Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 857 Goedkeuring van de op 15 november 2023 te Samoa tot stand gekomen Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de leden van de Organisatie van Staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, anderzijds (Trb. 2024, 47)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Vastgesteld 24 april 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van
haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen
afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
1.
Algemene inleiding
1
2.
Artikelsgewijze toelichting
11
3.
Bijlagen
12
4.
Een ieder verbindende bepalingen
12
5.
Koninkrijkspositie
12
1. Algemene inleiding
De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader toe te lichten op welke sectoren
zijn bestempeld als prioriteitssectoren voor samenwerking zoals beschreven onder het
kopje klimaat, duurzame ontwikkeling en handel. Is dit voornamelijk op het gebied van dienstensectoren en digitalisering?
Antwoord:
De prioriteitssectoren voor samenwerking ten behoeve van, onder meer, het creëren
van toegevoegde waarde en fatsoenlijke banen, betreffen landbouw en agro-industrie,
veeteelt en leder, de blauwe economie, visserij, mijnbouw en winningsindustrieën,
de culturele en creatieve sector, duurzaam toerisme, duurzame energie, ICT en vervoer.
Dit staat beschreven in artikel 44.
Kan de regering nader toelichting geven over de uitwerking van de motie van het lid
Becker van 22 februari 2018 (Kamerstuk 21 501-04, nr. 208)? Welke concrete afspraken zijn er opgenomen in de Annex?
Antwoord:
De motie Becker riep er toe op dat Nederland in zou zetten op concrete afspraken in
het Samoa akkoord over het aanpakken van grondoorzaken van migratie, het terugdringen
van irreguliere migratie en het terugnemen van uitgeprocedeerde onderdanen. De regering
heeft uitvoering gegeven aan de motie door in de verdragsonderhandelingen in te zetten
op deze concrete afspraken. De regering is dan ook positief over hoofdstukken 3 en
4 van de Samoa-overeenkomst waarin afspraken over het aanpakken van grondoorzaken
van migratie, het terugdringen van irreguliere migratiestromen en het terugnemen van
uitgeprocedeerde onderdanen zijn opgenomen.
Op het gebied van terugkeersamenwerking worden in hoofdstuk 4 en bijlage I van de
overeenkomst de concrete afspraken over terugkeer en overname uiteengezet. Het betreft
hier regelingen omtrent personen die niet in het bezit zijn van een geldig reisdocument,
vervoersmiddelen voor terugkeer, terugkeer van niet-begeleide minderjarigen en de
mogelijkheid tot het aangaan van bilaterale overeenkomsten of regelingen die de samenwerking
op dit thema bevorderen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Raad van State schrijft dat het niet duidelijk
is waaruit passende en proportionele maatregelen kunnen bestaan binnen de geschillenregeling.
Hoe heeft de regering deze opmerking verwerkt? Graag zien de leden van de VVD-fractie
op dit punt een nadere toelichting met de passende en proportionele maatregelen die
gelden binnen het Verdrag.
Antwoord:
Bij de totstandkoming van de Samoa-overeenkomst is er bewust voor gekozen om passende
en proportionele maatregelen niet limitatief of expliciet in het verdrag op te sommen.
Deze keuze sluit aan bij de systematiek van en ervaringen met de voorloper van dit
verdrag, de op 23 juni 2000 te Cotonou tot stand gekomen Partnerschapsovereenkomst
tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille
Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds (Trb. 2001, 57), ook wel bekend als het Verdrag van Cotonou. Onder het Verdrag van Cotonou bestond bij diverse partnerlanden aanzienlijke kritiek
op de wijze waarop maatregelen1 werden ingevuld en toegepast. Dat heeft het draagvlak en de effectiviteit van de
partnerschappen onder druk heeft gezet. Toch acht de regering het voorstelbaar dat
een versterkte politiek dialoog met een evaluatietraject na een schending door een
verdragspartij tot een dergelijke maatregel zou kunnen behoren.
Bovendien heeft Nederland zich binnen het kader van de Samoa-overeenkomst ingezet
voor een snelle ontwikkeling en uitwerking van het in artikel 101 opgenomen geschillenbeslechtingsmechanisme,
waar de Europese Commissie momenteel aan werkt. Hiervoor heeft Nederland herhaaldelijk
aandacht gevraagd bij de Europese Commissie.
De hoofdonderhandelaars bereikten op 3 december 2020 een politiek akkoord over een
nieuwe partnerschapsovereenkomst. Het ontbrak echter tot 18 juli 2023 aan de vereiste
unanimiteit in de Raad voor vaststellen van het Raadsbesluit tot ondertekening en
(gedeeltelijke) voorlopige toepassing van het verdrag. De leden van de CDA-fractie
vragen op welke onderdelen van het Verdrag er geen unanimiteit bereikt kon worden
binnen de Raad. Wat was het standpunt van Nederland op deze onderdelen waar geen unanimiteit
op gevonden kon worden?
Antwoord:
In de Brusselse onderhandelingen over het vaststellen van dit Raadsbesluit verbonden
enkele lidstaten zwaarwegende wensen op grotendeels andere, inhoudelijk ongerelateerde,
dossiers aan hun goedkeuring van de Samoa-overeenkomst. Gelet hierop liet de vaststelling
van dit Raadsbesluit op zich wachten. De Nederlandse inzet was er daarbij altijd op
gericht om de benodigde unanimiteit te bereiken, opdat het verdrag gedeeltelijk en
voorlopig in werking kon treden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verwelkomen deze overeenkomst. Zij benadrukken
– gezien de veranderende wereldverhoudingen, de opkomst van het mondiale Zuiden, en
de groeiende invloed van Rusland en China in het mondiale Zuiden – het belang van
dit hernieuwde en gemoderniseerde partnerschap. Zij benadrukken dat het van groot
belang is dat dit partnerschap een partnerschap tussen gelijken is dat gezamenlijke
ontwikkelingsuitdagingen zoals ongelijkheid en klimaatverandering aanpakt. In hoeverre
vindt het kabinet dat aan deze eis van gelijkwaardigheid wordt voldaan door de overeenkomst?
In hoeverre ziet het kabinet de overeenkomst as een succesvol middel in de aanpak
van klimaatverandering en ongelijkheid? Waaruit blijkt dat? Acht het kabinet de SDG-agenda
voldoende geborgd? Waaruit blijkt dat?
Antwoord:
De regering is van oordeel dat de Samoa-overeenkomst voldoet aan deze eis van gelijkwaardigheid.
Deze gelijkwaardigheid tussen verdragspartijen is niet alleen verankerd in de gedeelde
besluitvorming binnen de institutionele structuur van de overeenkomst, maar ook in
artikel 2 van de overeenkomst. In het eerste en tweede lid van dit artikel onderstrepen
de verdragspartijen onder meer de wederkerigheid, gedeelde verantwoordelijkheid en
eerbiediging van het beginsel van soevereine gelijkheid tussen alle staten.
Daarnaast acht de regering de overeenkomst een relevant en nuttig kader voor de aanpak
van klimaatverandering en ongelijkheid. Klimaatactie, duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding
zijn expliciet verankerd als kerndoelen van de overeenkomst en worden geïntegreerd
in sectorale samenwerking, onder meer op het gebied van energie, voedselzekerheid
en biodiversiteit. De SDG-agenda is daarbij expliciet als referentiekader opgenomen.
Hiermee wordt erop ingezet dat samenwerking plaatsvindt in lijn met internationaal
overeengekomen doelen en principes.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het Europees Economisch en Sociaal
Comité heeft geadviseerd om in de overeenkomst de betrokkenheid van maatschappelijke
organisaties te garanderen, met name door middel van een «gestructureerde dialoog
en regelmatig overleg met [hen]». Deze leden lezen dat het Europees Parlement in meerderheid
heeft betreurd dat er geen krachtige bepalingen zijn opgenomen voor de betrokkenheid
van het maatschappelijk middenveld. In hoeverre is de betrokkenheid van het maatschappelijk
middenveld geborgd in de overeenkomst? Hoe kunnen maatschappelijke organisaties deelnemen?
Antwoord:
In de overeenkomst wordt het belang van het maatschappelijk middenveld meermaals onderstreept,
en wordt de actieve betrokkenheid van maatschappelijke organisaties gewaarborgd. In
de algemene bepalingen komt dit onder andere terug in artikelen 2, 5, 11, 17, 24,
50, 54, 63, 64, 78 en 82. De betrokkenheid van maatschappelijke organisaties wordt
herbevestigd in de regionale protocollen van de overeenkomst. Waar relevant zijn mechanismen
opgezet om deze betrokkenheid te bevorderen, zoals consultaties van het maatschappelijk
middenveld binnen de partnerschapsdialogen.
Ook vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zich af of het kabinet meer toelichting
kan geven over de «gedetailleerde geschilbeslechtingprocedure» waar het vernieuwde
verdrag in voorziet. Wat voor bescherming biedt dit geschillenbeslechtingsmechanisme
aan investeerders en multinationale bedrijven? Hoe vergaand is die bescherming? Hoe
verhoudt dit mechanisme zich tot, en gaat dit mechanisme niet ten koste van, nationale
overheden en nationale wetgeving, vooral in ontwikkelingslanden en partnerlanden?
Antwoord:
De Samoa-overeenkomst voorziet in artikel 101 in een geschillenbeslechtingsprocedure
tussen de verdragspartijen. Deze procedure ziet uitsluitend op geschillen tussen staten.
Het verdrag bevat geen afspraken over investeringsbescherming.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien ook dat sommige ACS-landen, vooral in
Afrika, echter ernstige bedenkingen hebben geuit tijdens de onderhandelingen over
de zogenoemde Economic Partnership Agreements (EPA’s), omdat zij vrezen dat deze de
ontwikkeling van hun eigen hoogwaardige economie zouden kunnen belemmeren, en
waren terughoudend om er ook maar enige verwijzing naar op te nemen in dit verdrag.
Hoe duidt het kabinet dit? Wat zegt dit over de bijdrage die handelsverdragen leveren
aan duurzame ontwikkeling in partnerlanden?
Antwoord:
Het belang van Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s) als instrument voor handelssamenwerking
is opgenomen in artikelen 16, aangaande handelssamenwerking in het Regionaal Procotol
Afrika, en 50, aangaande handelsbetrekkingen. EPA’s houden rekening met de sociaaleconomische
omstandigheden in ACS-landen. Zo biedt de EU met EPA’s bijvoorbeeld verdergaande markttoegang
aan ACS-landen dan andersom en kunnen ACS-landen gevoelige sectoren uitzonderen van
de handelsafspraken. Ook kunnen de ACS-landen gebruik maken van technische assistentie
door de EU ten behoeve van de implementatie van EPA’s. Dit kan bijdragen aan de duurzame
economische ontwikkeling van ACS-landen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben gezien dat de onderhandelingen over
seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en LHBTI-rechten, zeer moeizaam waren,
dat meerdere partnerlanden zeer terughoudend stonden tegenover het opnemen van bepalingen
over seksuele gerichtheid en genderidentiteit, en dat het in landen – zoals in Nigeria
– tot grote onrust onder onderhandelaars en onder de bevolking heeft geleid. De leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie betreuren dat internationale diplomatie er niet in
slaagt om discriminatie op grond van geslacht of seksuele identiteit te verminderen,
en voor LHBTI’ers in deze landen op te komen. Betreurt het kabinet dit ook? Hoe heeft
het kabinet zich hierover opgesteld in de Europese Raad? Welke rol ziet het kabinet
voor Nederland, die altijd internationaal kartrekker was op deze thema’s? En ziet
het kabinet andere mogelijkheden in het verdrag om wereldwijd te werken aan het verminderen
van discriminatie, criminalisering, en geweld tegen LHBTI’ers, inclusief het toepassen
van de doodstraf tegen LHBTI-mensen door verdragspartners?
Antwoord:
Nederland heeft zich in EU-verband consequent ingezet voor zo sterk mogelijke mensenrechtenbepalingen,
inclusief non-discriminatie, binnen de grenzen van wat in gezamenlijk verband haalbaar
was. De regering blijft van mening dat het verdrag, ondanks beperkingen, belangrijke
aanknopingspunten biedt om via politieke dialoog, mensenrechtenmechanismen en thematische
samenwerking te blijven werken aan SRGR en LHBTI-rechten. Nederland zal zich hier,
in EU-verband en bilateraal, voor sterk maken. Ook binnen, onder andere, de VN-mensenrechtenmechanismen
en coalities zal Nederland een actieve rol blijven vervullen bij het initiëren van
een gezamenlijke inzet om mensenrechtenschendingen op basis van seksuele gerichtheid
en genderidentiteit te voorkomen, te adresseren en te veroordelen. De Nederlandse
steun aan het maatschappelijk middenveld blijft daarbij cruciaal voor de ondersteuning
van LHBTIQ+-personen wereldwijd en als belangrijke informatiebron om de situatie in
verschillende landen te monitoren.
Partijen binnen het Verdrag bevestigen onder andere hun intentie om het Statuut van
Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC) te ratificeren en te implementeren.
De leden van de CDA-fractie constateren dat nog niet alle ACS-landen het Statuut van
Rome geratificeerd hebben. Deze leden vragen welke consequenties voor deze landen
volgen uit het Verdrag.
Antwoord:
De verdragspartijen worden «aangemoedigd» het Statuut van Rome te ratificeren en uit
te voeren, zoals bepaald in artikel 19, derde lid. Dit betreft een inspanningsverplichting
waaraan het verdrag geen consequenties verbindt.
Op het gebied van migratie en mobiliteit zal de Samoa-overeenkomst, in lijn met het
door de Commissie op 23 september 2020 gepresenteerde Asiel- en Migratiepact inzetten
op brede partnerschappen om migratiesamenwerking te verbeteren. Verbeterde samenwerking
op terugkeer en overname van irreguliere migranten is daarnaast een element van de
overeenkomst, waarover in aanvulling een Annex met operationele uitwerking is opgenomen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan schetsen op welke wijze dit
Verdrag en de genoemde Annex in de praktijk zal gaan werken op het gebied van migratie.
Welke passende en proportionele maatregelen kunnen op basis van dit Verdrag genomen
worden bij niet-naleving van de essentiële beginselen uit het verdrag op het gebied
van migratie, die nu nog niet mogelijk zijn?
Antwoord:
Het verdrag zet in op brede, strategische partnerschappen met de ACS-landen, inclusief
samenwerking op migratie. De partijen zijn overeengekomen dat binnen het verdrag samenwerking
op migratiebescherming, terugkeer en overname, en het aanpakken van grondoorzaken
moeten samenkomen. Zo bevestigen verdragspartijen in artikel 74 van de overeenkomst
dat zij het recht hebben om illegaal verblijvende migranten terug te sturen en herbevestigen
zij tevens de wettelijke verplichting van elke EU-lidstaat en elk lid van de Organisatie
van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan («OACPS») om hun eigen
onderdanen die illegaal verblijven op, respectievelijk, het grondgebied van de OACPS-leden
of het grondgebied van de EU-lidstaten, over te nemen, zonder voorwaarden en zonder
andere formaliteiten (behoudens verificatie). De annex bij de overeenkomst geeft verder
een operationele uitwerking op het vlak van samenwerking op terugkeer en overname.
Wat betreft de aard van de mogelijk te nemen maatregelen bij niet-naleving op dit
deelthema verwijst de regering naar het antwoord bij vraag 3. Hoewel de precieze aard
van de te kunnen nemen maatregelen nog nader uitgewerkt wordt, is het voorstelbaar
dat bij de niet-naleving van het verdrag, waaronder ook op afspraken over migratie,
passende en proportionele maatregelen kunnen worden genomen, zoals intensivering van
dialoog, herprioritering van samenwerking of het verbinden van voorwaarden aan samenwerking.
Deze mogelijkheden bestonden in deze samenhang onder eerdere kaders nog niet of in
beperktere mate en niet zo expliciet.
Het Verdrag van Samoa legt onder andere een basis voor relaties tussen de EU en 47
Afrikaanse landen. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij inschat
in hoeverre het Samoa-akkoord de positie van de EU ten opzichte van de invloed van
China en Rusland in Afrika versterkt?
Antwoord:
De Samoa-overeenkomst versterkt de positie van de EU in Afrika door het vastleggen
van de kaders voor brede en duurzame partnerschappen met de Afrikaanse ACS-landen.
De versterkte relaties met deze landen kunnen eraan bijdragen dat de EU haar strategische
belangen in de regio beter kan behartigen, haar invloed vergroten en een stabiele
en voorspelbare partner kan zijn op het gebied van handel, investeringen en ontwikkelingssamenwerking.
Tegelijkertijd biedt het verdrag een kader om samen met partnerlanden over gezamenlijke
prioriteiten zoals handel, migratie en regionale stabiliteit. Dit moet eraan bijdragen
dat de positie van de EU in deze landen wordt versterkt, en dus ook de positie ten
opzichte van andere spelers, waaronder China en Rusland.
De leden van de CDA-fractie vragen verder welke monitoringmechanismen beschikbaar
zijn en hoe Nederland in EU-verband gaat optreden als partnerlanden afspraken structureel
niet nakomen? Welke formele evaluatiemomenten zijn er en hoe kan Nederland tussentijds
bijsturen of blokkeren?
Antwoord:
De Samoa-overeenkomst voorziet in diverse monitoring- en evaluatiemechanismen om een
doeltreffende uitvoering te verwezenlijken.2 Tot deze mechanismen behoren, onder andere, periodieke evaluaties, gezamenlijke instellingen
en politieke dialoog op verschillende niveaus.
De uitvoering van het verdrag, en de dus daarbij horende monitoring en evaluatie,
wordt binnen het kader van de in artikel 6 bedoelde partnerschapsdialoog regelmatig
besproken. Nederland kan bij de monitoring en evaluatie van de uitvoering van het
verdrag, in EU-verband, bijsturen en, indien nodig, eventuele samenwerkingen blokkeren
of herprioriteren.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering een reflectie kan geven op de kritiek
die in sommige ACP-landen zou leven dat er met dit Verdrag sprake zou zijn van «neo-kolonialisme»
en «eurocentrisme».3
Antwoord:
De regering deelt deze kwalificatie niet en wijst erop dat het verdrag gezamenlijk
is uitonderhandeld, ruimte laat voor regionale differentiatie en expliciet wordt uitgevoerd
op basis van de beginselen van wederzijds respect en verantwoordingsplicht, gelijkheid
en gedeelde verantwoordelijkheid.
Deze leden vragen tevens hoe de regering denkt te kunnen voorkomen dat de economische
component van het Samoa-akkoord leidt tot versterkte afhankelijkheid of eenzijdige
handelsvoordelen voor Europese bedrijven.
Antwoord:
De economische component van de Samoa-overeenkomst is gericht op duurzame en inclusieve
groei. Een Economisch Partnerschapsakkoord (EPA) is een instrument voor handelssamenwerking
met ACS-landen. EPA’s bieden geen eenzijdige handelsvoordelen voor Europese bedrijven.
EPA’s houden juist rekening met de sociaaleconomische omstandigheden in ACS-landen,
door bijvoorbeeld verdergaande markttoegang aan ACS-landen te bieden dan andersom.
De regering acht hiermee het risico op versterkte afhankelijkheid beperkt.
Kan de regering daarnaast toelichten hoe Nederland bevordert dat niet alleen overheden,
maar ook maatschappelijke organisaties profiteren van het akkoord?
Antwoord:
In de overeenkomst wordt het belang van het maatschappelijk middenveld meermaals onderstreept,
en wordt de actieve betrokkenheid van maatschappelijke organisaties gewaarborgd. In
de algemene bepalingen komt dit onder andere terug in artikelen 2, 5, 11, 17, 24,
50, 54, 63, 64, 78 en 82. De betrokkenheid van maatschappelijke organisaties wordt
herbevestigd in de regionale protocollen van de overeenkomst. Waar relevant zijn mechanismen
opgezet om deze betrokkenheid te bevorderen, zoals consultaties van het maatschappelijk
middenveld binnen de partnerschapsdialogen.
De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat implementatie van het Verdrag
vereist dat deze geratificeerd wordt door de EU, haar lidstaten en minimaal twee derde
van de OACPS-leden. De leden van de CDA-fractie vragen wat de huidige stand van zaken
is met betrekking tot de ratificatie door de betrokken landen.
Antwoord:
Artikel 98, tweede lid, bepaalt dat het verdrag in werking zal treden op de eerste
dag van de tweede maand na de datum waarop de Europese Unie en haar lidstaten en ten
minste twee derde van de OACPS-leden hun daartoe vereiste respectieve interne procedures
hebben voltooid en de akten waarin zij verklaren zich gebonden te achten, hebben neergelegd
bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie. Momenteel hebben 17
partijen het verdrag geratificeerd, waarvan 11 OACPS-leden (te weten: Angola, Botswana,
Ivoorkust, Kameroen, Madagaskar, Mozambique, de Salomonseilanden, de Seychellen, Oost-Timor,
Tonga en Uganda) en 6 EU-lidstaten (te weten: Denemarken, Estland, Hongarije, Polen,
Slovenië en Slowakije).4
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel tot goedkeuring
van de Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de ACS-landen, het zogeheten
Verdrag van Samoa.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het Verdrag van Samoa is bedoeld als opvolger
van het Verdrag van Cotonou, dat ruim twintig jaar van kracht is geweest. Zij missen
echter een duidelijke, integrale evaluatie van dat eerdere verdrag. Kan de regering
uiteenzetten welke concrete resultaten het Verdrag van Cotonou heeft opgeleverd op
het gebied van economische ontwikkeling, stabiliteit, handel en migratie? Kan zij
daarbij ook aangeven welke doelstellingen niet of slechts beperkt zijn gerealiseerd
en welke lessen hieruit zijn getrokken bij het opstellen van het nieuwe verdrag? Tevens
vragen de leden welk totaalbedrag gedurende de looptijd van Cotonou is besteed aan
samenwerking met ACS-landen en hoe de effectiviteit van deze middelen is beoordeeld.
Antwoord:
Het Verdrag van Cotonou is in 2003 in werking getreden en in 2005 en 2010 herzien
om geleerde lessen en een nieuwe realiteit te reflecteren. Dit leidde, onder meer,
tot een verbeterde beleidscoherentie en effectiviteit van hulp, evenals clausules
voor terrorismebestrijding, en het tegengaan van proliferatie van massavernietigingswapens.5 De inspanningen onder Cotonou, en de daaruit voortvloeiende resultaten, dienen in
samenhang te worden bezien met parallelle bilaterale inspanningen en inspanningen
van lokale en multilaterale actoren.
De Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) van het Ministerie
van Buitenlandse Zaken heeft in 2013 bij een evaluatie geconcludeerd6 dat op dat moment de implementatie van het Verdrag van Cotonou in grote lijn voldeed
aan Nederlandse sleutelprincipes, waaronder armoedebestrijding en goed bestuur. De
IOB concludeerde eveneens dat ontwikkelingssamenwerking via de EU comparatieve voordelen
opleverde ten behoeve van regionale integratie. Voortbouwen op deze comparatieve voordelen
is één van de redenen om na het aflopen van Cotonou een nieuw verdrag uit te onderhandelen
met de ACS-landen. In vergelijking met het Verdrag van Cotonou bevat de Samoa-overeenkomst
een aantal innovaties, zoals meer aandacht voor de specifieke regionale verschillen
middels regionale protocollen en bredere samenwerking, met juridische afdwingbaarheid,
op migratie.
Gedurende de looptijd van het Verdrag van Cotonou (2000–2020) werd samenwerking met
de ACS-landen gefinancierd uit het 9e, 10e en 11e Europees ontwikkelingsfonds (EOF). Het budget van het 9e EOF (2000–2007) bedroeg EUR 13,8 miljard, het 10e EOF (2008–2013) EUR 22,7 miljard en het 11e EOF (2014–2020) EUR 30,5 miljard. Onder het Meerjarig Financieel Kader van 2020–2027
is het EOF komen te vervallen en maken ACS landen aanspraak op financiering onder
het NDICI instrument.
De effectiviteit van het EOF is onder andere in kaart gebracht door de IOB met een
onderzoek getiteld «Nederland en het Europese Ontwikkelingsfonds» en de jaarlijkse
rapportages van de Europese Rekenkamer
De leden van de BBB-fractie vragen de regering inzicht te geven in de financiële omvang
van de samenwerking met ACS-landen onder het oude verdrag, zowel via het Europees
Ontwikkelingsfonds als via andere EU-instrumenten. Welk deel van deze middelen heeft
aantoonbaar bijgedragen aan structurele ontwikkeling en zelfredzaamheid? Kan de regering
tevens toelichten hoe binnen het nieuwe verdrag wordt geborgd dat middelen doelgericht
worden ingezet en dat ineffectieve bestedingen worden voorkomen.
Antwoord:
Gedurende de looptijd van het Verdrag van Cotonou (2000–2020) werd samenwerking met
de ACS-landen gefinancierd uit het 9e, 10e en 11e Europees ontwikkelingsfonds («het EOF»). Het budget van het 9e EOF (2000–2007) bedroeg EUR 13,8 miljard, het 10e EOF (2008–2013) EUR 22,7 miljard en het 11e EOF (2014–2020) EUR 30,5 miljard. Onder het Meerjarig Financieel Kader van 2020–2027
is het EOF komen te vervallen en maken ACS landen aanspraak op financiering onder
het NDICI instrument.
Externe evaluaties, waaronder de in 2017 in opdracht van de Europese Commissie uitgevoerde
evaluatie door een consortium van onderzoeksinstellingen, laten zien dat het 11e EOF een relevant en efficiënt instrument is met bevredigende resultaten7. Tegelijkertijd is er altijd ruimte voor verbetering en innovatie, net als bij andere
beleidsterreinen. Nederland dringt er altijd op aan dat daar kritisch naar wordt gekeken.
Daarnaast heeft de Europese Commissie lessen getrokken die meegenomen zijn in het
ontwerpen van nieuwe EU-financieringsinstrumenten, waaronder het risico op overlap
tussen het EOF en andere instrumenten, betere monitoring van resultaten op projectniveau
en samenhang tussen Europese en nationale initiatieven in een Team Europe benadering.
De leden van de BBB-fractie constateren dat nieuw in het Verdrag van Samoa is de sterkere
regionale benadering met aanvullende instituties en overlegstructuren op regionaal
niveau. De leden vragen welke extra bestuurlijke en financiële lasten hiermee gepaard
gaan. Kan de regering een overzicht geven van de verwachte structurele kosten, inclusief
de inzet van Nederlandse ambtenaren en middelen? Hoe wordt voorkomen dat deze institutionele
uitbreiding leidt tot extra bureaucratie zonder aantoonbare meerwaarde?
Antwoord:
De versterkte regionale benadering brengt nauwelijks extra bestuurlijke lasten met
zich mee voor Nederland, die worden opgevangen binnen de bestaande capaciteit. De
regering ziet de meerwaarde vooral in betere aansluiting bij regionale ontwikkelingen
en effectievere samenwerking.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het verdrag verplichtingen bevat voor
ACS-landen om eigen onderdanen die illegaal in de EU verblijven terug te nemen. Zij
vragen of deze verplichting ook al onder het Verdrag van Cotonou gold en in hoeverre
deze destijds daadwerkelijk is nageleefd. Kan de regering aangeven welke landen structureel
in gebreke bleven en welke consequenties daaraan zijn/werden verbonden? Welke aanvullende
waarborgen bevat het Verdrag van Samoa om terugkeerafspraken af te dwingen en welke
concrete maatregelen worden genomen bij niet-naleving.
Antwoord:
Terugkeer en overname waren ook onder het Cotonou-verdrag onderdeel van de samenwerkingsafspraken.
De naleving hiervan was onder dit verdrag wisselend. De Samoa-overeenkomst versterkt,
mede op basis van inzet van Nederland, de afspraken door explicietere operationalisering.
Zo bevestigen verdragspartijen in artikel 74 van de overeenkomst dat zij het recht
hebben om illegaal verblijvende migranten terug te sturen en herbevestigen zij tevens
de wettelijke verplichting van elke EU-lidstaat en elk OACPS-lid om hun eigen onderdanen
die illegaal verblijven op, respectievelijk, het grondgebied van de OACPS-leden of
het grondgebied van de EU-lidstaten, over te nemen, zonder voorwaarden en zonder andere
formaliteiten (behoudens verificatie). De verdragspartijen komen verder overeen toezicht
te houden op de uitvoering van deze verplichtingen in het kader van de regelmatige
partnerschapsdialoog tussen de partijen. (artikel 74, vijfde lid).
Bij niet-naleving van het verdrag, alsook op dit onderdeel, kunnen, overeenkomstig
de procedure in artikel 101, maatregelen worden genomen. Hoewel de precieze aard van
de te nemen maatregelen nog nader uitgewerkt wordt, is het voorstelbaar dat bij de
niet-naleving van afspraken op dit terrein passende en proportionele maatregelen kunnen
worden genomen, zoals intensivering van dialoog, herprioritering van samenwerking
of het verbinden van voorwaarden aan samenwerking.
In het verlengde hiervan vragen de leden van de BBB-fractie hoe de geschillenregeling
in de praktijk zal functioneren. De Raad van State heeft gewezen op onduidelijkheid
over de reikwijdte en de mogelijke sancties. Kan de regering concreet maken welke
maatregelen Nederland en de EU bereid zijn te nemen bij structurele schending van
verplichtingen, in het bijzonder op het terrein van migratie en terugkeer.
Antwoord:
De geschillenregeling functioneert stapsgewijs en is in eerste instantie gericht op
dialoog. Bij structurele schendingen kunnen maatregelen worden genomen variërend van
opschorting van samenwerking tot herprioritering van financiering, met bijzondere
aandacht voor proportionaliteit. Aangaande de nadere uitwerking van de geschillenregeling
verwijst de regering naar de antwoorden onder vraag 3, 11 en 21.
De leden van de BBB-fractie vragen welke gevolgen het heeft indien de Tweede Kamer
niet instemt met het wetsvoorstel tot goedkeuring. In hoeverre kan Nederland zich
in dat geval onttrekken aan verplichtingen die reeds op EU-niveau worden uitgevoerd.
Antwoord:
In het geval de Tweede Kamer het wetsvoorstel ter goedkeuring van de Samoa-overeenkomst
niet aanneemt, wordt het verdrag niet goedgekeurd en zal het verdrag niet door Nederland
geratificeerd kunnen worden. Wegens de gemengde aard van de overeenkomst dient deze
uiteindelijk door partijen, waaronder ook alle EU-lidstaten en twee derde van de OACPS-leden,
geratificeerd te worden om volledig in werking te kunnen treden. Mocht de ratificatie
van het verdrag namens Nederland definitief uitblijven dan zal het verdrag definitief
niet namens de EU, en haar lidstaten, volledig in werking kunnen treden. Daarop zal
de EU overgaan tot besluitvorming over het beëindigen van de voorlopige toepassing
door de EU van onderdelen die vallen onder de EU-bevoegdheid.8 Zolang de overeenkomst voorlopig wordt toegepast door de EU, is Nederland via het
EU-lidmaatschap gebonden aan de bepalingen die voorlopig worden toegepast.
2. Artikelsgewijze toelichting
De regering schrijft dat in artikel 17 specifiek aandacht is voor de onderliggende
oorzaken van conflicten en preventie, en specifiek ten aanzien van het beheer van
grondstoffen. De leden van de CDA-fractie vragen de regering wat deze bepalingen in
de praktijk toevoegen ten opzichte van bestaande EU-instrumenten en eerdere afspraken
onder het Verdrag van Cotonou. Op welke wijze krijgt Nederland via dit verdrag concreet
meer mogelijkheden om bij te dragen aan conflictvrij beheer van grondstoffen in partnerlanden,
en hoe wordt voorkomen dat deze samenwerking vooral beleidsmatig blijft en onvoldoende
doorwerkt op lokaal niveau?
Antwoord:
De bepalingen over conflictpreventie en grondstoffenbeheer bouwen voort op bestaande
EU-instrumenten, maar versterken deze door ze expliciet te verankeren in het partnerschap.
Nederland krijgt hiermee een breder kader om samenwerking te ondersteunen die gericht
is op transparant, duurzaam en conflictvrij beheer van grondstoffen, met aandacht
voor lokale impact van mijnbouw en ondersteuning van lokale waardetoevoeging.
3. Bijlagen
4. Een ieder verbindende bepalingen
5. Koninkrijkspositie
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of het wetsvoorstel aan de CAS-landen
en BES-eilanden is voorgelegd? Zo niet, wanneer zal deze voorlegging plaatsvinden?
Antwoord:
Het wetsvoorstel tot goedkeuring van dit verdrag is ter ambtelijke afstemming aan
Aruba, Curaçao en Sint Maarten («de CAS-landen») voorgelegd. De rijksministerraad
heeft ingestemd met het wetsvoorstel. Tegelijkertijd met de verzending aan de Tweede
Kamer is het wetsvoorstel aan de Staten van de CAS-landen overgelegd. De Minister
van Buitenlandse Zaken is beleidsverantwoordelijk voor de openbare lichamen Bonaire,
Saba en Sint Eustatius («de BES-eilanden»). Expliciete, afzonderlijke afstemming met
de BES-eilanden binnen het verdragskader geschiedt in beginsel alleen indien er bijzondere
gevolgen aan de werking van een verdrag voor de eilanden kleven. Hiervan is bij de
Samoa-overeenkomst, naar het oordeel van de regering, geen sprake.
De leden van de BBB-fractie merken op dat het verdrag in de Rijksministerraad is besproken.
Kan de regering toelichten waarom dit noodzakelijk was en welke specifieke Koninkrijksbelangen
hierbij aan de orde waren? Welke zorgen zijn door de Caribische landen ingebracht
en hoe zijn deze meegewogen, mede in het licht van het advies van de Raad van State
over de Koninkrijkspositie.
Antwoord:
Buitenlandse betrekkingen zijn een Koninkrijksaangelegenheid in de zin van artikel
3, eerste lid, onder b, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna:
«het Statuut»). Een verdrag is een instrument om buitenlandse betrekkingen aan te
gaan. Echter evenals bij de eerdere samenwerkingsverdragen van de EU met derde landen,
zal het onderhavige verdrag voor wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, alleen
voor het Europese deel van Nederland kunnen gelden.
Wegens de status die de CAS-landen genieten als LGO en de rol van waarnemer in de
instellingen van het Regionaal Protocol Caribisch Gebied (hierna: «het Regionaal Protocol»)
die artikel 6, tweede lid, van het Regionaal Protocol aan LGO in het Caribisch gebied
toebedeelt, alsook hun geografische ligging in het Caribisch gebied, zijn de regeringen
van de CAS-landen, samen met de Nederlandse regering, van mening dat het onderhavige
verdrag hun landen «anderszins raakt» in de zin van artikel 11, derde lid, van het
Statuut en artikel 2, derde lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.
De regering is tevens van oordeel dat de BES-eilanden, op diezelfde gronden, ook in
hun belangen worden geraakt, aangezien zij, evenals de CAS-landen, de status van LGO
genieten, en ligging hebben in het Caribisch gebied, en daarmee ook de waarnemersrol
op zich kunnen nemen.
In geval van «anderszins raken» is het gebruikelijk dat voor de parlementaire goedkeuring
de rijksprocedure in brede zin wordt toegepast. Deze procedure houdt in dat het verdrag
wordt geagendeerd voor de rijksministerraad, dat de Afdeling advisering van de Raad
van State van het Koninkrijk om advies wordt gevraagd en dat het verdrag aan de Staten
van de Caribische landen wordt overgelegd. Bij de Samoa-overeenkomst is er echter,
omdat het verdrag alleen voor Europees Nederland kan gelden maar de CAS-landen en
BES-eilanden wel in hun belangen worden geraakt, geopteerd om niet de rijksprocedure
in brede zin te volgen maar wel de rijksministerraad in te laten stemmen met het aanhangig
doen maken van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag om advies bij de Afdeling
advisering van de Raad van State.
Wat betreft afstemming is de behandeling in de rijksministerraad voorafgegaan door
een behandeling in de CoRIA, het ambtelijke voorportaal waarin alle verdragen, alsook
de Samoa-overeenkomst, worden behandeld en waarin ook Aruba, Curaçao en Sint Maarten
zijn vertegenwoordigd. Expliciete afstemming met de BES-eilanden binnen het verdragskader
geschiedt in beginsel alleen indien er bijzondere gevolgen aan de werking van een
verdrag voor de eilanden kleven. Hiervan is bij de Samoa-overeenkomst, naar het oordeel
van de regering, geen sprake.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.W.B. Berendsen
Indieners
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken