Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 879 Wijziging van de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met de implementatie van de herziening van de richtlijn luchtkwaliteit
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 24 april 2026
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie van
Infrastructuur en Waterstaat van 27 februari 2026 met betrekking tot het onderhavige
wetsvoorstel. De leden van de fracties van CDA, D66, GroenLinks-PvdA en Partij voor
de Dieren hebben nog enkele vragen en opmerkingen. In het navolgende ga ik in op de
vragen en opmerkingen uit het verslag, waarbij de volgorde van het verslag is aangehouden.
Ik hoop dat met de onderstaande reactie de vragen en opmerkingen afdoende zijn beantwoord
zodat de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende is voorbereid.
Inhoudsopgave
Algemene opmerkingen vooraf
1
Inleiding
3
Hoofdlijnen van de richtlijn
5
Achtergrond en doel van de richtlijn
8
Grenswaarden
9
Luchtkwaliteitsplannen en routekaarten
12
Monitoring supersites
12
Sanctionering
14
Uitvoering, toezicht en handhaving
15
Algemene opmerkingen vooraf
Voordat ik inga op de vragen en opmerkingen uit het verslag geef ik u graag enkele
algemene opmerkingen mee.
Dit wetsvoorstel voorziet in de implementatie van de herziene EU-richtlijn luchtkwaliteit
op wetsniveau (hierna ook: omzetting). Het wetsvoorstel waarop dit verslag betrekking
heeft, bevat de slechts technische aanpassingen van de Omgevingswet en de Algemene
wet bestuursrecht (hierna: Awb) die voor de omzetting nodig zijn. Binnen het stelsel
Omgevingswet is geen ruimte om de omzetting op een andere manier vorm te geven. Niet
inhoudelijk en niet als het gaat om de verdeling van de wijzigingen over niveaus van
de Omgevingswet, algemene maatregelen van bestuur en regeling. Dit is bepaald door
keuzes die bij de totstandkoming van het stelsel Omgevingswet zijn gemaakt.
Er is een algemene maatregel van bestuur in voorbereiding met wijzigingen van het
Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit. Dat besluit bevat – samen
met een wijziging van de Omgevingsregeling – de inhoudelijke omzetting. Op grond van
artikel 23.5, eerste lid, van de Omgevingswet geldt voor dergelijke besluiten een
zogenoemde voorhang-verplichting. Krachtens het derde lid van dat artikel geldt de
voorhangverplichting uit het eerste lid echter niet «als het ontwerp alleen strekt
tot uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen. Als dat het geval is,
geeft Onze Minister die het aangaat daarvan kennis aan beide kamers der Staten-Generaal.»
In de artikelsgewijze toelichting bij de memorie van toelichting1 is aangegeven dat in dit artikellid een uitzondering is opgenomen op de voorhangverplichting
«voor (wets)technische aanpassingen en de strikte implementatie van wijzigingen die
voortvloeien uit internationale verplichtingen. Dit zorgt ervoor dat het parlement
niet onnodig wordt belast en biedt, in aanvulling op de regeling in artikel 1:8, eerste
lid, Awb, een regeling met het oog op het tijdig voldoen aan verplichtingen op grond
van internationale verdragen. De parlementaire betrokkenheid bij internationale verplichtingen
vindt plaats bij de voorbereiding en totstandkoming (ratificatie) van die verplichtingen.
Bij een strikte omzetting van internationale verplichtingen in de nationale wetgeving,
zou dit tot een doublure en verlenging van de procedure leiden. Om die reden wordt
daarvoor niet standaard een voorhangprocedure voorgeschreven. Uiteraard kan de regering
hier in een concreet geval wel toe overgaan en kan het parlement om informatie verzoeken
in het kader van de reguliere controlerende bevoegdheden.»
De richtlijn moet volledig zijn geïmplementeerd op 12 december 2026. Vooralsnog lijkt
het erop dat deze datum voor het wetsvoorstel net kan worden gehaald. De implementatie
is veelomvattend. Daarnaast is de implementatielast bij de ministeries, en ook bij
IenW, op dit moment groot. Dat maakt dat voor meer implementaties achterstanden ontstaan
en zijn ontstaan. Op 22 mei 2025 is Nederland veroordeeld door het HvJEU (C-213/23)
voor de te late implementatie van EU-richtlijn 2019/1024 inzake open data en hergebruik
overheidsinformatie tot een boete van 10 miljoen euro. Om de boetedreiging te minimaliseren,
wordt gekeken hoe implementatie kan worden versneld.
Om van de wettelijke versnellingsmogelijkheden gebruik te kunnen maken, dient een
omzettingsregeling «alleen te strekken tot uitvoering van internationaalrechtelijke
verplichtingen». Dit is het geval als er in de omzettingsregeling alleen bepalingen
zijn opgenomen, die een relatie hebben met de omzettingsverplichtingen. Het kan gaan
om gevallen, waarin bestaand recht volstaat ook als een richtlijn tot minder vergaande
maatregelen verplicht.2 Maar het kan ook gaan om omzetting waarbij wordt afgeweken van eerder gemaakte beleidskeuzes
als een (noodzakelijke) keuze moet worden gemaakt binnen de beleidsruimte die de om
te zetten EU-regeling biedt.
Dit sluit aan bij het beginsel van zuivere implementatie, zoals neergelegd in Ar 9.4
van de Aanwijzingen voor de regelgeving, dat vereist dat wordt afgezien van regelgeving
die niet noodzakelijk is voor nakoming van de omzettingsverplichting. Hieruit vloeit
ook voort dat als met bestaand recht reeds kan worden voldaan aan de omzettingsplicht,
geen nieuwe regelgeving wordt voorgesteld, zulks met het oog op de omzettingstermijnen.
Dit betekent tenslotte dat bij omzetting van een EU-richtlijn die vanwege de rechtsgrondslag
minimumharmonisatie inhoudt, van de mogelijkheid om verdergaande eisen te stellen
geen gebruik wordt gemaakt. De snelheid van de omzetting wordt hier voorop gesteld.
Aanvullend nationaal beleid in de vorm van bij voorbeeld gebruikmaking van de ruimte
die er is omdat de richtlijn gebaseerd is op artikel 191 VWEU en dus minimumharmonisatie
betreft, of in verband met het verminderen van regeldruk die in het bestaand recht
zit, moeten in een separaat spoor.
Met het oog op zo spoedig mogelijke omzetting worden in verband met het bovenstaande
voor de omzettings-algemene maatregel van bestuur de verplichte adviesorganen (ATR),
de internetconsultatie en de voorhang overgeslagen. Dit in verband met respectievelijk
(1) de artikelen 1.7, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht en artikel 3, tweede
lid, onderdeel d, van Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk (Awb) en (2
en 3) 23.4, derde lid, onderdeel b, en 23.5, derde lid, Omgevingswet. Dit is toegestaan
als er geen andere manier is om de richtlijn tijdig en zuiver te implementeren én
aan de daarvoor op grond van het EU-recht geldende eisen te voldoen.
Bij de beantwoording zal naar deze algemene inleiding worden verwezen.
Inleiding
De
leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn kritisch op het streven van de regering
om in alle gevallen altijd het absoluut minimale te doen in plaats van het optimale.
Het streven om vooral niet meer te regelen dan wat Europa ons voorschrijft, in plaats van deze kans te grijpen om te regelen en reguleren wat nodig is voor Nederland,
maakt dat ook deze aangepaste regeling amper meer waard is dan wat we hadden. Dat
maakt deze wetswijziging tot een administratieve handeling die niet zal leiden tot
een beter Nederland, gezondere bevolking of ander maatschappelijke baten. Deze leden
zien dit als een grote gemiste kans. Is de regering het met deze leden eens, dat in
een land als Nederland, dat zoveel heeft te lijden onder luchtvervuiling, volgens
het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) 46 miljard per jaar, extra stappen richting
minder vervuiling heel veel maatschappelijke baten kunnen genereren en menselijk leed
kunnen besparen? Waarom is hier geen gebruik van gemaakt?
Zoals bij de algemene opmerkingen vooraf ook is vermeld, zijn in dit wetsvoorstel
alleen de technische wijzigingen van de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht
opgenomen die noodzakelijk zijn om de herziene richtlijn te implementeren. Het niveau
van regelgeving (wet-algemene maatregel van bestuur-regeling) waarop aanpassingen
in het stelsel van de Omgevingswet worden gedaan, is vooraf bepaald door de keuzes
die bij de totstandkoming van die wet zijn gemaakt.
De aangescherpte grenswaarden voor de belangrijkste luchtverontreinigende stoffen
zoals opgenomen in de herziene richtlijn vormen een ambitieuze, maar haalbare tussenstap
op weg naar de meest recente Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) advieswaarden uit
2021. Deze in Europees verband gemaakte keuze zorgt voor een grensoverschrijdende
aanpak en een gelijk speelveld voor burgers en bedrijven. Normen zijn altijd de weerslag
van een balans tussen gezondheidskundige wensen en de mate waarin we als samenleving
de financiële draagkracht hebben en bereid zijn andere belangen in te leveren en ons
gedrag aan te passen. In dit geval is de inhoud van de richtlijn de Europese weerslag
van die afweging, in gezamenlijkheid met alle lidstaten. Deze stap is daarmee belangrijk.
Het kabinet onderschrijft tegelijkertijd het feit dat elke stap wettelijk, of juist
bovenwettelijk, zoals via het Schone Lucht Akkoord, gericht op het terugdringen van
luchtvervuilende emissies maatschappelijke baten oplevert. Dit geldt des te meer zolang
de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de lucht die we
inademen nog niet op het niveau zijn van de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie.
Een betere luchtkwaliteit brengt vanuit dat oogpunt maatschappelijke en economische
baten met zich mee.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de regering uiteen te zetten
in hoeverre het voorliggende wetsvoorstel uitsluitend een technische implementatie
betreft, dan wel beleidsruimte bevat die nationaal ambitieuzer kan worden ingevuld.
Deze leden vragen waarom de implementatie van de richtlijn nog niet maximaal benut
wordt om de gezondheid van mensen, dieren en hun leefomgeving te beschermen. Kan de
regering uitgebreid schetsen welke verdere opties de richtlijn biedt om te werken
aan schone lucht en betere bescherming van de gezondheid, die nog niet in deze wetswijziging
zijn verwerkt? Klopt het dat later AmvB’s naar de Kamer worden gestuurd die beleidsrijker
zijn? Zo ja, wat is daar precies de planning voor? Deze leden gaan ervan uit dat,
gezien de slogan van het nieuwe kabinet, er meer vaart zal worden gemaakt met wijzigingen
die ervoor zorgen dat gezondheid van mensen, dieren en hun leefomgeving veel beter
wordt beschermd. Deze leden ontvangen graag een planning met deadlines en een schets
van wanneer de Kamer aan zet is.
Met het wetsvoorstel wordt, zoals hiervoor is aangegeven, is een eerste stap voorwaarts
gezet in de omzetting van de richtlijn in nationale regelgeving. Terwijl de wettelijke
basis met dit wetsvoorstel wordt gelegd, zal de verdere inhoudelijke kant van de omzetting
op het niveau van een algemene maatregel van bestuur en een regeling plaatsvinden.
De huidige systematiek voor luchtkwaliteit bevat nationale aanvullingen. Deze zijn
voortgekomen uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Het gaat hierbij
specifiek om de zogenoemde aandachtsgebieden en de NIBM-drempel waaronder niet aan
luchtkwaliteit getoetst hoeft te worden (NIBM-projecten zijn projecten die Niet In
Betekenende Mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit). De nieuwe grenswaarden
voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen, waaronder stikstofdioxide
en fijnstof, en andere regels in de richtlijn vragen een herbeoordeling van dit nationale
beleid. De mogelijke herziening van dit beleid maakt geen deel uit van de beleidsarme
implementatie omdat aanpassing hiervan niet noodzakelijk is voor de omzetting. De
gestelde tijdlijn is erg strak en aanpassing is niet strikt noodzakelijk. De voorbereiding
van deze beleidsrijke wijzigingen start direct na het afronden van de voorbereiding
van de wet- en regelgeving met de strikte implementatie. Een definitieve planning
staat hiervoor nog niet vast. Er wordt naar gestreefd om in het vierde kwartaal van
2026 concepten van deze beleidsrijke amvb en regeling gereed te hebben. Die wijzigingen
zullen vanwege hun beleidsrijke karakter een uitgebreide voorbereidingsprocedure doorlopen,
inclusief advisering, internetconsultatie en, waar de procedure dit voorschrijft,
betrokkenheid van de Tweede Kamer via een voorhangprocedure.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen welke milieuexperts en gezondheidsexperts
zijn gesproken bij de totstandkoming van de wetswijzigingen, wat daar de adviezen
van waren en welke wel en niet zijn overgenomen.
Bij de totstandkoming van de richtlijn heeft op Europees niveau een impactassessment
plaatsgevonden3, waarbij diverse experts betrokken zijn geweest. Een wetvoorstel is een juridische
vastlegging van de eerder gemaakte afspraken. In de voorbereidingsfase van het wetvoorstel
zijn gezondheids- en milieuexperts dan ook niet opnieuw betrokken. Omdat dit wetsvoorstel
strikte implementatie betreft en bovendien in grote mate (wets-)technisch van aard
is, heeft voor dit wetsvoorstel geen consultatie plaatsgevonden. Dit is ook vermeld
in de memorie van toelichting.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen in hoeverre burgers en maatschappelijke
organisaties daadwerkelijk effectieve rechtsbescherming krijgen, indien luchtkwaliteitsnormen
structureel worden overschreden. Wordt met de voorgestelde wijzigingen expliciet geborgd
dat burgers zich rechtstreeks kunnen beroepen op de normen uit de richtlijn? Acht
de regering het wenselijk dat burgers pas na langdurige overschrijding juridische
stappen kunnen zetten? Deze leden vragen de regering hoe luchtkwaliteitsbeleid wordt
geïntegreerd met stikstof-, klimaat- en natuurmaatregelen, zodat gezondheidswinst
maximaal wordt benut.
Burgers en maatschappelijke organisaties die menen rechtstreeks te worden getroffen
door de overschrijding van de grenswaarden voor concentraties van de belangrijkste
luchtvervuilende stoffen kunnen bij de bevoegde rechterlijke instanties het bevoegd
gezag verzoeken om een luchtkwaliteitsplan met maatregelen op te stellen. Als dat
uitblijft kunnen zij in beroep gaan. Onder specifieke voorwaarden is daarnaast een
verzoek om schadevergoeding mogelijk. Het is niet zo dat dit pas kan na langdurige
overschrijding van deze grenswaarden.
Het kabinet werkt integraal aan de fysieke leefomgeving en ruimtelijke keuzes. Waar
mogelijk worden koppelkansen voor de luchtkwaliteit benut bij het nemen van maatregelen
op onder andere het terrein van stikstof, klimaat en energie benut.
Hoofdlijnen van de richtlijn
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het teleurstellend dat er geen ambitieuzere
grenswaarden en streefdata zijn gesteld. Dit was een uitstekend moment om dat te doen.
Vooral voor het pad richting zero-pollution heeft behoefte aan tussenstappen en afrekenbare
deadlines. De richtlijn schrijft verder geen maatregelen en bronnen voor, maar deze
leden hadden graag gezien dat er ook meer specifieke targets voor bronnen en sectoren
zouden komen en dat de blootstellingsindex sterker zou zijn uitgewerkt, als een effectief
middel om juist daar waar veel mensen wonen, de grootste stappen te kunnen zetten.
Dat zou dan de grootste gezondheidsbaten opleveren en de regeling sneller effectief
maken. Waarom is hier niet voor gekozen?
De totstandkoming van normen is ook binnen Europa de uitkomst van weging van verschillende
belangen. De aangescherpte grenswaarden voor 2030, die voor heel Europa gelden, vormen
een belangrijke stap voorwaarts, als tussenstap richting «zero pollution» in 2050.
Daarnaast bevat de richtlijn bepalingen die tot doel hebben «zero pollution» in 2050
dichterbij te brengen. Zo is er de verplichting om de gemiddelde blootstelling van
de bevolking te verminderen in de periode tussen 2030 en 2050. Gemiddeld moet de stedelijke
achtergrondconcentratie gedurende die periode geleidelijk dalen tot de advieswaarden
van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) bereikt zijn.
Dat deze verplichting voor het verminderen van de gemiddelde blootstelling niet strenger
is, is de uitkomst van de onderhandelingen.
Deze richtlijn legt inderdaad primair normen vast voor de maximale concentraties van
de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht, waaronder stikstofdioxide
en de twee fijnstoffracties PM10en PM2,5. De richtlijn gaat niet over emissiegrenswaarden van verschillende bronnen en laat
het aan de lidstaten over om passende maatregelen te kiezen. Deze richtlijn maakt
deel uit van een samenhangend «bouwwerk» van Europese regelgeving, waarvan meerdere
regels onderdeel zijn die zich direct of indirect richten op bronnen. Het gaat daarbij
om de richtlijn gericht op nationale emissieplafonds (de NEC-richtlijn) en een hele
serie verordeningen en richtlijnen gericht op het verder terugdringen van emissies
in verschillende sectoren. Voorbeelden hiervan zijn de Richtlijn industriële emissies
(RIE) die is gericht op industriële installaties, de Ecodesign-richtlijn die is gericht
op producten, de EURO-normen die zich richten op verduurzaming van het wegverkeer,
en diverse pakketten wet- en regelgeving die zijn gericht op de landbouw. Het is daarbij
zaak dat de normen die in deze brongerichte wetgeving op Europees niveau zijn overeengekomen,
worden nageleefd en niet verder worden afgezwakt, om zo het halen van de grenswaarde
uit de richtlijn luchtkwaliteit mogelijk te maken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreuren ook dat er geen norm is opgenomen
voor ultrafijnstof (PM0,1) of op z’n minst een mechanisme om een precieze grenswaarde toe te voegen, zodra
de Gezondheidsraad later dit jaar met een advies komt. Ook voor ultrafijnstof (UFP)
zou een blootstellingscriterium moeten komen, niet alleen voor de buitenlucht langs
de openbare weg, maar ook overal daar waar mensen werken, zoals Schiphol of in de
zware industrie. Waarom is hier niet voor gekozen?
De herziene richtlijn bevat inderdaad geen nieuwe normen voor de maximale concentraties
van ultrafijnstof. Wel is er een nieuwe verplichting voor het monitoren van ultrafijnstof
op een aantal meetstations. Deze verplichting zal worden geïmplementeerd in de omzettingsregelgeving.
Het RIVM zal het meten van ultrafijnstof ook opnemen in het luchtmeetnet. De additionele
metingen zijn nodig voor kennisverbreding over nationale ultrafijnstof concentraties,
de verspreiding en de effecten op de gezondheid.
De herziene richtlijn bevat een artikel, waarin staat dat uiterlijk eind 2030 een
evaluatie plaatsvindt, en daarna elke vijf jaar of vaker, indien wetenschappelijke
inzichten daar aanleiding toe geven. Met deze evaluatie wordt bekeken of de geldende
normen nog steeds geschikt zijn om de doelstelling van de richtlijn – het vermijden,
voorkomen of verminderen van schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens het
milieu – te verwezenlijken. Daarbij wordt nadrukkelijk bekeken of er ook andere luchtvervuilende
stoffen moeten worden opgenomen. Dit vereist dan wel een reguliere wetgevingsprocedure
waarin Raad en Europees parlement het eens moeten worden over een door de Europese
Commissie uitgebracht voorstel. Het is niet uit te sluiten dat tegen die tijd dermate
veel nieuwe kennis over ultrafijnstof beschikbaar is, dat dit meegenomen wordt in
de evaluatieprocedure. De Europese Commissie kan dan voorstellen normen en/of extra
meetverplichtingen voor ultrafijnstof toe te voegen aan Europese wet- en regelgeving.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreuren verder dat de regeling vooral weer
lijkt te focussen op jaargemiddelden. Het is begrijpelijk vanuit een bestuurlijke
context en het nemen van structurele maatregelen, dat jaargemiddelden een makkelijke
norm zijn om beleidseffecten op te toetsen en af te rekenen. Echter, voor de gezondheid
van mensen is bij veel van de gereguleerde stoffen naast de structurele blootstelling
ook piekbelasting van groot belang. Deze leden wijzen hierbij bijvoorbeeld op het
onderzoek van de gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) en het Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu (RIVM) naar de acute negatieve gezondheidsgevolgen voor
kinderen die worden blootgesteld aan UFP van Schiphol. Een jaargemiddelde norm voor
UFP, mocht die worden toegevoegd, is dan onvoldoende. Is de regering bereid om alsnog
effectieve dag- en uur normen op te nemen voor alle stoffen waarvan kortetermijnpiekbelasting
negatieve effecten op de gezondheid heeft?
Het kabinet is zich ervan bewust dat kortdurende blootstelling aan luchtvervuilende
stoffen negatieve gezondheidsgevolgen kan hebben. De richtlijn bevat normen voor dag-
en uurgemiddelden voor verschillende luchtverontreinigende stoffen. Concentraties
mogen een aantal keer per jaar boven de bij de norm horende waarde komen alvorens
sprake is van een overschrijding, afhankelijk van de stof. Uit de richtlijn vloeit
een overschrijdingstoets verplichting. Nederland toetst hierop, en rapporteert de
resultaten aan de Europese Commissie en in de jaarlijkse monitoringsrapportage aan
de Tweede Kamer.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren ten slotte dat alle andere gezondheidsschadelijke
stoffen in de lucht volledig ontbreken. Zowel verschillende industriële emissies,
van zoutzuur tot PFAS, maar ook bijvoorbeeld de blootstelling aan fijnstof uit de
landbouw, belast met grote hoeveelheden bacteriën en virussen die onder verdacht staan
van het vooroorzaken van zoönose. Hiervoor bestaan vaak emissienormen, maar geen concentratienormen.
Deze leden zouden graag zien dat de nieuwe wet de mogelijkheid biedt om, waar nodig,
of bij voortschrijdend inzicht, stoffen en concentratienormen eenvoudig toe te voegen.
Is de regering hiertoe bereid?
De richtlijn luchtkwaliteit gaat primair over maximumconcentraties van de luchtvervuilende
stoffen die gemiddeld over een groter gebied verantwoordelijk zijn voor de meeste
gezondheidsschade. Het gaat hierbij met name om fijnstof en stikstofdioxide, ongeacht
uit welke bron. De genoemde stoffen en zoönose worden op andere manieren, via andere
wet- en regelgeving gereguleerd. Elke vijf jaar, beginnend in 2029, of vaker als nieuwe
wetenschappelijke inzichten (zoals aangepaste WHO-advieswaarden) daartoe aanleiding
geven, zal de Europese Commissie kritisch kijken of nieuwe stoffen opgenomen zouden
moeten worden in de richtlijn luchtkwaliteit of dat bestaande normen voor concentraties
van luchtvervuilende stoffen moeten worden aangescherpt.
Daarnaast kan het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangepast als de regering
zou besluiten om nieuwe normen en stoffen als rijksomgevingswaarden op te nemen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat veel inhoudelijke keuzes, waaronder aangescherpte
normen en verplichtingen rond monitoring en planning, via Algemene Maatregelen van
Bestuur en ministeriële regelingen worden uitgewerkt. Zij vragen hoe wordt geborgd
dat de Tweede Kamer tijdig en inhoudelijk wordt betrokken bij deze uitwerking. Kan
de regering aangeven wanneer de conceptwijzigingen van het Bkl en de Or beschikbaar
komen en op welke wijze de Kamer daarover wordt geïnformeerd? Deze leden vernemen
daarnaast graag hoe inspraak en consultatie worden georganiseerd bij deze lagere regelgeving
en hoe daarbij de inbreng van uitvoerende partijen wordt meegenomen.
Met het oog op het halen van de implementatietermijn van 12 december 2026, wordt,
zoals in mijn algemene opmerkingen aangegeven, eerst ingezet op beleidsarme en lastenluwe
implementatie. Daarmee zal voor de technische wijziging van het Besluit kwaliteit
leefomgeving en bijvoorbeeld omzetting van in de richtlijn herziene monitoringsregels
in de Omgevingsregeling geen consultatie, participatie of toetsing op uitvoerbaarheid
plaats vinden. De inzet is namelijk ook daarbij 1-op-1 implementatie. Dit ligt anders
bij de hiervoor benoemde beleidsrijke regelgeving. Daarvoor verwacht ik eind 2026
eerste concepten gereed te hebben. Tegen die tijd zal ook het proces voor consultatie,
participatie en uitvoerbaarheid duidelijk zijn. Met VNG en IPO wordt ook gekeken naar
inpassing van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden. Deze gaat niet alleen
over wetgeving, maar ook over hoe interbestuurlijk samen te werken aan effectieve
maatregelen.
Intussen worden gemeenten, provincies en andere stakeholders geïnformeerd via Webinars.
Daarnaast wordt gewerkt aan een pagina op de website van het Informatiepunt Leefomgeving
met meer informatie over het proces en de inhoud.
Achtergrond en doel van de richtlijn
De leden van de D66-fractie lezen dat het uiteindelijke streven van de richtlijn is
om te voldoen aan de WHO-advieswaarden. Kan de regering nader toelichten in hoeverre
de huidige technische wetswijziging de basis legt voor de meer inhoudelijke aanscherpingen
die op het niveau van de algemene maatregel van bestuur worden geregeld?
Met de beantwoording van de vragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en
de leden van de Partij voor de Dieren-fractie over de Inleiding heb ik aangegeven
dat de omzetting en uitvoering van de richtlijn, en daarmee onder andere het vastleggen
van de nieuwe Europese normen voor 2030, een eerste tussenstap vormt richting de WHO-advieswaarden.
Ook de bepalingen rond de verplichting om na 2030 de gemiddelde blootstelling te verminderen
totdat de WHO-advieswaarden zijn behaald, maken onderdeel uit van de implementatie.
Met de technische implementatie op wetsniveau en daarna in het Besluit kwaliteit leefomgeving
wordt die stap ook via de Nederlandse wetgeving geborgd.
De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de implementatie van de richtlijn in de
praktijk vooral gevolgen kan hebben voor gemeenten, provincies en omgevingsdiensten,
bijvoorbeeld op het gebied van monitoring, het opstellen van plannen en handhaving.
Zij vragen hoe de regering de uitvoerbaarheid van deze taken beoordeelt. Welke extra
inzet, middelen en expertise acht de regering noodzakelijk bij decentrale overheden
om aan de nieuwe verplichtingen te voldoen? Kan de regering inzicht geven in de verwachte
kosten en capaciteitseffecten en toelichten hoe deze in beeld worden gebracht en gemonitord?
In het huidig wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit in Nederland zijn er meerdere
verplichtingen voor het Rijk en voor decentrale overheden om de luchtkwaliteit te
monitoren en om een programma op te stellen wanneer er sprake is van een overschrijding
van een luchtkwaliteitsnorm. Het kabinet is van mening dat dit stelsel goed gewerkt
heeft om het aantal overschrijdingen in Nederland fors terug te dringen. Het is daarmee
een werkbaar systeem gebleken.
De nieuwe richtlijn heeft niet tot gevolg dat gemeenten en provincies (fors) meer
moeten investeren in middelen en expertise om de luchtkwaliteit te monitoren of om
te handhaven. Met de implementatie van de herziene luchtkwaliteitsrichtlijn blijft
dit stelsel daarom overeind.
Op dit moment lijkt het erop dat er als gevolg van de aangescherpte normen in 2030
meer overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen zullen zijn dan op dit moment het
geval is. Zie hiervoor ook de brief die in december 2025 aan de Kamer is gestuurd.4Dit vraagt aanvullende maatregelen, die geld zullen kosten en extra capaciteitsinzet
vergen. Op dit moment zijn hiervoor geen middelen beschikbaar. Indien te zijner tijd
wordt geconstateerd dat aanvullende maatregelen nodig zijn zal hiervoor dekking moeten
worden gevonden binnen de eigen begroting. Zoals in de genoemde kamerbrief ook is
aangekondigd, wordt momenteel verkend op welke wijze de samenwerking tussen Rijk,
provincies en gemeenten in het kader van de richtlijn zal worden vormgegeven.
Grenswaarden
De leden van de D66-fractie merken op dat de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide
voor 2030 aanzienlijk worden aangescherpt. Hoe verhoudt de in het wetsvoorstel genoemde
verplichting om de gemiddelde blootstelling van de bevolking jaarlijks te verminderen
zich tot de reeds bestaande nationale doelstellingen voor luchtkwaliteit? Kan de regering
bevestigen dat de technische aanpassing van de Ow voldoende juridische grondslag biedt
voor het handhaven van deze nieuwe reductieverplichtingen?
De grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide worden met de herziene richtlijn
Luchtkwaliteit per ingang van 2030 inderdaad aangescherpt
Op grond van de herziene richtlijn geldt daarnaast ook een verplichting om vanaf 2030
de gemiddelde blootstelling van de bevolking te verminderen voor de stoffen stikstofdioxide
en fijnstof (PM2,5). Voor PM2,5is er op grond van de oude richtlijn nu ook al een enigszins vergelijkbare verplichting5, zij het als inspanningsverplichting, voor stikstofdioxide is die helemaal nieuw.
Er is dus voor deze stof al sprake van een juridische grondslag die niet op het niveau
van de wet is. Het doel van dit instrument is om ook na 2030, als de jaargemiddelde
normen voor stikstofdioxide en PM2,5 behaald zijn, concentraties te blijven verlagen totdat de advieswaarden van de WHO
bereikt zijn. Vanaf 2030 gelden jaarlijks reductieverplichtingen in de vorm van percentuele
reducties van concentraties in de lucht ten opzichte van 10 jaar eerder. De nieuwe
reductieverplichtingen zullen net als de bestaande inspanningsverplichting op dat
gebied, in de aanstaande wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden meegenomen.
Hiervoor is het niet nodig om de Omgevingswet te wijzigen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen waarom het voorstel tot wijziging
van afdeling 2.2. van het Bkl, waarin alle grenswaarden staan, niet naar de Kamer
is gestuurd. Klopt het dat het deze grenswaarden zijn die aangepast moeten worden
en dat dit voor december moet gebeuren? Zo nee, hoe zit het dan? Deze leden vragen
of er en, zo ja, welke extra maatregelen getroffen gaan worden om onze luchtkwaliteit
onder de meest actuele WHO-normen te krijgen. En als de regering dit niet van plan
is, kan zij dan uitleggen waarom niet, gezien al het wetenschappelijk onderzoek dat
aantoont hoe schadelijk luchtverontreiniging is voor onze gezondheid en dat de maatschappelijke
kosten (in euro's) groot zijn? Kan de regering dan schetsen van hoeveel schade in
euro's (geschat) als gevolg van niet voldoen aan WHO-advieswaarden zij is uitgegaan
en hoe ze dan de afweging heeft gemaakt? Op welke adviezen van gezondheidsexperts
baseert de regering zich? Is er met milieuexperts en gezondheidsexperts gepraat over
de invulling van de voorliggende wetswijziging en, zo ja, met wie en wat waren de
adviezen?
Zoals hiervoor ook is vermeld, worden de omgevingswaarden en daarmee de nieuwe grenswaarden
voor concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen op het niveau van
een algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Deze wijziging van het Besluit kwaliteit
leefomgeving is nu in voorbereiding.
Het kabinet is bekend met het onderzoek van het PBL uit juni 2025 over de maatschappelijke
kosten van luchtvervuiling6 waarin de kosten van luchtverontreiniging op ongeveer 19,5 miljard euro zijn geschat.
Dit is bijna geheel toe te rekenen aan gezondheidsschade. Voor het halen van de WHO-advieswaarden
vormt de aanscherping in de richtlijn en daarmee dit wetsvoorstel met bijbehorende
lagere regels een eerste belangrijke tussenstap. In Europees verband wordt verder
gewerkt aan het stapsgewijs toewerken naar het halen van waarden die niet schadelijk
zijn voor de gezondheid. De WHO-advieswaarden zijn daarvoor leidend.
Zoals al eerder vermeld, heeft bij de totstandkoming van de richtlijn een impactassessment
plaatsgevonden7, waarbij diverse experts betrokken zijn geweest. Een wetvoorstel is een juridische
vastlegging van de eerder gemaakte afspraken. In de voorbereidingsfase van het wetvoorstel
zijn gezondheids- en milieuexperts dan ook niet opnieuw betrokken. Omdat dit wetsvoorstel
strikte implementatie betreft en bovendien in grote mate (wets-)technisch van aard
is, heeft voor dit wetsvoorstel geen consultatie plaatsgevonden. Dit is ook vermeld
in de memorie van toelichting.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het RIVM ervan uitgaat
dat de we de luchtkwaliteitsdoelen uit de richtlijn kunnen halen, mits we onze klimaatdoelen
behalen, de ammoniakemissies verlagen en specifiek ook de ammoniakemissie-eisen voor
grote stallen aanscherpen. Deze leden merken op dat deze aanpassing van de ammoniakeisen
voor grote stallen nu niet van de grond komt. Ook merken deze leden op dat uit de
recente wijziging van de Richtlijn industriële emissies juist minder strenge eisen
voor de intensieve veehouderij komen. Deze leden vragen dan ook af hoe de regering
ervoor gaat zorgen dat de aangescherpte grenswaarden voor de luchtkwaliteit overal
in Nederland gehaald gaan worden en welke extra maatregelen om de ammoniakuitstoot
naar beneden te brengen de regering daarvoor gaat nemen. Deze leden vragen ook hoe
de regering de gezondheid beter gaat borgen, aangezien we ook niet op koers zijn om
de klimaatdoelen te halen en dat negatieve effecten heeft op de volksgezondheid. Gaat
de regering bij gezondheidsexperts toetsen of haar keuzes de gezondheid van mensen
rondom bijvoorbeeld veehouderijen en mestvergisters, voldoende beschermen? Zo ja,
hoe? Weet de regering wat de maatschappelijke kosten zijn van milieuvervuiling volgens
instanties als het PBL? Hoe neemt ze die feiten mee in de verdere invulling van haar
beleid?
Zoals ik heb geantwoord op de vragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie over
de hoofdlijnen van de richtlijn, gaat de richtlijn luchtkwaliteit primair over maximumconcentraties
van de luchtvervuilende stoffen die gemiddeld over een groter gebied verantwoordelijk
zijn voor de meeste gezondheidsschade. Het gaat hierbij met name om fijnstof en stikstofdioxide,
ongeacht uit welke bron.
De richtlijn bevat geen grens- of streefwaarden voor de concentraties van ammoniak,
maar dit is desondanks wel een stof die voor de luchtkwaliteit een rol speelt, met
name vanwege het ontstaan van secundair fijnstof uit ammoniak, via chemische processen
in de buitenlucht. Ammoniak wordt binnen de systematiek van de richtlijn luchtkwaliteit
wel degelijk gemonitord, om de bijdrage van secundair fijnstof aan de totale concentratie
fijnstof te kunnen bepalen. Binnen de Richtlijn Industriële Emissies zijn er emissiegrenswaarden
voor ammoniak neergelegd en er geldt vanuit de NEC-richtlijn een emissieplafond voor
ammoniak voor alle lidstaten Zoals, op de vorige pagina, vermeld is in het rapport
van het PBL uit juni 2025 een inschatting opgenomen van de maatschappelijke kosten
van luchtvervuiling. Deze inschatting stelt overheden in staat om de kosten van maatregelen
gericht op het terugdringen van emissies en het bevorderen van een gezonde leefomgeving
af te kunnen zetten tegen de maatschappelijke baten en zo gezondheid volwaardig mee
te wegen in het beleid. Op die manier integreren we het beginsel «de vervuiler betaalt»
steeds meer in beleid en wetgeving. In het kader van de richtlijn luchtkwaliteit zijn
geen gezondheidsexperts specifiek bevraagd over de bescherming van omwonenden rond
mestvergisters en veehouderijen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de regering of zij een overzicht
kan geven van de verwachte bijdrage per sector aan concentraties van PM2,5, PM10 en NO2 in Nederland richting de nieuwe normjaren en hoe dat zich verhoudt tegenover gezondheid.
Hoe worden cumulatieve effecten van landbouwemissies en andere emissies op lokale
luchtkwaliteit juridisch meegewogen en welke ruimte is er theoretisch om wetgeving
daarin te verbeteren als we dat zouden willen? Is de regering bereid, met behulp van
gezondheidsexperts, gezondheidsindicatoren explicieter te koppelen aan ammoniakreductiedoelen?
Voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen PM2,5, PM10 en NO2 hangen de bijdragen per sector sterk af van waar getoetst wordt aan de normen. Afstand
tot bronnen, verspreiding, verdunning en transformatieprocessen in de lucht. Via de
zogenoemde GCN-tool8 van het RIVM is per gemeente de bijdrage van de verschillende sectoren uit de Grootschalige
Concentratiekaarten Nederland (GCN) voor 2030 op te vragen. Hoe de verschillende sectoren
bijdragen aan gezondheidseffecten wordt tweejaarlijks uitgerekend in het kader van
het Schone Lucht Akkoord (SLA). De Kamer zal een actualisatie van de voortgang van
het SLA, inclusief een indicatie van de bijdrage van de verschillende sectoren aan
negatieve effecten op de bevolking ontvangen voor de zomer.
De normen in de richtlijn gaan enkel over de maximaal toegestane concentraties van
de belangrijkste luchtverontreinigende stoffen in de lucht. Welke maatregelen vervolgens
in welke verhoudingen genomen kunnen worden, hangt af van de effectiviteit, de mogelijkheden
en politieke keuzes. Hierbij wordt gestreefd naar een gebalanceerde en rechtvaardige
aanpak, waar ook het principe «de vervuiler betaalt» deel van uitmaakt.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat houtstook een belangrijke
bron is van fijnstof in woongebieden. Houtstook is volgens het Longfonds verantwoordelijk
voor 13% van de negatieve gezondheidseffecten door de luchtvervuiling die we in Nederland
zelf veroorzaken. Van de 1,2 miljoen mensen in Nederland met een longziekte, ervaren
ruim 750.000 mensen gezondheidsklachten door houtstook. Bij een kwart van de mensen
met een longziekte leidt het zelfs tot een longaanval, en één op de drie moet extra
medicijnen nemen om weer een beetje te kunnen functioneren. Houtstook zorgt voor 26%
van het fijnstof (PM2,5) dat we in Nederland met elkaar produceren. Ter vergelijking, dat is meer dan het
fijnstof afkomstig van het wegverkeer. Onderzoek van CE Delft laat zien dat maatregelen
om houtstook tegen te gaan het meest effectief zijn om fijnstof in Nederland te verminderen.
In 2022 is aangetoond dat houtstook niet alleen bij de naaste buren tot vervuiling
en klachten leidt, maar ook op buurtniveau. Vooral (ongeboren) kinderen zijn extra
kwetsbaar voor de effecten van houtstook. Deze leden vragen de regering welke bijdrage
houtstook levert aan overschrijdingsrisico’s onder de nieuwe normen en of naleving
van de richtlijn haalbaar is zonder aanvullend houtstookbeleid. Zo nee, welk additioneel
beleid gaat de regering nemen?
Houtstook is de voornaamste bron van verhoogde PM2,5 concentraties in de lucht, zoals
de leden van de Partij voor de Dieren aanhalen. De huidige prognoses laten een beperkt
aantal dreigende overschrijdingen zien van de aangescherpte norm voor PM2,5 vanaf
2030. Die dreigende overschrijdingen clusteren zich vooral rondom industrieterreinen
in Nederland en zijn niet gelijk terug te leiden tot (woon)wijken waar mogelijk veel
houtstook zou zijn. Het is daarom niet op voorhand duidelijk of additioneel beleid
voor houtstook nodig is om de normen voor PM2,5 te halen. Welke maatregelen kunnen
bijdragen aan het oplossen van de knelpunten, zal nog worden bezien.
Luchtkwaliteitsplannen en routekaarten
De leden van de D66-fractie hebben vragen over de introductie van de zogenaamde routekaarten
als nieuw type luchtkwaliteitsplan. Waarom is ervoor gekozen om de specifieke aspecten
van de routekaart pas in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) uit te werken en
niet reeds kaders hiervoor in de wet op te nemen? Op welke wijze wordt geborgd dat
de routekaarten tijdig, uiterlijk twee jaar na een geregistreerde overschrijding,
worden vastgesteld?
Zoals bij de algemene opmerkingen vooraf ook is vermeld, zijn in dit wetsvoorstel
alleen de technische wijzigingen van de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht
opgenomen die noodzakelijk zijn om de herziene richtlijn te implementeren. Het niveau
van regelgeving (wet-amvb-regeling) waarop aanpassingen in het stelsel van de Omgevingswet
worden gedaan, is vooraf bepaald door de keuzes die bij de totstandkoming van die
wet zijn gemaakt. In dat systeem is de nadere uitwerking van de programmaplicht die
ook geldt voor luchtkwaliteitsplannen opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Routekaarten zijn een variant van luchtkwaliteitsplannen die als programma in het
stelsel van de Omgevingswet op amvb-niveau zijn ingeregeld. Eventuele wijzigingen
zullen daarom in een wijzigings-amvb worden opgenomen.
Om te borgen dat routekaart(en) tijdig gereed zullen zijn, worden op dit moment de
mogelijkheden voor samenwerking verkend waarmee tijdig één of meer routekaarten, eventueel
aan te vragen uitstel en het in onderlinge samenhang tijdig nemen van maatregelen
kunnen worden gerealiseerd.
Monitoring supersites
De leden van de D66-fractie steunen de verplichting tot het inrichten van monitoring
supersites voor het meten van onder andere ultrafijne deeltjes en zwarte koolstof.
Kan de regering toelichten hoeveel van dergelijke locaties in Nederland voorzien zijn
en of de technische wetswijziging invloed heeft op de verdeling van de monitoringsverantwoordelijkheden
tussen het Rijk en de kennisinstituten?
Zoals eerder aan de Kamer is gecommuniceerd9, worden er twee supersites gerealiseerd in Nederland. De rurale supersite wordt gesitueerd
in het bestaande meetstation in Cabauw. Het RIVM realiseert daarnaast de stedelijke
supersite op meetlocatie Zwartewaalstraat te Rotterdam. Deze wordt in samenwerking
met de DCMR Milieudienst Rijnmond opgezet. In de loop van dit jaar kunnen de resultaten
van de monitoring van verschillende stoffen, die op de supersites gemeten moeten worden,
worden ingezien op www.luchtmeetnet.nl.
De technische wetswijziging heeft geen invloed op de verdeling van de monitoringsverantwoordelijkheden
tussen het Rijk en de kennisinstituten. Zo is het RIVM de bevoegde autoriteit op het
bevorderen van de kwaliteit van modeltoepassingen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat monitoringsverplichtingen
zich vooral richten op de concentraties over grotere gebieden. Specifieke lokale monitoring
van concentraties en depositie van bijvoorbeeld (ultra)fijnstof, lood en andere metalen
rond grote bedrijven wordt door deze richtlijn niet vereist.
Kan de regering toezeggen om in de verdere uitwerking van de richtlijn de lokale monitoring,
zoals voorgesteld door het RIVM, te implementeren en vast te leggen in wetgeving,
zodat we overal beter zicht hebben op de luchtkwaliteit rondom grote vervuilers?
Hoe wordt rekening gehouden met lokale piekbelasting die niet zichtbaar is in gemiddelde
waarden? Is de regering bereid laagdrempelig en zoveel mogelijk real-time meetgegevens
publiek toegankelijk te maken, zodat er zo min mogelijk achterstand is in informatievoorziening
over wat er uitgestoten wordt in leefomgeving van mensen?
Het RIVM heeft op basis van de richtlijn gekeken naar de meetverplichtingen en vult
deze in. De regering volgt bij de implementatie in wet- en regelgeving van het vereiste
aantal meetpunten in het meetnet de aanbevelingen van het RIVM. Het meetnet meet de
concentraties van luchtverontreinigende stoffen volgens de eisen uit de richtlijnen
voor de luchtkwaliteit. Dit betekent uitmiddeling over minimaal uurlijkse waarden.
Hierbij zullen noodzakelijkerwijs pieken uitgemiddeld worden over een uur.
Meetdata van het luchtmeetnet worden ieder uur geactualiseerd en beschikbaar gesteld
op www.luchtmeetnet.nl, conform de meetnormen en eisen aan publieksinformatie uit de huidige en herziene
richtlijnen luchtkwaliteit. Ook zijn er verwachtingen voor de luchtkwaliteit voor
de komende 72 uur beschikbaar op dezelfde website.
In aanvulling op de eisen uit de richtlijn zal in het kader van de opvolging van de
Actieagenda Industrie en Omwonenden een meetpilot worden uitgevoerd bij enkele industriële
clusters. Deze pilot richt zich op praktijkoplossingen voor het verbeteren van de
betrouwbaarheid, transparantie en bruikbaarheid van emissie- en immissiemetingen rond
industriële activiteiten binnen het stelsel dat hiervoor al bestaat. Ook wordt daarbij
verkend hoe omwonenden meer betrokken kunnen worden bij deze metingen. Over eventuele
vervolgstappen zal worden besloten na afronding van de pilot.
Ook vragen deze leden op welke manier de verspreiding van ammoniak en bestrijdingsmiddelen
in de lucht zal worden gemeten.
Is de regering het met deze leden eens dat de acht meetstations voor ammoniak te weinig
zijn voor een representatieve meting in heel Nederland?
Is de regering bereid om hier met gezondheidsexperts naar te kijken om tot verbetering
te komen waar nodig?
Bestrijdingsmiddelen vallen niet binnen de kaders van de herziene richtlijn luchtkwaliteit
en zullen dus geen onderdeel zijn van de technische implementatie. Er gelden vanuit
deze richtlijn geen grenswaarden voor ammoniak en bestrijdingsmiddelen in de buitenlucht.
In het blootstellingsonderzoek OBO-210 wordt in de lucht rondom landbouwvelden de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
onderzocht via metingen in buitenlucht, huishoudstof en urine van bewoners. Deze informatie
wordt gecombineerd met contextuele informatie om spraydrift, verdamping en achtergrondniveaus
in kaart te brengen.
Ammoniak is een belangrijke stof wat betreft de stikstofdepositie op natuurgebieden.
De depositie op Nederland berekent RIVM met het OPS-model. Dit model wordt gevalideerd
met behulp van concentratiemetingen. Naast de meetpunten uit het LML beschikt RIVM
ook over een uitgebreid Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN). Dit bestaat uit
meer dan 300 meetpunten in natuurgebieden. Deze meten de ammoniakconcentratie weliswaar
minder nauwkeurig per meetpunt, maar is door het grote aantal meetpunten als geheel
wel nauwkeurig. Met het MAN gecombineerd met het LML worden de ammoniakconcentraties
in Nederland representatief gemeten.
Zoals bij de beantwoording van de vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie
over de grenswaarden is vermeld, wordt ammoniak in het kader van de richtlijn luchtkwaliteit
gemeten om onder andere inzicht te krijgen in de vorming van secundair fijnstof in
de lucht. De regering volgt voor de inrichting van het meetnet de adviezen van de
experts van het RIVM. Voor ammoniak is dit te vinden in adviesrapport «Op weg naar
een optimale meetstrategie voor stikstof»11. Het meetnet voor ammoniak is ingericht in lijn met dit rapport. De huidige opzet
van negen ammoniak meetstations die uurlijks data opleveren is voor het doeleinde
om secundaire fijnstofvorming inzichtelijk te maken voldoende. Daarnaast wordt verkend
hoe een extra meetpunt voor ammoniak ingericht kan worden op de rurale luchtkwaliteitsupersite
te Cabauw. Ik ben het daarom niet met de leden eens dat dit te weinig is voor representatieve
metingen. Zoals gezegd is op Europees niveau de input van experts gebruikt voor de
gezondheidsimpact van de richtlijn en is dat niet op Nederlands niveau gebeurd.
Sanctionering
De leden van de D66-fractie vragen de regering of het bestaande stelsel van bestuursrechtelijke
en strafrechtelijke handhaving inderdaad volledig dekkend is voor de nieuwe eisen
uit de richtlijn, gezien de specifieke eisen aan doeltreffende en afschrikkende sancties.
Wordt de effectiviteit van de huidige sanctiemogelijkheden in het kader van deze richtlijn
periodiek geëvalueerd?
Verplichte monitoring en evaluatie is niet in het wetsvoorstel opgenomen omdat het
implementatiewetgeving betreft. Als er signalen komen uit de praktijk dat de bestaande
sanctiemogelijkheden via het strafrecht onvoldoende mogelijkheden bieden, zullen die
het kabinet naar verwachting wel bereiken.
Uitvoering, toezicht en handhaving
De leden van de D66-fractie vragen de regering of de omgevingsdiensten voldoende zijn
toegerust op de uitvoering van de nieuwe taken, in het bijzonder wat betreft het toezicht
op de aangescherpte grenswaarden.
Het toezicht op de grenswaarden valt binnen de huidige taken van de omgevingsdiensten.
Er zijn geen nieuwe stoffen waarvoor grenswaarde zijn opgenomen. Er zijn wel stoffen
die onder de oude richtlijn streefwaarden hadden, die met de herziene richtlijn grenswaarden
hebben gekregen. Als bij de beleidsinhoudelijke regelgeving (opvolgende fase) alsnog
ervoor wordt gekozen om nieuwe taken aan de omgevingsdiensten toe te wijzen, zal voor
die extra taken de financieringsbehoefte in kaart worden gebracht en het gesprek over
worden gevoerd met de decentrale overheden.
De leden van de CDA-fractie informeren hoe wordt geborgd dat de uitvoeringspraktijk
tijdig gereed is voor de aangescherpte normen richting 2030. Welke ondersteuning biedt
het Rijk aan gemeenten, provincies en omgevingsdiensten bij de implementatie?
Zoals ik heb geantwoord op de vragen van de leden van de CDA-fractie over de hoofdlijnen
van de richtlijn, wordt met VNG en IPO gekeken naar inpassing van de Uitvoerbaarheidstoets
Decentrale Overheden. Deze gaat niet alleen over wetgeving maar ook over hoe interbestuurlijk
kan worden samengewerkt aan effectieve maatregelen. Intussen worden gemeenten, provincies
en andere stakeholders geïnformeerd via webinars. Daarnaast wordt gewerkt aan een
pagina op de website van het Informatiepunt Leefomgeving met meer informatie over
het proces en de inhoud.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen hoe handhaving wordt versterkt,
wanneer normen worden overschreden en welke concrete interventies verplicht worden
gesteld.
Het RIVM monitort jaarlijks. Indien er overschrijdingen worden verwacht of zijn van
de herziene grenswaarden wordt dit via de CIMLK-rapportage bekend gemaakt. In het
Nederlandse wettelijk stelsel voor het toetsen aan de luchtkwaliteitsnormen, rust
op gemeenten en op het rijk de programmaplicht van de Omgevingswet, waarbij maatregelen
moeten worden genomen om zo snel mogelijk geen overschrijdingen meer te hebben. Omdat
dit wetsvoorstel strikte implementatie betreft, wordt daarmee geen aanpassing voorgesteld
op deze systematiek.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.H.W. Bertram
Ondertekenaars
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.