Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het verslag Ministeriële Vergadering Raad van Europa (Kamerstuk 20043-155)
2026D19950 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken hebben de onderstaande fracties
de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Buitenlandse
Zaken over het Verslag Ministeriële Vergadering Raad van Europa (Kamerstuk 20 043, nr. 155) en de Kabinetsinzet t.a.v. de ministeriële vergadering van de Raad van Europa op
14 en 15 mei 2026 in Moldavië (Kamerstuk 20 043, nr. 159).
De voorzitter van de commissie,
Klaver
Adjunct-griffier van de commissie,
Dekker
Inhoudsopgav
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
II
Antwoord/Reactie van de Minister
III
Volledige agenda
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsbrief
inzake de ministeriële vergadering van het Comité van Ministers van de Raad van Europa,
alsmede van de onderliggende stukken. Deze leden hebben hierover de volgende vragen
en opmerkingen.
Steun aan Oekraïne: compensatie en gerechtigheid De leden van de D66-fractie spreken hun steun uit voor de inzet van Nederland om gastland
te worden van de Schadevergoedingscommissie voor Oekraïne. Deze leden onderschrijven
het belang van een robuust en geloofwaardig compensatiemechanisme. Tegelijkertijd
constateren de leden van de D66-fractie dat de Parlementaire Assemblee van de Raad
van Europa (PACE) zorgen heeft geuit over onder meer de temporele reikwijdte van het
mechanisme, die momenteel beperkt lijkt tot schade vanaf 24 februari 2022. Deze leden
zijn van mening dat recht moet worden gedaan aan slachtoffers van eerdere Russische
agressie. Kan de Minister uiteenzetten hoe hij aankijkt tegen een uitbreiding van
het mandaat van de Schadevergoedingscommissie, zodat ook schade vanaf 2014 voor compensatie
in aanmerking komt? In hoeverre zet Nederland zich hier actief voor in binnen de Raad
van Europa (RvE) en richting partners?
Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat er nog belangrijke vragen openstaan
over de financiering van het schadefonds en de rol van bevroren Russische tegoeden.
Deze leden achten het van groot belang dat deze middelen niet pas na afloop van de
oorlog beschikbaar komen, maar – waar juridisch mogelijk – ook nu al worden ingezet
ten behoeve van Oekraïne. In hoeverre ziet het kabinet mogelijkheden om via de Schadevergoedingscommissie
of aanverwante structuren (zoals de Enlarged Partial Agreement) niet alleen toekomstige
schadevergoedingen te organiseren, maar ook een eerdere inzet van bevroren Russische
tegoeden mogelijk te maken voor steun aan Oekraïne in het heden? Ziet het kabinet
kansen om via dit kader versnelling aan te brengen in het daadwerkelijk beschikbaar
maken van deze middelen?
De leden van de D66-fractie hechten groot belang aan accountability voor het misdrijf
agressie en steunen de oprichting van een speciaal agressietribunaal. Deze leden constateren
dat Nederland onderzoekt of het ook gastland kan worden van dit tribunaal. Zij begrijpen
dat politieke en financiële commitment van grote Europese partners een belangrijke
factor is in deze afweging. In dat licht wijzen deze leden op recente steun van Frankrijk
voor het agressietribunaal. Heeft de Minister inmiddels contact gehad met Frankrijk
over deze steun, en in hoeverre gaat deze gepaard met concrete financiële en politieke
toezeggingen? Ziet het kabinet deze ontwikkeling als aanleiding om de Nederlandse
inzet ten aanzien van het gastlandschap te intensiveren, inclusief het aanbieden van
fase 3 (operationele fase) in Nederland? Is de Minister voornemens om actief bij andere
grote lidstaten aan te dringen op aanvullende steun en medewerking, teneinde de totstandkoming
en operationalisering van het tribunaal te versnellen?
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de inzet van het kabinet rondom
de interpretatieve verklaring over het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
(EVRM) in vreemdelingenzaken. Deze leden hechten eraan dat de integriteit van het
EVRM en de onafhankelijkheid van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)
gewaarborgd blijven. Tegelijkertijd constateren deze leden dat het kabinet zelf aangeeft
dat Nederland in de praktijk beperkt wordt door uitvoeringsvraagstukken, zoals het
gebrek aan medewerking van landen van herkomst. Kan het kabinet uiteenzetten wat de
huidige ervaringen zijn met het verwijderen van veroordeelde vreemdelingen binnen
het bestaande juridische kader van het EVRM? In welke mate vormen juridische beperkingen
daadwerkelijk een obstakel en in welke mate ligt dit bij praktische uitvoeringsproblemen?
Kan het kabinet daarnaast aangeven welke concrete stappen worden gezet om de medewerking
van landen van herkomst te verbeteren, in het bijzonder waar het gaat om het verstrekken
van reisdocumenten? Welke aanvullende instrumenten acht het kabinet hiervoor noodzakelijk?
De leden van de D66-fractie verwelkomen het initiatief voor een Nieuw Democratisch
Pact binnen de RvE. Deze leden zien dit als een belangrijke kans om de democratische
weerbaarheid in Europa te versterken, juist in een tijd van toenemende buitenlandse
inmenging en desinformatie. Kan de Minister nader uiteenzetten hoe Nederland dit pact
concreet wil versterken en invullen? Welke prioriteiten stelt het kabinet hierbij
en hoe wordt ervoor gezorgd dat dit pact leidt tot tastbare resultaten voor burgers
en instituties? De leden van de D66-fractie vragen voorts hoe Nederland voornemens
is om binnen de RvE en breder in Europa actief steun te mobiliseren voor een ambitieuze
invulling van dit pact.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Binnen de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken hebben de leden van de VVD-fractie
de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan het kabinet over het aankomende
Comité van Ministers van de Raad van Europa (Kamerstuk 20 043, nr. 155 en nr. 159).
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister in aanloop naar het comité van Ministers van 14 en 15 mei aanstaande.
Deze leden onderstrepen dat de Russische agressie onder geen beding onbestraft mag
blijven en dat het herstel van gerechtigheid voor Oekraïne een absolute prioriteit
is. Zij zien de oprichting van het agressietribunaal en de claimscommissie als belangrijke
instrumenten om de agressor daadwerkelijk ter verantwoording te roepen voor de aangerichte
schade. Deze leden zijn er trots op dat Nederland een centrale rol speelt bij het
afdwingen van deze aansprakelijkheid en het bestraffen van de Russische wandaden.
Zij juichen het toe dat er met Nederlandse middelen wordt bijgedragen aan de wederopbouw
van Oekraïne en dat deze steun meerjarig en onverminderd kan worden ingezet ten behoeve
van herstel van de energie-infrastructuur, drinkwatervoorzieningen en andere noodzakelijke
infrastructuur zoals ziekenhuizen.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de inzet van de
Minister op het gebied van migratie tijdens de ministeriële vergadering van de RvE.
De leden menen dat het EVRM op dit moment te veel invloed heeft op het voeren van
een streng, gericht en onafhankelijk migratiebeleid en menen dat er meer ruimte moet
komen om het algemeen belang af te wegen tegen de rechten die voortvloeiden uit artikel
3 en artikel 8 EVRM. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Welke concrete impact verwacht
de Minister dat de politieke verklaring zal hebben op procedures binnen het vreemdelingenrecht?
Welke stappen is de Minister verder van plan om te zetten om ervoor te zorgen dat
de impact van artikel 3 en 8 EVRM op het vreemdelingenrecht zoveel mogelijk beperkt
wordt? De leden van de VVD-fractie worden graag geïnformeerd over wat de juridische
en diplomatieke verkenning ten aanzien van een eventuele aanpassing van het EVRM tot
nu toe heeft opgeleverd. Dit alles conform de motie-Van Zanten/ Boomsma (Kamerstuk
32 317, nr. 961) die door de VVD-fractie is gesteund.
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de inzet van het kabinet om te komen tot
een juridisch instrument van de RvE om beter om te kunnen gaan met desinformatie en
inmenging. Deze leden zouden graag van het kabinet horen wat de Nederlandse inzet
gaat zijn tijdens het aankomende comité van Ministers. Wat verwacht het kabinet van
een internationale aanpak van dit probleem?
De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd naar de strategie voor de externe dimensie
van de organisatie en op welke manier daar landen van buiten de RvE bij worden betrokken.
Deze leden willen graag weten wat het kabinet ziet als de meest concrete mogelijkheden
voor strategische samenwerking tussen de RvE en de OVSE en de EU? Waar zijn de organisaties
complementair aan elkaar en waar zou strategische samenwerking kunnen schuren? Op
welke manier houdt de RvE zicht op ontwikkelingen in Rusland nu dit land geen deel
meer uitmaakt van de RvE?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsinzet
ten aanzien van de ministeriële vergadering van de Raad van Europa op 14 en 15 mei
in Moldavië. Zij stellen daarover nog enkele vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de verklaring van
de voorzitter van de PACE, Petra Bayr, dat de Knesset met de invoering van de doodstraf
een voorwaarde heeft geschonden om waarnemer van de Assemblee te zijn. Is het kabinet
zich bewust van het feit dat de doodstraf al sinds 1997 niet meer wordt toegepast
in alle 46 lidstaten van de RvE? Is het kabinet zich bewust van het feit dat alle
46 lidstaten Protocol 6 bij het EVRM hebben geratificeerd, dat de doodstraf verbiedt
in vredestijd? Is het kabinet zich bewust van het feit dat alle lidstaten behalve
Azerbaijan – dat overigens de doodstraf in 1998 heeft afgeschaft – Protocol 13 bij
het EVRM hebben geratificeerd, dat de doodstraf verbiedt onder alle omstandigheden?
Is het kabinet van mening dat de doodstraf onverenigbaar is met mensenrechtenstandaarden
en respect voor menselijke waardigheid? Is het kabinet het met de verklaring van mevrouw
Bayr eens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is het kabinet voorstander van een opschorting
van de waarnemersstatus van Israël bij de Assemblee? Zo nee, waarom niet?
Net als voorgaande jaren willen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het kabinet
vragen om aandacht blijven te vestigen op de mensenrechtensituatie in Turkije, in
eerste plaats de naleving van de uitspraken van het EHRM in de zaken Demirtas en Kavala.
Deze leden vragen of de Minister bilateraal bij zijn Turkse ambtsgenoot en bij deze
bijeenkomst van het Comité van Ministers voornemens is plenair aandacht te vragen
voor beide zaken. De leden vragen de Minister of hij, conform de aangenomen motie-Piri/Kahraman
(Kamerstuk 21 501-20, nr. 2072), alleen wil instemmen met modernisering van de douane-unie met Turkije, wanneer
Turkije de uitspraken van het EHRM respecteert en naleeft. Ook vragen de bovengenoemde
leden de Minister of hij bilateraal bij zijn Turkse ambtsgenoot én bij de bijeenkomst
van het CvM bereid is zijn afkeuring uit te spreken over het politieke proces tegen
burgemeester Imamoglu van Istanbul conform de motie-Piri/Paternotte (Kamerstuk 28 676, nr. 493).
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsinzet voor de ministeriële
vergadering van het Comité van Ministers van de Raad van Europa op 14 en 15 mei 2026
in Chisinau. Deze leden waarderen dat het kabinet inzet op steun aan Oekraïne, migratie,
weerbare democratie en de externe dimensie van de RvE. Zij hebben hierover de volgende
vragen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet voor het herfstreces met een brief
komt over de prioriteiten van het Nederlandse voorzitterschap van het Comité van Ministers
in 2027. Zij vinden dat een belangrijk moment, juist nu de geopolitieke druk op democratie,
rechtsstaat en mensenrechten groot is. Is het kabinet voornemens om de thema’s steun
aan Oekraïne, democratische weerbaarheid en bescherming van de rechtsstaat een centrale
plek te geven? Op welke manier wordt de Kamer betrokken bij de voorbereiding van het
voorzitterschap?
De leden van de CDA-fractie steunen de inzet op accountability voor Oekraïne. Deze
leden lezen dat tijdens de ministeriële vergadering aandacht zal zijn voor het agressietribunaal
en de claimscommissie en dat het kabinet wil dat beide instrumenten in elk geval tijdens
het Nederlandse voorzitterschap in 2027 operationeel zijn. Deze leden vragen of de
Minister per instrument kan aangeven welke concrete stappen nog gezet moeten worden
voordat het agressietribunaal en de claimscommissie echt operationeel zijn. Welke
politieke, juridische of praktische knelpunten ziet het kabinet op dit moment nog?
Welke extra inzet pleegt Nederland om meer landen te laten aansluiten, zodat verdere
vertraging wordt voorkomen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat het Comité van Ministers naar verwachting een
politieke verklaring zal aannemen over de uitleg van het EVRM in het migratiedomein,
in het bijzonder over artikel 3 en artikel 8. Het kabinet schrijft dat de basiselementen
met consensus zijn aangenomen en dat die volgens het kabinet een goede basis vormen.
Deze leden vragen of de Minister de meest recente concepttekst van deze politieke
verklaring, zodra dat kan, met de Kamer kan delen. Hoe borgt het kabinet dat de verklaring
voldoende ruimte laat voor effectief migratiebeleid, zonder dat wordt getornd aan
de onafhankelijkheid van het EHRM en de kern van het EVRM?
Begrijpen de leden van de CDA-fractie goed dat het kabinet deze verklaring ziet als
een «later tot stand gekomen overeenstemming» over de uitleg of toepassing van het
EVRM? Welke concrete juridische gevolgen kan dat hebben?
Nederland ervaart wat het terugsturen van veroordeelde vreemdelingen betreft met name
problemen met landen van herkomst die niet meewerken. De leden van de CDA-fractie
vragen welke concrete opbrengst het kabinet dan wel verwacht van deze verklaring voor
de Nederlandse praktijk. Kan de Minister alsnog de Kamer informeren over de uitkomsten
van de ambtelijke verkenning naar juridische opties rond onder meer opvang in de regio
en terugkeerhubs?
De leden van de CDA-fractie vinden het positief dat de RvE doorwerkt aan het Nieuw
Democratisch Pact. Deze leden lezen ook dat Nederland actief heeft bijgedragen aan
de ontwikkeling van parameters en aan een haalbaarheidsstudie voor een juridisch instrument
tegen foreign information manipulation and interference (FIMI). Deze leden vragen
welke prioriteiten het kabinet wil inbrengen bij de verdere uitwerking van het Nieuw
Democratisch Pact. Ziet het kabinet daarbij ook expliciet ruimte voor bescherming
van journalisten, advocaten en andere verdedigers van de rechtsstaat? Op welke punten
wil Nederland dat het Pact concreter en praktischer wordt voor lidstaten? Kan de Minister
aangeven wat volgens het kabinet de belangrijkste hiaten en uitdagingen zijn uit de
haalbaarheidsstudie over FIMI? Wat is de voorlopige Nederlandse positie ten aanzien
van een mogelijk nieuw juridisch instrument tegen buitenlandse informatiemanipulatie
en beïnvloeding? Hoe voorkomt het kabinet dat dit traject te vrijblijvend blijft,
terwijl de dreiging van desinformatie en buitenlandse inmenging juist steeds groter
wordt?
De leden van de CDA-fractie wijzen er ook op dat tijdens de vorige ministeriële vergadering
in 2025 het Advocatenverdrag (European Convention on the Protection of the Profession
of Lawyer) is opengesteld voor ondertekening en dat dit door Nederland is ondertekend.
Deze leden vragen wat de stand van zaken is van de verdere behandeling en implementatie
van dit Advocatenverdrag in Nederland. Ziet het kabinet dit verdrag ook als bouwsteen
voor de bredere agenda van democratische weerbaarheid binnen de RvE?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de RvE werkt aan een strategie voor de externe
dimensie, met meer samenwerking met onder meer de EU, de Organisatie voor Veiligheid
en Samenwerking in Europa (OVSE), de Verenigde Naties (VN), waarnemers en niet-lidstaten.
Deze leden steunen betere samenwerking, maar vinden het ook belangrijk dat overlap
en bestuurlijke drukte worden voorkomen. Waar ziet het kabinet de grootste meerwaarde
van de RvE ten opzichte van andere internationale organisaties? Op welke thema’s wil
Nederland vooral inzetten als het gaat om complementariteit met de EU, de OVSE en
de VN? Over welke niet-lidstaten of waarnemers gaat het concreet bij de versterkte
strategische samenwerking? Welke verdragen of instrumenten van de RvE wil het kabinet
nadrukkelijker openstellen of onder de aandacht brengen bij niet-lidstaten? Hoe voorkomt
het kabinet doublures met bestaande Europese of multilaterale trajecten?
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het verslag
van de High Level Conferentie over het Europees Sociaal Handvest. Zij delen de gedachte
dat sociale rechten, democratische stabiliteit en veiligheid met elkaar samenhangen.
Deze leden vragen hoe het kabinet de uitkomsten van de Chisinau Declaration wil vertalen
naar de Nederlandse inzet binnen de RvE. Ziet het kabinet sociale rechtvaardigheid
en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden ook als onderdeel van een weerbare democratie?
Kan dit thema een plek krijgen binnen de voorbereiding van het Nederlandse voorzitterschap
in 2027?
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met bijzonder veel interesse kennisgenomen van
deze stukken en in het bijzonder de kabinetsinzet ten aanzien van de ministeriële
vergadering van de Raad van Europa op 14 en 15 mei in Moldavië over de politieke verklaring
die daarvoor wordt voorbereid over de interpretatie van het EVRM met betrekking tot
migratie. Zij wijzen erop dat, naar aanleiding van de brief van negen lidstaten van
22 mei 2025, de motie-Eerdmans (Kamerstuk 32 317-950) is aangenomen om die te ondersteunen. Deze leden zijn van mening dat het dringend
en urgent is om lidstaten en democratisch gekozen bestuurders meer ruimte te geven
om migratiebeleid te voeren en dat het politieke domein te veel wordt ingesnoerd door
het juridische domein, zoals dat is ontstaan door steeds verdere interpretaties van
het EVRM.
De Belgische premier de Wever heeft eveneens opgeroepen tot een nieuw Interpretatie
protocol. Heeft het kabinet contact gehad met de Belgische premier of regering over
die inzet van de Belgen en/of over hun inzet voor deze verklaring? En zo ja, wat is
daar uitgekomen?
De leden van de JA21-fractie hebben de vorige Minister-President een notitie aangeboden
met een voorstel voor een nieuw interpretatieprotocol bij EVRM. Het kabinet verwijst
in de beantwoording op onze vorige vragen hierover uit december 2025 naar een brede
verkenning in het kader van de motie-Van Zanten/Boomsma (Kamerstuk 32 317, nr. 951). In de beantwoording van onze vragen in het verslag schriftelijk overleg van 21 januari
2026 (Kamerstuk 32 317-990) antwoordt het kabinet dat de uitkomsten van deze verkenning einde van het eerste
kwartaal met de Kamer zullen worden gedeeld en de voorstellen in de JA21-notitie daarin
zullen worden meegenomen. Waar blijft die reactie? Deelt het kabinet de mening dat
de reactie bij het Comité van Ministers in Moldavië moet worden betrokken en dat de
kabinetsreactie in ieder geval op tijd moet worden verstuurd om hierover nog een discussie
te kunnen voeren voordat de bijeenkomst plaatsvindt? De voorstellen in de notitie
van JA21 hebben immers direct betrekking op een nieuwe en bredere interpretatie van
het EVRM die nu in mei voorligt. Onderschrijft het kabinet de inzet en oproep die
daarin wordt beschreven ten aanzien van de interpretatie van artikel 3 en artikel
8, en is het kabinet bereid deze voorstellen in te brengen in de discussie? Met welke
andere landen is specifiek overleg geweest in aanloop naar deze bijeenkomst in Moldavië?
In het verslag van de JBZ-raad in december (Kamerstuk 32 317-987) staat tevens: «In de conclusies is ook opdracht gegeven aan de Secretaris-Generaal
om internationaal een dialoog te voeren over migratie. Nederland zet erop in dat deze
dialoog ertoe zal leiden dat jurisprudentie, bijvoorbeeld van het EU Hof van Justitie,
meer in lijn wordt gebracht met uitspraken van het EHRM.» In het eerdergenoemde schriftelijk
overleg van 21 januari 2026 heeft JA21 gevraagd welke specifieke jurisprudentie «meer
in lijn» moet worden gebracht met de uitspraken van het Europese Hof en om een aantal
voorbeelden over de belangrijkste uitspraken waarop wordt gedoeld. Kan het kabinet
dat alsnog doen? In een eerder schrijven gaf het kabinet aan dat het Unierecht en
de jurisprudentie van het EU-Hof van Justitie, alsook nationale jurisprudentie, de
lat vaak hoger legt dan de mensenrechtelijke ondergrens. Kan het kabinet dat toelichten
en onderbouwen met enkele voorbeelden? Wat wordt dan de inzet van het kabinet richting
het Hof van Justitie? Op welke manier wordt daarbij samengewerkt met andere landen?
Wat is precies de inzet geweest van het kabinet sinds op 10 december op de ministeriële
conferentie in de RvE opdracht is gegeven om een politieke verklaring op te stellen?
Welke stappen heeft het kabinet gezet om deze politieke verklaring te beïnvloeden?
Op welke momenten heeft het kabinet input geleverd? Heeft het kabinet hiertoe «written
statements» en «written comments» opgesteld en ingeleverd en, zo ja, hoeveel? Kan
het kabinet deze (desnoods ter geheime inzage) voorleggen aan de Kamer, zodat de Kamer
inzicht krijgt in het verloop van deze discussie en de Nederlandse inzet? Welke inhoudelijke
inzet heeft het kabinet gepleegd ten aanzien van deze politieke verklaring? In de
JBZ-agenda’s en verslagen is op verschillende momenten aangegeven dat het kabinet
dit initiatief heeft ondersteund, maar niet welke specifiek inhoudelijke wensen het
kabinet over de inhoud van die verklaring heeft neergelegd. De leden van de JA21-fractie
willen graag weten wat deze inbreng en inzet was en daarover in gesprek gaan.
Is het kabinet van mening dat de verklaring zoals die nu in voorbereiding is en op
basis van het opgestelde concept, de interpretatie van het Verdrag op het gebied van
asiel en migratie voldoende inkadert? De leden van de JA21-fractie ontvangen graag
een toelichting. Kan het kabinet schetsen en toelichten wat nu precies de juridische
status is van een politieke verklaring die de vorm krijgt van een interpretatieve
verklaring, in de zin van een «later tot stand gekomen overeenstemming»? In hoeverre
is deze bindend voor rechters? Heeft deze verklaring rechtskracht? In hoeverre moeten
rechters en het Hof rekening houden met deze verklaring in de toepassing van verdragsbepalingen
in concrete zaken? Deze leden krijgen graag een toelichting.
De leden van de JA21-fractie stellen dat het kabinet heeft aangegeven dat, ook indien
het niet mogelijk blijkt de verklaring bij consensus aan te nemen, deze mogelijk alsnog
gewicht in de schaal kan leggen, als uitdrukking van de politieke wens van de (gekwalificeerde)
meerderheid van de staten die partij zijn bij het EVRM. Welke verwachtingen koestert
het kabinet? Hoe verhoudt het feit dat het dus geheel rechtstatelijk is dat een politieke
verklaring van regeringen wordt opgesteld met de bedoeling om «gewicht in de schaal
te leggen» bij uitspraken van het Hof, zich tot de eerdere stelling van het kabinet,
die als reden werd gegeven om de oorspronkelijke brief van negen lidstaten niet te
tekenen, dat het kabinet niet «op de stoel van de rechter» moet zitten? Deelt het
kabinet de mening dat het dus ook legitiem en uiterst rechtstatelijk is dat regeringen
als wetgevers aangeven dat zij een andere interpretatie wenselijk achten van wetgeving
en verdragen?
De leden van de JA21-fractie vragen wat het kabinet vindt van het huidige «CDDH outcome
document containing elements for a political declaration»? Is het kabinet hier tevreden
mee? Kunnen hier nog elementen aan worden toegevoegd en, zo ja, is het kabinet van
plan daarop in te zetten? Zijn er zaken die het kabinet graag toegevoegd zou zien
maar nu hier nog niet instaan? Zijn er sinds het opstellen van deze draft in maart
nog nieuwe elementen toegevoegd of elementen geschrapt? Wat is de laatste versie van
de interpretatieve verklaring en kan het kabinet deze opsturen?
De leden van de JA21-fractie stellen dat de concepttekst eerder een uitleg en toelichting
op de werking van het hof en jurisprudentie lijkt te betreffen dan dat hiermee werkelijk
een nieuwe interpretatie mogelijk wordt gemaakt. Is het kabinet het daarmee eens?
Welke passages van de verklaring hebben daadwerkelijk invloed op de interpretatie
van verschillende artikelen met betrekking tot migratie en welke invloed is dat? Welke
inhoudelijke koerswijzigingen worden hier ingezet? Kan het kabinet aangeven op welke
manier met deze verklaring er meer ruimte ontstaat voor lidstaten om migratiebeleid
te voeren? Nemen, als gevolg van deze verklaring, de mogelijkheden om veroordeelde
criminele asielzoekers uit te zetten toe, ook wanneer mogelijk een risico op de loer
ligt voor schending van EVRM-3/non-refoulement? Meent het kabinet dat de margin of appreciation van de lidstaten door deze verklaring wordt uitgebreid en, zo ja, op welke punten?
Heeft het kabinet tekstsuggesties gedaan om duidelijk aan te geven dat de margin of
appreciation moet worden uitgebreid en vergroot? Deze leden krijgen graag een toelichting.
Wat verandert er naar aanleiding van deze verklaring? In hoeverre nemen de juridische
mogelijkheden om strenger migratiebeleid te voeren toe met deze verklaring? De gedachte
achter de politieke verklaring lijkt dat de hoop bestaat dat rechters mogelijk rekening
zullen houden met aspecten verwoord in het document bij toekomstige uitspraken. In
hoeverre denkt het kabinet dat deze verklaring ook van invloed is op eerdere jurisprudentie?
Heeft deze verklaring effect op nieuwe interpretaties van nieuwe zaken die zich aandienen,
of heeft deze ook gevolgen voor eerdere jurisprudentie, zo vragen de leden van de
JA21-fractie.
Het kabinet stelt dat de elementen in de tekst dat ten aanzien van Artikel 3 EVRM
een situatie enkel binnen de reikwijdte van Artikel 3 EVRM valt, indien sprake is
van een minimumniveau van ernst en dat dit relevant is bijvoorbeeld voor Nederland
in Dublinzaken. De leden van de JA21-fractie vragen of dit betekent dat met beroep
op artikel 3 EVRM niet meer kan worden besloten om bijvoorbeeld Nederland te beletten
om Dublinclaimanten terug te sturen naar België of andere EU-landen (behoudens extreme
ontwikkelingen zoals dat daar een fascistische machtsgreep plaatsvindt of iets dergelijks).
Ook hier de vraag: heeft deze tekst gevolgen voor eerdere jurisprudentie over de legitimiteit
van Dublinclaims en/of andere refoulement-kwesties of gaat dit dan over nieuwe zaken
waarvoor nog geen duidelijke jurisprudentie bestaat? Wat is de huidige stand van zaken
van jurisprudentie ten aanzien van dat minimumniveau van ernst en op welke manier
wordt hierin een verschuiving beoogt door het kabinet en een verschuiving bereikt
middels deze verklaring? In welke mate en op welke manier worden sociaaleconomische
omstandigheden en andere humanitaire aspecten nu meegewogen bij de toepassing van
artikel 3 EVRM volgens staande jurisprudentie? Acht het kabinet het van belang daar
een wijziging in aan te brengen?
Enkele passages in de conceptverklaring stellen dat, ten aanzien van artikel 3, «courts
and authorities may benefit from further guidance» over een aantal aspecten. De leden
van de JA21-fractie vragen wat dit betekent. Betekent dit dat lidstaten de ruimte
hebben om die «further guidance» in te vullen?
De leden van de JA21-fractie vragen wat de gevolgen zijn van artikelen onder «mass
arrivals of migrants by land and sea», artikelen 41 tot 49? Artikel 41 stelt dat «large
numbers of migrants arriving» (...) «may pose a threat to public order and national
security and place a great strain on reception and asylum systems.» Wanneer is volgens
het kabinet sprake van «large numbers»? In hoeverre wordt de jurisprudentie die voortkomt
uit de uitspraak van het Hof Hirsi Jamaa vs Italië (2012) ingekaderd of gewijzigd?
Of worden deze bevindingen slechts bekrachtigd in artikel 45 bijvoorbeeld. In welke
gevallen is sprake van de situatie zoals beschreven in artikel 46? Wanneer is sprake
van instrumentalisering zoals beschreven in deze artikelen? Is daarvoor voldoende
dat statelijke actoren betrokken zijn bij de mensenhandel of moet daar de intentie
achter schuilen om te destabiliseren? Wat betekent artikel 54 concreet voor de mogelijkheden
om binnen de grenzen van de jurisprudentie van het Hof op te treden tegen «instrumentalisering»
van migratie?
Ook op andere terreinen dan migratie heeft een steeds verderstrekkende interpretatie
van het EVRM grote gevolgen voor beleid die nooit door de wetgevers zijn voorzien
of bedoeld teweeggebracht, zoals op het gebied van klimaatwetgeving. Deelt het kabinet
de opvatting van de leden van de JA21-fractie dat het dringend noodzakelijk is ervoor
te zorgen dat klimaatbeleid niet in hoge mate wordt verplaatst naar het juridische
domein en dat dit onderdeel moet blijven bij de politieke besluitvorming en dat ook
hiertoe het noodzakelijk is de interpretatie van EVRM verder in te kaderen? Deze leden
krijgen graag een toelichting.
Deelt het kabinet de mening van de JA21-fractie dat de «living document» doctrine
die in deze verklaring wordt bekrachtigd, feitelijk veel afwegingsruimte legt bij
het Hof om ontwikkelingen te interpreteren en daarbij de kans aanwezig is dat rechters
op de stoel van politici gaan zitten? Op welke gronden kan het Hof bepalen dat jurisprudentie
moet worden aangepast aan nieuwe omstandigheden? Een deel van de verklaring betreft
de mogelijkheid tot innovatieve oplossingen en opvang in de regio. Welke mogelijkheden
hiertoe worden volgens het kabinet hiermee verduidelijkt? Op welke manier wil het
kabinet gehoor geven aan de oproep die mogelijk in de verklaring wordt opgenomen «to
engage in dialogue with the Court» and »participate in relevant proceedings before
the court?»
Deelt het kabinet de mening van de JA21-fractie dat een politieke verklaring niet
voldoende is om de politieke ruimte om te kunnen handelen te vergroten en het noodzakelijk
is om een aanvullend 17e protocol op te stellen dat specifiek ingaat op de vraag hoe rechters om moeten gaan
met asielmigratie en dat meer duidelijkheid geeft over hoe in dat kader verschillende
artikelen moeten worden gelezen?
De leden van JA21 willen alvast aangeven dat zij voornemens zijn een debat aan te
vragen over deze verklaring. Eerder gaf het kabinet aan dat brede steun dan wel consensus
nodig is voor een politieke verklaring.
In mei 2027 zal Nederland het voorzitterschapsstokje overnemen. Kan het kabinet aangeven
welke inzet zij zal willen plegen op het gebied van asiel en migratie en ten aanzien
van het EVRM tijdens haar voorzitterschap en hoe wordt de Kamer daarin betrokken?
II Antwoord/Reactie van de Minister
III Volledige agenda
− Brief regering d.d. 02-10-2025
Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel – Verslag Ministeriële Vergadering
Raad van Europa
− Brief regering d.d. 10-04-2026
− Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen – Kabinetsinzet t.a.v. de ministeriële
vergadering van de Raad van Europa op 14 en 15 mei in Moldavië
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.F. Klaver, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
S.L. Dekker, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.