Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 915 XXII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 4
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 21 april 2026
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 9 april 2026 voorgelegd aan de Minister van Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening. Bij brief van 20 april 2026 zijn ze door de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Bromet
De griffier van de commissie, De Vos
Vragen en antwoorden
Vraag 1 (blz. 5)
Kunt u aangeven wanneer de Tweede Kamer een meerjarig overzicht kan verwachten van
de uitgaven voor renovatie van het Binnenhof?
De uitgaven voor de renovatie van het Binnenhof worden meerjarig verantwoord in de
Rijksbegroting, Hoofdstuk XXII, beleidsartikel 4.1 Bijdrage voor huisvesting Hoge
Colleges van Staat. Gedurende de renovatie leent het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) de
uitgaven uit de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën, conform de reguliere
systematiek voor dit deel van de vastgoedportefeuille. Op artikel 4.1 van de VRO-begroting
zijn de gebruiksvergoedingen weergegeven, gebaseerd op rente en aflossingen van die
lening. Deze worden betaald vanaf het geplande moment van oplevering van de renovatie
in 2031 en kunnen gezien worden als de huur die betaald wordt aan het RVB voor het
gebruik van het complex.
Als gevolg van de langere doorlooptijd tot 2031 en de marktspanning zijn de geraamde
investeringskosten voor de renovatie toegenomen. In de voorjaarsnota 2026 (Kamerstukken
2025–2026, 36 915, nr. 1) zijn vanaf 2031 en verder de gestegen gebruiksvergoedingen weergegeven.
Naast de financiële informatie in de reguliere begrotingscyclus wordt de Kamer met
halfjaarlijkse voortgangsrapportages geïnformeerd over het programma Binnenhof renovatie.
Hierbij wordt ingegaan op de stand van zaken, waaronder ook financiën en de ontwikkeling
van de totale investeringskosten tot oplevering. Op korte termijn zal de Kamer de
15de voortgangsrapportage ontvangen.
Vraag 2 (blz. 5)
Hoe komt de 325 miljoen euro die structureel is gereserveerd voor woningcorporaties
via een herbestedingsreserve precies voor dat bedrag bij de woningcorporaties terecht,
en wordt dit niet al snel een hoger bedrag, als veel woningcorporaties hun winsten
reserveren voor woningbouw en -verbetering?
In het regeerakkoord is afgesproken dat vanaf 2028 een faciliteit in de vennootschapsbelasting
(Vpb) wordt opgenomen om de Vpb-lasten van woningcorporaties te verlagen. Hiervoor
wordt taakstellend per 2028 een bedrag van € 250 miljoen per jaar beschikbaar gesteld,
oplopend tot structureel € 325 miljoen per jaar in 2032. Het kabinet onderzoekt op
welke wijze deze faciliteit het beste vormgegeven kan worden. Een bestedingsreserve
is daarbij een van de opties die op tafel ligt. Bij de uitwerking dient rekening te
worden gehouden met onder andere uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid, waaronder
de staatssteunregels en het (overige) EU-recht. Daarnaast zal ook aandacht worden
besteed aan de budgettaire gevolgen en beheersbaarheid van de Vpb-faciliteit.
Vraag 3 (blz. 5)
Hoeveel ambtenaren vallen bij Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening onder de nullijn?
Sinds het aantreden van het kabinet-Jetten is Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
weer onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit
antwoord heeft dus betrekking op het hele apparaat van BZK.
Bij het Ministerie van BZK zijn 14.571 rijksmedewerkers (ultimo Q4 2025, aantal personen)
werkzaam. Op ieder van hen is de nullijn van toepassing. Met het Ministerie van BZK
wordt bedoeld: Directoraten-Generaal, agentschappen, adviescolleges, zbo’s zonder
eigen rechtspersoonlijkheid en overige organisatieonderdelen.
Vraag 4 (blz. 5)
Hoeveel medewerkers bevinden zich in de lagere loonschalen (schaal 1 t/m 6)? Wat is
het aandeel van deze groep binnen de uitvoering (uitvoeringsorganisaties vs. beleid)?
Sinds het aantreden van het kabinet-Jetten is Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
weer onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit
antwoord heeft dus betrekking op het hele apparaat van het Ministerie van BZK.
Van de 14.571 rijksmedewerkers (ultimo Q4 2025, aantal personen) die werkzaam zijn
bij het Ministerie van BZK werken er 2.334 (ultimo Q4 2025) in de schalen 1 tot en
met 6. Het aandeel rijksmedewerkers in de schalen 1 t/m 6 dat werkzaam is in de uitvoering
is 97%.
Vraag 5 (blz. 5)
Klopt het dat de uitgaven aan huurtoeslag afnemen door het schrappen van de aftrek
specifieke zorgkosten vanaf 2028, waardoor mensen die hun specifieke zorgkosten niet
meer kunnen aftrekken tevens te maken kunnen krijgen met een lagere huurtoeslag?
Door het schrappen van de aftrek specifieke zorgkosten zullen sommige huishoudens
een hoger belastbaar inkomen krijgen. De huurtoeslag bouwt geleidelijk af zodra het
inkomen van een huishouden stijgt boven het vastgestelde minimum voor de huurtoeslag.
In 2026 ligt dit minimumniveau op € 23.425 voor eenpersoonshuishoudens en € 31.500
voor meerpersoonshuishoudens. Huishoudens die deze grens overschrijden krijgen te
maken met een lager huurtoeslagbedrag.
Vraag 6 (blz. 5)
Welke functies/beroepen vallen voornamelijk binnen de lagere loonschalen (schaal 1
t/m 6)? Wat is de huidige en verwachte personeelskrapte binnen deze functies?
Sinds het aantreden van het kabinet-Jetten is Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
weer onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit
antwoord heeft dus betrekking op het hele apparaat van het Ministerie van BZK.
De meeste functies van de ambtenaren in de schalen 1 t/m 6 hebben betrekking op de
(Rijksbrede) bedrijfsvoering, zoals functies in het kader van het facilitair management,
beveiliging en administratieve functies. Diverse ontwikkelingen en beleidskeuzes beïnvloeden
de vraag naar deze functies binnen ons ministerie en het aanbod op de arbeidsmarkt.
Enerzijds zal automatisering, digitalisering en procesoptimalisatie en het voldoen
aan de taakstelling ervoor zorgen dat taken veranderen, efficiënter worden uitgevoerd
of niet meer worden uitgevoerd. Dit leidt niet alleen tot een mogelijke afname van
bepaalde werkzaamheden, maar ook tot taakverschuivingen. Anderzijds zien we bijvoorbeeld
een toename aan de behoefte aan beveiliging.
Vraag 7 (blz. 5)
Zijn er interne analyses of risico-inschattingen gemaakt over de effecten van de nullijn,
bijvoorbeeld op de instroom of uitstroom? Zo ja, kan deze worden gedeeld?
Sinds het aantreden van het kabinet-Jetten is Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
weer onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit
antwoord heeft dus betrekking op het hele apparaat van BZK.
Er zijn bij BZK geen specifieke onderzoeken hiernaar gedaan.
Vraag 8 (blz. 5)
Hoeveel dakloze mensen telt Nederland op dit moment, en hoe heeft dit aantal zich
de afgelopen tien jaar ontwikkeld?
Volgens de schatting van het CBS waren er op 1 januari 2024 33.000 mensen dakloos.
In de jaren 2014–2018 zag het CBS een stijgende trend. Na vier jaar van daling, van
bijna 40.000 in 2018 tot ruim 26.000 in 2022, ziet het CBS sinds 2022 weer een stijging.
Vraag 9 (blz. 5)
Hoeveel dakloze kinderen zijn er in Nederland, en in welke leeftijdscategorie bevinden
zij zich?
Er wordt niet landelijk bijgehouden hoeveel dakloze kinderen er zijn in Nederland.
Uit de derde ronde van de ETHOS tellingen, die plaatsvonden in 57 gemeenten, blijkt
dat ongeveer 14% van de getelde mensen tussen de 0 en 18 is.
Vraag 10 (blz. 5)
Wat zijn de geraamde kosten om alle dakloze mensen in Nederland duurzaam te huisvesten,
inclusief begeleiding?
Hulpverleners schatten dat ongeveer 20% van de dakloze mensen een meer intensieve
zorg- of ondersteuningsbehoefte heeft, bijvoorbeeld in de vorm van een Housing First
traject. De begeleidingskosten voor een Housing First traject worden geraamd op ongeveer
25.000 euro per jaar. Van de overige dakloze mensen wordt ingeschat dat zij ofwel
een meer beperkte vorm van ondersteuning nodig hebben, zoals een aantal uur ambulante
ondersteuning van een wijkteam, ofwel geen ondersteuning nodig hebben. Afgezien van
het feit dat niet alle dakloze mensen (zoals niet rechtmatig in Nederland verblijvenden)
recht hebben op duurzame huisvesting, zijn huisvestingskosten afhankelijk van een
aantal factoren. Ervan uitgaande dat dakloze mensen recht hebben op een sociale huurwoning,
zijn dat huurkosten, toeslagen (zoals huurtoeslag), sociale voorzieningen en eventueel
kosten van het bouwen van woningen.
Vraag 11 (blz. 5)
Hoeveel betaalt de overheid jaarlijks aan crisisopvang, en hoe verhoudt zich dat tot
de kosten van structurele huisvesting?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de opvang en begeleiding van mensen die de thuissituatie
hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Zij zijn verantwoordelijk voor het inkopen van voldoende opvangplekken, passend bij
wat in hun regio noodzakelijk is. Er is op dit mo ment geen structurele, centrale
registratie van het aantal opvangplekken en de kosten die gemeenten hiervoor maken.
Vanaf 2022 is structureel € 65 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de aanpak van
dakloosheid. Er is structureel € 55 miljoen toegevoegd aan de decentralisatie uitkering
Nationaal Actieplan Dakloosheid (voor centrumgemeenten). De middelen komen boven op
de € 385 miljoen (excl. indexatie via het accres) die via de decentralisatie uitkering
Maatschappelijke Opvang aan 44 centrumgemeenten wordt verstrekt. Gemeenten ontvangen
via decentralisatie uitkeringen dus € 440 miljoen in totaal (excl. indexatie via het
accres). Met de Wet regie op de volkshuisvesting komt er een verplichting voor het
Rijk, provincies en gemeenten om een volkshuisvestingsprogramma vast te stellen, waarin
helder wordt gemaakt wat de woonopgave is en met welke maatregelen die opgave gerealiseerd
kan worden. Daarbij wordt ook de woonbehoefte van verschillende aandachtsgroepen in
kaart gebracht, waaronder dak- en thuislozen. Dat gebeurt in afstemming met relevante
zorgaanbieders, waarbij uiteindelijk een samenhang wordt aangebracht in wat er nodig
is voor de volkshuisvesting én de zorg- en ondersteuningsbehoefte die daarbij hoort.
Vraag 12 (blz. 6)
In het coalitieakkoord is afgesproken dat de subsidiebudgetten bij de departementen
structureel worden verlaagd vanaf 2027. Deze taakstelling is verdeeld naar rato van
de subsidie uitgaven per departement. Voor de begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening gaat het om een bedrag van 5,5 miljoen euro voor de jaren 2027 tot en met
2030 en 0,4 miljoen euro structureel vanaf 2031. Kunt u misschien al een tipje van
de sluier oplichten inzake welke subsidies gekort gaan worden en zo ja, waarom op
betreffende subsidies gekort gaat worden?
De subsidietaakstelling is naar rato over alle subsidies verdeeld. Voor de periode
2027 tot 2030 is de taakstelling doorbelast op de verschillende regelingen, jaarlijks
optellend totaal € 5,5 mln. In deze periode worden de volgende subsidies belast: Maatschappelijk
vastgoed, Waarborgfonds Maatschappelijk vastgoed, SVOH, SVVE en Innovatie.
Vanaf 2031 is de taakstelling doorbelast op de subsidies voor SVOH, SVVE, subsidie
bouwregelgeving, Energietransitie en duurzaamheid, jaarlijks totaal € 0, 4 mln. Met
de Ontwerpbegroting 2027 zal herzien worden welke subsidies gekort zullen worden.
Vraag 13 (blz. 6)
Kunt u aangeven op welke onderdelen wordt beoogd te bezuinigen, gezien de efficiencytaakstelling
en additionele taakstelling?
Hierover heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. De taakstellingen zijn momenteel
geboekt op artikel 11 Centraal Apparaat en zullen op een later moment verder worden
doorverdeeld.
Vraag 14 (blz. 7)
Welke risico’s ontstaan er bij de kasschuiven van de Realisatiestimulans bij een «realistisch
tempo» gezien de woningbouwopgave?
De realisatiestimulans wordt uitgekeerd op basis van het aantal gestarte betaalbare
woningen per gemeente per jaar. Daarnaast zijn er opslagen voor NPLV-gebieden. De
eerste uitkering van de realisatiestimulans zal plaatsvinden aan het einde van de
2026 op basis van de geleverde prestaties door gemeenten in 2025. Hierbij is het van
belang dat er een realistisch kasritme wordt aangehouden voor de realisatiestimulans,
om het risico op onderuitputting te beperken. Een belangrijke factor bij deze kasschuif
is de verwachting dat er in 2025 een groter aantal woningen is gestart vanuit de regelingen
Woningbouwimpuls en Startbouwimpuls waarvoor geen realisatiestimulans bijdrage wordt
verstrekt. Daarnaast is er vanuit het NPLV gekeken naar een realistischer ritme op
basis van verwachtingen van gemeenten over wanneer bepaalde maatregelen worden uitgevoerd.
Mocht het zo zijn dat er meer middelen worden aangevraagd dan in 2026 kunnen worden
uitgekeerd, dan volgt deze uitkering alsnog in het opeenvolgende jaar.
Vraag 15 (blz. 7)
Wat is de reden van de structurele meevaller vanaf 2031? Hoe verhoudt zich dit tot
het aantal toeslagontvangers?
De verwachte structurele meevaller wordt grotendeels veroorzaakt doordat de aantallen
huurtoeslagontvangers lager zijn dan eerder geraamd. Dit werkt ook door in latere
jaren en zorgt voor lagere huurtoeslaguitgaven.
Vraag 16 (blz. 7)
Kunt u aangeven waarom er minder huurtoeslag is uitgekeerd dan beoogd? Hoe verhoudt
zich dat tot de incidentele meevaller?
De raming voor de huurtoeslag is aangepast op basis van realisatiecijfers. Een deel
daarvan werkt door in latere jaren, vooral het lager aantal huurtoeslagontvangers
dan verwacht. Daarnaast zijn de inkomens hoger dan verwacht waardoor het gemiddelde
huurtoeslagbedrag lager is. Tot slot zijn er hogere ontvangsten dan verwacht na het
weer opstarten van de tijdens corona gepauzeerde terugvorderingen huurtoeslag. Deze
laatste twee effecten leiden vooral incidenteel tot meevallers.
Vraag 17 (blz. 8)
Kunt u, vooruitlopend op de aangekondigde brief, toelichten waarom een opslag voor
zorggeschikte en geclusterde woningen niet aansluit bij de behoeften in het veld,
alsmede meer inzicht geven in de genoemde verkenning waaruit dat zou blijken?
Tot en met 2030 moeten er ca. 290.000 woningen geschikt voor ouderen gerealiseerd
worden (nultreden, zorggeschikt en geclusterd). Er zijn nu hoofdzakelijk twee regelingen
die de bouw van zorggeschikte en geclusterde woningen stimuleren; de stimuleringsregeling
zorggeschikte woningen (SZGW) en de stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting
(SOO). Onder het kabinet-Schoof was tevens een opslag gereserveerd binnen de Realisatiestimulans
voor zorggeschikte en geclusterde woningen, uit te keren vanaf 2027. De Realisatiestimulans
is een specifieke uitkering die aan gemeenten uitgekeerd wordt.
Uit een consultatie van het werkveld (ontwikkelaars, koepelorganisaties en gemeenten)
in 2025 kwam echter een sterke voorkeur voor een subsidieregeling die direct aan woningcorporaties
en ontwikkelaars wordt uitgekeerd in plaats van aan gemeenten. Zodoende is afgelopen
najaar besloten de opslag los te koppelen van de Realisatiestimulans. Op welke wijze
we de middelen die onder deze opslag vallen in de toekomst gaan uitkeren, wordt nu
uitgewerkt. Voor de tussenliggende periode gaan daarom medio 2026 in ieder geval nog
één keer loketten van de SZGW en SOO open om te voorkomen dat er een gat in de financiering
van deze woningtypen ontstaat. Daarnaast worden na inwerkingtreding van de wet versterking
regie op de volkshuisvesting gemeentelijke volkshuisvestelijke programma’s opgesteld
waarin de programmering van de woningbouw, waaronder die specifiek voor ouderen, nader
wordt ingevuld. Dit zal meer inzicht geven in de data.
Vraag 18 (blz. 8)
Kunt u een overzicht geven van alle woningbouwlocaties die in 2025 en het eerste kwartaal
van 2026 budget kregen voor woningbouwversnelling met tevens informatie of zij dit
budget hebben uitgegeven en zo nee, of het waarschijnlijk is, bijvoorbeeld door concrete
plannen, dat budgetten in de nabije toekomst worden uitgegeven? Kunt u ook aangeven
of er locaties zijn die budget voor woningbouwversnelling hebben gekregen, maar meer
budget nodig hebben?
In 2025 zijn verschillende regelingen getroffen door het vorige kabinet om de woningbouw
financieel te ondersteunen, onder andere de Woningbouwimpuls (Wbi), de Regeling Woningbouwversnelling
Metropoolregio Eindhoven (WMRE), en de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA).
Hiermee is bijgedragen aan de bouw van ruim 16.500 woningen in heel Nederland, op
basis van 79 aanvragen en meer dan 100 projecten. Hierover is op 4 december 2025 de
brief «Bekendmakingen diverse regelingen op het gebied van woningbouw» (Kamerstukken
II, 2025/26, 32 847, nr. 1393) verzonden aan de Tweede Kamer. In 2026 zijn er nog geen uitkeringen verstrekt. Op
dit moment loopt de beoordeling van de volgende tranches van de Wbi en WMRE. De toekenning
voor deze regelingen volgt nog voor de zomer.
Aan het einde van dit jaar worden via de Realisatiestimulans de uitkeringen gedaan
aan gemeenten over de betaalbare woningen waarvan de bouw in 2025 is gestart.
Aanvullend is op 10 november 2025 aan de Tweede Kamer in de brief «Financiering woningbouw
en mobiliteit» (Kamerstukken II 2025/26, 32 847, nr. 1389) gemeld dat ervanuit VRO € 877 miljoen wordt geïnvesteerd in nationaal grootschalige
woningbouwgebieden. Dit (gebieds)budget draagt in zijn totaliteit bij aan de realisatie
van ongeveer 128.000 woningen tot 2035. In 2025 en Q1 2026 is zo’n 25% van de toegekende
middelen (op basis van de regeling gebiedsbudget (Staatscourant 2025, 39867)) naar
gemeenten uitgekeerd die zich binnen de 21 nationaal grootschalige woningbouwgebieden
bevinden. Conform de ingediende plannen worden de middelen in de toekomst besteed.
In lijn met de regeling gebiedsbudget worden de uitgaven gemonitord.
De toegekende middelen zijn uitsluitend verstrekt op basis van concrete plannen. Het
is mijn verwachting dat deze budgetten de komende jaren worden uitgegeven conform
die plannen.
Er zijn inmiddels honderden woningbouwprojecten in Nederland waar het Rijk vanuit
een woningbouwregeling aan heeft bijgedragen. Na de toekenning van de middelen zijn
de uitdagingen voor projecten niet verdwenen, of het nu gaat om netcongestie, bezwaarprocedures
of financiële tegenvallers. Ik zet me in om (verdere) vertraging van projecten te
voorkomen en knelpunten op te lossen. Naast de versnelling die gecreëerd wordt met
de wet versterking regie op de volkshuisvesting werk ik aan een landelijke versnellingsaanpak
als onderdeel van de Taskforce Versnelling Woningbouw. Op projectniveau onderhoudt
mijn ministerie zelf of via RVO contact met de betrokken projectleiders, zodat ik
ondersteuning op maat kan aanbieden. Het verlenen van meer budget is hierbij niet
aan de orde. In de monitoring van de projecten heb ik uiteraard oog voor de bestedingen.
Vraag 19 (blz. 8)
Hoeveel woningen worden aangesloten op een warmtenet? Hoeveel minder woningen dan
gewenst zijn aansloten op een warmtenet?
De afgelopen jaren werden zo’n 15.000 aansluitingen per jaar gerealiseerd. De verwachting
is dat dat aantal zal toenemen omdat eerdere knelpunten zijn weggenomen, bijvoorbeeld
inzake nieuwe wetgeving (WGIW, WCW) en financiële middelen (WIS). De verwachting is
dat rond 200.000 nieuwe aansluitingen op warmtenetten gerealiseerd kunnen zijn in
2030. Een verdere groei van warmtenetten na 2030 is gewenst om tot aardgasvrije woningen
te komen, maar kent de nodige onzekerheden. Hoeveel woningen er uiteindelijk op een
warmtenet aangesloten zullen worden, is (deels) afhankelijk van de inhoud van de warmteprogramma’s
die gemeenten uiterlijk eind 2027 moeten vaststellen. In deze warmteprogramma’s geven
gemeenten aan welke warmteoplossing op wijkniveau wordt gekozen. In de Lokale Warmtetransitie
in Beeld 2025 geven 44% van de ondervraagde gemeenten aan een hoge temperatuur of
midden temperatuur warmtenet te overwegen voor ten minste één van hun wijken. Ook
overweegt 34% van de gemeenten een lage temperatuur of zeer lage temperatuur net.
Het borgen van betaalbaarheid voor de eindgebruiker is daarbij een continu aandachtspunt.
Vraag 20 (blz. 9–10)
Waar zijn kostenbesparende maatregelen mogelijk bij de renovatie van het Binnenhof?
Hoe worden verdere kostenstijgingen voorkomen?
De afgelopen jaren zijn in samenspraak met gebruikers, bouwers en ontwerpers maatregelen
genomen om de kosten te besparen en risico’s waar mogelijk te beheersen. Zo is in
2025 circa € 195 mln. aan versoberingen doorgevoerd. Met de gebruikers is afgesproken
dat er in principe niet meer wordt gewijzigd. Ook is voor de realisatiecontracten
de contractvorm aangepast naar een kosten-plus contract. Dit is een contractvorm die
veel meer geschikt is voor een renovatie zoals die van Binnenhof waarbij de kostprijs
moeilijk te calculeren is. De aannemer wordt betaald voor de werkelijk gemaakte kosten
waarbij wordt uitgegaan van een richtprijs met prikkels om samen het project sneller,
slimmer en efficiënter uit te voeren. Deze contractvorm heeft op onderdelen al tot
kostenefficiëntie geleid. Op korte termijn zal de Kamer de 15de voortgangsrapportage ontvangen waarbij ook in zal worden gegaan op maatregelen voor
besparingen en kostenbeheersing.
Vraag 21 (blz. 9–10)
In hoeverre is er gebruik gemaakt van een post onvoorzien in de begroting van de renovatie
van het Binnenhof?
In het budget voor de renovatie van het Binnenhof is een post onvoorzien opgenomen
om opgetreden risico’s en tegenvallers in de projectuitgaven te kunnen opvangen. De
afgelopen jaren is hiervan gebruik gemaakt. Bij het bepalen van het benodigde budget
wordt de omvang van de post onvoorzien herijkt op basis van de totaal verwachte kosten
en het nog resterende risicoprofiel. De omvang en het gebruik van de post onvoorzien
voor reguliere projectrisico’s is in lijn met andere grote bouwprojecten in deze fase.
Vraag 22 (blz. 10)
Kunt u aangeven of de regering heeft besloten om de renovatie van de Grafelijke Zalen
uit te gaan voeren, gezien het feit dat kosten voor de gebruikersvergoeding voor de
Grafelijke Zalen vanaf 2031 zijn opgenomen? Mocht dat het geval zijn, wanneer kan
de Tweede Kamer dan een voorstel tegemoet zien inzake de dekking van genoemde renovatie?
Ja, bij Voorjaarsnota 2026 is besloten om ook de Grafelijke Zalen te gaan renoveren.
Het dekkingsvoorstel hiertoe is verwerkt in de eerste suppletoire begroting VRO 2026
onder het beleidsartikel 4.1 Bijdrage voor huisvesting Hoge Colleges van Staat. Daarin
staat gemeld dat er rekening wordt gehouden met een investeringsbedrag van circa € 225
mln. (prijspeil 2031). Gedurende de renovatie leent het Rijksvastgoedbedrijf (RVB)
de uitgaven uit de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën, conform de reguliere
werkwijze voor dit deel van de vastgoedportefeuille. In artikel 4.1 van de begroting
van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zijn de gebruiksvergoedingen, gebaseerd
op rente en aflossingen, van die lening opgenomen. Deze gebruiksvergoedingen worden
betaald vanaf het geplande moment van oplevering van de renovatie in 2031.
Vraag 23 (blz. 10)
Er is sprake van diverse onvermijdelijke huisvestingskosten voor het Koninklijk Huis.
Dit heeft verschillende oorzaken, te weten marktontwikkelingen en prijsstijgingen,
hogere opslagen voor onderhoud, (nieuwe) wettelijke eisen, aanvullende verduurzamingseisen
en tegenvallers op projecten. Dit leidt tot een hogere gebruiksvergoeding die oploopt
van 1,5 miljoen euro in 2026 tot structureel 3,5 miljoen euro vanaf 2028. Kunt u toelichten
wat wordt verstaan onder «(nieuwe) wettelijke eisen, aanvullende verduurzamingseisen
en tegenvallers op projecten»?
Het primaire doel is de gebouwen kwalitatief in stand te houden overeenkomstig de
instandhoudingsplicht voor rijksmonumenten. Monumenten en cultuurhistorische gebouwen
vragen om extra aandacht, en specialistische expertise. Mede door de krapte aan specialisten
zorgt dit voor hogere onderhoudskosten. Onderhoudsmomenten bieden daarnaast een logisch
moment om verduurzamingsmaatregelen integraal en zo doelmatig mogelijk mee te nemen,
juist omdat bij monumenten verduurzaming zorgvuldig moet worden afgewogen in samenhang
met instandhouding en behoud van cultuurhistorische waarden.
Vanwege de oplopende inflatie zijn alle prijzen de afgelopen jaren sterk gestegen.
Meerdere factoren speelden daarbij in wisselende samenstelling een rol. Dit vertaalt
zich ook door in de kosten van uitvoeringswerkzaamheden door het Rijksvastgoedbedrijf.
Vraag 24 (blz. 10)
Kunt u aangeven waar de grote kostenstijging in 2028 vandaan komt voor de Renovatie
Binnenhof diversen? Waarom stijgen de kosten met 15,5 miljoen euro?
Doordat de renovatie van het Binnenhof langer duurt zijn er ook hogere tijdelijke
kosten. Dit zijn kosten die niet kunnen worden doorbelast aan de gebruikers via de
gebruiksvergoeding voor de renovatie van het Binnenhofcomplex. Daarom worden de kosten
incidenteel gedekt. Het betreft grotendeels kosten voor het langer in gebruik houden
van de tijdelijke huisvesting van Binnenhofgebruikers. Daarnaast betreft dit diverse
verzonken kosten en kosten gerelateerd aan leegstandsbeheer en beveiligingskosten
tussen het moment van oplevering van de complexdelen en inhuizing van de gebruikers.
Vraag 25 (blz. 14)
In tabel 5 «geschatte budgetflexibiliteit artikel 1» (Woningmarkt) staat bij «nog
niet ingevuld/ vrij te besteden» een percentage van 0%. Dit percentage staat ook in
tabellen 7, 9 en 11. Kunt u toelichten waarom dit constant 0% is? Zijn er momenteel
financiële «potjes» op Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening waar onderuitputting
zichtbaar is? Zo ja, graag zoveel mogelijk details.
In tabel 5, 7, 9 en 11 wordt de budgetflexibiliteit van de beleidsartikelen weergegeven.
Deze wordt ingevuld conform de geldende Rijksbegrotingsvoorschriften, waarbij per
artikel voor het resterende begrotingsjaar wordt vermeld:
• Het bedrag dat juridisch is verplicht. Van juridisch verplichte uitgaven is sprake
van juridische afdwingbaarheid op grond van verdrag, wet, koninklijk besluit, ministeriële
regeling, beschikking, verbintenis of een vastgelegde afspraak tussen dienstonderdelen.
• Het bedrag dat bestuurlijk is gebonden/verbonden op grond van bestuursovereenkomsten,
convenanten met koepels en/of decentrale overheden, politieke toezeggingen e.d.;
• Het bedrag dat beleidsmatig is gereserveerd.
• Nog niet ingevuld dan wel vrij te besteden.
Het percentage van 0% bij «nog niet ingevuld/vrij te besteden» komt doordat de geraamde
uitgaven binnen het artikel reeds juridisch verplicht, bestuurlijk gebonden dan wel
beleidsmatig gereserveerd zijn voor het onderwerp waarover in de betreffende artikelen
wordt verantwoord.
De tot nu toe bekende ontwikkelingen met financiële consequenties zijn verwerkt in
de eerste suppletoire begroting 2026 van VRO. Indien er zich gedurende dit begrotingsjaar
onderuitputting realiseert, wordt uw Kamer daarover geïnformeerd bij de tweede suppletoire
begroting 2026 van VRO.
Vraag 26 (blz. 15)
Hoeveel woningen hebben in Nederland schimmel ten opzichte van het totale woningvoorraad?
Uit het WoON24 blijkt dat ongeveer 1.630.000 huishoudens naar eigen zeggen last hebben
van vocht en/of schimmel in de woning (zowel in de huur- als de koopsector). Het gaat
om 20% van alle huishoudens in Nederland.
Vraag 27 (blz. 15)
Hoeveel huurwoningen in Nederland hebben aantoonbare vocht- of schimmelproblemen,
en wat is de verdeling tussen sociale huur, middenhuur en vrije sector?
Uit het WoON24 blijkt dat ongeveer 960.000 huishoudens in een huurwoning naar eigen
zeggen last hebben van vocht en/of schimmel in de woning. Het gaat om 730.000 huishoudens
in de sociale huur, 120.000 huishoudens in middenhuur en 110.000 huishoudens in de
vrije sector.
Vraag 28 (blz. 15)
Hoeveel klachten over vocht en schimmel zijn er de afgelopen vijf jaar ingediend bij
de Huurcommissie, en in hoeveel gevallen werd de klacht gegrond verklaard?
In de jaren 2022 t/m 2026 heeft de Huurcommissie tot nu toe meer dan 8.000 uitspraken
gedaan in een gebrekenprocedure, waar vocht en/of schimmel een rol in speelden. In
deze zaken werd over deze jaren circa in twee derde van de gevallen de huurder in
het gelijk gesteld. Het aandeel gebrekengeschillen waar vocht en/of schimmel een rol
in spelen is de afgelopen jaren gestegen, van ca. 29% van alle gebrekengeschillen
in 2022 naar ca. 48% in 2025.
Vraag 29 (blz. 15)
Wat is de gemiddelde doorlooptijd tussen het indienen van een onderhoudsklacht bij
een verhuurder en het daadwerkelijk verhelpen van het gebrek?
De Huurcommissie houdt geen gegevens bij over wanneer een gebrek na een uitspraak
verholpen is. Dit jaar start de Huurcommissie met het onderzoeken van de opvolging
van haar uitspraken, zoals die over het herstel van gebreken.
Vraag 30 (blz. 15)
Hoeveel mensen in Nederland worden jaarlijks behandeld voor aandoeningen die direct
gerelateerd zijn aan vocht en schimmel in de woning, zoals astma, COPD of luchtweginfecties?
Er is geen registratie beschikbaar van het aantal gezondheidsaandoeningen als gevolg
van schimmel. De causale relatie kan ook niet zo eenvoudig gelegd worden omdat de
klachten ook door andere oorzaken kunnen komen. Er zijn wel algemene gegevens bekend
over het aantal mensen met COPD en astma:
In 2024 waren er 536.100 mensen bekend bij de huisarts met COPD (COPD: aantal personen bekend bij de huisarts | De Staat van Volksgezondheid en Zorg).
In 2023 waren er 16,9 ziekenhuisopnamen per 10.000 personen voor astma en COPD (Ziekenhuisopnamen voor astma en COPD | De Staat van Volksgezondheid en Zorg).
Vraag 31 (blz. 15)
Wat zijn de geraamde jaarlijkse zorgkosten die voortvloeien uit gezondheidsproblemen
als gevolg van slechte woningkwaliteit?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over zorgkosten gerelateerd aan woningkwaliteit.
In de RIVM Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2024 is wel opgenomen dat 0,6% van
de totale ziektelast in NL het gevolg is van binnenmilieu (Kamerstukken II, 2024/25,
32 793, nr. 791, p. 31).
Vraag 32 (blz. 15)
Hoeveel kinderen in Nederland wonen in een woning met ernstige vocht- of schimmelproblemen,
en wat zijn de bekende gezondheidseffecten hiervan op de lange termijn?
Uit het WoON24 blijkt dat ongeveer 680.000 huishoudens met thuiswonende kinderen naar
eigen zeggen last hebben van vocht en/of schimmel in de woning (zowel in de huur-
als de koopsector). Het gaat daarbij om ca. 1,1 miljoen thuiswonende kinderen. Het
gaat in deze gevallen zeker niet altijd om ernstige vocht- en schimmelproblematiek,
zoals grote oppervlakken schimmel in woonruimtes en slaapkamers.
Als gevolg van huisschimmels kunnen bewoners last krijgen van keelpijn, niezen en
hoesten, verstopte neus, piepende ademhaling en benauwdheid. Dat komt voornamelijk
door het inademen van sporen. De hoeveelheid sporen en de duur van de blootstelling
zijn van invloed op het risico op gezondheidsklachten. Als mensen allergisch zijn,
astma hebben of een andere longziekte kunnen schimmels de klachten of symptomen erger
maken.
Vraag 33 (blz. 15)
Hoeveel kinderen hebben last van gezondheidsproblematiek als gevolg van schimmel in
hun woning?
Er is geen registratie beschikbaar van het aantal kinderen met gezondheidsklachten
als gevolg van schimmel. De causale relatie kan ook niet zo eenvoudig gelegd worden
omdat de klachten ook door andere oorzaken kunnen komen. Er zijn wel algemene gegevens
beschikbaar over astma en COPD:
In 2024 waren er 536.100 mensen bekend bij de huisarts met COPD (COPD: aantal personen bekend bij de huisarts | De Staat van Volksgezondheid en Zorg).
In 2023 waren er 16,9 ziekenhuisopnamen per 10.000 personen voor astma en COPD (Ziekenhuisopnamen voor astma en COPD | De Staat van Volksgezondheid en Zorg).
Vraag 34 (blz. 18)
Kunt u toelichten waar de hogere verplichtingen op artikel 2 (Energietransitie gebouwde
omgeving en bouwkwaliteit) precies uit bestaan?
De verhoging van de verplichtingenstand op artikel 2 in de eerste suppletoire begroting
bestaat uit de ophoging van de DUMAVA-regeling, Nationaal Warmtefonds, Innovatiebudget,
Renovatieversneller, SPOR en MMIP.
Voor de subsidieregeling verduurzaming maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) wordt de
vijfde tranche opengesteld van juli 2026 tot medio oktober 2026. Het doel is om alle
aanvragen toe te kennen in 2026 en de betaling voor aanvragen boven € 25.000 in het
daaropvolgende jaar 2027 te voldoen conform de subsidievoorwaarden. Dit is een wijziging
in de betalingssystematiek van de regeling. Hierbij wordt 70% van de aanvraag bevoorschot,
waarbij bij kleine aanvragen onder de € 25.000, 100% van het bedrag wordt bevoorschot.
Het restant (circa 30%) wordt bij vaststelling en afronding in latere jaren betaald.
Op basis hiervan worden de beschikbare middelen in het juiste kasritme gezet. Het
totale verplichtingenbudget is onvoldoende voor 2026 en is daarom verhoogd.
Voor Nationaal Warmtefonds is het verplichtingenbudget meerjarig opgehoogd om aan
de huidige kasverplichtingen te kunnen voldoen. Vorig jaar zijn de verplichtingen
naar voren gehaald, echter is de subsidie toen uiteindelijk niet toegekend meerjarig
in afwachting van het Social Climate Fund. Als de Europese Commissie akkoord heeft
gegeven op het Nederlandse sociaal klimaatplan, kan een tweede gedeelte van de subsidie
worden toegekend.
Op het Innovatiebudget wordt het verplichtingenbudget opgehoogd voor 2026 en 2028
om aan de huidige kasverplichtingen te kunnen voldoen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt
door de overboekingen aan Ministerie EZK/KGG voor de innovatietender Missie gedreven
Onderzoek, ontwikkeling en innovatie Gebouwde Omgeving voor 2026 (MOOI GO).
Voor de budgetten Renovatieversneller (MEER), SPOR en MMIP zijn de verplichtingen
opgehoogd om aan de meerjarige kasverplichting te kunnen voldoen.
Vraag 35 (blz. 18)
Hoeveel kost het om alle woningen met energielabel F en G te verduurzamen tot minimaal
label E?
Er is geen data beschikbaar voor verduurzaming van alle woningen richting label E.
Wel is er specifieke informatie beschikbaar ten aanzien van de verwachte investeringskosten
van verduurzaming tot energielabel D voor huurwoningen (ABF research, 2024). Dit in
verband met de aangekondigde uitfasering van energielabels EFG bij huurwoningen per
2029 tot ten minste energielabel D.
Vraag 36 (blz. 18)
Hoeveel huurders wonen momenteel in een woning met label F of G, en wat zijn de gemiddelde
energiekosten van deze huishoudens per maand?
Zoals uit het antwoord op vraag 35 blijkt, zijn er in totaal circa 208.400 huurders
die in een woning met label F of G wonen.
De energiekosten verschillen per huishouden en zijn afhankelijk van factoren zoals
de energetische kwaliteit van de woning, het bouwjaar, de samenstelling van het huishouden
en het gedrag. Het CBS heeft in februari van dit jaar een actualisatie van de gemiddelde
energierekening per woningprofiel gepubliceerd, waaruit blijkt dat gemiddelde energierekening
iets is gedaald. Twee woningprofielen sluiten het beste aan bij de vraag naar de energierekening
van een huurder met een energielabel F of G. Het betreft het woningprofiel van een
bewoner in een oud, klein appartement of twee of meer bewoners in een oud klein appartement.
De gemiddelde energiekosten zijn respectievelijk 1.660 euro en 1.970 euro per jaar.
Vraag 37 (blz. 18)
Hoeveel woningen met label F of G zijn bewoond door huishoudens met een inkomen onder
de armoedegrens?
De Energiearmoedemonitor geeft inzicht in het aantal huishoudens met een laag inkomen
die wonen in een woning met een lage energetische kwaliteit. Woningen met een «Zeer
lage energetische kwaliteit» (ZLEK) komen grofweg ongeveer overeen met energielabels
F en G. Uit de monitor blijkt dat circa 0,3% van de huishoudens in een dergelijke
woning woont en een laag inkomen heeft. Dit betreft het ongeveer 26.000 huishoudens.
Een laag inkomen wordt in deze monitor gedefinieerd als 130% van de lage inkomensgrens.
Hier zijn wel twee kanttekeningen bij te maken. Ten eerste dient opgemerkt te worden
dat de indicator voor zeer lage energetische kwaliteit (ZLEK) mede is gebaseerd op
het energieverbruik. Hierdoor kan bij huishoudens die vanwege financiële beperkingen
minder stoken, de energetische kwaliteit van de woning gunstiger worden ingeschat
dan feitelijk het geval is. Dit kan leiden tot een onderschatting van het aantal woningen
met een slechte energetische kwaliteit binnen deze groep.
Ten tweede is het aantal huishoudens met een inkomen onder 130% sociaal minimum groter
dan het aantal huishoudens met een besteedbaar inkomen onder de armoedegrens. Dit
kan leiden tot een overschatting van de groep.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
A.C.W. de Vos, griffier
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.