
De organisatie werkt aan één overkoepelende koers voor de komende jaren: de Meerjarenstrategie
2027–2029. Die beschrijft waar de organisatie voor staat, waar de Nationale ombudsman,
de Kinderombudsman en de Veteranenombudsman naartoe willen en welke resultaten daarbij
horen. De Meerjarenstrategie geeft richting aan de koers van de organisatie voor de
komende drie jaar. Ze helpt keuzes te maken, prioriteiten te stellen en samen met
collega's en anderen te werken aan impactvolle oplossingen voor burgers, kinderen
en veteranen. Er is de afgelopen tijd in de organisatie nagedacht over wat we op ons
af zien komen en wat dit betekent voor wat voor organisatie we willen zijn. Dit moet
in het najaar van 2026 leiden tot de eerste Meerjarenstrategie.
Gezamenlijk advies Hoge Colleges van Staat «Naar een realistische overheid»
Op 1 december hielden de Nationale ombudsman, de Raad van State en de Algemene Rekenkamer
het symposium «Naar een realistische overheid». In 2024 kondigden de Hoge Colleges
van Staat aan de inzichten over het functioneren van de rechtsstaat vaker te zullen
bundelen.7 Dit symposium was daar een uiting van. Op het symposium bespraken vertegenwoordigers
van uitvoering, wetenschap, bestuur en maatschappelijk middenveld bevindingen en observaties
van de Nationale ombudsman, de Raad van State en de Algemene Rekenkamer. Er werd vastgesteld
dat Nederland voor grote uitdagingen staat. Dat vraagt om een daadkrachtige overheid,
die goed samenwerkt, luistert en durft te leren. Daarbij hoort ook tegenspraak vanuit
het parlement en de Hoge Colleges van Staat. Beleidsmakers, uitvoerders en overheden
moeten elkaar meer betrekken en beter naar elkaar luisteren. Zo ontstaan plannen die
werken in de praktijk en die passen bij het dagelijks leven van burgers.
De inzichten die op het symposium werden gedeeld, zijn meegenomen in een gezamenlijke
notitie waarin de Hoge Colleges van Staat hun visie gaven op een realistische overheid,
en concrete aanbevelingen deden om daartoe te komen. De aanbevelingen hielden onder
meer in dat de overheid duidelijke en haalbare doelen moet stellen, en eerlijk moet
zijn over wat wel en niet kan. Ook adviseerden de Hoge Colleges van Staat dat de wet-
en regelgeving eenvoudiger moet worden. De overheid moet verder vooraf laten zien
welke keuzes nodig zijn, wat die kosten en wat de gevolgen ervan zijn. Ook moet duidelijk
zijn of maatregelen echt werken en geen nieuwe problemen veroorzaken. Uitvoeringsorganisaties
en gemeenten moeten vanaf het begin meedenken, zodat mogelijke problemen in een eerder
stadium kunnen worden herkend en voorkomen.
In januari 2026 hebben de president van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman
en de vicepresident van de Raad van State deze notitie en de daaruit volgende aanbevelingen
in het kader van de kabinetsformatie op uitnodiging toegelicht aan de partijleiders
van D66, VVD en CDA.
1.4. Lokale ombudsman
De Nationale ombudsman is ook de ombudsman van alle provincies en waterschappen, en
in 2025 van 284 van de 342 gemeenten (83%) en het overgrote deel van gemeenschappelijke
regelingen.8 In januari 2025 sloten de gemeenten Doesburg en Rozendaal aan bij de Nationale ombudsman.
De gemeenten Alkmaar, Nijmegen en Utrecht begonnen met een eigen lokale ombudsfunctie.
Van de 23.001 verzoeken (klachten, signalen en vragen) die de Nationale ombudsman
in 2025 ontving, hadden er 5.572 betrekking op decentrale overheden. In 2024 waren
dat er 6.271 op een totaal van 24.269. Net als in 2024 gingen deze verzoeken vooral
over gemeenten en gemeenschappelijke regelingen.
De Nationale ombudsman als lokale ombudsman
Het is de ambitie van de Nationale ombudsman om ook als lokale ombudsman zichtbaar te zijn in gemeenten, en voor burgers toegankelijk en dichtbij te zijn.
Met deze ambitie trok de Nationale ombudsman in 2025 geregeld het land in voor werkbezoeken.
Hij en zijn medewerkers verdiepten zich in regionale en lokale thema’s. Zo gingen
zij bij een werkbezoek aan Zeeland in gesprek over buurtteams, jeugdwerk, haven- en
grenscontroles, de zorg, bescherming tegen het water en grensoverschrijdende economische
samenwerking. Zij spraken er ook met burgers om te horen wat er bij hen speelt en
waar zowel burgers als lokale overheden in de praktijk tegenaan lopen.
De ombudsman bracht in 2025 uitgebreide bezoeken aan de provincies Noord-Brabant en
Drenthe, samen met de Kinderombudsman en medewerkers. Ze gingen gedurende drie dagen
per provincie in een reeks bezoeken langs bij tal van verschillende organisaties en
instellingen. Zij spraken onder meer met veteranen over wat een inloophuis voor hen
betekent, met boeren over de regelgeving waarmee zij te maken hebben en met ervaringsdeskundigen
over het doorbreken van armoede. De Kinderombudsman bezocht een Justitiële Jeugdinrichting
en een crisisopvang voor gezinnen die tijdelijk zonder huis zitten. Inwoners van de
gemeenten Helmond, Bergen op Zoom, Assen en Emmen gingen tijdens de weekmarkt persoonlijk
in gesprek met de Nationale ombudsman en medewerkers.
Professionele klachtbehandeling
De laatste jaren is de focus van de ombudsman verschoven van achteraf oordelen naar
het proactief ondersteunen van gemeenten en andere bestuursorganen, zoals politie,
waterschappen en gemeenschappelijke regelingen, bij het verbeteren van hun eerstelijns
klachtbehandeling. Die aanpak heet «Van genezen naar voorkomen». Medewerkers van de
ombudsman onderhielden hierover contacten met gemeenten en andere bestuursorganen
en fungeerden als aanspreekpunt voor vragen en als sparringpartner.
Specifiek voor klachtbehandelaars organiseerde de Nationale ombudsman in 2025 op lokaal
niveau workshops of gesprekken over professionele klachtbehandeling en het zorgvuldig begrenzen van aanhoudend en grensoverschrijdend klaaggedrag. Dat
gebeurde zowel per mail, telefonisch en digitaal via de Raadbaak, een online community
voor professionals, als fysiek op verschillende plekken in het land.
1.5. Aandacht voor professionals en de Raadbaak
Voor de Nationale ombudsman is het belangrijk om een goede relatie te hebben met professionals
en intermediairs die direct of indirect in contact staan met burgers in de knel. Denk
aan schuldhulpverleners, huisartsen, mediators, juristen en andere hulpverlenende
professionals bij (semi-)overheden. Zo kunnen we signalen opvangen, met elkaar ervaringen uitwisselen en van
elkaar leren.
Die functies komen bij elkaar in de Raadbaak – een door de ombudsman gefaciliteerde
en beheerde online community. Hier komen medewerkers van de Nationale ombudsman, Kinderombudsman,
Veteranenombudsman en professionals en intermediairs samen. Door met en van elkaar
te leren, kunnen ze burgers sneller en beter op weg helpen. De ombudsman en zijn onderzoekers
signaleren via de Raadbaak bovendien mogelijke knelpunten die tot verder onderzoek
kunnen leiden. Bij de Raadbaak waren in 2025 1.100 professionals aangesloten.
In 2025 zijn via de Raadbaak diverse online en fysieke bijeenkomsten voor professionals
tot stand gekomen, over uiteenlopende inhoudelijke thema’s. Zo wisselden professionals
ervaringen uit over problemen waar ze in hun werk tegenaan lopen, en deelden ze met
elkaar hoe ze die kunnen oplossen. Verder zijn er trainingen over klachtbehandeling
gegeven en bijeenkomsten over een betere samenwerking tussen professionals en de Nationale
ombudsman gehouden.
Professionals kunnen niet alleen terecht bij de Raadbaak. Op www.nationaleombudsman.nl/professionals is er voor hen ook een speciale pagina met vakinformatie. Ze kunnen zich hier aanmelden
om van de meest recente publicaties op de hoogte te blijven. Ook vinden ze er informatie
over workshops op het gebied van professionele klachtbehandeling en aanhoudend en
grensoverschrijdend klaaggedrag.
Daarnaast is er voor bijvoorbeeld klachtbehandelaars van overheidsorganisaties, wijkagenten
en raadslieden de Raadgeverstelefoon. Via dit telefoonnummer kunnen zij voor vragen,
verzoeken om advies en voor het doorgeven van signalen in contact komen met klachtonderzoekers
bij de Nationale ombudsman, Kinderombudsman en Veteranenombudsman. In 2025 werd de
Raadgeverstelefoon 460 keer gebeld.
Uit de praktijk van de Nationale ombudsman
Raadgeverstelefoon adviseert gemeente over klachtindiener
Een gemeente vraagt advies over een burger die een klacht heeft en die steeds op het
laatste moment zijn afspraak om te worden gehoord afzegt. De gemeente belt daarvoor
met de Raadgeverstelefoon, en krijgt een collega van het team Klachtbehandeling aan
de lijn. De gemeente besluit op basis van dat gesprek om de klachtindiener nog een
keer uit te nodigen. In die schriftelijke uitnodiging meldt de gemeente ook dat hij
zijn verhaal op papier mag zetten, als hij dat liever doet dan het persoonlijk komen
vertellen.
De Nationale ombudsman vindt dit een goede oplossing om te proberen de klachtindiener
alsnog te horen. Wij wijzen daarnaast op een regel uit de Algemene wet bestuursrecht
(Artikel 9:10). Daarin staat dat een gemeente mag besluiten een klachtindiener niet
meer te horen, als die niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke
termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. De gemeente
is blij met deze duidelijke uitleg.
1.6. Ombudsagenda
De Nationale ombudsman is er om burgers te helpen als het misgaat. En om overheidsorganisaties
uit te dagen het perspectief van burgers te borgen in alles wat ze doen. Een belangrijk
instrument in dit kader is het onderzoek uit eigen beweging. Dit is onderzoek dat
zich richt op structurele knelpunten tussen burger en (overheids-)organisaties en
op de achterliggende oorzaken van de problemen. Vervolgens adviseert de ombudsman
de overheid en andere organisaties over de aanpak hiervan.
Onderzoek uit eigen beweging beginnen we onder meer naar aanleiding van opvallend
veel klachten over een bepaald onderwerp. Ook kunnen specifieke signalen uit de media
of van maatschappelijke organisaties een reden voor onderzoek zijn. Op onze Ombudsagenda
staan onderwerpen waaraan de ombudsmannen uit eigen beweging aandacht willen geven.
In 2025 omvatte de agenda vijf thema’s: fundamentele rechten, armoede, participatie
en invloed, toegang tot voorzieningen en leefbaarheid. In deze paragraaf presenteren
we de in 2025 door de Nationale ombudsman gepubliceerde onderzoeken en brieven op
deze thema’s.
Ook gaan we in op de voortgang die is geboekt bij onderzoeken die we al eerder opleverden
en waarvan het onderwerp nog steeds actueel is. We monitoren of er naar aanleiding
van onze conclusies en aanbevelingen in een rapport voldoende voortgang is geboekt,
en beginnen bijvoorbeeld een verkenning als dat niet zo is en actie nodig blijkt.
Een voorbeeld is het onderzoek over schulden: in 2025 zijn we een verkenning begonnen
om te kijken of op dit gebied nieuw onderzoek nodig is, nadat we er in 2013 al over
publiceerden in «In het krijt bij de overheid» en in 2019 in «Invorderen vanuit het burgerperspectief».
1.6.1. Fundamentele rechten
Iedereen heeft fundamentele rechten. Deze rechten beschermen burgers van alle leeftijden
en achtergronden. De Nationale ombudsman, Kinderombudsman en Veteranenombudsman controleren
of de overheid deze rechten respecteert, beschermt en, indien nodig, concreet maakt.
In 2025 kwam de Nationale ombudsman verschillende keren in actie om problemen bij
de naleving van fundamentele rechten van burgers te signaleren en adviezen te geven
over hoe het beter kan. Huisvesting, de rechten van asielzoekers en het functioneren
van de rechtsstaat kregen speciale aandacht van de ombudsman.
1.6.1.1. Dak- en thuisloosheid onder volwassenen en kinderen
Het aantal volwassenen en kinderen dat dak- of thuisloos is, stijgt elk jaar. De Nationale
ombudsman en de Kinderombudsman vroegen in 2019 en in 2024 al om aandacht voor de urgentie van huisvestings- en dakloosheidsproblematiek. De
groeiende dak- en thuisloosheid was voor ons reden om in 2025 te verkennen wat de
huidige stand van zaken is rondom het oplossen van dit probleem. De verkenning bestond
uit literatuuronderzoek, een analyse van de klachten die we als Nationale ombudsman
en Kinderombudsman hebben ontvangen en gesprekken met betrokken organisaties. Op basis
hiervan concludeerden de ombudsmannen dat zij in 2026 verdere stappen gaan zetten
op dit onderwerp.
1.6.1.2. Standplaatsen voor woonwagenbewoners
Tussen 2017 en 2023 vroeg de Nationale ombudsman meerdere keren op verschillende manieren
aandacht voor de problematiek rondom standplaatsen voor woonwagenbewoners. Gemeenten
zouden actief proberen het aantal standplaatsen af te bouwen of zouden juist géén
woonwagenbeleid voeren, met onzekerheid voor bewoners als gevolg. Omdat die problematiek
nog altijd bestaat, deden de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman samen een verkennend
onderzoek naar de positie van woonwagenbewoners en hun kinderen. Eerder onderzoek onder woonwagenbewoners richtte zich op de problemen rond het standplaatsenbeleid. Hoewel de Nationale ombudsman daar enige verbetering in zag, werd ook duidelijk
dat de problemen nog niet zijn opgelost.
Dat riep bij de Nationale ombudsman onder meer de vraag op wat de onderliggende oorzaak
is van het uitblijven van een oplossing voor het standplaatsenprobleem. Het vermoeden
speelde dat discriminatie van de groep bewoners een rol speelt. Ook werd de vraag
gesteld wat dit voor kinderen in deze doelgroep betekent. Om die redenen voerden de
Nationale ombudsman en Kinderombudsman in 2025 samen een verkenning uit naar discriminatie
van woonwagenbewoners. Die verkenning bestond uit deskresearch en gesprekken met organisaties
die zich inzetten voor de belangen van woonwagenbewoners. Op basis van deze verkenning
concludeerden de Nationale ombudsman en Kinderombudsman dat zij zich verder willen
inzetten voor deze doelgroep. Dit krijgt in 2026 concreet vorm.
Uit de praktijk van de Nationale ombudsman
Boa's handelen behoorlijk bij controle, maar klacht wordt niet goed behandeld
Een man maakt een wandeling door een natuurgebied. Tijdens die wandeling wordt hij
gecontroleerd door een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) van Natuurmonumenten.
De controle loopt uit op een aanhouding waarbij boa's pepperspray gebruiken.
De man doet zijn verhaal bij Natuurmonumenten, maar vindt daar geen gehoor. Vervolgens
neemt hij contact op met de Nationale ombudsman. Hij klaagt over het feit dat de boa
van Natuurmonumenten zijn identiteitsbewijs vroeg en over het geweld dat de boa’s
bij zijn aanhouding hebben gebruikt. En tot slot over de manier waarop Natuurmonumenten
zijn klacht heeft behandeld.
De Nationale ombudsman oordeelt na onderzoek dat de klachten over het vorderen van
het identiteitsbewijs, de aanhouding en het geweldgebruik niet gegrond zijn. De boa
constateerde dat de man met een loslopende hond liep waar dat niet mocht. Hij wilde
de man een waarschuwing geven en moest daarvoor zijn identiteit vaststellen. De ombudsman
stelt vast dat de man ook na verschillende vorderingen van de boa weigerde om zijn
identiteitsbewijs te tonen. Daarmee rees de verdenking (op heterdaad) dat de man zich
schuldig maakte aan het niet voldoen aan de verplichting om zijn identiteitsbewijs
te tonen. De ombudsman begrijpt waarom de boa besloot de man daarvoor aan te houden.
Daarin weegt de ombudsman mee dat de man verschillende kansen had om zijn identiteitsbewijs
te tonen.
De man is verschillende keren gewaarschuwd. Hij zwaaide met een stok waardoor de boa’s
zich bedreigd voelden en het nodig vonden om pepperspray in te zetten. De inzet van
de pepperspray vindt de ombudsman onder deze omstandigheden niet onevenredig.
De ombudsman vindt de klacht over de klachtbehandeling wél gegrond. Natuurmonumenten
had persoonlijk contact met de man moeten opnemen. Ook kon de man ten onrechte niet
reageren op de verzamelde informatie van Natuurmonumenten (hoor en wederhoor).
1.6.1.3. Datalek bevolkingsonderzoek Nederland
In de zomer van 2025 vond bij een laboratorium dat onderzoek deed voor Bevolkingsonderzoek
Nederland (BVO-NL) een datahack plaats. Vooral vrouwen die meededen aan het bevolkingsonderzoek
naar baarmoederhalskanker waren hiervan de dupe. BVO-NL informeerde de benadeelden
in augustus 2025 met een brief over het incident. In diezelfde maand ontving de Nationale
ombudsman meerdere klachten en meldingen van benadeelden. Zij voelden zich zenuwachtig,
onzeker, bang en boos over de inhoud van de brief, en bleven achter met vragen. Hierop
riep de ombudsman de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in een brief
van 2 september 2025 op om zijn rol te pakken en de informatievoorziening snel te
verbeteren. Burgers moeten namelijk goed worden geïnformeerd over datalekken bij gegevensverwerking
door de overheid.
«Door beter te luisteren en burgers op een actieve manier te benaderen en te betrekken,
kan de overheid effectievere en meer empathische hersteltrajecten opzetten. Dit is
essentieel voor het herstellen van vertrouwen en het bieden van de juiste ondersteuning
aan degenen die dat nodig hebben. En dat is zeker belangrijk, nu het om zo'n belangrijk
en levensreddend bevolkingsonderzoek gaat.»
Reinier van Zutphen
De minister kreeg het advies om rekening te houden met de behoeften van benadeelden
en duidelijk te zijn over de maatregelen die hij zélf neemt om hun persoonsgegevens
te beschermen en risico op fraude te voorkomen. Tot slot vroegen we de minister om
lering te trekken uit deze gebeurtenis, zodat vergelijkbare lekken in de toekomst
worden voorkomen. In november 2025 beantwoordde de staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport vragen van de Tweede Kamer over
dit onderwerp. Daarin liet zij weten dat de brief van de Nationale ombudsman direct
was doorgestuurd naar BVO-NL, met de opdracht om de adviezen mee te nemen.
Op 15 december 2025 berichtte de staatssecretaris de Nationale ombudsman dat een groot deel van zijn adviezen inmiddels
was opgevolgd. De getroffen vrouwen hadden bovendien excuses gekregen. Ook was extra
aandacht besteed aan de begrijpelijkheid van de brieven, en had BVO-NL duidelijker
laten weten wat het wel en niet over het datalek wist. Tot slot stond in de brieven
nadrukkelijk wat gedupeerden zelf kunnen doen om fraude tegen te gaan. De staatssecretaris
liet verder weten lering te hebben getrokken uit deze gebeurtenis.
1.6.1.4. Inbreng voor debat over Staat van de Rechtsstaat
De Nationale ombudsman leverde op verzoek van de commissie voor Justitie en Veiligheid
van de Eerste Kamer een schriftelijke bijdrage ter voorbereiding op het debat over de Staat van de Rechtsstaat. Dit debat stond
gepland voor 3 juni 2025, maar ging vanwege de val van het kabinet niet door. De Nationale
ombudsman schreef in de bijdrage dat nieuwe wetten vooraf beter moeten worden getoetst,
om fouten, zoals die bijvoorbeeld in de toeslagenaffaire zijn gemaakt, te voorkomen.
De Eerste Kamer speelt hierin een belangrijke rol. De Nationale ombudsman wees erop
dat nieuwe wetten, zoals de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel,
kunnen zorgen voor onrechtvaardige overheidsbeslissingen. Deze nieuwe maatregelen
zorgen voor extra druk op de IND en de rechtspraak. Dit vergroot de problemen in de
asielopvang en verlengt wachttijden.
In de bijdrage waarschuwde de ombudsman verder voor het gevaar dat de overheid de
behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de
toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Ook leert de overheid niet
van eerdere ervaringen. Als de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, brokkelt
het vertrouwen van de burger verder af. Tot slot benadrukte de ombudsman het belang
van het demonstratierecht in de democratische rechtsstaat. De boodschap van de Nationale
ombudsman was dat in het handelen van de overheid het faciliteren en beschermen van
demonstraties voorop moet staan.
1.6.1.5. Gevolgen van nieuwe asielmaatregelen
De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman stelden in maart 2025 in een brandbrief dat de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel van de minister
van Asiel en Migratie getuigen van onbehoorlijk bestuur en in strijd zijn met kinderrechten.
De ombudsmannen wezen vóór de behandeling van de wetsvoorstellen in de Tweede Kamer
op de gevolgen van deze maatregelen voor de hele samenleving. Met de wetsvoorstellen
komt er een einde aan de asielvergunning voor onbepaalde tijd. Pleegkinderen en ongehuwde
partners hebben ook geen recht meer op gezinshereniging, en het tweestatusstelsel
wordt opnieuw ingevoerd.
«Zowel Groningen als de toeslagenaffaire leert ons dat onbehoorlijk handelen van de
overheid meer burgers raakt dan alleen de mensen die rechtstreeks getroffen worden.
Laat de asielmaatregelen niet het volgende schoolvoorbeeld worden van onbehoorlijk
bestuur.»
Reinier van Zutphen
De Nationale ombudsman kreeg – en krijgt – veel klachten over de behandelduur van
asielaanvragen. In 2023 ging het om ruim 1.000 klachten over de IND en in 2024 om
ruim 1.600 klachten. In 2025 betrof het circa 1.400 klachten, maar dat aantal was
ten tijde van het schrijven van de brandbrief nog niet bekend. Door de invoering van
deze wetten neemt de behandelduur naar verwachting nog verder toe. De ombudsman schreef
van de overheid voortvarendheid te verwachten, en voorzag een buitengewoon grote toename
van het aantal klachten als resultaat van nog langere doorlooptijden. De implementatie
van de maatregelen uit het Europese Asiel- en Migratiepact betekent al een hoge belasting
voor de IND en de rechtspraak. Daar komt het effect van deze wetten nog bovenop. De
opvang staat al langer onder druk. Bij nog langere wachttijden verblijven mensen nog
langer in de opvang en verslechtert de situatie verder.
De Kinderombudsman maakt zich grote zorgen over de ontwikkeling en toekomst van kinderen
die in Nederland in een asielprocedure zitten. De Kinderombudsman heeft een instrument
ontwikkeld om te toetsen of bij nieuwe wetgeving rekening is gehouden met de rechten
van kinderen: de Kinderrechtentoets. De twee voorgestelde nieuwe asielwetten doorstaan
deze Kinderrechtentoets niet.
De nieuwe wetten laten asielzoekers niet alleen onwenselijk lang wachten, ze ontnemen
volwassenen en kinderen die uiteindelijk in Nederland mogen blijven bovendien een
goede start in onze samenleving. Daarnaast vrezen de ombudsmannen dat de medewerkers
van de IND en het COA, die al onder grote druk werken, nog eens extra worden belast
met een onuitvoerbare taak.
1.6.1.6. Onevenredige hardheden in beleid, wetgeving en uitvoering
Het kabinet-Schoof besloot in zijn regeerprogramma prioriteit te geven aan de aanpak
van onevenredige hardheden in beleid, wetgeving en uitvoering. Als coördinerend bewindspersoon
vroeg de minister van BZK de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman welke hardheden
zij in hun werk tegenkomen die burgers in de problemen brengen. Burgers worden in
zulke situaties onbedoeld hard geraakt, omdat er bij het maken en toepassen van wetten
en beleid te weinig is nagedacht over wat zij in de praktijk voor burgers betekenen.
In hun brief aan de minister beschreven de ombudsmannen twaalf hardheden die voor veel burgers en kinderen tot
schrijnende situaties leiden, en waarvoor zij al vaker aandacht hebben gevraagd. Het
gaat dan om zaken als de inschrijvingsproblematiek bij de Basisregistratie Personen
(BRP), de knelpunten waar sociale minima tegenaan lopen, de armoedeproblematiek in
Caribisch Nederland, het vastlopen van de asielketen, het ontbreken van toegang tot
onderwijs en de grote problemen in de jeugdzorg.
Een rode draad is dat de problemen voortkomen uit de manier waarop wetgeving wordt
uitgevoerd. Daarnaast is er de reflex om knelpunten op te lossen door extra regels,
in plaats van de regelgeving juist minder ingewikkeld te maken. De ombudsmannen benadrukten
dat de geschetse hardheden en knelpunten al langer bekend zijn en dat er al veel onderzoek
naar is gedaan. Zij riepen in hun reactie het kabinet op de burger nu echt centraal
te stellen, zodat wetten, regels en uitvoering niet langer leiden tot onevenredige
hardheden.
Uit de praktijk van de Nationale ombudsman
Politie motiveert onvoldoende dat zij klacht niet hoeft te behandelen
Een man vraagt bij zijn woongemeente een overzicht gegevensverstrekkingen uit de Basisregistratie Personen (BRP) op. Dat overzicht laat zien aan
welke overheidsorganisaties zijn BRP-gegevens zijn verstrekt. Uit het overzicht blijkt
dat de politie de afgelopen jaren honderden keren zijn BRP-gegevens heeft opgevraagd.
De man dient hierover een klacht in bij de politie. Hij klaagt over het hoge aantal
verzoeken en over welke gegevens de politie daarbij heeft opgevraagd. In de meeste
gevallen vroeg de politie niet alleen zijn adresgegevens op, maar bijvoorbeeld ook
gegevens over zijn ouders die inmiddels zijn overleden en over kinderen die hij niet
heeft.
De politie weigert de klacht van de man te behandelen. Daarvoor wordt als uitleg gegeven
dat de klacht niet gaat over een concrete gedraging van een politiemedewerker en dat
de BRP-gegevens automatisch zijn opgevraagd door de politiesystemen. Hierover klaagt
de man bij de Nationale ombudsman. Hij heeft de indruk dat de politie er alles aan
doet om maar niets over de inhoud van zijn klacht te hoeven zeggen. Dit stoort hem
ook omdat de politie zijn BRP-gegevens opvroeg op dagen dat hij betrokken was bij
de organisatie van demonstraties die keurig waren verlopen. Dit komt op de man over
als het criminaliseren van demonstranten.
De Nationale ombudsman vindt de klacht over het gebrek aan klachtbehandeling door
de politie gegrond. Tijdens het onderzoek wordt duidelijk dat de klacht van de man
wél gaat over concrete gedragingen van politiemedewerkers, waarop de politie zegt
dat ze de klacht om een andere reden niet in behandeling kan nemen. De klacht volledig
behandelen zou de politie te veel belasten. Maar ook daarvoor geeft de politie geen
goede uitleg.
De gang van zaken geeft de indruk dat de politie vooral op zoek is naar redenen om
de klacht niet te behandelen. Terwijl de politie juist had moeten kijken naar wat
er wél mogelijk is en hoe van de klacht van de man kan worden geleerd. Dat heeft de
politie niet gedaan.
De man heeft inmiddels niet meer het vertrouwen dat de politie alsnog naar behoren
zal reageren en besluit de zaak te laten rusten. De Nationale ombudsman vraagt de
aandacht van de Autoriteit Persoonsgegevens voor dit rapport. Uit de verkregen informatie
over de werking van de politiesystemen blijkt dat die systemen niet voldoen aan de
wettelijke eisen die daaraan worden gesteld.
Oost west, thuis Best?
Een inwoonster van de gemeente Best huurt een woning van een woningstichting. Op een
dag melden drie toezichthouders BRP en een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa)
zich bij haar voor een huisbezoek. De boa is in uniform en draagt een vuurwapen. Volgens
de toezichthouders is niet duidelijk wie er op het adres woont. De vrouw zegt dat
zij er alleen woont, en dat haar vriend wel eens bij haar logeert. Ze wil niet dat
de toezichthouders binnenkomen, maar die doen dat tegen haar zin in toch.
De vrouw moet daarop het formulier informed consent (instemming) ondertekenen. Daarna wordt de woning doorzocht. De vrouw is ontdaan.
Ze vindt het huisbezoek buiten proportie en in strijd met wet- en regelgeving. Ze
dient een klacht in bij de gemeente. Die verklaart de klacht ongegrond. Volgens de
gemeente is er in overeenstemming met geldende wet- en regelgeving gehandeld. De vrouw
legt haar klacht vervolgens voor aan de Nationale ombudsman.
Die opent een onderzoek en stelt vragen aan de gemeente. Best laat de ombudsman weten
de klacht van de vrouw nog steeds ongegrond te vinden. De woningstichting vermoedde
woonfraude (samenwonen), waarop de gemeente een onderzoek naar de juistheid van de
adresgegevens in de BRP was begonnen. De ombudsman vindt echter dat er in dit geval
geen wettelijke grondslag was om op basis van de Wet BRP een adresonderzoek in te
stellen.
Het doel van de Wet BRP is dat persoonsgegevens zo betrouwbaar mogelijk zijn voor
organisaties. Uit het onderzoek van de ombudsman blijkt dat de gemeente geen twijfel
had over de inschrijving in de BRP en de verblijfplaats van de vrouw; het onderzoek
was gericht op het achterhalen van de verblijfplaats van haar vriend. De Wet BRP biedt
daar echter geen grondslag voor. Het adresonderzoek was daarom in strijd met het doel
van die wet. Er was daarmee ook geen rechtsgeldige reden voor het huisbezoek. De klacht
is alleen daarom al gegrond.
De ombudsman vindt verder dat de gemeente een ernstige inbreuk maakte op het huisrecht
van de vrouw. Ze weigerde de toezichthouders de toegang, maar een van hen zette een
voet tussen de deur, waarna de woning alsnog werd binnengetreden en doorzocht. De
ombudsman vindt die handelwijze zeer slecht. Dat de vrouw vervolgens een informed consent-formulier tekende, is volgens de ombudsman onvoldoende toestemming om de woning te
doorzoeken.
De toezichthouders hadden een machtiging tot binnentreden. De ombudsman oordeelt dat
de gemeente die ten onrechte heeft afgegeven. Dat gebeurde volgens Best op grond van
de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene wet op het binnentreden en de Grondwet.
Op basis van die wetten kon de machtiging echter niet worden gegeven. Ook de Wet BRP
biedt die mogelijkheid niet. De machtiging had dus nooit mogen worden afgegeven en
gebruikt.
De ombudsman oordeelt dat het optreden van de toezichthouders niet juist en daarmee
onbehoorlijk was. Er was sprake van een grove schending van het huisrecht. De ombudsman
ziet niet in waarom drie toezichthouders en een gewapende boa werden ingezet. Hij
vindt het ernstig dat de gemeente bleef volhouden dat zij volgens de regels handelde,
en geen oog had voor de impact van haar handelen op de vrouw. Burgers mogen erop rekenen
dat de overheid grondrechten respecteert en handelt in overeenstemming met de wet.
De gemeente heeft het wat dat betreft tegenover de vrouw laten afweten.
1.6.1.7. Opvanglocaties voor Oekraïners
De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman sloegen in december 2025 alarm in een brief aan de minister van Asiel en Migratie en alle gemeenten over de situatie in de opvanglocaties
voor Oekraïners en het tekort aan opvangplekken. Het aantal klachten over de opvang
steeg sinds medio 2024 al sterk. In 2025 namen 110 mensen uit 70 gemeenten contact
op met de ombudsmannen. De klachten gingen vooral over gebrek aan privacy, tekortschietende
faciliteiten en de manier waarop Oekraïners in de opvang worden behandeld. Daarnaast
waren er veel klachten over gedwongen verhuizingen. Door sluiting van opvanglocaties
worden bewoners vaak overgeplaatst naar andere opvangplekken, vaak met slechtere voorzieningen.
Gemeenten doen hun best, maar lopen steeds vaker vast op complexe regelgeving en beperkte
uitvoeringsruimte. Ook medewerkers van de opvanglocaties hebben hun zorgen geuit,
onder meer met signalen over de kwaliteit van de opvang en zorgen over de situatie
van Oekraïense kinderen in de opvang. In hun brief van december vroegen de ombudsmannen
om snelle verbetering van de leefomstandigheden. Zij wezen daarbij op het mensen-
en kinderrechtelijke toetsingskader dat duidelijke normen schetst voor kwalitatief
goede opvang. Dit kader publiceerden de ombudsmannen bij een eerder rapport over de
situatie van gezinnen in de noodopvang.
De ombudsmannen riepen gemeenten en het Rijk in hun brief op tot onmiddellijke actie.
Gemeenten moeten doen wat ze kunnen om de leefsituatie te verbeteren en bewoners laten
bijdragen aan oplossingen. De ombudsmannen riepen de minister op om te zorgen voor
voldoende en menswaardige opvang. En om gemeenten daarvoor te ondersteunen met voldoende
middelen, duidelijke wetgeving en structurele afspraken.
De Nationale ombudsman verstuurde in april 2025 al een brief aan gemeenten over de behandeling van klachten over opvanglocaties voor Oekraïners.
Ook dat gebeurde naar aanleiding van het oplopende aantal klachten van bewoners en
organisaties over opvanglocaties in heel het land. In die brief schetste de ombudsman
een beeld van de ontvangen klachten, aan de hand van gesprekken met bewoners, klachtbehandelaars
en locatiemanagers, en door bezoeken aan opvanglocaties, zoals in Eindhoven. De ombudsman
stelde vast dat Oekraïners hun weg niet weten te vinden in de klachtprocedure, en
dat gemeenten niet goed weten hoe ze met signalen en klachten om moeten gaan.
De ombudsman maakte daarom een handreiking met praktische tips voor klachtbehandeling.
Gemeenten moeten daarnaast zorgen voor duidelijke informatie aan Oekraïners, die op
de locatie beschikbaar is. Verder adviseerde de ombudsman om het makkelijker te maken
om een klacht in te dienen. Gemeenten moeten bovendien weten wat er op de locaties
speelt door te vragen en te luisteren. De ombudsman bood aan mee te denken over verbetering
van de klachtbehandeling. Naar aanleiding van de brief nam een wethouder contact op,
en volgde er een gesprek met de ombudsman.
1.6.1.8. Onderzoek naar en poldershops over Europees Migratie- en Asielpact
In 2024 sloot de EU een Europees Migratie- en Asielpact af, dat halverwege 2026 in
werking moet treden. De EU wil met het Pact meer grip krijgen op migratie en het aantal
vluchtelingen eerlijker over lidstaten verdelen. Dat zal grote gevolgen hebben voor
hoe Europese lidstaten, waaronder Nederland, omgaan met asielverzoeken.
Er worden onder meer een screening aan de (buiten)grenzen en een versnelde procedure
ingevoerd voor migranten en asielzoekers die weinig kans maken op asiel. Ook moeten
de lidstaten tot een snellere asielprocedure met kortere doorlooptijden komen, worden
de regels voor opvolgende aanvragen strenger, en komen er meer mogelijkheden om misbruik
van procedures tegen te gaan. Het Pact moet verder zorgen voor meer solidariteit tussen
lidstaten, zodat landen die veel asielverzoeken ontvangen meer steun krijgen van andere
landen.
De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman willen weten wat de invoering van de
nieuwe regels gaat betekenen voor mensen die in Nederland asiel aanvragen, in het
bijzonder voor kinderen en jongeren. De ombudsmannen begonnen daarom in 2025 een tot
in 2027 doorlopend onderzoek naar het Pact.
Geen rol in het toezichtmechanisme
Met het Pact moeten lidstaten een onafhankelijk toezichtmechanisme opzetten voor de
screening van asielzoekers en de grensprocedures. De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman
dachten mee over hoe dat toezichtmechanisme eruit moet zien. Ze onderzochten ook of
zij er zelf een rol in willen spelen, maar kozen daar uiteindelijk niet voor. Ze kunnen
namelijk ook zonder deelname toezicht houden op de organisaties die deze procedures
uitvoeren. Dat doen zij vanuit hun eigen mandaat en onafhankelijke positie, door klachten
te behandelen en zelf een onderzoek te beginnen. De ombudsmannen vinden het belangrijk
om die onafhankelijkheid te behouden.
Omdat de regels in heel Europa gaan gelden, is het waardevol en nuttig om met andere
Europese ombudsmannen te spreken over de mogelijke gevolgen en over de rol van ombudsorganisaties.
De Nationale ombudsman, in zijn rol als IOI European Regional President, organiseerde
daarom in februari 2025 een «poldershop» in Brussel. Een poldershop is een informele
manier om kennis en expertise uit te wisselen, waarbij allerlei vragen en uitdagingen
op tafel kunnen komen. Ombudsmannen uit verschillende EU-lidstaten en de Europese
ombudsman waren aanwezig.
In de poldershop bespraken we welke delen van het Migratiepact het meest relevant
zijn voor het werk van ombudsinstellingen. De deelnemers vonden vijf thema’s de moeite
van het verder uitdiepen waard: het onafhankelijk toezichtmechanisme waaraan ombudsinstellingen
kunnen deelnemen, de zorg voor (onbegeleide) minderjarige vluchtelingen, de verlening
van rechtsbijstand, het terugduwen van vluchtelingen aan de grenzen en de interpretatie
van de verordeningen en de richtlijn waar het Pact uit bestaat. In september 2025
was er een online vervolg op de poldershop.
1.6.1.9. Ongedocumenteerde migranten op Bonaire
In een brief van 16 december 2025 wijst de Nationale ombudsman op de slechte leefomstandigheden
van migranten zonder verblijfsvergunning op Bonaire. Bonaire is een klein eiland met
een grote vraag naar werknemers. De Bonairianen zelf kunnen niet aan die vraag voldoen.
Migranten, vaak zonder verblijfsvergunning, zijn daarom een welkome aanvulling op
de plaatselijke arbeidsmarkt. Helaas komt arbeidsuitbuiting hierbij geregeld voor.
Migranten betalen te veel voor huisvesting, weten niet wat hun rechten en plichten
zijn en medische zorg is voor hen moeilijk toegankelijk en te duur. Het lukt maar
niet om deze situatie te verbeteren. Er wordt wel ingezet op het voorkomen van illegaal
verblijf, maar er is nog altijd geen duidelijke visie op hoe om te gaan met de migranten
zonder verblijfsvergunning die al op Bonaire zijn. De ombudsman roept daarom op deze
migranten de kans te geven hun verblijf te legaliseren en hen bescherming en hulp
te bieden. In paragraaf 1.7 over Caribisch Nederland staat meer over deze problematiek.
1.6.1.10. Toezicht en inzageproces van CTER-registratie
In november 2024 publiceerde de Nationale ombudsman het onderzoek «Blind vertrouwen?», over de registratie van burgers in het kader van Contraterrorisme, Extremisme en
Radicalisering (CTER). De ombudsman noemde het CTER-registratieproces daarin een black box; burgers weten niet dat ze in beeld zijn, en met welke organisaties en landen informatie
over hen wordt gedeeld. Na de publicatie ging de Nationale ombudsman in 2025 in gesprek
met betrokken partijen, zoals de minister van Justitie en Veiligheid, ambtenaren van
dat ministerie, de politie en de Inspectie Justitie en Veiligheid. Ook stuurde hij
in december 2025 een brief aan de Tweede Kamer om nogmaals aandacht voor het onderwerp te vragen. Er werden eerder wel verbeteringen
toegezegd, maar die hebben nog niet plaatsgevonden.
De Nationale ombudsman vindt dat er nog meer stappen moeten worden gezet om het toezicht
en het inzageproces verder te verbeteren. Mensen kunnen zonder dat ze het weten in
het CTER-register terechtkomen, wat hun recht op privacy onder druk zet. Ze kunnen
daardoor onverwacht in de problemen komen, bijvoorbeeld als ze op vakantie gaan en
het land van bestemming niet in mogen, of in het buitenland vast komen te zitten.
Het onderzoek liet zien dat het voor burgers vrijwel onmogelijk is om hun registratie
aan te vechten. Na een inzageverzoek krijgen ze vaak te horen dat de gevraagde informatie
in verband met de nationale veiligheid niet kan worden gedeeld, of al is verwijderd.
«Op dit moment heeft de Inspectie (Justitie en Veiligheid) geen toegang tot het themaregister
CTER. Dit is een belangrijke tekortkoming. Daarbij wil ik benadrukken dat toezicht
zich niet mag beperken tot de onderdelen van het proces die «uitstralingseffecten»
richting de burger hebben. Een onterechte of foutieve registratie of signalering is
een op zichzelf staande inbreuk op de rechten van de betrokken persoon, ongeacht of
deze er weet van heeft.»
Reinier van Zutphen
Burgers weten vaak niet hoe ze een bezwaarprocedure kunnen beginnen. Die procedures
zijn bovendien niet laagdrempelig. Het lukt hen niet om antwoord te krijgen op de
vraag wat er nu eigenlijk rond hun registratie is gebeurd en of dat mocht. Onafhankelijk
toezicht op het CTER-proces is volgens de ombudsman niet goed georganiseerd. Een structurele
blik van buiten ontbreekt. De minister van Justitie en Veiligheid liet in 2025 bij
alle relevante overheidsorganisaties een verkenning uitvoeren naar de vraag of het
toezicht op CTER-registraties en signaleringen van de betrokken organisaties moet
worden versterkt, en zo ja hoe. De nadruk lag daarbij op onderdelen van het proces
die gevolgen hebben voor burgers, zoals signaleringen en informatie-uitwisseling met
het buitenland.
De minister deed daarop een aantal toezeggingen. Zo is het werkproces voor signaleringen verbeterd. Bij een aanvraag voor een signalering
moet nu altijd worden afgewogen of die noodzakelijk en proportioneel is. Hiervoor
zijn aanvullende richtlijnen opgesteld. Aanpassingen in het werkproces hebben geleid
tot meer bewustwording over bijvoorbeeld de duur van een signalering en tot een betere
herleidbaarheid van gegevens. De politie gaat op vaste momenten een analyse maken
van alle lopende signaleringen, als input voor interne kwaliteitsmonitoring over signaleringen.
De politie en de Koninklijke Marechaussee hebben opnieuw een kwaliteitsoverleg ingevoerd,
waarin wordt gesproken over vastlegging van gegevens zoals in het themaregister CTER,
het werkproces en opschoningen. Het ministerie van Justitie en Veiligheid zet in op
betere samenwerking tussen de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Inspectie Justitie
en Veiligheid, en de AP is een verkenning begonnen naar hoe het inzageproces kan worden
verbeterd.
Uit de praktijk van de Nationale ombudsman
Douane was ten onrechte niet duidelijk over reden voor controle
Murat9 vliegt van Caïro naar Amsterdam. Als hij bijna bij de uitgang van Schiphol is, spreekt
een douaneambtenaar hem aan. Hij vraagt Murat waar zijn reis was begonnen. Murat zegt
dat hij uit Caïro is gekomen. Daarop wordt hij meegenomen voor een controle. De douane
stelt hem vragen en controleert onder meer zijn tas. Murat vermoedt dat er sprake
is van etnische profilering. Hij denkt dat de douane hem uitkoos vanwege zijn afkomst
en uiterlijk.
Hij zegt dat tegen de douaneambtenaar. Die vertelt Murat dat hij alleen maar wordt
gecontroleerd omdat zijn vlucht uit een niet-EU-land komt, maar dat gelooft Murat
niet. Hij vliegt veel voor zijn werk, en dit is niet de eerste keer dat de douane
hem controleert. Volgens Murat speelde zijn afkomst daarbij eerder een rol, en hij
denkt dat dit nu ook zo is. Ook vindt hij dat de douaneambtenaar zich tijdens de controle
intimiderend en arrogant gedraagt.
Murat dient hij een klacht in bij de douane. Die vraagt de douaneambtenaar bij de
behandeling van die klacht naar zijn kant van het verhaal. De uitkomst van de interne
klachtbehandeling is dat er volgens de douane geen sprake was van etnische profilering;
het land waar Murat vandaan reisde was de enige reden voor de controle, niet zijn
huidskleur of afkomst. Murat neemt daar geen genoegen mee en dient bij een klacht
in bij de Nationale ombudsman.
Pas als de ombudsman vragen gaat stellen aan de douane wordt duidelijk dat Murat werd
gecontroleerd op basis van een steekproef. Dat is hem echter nooit duidelijk verteld.
De ombudsman wijst de douane op een eerder onderzoek over etnisch profileren. Daarin
schrijft de ombudsman dat etnisch profileren in strijd is met de grondrechten, en
heel moeilijk is aan te tonen door mensen die het gevoel krijgen dat zij worden gecontroleerd
vanwege hun huidskleur, ras of geloof.
Daarom is het voor de overheid belangrijk om altijd meteen volkomen duidelijk te maken
waarom iemand wordt gecontroleerd. Niet alleen bij de controle zelf, maar ook als
daar achteraf een klacht over is. Dat kan voorkomen dat mensen zich etnisch geprofileerd
voelen waar iedereen op dezelfde manier moet worden behandeld. De ombudsman oordeelt
dan ook dat de douane Murat meteen duidelijk en correct had moeten vertellen waarom
nou juist hij werd gecontroleerd, en vindt zijn klacht gegrond.
1.6.2. Armoede
Armoede en schulden hebben grote gevolgen voor het leven van mensen. De Nationale
ombudsman zag in 2025 weer meer mensen die in problematische schuldensituaties terecht
zijn gekomen. Die bestaansonzekerheid treft steeds vaker ook werkenden. Het leven
wordt steeds duurder, en voor velen gewoon té duur. Het sociaal minimum is niet genoeg
om van rond te komen. Ook met de tijdelijke heropening van het Tijdelijk Noodfonds
Energie en de verhoging van het minimumloon, zijn de problemen nog niet voor iedereen
opgelost.
De Nationale ombudsman wil bijdragen aan het voorkomen van schulden en de bestrijding
van armoede. Dat deden we ook in 2025, bijvoorbeeld door overheden te wijzen op een
onbehoorlijke manier van invorderen. We uitten onze zorgen over het gebrek aan structureel
geld om verdere schulden voor mensen te helpen voorkomen bij het innen van schulden
en boetes. We zien ook dat verschillende overheidsorganisaties bezig zijn met het
verbeteren van hun dienstverlening, om armoede op die manier tegen te gaan. De ombudsman
is een voorstander van een meer proactieve houding van de overheid. Die proactieve
overheid moet burgers beter informeren en hen – als het kan automatisch – toekennen
waar ze recht op hebben.
1.6.2.1. Innen van schulden en boetes door CJIB
Mensen kunnen in grote financiële problemen raken als zij verkeersboetes niet op tijd
betalen. Het bedrag wordt dan bij de eerste aanmaning meteen flink verhoogd en de
kosten kunnen snel oplopen. In april 2025 kondigde de staatssecretaris van Justitie
en Veiligheid daarom twee belangrijke maatregelen aan om te voorkomen dat mensen in
de problemen komen. Per 1 juli 2026 wordt bij niet tijdige betaling van verkeersboetes
eerst een kosteloze betalingsherinnering verstuurd. Ook kreeg het Centraal Justitieel
Incassobureau (CJIB) halverwege 2025 de bevoegdheid om de verhoging bij overschrijding
van de betalingstermijn in uitzonderlijke gevallen kwijt te schelden.
In juni 2025 werden deze maatregelen echter onzeker, omdat het kabinet vanaf 2029
geen structurele financiering had gevonden. Daarop stuurde de Nationale ombudsman
een brief naar de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Hierin benadrukte hij nogmaals
dat de overheid meer moet doen bij het innen van schulden en boetes om verdere schulden
te voorkomen. De overheid moet ook redelijk handelen, door maatwerk te leveren waar
dat mogelijk en nodig is. Voorbeelden van een behoorlijke manier van innen zijn een
kosteloze betalingsherinnering en de mogelijkheid om verhogingen kwijt te schelden
in situaties waarin een betalingsregeling niet volstaat.
De Nationale ombudsman wees erop dat het CJIB zelf om ruimte heeft gevraagd om de
menselijke maat toe te passen en om passend te handelen in duidelijk onredelijke of
hardvochtige situaties. De Nationale ombudsman vroeg de staatssecretaris daarom de
twee maatregelen wel te laten doorgaan. In september kondigde de minister van Justitie
en Veiligheid aan dat dat toch was gelukt. Het CJIB gaat vanaf 1 juli 2026 anderhalf
jaar kosteloze betalingsherinneringen sturen, om uit te proberen of het werkt. Ook
is er geld gevonden voor het kwijtschelden van verhogingen in onredelijke en hardvochtige
situaties. Het CJIB was daar in juni 2025 al mee begonnen en kan hier in de toekomst
mee doorgaan.
1.6.2.2. Achterstand bij het opleggen van waterschapsbelasting
Door problemen met een nieuw computersysteem bij uitvoeringsorganisatie Waternet liep
Waterschap Amstel, Gooi en Vecht grote achterstand op bij het opleggen van de waterschapsbelasting.
Hierdoor ontvingen inwoners in één keer aanslagen voor meerdere jaren. Bovendien is
deze belasting de laatste jaren erg omhoog gegaan, waardoor er betalingsproblemen
kunnen ontstaan.
De Nationale ombudsman stelde dit in april 2024 al aan de orde in een brief aan het waterschap, maar bleef veel klachten krijgen. Burgers begrepen de situatie niet, wisten niet
altijd een oplossing te vinden en gaven uiting aan hun boosheid. Daarom deed de ombudsman
in januari 2025 aanbevelingen over hoe het waterschap op een behoorlijke manier met
deze situatie zou moeten omgaan: door verantwoordelijkheid te nemen en excuses aan
te bieden, in contact te komen met burgers, betere informatie te verstrekken, oplossingsgericht
te zijn, en bij invordering persoonlijk contact te zoeken.
In een reactie op onze brief erkende Waterschap Amstel, Gooi en Vecht dat het niet goed is gegaan, en zette het
uiteen hoe de aanbevelingen zouden worden opgevolgd. Zo heeft het waterschap publiekelijk
en aan inwoners excuses aangeboden voor de situatie en voerde het verbeteringen in
de dienstverlening en klachtbehandeling door.
Op uitnodiging van de dijkgraaf sprak de ombudsman met het bestuur en medewerkers
van het waterschap en Waternet. Daarna spraken medewerkers van de Nationale ombudsman
met klachtbehandelaars van het waterschap en Waternet over behoorlijke klachtbehandeling,
onder meer naar aanleiding van verbeterpunten die de Nationale ombudsman in de brief
van april 2024 noemde. In de loop van 2025 zagen we het aantal klachten teruglopen.
Uit de praktijk van de Nationale ombudsman
Gemeente doet onvoldoende onderzoek naar klachten over schuldhulpverlening
Een echtpaar met een gezin krijgt al jaren schuldhulpverlening. Het paar is ontevreden
over de hulp, die in opdracht van de gemeente wordt uitgevoerd door een gespecialiseerde
organisatie. De communicatie met dit schuldhulpbureau verloopt al jaren erg moeizaam.
Het echtpaar wil daarom inmiddels niets meer met het bureau te maken hebben, en dient
een klacht in bij de gemeente.
Er volgen twee gesprekken tussen het echtpaar en de gemeente. Voor verdere behandeling
van de klacht moet het echtpaar de klacht wel eerst indienen bij het schuldhulpbureau,
vindt de gemeente. De gemeente wil ook wel met het schuldhulpbureau in gesprek, maar
alleen met het echtpaar erbij. Dat voelt daar niets voor en dient een klacht in bij
de Nationale ombudsman.
De ombudsman vindt het begrijpelijk dat klachten in het algemeen eerst moeten worden
behandeld door de organisatie die de schuldhulp uitvoert. Maar in dit geval heeft
het echtpaar geen enkel vertrouwen meer in het schuldhulpbureau, omdat het steeds
niet op berichten reageert. Daarom vindt de ombudsman dat de gemeente zelf in gesprek
zou moeten gaan met de schuldhulpverlener.
Hierbij is de aanwezigheid van het echtpaar niet nodig. Het is voldoende dat het echtpaar
toestemming geeft om informatie op te vragen bij de schuldhulpverlener, zodat de gemeente
kan ophelderen hoe het zover heeft kunnen komen. Gelukkig wil de gemeente naar aanleiding
van ons onderzoek alsnog met het echtpaar in gesprek om het vertrouwen in de gemeente
te herstellen.
1.6.2.3. Onzekerheden bij Tijdelijk Noodfonds Energie
De Nationale ombudsman uitte in april 2025 in een brief aan de staatssecretaris voor Participatie en Integratie zijn zorgen over het Tijdelijk
Noodfonds Energie (TNE). In 2025 opende het kabinet dit fonds voor de derde keer.
De ombudsman was blij met hulp voor huishoudens die in de knel kwamen door een hoge
energierekening, maar de manier waarop het kabinet die hulp in 2025 bood, bracht onzekerheden
met zich mee. Zo zaten er niet genoeg middelen in het fonds om iedereen die het geld
nodig had te helpen.
Ook konden burgers zich door de manier waarop het fonds was ingericht niet beroepen
op het klachtrecht, en kon de Nationale ombudsman daardoor geen klachten in behandeling
nemen. De ombudsman heeft TNE daarom gevraagd om een duidelijke klachtenregeling op
te stellen, en die voor burgers goed vindbaar te maken op de website. De ombudsman
helpt burgers graag op weg. Daarom ontvangt hij graag signalen van burgers over problemen
bij de aanvraag van de energietoeslag. Zo kan hij in beeld brengen welke burgers buiten
de boot vallen, en vervolgens met TNE kijken hoe zij alsnog kunnen worden geholpen.
In 2025 was het weer niet mogelijk om een papieren aanvraag voor de energietoeslag
te doen. Dat kon alleen digitaal. Daarmee sluit TNE misschien niet alleen de 2,6 miljoen
mensen uit die digitaal niet vaardig genoeg zijn om zelf een aanvraag te doen, maar
ook de ruim 250.000 Nederlanders die onder bewind staan en dus tijdelijk niet zelf
hun inkomsten, uitgaven en schulden mogen regelen. In de brieven over de heropening
van TNE staat wel hoe het kabinet huishoudens wilde bereiken die minder digitaal vaardig
zijn. Dit mag echter volgens de ombudsman geen vervanging zijn voor de mogelijkheid
om een papieren aanvraag te doen.
1.6.2.4. Hersteloperatie Toeslagen verbeteren
De Hersteloperatie Toeslagen loopt niet goed. Met deze operatie wil de overheid het
door de toeslagenaffaire veroorzaakte leed compenseren en betrokken ouders, kinderen
en jongeren een nieuwe start geven. Gedupeerden moeten echter lang wachten op beslissingen,
dossiers worden te laat aangeleverd en ouders ervaren dat er niet naar hen wordt geluisterd.
In februari 2025 deed de Nationale ombudsman in een notitie aanbevelingen om het herstelproces beter aan te laten sluiten op het perspectief
en de behoeften van ouders. Dit deed hij samen met Erik Visser, coördinerend voorzitter
van de Bezwaaradviescommissie kinderopvangtoeslag, en Michiel Scheltema, oud-regeringscommissaris
voor de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verder deden we mee aan twee rondetafelgesprekken over het vervolg van de vergoeding
van de werkelijke schade. We constateerden dat de hersteloperatie niet voldoet aan
de eisen van de responsieve rechtsstaat. We deden zes aanbevelingen met bijbehorende
acties: zorg ervoor dat ouders zo vroeg mogelijk hun hele verhaal kunnen doen, bied
duidelijkheid, integreer procedures en werk oplossingsgericht, creëer ruimte voor
de uitvoering, neem verantwoordelijkheid voor het hele proces – dus ook de brede ondersteuning
– en monitor de hersteloperatie vanuit het perspectief van ouders.
Uit de notitie: «De hersteloperatie stagneert, ten koste van burgers die ernstig benadeeld zijn door
de overheid. Zij ervaren niet dat het herstel om hen draait en raken verstrikt in
een nieuwe bureaucratische machine. De manier waarop de hersteloperatie wordt uitgevoerd
voldoet daarmee niet aan de doelen en de waarden van de rechtsstaat.»
Veel van deze punten kwamen ook terug in het rapport van de spoedadviescommissie voor
de Hersteloperatie Toeslagen (de Commissie Van Dam) met de titel «Minder beloven,
meer doen». In 2025 zette het ministerie van Financiën stappen om de herstelroutes
anders te gaan inrichten. Op 25 maart reageerde de staatssecretaris op de aanbevelingen
uit onze notitie. Een afschrift van deze reactie werd aan de Tweede Kamer gestuurd. De staatssecretaris gaf aan op veel punten aan
de slag te gaan met de aanbevelingen, en deze te betrekken bij de uitwerking van de
aanbevelingen van de Commissie Van Dam.
Volgens de staatssecretaris is het belangrijk om te luisteren naar ouders, maar is
dat niet genoeg om de voortgang te volgen. Daarvoor zijn ook cijfers nodig. Daarnaast
verwees zij naar de wetsevaluatie van de Wet hersteloperatie toeslagen. De Nationale
ombudsman blijft van mening dat het nodig is om zicht te houden op de effecten voor
ouders, en daarover ook aan de Tweede Kamer te rapporteren. Hij heeft niet gesteld
dat dit in plaats van de kwantitatieve monitoring moet komen. De oudercommissie vroeg
hier ook meerdere keren aandacht voor, zoals in dit advies. De ombudsman blijft de ontwikkelingen volgen.
1.6.2.5. Stappen in beter herstel bieden
In 2023 publiceerde de Nationale ombudsman het rapport «Herstel bieden, een vak apart». In dat rapport vergeleek hij tien hersteltrajecten van de overheid. De belangrijkste
conclusie van het onderzoek was dat overheidsorganisaties te weinig aandacht hebben
voor wat gedupeerde burgers en ondernemers nodig hebben bij het bieden van herstel.
Op 3 december 2024 liet het kabinet weten zich te vinden in de conclusies uit het
onderzoek en de aanbevelingen over te nemen. Het kabinet zegde toe een kennisnetwerk
op te zetten, zodat vakkennis over hoe goed herstel geboden kan worden bijeen wordt
gebracht en beschikbaar is als er een hersteltraject moet worden opgezet. Dat leidde
in 2025 tot het overheidsbrede programma Erkenning en Herstel. Onderdeel van dit programma is het opbouwen van het toegezegde kennisnetwerk.
«Dat het programma Erkenning en Herstel er is, vind ik wel een compliment aan de overheid
en ook een beetje aan onszelf. Tegelijkertijd ben ik er wel alert op dat het niet
verzandt in systeemstroperigheid. Ik hoop niet dat het programma het informele karakter
van het netwerk in de weg gaat staan, maar dat je elkaar op een laagdrempelige manier
met raad en daad kunt bijstaan.»
Reinier van Zutphen
Tijdens een landelijke conferentie op 8 september 2025 lanceerde het ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het programma Erkenning en Herstel en het
kennisnetwerk in wording. De Nationale ombudsman nam deel aan deze conferentie en
ging met betrokkenen in gesprek over hoe de burger op de eerste plek kan komen te
staan bij het bieden van herstel. Het kennisnetwerk is nog in opbouw, en heeft als
doel dat overheidsorganisaties van elkaar kunnen leren hoe te handelen als zij herstel
moeten bieden aan gedupeerde burgers.
In de podcast «Oog voor de burger» sprak de ombudsman eind 2025 over hersteltrajecten en het programma Erkenning en
Herstel. De ombudsman besteedt daarnaast aandacht op zijn site aan herstel als gevolg van de gaswinning in Groningen en de schade die
is ontstaan door werkzaamheden aan het kanaal Almelo-De Haandrik. Ook wijst de ombudsman
de overheid op haar verantwoordelijkheid in het onderzoek naar het in 2025 aan het
licht gekomen datalek bij het bevolkingsonderzoek, en publiceerden we een onderzoekspagina over herstelprojecten.
1.6.2.6. Betere voorlichting over handhaving op schijnzelfstandigheid zzp’ers
De overheid controleert sinds 1 januari 2025 strenger op schijnzelfstandigheid onder
zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Dat doet de overheid door actief te handhaven
op de zogenoemde Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA). Afgelopen
zomer deed Comité ZZP een oproep aan zzp'ers om een gezamenlijke klacht over dit beleid
in te dienen. Die leverde in totaal meer dan 800 reacties op. Op 17 september 2025
werden deze reacties gebundeld in een signaal dat werd gedeeld met de Autoriteit Consument
& Markt (ACM) en de Nationale ombudsman.
Er is veel onduidelijkheid over de regelgeving en de communicatie over dit onderwerp.
Volgens het Comité ZZP deelden het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(SZW) en de Belastingdienst verwarrende informatie. Opdrachtgevers stelden zich hierdoor
terughoudend op bij het inhuren van zzp'ers, waardoor deze financieel in de knel kwamen.
Naar aanleiding hiervan sprak de Nationale ombudsman met het ministerie van SZW en
vroeg hij om opheldering. Juist omdat er zoveel verwarring is over de wetgeving, hebben
zzp’ers en opdrachtgevers behoefte aan duidelijkere communicatie rondom dit onderwerp.
Ook vroeg de ombudsman het ministerie extra aandacht te geven aan juiste en volledige
voorlichting. De ombudsman ziet op dit moment geen reden tot verdere actie rond dit
onderwerp, maar blijft wel openstaan voor concrete signalen over de communicatie.
Dat schreef de ombudsman op 18 december 2025 in een brief aan het comité, die ook naar het ministerie van SZW en de Belastingdienst werd gestuurd.
1.6.2.7. Stapelfacturen voorkomen
Meer dan een miljoen Nederlanders betalen het CAK elk jaar een eigen bijdrage voor
langdurige zorg via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet langdurige
zorg (Wlz). Uit een rapport van de Algemene Rekenkamer bleek in 2024 dat een derde
van hen hierbij te maken kreeg met zogenoemde stapelfacturen. Stapelfacturen zijn
rekeningen waarin de eigen bijdragen in één keer voor meerdere maanden tegelijk in
rekening worden gebracht. Hierdoor komen vooral financieel kwetsbare burgers in betalingsproblemen.
Hoewel de Nationale ombudsman in 2024 de klachten over het CAK zag dalen, bleven de
stapelfacturen een probleem. De ombudsman organiseerde daarom in januari 2025 een
goed gesprek met het CAK en de Algemene Rekenkamer. Het CAK gaf daarin aan dat stapelfacturen
niet altijd te vermijden zijn en dat ze ook niet altijd problemen voor burgers opleveren.
Maar het CAK erkende wel dat er in bepaalde perioden meer stapelfacturen waren verstuurd
dan gewenst. Burgers zijn hierdoor in de knel gekomen.
Om daar iets aan te doen, werkt het CAK samen met het ministerie van VWS om de systemen
te verbeteren. Het CAK werkt ook meer samen met gemeenten en de Belastingdienst, zodat
gegevens in de toekomst beter en sneller worden aangeleverd. Hierdoor worden veel
stapelfacturen voorkomen. Dat levert resultaat op: in 2025 zag de Nationale ombudsman
het aantal klachten over dit onderwerp verder dalen.
1.6.3. Participatie en invloed
De Nationale ombudsman vindt het belangrijk dat burgers invloed hebben op de beslissingen
en ontwikkelingen die hen direct raken. Dat geldt des te meer voor burgers die afhankelijk
zijn van de overheid voor hulp in het sociaal domein. In 2025 – tien jaar na de decentralisaties,
waarbij belangrijke taken en verantwoordelijkheden bij gemeenten werden gelegd – blikte
de ombudsman terug op drie onderzoeken naar participatie en invloed van burgers bij
de Wmo, de Participatiewet en de Jeugdwet. Daaruit bleek dat de decentralisaties een
negatief effect hebben op het vertrouwen in de overheid.
1.6.3.1. Tien jaar decentralisaties
Tien jaar na dato concludeert de Nationale ombudsman dat de decentralisaties in het
sociaal domein hebben bijgedragen aan groeiend wantrouwen richting de overheid. Ondanks
goede bedoelingen voelen veel mensen zich niet gehoord en missen ze grip op hun leven.
De burger haakte niet af maar werd weggeduwd», aldus de ombudsman in het artikel «Tien jaar ombudsman, tien jaar decentralisaties».
Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor jeugdhulp, werk en inkomen, en ondersteuning
thuis. Het moest dichterbij, beter en goedkoper, maar gemeenten kregen minder middelen.
Dat leidde tot grote verschillen tussen gemeenten, en daarmee tot rechtsongelijkheid.
Uit onze onderzoeken naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), Participatiewet
en Jeugdwet blijkt dat burgers ervaren dat ze nauwelijks invloed hebben. Dat tast
hun eigenwaarde aan en vergroot het wantrouwen. De Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid (WRR) waarschuwde al dat dit kan leiden tot gezondheidsproblemen,
onbehagen en zelfs complotdenken. De Nationale ombudsman ziet dit in zijn klachtenpraktijk.
«Wie geen invloed ervaart, verliest vertrouwen.»
Reinier van Zutphen
De decentralisaties maakten ook duidelijk hoe complex het dagelijks leven is. Veel
mensen moeten door talloze regelingen en formulieren heen om rond te komen. «We begrijpen
nu beter dan tien jaar geleden hoe zwaar het is om in deze samenleving overeind te
blijven», aldus de ombudsman. De overheid moet zorgen dat iedereen kan meedoen. Daarbij
is maatwerk geen oplossing voor slecht beleid. Vertrouwen groeit pas als burgers mogen
meedenken, meedoen en meebeslissen.
In 2026 presenteert de ombudsman een Ombudsvisie op participatie, die overheden moet
helpen participatie eerlijk en zorgvuldig te organiseren. Hiermee wil de ombudsman
bijdragen aan beter bestuur én aan het herstel van vertrouwen van burgers in de overheid.
Uit de praktijk van de Nationale ombudsman
Gemeente Tubbergen behandelde klachten van inwoners over komst azc niet behoorlijk
De Stichting Blauw diende bij de ombudsman een klacht in over de wijze waarop de gemeente
Tubbergen klachten van inwoners over de komst van een azc in Albergen behandelde.
De Stichting maakte een overzicht van een aantal bij haar bekende klachten van inwoners
die zich bij de Stichting hadden aangesloten. Daaruit bleek volgens de Stichting dat
de gemeente zich tijdens het proces van klachtbehandeling liet vertegenwoordigen door
advocaten. Ook werd de klachtbehandeling uitgevoerd door advocaten. Deze advocaten
waren eerder ook betrokken geweest bij het azc-dossier. Hierdoor kon het voorkomen
dat een inwoner met een klacht tijdens een hoorzitting «tegenover» vier advocaten
kwam te zitten. De bewoners voelden zich door dit alles niet gehoord. De Stichting
klaagde verder over de lange behandelduur van de klachten.
Medewerkers van de ombudsman gingen in gesprek met vertegenwoordigers van de Stichting.
De ombudsman opende hierna een onderzoek en stelde de gemeente een aantal vragen over
de wijze waarop de klachtbehandeling plaatsvond. De gemeente lichtte toe op welke
wijze zij de klachtbehandeling vormgaf en waarom ze dat zo deed, en erkende dat het
proces van klachtbehandeling te lang duurde. Hierna gingen medewerkers van de ombudsman
in gesprek met de burgemeester van de gemeente Tubbergen.
Op basis van het onderzoek komt de ombudsman tot het oordeel dat de klachten van de
Stichting gegrond zijn. De ombudsman toetste de gedragingen van de gemeente aan het
vereiste van luisteren naar de burger en voortvarendheid. De ombudsman vindt dat de
gemeente ten aanzien van de klachtbehandeling niet behoorlijk handelde. Hij is van
oordeel dat de gemeente door de keuzes die zij maakte onvoldoende luisterde naar de
burger. De diverse keuzes die de gemeente maakte in het klachtbehandelingsproces,
zorgden ervoor de deze burgers zich (opnieuw) niet gehoord voelden.
De ombudsman vindt verder dat de gemeente ten aanzien van de duur van de klachtbehandeling
niet voortvarend – en daarmee niet behoorlijk – handelde. Voor de behandeling van
klachten door een gemeente geldt een maximale termijn van veertien weken, De gemeente
deed veel langer over de klachtafhandeling. De ombudsman vindt de klacht van de Stichting
gegrond.
Het is duidelijk dat er veel emoties en gevoeligheden rondom het proces van de komst
van het azc speelden en nog altijd spelen. De ombudsman zag welke impact dit had en
nog altijd heeft op zowel bewoners als op de gemeente. De ombudsman hoopt dat bewoners
en de gemeente weer (meer) met elkaar in gesprek gaan, hoe moeilijk dat misschien
ook is, en dat ze zo kunnen werken aan herstel van vertrouwen in de toekomst. De gemeente
wil dit doen door beter te luisteren, transparant te zijn en samen te werken aan oplossingen.
1.6.4. Toegang tot voorzieningen
Nog steeds krijgen burgers moeilijk contact met overheden en uitvoeringsorganisaties.
De overheid kijkt of digitale diensten oplossingen kunnen bieden, maar burgers blijven
tegen lange wachttijden aanlopen. Tegelijkertijd zien we dat het voor veel mensen
lastig is om voorzieningen en hulp aan te vragen. Dat geldt vooral voor mensen die
meer en langlopende voorzieningen nodig hebben. Zij hebben te maken met verschillende
loketten, digitale systemen, wetten en regels, en ervaren dat zij van het ene naar
het andere loket worden gestuurd. Soms ontstaan er ook problemen in de uitvoering
van de voorzieningen, zoals bij de veiligheid van trapliften voor ouderen, of als
het gaat om de betrouwbaarheid van de postbezorging door de overheid. Een lichtpunt
in 2025 was de benoeming van een ambassadeur die moet opkomen voor de belangen van
Q-koorts-patiënten. Na drie kritische rapporten van de Nationale ombudsman is de toegang
tot hulp van de overheid voor deze groep nu beter vastgelegd.
Uit de praktijk van de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman
Passende zorg na je achttiende
Marie10 is zeventien en wordt over een paar weken achttien. Vanwege mentale problemen heeft
ze veel zorg nodig. Marie woont op een woongroep waar ze nagenoeg altijd in de gaten
wordt gehouden. De gemeente financiert de woongroep vanuit de Jeugdwet. Als Marie
achttien wordt, valt ze daar niet meer onder. Een paar maanden eerder stelde de gemeente
vast dat de Wet langdurige zorg (Wlz) vanaf dat moment de best passende zorgwet voor
haar is. Een zorgkantoor regelt dan de financiering van haar zorg.
Maries ouders dienen met hulp van de betrokken jeugdbeschermer een Wlz-aanvraag in
bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Daarop krijgt Marie een indicatie die
te laag blijkt om op de woongroep te mogen blijven. Tegen dit besluit van het CIZ
kunnen de ouders bezwaar maken, maar dat blijft liggen omdat zij zich grote zorgen
maken over waar hun dochter straks terecht kan en omdat de betrokken jeugdbeschermer
onvoldoende kennis over de Wlz heeft.
De achttiende verjaardag van Marie komt steeds dichterbij, maar er is nog geen plan
over hoe haar zorg op een goede manier kan worden voortgezet. Betrokken organisaties
zijn het erover eens dat zij niet zonder hulp bij haar ouders thuis kan wonen. De
organisaties kijken echter naar elkaar voor een oplossing.
De gemeente geeft aan dat zij vanaf Maries achttiende verjaardag niet meer verantwoordelijk
is, omdat zij nu een indicatie voor langdurige zorg heeft. De jeugdbeschermer zegt
dat zij niet meer bij de zaak betrokken is, omdat Marie vanaf haar achttiende verjaardag
niet meer onder haar toezicht staat. En het CIZ geeft aan dat Marie en haar ouders
nog steeds bezwaar kunnen maken tegen de lage indicatie, maar dat de behandeling hiervan
wel twee tot drie maanden duurt.
De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman vinden dat Marie niet de dupe mag worden
van de harde knip tussen de financiering van zorg voor jeugdigen en voor volwassenen.
Daarom vragen we aan het betrokken zorgkantoor om de zorg direct op te starten, en
niet te wachten tot de financiering rond is. Dat kan achteraf worden geregeld. Het
zorgkantoor pakt dit op en binnen een week ontvangt Marie de zorg die zij nodig heeft.
1.6.4.1. Onveilige situaties bij trapliften voor ouderen
Gemeenten moeten hun verantwoordelijkheid nemen voor de plaatsing van trapliften die
mogelijk gevaarlijk zijn voor ouderen. In 2025 sprak de Nationale ombudsman de staatssecretaris
van Langdurige en Maatschappelijke Zorg hierover twee keer aan. Hij deed de oproep
om de veiligheid van ouderen met trapliften te verbeteren.
In de zomer van 2025 ontving de ombudsman een signaal van het tv-programma Meldpunt
van omroep MAX over gevaarlijke situaties voor (vaak oudere) burgers na plaatsing
van een traplift bij hen thuis. Er zou te weinig ruimte op de trap overblijven voor
medebewoners. Ook werd bij plaatsing vaak de trapleuning weggehaald. Verder zouden
gemeenten zich onvoldoende inzetten om alsnog tot een veilige oplossing te komen.
Trapliften worden vaak geleverd en betaald vanuit de Wmo. Gemeenten besteden de plaatsing
ervan uit aan private installateurs, maar blijven wel eindverantwoordelijk.
De ombudsman vroeg de staatssecretaris hoe zij de veiligheid van de gebruikers van
deze trapliften ging verbeteren. De staatssecretaris liet weten dat het infoblad voor
gemeenten van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening niet duidelijk
genoeg was, en dat er aan verduidelijking werd gewerkt.
De ombudsman vond dit antwoord niet voldoende en vroeg zich af of gemeenten überhaupt
wel voldoende in de gaten hadden dat zij eindverantwoordelijk zijn voor het plaatsen
van trapliften. Gemeenten moeten daarvan doordrongen zijn en de juiste regels volgen.
De ombudsman riep de staatssecretaris op om gemeenten te wijzen op hun verantwoordelijkheid.
De staatssecretaris heeft nog niet geantwoord.
Uit de praktijk van de Nationale ombudsman
Leverancier plaatst traplift aan de verkeerde kant, gemeente controleert niet
In de woning van mevrouw Plasman11 zou een traplift worden geplaatst. Aan de muurzijde, want de apparatuur van de leverancier
kon de stijging en helling aan de spilzijde niet aan. De adviseur van de leverancier
tipte haar over een concurrent van wie de apparatuur dit wél kan. Mevrouw Plasman
nam daarna contact op met de gemeente, in de hoop en overtuiging dat ze gemeenschapsgeld,
energie en tijd kon besparen en direct de juiste installatie kon laten plaatsen. Mevrouw
Plasman gaf aan dat ze zorgen had over leuningen die zouden worden verwijderd, over
de vluchtroute en over de sterk verschoven klimlijn voor lopende trapgebruikers.
Maar de gemeente maakte duidelijk nooit controles uit te voeren. «Als de trapliftleverancier
een afspraak maakt voor plaatsing, voldoet deze situatie altijd aan de regelgeving»,
zo reageerde de beleidsafdeling toen de Wmo-medewerker deze zorgen intern aan de orde
stelde. De Wmo-medewerker adviseerde mevrouw Plasman hierop om de installatie te laten
plaatsvinden (waartegen zij bezwaar kon maken).
Na plaatsing bleken de zorgen van mevrouw Plasman terecht; de traplift voldeed niet.
Zij nam opnieuw contact op met de gemeente en vroeg wanneer controle zou worden uitgevoerd.
«Dat wordt nooit gedaan», was de reactie. Mevrouw Plasman is van mening dat de partijen
niet van elkaar weten wat er is afgesproken: «De gemeente besteedt uit aan de partner,
die vervolgens de vrijheid krijgt om dingen (niet) te doen. Bij het aan de bel trekken
en bespreekbaar maken van situaties, stelt de gemeentemedewerker dat het niet zijn
rol is.» Mevrouw Plasman, als aanvrager van de Wmo-voorziening, vindt dat het ook
niet haar rol is, want zij is geen contractpartij.
1.6.4.2. Onbetrouwbare bezorging van overheidspost
De postbezorging wordt minder betrouwbaar. Dat leidt ertoe dat brieven van overheidsorganisaties
als de Belastingdienst, het Openbaar Ministerie en gemeenten te laat of zelfs niet
aankomen. Voor burgers kan dat schrijnende gevolgen hebben, zoals een dwangbevel ontvangen
zonder ooit een aanmaning te hebben gekregen. Of niet kunnen stemmen omdat de stempas
te laat of niet aankomt. Klachten hierover vonden geen of een gebrekkig gehoor bij
overheidsorganisaties en postbezorger PostNL. De Nationale ombudsman roept de overheid
op haar verantwoordelijkheid te nemen.
«De overheid blijft verantwoordelijk voor de postbezorging, ook wanneer ze dit door
PostNL laat uitvoeren. Dus óf de overheid zorgt dat de post goed aankomt, óf de overheid
helpt de burger die hierdoor in de knel komt. Zo simpel is het.»
Reinier van Zutphen
De Nationale ombudsman ontving in 2025 klachten over organisaties als het CJIB, het
Openbaar Ministerie, de rechtspraak, de IND, het UWV, de SVB, de Belastingdienst en
gemeenten. Brieven van deze instellingen kwamen te laat of zelfs nooit aan. Burgers
klaagden niet alleen over de gebrekkige postbezorging zelf, maar ook over de manier
waarop klachten daarover werden afgehandeld: overheidsorganisaties en PostNL namen
in een aantal gevallen geen verantwoordelijkheid. Overigens bleken ook overheidsorganisaties
zelf klachten te hebben over nalatigheid in de postbezorging.
De ombudsman constateerde schrijnende situaties. Zo ontving een burger direct een
dwangbevel voor waterschapsbelasting, zonder ooit een aanmaning te hebben ontvangen.
Haar klacht werd door het waterschap niet in behandeling genomen. De reden? «Niet-ontvangen
post is geen gegronde reden voor een klacht.» Een andere burger ontving een belangrijke
uitspraak van de rechtbank pas nadat de beroepstermijn al gedeeltelijk was verstreken.
De rechtbank kon de burger bovendien geen informatie geven om te achterhalen waar
het poststuk was gebleven.
Onbetrouwbare postbezorging is een breder probleem. Want ook vanuit overheidsorganisaties
ontving de ombudsman hierover signalen. Zo werden bezwaarschriften niet binnen de
wettelijke termijn ontvangen, en kregen duizenden kiezers hun stempas voor de Tweede
Kamerverkiezingen te laat of helemaal niet.
De Nationale ombudsman heeft overheden opgeroepen hun verantwoordelijkheid te nemen
en burgers niet op te zadelen met de gevolgen van gebrekkige postbezorging. Zo’n gevolg
kan zijn dat de burger moet bewijzen dat hij geen post heeft ontvangen. In zijn brieven
aan de minister van Economische Zaken (verantwoordelijk voor de postmarkt), de minister
en staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris voor Rechtsbescherming
en alle grote uitvoeringsorganisaties, pleit hij voor een soepele omgang met termijnen,
en vraagt hij overheden om klachten over gebrekkige postbezorging beter te behandelen.
De Nationale ombudsman verzocht de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK) daarnaast schriftelijk om hier ook bij de uitvoeringsorganisaties op aan te
sturen.
In reactie op vragen van Tweede Kamerleden over dit onderwerp antwoordde de minister
van Economische Zaken (ook namens de minister van BZK) dat hij de problemen in de
postmarkt én het belang van een goede bezorging van overheidspost erkent. De Nationale
ombudsman heeft van de ministeries nog geen inhoudelijke reactie op zijn brieven ontvangen.
1.6.4.3. De rol van digitalisering in klachtbehandeling, beleid en media
De Nationale ombudsman vraagt geregeld op eigen initiatief aandacht voor structurele
problemen bij de overheid. Een van die structurele vraagstukken is digitalisering.
De overheid zet op grote schaal digitale technologie in om haar dienstverlening te
verbeteren. In veel gevallen maakt dit de overheid eenvoudiger en efficiënter. Maar
digitalisering kan er ook toe leiden dat burgers niet krijgen waar zij recht op hebben.
Denk aan problemen met online formulieren, gebrekkige motivatie bij geautomatiseerde
beslissingen, discriminatie als gevolg van de inzet van kunstmatige intelligentie
of onvoldoende bescherming tegen schadelijke online content.
De ombudsman wil hier meer grip op krijgen, en onderzoekt daarom binnen de eigen organisatie
welke rol digitalisering speelt in de klachten en hoe klachtbehandelaars hiermee kunnen
omgaan. Buiten de organisatie wordt in kaart gebracht welke thema's spelen op het
vlak van digitalisering in beleid en media, en hoe andere organisaties hiermee aan
de slag zijn. Ook kijken we hoe de Nationale ombudsman hierop vanuit zijn missie,
visie en mandaat kan inspelen.
1.6.4.4. Meer aandacht voor Q-koortspatiënten
De Nationale ombudsman vroeg al in 2012, 2017 en 2024 aandacht voor de situatie van
Q-koortspatiënten. Een van zijn aanbevelingen was dat de overheid vanwege haar bijzondere
verantwoordelijkheid excuses zou moeten maken aan deze groep patiënten.
«Sorry zeggen is ook erkennen dat mensen dit is overkomen en dat er nu een verantwoordelijkheid
bij de overheid ligt om ervoor te zorgen dat er iets gedaan wordt aan het leed dat
mensen nu nog ervaren.»
Reinier van Zutphen
Verder benadrukte de ombudsman het belang van een gespecialiseerd expertisecentrum
voor Q-koortspatiënten in de regio. De overheid bleef er echter bij dat zij tijdens
de Q-koortsepidemie (2007–2010) niet onrechtmatig heeft gehandeld. Ook in 2025 bleven
excuses uit. Wel kwam er meer aandacht voor Q-koortspatiënten. In antwoord op de oproep
van de ombudsman om naast de patiënt te gaan staan en te zoeken naar de best mogelijke
oplossingen, stelde de minister van VWS in 2025 een Q-koortsambassadeur aan. Deze
kreeg de opdracht om binnen een jaar te zorgen dat iedere Q-koortspatiënt zich gehoord
voelt en merkt dat er aan zijn of haar problematiek wordt gewerkt. Dit alles om de
kwaliteit van leven voor deze mensen te verbeteren.
Verder stelde nazorgorganisatie Q-support de Handreiking postinfectieuze aandoeningen
op. Die heeft als doel de kennis over Q-koorts bij gemeenten verder te vergroten,
en meer gelijkheid te krijgen in de manier waarop gemeenten ondersteuning aan Q-koortspatiënten
geven.
Op 4 september 2025 nam de Nationale ombudsman deel aan een symposium over Q-koorts
in het Provinciehuis in Noord-Brabant. Hier werd de Q-koortsambassadeur voorgesteld
en werd de handreiking aan gemeenten gepresenteerd. De ombudsman vroeg de overheid
nogmaals aandacht voor zijn aanbevelingen. Daarbij riep hij de nieuwe minister van
VWS op om alsnog excuses te maken.
Op 16 oktober 2025 bezochten medewerkers van de Nationale ombudsman het ministerie
van VWS om verder te praten over de opvolging van de aanbevelingen. Dit leidde niet
tot excuses, maar snel daarna, op 5 november, bracht de minister van VWS als eerste
minister ooit een bezoek aan Q-koortspatiënten in Noord-Brabant. Hij luisterde daar
naar hun verhalen en ervaringen.
Ook de ombudsman keerde terug naar Noord-Brabant, dit keer voor een bestuurdersbijeenkomst
op 22 oktober 2025. Deze bijeenkomst was de afsluiting van zijn provincietour in Brabant
eerder dat jaar, waarbij hij in meerdere gemeenten aandacht vroeg voor het lot van
de Q-koortspatiënten. Tijdens de bestuurdersbijeenkomst herhaalde hij deze boodschap.
Intussen stelden de provincie Noord-Brabant en Brabantse gemeenten zélf geld beschikbaar
voor het oprichten van een behandelcentrum voor Q-koorts en post-covid in de eigen
regio. Het behandelcentrum gaat zich vooral richten op symptoombestrijding en verbetering
van de kwaliteit van leven.
De ombudsman deed ook de aanbeveling om te zorgen voor een blijvend aanspreekpunt
voor patiënten. Maar het ministerie van VWS informeerde de Tweede Kamer op 28 november
2025 over de aankomende afbouw van een groot deel van de taken van de door VWS gesubsidieerde
nazorgorganisatie Q-support. De inzet van deze organisatie was dat patiënten de benodigde
ondersteuning zouden gaan ontvangen binnen de reguliere structuren van het zorg- en
welzijnsdomein. Het ministerie gaf aan dat daar hard aan wordt gewerkt. De minister
verwees daarbij ook naar de acties van het ministerie van SZW om de kennis over Q-koorts
en andere «moeilijk objectiveerbare aandoeningen» bij UWV-verzekeringsartsen te vergroten.
Vandaar dat vanaf 2027 de activiteiten van Q-support vooral betrekking zullen hebben
op scholing van zorg- en welzijnsprofessionals en het informeren van patiënten.
De Nationale ombudsman blijft ook in 2026 volgen hoe de omgang van de overheid met
Q-koortspatiënten zich ontwikkelt.
1.6.4.5. Volledig digitale tolheffing kan negatief uitwerken voor burgers
Sinds de opening van de Blankenburgtunnel in de A24 tussen Rotterdam en Vlaardingen
betalen weggebruikers tol voor gebruik van deze tunnel. De tol bedraagt € 1,51 per
rit. De inning verloopt volledig digitaal. Het systeem heet e-tol. Gebruikers van
de tunnel kunnen een abonnement afsluiten, of binnen 72 uur na hun rit online met
iDeal of creditcard betalen.
In het eerste jaar na opening in december 2024 werd er bij niet tijdige betaling gratis
een fysieke betalingsherinnering verstuurd. Sinds december 2025 wordt er € 9 aan herinneringskosten
in rekening gebracht. Reageert de weggebruiker ook niet op tijd op deze herinnering,
dan volgt een boete van € 35. Sinds de invoering van de kosten voor een betalingsherinnering
ziet de Nationale ombudsman het aantal klachten over de tolheffing stijgen.
In een gesprek met de commissie Digitale Zaken van de Eerste Kamer noemde de Nationale
ombudsman e-tol als een voorbeeld van hoe digitalisering soms negatief voor burgers
kan uitwerken. Niet iedereen kan immers overweg met digitale systemen en niet iedereen
heeft toegang tot internetbankieren. Digitalisering kan daarom tot uitsluiting leiden:
toegang tot deze voorziening wordt voor sommige burgers beperkt.
Ook kan volgens de ombudsman de vraag worden gesteld of de manier van tolheffing in
overeenstemming is met de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Die vereist namelijk dat
er voor burgers altijd een papieren weg open blijft, tenzij wettelijk anders vastgelegd.
Ook stelt de Awb dat schulden aan de overheid via een bankoverschrijving plaatsvinden.
Dat is hier niet het geval.
De Nationale ombudsman uitte verder in de media zorgen over de verhouding tussen het
tolbedrag van € 1.51 en de aanmaningkosten en boetes. Daarnaast hadden medewerkers
van de Nationale ombudsman contact met de RDW en het ministerie van IenW en gaven
zij input voor de invoeringstoets van de e-tol. De Nationale ombudsman blijft de ontwikkelingen
in 2026 volgen.
1.6.5. Leefbaarheid
Veranderingen in de omgeving waar burgers wonen, werken en leven, hebben impact op
hun dagelijks leven. Vaak speelt de overheid een grote rol in de verandering van die
omgeving. Daarom vindt de Nationale ombudsman het belangrijk dat de overheid het belang
van burgers vooropstelt. Wat mag de burger van de overheid verwachten bij een verandering
in de omgeving? En wat doet de overheid als het niet goed gaat? De Nationale ombudsman
hield zich dit jaar bezig met de gevolgen van de gaswinning in Groningen en Noord-Drenthe
en ging met de waterschappen in gesprek over een behoorlijke schadeafhandeling bij
dijkversterkingsprojecten. We keken naar de schadeafhandeling voor bewoners rondom
het kanaal Almelo-De Haandrik en naar de invoering van de nieuwe Omgevingswet. De
ombudsman luidde daarnaast de noodklok over de gezondheid van omwonenden van de vuilstort
bij Lagun op Bonaire.
1.6.5.1. Gevolgen van gaswinning in Groningen en Noord-Drenthe
Inwoners van Groningen en Noord-Drenthe die zijn getroffen door de gevolgen van de
gaswinning in het gebied kunnen bij de Nationale ombudsman terecht als zij problemen hebben met de afhandeling van hun schademelding of de versterking van hun huis. Het is belangrijk dat ze daarvoor
zo veel mogelijk en laagdrempelig in hun eigen omgeving terecht kunnen, liefst bij
mensen die ze kennen en vertrouwen.
De ombudsman vindt het daarom belangrijk om in het gebied goed zichtbaar te zijn.
Medewerkers van de Nationale ombudsman werken vanuit een eigen kantoor in Groningen
voor bewoners van het aardbevingsgebied, en dragen bij aan bewonersoverleggen en informatiemarkten
die in het aardbevingsgebied worden gehouden. Ook hebben ze contact met dorpsoverleggen
en klankbordgroepen. Dit helpt om te bepalen hoe de Nationale ombudsman zich het best
voor de inwoners kan inzetten.
In 2025 ontving de Nationale ombudsman 98 verzoeken van bewoners in het aardbevingsgebied
over schade-afhandeling en versterking. Van deze verzoeken gingen er 51 over het handelen
of nalaten van handelen van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en 40 over het
handelen of nalaten van handelen door het Insituut Mijnbouwschade (IMG).
De ombudsman en zijn medewerkers bezochten het gebied in 2025 en bespraken de problemen
met bewoners en met organisaties die werken voor door aardbevingen getroffen bewoners
en ondernemers. Ze lieten zich informeren door inwonersondersteuners, consulenten
en aardbevingscoaches van verschillende gemeenten. Ze maakten kennis met het Ondersteunend
Bureau Gaswinning (OBG), dat de provincies en de gemeenten in het gebied ondersteunt
in het overleg met het Rijk. Verder werd gesproken met inwoners, wetenschappers en
belangenbehartigers. In Noord-Drenthe sprak de Nationale ombudsman met bewoners van
het dorp Ekehaar over hun ervaringen met schadeafhandeling door de Commissie Mijnbouwschade.
Medewerkers spraken ook met klankbordgroepen van bewoners voor de dorpenaanpak in
de Groninger dorpen Wirdum, Leersum, Garrelsweer en Zeerijp (gemeente Eemsdelta).
De medewerkers willen signalen zo op tijd herkennen en onder de aandacht brengen bij
de (eind-)verantwoordelijke voor de uitvoering. In juni 2025 is de dorpenaanpak geëvalueerd
in opdracht van de «stuurgroep dorpenaanpak» (gemeente Eemsdelta, NCG en ministerie
van BZK). De Nationale ombudsman herkent zich in de conclusies van de evaluatie. In
2026 houdt de ombudsman dit in de gaten om te kijken of de geleerde lessen en de aanbevelingen
uit de evaluatie tot (blijvende) verbetering binnen de dorpenaanpak en de bredere
versterkingsoperatie leiden.
1.6.5.2. Nieuwe adviezen voor het kanaal Almelo-de Haandrik
De schadeafhandeling in het gebied rond het kanaal Almelo-De Haandrik is nog steeds
voor verbetering vatbaar. Dat constateerde de Nationale ombudsman na bezoeken aan
het gebied. Hij schreef hierover opnieuw een brief aan de betrokken gedeputeerde.
Daarin adviseert hij onder meer excuses aan te bieden aan de inwoners van het schadegebied,
maar ook om richtlijnen op te stellen om bij (vermoedens van) nieuwe schade proactief
te kunnen optreden.
De Nationale ombudsman volgt sinds februari 2023 de schadeafhandeling nabij het kanaal
Almelo-De Haandrik in Overijssel, naar aanleiding van klachten die hij hierover in
de maanden daarvoor ontving. In het kanaalgebied zijn ruim 400 woningen beschadigd,
nadat in opdracht van de provincie Overijssel werkzaamheden aan het kanaal zijn uitgevoerd.
De ombudsman sprak regelmatig met bewoners, hun vertegenwoordigers en de provincie
Overijssel, die verantwoordelijk is voor de schadeafhandeling.
In mei 2025 bracht de ombudsman meerdere huisbezoeken aan bewoners. Een aantal bewoners
deed ook hun verhaal in een groepsgesprek met de ombudsman. Verder sprak de ombudsman
met de provincie, bewonersvertegenwoordigers en met het bestuurlijke kopstuk dat is
aangesteld om de afhandeling van schade vlot te trekken. In september 2025 stuurde
de ombudsman opnieuw een brief aan de gedeputeerde die verantwoordelijk is voor de
schadeafhandeling. Daarin gaven we zeven adviezen, gericht op het verbeteren van de
schadeafhandeling, het wegnemen van zorgen van bewoners en het herstel van de relatie
tussen bewoners en provincie.
De provincie gaat in de toekomst nieuwe werkzaamheden verrichten aan het kanaal. De
Nationale ombudsman adviseerde daarom ook om richtlijnen op te stellen om bij (vermoedens
van) nieuwe schade proactief te kunnen optreden. Daarnaast adviseerden we de provincie
om excuses te maken aan alle inwoners van het schadegebied, en daarover in overleg
te gaan met (vertegenwoordigers van) bewoners.
In december 2025 volgde een reactie van Gedeputeerde Staten (GS) van Overijssel. Daarin
geven GS aan de adviezen van de Nationale ombudsman ter harte te nemen. De provincie
zal onder meer in gesprek gaan met bewoners over het aanbieden van een passend excuus.
1.6.5.3. Risico’s voor gezondheid en milieu door vuilstort op Bonaire
De leefbaarheid van de omwonenden en medewerkers van afvalverwerker Selibon bij de
vuilstort bij Lagun op Bonaire is nog steeds in het geding. Dat constateerde de Nationale
ombudsman tijdens zijn bezoek op 11 september 2025 aan het gebied. De rook, stank
en voortdurende onzekerheid drukken zwaar op de betrokkenen. De risico’s voor gezondheid
en milieu zijn onaanvaardbaar. Het is genoeg geweest: er moet echt een einde komen
aan deze praktijk. Het kan en mag niet zo zijn dat wat in Europees Nederland ondenkbaar
is, in Caribisch Nederland wel gebeurt.
Een uitgebreid verslag van de situatie en de Kamerbrief die we hierover schreven staat
in paragraaf 1.7 over Caribisch Nederland.
1.6.5.4. Schadeafhandeling bij dijkversterkingsprojecten
In 2025 ging de Nationale ombudsman met de waterschappen in gesprek over twee vragen.
De eerste vraag: hoe kan en moet schade als gevolg van dijkversterkingsprojecten behoorlijk
worden afgehandeld? De tweede vraag: hoe zijn discussies over schadeafhandeling met
burgers te voorkomen?
De Nederlandse waterschappen zijn medeverantwoordelijk voor de uitvoering van het
Hoogwaterbeschermingsprogramma, waarvoor veel dijken moeten worden versterkt. De Nationale
ombudsman weet uit zijn klachtenpraktijk dat zulke grootschalige en complexe werkzaamheden
in de praktijk soms tot grote schade leiden, ondanks goede voorbereidingen. Wanneer
schade niet kan worden voorkomen, is het belangrijk om deze goed en netjes af te handelen.
De ombudsman organiseerde in 2025 twee workshops met medewerkers van waterschappen,
waarin de huidige en gewenste schadeafhandeling aan bod kwam. Ook spraken we met bestuurders
van de Unie van Waterschappen en van verschillende waterschappen over hun visie op
schadeafhandeling.
De waterschappen lichtten uitgebreid toe wat ze al doen om schade te voorkomen. Zij
gaven ook aan dat ze graag leren van elkaar en van de Nationale ombudsman. Ook hebben
ze behoefte aan handvatten voor hoe ze kunnen omgaan met de lastige dilemma's die
ze soms in de praktijk tegenkomen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om woningen op en
naast dijken, een samenloop van werkzaamheden in opdracht van verschillende overheden
of een samenloop van verschillende opgaven in één gebied.
De Nationale ombudsman constateerde op basis van de gesprekken dat waterschappen al
veel doen om schade te voorkomen, dat ze een open houding hebben en bereid zijn van
elkaar en anderen te leren. Ook bleek dat waterschappen behoefte hebben aan gedeelde
uitgangspunten en principes, die houvast kunnen geven bij schadeafhandeling in de
toekomst.
De ombudsman besloot het project voort te zetten, met als doel om in 2026 in samenspraak
met de waterschappen tot een product te komen waarin deze uitgangspunten en principes
worden vastgelegd.
1.6.5.5. De Omgevingswet
De Nationale ombudsman volgt sinds de invoering ervan op 1 januari 2024 de ontwikkelingen
rond de Omgevingswet. In 2025 leverde monitoring van die ontwikkelingen een aantal
knelpunten op. Deze punten zijn al goed in beeld bij de verantwoordelijke partijen,
die daar ook al werk van maken. De ombudsman zag daarom geen aanleiding om met een
publicatie aandacht voor de knelpunten te vragen.
Om een beter beeld te krijgen van de werking van de Omgevingswet in de praktijk, en
dan vooral het effect ervan op burgers, analyseerden we ons eigen klachtenbestand
en verdiepten we ons in verschillende monitorings- en evaluatierapporten, zoals die
van de Evaluatiecommissie Omgevingswet, de VNG en het ministerie van BZK. Ook spraken
we met verschillende experts en professionals die zich bezighouden met (gevolgen van)
de Omgevingswet, zoals de regeringscommissaris Omgevingswet, Vereniging Eigen Huis
en Omgevingsdienst NL. Tot slot woonde de ombudsman een gebruikerssessie bij van gebruikers
van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
De ombudsman ziet dat een aantal knelpunten die hij signaleert ook in rapporten worden
beschreven. Daar maken we uit op dat deze knelpunten goed in beeld zijn bij de partijen
die ermee aan de slag moeten (vooral de ministeries van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening en van Infrastructuur en Waterstaat) en dat er aan verbetering wordt gewerkt.
Het gaat daarbij onder meer om de gebruiksvriendelijkheid van het DSO en de verzwaring
van de toezicht- en handhavingstaak van Omgevingsdiensten.
De ombudsman zag in 2025 geen aanleiding om met een publicatie aandacht te vragen
voor knelpunten. Daar komt bij dat er in 2025 niet meer klachten over de Omgevingswet
waren dan in het jaar ervoor. We nemen ons voor om de Omgevingswet ook in 2026 te
volgen, op een manier die vergelijkbaar is met 2025. De monitoring in 2025 droeg vooral
bij aan inzicht in de achtergrond van klachten en signalen. Klachten die in 2026 binnenkomen,
kunnen we zo makkelijker duiden en op een passende manier afhandelen.
Uit de praktijk van de Nationale ombudsman
Gemeente maakt verwachting over ligplaats niet waar
Een man woont in een plaats met een haven. Hij hoort over de bouw van een nieuwbouwwijk
bij die haven, waar dan ook de mogelijkheid komt voor ligplaatsen voor boten, dicht
bij de woningen. Hij wil graag een woning met ligplaats vlakbij. Voordat hij de woning
koopt, doet hij navraag bij de gemeente over het verkrijgen van de ligplaats. Op basis
van de mondelinge en schriftelijke reactie én het op dat moment gehanteerde beleid
gaat de man ervan uit dat hij een ligplaats toegezegd heeft gekregen bij zijn nieuwe
woning. Hij koopt de woning.
Maanden later is hij op een bijeenkomst waar de gemeente aankondigt de verdeling van
ligplaatsen anders te gaan doen voor het deel van de nieuwbouwwijk waar de man een
huis heeft gekocht, namelijk met een lotingssysteem. Hij reageert meteen door aan
te geven dat hij daar niet aan mee hoeft te doen, omdat hij al een ligplaats toegezegd
heeft gekregen. De gemeente geeft echter aan dat daarvan geen sprake is.
Dit leidt tot een gesprek en later een klacht bij de gemeente, maar de gemeente blijft
bij haar standpunt dat aan de man geen ligplaats is toegekend.
De man dient vervolgens een klacht in bij de Nationale ombudsman, die onderzoek doet
naar de klacht van de man over de vermeende toezegging en het intrekken daarvan.
De ombudsman concludeert dat de klacht van de man gegrond is. De gemeente heeft door
haar uitingen, in combinatie met het eerder geldende beleid, de gerechtvaardigde verwachting
gewekt dat de man met voorrang aanmerking kwam voor een ligplaats. Daarom beveelt
de ombudsman de gemeente aan om te zoeken naar een passende oplossing die recht doet
aan de gewekte verwachting rondom de toewijzing van een ligplaats.
1.7. Caribisch Nederland
De drie bijzondere gemeenten, Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (samen Caribisch Nederland),
behoren ook tot het werkgebied van de Nationale ombudsman. Bewoners van deze gemeenten
kunnen bij ons terecht als zij klachten hebben over de overheid. Hieronder valt ook
het lokaal bestuur: de openbare lichamen. Burgers die hierover een klacht willen indienen,
hebben een bijzondere positie, omdat zij – anders dan in Europees Nederland – direct
bij de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman terechtkunnen. Zij hoeven niet eerst
een klacht in te dienen bij het openbaar lichaam zelf. Onze medewerkers bezoeken de
eilanden twee tot drie keer per jaar. Daar houden zij spreekuren, waarin burgers hun
klachten ook mondeling kunnen indienen. De klachten gingen het afgelopen jaar onder
meer over het uitblijven van een reactie door de overheid bij aanvragen van erfpacht,
bouwvergunningen en omzetting van huurgrond. En over het uitblijven van een reactie
bij klachten in het algemeen, afvalproblemen, illegale afgraving van gesteente (diabaas),
de politie en de zorg op de eilanden. De ombudsman deed onderzoek naar negen langlopende
klachten over de directie Ruimte en Ontwikkeling van het Openbaar Lichaam Bonaire
(OLB). Daaruit volgde het rapport «Doorbreek de stilte!». Daarin roept de ombudsman het OLB op de dienstverlening aan de inwoners aanzienlijk
te verbeteren.
Cijfers Caribisch Nederland
Van de 23.001 vragen en klachten die de Nationale ombudsman in 2025 ontving, kwamen
er 139 (247 in 2024) uit Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Een oorzaak van deze afname
is dat de Nationale ombudsman in 2025 minder spreekuren heeft gehouden. Twee onderzoeken
zijn afgerond met de rapporten «Doorbreek de stilte!» en «Het Openbaar Lichaam Bonaire schoot tekort na melding illegale afgraving met diabaas». Van de 139 binnengekomen verzoeken gingen er 49 (76 in 2024) over het OLB. Er kwamen
vijf verzoeken binnen over het Openbaar Lichaam Sint-Eustatius (zes in 2024). Over
het Openbaar Lichaam Saba ontvingen we twee verzoeken (vijf in 2024). Verder gingen
zeven verzoeken over het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN). Ook kregen we 21
klachten over Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) op de eilanden.
De andere verzoeken gingen over ministeries of zelfstandige bestuursorganen (zbo’s),
of over organisaties die buiten de bevoegdheid van de Nationale ombudsman vallen.
De ombudsman onderzocht negen langlopende klachten over de directie Ruimte en Ontwikkeling
van het OLB – deze klachten gingen allemaal over onduidelijkheid over hoe een aanvraag
of verzoek wordt behandeld. Zeven inwoners deden bij het OLB een aanvraag voor een
stuk grond, in erfpacht of huurgrond, voor bewoning of commerciële doeleinden. Twee
inwoners dienden een verzoek in dat ging over (slecht) onderhoud aan de openbare weg
naar hun woning of perceel.
Klachtbehandeling en dienstverlening door het OLB
De inwoners kregen van het OLB geen duidelijke informatie over hoe hun aanvraag of
verzoek wordt behandeld. Hierdoor zitten zij al lange tijd in onzekerheid. Dit heeft
veel impact op hun leven en hun plannen voor de toekomst. De ombudsman wil dat duidelijk
wordt wat de inwoners van het OLB kunnen verwachten. Ook wil de ombudsman dat de dienstverlening
van het OLB verder verbetert, zodat andere inwoners niet tegen dezelfde problemen
aanlopen.
Op basis van het verrichte onderzoek vindt de ombudsman de klachten terecht. De inwoners
zijn niet goed geïnformeerd en op de hoogte gehouden over de behandeling van hun aanvraag
of verzoek. Wanneer de inwoners zelf contact opnamen met het OLB, kregen zij ook geen
duidelijkheid. De reacties vanuit het OLB waren wisselend. In sommige gevallen kwam
er geen of niet op tijd een reactie. Maar ook gaf het OLB onvolledige, onjuiste of
tegenstrijdige informatie. Wanneer inwoners een klacht indienden bij het OLB (via
de ombudsman), leidde dit niet tot een oplossing en/of duidelijkheid.
Doordat de inwoners lang moeten wachten op de behandeling van hun aanvraag of verzoek
en maar geen duidelijkheid krijgen over wat zij kunnen verwachten van het OLB, voelen
de inwoners zich niet serieus genomen. Het vertrouwen in het OLB neemt daardoor af.
De ombudsman heeft begrip voor de lastige omstandigheden, zoals personeelstekorten
en een snelgroeiende bevolking, die de uitvoeringstaken van het OLB moeilijk maken.
Maar de ombudsman vindt niet dat deze omstandigheden het gebrek aan goede informatieverstrekking
en voortvarendheid rechtvaardigen. We verwachten van de overheid, en dus ook van het
OLB, dat zij haar zaken op orde heeft en de burger centraal stelt.
Concreet betekent dit dat het OLB een aanvraag, verzoek of klacht zo snel en slagvaardig
als mogelijk behandelt. Dat het burgers actief informeert over hoe en binnen welke
termijn afhandeling zal plaatsvinden. En dat burgers een ontvangstbevestiging krijgen
met informatie over de behandelduur en de behandelende afdeling en/of medewerker.
Wordt een termijn niet gehaald, dan moet het OLB een tussenbericht sturen met uitleg
over de vertraging en een nieuwe termijn geven waarbinnen een besluit wordt genomen
of een reactie wordt gegeven. Verder moet het OLB zorgen voor een goede registratie
en voortgangsbewaking van alle aanvragen, verzoeken en klachten.
Leefomstandigheden migranten zonder verblijfsvergunning op Bonaire
In een brief van 16 december 2025 wijst de Nationale ombudsman op de slechte leefomstandigheden
van migranten zonder verblijfsvergunning op Bonaire. De ombudsman deed onderzoek op
Bonaire nadat eerder de ombudsman van Curaçao en Amnesty International hun zorgen
hadden geuit over de leefomstandigheden van migranten zonder verblijfsvergunning op
Curaçao.
Om de situatie van deze groep migranten op Bonaire in kaart te brengen, brachten medewerkers
van de ombudsman meerdere bezoeken aan het eiland. Hier kwam het volgende beeld naar
voren: Bonaire is een klein eiland met een grote vraag naar werknemers in met name
de bouw, techniek en horeca. De Bonairianen kunnen aan die vraag onvoldoende voldoen.
Migranten, waaronder migranten zonder verblijfsvergunning, zijn daarom een welkome
aanvulling op de plaatselijke arbeidsmarkt.
Omdat deze groep mensen vaak volledig afhankelijk is van de werkgever, komt arbeidsuitbuiting
(lange werktijden, niet of niet alles uitbetaald krijgen, laag uurloon) helaas voor.
Voor huisvesting worden vaak veel te hoge huren gevraagd. Laagdrempelige en begrijpelijke
informatie over rechten en plichten is er niet. Medische zorg is voor deze groep migranten
ook moeilijk toegankelijk. De noodzakelijke zorg wordt wel geleverd, alleen kan deze
vaak niet worden betaald. Deze situatie duurt maar voort zonder dat daar verbetering
in komt.
Het beleid voor de komende jaren richt zich vooral op het voorkomen van illegaal verblijf,
maar er is geen duidelijke visie op hoe om te gaan met de migranten zonder verblijfsvergunning
die al werken en leven op Bonaire. In de beleidsinzet ziet de Nationale ombudsman
niet terug wat de overheid tegen misstanden gaat doen en hoe de positie en leefomstandigheden
van deze mensen kunnen worden verbeterd.
Hij doet daarom de volgende oproep aan de minister van BZK:
• Zorg dat mensen zonder legale status, die nu op Bonaire verblijven en die arbeid leveren
die niet door eilandbewoners kan worden geleverd, de kans krijgen hun verblijf op
Bonaire te legaliseren.
• Breng de beleidsinzet in balans. Zet naast het voorkomen en bestrijden van illegaal
verblijf ook in op het beschermen van en hulp bieden aan mensen die leven onder mensonwaardige
omstandigheden.
De minister heeft nog niet gereageerd op de oproep van de ombudsman.
Genoeg geweest: er moet nu een einde komen aan de vuilstort bij de landfill op Bonaire
Tijdens zijn bezoek op 11 september 2025 aan de vuilstort bij Lagun op Bonaire (hierna:
de landfill) sprak de Nationale ombudsman met omwonenden en de directie van afvalverwerker
Selibon. De rook, de stank en de voortdurende onzekerheid drukken zwaar op omwonenden
en de medewerkers van Selibon die op de landfill werken. In september 2025 schreef
de ombudsman een brief aan de vaste Kamercommissie Koninkrijksrelaties om de ernst
van de situatie te onderstrepen en deze opnieuw onderwerp van gesprek in de Kamer
te maken. In het daaropvolgende Kamerdebat dienden de Kamerleden Bruyning en White een motie in waarin de Nationale ombudsman
werd aangehaald. In deze motie vroegen ze de regering om in overleg met het eilandbestuur
zo snel mogelijk de landfill te sluiten en te zorgen dat er een hersteloperatie komt.
De motie werd aangenomen.
«Het kan en mag niet zo zijn dat wat in Europees Nederland ondenkbaar is, in Caribisch
Nederland wel gebeurt.»
De landfill is nog altijd zonder vergunning in gebruik. Er zijn regelmatig branden
en er zijn schadelijke stoffen gevonden in lucht, bodem en zee. De Inspectie Leefomgeving
en Transport (ILT) noemt de situatie urgent en zorgwekkend; het Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Wageningen University bevestigen de risico’s voor
gezondheid en milieu. Toch wordt er nog steeds afval gestort. Ondertussen ervaren
gezinnen gezondheidsproblemen, ouders geven aan dat hun kinderen niet buiten kunnen
spelen, ze maken extra kosten om veilig binnen te blijven en er is geen toekomstperspectief.
De stress en onzekerheid grijpen diep in op het gezinsleven. Het is genoeg geweest:
er moet nu een einde komen aan deze praktijk. Het kan en mag niet zo zijn dat wat
in Europees Nederland ondenkbaar is, in Caribisch Nederland wel gebeurt.
De ombudsman heeft klachten ontvangen die duidelijk maken dat burgers zich niet gehoord
voelen, nadat zij al jaren in deze omstandigheden leven of hebben geleefd. De situatie
is zo ernstig dat de overheid onmiddellijk moet handelen. Het is tijd dat de overheid
luistert naar burgers die willen weten hoe het met hun gezondheid gesteld is.
De situatie wordt verder verslechterd doordat het niet goed gaat met afvalverwerker
Selibon. Het bedrijf heeft niet het materieel en de middelen om zijn publieke taak
op een verantwoorde manier uit te voeren. Als Selibon moet stoppen, levert dat een
risico op voor de gezondheid van alle bewoners van Bonaire.
Naast het onmiddellijk staken van de vuilstort is een hersteloperatie nodig. Gericht
op wat omwonenden van de landfill nu nodig hebben: erkenning van hun zorgen, zicht
op gezondheid en een leefomgeving waarin zij hun kinderen veilig kunnen laten opgroeien.
Er moet hierbij ook aandacht zijn voor voormalige omwonenden. Ons onderzoek «Herstel bieden: een vak apart» geeft handvatten voor een behoorlijke hersteloperatie.
Dit onderwerp heeft de blijvende aandacht van de ombudsman. Als dat nodig is, zal
hij opnieuw en aanhoudend oproepen tot een oplossing voor deze pijnlijke situatie.
Uit de praktijk van de Nationale ombudsman
Openbaar Lichaam Bonaire schiet tekort na melding illegale afgraving met diabaas
Een inwoner van Bonaire ervaart overlast van het illegaal afgraven van grond met diabaas
rond haar huis. Diabaas is een grondstof die nodig is om wegen aan te leggen en huizen
te bouwen. Jarenlang was er geen beleid voor het winnen van diabaas. Door het afgraven
van deze grondstof ontstaan diepe gaten in de grond, waarin daarna illegaal afval
wordt gegooid. De inwoner deed melding van de overlast bij de directie Toezicht en
Handhaving (T&H) van het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB). Ze klaagde vervolgens bij
de Nationale ombudsman over de manier waarop het OLB met haar was omgegaan. T&H had
haar namelijk laten weten niets te kunnen doen tegen de illegale vuilstort zolang
er geen beleid was vastgesteld. De ombudsman bezocht, samen met de eilandsecretaris,
de locatie waar mevrouw over klaagde op 10 september 2025. Hij schrok van wat hij
daar zag: overal afval en grofvuil. In zijn rapport van 16 december 2025 concludeerde
hij dat het handelen van T&H niet behoorlijk was. De directie van het OLB nam niet
het initiatief om, in samenwerking met andere directies, of het Bestuurscollege van
het OLB, te onderzoeken wat mogelijk was in deze situatie. Verder vindt de ombudsman
het niet behoorlijk dat T&H het verzoek om schadevergoeding van deze burger afdoet
als een privaatrechtelijke kwestie, waarvoor zij niet bij T&H moet zijn. De ombudsman
deed daarom de aanbeveling aan het OLB om met een concreet voorstel te komen om het
verzoek om schadevergoeding goed af te handelen.
1.8. Internationale activiteiten
De Nationale ombudsman is ook internationaal actief. Hij verzamelt en deelt kennis
en ervaring met collega-ombudsmannen in Europa, maar ook daarbuiten. Dit brengt verdieping
aan in het dagelijkse werk van de ombudsman, waar ook de Nederlandse burger van profiteert.
In 2025 pleitte de ombudsman onder meer voor een krachtiger gebruik van de internationaal
erkende standaarden voor het ombudswerk. Hij organiseerde een «poldershop» over de
impact van het Europees Asiel- en Migratiepact op het werk van Europese ombudsmannen.
En versterkte de samenwerking met het Europese netwerk van mensenrechtenorganisaties.
Europese afdeling International Ombudsman Institute
De Nationale ombudsman is de Europese Regionale voorzitter van het International Ombudsman
Institute (IOI). Deze organisatie is belangrijk voor ombudsinstellingen in de wereld
en in Europa. Leden delen kennis en ervaring en de organisatie ondersteunt ombudsinstituten
in moeilijke situaties. Voor de Europese ombudsmannen organiseerde de Nationale ombudsman
in januari 2025 een training over aanhoudend en grensoverschrijdend klaaggedrag. De
training werd gegeven door medewerkers van de Nationale ombudsman.
Sinds 2019 is er een lijst van standaarden voor ombudsinstituten. De Venetië Commissie
heeft de regels vastgelegd en daarom heten deze standaarden de Venice Principles. Sinds 2019 is door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in drie resoluties
verwezen naar deze standaarden. De Venice Principles zijn dus internationaal erkende standaarden. Maar ze zijn niet voor iedereen duidelijk
en de Nationale ombudsman werkt daarom aan een samenwerking met de Venetië Commissie
om uitleg te geven over deze standaarden. Deze uitleg kan overheden helpen om de regels
voor hun ombudsorganisatie te verbeteren. Het geeft ombudsorganisaties ook de mogelijkheid
aan hun overheid uit te leggen hoe met de organisatie moet worden omgegaan.
Samen in het Koninkrijk
In 2025 waren de ombudsmannen van Aruba, Curaçao, Nederland en Sint-Maarten bij elkaar
in Den Haag. De ombudsmannen van het Koninkrijk spraken over hun werk en de uitdagingen
die zij tegenkomen. In de afgelopen tien jaar spraken zij elk jaar met elkaar. Omdat
de vier ombudsmannen het belangrijk vinden dat deze samenwerking in stand blijft,
hebben zij hun samenwerking nu vastgelegd in een protocol dat in november 2025 in
Den Haag werd ondertekend. Verder bespraken de ombudsmannen het oprichten en verder
ontwikkelen van de Kinderombudsman in de Koninkrijkslanden, de vuilverwerking in het
Caribisch deel van het Koninkrijk, toegang tot schoon drinkwater en de ervaringen
van jongeren als zij willen gaan studeren in Europees Nederland.
Samenwerking met de Griekse, Indonesische en Servische ombudsman
De Nationale ombudsman zette ook dit jaar zijn samenwerking met de Griekse ombudsman
voort. In november 2025 tijdens een bijeenkomst in Athene, mogelijk gemaakt door de
Nederlandse ambassade, bespraken beide ombudsmannen de invoering van het Europees
Asiel- en Migratiepact. Volgend jaar brengt een Griekse delegatie een bezoek aan Nederland
in het kader van strategieontwikkeling.
In december was een delegatie van de ombudsman uit Indonesië op bezoek. De Indonesische
organisatie draagt de naam «ombudsman» en er zijn negen ambtsdragers (commissioners).
De ombudsman werkt al meer dan tien jaar met de Indonesiërs samen. Het gesprek ging
vooral over het mandaat van de ombudsman: hoe gaat een organisatie er mee om als het
mandaat wordt uitgebreid met aanvullende taken, zodat overheden aan (internationale)
verplichtingen kunnen voldoen? Verder zijn afspraken gemaakt over de toekomstige samenwerking
met een nieuwe groep ambtsdragers die in 2026 aantreedt.
Ten slotte was er een laatste bijeenkomst in de samenwerking met de Servische ombudsman.
Het project is afgesloten met een conferentie in Belgrado. De afspraak is dat de beide
ombudsorganisaties met elkaar blijven samenwerken, net zoals zij sinds de oprichting
van de Servische organisatie hebben gedaan. Op de agenda voor 2026 staat de oprichting
van een vraagbaak voor de Servische ombudsman en de Servische lokale ombudsorganisaties.
Via deze vraagbaak kunnen Servische medewerkers met hun Nederlandse collega's kennis
en ervaring uitwisselen.
Poldershop Europees Asiel- en Migratiepact
Het Europees Asiel- en Migratiepact (hierna: Migratiepact) dat in 2026 ingaat, bevat
regels die in heel Europa gaan gelden. In zijn rol van IOI European Regional president organiseerde de ombudsman in februari 2025 een «poldershop» over de mogelijke gevolgen
van dit pact en de rol van de ombudsorganisaties.
Meer hierover staat in 1.6.1.8 Onderzoek naar en poldershops over Europees Migratie- en Asielpact.
Samenwerking in de Benelux
Op 22 en 23 september 2025 kwamen de ombudsmansinstellingen van de Benelux-landen
in Brussel bijeen voor hun jaarlijkse bijeenkomst. Zij bespraken daar onder meer het
recht van burgers om zich te mogen vergissen (droit à l'erreur). Het idee is dat burgers
verbeteringen in formulieren kunnen aanbrengen, zonder dat dit meteen betekent dat
zij fraude hebben gepleegd. Op de tweede dag van de bijeenkomst sloot een groep lokale
ombudsmannen uit België en Nederland aan.
Deze groep keek naar problemen waar burgers tegenaan lopen als zij niet wonen en werken
in hetzelfde land. Hoewel landsgrensoverschrijdende activiteiten passen in de samenwerking
tussen de Benelux-landen en ook in de EU als recht gelden, veroorzaken ze vaak uitdagingen
op het gebied van sociale zekerheid en pensioen. Burgers nemen dan vaak contact op
met ombudsmansorganisaties voor hulp. Deze landsgrensoverschrijdende zorgen zijn niet
uniek voor de Benelux, ze komen overal in de EU voor. Het is daarom nodig dat ombudsinstellingen
in verschillende lidstaten samenwerken en deze uitdagingen aanpakken. In de komende
jaren gaan de ombudsinstellingen van de Benelux dit samen doen.
Lokale ombudsmannen in Straatsburg
Op 12 en 13 maart 2025 brachten de Nationale ombudsman en lokale ombudsmannen een
werkbezoek aan Straatsburg. Dit gebeurde op uitnodiging van de Permanent Vertegenwoordiger
van Nederland bij de Raad van Europa. Doel van het bezoek was om meer te horen over
de relatie tussen de Raad van Europa en lokale ombudsmannen in Nederland. De delegatie
voerde gesprekken met Michael O'Flaherty, Mensenrechtencommissaris van de Raad van
Europa, Jolien Schukking, Nederlands rechter bij het Europese Hof voor de Rechten
van de Mens en met het Congres van Lokale en Regionale Overheden van de Raad van Europa.
Het bezoek leidde tot het voornemen om de samenwerking voort te zetten op de doorwerking
van mensenrechten op lokaal niveau. Dit hangt vooral samen met de werkzaamheden van
het Congres van Lokale en Regionale Overheden.
2. HET WERK VAN DE KINDEROMBUDSMAN
De Kinderombudsman zet zich in voor het naleven van kinderrechten in Europees en Caribisch
Nederland. De Kinderombudsman werkt aan veel verschillende onderwerpen. Daarbij staan
het welzijn en de ontwikkeling van het kind altijd centraal. Het Kinderrechtenverdrag
van de Verenigde Naties is het uitgangspunt in ons werk.
«De naleving van kinderrechten is te vrijblijvend en onvoldoende consistent. Die tekortkomingen
zien we in het welzijn van kinderen: onderzoek laat zien dat zij hun kwaliteit van
leven de afgelopen jaren lager beoordelen. Dat is een zorgwekkend signaal over hoe
wij als samenleving met kinderen omgaan. Investeren in de omstandigheden waarin zij
opgroeien is daarom hard nodig.»
Margrite Kalverboer
2.1. Missie en visie van de Kinderombudsman
De Kinderombudsman zet zich in voor de rechten van kinderen in Europees en Caribisch
Nederland. Wij geven gevraagd en ongevraagd advies over kinderrechten en we geven
uitleg aan anderen. Mensen die contact met ons opnemen, helpen we verder. Als dat
nodig is, doet de Kinderombudsman onderzoek.
We werken veel samen met kinderen en jongeren in ons werk. Zo laten we zien wat zij
belangrijk vinden en hoe zij hun situatie ervaren. Ons doel is dat alle kinderrechten
in Nederland altijd worden nageleefd. Deze rechten staan in internationale verdragen,
zoals het Kinderrechtenverdrag. Dit betekent dat alle kinderen in Europees en Caribisch
Nederland veilig moeten kunnen opgroeien, zonder geweld en in een omgeving die hen
helpt zich te ontwikkelen. Bij alle beslissingen moet het belang van kinderen en jongeren
voorop staan, en zij moeten gelijk worden behandeld. Hun mening telt.
De Kinderombudsman ziet dat er steeds meer aandacht is voor kinderrechten en dat het
belang van kinderen vaker in beslissingen wordt meegenomen. Toch is er nog veel te
doen. Daarom blijft de Kinderombudsman organisaties en overheden aansporen om het
belang van kinderen centraal te zetten in wetten, beleid en besluiten. Kinderen hebben
het recht om hierover mee te praten en er invloed op te hebben.
2.2. Werkwijze, cijfers en relaties met burger en overheid
Activiteiten uit eigen beweging
De Kinderombudsvrouw schreef negen signaalbrieven aan een minister of staatssecretaris
om aandacht te vragen voor een kinderrechtenkwestie. Ook schreef zij twee brieven
aan gemeenten. Daarnaast schreef de Kinderombudsvrouw drie brieven samen met de Nationale
ombudsman. Verder gaf zij dertien lezingen en presentaties om aandacht te vragen voor
de belangen van het kind. Eén van de lezingen was het uitspreken van de Rede van Fryslân.
In deze rede ging de Kinderombudsvrouw specifiek in op de situatie van kinderen in
Friesland, zowel op het vaste land als op de Waddeneilanden. De Kinderombudsvrouw
gaf één advies op een wetsvoorstel. De Kinderombudsvrouw trok ook het land in. Naast
twee meerdaagse provincietours in Noord-Brabant en Drenthe legde zij nog zeven werkbezoeken
af.
AB Rechtspraak Bestuursrecht
In 2025 stond de Kinderombudsman met negen samenvattingen van rapporten in het tijdschrift
AB Rechtspraak Bestuursrecht (AB). In AB staat de belangrijkste actuele bestuursrechtjurisprudentie. Een onderdeel hiervan
zijn samenvattingen van de meest recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het
bedrijfsleven en van de Nationale ombudsman, Kinderombudsman en Veteranenombudsman.
Ontvangen verzoeken
In 2025 ontving de Kinderombudsman 1.866 verzoeken. De meeste kwamen van ouders (1.250),
professionals (115) en kinderen zelf (95). Er waren 54 verzoeken meer dan in 2024.
De onderwerpen waarover mensen contact opnamen, zijn vergelijkbaar met eerdere jaren.
De verzoeken gingen onder meer over onderwijs (554), jeugdhulp (539), gezag en omgang
(191), armoede (106), vreemdelingenrecht (76) en politie en justitie (43).
Behandelde verzoeken
In 2025 heeft de Kinderombudsman 1.861 verzoeken behandeld. Het aantal behandelde
verzoeken verschilt van het aantal ontvangen verzoeken, omdat behandeling niet altijd
in hetzelfde kalenderjaar wordt afgerond. In 54 van de 1.861 behandelde verzoeken,
vond een interventie plaats. Bij twaalf verzoeken werd een onderzoek geopend en afgesloten
met een rapport. In 157 zaken heeft de Kinderombudsman de zaak afgesloten, omdat er
een oplossing mogelijk was of omdat niet meer werd gereageerd. Naar aanleiding van
twee verzoeken vond bemiddeling plaats. Bij 1.637 verzoeken werd informatie gegeven
en/of werd de verzoeker doorverwezen.
2.3. Belangrijke onderwerpen in 2025
Kinderrechtentoets
De Kinderrechtentoets is een belangrijk aandachtspunt voor de Kinderombudsman. De Kinderrechtentoets geeft
beleidsmakers handvatten om kinderrechten voorop te stellen bij het maken van wet-
en regelgeving en beleid. Het doel van de Kinderrechtentoets is om de ontwikkeling
en het welzijn van kinderen te waarborgen in alle voorstellen die over de belangen
van kinderen gaan. Uiteindelijk willen we dat bij alle wet- regelgeving en beleid
de beste besluiten voor kinderen worden genomen. We gaven bij verschillende ministeries
en organisaties uitleg over de Kinderrechtentoets. Ook bekeek de Kinderombudsvrouw
het nieuwe jeugdbeleid van een specifieke gemeente vanuit de verschillende onderdelen
van de Kinderrechtentoets. Haar bevindingen schreef zij in een brief aan de gemeente.
De Kinderombudsvrouw schreef hierover ook een brief voor een commissiedebat. In deze
brief deed zij een oproep om te onderzoeken hoe de Kinderrechtentoets een plek in
het beleidskompas kan krijgen.
Onderwijs
De Kinderombudsman besteedde ook aandacht aan verschillende knelpunten in het onderwijs.
Zo schreef de Kinderombudsvrouw een brief voor het debat over passend onderwijs in
de Tweede Kamer. De brief ging in op het nog altijd toenemende aantal thuiszitters.
De Kinderombudsvrouw riep op om inclusief onderwijs sneller op te pakken. Ook wees
ze opnieuw op de problemen in het leerlingenvervoer. Dat moet anders worden ingericht
en als een vorm van zorg worden gezien. Daarnaast reageerde de Kinderombudsvrouw op
verzoek van een gemeenteraadslid op een nieuwe verordening leerlingenvervoer van een
gemeente. In deze reactie liet zij weten dat het kind in de verordening niet centraal
staat. Volgens haar moet ook hier de Kinderrechtentoets worden toegepast.
Online kinderrechten
Het leven van een kind speelt zich steeds meer online af. Sterker nog, kinderen merken
vaak bijna geen verschil meer tussen de online- en offlinewereld. Ook in de onlinewereld
hebben kinderen met allerlei problemen te maken, zoals pesten, schadelijke content
of ongelijke kansen. De Kinderombudsman vroeg aandacht voor kinderen die opgroeien
in vlogfamilies en deed mee aan een uitzending van het programma Boos over dit onderwerp.
Eerder gaf de Kinderombudsman ook al aandacht aan online kinderrechten in de publicatie
«Als je het ons vraagt».
Huisvesting
De Kinderombudsman vindt dat kinderen niet gestraft moeten worden voor het gedrag
van hun ouders. In zo’n geval kan de rechter beslissen dat er bepaalde voorwaarden
gelden voor een ontruiming, zoals zorgen dat er goede opvang is. De rechter is hierbij
wel afhankelijk van de informatie van andere organisaties. Het is niet zijn taak om
contact te leggen met gemeenten en hulpverleningsorganisaties.
Bij de beantwoording van een prejudiciële vraag over de betekenis van artikel 3 lid
1 IVRK (belang van het kind) bij woningontruimingen, verwees de rechter in de eerste
lijn naar het rapport «Als de overheid niet thuis geeft» van de Nationale ombudsman en Kinderombudsman. In dat rapport schreven we dat het
belang van het kind in alle stappen van een uitzettingsproces voorop moet staan.
Op 28 november 2025 nam de Hoge Raad een belangrijke beslissing over een prejudiciële
vraag over de betekenis van artikel 3 lid 1 IVRK (belang van het kind) bij woningontruimingen.
De Hoge Raad oordeelde dat het belang van het kind een «eerste overweging» moet zijn
bij een ontruiming. Het belang van het kind moet dus altijd op de eerste plek komen.
Dat betekent niet dat dit altijd de doorslag geeft. Zo telt bijvoorbeeld ook de taak
van een verhuurder om te zorgen voor een veilige leefomgeving voor omwonenden mee.
Een belangrijk onderdeel van de uitspraak is de onderzoeksplicht van de rechter. Volgens
de Hoge Raad moet de rechter onderzoeken of er in de te ontruimen woning kinderen
wonen en wat hun belangen zijn. Hierbij mag van een woningcorporatie meer moeite worden
verwacht bij het zorgen voor een vervangende woonplek dan van een particuliere verhuurder.
De Hoge Raad vindt dakloosheid van kinderen «maatschappelijk onaanvaardbaar» en stelt
dat niet de verhuurder, maar ouders en de overheid eerstverantwoordelijk zijn om te
voorkomen dat kinderen hun thuis kwijtraken.
We zijn blij dat de Hoge Raad dit ook vaststelt voor zaken die over huisvesting gaan.
De Hoge Raad adviseert daarnaast om bij elke vordering tot ontbinding van een huurovereenkomst
na te gaan of er kinderen zijn betrokken. Dit is een belangrijke stap voor het verbeteren
van de rechtspositie van kinderen. Volgens de Kinderombudsman is de uitspraak van
de Hoge Raad dan ook een keerpunt. Wij blijven de gevolgen hiervan in de gaten houden.
«Alles wat we wel of niet organiseren in de omgeving waarin kinderen opgroeien, heeft
gevolgen voor hen. Alleen met die brede, kindgerichte blik doen we recht aan hun rechten
– en aan hun toekomst.»
Margrite Kalverboer
2.4. Ombudsagenda
De Kinderombudsman controleert of de overheid en andere organisaties in Nederland
zich houden aan wetten en regels die kinderen en jongeren moeten beschermen. De Kinderombudsman
daagt overheden en andere organisaties uit het perspectief van kinderen te borgen
in alles wat ze doen en ervoor te zorgen dat kinderrechten worden nageleefd. Een belangrijk
onderdeel hiervan is het onderzoek dat wij doen. Hierbij richten we ons op structurele
knelpunten en op de achterliggende oorzaken van de problemen. Vervolgens adviseren
we de overheid en andere organisaties over de aanpak hiervan.
We beginnen bijvoorbeeld een onderzoek als we opvallend veel klachten krijgen over
een bepaald onderwerp. Specifieke signalen uit de media of van maatschappelijke organisaties
kunnen ook een reden zijn voor onderzoek. Op onze Ombudsagenda staan onderwerpen waar
we bijzondere aandacht aan willen geven.
In 2025 stonden drie thema’s op de Ombudsagenda: fundamentele rechten, armoede en,
levensloop en ontwikkeling. In deze paragraaf presenteren we de in 2025 gepubliceerde
onderzoeken op deze thema’s door de Kinderombudsman. Ook gaan we in op de voortgang
die geboekt is naar aanleiding van onderzoeken die we al eerder opleverden en die
nog steeds actueel zijn.
2.4.1. Fundamentele rechten
2.4.1.1. Asielmaatregelen en verslechtering situatie kinderen in crisisnoodopvang
Al in 2023 constateerden we in ons rapport «De crisis voorbij» dat de waardigheid van volwassenen en kinderen in de crisisnoodopvang ernstig onder
druk staat. De voorzieningen zijn niet geschikt voor lang verblijf. Met de nieuwe
Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel verwachten we grote
problemen voor de uitvoering en voor asielzoekers en statushouders.
De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman stelden in maart 2025 in een brandbrief dat de maatregelen van de minister van Asiel en Migratie in strijd zijn met kinderrechten
en onbehoorlijk bestuur laten zien. Voordat de wetten werden behandeld in de Tweede
Kamer, wezen de ombudsmannen op de gevolgen van deze maatregelen voor de hele samenleving.
Met de wetsvoorstellen gaat er een streep door de asielvergunning voor onbepaalde
tijd. Pleegkinderen en ongehuwde partners hebben hierdoor geen recht meer op gezinshereniging.
Ook wordt het tweestatusstelsel opnieuw ingevoerd. De Kinderombudsman maakt zich grote
zorgen om de kinderen die hiermee te maken hebben. We ontwikkelden eerder een instrument
om nieuwe wetgeving te toetsen aan kinderrechten. De nieuwe asielwetten zouden deze
Kinderrechtentoets nooit hebben doorstaan.
2.4.1.2. Kinderen in de asielopvang
De situatie van kinderen in de asielopvang moet dringend verbeteren. Dat stelde Kinderombudsvrouw
Margrite Kalverboer in september 2025 in een brief aan de Tweede Kamercommissie voor Asiel en Migratie. Kinderen in de opvang zijn volledig
afhankelijk van hun ouders of andere volwassenen. Als zij zich onveilig voelen of
onvoldoende ondersteuning krijgen omdat hun ouders die niet kunnen bieden, kan dat
hun ontwikkeling ernstig schaden. Dat heeft grote gevolgen voor de rest van hun leven
én voor de samenleving waarin zij opgroeien. De Kinderombudsvrouw riep Kamerleden
in de brief op om de minister van Asiel en Migratie snel te bewegen tot het nemen
van maatregelen. Het gaat daarbij om betere toegang tot onderwijs en zorg, het creëren
van een veilige omgeving en het beperken van het aantal verhuizingen.
Al jaren komen er bij de Kinderombudsman signalen binnen over slechte omstandigheden
voor kinderen in de asielopvang. Het gaat dan bijvoorbeeld over onderbroken onderwijs,
gebrekkige hygiëne, onveiligheid en locaties die niet geschikt zijn voor kinderen
om in te wonen. In 2023 brachten de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman een
rapport uit over de noodopvang, waarin zij wezen op de tekortkomingen vanuit het perspectief
van mensen- en kinderrechten. Twee jaar later was de situatie nog onvoldoende verbeterd.
Sinds de publicatie van de brief is er voor het onderwerp kinderen in asielopvang
wel meer aandacht in de Tweede Kamer, maar grote verbeteringen hebben nog niet plaatsgevonden.
«De Nederlandse overheid schiet schrikbarend tekort en dit doet de vraag rijzen hoe
serieus de overheid het Kinderrechtenverdrag neemt, waar het om kinderen gaat die
naar Nederland zijn gevlucht.»
Margrite Kalverboer
2.4.1.3. Oekraïense kinderen in opvanglocaties
In december 2025 sloegen de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman alarm over de
situatie in de opvanglocaties voor Oekraïense vluchtelingen en het tekort aan opvangplekken
voor deze vluchtelingen. De ombudsmannen wezen daarbij ook specifiek op de zorgen
die er zijn over de Oekraïense kinderen. Zij verblijven al ruim drie jaar in ongeschikte
opvang, krijgen te weinig mentale ondersteuning en volgen onderwijs dat niet bij hun
niveau past. Deze kinderen groeien nu weliswaar niet op in oorlog, maar zonder perspectief.
Het aantal klachten over de opvang steeg in 2025 sterk. De klachten gingen vaak over
een gebrek aan privacy, de bejegening van bewoners, tekortschietende faciliteiten
en gedwongen verhuizingen. Door sluiting van locaties werden bewoners overgeplaatst
naar opvanglocaties met slechtere voorzieningen. Daar lijden schoolgaande kinderen
nog eens extra onder.
In een brief aan de minister van Asiel en Migratie en aan alle gemeenten vroegen de
Nationale ombudsman en de Kinderombudsman in december 2025 om snelle verbetering van
de leefomstandigheden. Zij wezen op het door hen opgestelde mensen- en kinderrechtelijk
toetsingskader, waar duidelijke normen voor kwalitatief goede opvang in staan. Tijdens
een commissiedebat vreemdelingen- en asielbeleid in de Tweede Kamer in december werd
de minister gevraagd te reageren op de brief. Zij stelde dat het goed was dat de Nationale
ombudsman en Kinderombudsman hier scherp op zijn, maar dat het een kwestie is van
«roeien met de riemen die je hebt».
2.4.1.4. Gevolgen van Migratie- en Asielpact
De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman zijn in 2025 een onderzoek begonnen naar
het Europees Migratie- en Asielpact. Het pact zal grote gevolgen hebben voor hoe Europese
lidstaten omgaan met asielverzoeken. De ombudsmannen willen weten wat de invoering
van de nieuwe regels betekent voor mensen die in Nederland asiel aanvragen. In het
bijzonder voor kinderen en jongeren.
Op 14 mei 2024 nam de EU het Migratie- en Asielpact aan. Hiermee wil de EU meer grip
krijgen op migratie aan de buitengrenzen en het aantal vluchtelingen eerlijker verdelen
over de lidstaten. Een belangrijk onderdeel van dit Pact zijn een screening en versnelde
grensprocedure voor migranten en asielzoekers die weinig kans maken op asiel. Ook
komen er een asielprocedure met kortere doorlooptijden, strengere regels voor opvolgende
aanvragen en meer mogelijkheden om misbruik tegen te gaan. Een ander onderdeel is
meer solidariteit tussen lidstaten, zodat landen die veel asielverzoeken ontvangen
steun krijgen van andere landen. Het Pact treedt op 12 juni 2026 in werking. Nederland
bereidt zich nu voor op deze veranderingen.
Ook na de inwerkingtreding van het Pact blijven de ombudsmannen dit onderwerp volgen.
Zo willen ze bijdragen aan een zorgvuldige uitvoering van het Pact, waarbij de rechten
van asielzoekers – en in het bijzonder die van kinderen – centraal staan.
Geen rol in het toezichtmechanisme
Het Pact verplicht lidstaten een onafhankelijk toezichtmechanisme op te zetten voor
de screening en asielgrensprocedure. De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman
dachten mee over hoe dat toezichtmechanisme vorm zou kunnen krijgen. Ze onderzochten
ook of zij daar zelf een rol in zouden willen spelen. Zij kozen er uiteindelijk voor
om er geen onderdeel van uit te maken.
Ook zonder deelname kunnen zij namelijk toezicht houden op de organisaties die deze
procedures uitvoeren. Dat doen zij vanuit hun eigen mandaat en onafhankelijke positie,
door klachten te behandelen en zo nodig zelf een onderzoek te beginnen. De ombudsmannen
vinden het belangrijk om die onafhankelijkheid te behouden.
2.4.1.5. Online kinderrechten
De Kinderombudsman liet in een brief aan het ministerie van BZK weten dat de strategie van de regering voor kinderrechten
in de online omgeving te steunen, maar ook kritiek te hebben op de praktische uitvoering.
De Kinderombudsman mist namelijk een concrete financiële onderbouwing, duidelijke
tijdlijnen en een goede samenwerking tussen departementen. Daarnaast moet de strategie
beter rekening houden met diversiteit, zoals verschillen in leeftijd en genderidentiteit.
Bovendien moet de strategie beter beschrijven hoe de overheid werkt aan gelijke toegang
tot de digitale omgeving en voorzieningen voor kinderen.
De Kinderombudsman pleitte onder meer voor het toepassen van de Kinderrechtentoets
bij het maken van nieuwe wet- en regelgeving en voor overkoepelend toezicht. Daarnaast
benadrukte de Kinderombudsman dat het belangrijk is om ouders te ondersteunen. Maar
ook de overheid, het onderwijs en de private sector hebben een verantwoordelijkheid
voor het welzijn van kinderen. Het betrekken van kinderen, jongeren, ouders en het
maatschappelijk veld is onmisbaar bij dit thema.
In 2025 werden ook twee initiatiefnota's over het beschermen van kinderrechten in
de digitale omgeving ingediend. Hierop reageerde het kabinet in december met een brief.
Het kabinet streeft naar een veilige digitale wereld, waarin kinderen dezelfde rechten
hebben als in de offlinewereld. In de brief gaat het bijvoorbeeld over de verkenning
van leeftijdsverificatie met een EU-blauwdruk, over het toegankelijker maken van de
«rode knop» voor het wissen van gegevens, en over verankering van digitale geletterdheid
in het onderwijs. Op Europees niveau pleit het kabinet tegen digitale diensten, sociale
media en games die bewust zo worden gemaakt dat ze verslavend werken.
2.4.1.6. Kinderen in vlogfamilies
De Kinderombudsvrouw stuurde in april 2025 een brief naar de ministeries van Binnenlandse Zaken, Volksgezondheid, Sociale Zaken en Justitie
en Veiligheid. In de brief uitte ze haar zorgen over het welzijn en de ontwikkeling
van kinderen die opgroeien in vlogfamilies. De Kinderombudsvrouw riep op om de gevolgen
van vloggen op het welzijn van deze kinderen te onderzoeken. Als dat nodig blijkt,
moet bestaande wet- en regelgeving op het gebied van kinderarbeid opnieuw worden bekeken
of worden uitgebreid. Hierbij moet de overheid ook de Kinderrechtentoets gebruiken.
Op 16 juni 2025 kreeg de Kinderombudsman een positieve reactie van het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De staatssecretaris schreef dat hij de zorgen
deelt en dat hij uitgebreid onderzoek heeft laten doen naar deze nieuwe vorm van kinderarbeid.
Daarbij is ook met kinderen gesproken en is specifiek gekeken naar de gevolgen die
het voor hen heeft. De staatssecretaris zet in op effectievere wet- en regelgeving
om kinderen te beschermen tegen de risico’s van commerciële online-activiteiten. Dat
wil hij bereiken door de Arbeidstijdenwet aan te passen, de boetes te verhogen, een
normenkader voor mentale gezondheid te ontwikkelen en ouders beter voor te lichten.
«Ik zie de risico's voor kinderen uit vlogfamilies heel breed. Heel veel kinderrechten
worden geraakt. We moeten niet wachten tot er iets verkeerd gaat, maar actief zorgen
voor de bescherming en naleving van kinderrechten online.»
Margrite Kalverboer
2.4.1.7. Hardhedenbrief aan BZK
Volwassenen en kinderen worden onbedoeld hard geraakt bij hardheden in beleid, wetgeving
en uitvoering. Er wordt bij het maken en toepassen van wetten en beleid te weinig
nagedacht over wat zij in de praktijk voor kinderen betekenen. In het regeerprogramma
van het kabinet-Schoof is besloten prioriteit te geven aan de aanpak van onevenredige
hardheden in beleid, wetgeving en uitvoering. De minister van BZK coördineerde dit
en vroeg de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman welke hardheden zij tegenkomen
die burgers in het nauw brengen.
In hun brief aan de minister beschreven de ombudsmannen twaalf hardheden die voor veel burgers
en kinderen tot schrijnende situaties leiden en waar zij al vaker aandacht voor hebben
gevraagd. Voorbeelden zijn het vastlopen van de asielketen, het ontbreken van toegang
tot onderwijs en de grote problemen in de Jeugdzorg. De rode draad bij deze problemen
heeft alles te maken met de manier waarop wetgeving wordt uitgevoerd en met de reflex
om knelpunten op te lossen met extra regels, in plaats van de regelgeving juist simpeler
te maken.
De ombudsmannen benadrukten dat de geschetste hardheden en knelpunten al langer bekend
zijn, en dat er al veel onderzoek naar is gedaan. Zij hebben in hun reactie aan de
minister het kabinet opgeroepen de burger nu echt centraal te stellen, zodat wetten,
regels en uitvoering niet langer leiden tot hardheden.
2.4.2. Armoede
Kinderen die in armoede leven zien hun toekomst somber in. In Nederland leeft
volgens het CBS
1 op de 28 kinderen in armoede. Dat betekent dat gemiddeld één kind per klas niet
kan meedoen aan schooluitjes of sport en zich zorgen maakt over de (geld)stress thuis,
omdat er niet genoeg geld is voor eten of zelfs de huur. Deze kinderen beginnen hun
leven met een achterstand. Hun ontwikkeling komt onder grote druk te staan door voortdurende
stress, te weinig aandacht thuis en een gebrek aan kansen.
«We kunnen echt niet meer volstaan met incidentele oplossingen. Er is integraal beleid
voor kinderen in armoede nodig dat gezinnen structureel ondersteunt en waarbij de
ontwikkeling van kinderen centraal staat. Zodat kinderen de zekerheid, veiligheid
en kansen krijgen die ze verdienen.»
Margrite Kalverboer
2.4.2.1. Opgroeien in onzekerheid
Op 24 september 2025 publiceerde de Kinderombudsman het onderzoek «Opgroeien in onzekerheid». Hieruit blijkt dat het welzijn en de ontwikkeling van kinderen die in armoede opgroeien
ernstig onder druk blijven staan, ondanks talloze initiatieven als schoolontbijten
en financiële steun bij het kopen van een fiets, laptop of sportabonnement.
Het onderzoek is gebaseerd op data uit het onderzoek «Als je het ons vraagt», dat tussen 2016 en 2024 vijf keer is uitgevoerd. In totaal deden 9.809 kinderen
van 8 tot 18 jaar mee, van wie 628 kinderen aangaven dat er thuis te weinig geld is.
Het onderzoek brengt de kwaliteit van leven in kaart aan de hand van veertien omgevingsvoorwaarden
binnen en buiten het gezin, aangevuld met een rapportcijfer dat kinderen hun eigen
leven gaven.
Uit de resultaten blijkt dat er voor kinderen in armoede weinig is veranderd. Door
de jaren heen geven kinderen die in armoede leven hun leven een lager rapportcijfer
dan leeftijdsgenoten bij wie er thuis genoeg geld is. Ook beoordelen zij hun kwaliteit
van leven lager dan kinderen bij wie er thuis genoeg geld is.
Zorgwekkend is dat kinderen die hun leven een rapportcijfer 5 of lager geven ongekend
laag scoren op een aantal van de veertien omgevingsvoorwaarden die voor hun ontwikkeling
van cruciaal belang zijn. Dit betekent dat hun kwaliteit van leven zó laag is dat
hun welzijn en toekomstkansen serieus in gevaar komen. De kinderrechten voor deze
kinderen in armoede staan daarmee ernstig onder druk.
De Kinderombudsman concludeert dat het huidige beleid rondom armoede tekortschiet.
De Kinderombudsman roept overheden daarom op om specifiek op kinderen gericht integraal
armoedebeleid op te stellen aan de hand van de veertien omgevingsvoorwaarden. Deze
veertien omgevingsvoorwaarden kunnen gelinkt worden aan het VN-Kinderrechtenverdrag.
Ook roept de Kinderombudsman overheden op om in gesprek te gaan met kinderen die in
armoede opgroeien, en hen te vragen wat zij nodig hebben. Daarnaast vraagt de Kinderombudsman
gemeenten om ouders financieel (wanneer nodig) financieel te ondersteunen bij de opvoeding.
Uit de praktijk van de Kinderombudsman
Mijn spaarrekening is gebruikt voor schulden
«We hebben niet veel geld, en zijn om die reden vaak verhuisd afgelopen 5 jaar. We
moeten nu ook weer ons huis uit omdat de verhuurder het wil verkopen en wij het niet
kunnen kopen. Daarnaast maak ik me zorgen over studeren en een rijbewijs, omdat ik
het allemaal zelf moet betalen en er echt geen geld voor heb, mijn spaarrekening van
vroeger hebben mijn ouders gebruikt voor schulden. Ik heb nu een tussenjaar waarin
ik veel werk zodat ik zelf geld kan sparen voor een rijbewijs en studeren, alleen
studeren is heel duur... Dus daar maak ik me zorgen over, ik zal dus heel veel geld
moeten lenen.»
17-jarig meisje
2.4.3. Levensloop en ontwikkeling
2.4.3.1. Ruzie en geweld thuis
Van de tien kinderen die meedoen aan het onderzoek «Niemand hielp mij» van de Kinderombudsman en die opgroeien met geweld thuis geven er acht aan dat ze
geen hulp krijgen. In dit onderzoek bekeken we de negatieve invloed van ruzie en geweld
thuis op het welzijn van kinderen. Kinderen die in onveiligheid opgroeien hebben een
grote behoefte aan steun, maar hulp blijft vaak uit. Alle kinderen die thuis onveilig
zijn, hebben recht op hulp die op tijd komt en past bij wat ze nodig hebben. Maar
als er al hulp is, schiet deze vaak tekort.
Het onderzoek is gebaseerd op drie edities van het onderzoek «Als je het ons vraagt», uit 2020, 2022 en 2024. In totaal deden 7.059 kinderen tussen de 8 en 18 jaar mee
aan het onderzoek; 565 van hen gaven aan dat er thuis sprake is van ruzie en geweld.
Onder geweld tegen kinderen valt elke vorm van fysiek, psychisch of seksueel contact
die voor een kind bedreigend of gewelddadig is. Dat kan bijvoorbeeld slaan of schoppen,
uitschelden of kleineren, of verwaarlozen zijn, maar ook kinderen getuige laten zijn
van aanhoudende ruzies tussen ouders of broers en zussen.
Uit de resultaten blijkt dat 8% van de kinderen zegt dat er thuis vaak ruzie is, waarbij
soms wordt gescholden, geslagen of geschopt. Kinderen die opgroeien met ruzie en geweld
thuis zijn veel negatiever over hun leven dan kinderen met een veilige thuissituatie.
Bovendien geeft ruim 80% van de kinderen die opgroeien met ruzie en geweld thuis aan
dat ze geen (professionele) hulp krijgen. De meeste kinderen die thuis met ruzie en
geweld te maken hebben, hebben meerdere problemen en geven hun leven een onvoldoende.
Ze wonen bijvoorbeeld in armere wijken, hebben thuis te maken met geldproblemen, komen
uit een gezin met gescheiden ouders, doen het op school niet goed, of worstelen met
psychische problemen.
De Kinderombudsman wil dat de landelijke overheid en gemeenten de problemen bij de
Jeugdbescherming en Veilig Thuis met spoed aanpakken. Deze organisaties zijn al jarenlang
niet in staat kinderen te beschermen en te ondersteunen. De Kinderombudsman benadrukt
ook dat professionals die met kinderen werken – zoals medewerkers van GGD’s, wijkteams
en scholen – moeten zorgen voor een veilige plek voor kinderen. Daar kunnen kinderen
vertellen over wat ze thuis meemaken en leren wat normaal is in een opvoeding.
De Kinderombudsman wijst er ook op dat niet alleen professionals iets kunnen en moeten
betekenen voor kinderen die thuis onveilig zijn, maar dat iedereen in Nederland dat
kan. De Kinderombudsman roept daarom alle mensen rond een kind op (buren, leerkracht,
schoolarts, voetbalcoach, ouder van een ander kind, oom of tante) om met een kind
te praten als ze zich zorgen maken.
Uit de praktijk van de Kinderombudsman
Er wordt vaak gescholden en geschreeuwd
«De veiligste plek in m’n huis vind ik de badkamer, er worden geen drugs gebruikt
maar er wordt wel vaak gescholden en geschreeuwd.»
14-jarige jongen
2.4.3.2. Lhbtiqa+ kinderen
Kinderen in Nederland die zich identificeren als lhbtiqa+ kunnen steeds minder vaak
veilig en vrij opgroeien. Dat blijkt uit onze analyse «Verborgen in het volle zicht». De analyse liet zien dat de rechten van deze kinderen niet goed worden nageleefd.
Het gaat dan om rechten uit het Kinderrechtenverdrag (IVRK), zoals het recht op goede
bescherming en op goede en toegankelijke voorzieningen. Dit heeft negatieve gevolgen
voor de identiteitsontwikkeling van kinderen.
De Kinderombudsman voerde de analyse in 2025 uit als voorwerk voor het geplande onderzoek
in 2026 van het netwerk van Europese Kinderombudsmannen (ENOC). Voor de analyse spraken
we met zeventien lhbtiqa+-kinderen, zowel individueel als in een groepsgesprek. Ook
bekeken we bestaande onderzoeken over de doelgroep en spraken we met twaalf belangenorganisaties
die zich voor deze doelgroep inzetten.
In de analyse behandelden we zeven onderwerpen die belangrijk zijn voor de ontwikkeling
van alle kinderen. Het gaat dan om de identiteit van kinderen, de kwetsbaarheid van
kinderen, de veiligheid en bescherming van kinderen, de gezinsomgeving en andere belangrijke
contacten voor kinderen, het recht op onderwijs, het recht op gezondheid, en het recht
op participatie.
De Kinderombudsman zag dat er de nodige investeringen gedaan zijn vanuit de overheid
en maatschappelijke organisaties voor de lhbtiqa+-gemeenschap. Tegelijkertijd bleek
dat hun positie toch verslechtert. En dat geldt ook voor de positie van kinderen uit
deze gemeenschap.
Uit de analyse blijkt dat lhbtiqa+-kinderen veel onveiligheid in hun leven ervaren.
De kinderen en de belangenorganisaties vertelden dat kinderen uit deze groep worden
gepest, bedreigd en soms ook fysiek aangevallen. Ook blijkt dat voorzieningen niet
altijd goed aansluiten op de behoeften van deze kinderen. Professionals vinden het
vaak lastig om een open gesprek te voeren over lhbtiqa+-zijn en lesmateriaal is vaak
niet-inclusief. Voor kinderen voelt het vaak alsof zij niet mogen bestaan.
Uit de praktijk van de Kinderombudsman
Niemand helpt of begeleidt
«Als je net uit de kast bent gekomen voel je je er niet prettig over als iedereen
er heel negatief over doet en niemand je helpt of begeleidt.»
16-jarig meisje
De analyse leidde tot een publicatie met een bijhorende brandbrief aan de vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Hierin deed
de Kinderombudsman zeven aanbevelingen. Het ging hierbij om kinderen zelf een stem
geven, investeringen in kennis en handvatten voor professionals die in de zorg en
het onderwijs werken om met kinderen een open gesprek te kunnen voeren over lhbtiqa+-zijn,
het creëren van (meer) bewustzijn onder professionals over gender-, seksuele- en seksediversiteit,
het stimuleren van schoolbesturen om lesmateriaal te kiezen waarin de lhbtiqa+-gemeenschap
gerepresenteerd wordt, het stimuleren van het gebruik van de Kinderrechtentoets bij het maken van wet- en regelgeving en beleid, investeren in meer mogelijkheden
voor transgenderzorg, en het stoppen met niet-medisch noodzakelijke ingrepen bij intersekse
kinderen, die hiervoor geen toestemming hebben gegeven.
De brandbrief en analyse werden op 11 december 2025 gepubliceerd en verstuurd naar
de vaste Kamercommissie van OCW. Op 15 december 2025 werd tijdens het OCW-begrotingsdebat
van Emancipatie naar aanleiding van deze publicaties een motie ingediend. Deze motie vroeg de regering in het emancipatiebeleid expliciet aandacht
te hebben voor lhbtiqa+-kinderen, de aanbevelingen van de Kinderombudsman waar mogelijk
en passend over te nemen, en de Kamer hier in 2026 over te rapporteren. De motie werd
op 18 december 2025 aangenomen. Het is nu aan de bewindspersoon om daarop te reageren.
«De verhalen van queer kinderen laten zien hoe groot de onveiligheid is in hun dagelijks
leven. Zij vertellen dat ze zich onvoldoende beschermd voelen en hebben het gevoel
onzichtbaar te moeten zijn om veilig op te groeien. Dat mogen we niet accepteren.»
Margrite Kalverboer
2.4.3.3. Jeugdbeleid en jeugdbescherming
In juni 2025 stuurde de Kinderombudsman het ministerie van JenV en het ministerie
van VWS een brief, in aanloop naar het debat over jeugdbescherming en jeugdbeleid. De jeugdhulp en
-bescherming zijn niet in lijn met het VN-Kinderrechtenverdrag. Er staan diverse kinderrechten
onder druk en het huidige beleid schiet tekort.
In de brief is er extra aandacht voor de Kinderrechtentoets. De Kinderombudsman vraagt
hierin om gebruik van de Kinderrechtentoets door andere ministeries te stimuleren.
De toets moet zo voorkomen dat algemene wetgeving – zoals de fraudewetgeving bij de
kinderopvangtoeslag of het beleid rondom de aardbevingsschade in Groningen – negatieve
gevolgen heeft voor het leven van kinderen en hun ouders.
De Kinderombudsman maakt zich vooral grote zorgen over uithuisplaatsingen en terugplaatsingen.
Kinderen en ouders krijgen vaak te weinig tijd om hun verhaal te vertellen of krijgen
niet eens de kans om mee te denken. Het systeem faalt in het op tijd bieden van hulp
bij terugplaatsing of contactherstel. De Kinderombudsman roept dan ook op om te investeren
in voldoende geschoolde jeugdbeschermers en goede zorgplekken.
In een brief van 28 augustus 2025 liet de staatssecretaris van VWS weten de Kinderrechtentoets
te gebruiken bij de aanpassing in de wet- en regelgeving over gesloten jeugdhulp.
«Kinderen krijgen tijdens rechtszittingen te weinig ruimte om écht gehoord te worden.
In een kwartier kan geen enkel kind in een complexe situatie vertellen wat er werkelijk
in hem of haar omgaat. Vertrouwen groeit langzaam, zeker wanneer loyaliteit aan ouders
meespeelt. Die tijd ontbreekt. Daardoor blijft wat voor kinderen het belangrijkst
is vaak onuitgesproken, en hebben zij te weinig invloed op beslissingen die hun leven
en toekomst diepgaand bepalen.»
Margrite Kalverboer
2.4.3.4. Passend onderwijs
De Kinderombudsman stuurde in mei 2025 een brief naar het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, waarin ze laat weten zich
zorgen te maken over passend onderwijs. Ondanks alle inspanning is er voor veel kinderen
met een beperking nog altijd geen plek in het passend onderwijs, terwijl ook deze
kinderen recht hebben op onderwijs. Het al grote aantal thuiszitters neemt nog steeds
toe. Ook de problemen in het leerlingenvervoer worden groter en inclusief onderwijs
is nog steeds geen werkelijkheid.
De Kinderombudsman roept op om het systeem voor leerlingenvervoer anders in te richten.
Het moet als zorg gezien worden. Volgens de Kinderombudsman wordt er ook nog niet
genoeg gedaan aan inclusief onderwijs. Het aantal kinderen met een beperking dat niet
naar school gaat, stijgt nog steeds. En er zijn steeds meer kinderen die gespecialiseerd
onderwijs volgen.
«Het is van essentieel belang dat het onderwijssysteem daadwerkelijk inclusief wordt
voor álle kinderen, ongeacht achtergrond of persoonskenmerken. Dit moeten we gezamenlijk
op ons nemen. Voor alle leerlingen met een beperking die nu worden uitgesloten, maar
ook voor de leerlingen zonder beperking die niet de kans krijgen om inclusief op te
groeien.»
Margrite Kalverboer
2.5. Caribisch Nederland
De Kinderombudsman komt op voor de rechten van alle kinderen tot achttien jaar in
heel Nederland. Ook in Caribisch Nederland. Net als de Nationale ombudsman bezoekt
de Kinderombudsman elk jaar Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De Kinderombudsman behandelt
de klachten, signalen en vragen uit Caribisch Nederland vooral door een luisterend
oor te bieden, te bemiddelen of informatie te geven. De Kinderombudsman ontving in
2025 27 verzoeken uit Caribisch Nederland.
De Kinderombudsvrouw bezocht in maart 2025 Bonaire. Daar sprak ze met vertegenwoordigers
van verschillende organisaties. Ook ging ze in gesprek met ouders en kinderen die
negatieve gevolgen ervaren van de vuilstort bij Lagun. De Kinderombudsvrouw sprak
met de ombudsmannen van Aruba, Sint Maarten en Curaçao tijdens hun bezoek aan Nederland.
Medewerkers van de Kinderombudsman bezochten Bonaire, Sint Eustatius en Saba in oktober
en november. Zij hielden toen spreekuren waarbij burgers, onder wie ouders en kinderen,
een klacht konden indienen.
2.6 Internationale activiteiten
De Kinderombudsman is lid van het Europese Netwerk van Kinderombudsmannen (ENOC).
Elk jaar brengt dit netwerk een gezamenlijke verklaring met aanbevelingen uit. In
2025 ging deze verklaring over het recht van het kind op gezondheid. De Kinderombudsman leverde hiervoor een bijdrage aan over de Nederlandse situatie,
en deed mee aan het seminar ter voorbereiding op de verklaring. Ook bezocht de Kinderombudsvrouw
twee meerdaagse bijeenkomsten van het ENOC.
In 2025 bracht het ENOC ook een verklaring uit over de situatie van kinderen in Gaza. Kinderen in Gaza moeten koste wat kost worden beschermd en hun rechten moeten worden
nageleefd. Het ENOC doet de dringende oproep om het internationaal recht te handhaven.
Verder ontving de Kinderombudsman verschillende internationale delegaties uit onder
meer Turkije en Maleisië.
3. HET WERK VAN DE VETERANENOMBUDSMAN
De Nationale ombudsman is sinds 2014 ook Veteranenombudsman. Veteranen, militaire
oorlogs- en dienstslachtoffers en hun relaties kunnen hier terecht als zij vastlopen
in hun contact met de overheid of met organisaties die overheidstaken uitvoeren op
het gebied van zorg, erkenning en waardering. Volgens het Nederlands Veteraneninstituut
(NLVi) telde Nederland in 2025 ruim 100.000 veteranen.
Het thuisfront speelt een cruciale rol vóór, tijdens en na militaire inzet. De Veteranenombudsman
ontvangt regelmatig signalen dat relaties van veteranen zich niet gehoord of gezien
voelen. Door de bijzondere omstandigheden waarin zij leven, kunnen ook zij vastlopen.
De Veteranenombudsman kan zelf onderzoek doen. In 2025 heeft de Veteranenombudsman
voor de tweede keer de lange behandelingsduur van letselschadeclaims aan de orde gesteld.
Daarmee laat hij weten niet op te houden tot er verbetering is. Verder adviseert hij
de overheid en de Eerste en Tweede Kamer over de uitvoering van de Veteranenwet en
beleid dat een behoorlijke behandeling van veteranen raakt – nu én in de toekomst.
«De krijgsmacht verandert – en daarmee ook de veteraan. Wie zijn de veteranen van
de toekomst? Iedereen die zich inzet voor onze veiligheid verdient erkenning, waardering
en zorg. Alleen met een inclusief, realistisch en empathisch beleid bouwen we aan
een weerbare samenleving waarin militairen, veteranen, militaire oorlogs- en dienstslachtoffers
en hun relaties zich gesteund weten – vóór, tijdens én na hun inzet.»
Reinier van Zutphen
3.1. Missie en visie
De Veteranenombudsman helpt veteranen, militaire oorlogs- en dienstslachtoffers en
hun relaties als het misgaat tussen hen en de overheid en andere organisaties. We
ondersteunen hen door het geven van antwoorden en praktische handvatten. En we wijzen
de weg naar het juiste loket. Als het nodig is, doen we verder onderzoek. Waar we
zien dat de behandeling beter kan, dagen we overheden en andere organisaties uit om
anders te kijken naar hun dienstverlening en processen. Met als doel het voorkomen
van vergelijkbare klachten in de toekomst.
We zetten ons ervoor in dat het standpunt van veteranen, (voormalig) militairen en
hun relaties vastgelegd is in alles wat de overheid doet. De Veteranenombudsman is
ook een vraagbaak voor ambtenaren, medewerkers van uitvoeringsorganisaties, intermediairs
en andere professionals, zodat zij veteranen met een hulpvraag beter kunnen helpen.
3.2. Werkwijze en cijfers
De Veteranenombudsman behandelt klachten, signalen en vragen van veteranen over de
overheid of organisaties die taken uitvoeren voor veteranen. Denk aan het ministerie
van Defensie, het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP), het Nederlands Veteranen
Instituut (NLVi), Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) of een gemeente.
Verder doen we onderzoek en monitoren we wat er gedaan wordt met onze eerdere rapporten
en aanbevelingen. Daarnaast spreekt de Veteranenombudsman regelmatig met veteranen,
veteranenorganisaties, het ministerie van Defensie, politici en bestuurders. Hierbij
brengt hij de behoeften van veteranen en hun relaties onder de aandacht. Verder bezoekt
de Veteranenombudsman geregeld veteranenontmoetingscentra en neemt hij deel aan jaarlijkse
herdenkingsceremonies.
Ontvangen en behandelde verzoeken
In 2025 kreeg de Veteranenombudsman 279 verzoeken van veteranen, (voormalig) militairen
en relaties. Dat is ongeveer gelijk aan het aantal ontvangen verzoeken in 2024 (277).
We behandelden 311 verzoeken in 2025. Het verschil tussen het aantal ontvangen klachten
en het aantal behandelde klachten komt doordat de behandeling van een klacht niet
altijd in hetzelfde kalenderjaar wordt afgerond als waarin de klacht is binnengekomen.
Een groot deel van deze verzoeken loste de Veteranenombudsman op met een interventie
(89). Met een interventie bedoelen we bijvoorbeeld het stellen van vragen aan een
betrokken overheidsorganisatie. In sommige gevallen hielpen we veteranen op weg door
een luisterend oor te bieden en met ze in gesprek te gaan. Ook vonden we het in bepaalde
gevallen passend om veteranen en hun relaties thuis te bezoeken voor een gesprek.
In 153 dossiers verwezen we door naar een andere (overheids)organisatie, zoals het
ministerie van Defensie of het NLVi. In 34 dossiers liep er een bezwaarprocedure of
was de zaak onder de rechter. In zo’n situatie stelt de Veteranenombudsman zich terughoudend
op. Er zijn vier klachten terugverwezen voor interne klachtbehandeling door de (overheids)organisatie.
In deze gevallen krijgt de organisatie eerst de kans om de klacht te behandelen, voordat
de Veteranenombudsman zich in de klacht verdiept. De Veteranenombudsman blijft in
deze gevallen wel op de hoogte van het verloop van de klachtenprocedure, om te monitoren
of veteranen goed worden geholpen. Verder werden drie klachten ingetrokken door de
verzoeker en werden er zeven beëindigd met een brief.
De Veteranenombudsman heeft bij de behandeling van klachten en verzoeken een goede
samenwerking met de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht. Ze pakken geregeld samen
zaken op en zoeken naar een oplossing.
Veel klachten over erkenning
Net als in 2024 gingen afgelopen jaar de meeste klachten over gebrek aan erkenning.
Ook kregen we veel klachten over inkomensvoorzieningen en de volledige (letsel)schadevergoeding.
De klachten bestonden soms uit meerdere onderdelen.
Na het ministerie van Defensie gingen de meeste verzoeken over het ABP. ABP is als
pensioenfonds verantwoordelijk voor de uitvoering van de pensioenen van de militairen.
Binnen het ABP voert de afdeling Bijzondere Regelingen Defensie in opdracht van en
namens de staatssecretaris van Defensie de Kaderwet Militairen uit. Het Militair Invaliditeitspensioen
en de Voorzieningenregeling oorlogs- en dienstslachtoffers maken daar deel van uit.
Daarnaast gingen veel klachten over andere overheidsorganisaties, waaronder uitkeringsorganisaties,
verschillende gemeenten en andere ministeries.
Wie schakelen hulp in van de Veteranenombudsman?
Van alle ruim 100.000 veteranen in Nederland zijn er 25.300 in actieve dienst bij
het ministerie van Defensie en 75.800 uit dienst. Deze verhouding is al jaren stabiel.
Wel verandert de samenstelling: het aantal veteranen dat deelnam aan de Tweede Wereldoorlog
en aan missies in voormalig Nederlands-Indië en Nederlands-Nieuw-Guinea neemt sterk
af, terwijl het aantal veteranen dat deelnam aan moderne missies, zoals in Mali, Afghanistan,
Irak, Cambodja en voormalig Joegoslavië, toeneemt. Op 1 januari 2025 waren er 6.250
vrouwelijke veteranen. Dat is ongeveer 6,8 procent van het totale aantal veteranen.
Om inzicht te krijgen in de groep veteranen die de hulp van de Veteranenombudsman
inschakelen, registreren we de missie waaraan de verzoeker heeft deelgenomen, het
krijgsmachtonderdeel en de leeftijdsgroep van de veteraan. De grootste groep veteranen
die in 2025 onze hulp inschakelde, diende in voormalig Joegoslavië. Daarna volgde
de groep militairen die heeft deelgenomen aan de missies in Libanon en Afghanistan.
Net als in 2024 dienden veruit de meeste veteranen bij de Koninklijke Landmacht. De
meeste veteranen waren tussen de 41 en 60 jaar oud. We ontvingen het afgelopen jaar
27 verzoeken van relaties van veteranen.
De relatie met het kabinet en parlement
De Nationale ombudsman had ook in zijn rol als Veteranenombudsman in 2025 regelmatig
contact met het kabinet en het parlement. Hij pleitte daarbij voor de belangen en
behoeften van veteranen, (voormalig) militairen en hun relaties. Zo vroeg hij in 2025
aandacht voor een toekomstbestendig veteranen- en militairenbeleid, waarbij de nieuwe
realiteit om nieuwe kaders vraagt.
In het tijdschrift AB Rechtspraak Bestuursrecht (AB) staat de belangrijkste actuele bestuursrechtjurisprudentie. Samenvattingen van de
meest recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,
de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en van
de Nationale ombudsman, Kinderombudsman en Veteranenombudsman staan hier ook in. In
2025 stond de Veteranenombudsman met één samenvatting AB. Deze ging over het rapport «Tijdig, transparant en toegewijd»: het vervolgonderzoek naar de behandeling van letselschadeclaims van veteranen.
Werkbezoeken en herdenkingen
Ook dit jaar legde de Veteranenombudsman verschillende bezoeken af om het contact
met veteranen en betrokken organisaties te versterken. Zo bezocht hij in het voorjaar
tijdens de provincietour Noord-Brabant de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in
Breda en het Veteraneninloophuis in Tilburg en in het najaar tijdens de provincietour
in Drenthe Echo’s Home in Havelte en de Johan Willem Frisokazerne in Assen. Daarnaast
vonden werkbezoeken plaats aan De Thuisbasis Veteranen in Eelde, de School voor Vredesmissies
in Harskamp en deed de Veteranenombudsman mee aan de jaarvergaderingen van de veteranenontmoetingscentra.
Daarnaast was hij aanwezig bij de Nationale Herdenking op 4 mei, het Vrijheidsdefilé
in Wageningen op 5 mei en de 38ste Jaarlijkse Herdenking bij het Nationaal Indiëmonument
1945–1962 in Roermond. Ook sprak de Veteranenombudsman bij de viering van het 80-jarig
bestaan van de Bond voor Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers. Tot
slot was de Veteranenombudsman aanwezig bij een aantal landelijke evenementen, waaronder
de Nederlandse Veteranendag en de Veteranenfair tijdens de Taptoe.
Uit de praktijk van de Veteranenombudsman
Niet urgent genoeg?
Pieter12 is veteraan en zit in een ingewikkelde situatie. Jaren geleden gingen zijn vrouw
en hij uit elkaar. Sindsdien loopt er een moeizame echtscheiding. Nu moet het gezamenlijke
huis worden verkocht. Dat brengt Pieter in grote problemen, want hij kan geen nieuw
huis kopen.
Na zijn uitzending ontwikkelde Pieter een posttraumatische stressstoornis, waardoor
hij arbeidsongeschikt werd. Hij ontvangt van het UWV een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
maar met die uitkering kun je geen nieuwe hypotheek aanvragen. Als het huis wordt
verkocht, dreigen hij en de kinderen binnen enkele maanden dakloos te worden.
Pieter zoekt hulp bij verschillende organisaties, maar daar krijgt hij te horen dat
zijn situatie nog niet urgent genoeg is. Op papier heeft hij vermogen en lijkt hij
zelfredzaam. Al voelt dat voor Pieter totaal niet zo. Het gaat al langere tijd niet
goed met hem en de kinderen. En hoe dichterbij de verkoop van het huis komt, des te
groter worden Pieters zorgen.
Een week voordat de woning in de verkoop gaat, klopt Pieter bij ons aan. Collega Hans
luistert naar zijn verhaal en herkent de urgentie. Daarom neemt hij direct contact
op met meerdere organisaties. Hij benadrukt dat Pieter echt hulp nodig heeft en vraagt
of zij iets voor hem kunnen doen. Kort daarna komt de gemeente in actie. Twee dagen
later staan de burgemeester en een gemeentemedewerker bij Pieter op de stoep. Ze luisteren
naar zijn situatie en bespreken mogelijke oplossingen. Pieter mag opnieuw een urgentieverklaring
aanvragen bij de woningcorporatie.
Na een maand vol onzekerheid komt er eindelijk goed nieuws: de urgentieverklaring
wordt toegekend en de woningcorporatie heeft zelfs al een geschikte huurwoning gevonden.
Dat is precies op tijd, want het oude huis is inmiddels verkocht en moet binnenkort
worden opgeleverd. Pieter en de kinderen kunnen gelukkig al vóór die datum verhuizen.
Na een lange periode van stress en wanhoop betekent dit voor hen een nieuwe start.
3.3. Belangrijke onderwerpen in 2025
Geopolitieke veiligheidssituatie, militaire inzet en veteranenstatus
Ruim tien jaar na de invoering van de Veteranenwet en de instelling van de Veteranenombudsman
is het tijd om te reflecteren en vooruit te kijken. De geopolitieke context is enorm
veranderd. Missies zijn complexer geworden, oorlogsvoering digitaliseert en de maatschappij
voelt zich meer betrokken bij het ministerie van Defensie. Nationale veiligheid wordt
niet langer alleen beschermd in klassieke gevechtsoperaties, maar ook via training,
afschrikking, surveillance en digitale en hybride inzet. Hierdoor vervaagt de grens
tussen wie veteraan is en wie niet.
De Veteranenombudsman benadrukte bij de minister en de Tweede Kamer in zijn position
paper «De veteraan van de toekomst» dat toekomstbestendig veteranenbeleid over het
hele spectrum van militaire inzet moet gaan. Niet de juridische status, maar de ervaren
belasting en risico’s zouden leidend moeten zijn voor zorg, erkenning en waardering.
In juni 2025 is in de Tweede Kamer uitgebreid gesproken over deze problematiek. De
minister heeft toegezegd te werken aan een nieuw, transparant afwegingskader voor
de veteranenstatus. De Veteranenombudsman is blij met deze stap en blijft de voortgang
kritisch volgen. Door opnieuw te kijken naar hoe we veteranen en militairen waarderen,
kunnen we bijdragen aan motivatie, verbinding en het behoud van personeel.
«Wat voor een inzet je ook doet, welke missie het ook is geweest: als je risico's
loopt, als je je inzet en gaat als wij dat van je vragen, dan zou je na terugkomst
dezelfde bescherming moeten krijgen. Geen onderscheid tussen militairen met of zonder
veteranenstatus. Voor het thuisfront is dat net zo van belang als voor de militair
die wordt ingezet.»
Reinier van Zutphen
Gemeente, ken uw veteraan
Veteranen zijn burgers in de samenleving, maar hebben onder uitzonderlijke omstandigheden
gediend tijdens oorlogs- en vredesmissies. Hun ervaringen brengen specifieke kennis,
vaardigheden en soms ook zorgbehoeften met zich mee. Dit vraagt om erkenning, waardering
en passende ondersteuning op lokaal niveau.
Uit het rapport «Gemeente, ken uw veteraan!» uit 2023 bleek dat veel veteranen zich niet genoeg gezien en begrepen voelen door
hun gemeente. Onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, het ontbreken van persoonlijke
uitnodigingen voor herdenkingen en lange wachttijden bij hulpvragen zijn voorbeelden
van knelpunten. Deze problemen hangen samen met een beperkte kennis bij gemeenten
over veteranen en hun rechten, met name over de bijzondere zorgplicht uit de Veteranenwet.
Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten hebben onder andere het NLVi en de VNG
ingezet op het versterken van de rol van gemeenten in de uitvoering van de Veteranenwet
en het vergroten van kennis en bewustwording. In 2025 ontwikkelden het NLVi en de
VNG samen de Handreiking Gemeenten en Veteranen. Deze handreiking biedt gemeenten duidelijke uitleg over de Veteranenwet en praktische
handvatten voor lokaal beleid, zoals het aanwijzen van vaste aanspreekpunten, het
structureel verankeren van veteranenbeleid en het verbeteren van samenwerking met
partners.
De handreiking werd op 17 juni 2025 gepresenteerd tijdens het VNG Jaarcongres in Eindhoven
en aangeboden aan de Veteranenombudsman. Hiermee werd benadrukt dat gemeenten een
sleutelrol spelen in de erkenning, waardering en zorg voor veteranen en hun thuisfront.
Dat de aanbevelingen echt worden opgepakt, blijkt ook uit een groeiend aantal lokale
initiatieven. Zo stelde de gemeente Zutphen in 2025 een Verordening Veteranen vast
en nam de gemeenteraad van Tilburg op 24 november 2025 de motie Verbinden met Veteranen
aan. Ook andere gemeenten zijn actief aan de slag met de aanbevelingen van de Veteranenombudsman.
«Ik ben blij te zien dat er na het uitbrengen van mijn onderzoek goede stappen zijn
gezet om de zorg voor veteranen te verbeteren. Ik raadde aan om de kennis binnen de
gemeente over veteranen en de Veteranenwet te vergroten en beter een plek te geven.
Een handreiking als deze draagt daar op een positieve manier aan bij. Ik hoop dan
ook dat alle gemeenten hiervan gebruik gaan maken.»
Reinier van Zutphen
Relaties en kinderen van veteranen
De Veteranenombudsman bracht eind 2024 het rapport «Erken mijn zorgen» uit waarin aanbevelingen staan over de manier waarop ondersteuning van relaties
van veteranen die niet meer in dienst zijn bij het ministerie van Defensie kan worden
verbeterd. Deze aanbevelingen waren zowel gericht aan het NLVi als aan het ministerie
van Defensie. De beleidsreactie aan de Veteranenombudsman met de manier waarop de
aanbevelingen zijn opgepakt, deelden we in april 2025 met de Tweede Kamer. In de Veteranennota
2024–2025 gaf de overheid ook aan dat naar aanleiding van het rapport een werkgroep
is ingesteld met vertegenwoordigers van het NLVi, het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen
en het ministerie van Defensie. De Veteranenombudsman houdt de voortgang in de gaten
en hield dit onderwerp ook in 2025 op de agenda. Onder andere vanwege de uitkomsten
uit het onderzoek «Erken mijn zorgen» is de Veteranenombudsman samen met de Kinderombudsman
een onderzoek begonnen naar de invloed van uitzendingen op kinderen van veteranen.
Het onderzoeksrapport komt naar verwachting medio 2026 uit.
Toegang tot veteranenzorg in detentie
De Veteranenombudsman vroeg al in 2021 aandacht voor veteranen in detentie met het
rapport «Toegang tot veteranenzorg achter slot en grendel». Dit is een groep die makkelijk uit beeld raakt. Ook veteranen in detentie vallen
onder de bijzondere zorgplicht uit de Veteranenwet. Detentie doet niets af aan het
recht op erkenning, waardering en passende zorg, zeker niet als klachten direct samenhangen
met de inzet voor Nederland.
Uit het onderzoek bleek dat er niet genoeg rekening was gehouden met toegang tot specifieke
veteranenzorg binnen penitentiaire inrichtingen. Goede intenties en initiatieven waren
er zeker, maar deze leidden te weinig tot daadwerkelijke beschikbaarheid van zorg
achter de muren. Daarom deed de Veteranenombudsman drie aanbevelingen, gericht aan
de minister voor Rechtsbescherming en aan de minister van Defensie over regie, samenwerking
en het verbreden van het zorgaanbod voor gedetineerde veteranen.
Sindsdien is de toegang van zorgcoördinatoren van het NLVi tot inrichtingen verbeterd
en wordt er gewerkt aan betere afstemming tussen de Dienst Justitiële Inrichtingen,
het ministerie van Defensie en zorgpartners. Ook wordt serieus gekeken naar plaatsing
van veteranen met klachten die verband houden met hun inzet voor Defensie in het Militair
Penitentiair Centrum in Stroe.
Deze ontwikkelingen zijn bemoedigend, maar nog niet het eindpunt. De sleutel ligt
in het vastleggen van concrete afspraken. Pas dan wordt de bijzondere zorgplicht echt
waargemaakt, en wordt – ook in detentie – blijvende erkenning en waardering getoond
voor onze veteranen. De Veteranenombudsman blijft de voortgang volgen.
Terugkeerreizen Bosnië
Sinds 2022 organiseert het NLVi terugkeerreizen voor Dutchbat III-veteranen en hun
relaties, op basis van aanbevelingen van de Commissie Borstlap. Met als doel om hen
te helpen met het delen van hun ervaringen en beter te integreren in de samenleving.
De terugkeerreizen worden jaarlijks georganiseerd en hoog gewaardeerd. In 2024 ontving
de Veteranenombudsman een klacht van een veteraan die betrokken is geweest bij het
opzetten van de eerste terugkeerreizen voor Dutchbat III veteranen naar Bosnië. De
inhoud van de klacht was voor de ombudsman serieus genoeg om hier verder naar te kijken.
Zo heeft de Veteranenombudsman gesprekken gevoerd met andere veteranen en verschillende
organisaties die betrokken waren bij deze terugkeerreizen en aanbevelingen ter verbetering
gedaan.
Afghaanse bewakers en tolken
De Veteranenombudsman bleef zich in 2024 en 2025 inzetten voor veteranen die in Afghanistan
hebben gediend en grote zorgen hadden over het lot van Afghaanse bewakers en tolken
die hen jarenlang hebben geholpen. Deze lokale medewerkers beschermden tussen 2002
en 2021 Nederlandse militaire bases en de ambassade in Kabul. Sinds de machtsovername
door de Taliban lopen zij grote risico’s vanwege hun eerdere samenwerking met Nederland.
Eind september 2024 draaide het kabinet een eerdere toezegging om deze lokale medewerkers
naar Nederland over te brengen terug. Waarom was niet duidelijk. Uit ambtelijke stukken
bleek dat vooral de vrees voor mogelijk grote aantallen aanvragen en de kosten een
rol speelden. De Veteranenombudsman sprak zich hierover uit in de Tweede Kamer en
de media. Hij zei dat het kabinet een eerdere toezegging niet zomaar kan intrekken.
Veteranen gaven aan dat het onacceptabel is dat het kabinet mensen die hen hebben
geholpen in de steek laat.
In 2025 volgde de Veteranenombudsman de juridische procedures van de voormalige ambassadebewakers.
De rechter oordeelde in hoger beroep dat Nederland juridisch geen zorgplicht heeft.
Toch stemde de Tweede Kamer voor een motie voor overkomst van deze groep. De Veteranenombudsman
is blij met deze steun vanuit de morele verantwoordelijkheid van Nederland en het
belang van behoorlijk bestuur, zowel voor de betrokken Afghanen als voor de veteranen
die zich met hen verbonden voelen.
3.4. Ombudsagenda: letselschade veteranen
Vier jaar geleden publiceerde de Veteranenombudsman een onderzoek naar de behandeling
van verzoeken van veteranen om volledige schadevergoeding. Uit het onderzoek bleek
dat het ministerie van Defensie veel te lang deed over het behandelen van de verzoeken.
De procedure was ondoorzichtig en dat leverde stress op bij veteranen die tijdens
het uitvoeren van een missie blijvend fysiek of mentaal letsel hadden opgelopen. In
het rapport deed de Veteranenombudsman aanbevelingen om de procedure te verbeteren
en kondigde aan later een vervolgonderzoek te doen om te zien of de verzoeken om schadevergoeding
beter en sneller werden behandeld. Dit vervolgonderzoek bleek nodig, want de Veteranenombudsman
bleef klachten ontvangen van veteranen over de lange behandeling van verzoeken om
volledige schadevergoeding.
De Veteranenombudsman concludeerde in het vervolgonderzoek «Tijdig, transparant en toegewijd» dat veteranen met letselschade nog steeds te lang moeten wachten op een schadevergoeding.
De Veteranenombudsman vroeg daarom voor de tweede keer aandacht voor deze groep veteranen.
Ondanks toezeggingen van het ministerie van Defensie, is er te weinig gedaan met eerdere
aanbevelingen.
Veteranen kunnen een schadeclaim indienen bij het ministerie van Defensie voor de
gevolgen van fysieke of mentale schade. Dit gebeurt via de Regeling Volledige Schadevergoeding
(RVS). Gemiddeld duurt de behandeling van een schadeclaim drie jaar. Maar sommige
veteranen wachten al acht jaar op een uitkomst. De jarenlange procedure blijkt nog
steeds erg stressvol voor veteranen. Dat maakt het extra pijnlijk, omdat zij vaak
al in een kwetsbare positie zitten. Zo hebben de meeste van deze veteranen te maken
met een posttraumatische stressstoornis.
Veteranen gaven aan onvoldoende informatie te krijgen over de afhandeling van hun
aanvraag. Ze weten hierdoor niet goed waar ze aan toe zijn. Het gebrek aan informatie
zorgt ook voor wantrouwen, wat uiteindelijk weer in de weg kan staan van een vlotte
en transparante afhandeling van de letselschadeclaim.
Uit het onderzoek van de Veteranenombudsman bleek dat de systeemproblemen die vier
jaar geleden al bekend waren, nog steeds niet zijn opgelost. Het aanleveren van medische
dossiers kan bijvoorbeeld niet digitaal. Hierdoor duurt de procedure onnodig langer.
De ombudsman kan niet anders dan vaststellen dat het ministerie van Defensie dit probleem
niet genoeg voorrang geeft en niet genoeg naar oplossingen zoekt voor de veteranen.
Naast het ministerie van Defensie speelt ook de belangenbehartiger van de veteraan
een belangrijke rol in de behandeling van de schadeclaim. Dit zijn vaak letselschadeadvocaten.
Volgens de ombudsman nemen deze twee partijen onvoldoende verantwoordelijkheid. Het
proces zou veel vlotter gaan als zij met elkaar in gesprek gaan en echt met elkaar
samenwerken ten behoeve van de veteranen.
De Algemene Rekenkamer heeft de RVS-procedure in dezelfde periode onderzocht. Uit
dat «onderzoek» blijkt dat in 60 procent van de gevallen het streven van de minister van Defensie,
om letselschadezaken binnen twee jaar af te handelen, niet wordt gehaald. Ook blijkt
uit het onderzoek van de Algemene Rekenkamer dat het ministerie van Defensie een structureel
tekort aan juridisch personeel heeft, wat ten koste gaat van het helpen van veteranen.
Het onderzoek van de Algemene Rekenkamer bevestigt de verhalen van veteranen waarmee
we in contact kwamen. Zowel de Algemene Rekenkamer als de Veteranenombudsman verwacht
dat de twee onderzoeken concrete aanknopingspunten bieden om de letselschaderegeling
te verbeteren.
Op 13 mei 2025 schreef de minister van Defensie aan de Tweede Kamer maatregelen te
nemen naar aanleiding van de aanbevelingen van de Veteranenombudsman.
«Er is veel gesproken over dit onderwerp. Helaas is er de afgelopen jaren te weinig
veranderd. Nog altijd ontvangen wij klachten van veteranen over deze langslepende
en zeer stressvolle procedure. Dat moet nu eens klaar zijn. Veteranen moeten op tijd
en goed geholpen worden. Alleen zo zetten we de behoeften van veteranen centraal.»
Reinier van Zutphen
3.5 Internationale activiteiten
In 2025 stond het internationale werk van de Veteranenombudsman in het teken van verbinding,
toezicht en aandacht voor de positie van militairen en veteranen in een veranderende
wereld. Door werkbezoeken en internationale conferenties droegen we bij aan betere
omstandigheden, meer erkenning en sterkere samenwerking.
Een belangrijk moment was het werkbezoek aan Nederlandse militairen van de Multinational
Battle Group in Litouwen. De Veteranenombudsman bezocht hen samen met de Noorse parlementaire
ombudsman. Ook overlegden ze met de Litouwse ombudsman. Met dit bezoek wilde de ombudsman
zien hoe de situatie voor de militairen zich ontwikkeld heeft sinds het vorige bezoek
in 2023, ook vanwege de toenemende spanningen aan de oostgrens van de Europese Unie.
Door gesprekken met militairen kreeg de Veteranenombudsman ter plekke een goed beeld
van hun werkomstandigheden en zorgen. De inzichten uit dit bezoek deelde hij met de
Tweede Kamer en het ministerie van Defensie.
Tijdens de zeventiende International Conference of Ombuds Institutions for the Armed Forces (ICOAF) kwam een groot netwerk van ombudsinstellingen samen in Johannesburg. Deze
conferentie is inmiddels uitgegroeid tot hét internationale platform voor democratisch
toezicht en mensenrechten binnen de krijgsmacht. Namens Nederland sprak de Veteranenombudsman
over de rol van de ombudsman voor veteranen en hun families die vastlopen in ingewikkelde
systemen. Ook bespraken ze het internationale IOI-rapport over hulpverlening en bewustwording.
De Veteranenombudsman bracht verder een werkbezoek aan Genève. Daar sprak hij met
het Geneva Centre for Security Sector Governance (DCAF) en met vertegenwoordigers
van de International Organization for Migration (IOM), de VN-Vluchtelingenorganisatie
(UNHCR) en de Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights (OHCHR)
bij de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland. De gesprekken gingen over goed
bestuur in de veiligheidssector en migratie, en over de rol van onafhankelijk toezicht
bij het beschermen van mensenrechten.
4. ONZE MENSEN
Hoeveel medewerkers zijn er en wat zijn hun kenmerken? Hoe besteden we aandacht aan
persoonlijke ontwikkeling en het beperken van ziekteverzuim? In dit hoofdstuk gaan
we in op de mensen in onze organisatie. Ook beschrijven we in dit hoofdstuk hoe we
omgaan met klachten over onze organisatie, waar medewerkers terechtkunnen als ze zich
niet veilig voelen op het werk, hoe we ervoor zorgen dat mensen vitaal hun werk kunnen
doen en wat we doen om in contact te blijven met de organisaties om ons heen. Daarnaast
geven we een overzicht van de nevenfuncties van de ambtsdragers.
4.1. Personeelsbestand
Het aantal medewerkers in onze organisatie was in 2025 ongeveer gelijk aan het aantal
in 2024. In 2025 hadden de Nationale ombudsman, Kinderombudsman en Veteranenombudsman
234 medewerkers (217 fte) in dienst. In 2024 waren dat 233 medewerkers (218 fte).
Opbouw personeel
De verhouding man-vrouw is gelijk gebleven ten opzichte van 2024: 72 procent van de
medewerkers is vrouw, 28 procent man. Onderstaande tabel laat de leeftijdsopbouw van
het personeel in aantallen zien.
Leeftijd (in jaar)
20–24
25–34
35–44
45–54
55–59
60+
2024
3
52
68
53
32
25
2025
4
54
66
51
34
25
Bij onze organisatie werken vooral mensen met een hbo- of universitaire opleiding.
Veel medewerkers hebben de functie van (klacht)onderzoeker. Dit is de reden waarom
salarisschaal 11 het vaakst voorkomt. Hieronder staat de bezetting in de verschillende
salarisschalen, exclusief de ambtsdragers.
Salarisschaal
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
2024
vrouw
1
6
2
1
19
27
59
32
16
2
2
0
1
man
1
5
0
1
8
12
19
10
7
1
1
0
0
2025
vrouw
0
5
5
2
17
23
58
34
18
2
3
0
1
man
1
5
0
1
9
13
19
10
6
1
1
0
0
Stagiairs
In 2025 liepen vier studenten langere tijd stage bij onze organisatie. De stagiairs
kwamen van de volgende opleidingen: Master Sociology (2), Master Social Challenges,
Policy and Interventions (1) en Bachelor Business Administration (1).
Ontwikkeling medewerkers
De Nationale ombudsman, Kinderombudsman en Veteranenombudsman vinden het belangrijk
dat medewerkers zich blijven ontwikkelen. Ook moeten zij zo veel mogelijk in contact
staan met burgers en (overheids)organisaties. Alleen zo kunnen ze de klachten van
burgers op een professionele manier behandelen en hun kennis delen met de overheid
en professionals.
Dat vraagt om een organisatie die kan meebewegen in een wereld die steeds verandert
en waarin medewerkers zich blijven ontwikkelen. Voor zichzelf en voor alle mensen
die bij ons terecht kunnen. Als onderdeel van het introductieprogramma krijgen nieuwe
medewerkers daarom verplicht trainingen in basisvaardigheden en basiskennis, zoals
effectief en begrijpelijk schrijven en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Andere
trainingen die worden aangeboden zijn gespreksvaardigheden en conflicthantering, professionele
klachtbehandeling, omgaan met aanhoudend en grensoverschrijdend klaaggedrag, bevoegdheid
en ontvankelijkheid, privacy en AVG en Informatiehuishouding.
Daarnaast volgen medewerkers trainingen die aansluiten bij hun eigen persoonlijke
ontwikkeling, zoals verdiepende cursussen binnen hun vakgebied. Naar aanleiding van
het periodieke medewerkersonderzoek hebben we per team dialoogsessies gehouden. Tijdens
deze sessies hebben we samen de resultaten besproken en concrete verbeteracties per
team opgesteld.
4.2. Klachten over de organisatie
De Nationale ombudsman krijgt ook klachten van burgers naar aanleiding van het handelen
van de eigen organisatie en de medewerkers van de ombudsman. Die klachten komen bijvoorbeeld
van burgers die ontevreden zijn over het contact met (de medewerkers van) de ombudsman.
In 2025 ontving de ombudsman 172 klachten hierover, precies hetzelfde aantal als in
2024. De meeste klachten in 2025 gingen over het niet of niet op tijd reageren door
medewerkers en over de behandelduur van dossiers. In 2025 moesten mensen soms lang
wachten voordat hun klacht werd behandeld, omdat het behandelen van klachten op sommige
terreinen meer tijd kostte, bijvoorbeeld door de complexiteit ervan.
Er zijn in 2025 162 klachten behandeld (169 in 2024). Er kan een verschil zitten tussen
het aantal ingediende en het aantal behandelde klachten, omdat niet alle klachten
altijd in hetzelfde kalenderjaar worden afgerond. Van de 162 klachten zijn er 89 formeel
behandeld. Dit betekent dat daarover een oordeel is gegeven door de ombudsman. Van
deze 89 formeel behandelde klachten waren:
– 26 klachten gegrond;
– 31 klachten niet gegrond;
– In twee zaken is geen oordeel gegeven;
– 30 klachten waren deels gegrond/deels niet gegrond en/of er is deels geen oordeel
gegeven.
Zie voor deze cijfers ook de cijferbijlage bij dit jaarverslag op nationaleombudsman.nl.
4.3. Vertrouwenspersoon
Bij de Nationale ombudsman hechten we grote waarde aan integer handelen. Dat betekent
dat we alert zijn op mogelijke integriteitsvraagstukken en ruimte bieden om dilemma's
en signalen bespreekbaar te maken. Een open en veilige werkomgeving is daarbij een
belangrijk uitgangspunt. De Nationale ombudsman werkt samen met onafhankelijke externe
vertrouwenspersonen. Onze medewerkers kunnen vertrouwelijk contact met hen opnemen
als zij te maken hebben met ongewenste omgangsvormen, of als zij zich op een andere
manier niet veilig voelen op hun werk. De vertrouwenspersoon denkt mee over een oplossing
door een luisterend oor te bieden, informatie te geven, te adviseren, door te verwijzen
en medewerkers zo nodig bij te staan bij het indienen van een klacht. De vertrouwenspersoon
registreert de meldingen geanonimiseerd. In 2025 is de vertrouwenspersoon door twee
collega’s benaderd (twee in 2024).
4.4. Ziekteverzuim en vitaliteit
Als werkgever willen we een omgeving bieden waarin medewerkers vitaal en veilig hun
werk kunnen doen. We zorgen dat collega’s die regelmatig thuiswerken dat ergonomisch
verantwoord kunnen doen. Ook kunnen collega’s op kantoor tegen een kleine eigen bijdrage
een stoelmassage krijgen, en krijgen medewerkers korting op een sportschoolabonnement
via Bedrijfsfitness Nederland. Dankzij eerder ingezette interventies en een goede
samenwerking met onder meer de bedrijfsarts, de bedrijfsmaatschappelijk medewerker
en de integratie-adviseur is het ziekteverzuimpercentage gedaald. Het gemiddelde ziekteverzuim
over 2025 kwam uit op 5,2 procent (6,2 procent in 2024).
4.5. Medewerkers naar buiten
We ontvangen elke dag klachten van burgers over verschillende overheidsorganisaties.
Kennis van die organisaties en hoe zij werken is erg belangrijk om de klachten over
die organisaties te kunnen behandelen. Ook is het belangrijk dat de medewerkers die
die klachten behandelen, weten wat er in de samenleving speelt en waar burgers tegenaan
lopen. Hier werken we aan door medewerkers te stimuleren werkbezoeken te brengen,
bijvoorbeeld aan een overheidsorganisatie of een maatschappelijke organisatie. Onze
medewerkers volgen, organiseren en geven verschillende workshops, lezingen en cursussen
die gaan over onder meer de relatie tussen burgers en de overheid en over kinderrechten.
Dit doen ze voor verschillende groepen, onderwijsinstellingen en organisaties. Ook
detacheren we medewerkers bij andere (overheids)organisaties. Daarnaast worden geregeld
medewerkers van andere organisaties gedetacheerd bij de ombudsman. Dit levert voor
beide organisaties nieuwe kennis en inzichten op.
4.6. Nevenfuncties ambtsdragers
In 2025 hadden de ambtsdragers onderstaande nevenfuncties. De nevenfuncties staan
ook op onze website nationaleombudsman.nl.
Nationale ombudsman en Veteranenombudsman: Reinier van Zutphen
Functie die hoort bij de functie Nationale ombudsman:
• Lid Raad van Advies College Rechten van de Mens (sinds 1 april 2015, niet betaald)
Functies die samenhangen met de functie Nationale ombudsman:
• Lid bestuur Kirchheiner Stichting Ombudsman en Democratie (sinds 1 april 2015, niet
betaald)
• Voorzitter van de Vereniging voor Klachtrecht (sinds 13 april 2016, niet betaald)
• Regional President for the European Region of the International Ombudsman Institute
(IOI) (sinds 13 mei 2024, niet betaald)
• Member World Board International Ombudsman Institute (IOI) (sinds 4 april 2022, niet
betaald)
• Lid Maatschappelijke Adviesraad Instituties Open Samenlevingen (Universiteit Utrecht)
(sinds 10 okt 2024, niet betaald)
Nevenfuncties:
• Docent Studiecentrum Rechtspleging (sinds 1 april 2005, betaald)
• Lid Raad van Advies Instituut Gak (sinds 1 juli 2018, betaald)
• Lid Board of Advisors Master programma Law & Society, Van Vollenhoveninstituut (sinds
2020, niet betaald)
• Voorzitter Raad van Toezicht Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (van 1 oktober
2017 tot 1 oktober 2025, betaald)
Kinderombudsman: Margrite Kalverboer
Functie die samenhangt met de functie Kinderombudsman:
• Lid van de Societal and Ethics Advisory Board van het Growing Up Together in Society
(GUTS) consortium (sinds 17 maart 2025, niet betaald)
Nevenfunctie:
• Hoogleraar kind, (ortho)pedagogiek, kinderrechten en vreemdelingenrecht aan de Rijksuniversiteit
Groningen (sinds 2016, niet betaald)
substituut-ombudsman: Linda Molenaar
Nevenfunctie:
• Voorzitter cliëntenraad zorglocatie De Es, onderdeel van de Argos Zorgroep (per 1 november
2024, niet betaald)
Ondertekenaars
R.F.B. van Zutphen, Nationale ombudsman
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.