Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren (Kamerstuk 23645-880)
23 645 Openbaar vervoer
Nr. 884
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 13 april 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van over de brief
van 3 maart 2026 over omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe
concessies voor de Friese Waddenveren (Kamerstuk 23 645, nr. 880).
De vragen en opmerkingen zijn op 24 maart 2026 aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 13 april 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie, Meedendorp
Inleiding
Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat hebben verschillende fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat over de brief Omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de
nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren (Kamerstuk 23 645, nr. 880). De gestelde vragen zijn hieronder beantwoord.
D66-fractie
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris hoe wordt gewaarborgd dat een
eventuele hoge overnamesom of een tegenvallend rendement voor de vervoerder niet wordt
afgewenteld op de eilandbewoners via hogere tarieven of een versobering van de dienstregeling.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat de betaalbaarheid en de frequentie van de overtochten
voor de eilanders de hoogste prioriteit behouden in de aanbestedingsvoorwaarden? Kan
de Staatssecretaris daarbij ook uitsluiten dat vertragingen of moeizame onderhandelingen
over productiemiddelen leiden tot prijsopdrijvende effecten voor zowel personen- als
goederenvervoer?
De tarieven voor de beschermde reisrechten zijn vastgelegd in de op 29 maart jl. gepubliceerde
aanbestedingsdocumenten. Dat geldt ook voor de minimale dienstregeling die in de nieuwe
concessies wordt geëist. De overnamesom van de schepen kan niet leiden tot een verhoging
van de gepubliceerde hoogte van de tarieven of een vermindering van het aantal afvaarten
in de minimale dienstregeling. De betaalbaarheid en de frequentie van de overtochten
hebben voor het kabinet een hoge prioriteit. Niet voor niets zijn twee van de vijf
gunningscriteria rond deze twee thema’s gecentreerd. Vertraging in de gesprekken over
de productiemiddelen kan niet leiden tot een verhoging van de beschermde reisrechten
als het gaat om passagiersvervoer. Het goederenvervoer wordt in de nieuwe concessies
gefaciliteerd, maar is in de kern een marktaangelegenheid. De overheid gaat niet over
de tarieven in het goederenvervoer.
De leden van de D66-fractie vragen welke waarborgen er zijn dat prijsopdrijvende effecten
als gevolg van de omgang met productiemiddelen niet onevenredig neerslaan bij het
goederenvervoer, en daarmee indirect de kosten van levensonderhoud voor eilandbewoners
verhogen?
Het is niet de verwachting dat de omgang met de productiemiddelen een prijsopdrijvend
effect in de nieuwe concessies heeft. Zoals aangegeven stuurt het kabinet niet op
de tarieven die bij het goederenvervoer worden gehanteerd.
Kan de Staatssecretaris de harde toezegging doen dat de complexiteit rondom de overname
van productiemiddelen op geen enkele wijze zal leiden tot vertraging in de feitelijke
concessieverlening? Hoe garandeert de Staatssecretaris dat het proces strak op koers
blijft richting de beoogde startdatum, ongeacht de uitkomst van de lopende gesprekken
over de overnamesommen?
Het kabinet zal zich tot het uiterste inspannen om vertraging in de concessieverlening
te voorkomen. Harde toezeggingen zijn niet mogelijk, omdat het kabinet niet alle omstandigheden
kan voorzien die tot eventuele vertraging in het aanbestedingsproces kunnen leiden.
Het kabinet probeert alle risico’s die tot vertraging kunnen leiden zo goed mogelijk
te beheersen. De beoogde gunning van de nieuwe concessies is tegen de zomer van 2027.
De nieuwe concessies gaan begin 2029 in. Daarmee resteert er een passende implementatietermijn
van anderhalf jaar. Dit proces is ook met een zorgvuldige afhandeling van de gesprekken
over de productiemiddelen haalbaar.
De leden van de D66-fractie vragen welke risico’s de Staatssecretaris ziet voor de
continuïteit van de dienstverlening, indien deze onderhandelingen stroef verlopen.
Hoe wordt voorkomen dat onzekerheid over de productiemiddelen leidt tot een verminderde
kwaliteit van de overtocht in de overgangsfase naar 2029? Welke scenario’s zijn uitgewerkt,
indien de beoogde startdatum van 1 januari 2029 niet wordt gehaald? Kan de Staatssecretaris
toezeggen dat eventuele geschillen rondom de productiemiddelen geen belemmering vormen
voor het tijdig openstellen en gunnen van de concessie?
Onzekerheid over de overgang van de productiemiddelen zullen naar verwachting niet
tot verminderde kwaliteit van de overtocht leiden. De schepen zullen blijvend worden
ingezet voor de veerverbindingen. Dat geldt ook voor de overige productiemiddelen,
zoals de terminals en de aanleginrichtingen. Met ingang van de nieuwe concessies zal
worden geregeld dat het Rijk de overige productiemiddelen aan de nieuwe concessiehouders
ter beschikking stelt. Het kabinet houdt scenario’s achter de hand voor het geval
het door welke omstandigheid dan ook niet lukt om tot een tijdige aanbesteding te
komen. De inspanningen van het kabinet zijn er echter op gericht om tijdig tot een
zorgvuldige aanbesteding te komen, voorzien van een passende implementatietermijn.
De gesprekken over de productiemiddelen vormen geen belemmering voor het tijdig openstellen
van de aanbesteding. De aanbesteding is 29 maart jl. gepubliceerd.
Tot slot vragen de leden van de D66-fractie op welke wijze de eilanders zelf (bijvoorbeeld
via de consumentenplatforms of de gemeenten) worden betrokken bij het monitoren van
de overgang van de productiemiddelen. Deelt de Staatssecretaris de mening dat de stem
van de gebruiker doorslaggevend moet zijn bij het beoordelen of de continuïteit van
de verbinding gewaarborgd blijft?
Het staat buiten kijf dat de continuïteit van de veerverbindingen gewaarborgd blijft.
De schepen en de overige productiemiddelen zullen blijvend voor de dienstverlening
worden ingezet. Dat hangt niet af van de gesprekken over de overgang van deze productiemiddelen.
CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie vragen wat de periode waarin de nieuwe concessie nog niet
is verleend voor gevolgen kan hebben voor het onderhoud en de investeringen in de
huidige productiemiddelen. In hoeverre ziet de Staatssecretaris risico’s dat onderhoud
of investeringen in deze fase worden uitgesteld, en wat kan dit betekenen voor de
betrouwbaarheid van het vervoer richting de eilanden?
Het kabinet schat deze risico’s beperkt in. Er werd al niet voorzien dat in de resterende
jaren van de huidige concessies geïnvesteerd zou worden in nieuwe schepen. Ook worden
in de komende jaren geen grootschalige investeringen in de overige productiemiddelen
verwacht. Regulier onderhoud loopt onverminderd door. De huidige concessiehouders
zijn er conform de concessie aan gehouden om de productiemiddelen bij de overgang
naar de nieuwe concessies zonder tekortkomingen over te dragen.
Deze leden vragen daarnaast hoe in deze overgangsfase de continuïteit en veiligheid
van het vervoer richting de Waddeneilanden wordt geborgd. Welke mogelijkheden ziet
de Staatssecretaris om, indien nodig, tijdig bij te sturen?
In de resterende jaren tot begin 2029 gelden de huidige concessies onverminderd. Die
bevatten heldere afspraken over het aantal afvaarten, de kwaliteit van de dienstverlening
en de veiligheid van de overtochten. Het kabinet zal de concessiehouders zoals gebruikelijk
aansturen als het gaat om het naleven van de concessie-afspraken.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe potentiële concessienemers in hun bieding rekening
kunnen houden met de overnamesom van de schepen, zolang hierover nog geen volledige
duidelijkheid bestaat. In hoeverre leidt deze onzekerheid tot risico-opslagen in biedingen
en wat kan dit betekenen voor tarieven en de kwaliteit van de dienstverlening voor
eilanders?
Het kabinet streeft ernaar om bij de eerste nota van inlichtingen (beoogd eind mei
2026) duidelijkheid te geven over de overnamesom van de schepen. Dit is nog ruim voordat
geïnteresseerde marktpartijen een eerste inschrijving moeten indienen. Door tijdig
duidelijkheid te geven over de overnamesom van de schepen, kunnen risico-opslagen
worden voorkomen. In de op 29 maart jl. gepubliceerde aanbestedingsdocumenten zijn
zowel de tarieven voor de beschermde reisrechten als de minimale dienstregeling reeds
vastgelegd.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de marktwaarde van de over te nemen schepen
wordt vastgesteld, en in hoeverre deze systematiek voldoende voorspelbaarheid biedt
voor inschrijvers. Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om deze voorspelbaarheid
te vergroten, zodat onzekerheden niet onnodig doorwerken in de uiteindelijke kosten?
De overnamesom van de schepen wordt conform de huidige concessies vastgesteld met
een taxatie, waarmee een vermoedelijke balanswaarde bij de overgang naar de nieuwe
concessie wordt bepaald. Het kabinet streeft ernaar deze vermoedelijke balanswaarde
bij de eerste nota van inlichtingen (beoogd eind mei 2026) te publiceren. Zo wil het
kabinet zo snel mogelijk duidelijkheid bieden aan inschrijvers in de aanbesteding.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid over de
overnamesom en de gebruiksvergoedingen voor overige productiemiddelen doorwerkt in
hogere tarieven of een lagere kwaliteit van dienstverlening. Welke instrumenten heeft
de Staatssecretaris om hierop te sturen?
Het kabinet streeft ernaar de overnamesom van de schepen en de hoogte van de gebruiksvergoeding
voor overige productiemiddelen bij de eerste nota van inlichtingen (beoogd eind mei
2026) te publiceren. De verwachting is niet dat een latere publicatie hiervan leidt
tot hogere tarieven of een verslechterde dienstregeling. De hoogte van de tarieven
van de beschermde reisrechten en de minimale dienstregeling zijn immers reeds gepubliceerd
op 29 maart jl. en zijn leidend bij de aanbesteding.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de Staatssecretaris kijkt naar mogelijke
risico’s voor de planning en ingangsdatum van de nieuwe concessies, in samenhang met
de onduidelijkheid over de productiemiddelen. In hoeverre kunnen deze onzekerheden
doorwerken in de termijn waarop concessies worden gegund en daadwerkelijk van start
gaan, en welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om eventuele vertragingen te
voorkomen?
Het kabinet zal zich tot het uiterste inspannen om vertraging in de concessieverlening
te voorkomen. Zoals ook in reactie op vragen van de D66-fractie aangegeven, kan het
kabinet echter niet alle omstandigheden voorzien die tot eventuele vertraging in het
aanbestedingsproces kunnen leiden. Het kabinet probeert alle risico’s die tot vertraging
kunnen leiden zo goed mogelijk te beheersen. De beoogde gunning van de nieuwe concessies
is tegen de zomer van 2027. De nieuwe concessies gaan begin 2029 in. Daarmee resteert
er een passende implementatietermijn van anderhalf jaar. Dit proces is ook met een
zorgvuldige afhandeling van de gesprekken over de productiemiddelen haalbaar.
De leden van de CDA-fractie vragen ten slotte hoe de Staatssecretaris de komende periode
wil benutten om samen met marktpartijen en huidige concessiehouders tot meer duidelijkheid
te komen over de productiemiddelen. Op welke termijn verwacht de Staatssecretaris
dat deze duidelijkheid kan worden geboden, en welke stappen kunnen nog worden gezet
om dit, waar mogelijk, te versnellen?
Het kabinet streeft ernaar de overnamesom van de schepen en de hoogte van de gebruiksvergoeding
voor overige productiemiddelen bij de eerste nota van inlichtingen (beoogd eind mei
2026) te publiceren. In de periode daar naar toe zal het kabinet met de huidige concessiehouders
in gesprek zijn om zo snel mogelijk tot goede afspaken te komen.
BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie vragen welke concrete waarborgen worden ingebouwd om te
voorkomen dat inschrijvers in een later stadium hun bieding wezenlijk moeten herzien
als gevolg van nieuwe informatie over de overnamesom? Hoe wordt voorkomen dat dit
leidt tot strategisch biedgedrag of ongelijkheid tussen inschrijvers?
Het kabinet wil dit waarborgen door bij de eerste nota van inlichtingen (beoogd eind
mei 2026) de overnamesom van de schepen te publiceren. Dit is nog ruim voordat geïnteresseerde
marktpartijen een eerste inschrijving moeten indienen.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris daarnaast of zij het met hen
eens is dat volledige duidelijkheid over de overnamesom bij aanvang van de aanbesteding
de voorkeur heeft boven het gefaseerd verstrekken van deze informatie, juist om onzekerheid
en risico-opslagen in biedingen te beperken. Indien dit niet haalbaar wordt geacht,
welke gevolgen verwacht de Staatssecretaris voor de uiteindelijke prijsstelling en
concurrentie in de aanbesteding?
Het kabinet had idealiter bij de start van de aanbesteding duidelijkheid willen geven
over de overnamesom van de schepen. Het kabinet is hier echter nog over in gesprek
met de huidige concessiehouders. Evenwel wilde het kabinet niet wachten met de start
van de aanbesteding, om te voorkomen dat de start teveel zou opschuiven in de tijd
en een tijdige gunning en passende implementatietermijn in de knel zouden komen. Het
kabinet streeft ernaar bij de eerste nota van inlichtingen (beoogd eind mei 2026)
de overnamesom van de schepen te publiceren. Dit is nog ruim voordat geïnteresseerde
marktpartijen een eerste inschrijving moeten indienen.
De leden van de BBB-fractie vragen nader te onderbouwen welke concrete risico’s voor
de implementatie ontstaan bij uitstel, en hoe deze zich verhouden tot de risico’s
van een aanbesteding met onvolledige informatie over essentiële kostencomponenten?
Met het huidige proces wordt een implementatieperiode van ca. 1,5 jaar beoogd. Dit
is nodig om juist voor nieuwe inschrijvers een zorgvuldige start van de nieuwe concessies
begin 2029 mogelijk te maken. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het inrichten
van de dienstregeling, het ontwikkelen van passende boekings- en betalingssystemen,
het werven van personeel en het ontwikkelen van een samenwerkingsstrategie. Een latere
start van de aanbesteding zou risico’s vormen voor een zorgvuldige implementatie.
Door nu de aanbesteding te starten, wil het kabinet inschrijvers afdoende tijd geven
om alle aanbestedingsdocumenten goed tot zich te nemen. Het kabinet zal borgen dat
de overnamesom van de schepen tijdig wordt gedeeld, zodat geïnteresseerde partijen
afdoende tijd hebben om dit in hun inschrijving te verwerken.
De leden van de BBB-fractie vragen voorts in hoeverre de huidige concessiehouders
invloed hebben op de totstandkoming van de overnamesom, gezien het feit dat hierover
nog gesprekken lopen. Hoe wordt geborgd dat deze onderhandelingen niet leiden tot
een overnamesom die de toetreding van nieuwe partijen bemoeilijkt of de concurrentie
in de aanbesteding beperkt?
De overnamesom van de schepen wordt conform de huidige concessies bepaald op basis
van een taxatie die de huidige rederij laat uitvoeren. Het Ministerie van IenW als
concessieverlener heeft de ruimte om deze taxatie te laten controleren. Het kabinet
en de huidige concessiehouders zijn nog over dit thema in gesprek. Juist door een
zorgvuldig taxatie- en controleproces wordt beoogd dat er een redelijke overnamesom
tot stand komt, die evenwichtig recht doet aan de belangen van de huidige en de nieuwe
concessiehouders.
De leden van de BBB-fractie vragen tot slot in hoeverre het kabinet heeft overwogen
om (delen van) de productiemiddelen, met name de schepen, in publieke handen te brengen
of te houden, om zo meer grip te houden op kostenontwikkeling, continuïteit en publieke
belangen binnen de concessie. Kan de Staatssecretaris uiteenzetten welke afwegingen
hierbij zijn gemaakt en waarom is gekozen voor de huidige systematiek van overdracht
tussen concessiehouders?
De huidige concessies voorzien in een overdracht van de schepen tussen concessiehouders.
Het kabinet heeft er niet voor gekozen om deze systematiek te veranderen, omdat de
expertise van het beheer en onderhoud van schepen bij uitstek bij de uitvoerende rederij
ligt. Bij concessies in het openbaar vervoer is overgang van materieel (bijvoorbeeld
treinen en bussen) tussen concessiehouders gebruikelijke praktijk. De haveninrichtingen
zoals aanlegsteigers zijn wel Rijkseigendom. Rijkswaterstaat beheert en onderhoudt
deze om een goede dienstverlening voor de reiziger mogelijk te maken. De concessiehouder
betaalt hiervoor een jaarlijkse gebruiksvergoeding aan het Rijk.
ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie horen graag hoe de voortgang van de gesprekken
omtrent de overnamesommen van de schepen verloopt. Kan de Staatssecretaris ook aangeven
wanneer zij uiterlijk verwacht dat er overeenstemming is? Kan de Staatssecretaris
aangeven wanneer het moment is dat zij het niet meer verantwoord acht om – als er
dan nog geen overeenstemming over de productiemiddelen met de rederijen is bereikt
– zonder verlenging met de aanbesteding door te gaan?
Zoals ook in reactie op vragen van de D66-, CDA- en BBB-fracties aangegeven, streeft
het kabinet ernaar bij de eerste nota van inlichtingen (beoogd eind mei 2026) de overnamesom
van de schepen te publiceren. Het kabinet zal bij iedere stap in de aanbesteding borgen
dat benodigde informatie tijdig genoeg wordt gedeeld, zodat geïnteresseerde partijen
afdoende tijd hebben om dit in hun uiteindelijke inschrijving te verwerken.
De leden van de ChristenUnie-fractie horen graag of de Staatssecretaris een concrete
datum kan noemen wanneer de overeenstemming er uiterlijk moet zijn. Kan de Staatssecretaris
aangeven hoe zij er mee om zal gaan, indien er een uitstel van de gehele aanbesteding
plaats moet vinden? Hoe wordt dan omgegaan met de lopende concessies?
De aanbesteding is op 29 maart jl. gepubliceerd. Zoals eerder aangegeven streeft het
kabinet ernaar bij de eerste nota van inlichtingen (beoogd eind mei 2026) duidelijkheid
te geven over de overnamesom van de schepen en de hoogte van de gebruiksvergoeding
voor de overige productiemiddelen. De beoogde gunning van de nieuwe concessies is
tegen de zomer van 2027. De nieuwe concessies gaan begin 2029 in. Daarmee resteert
er een passende implementatietermijn van anderhalf jaar. De huidige concessies gelden
onverminderd tot de overgang naar de nieuwe concessies.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de hoogte van de gebruiksvergoeding
voor de overige productiemiddelen in de aanbestedingsstukken meteen kenbaar zal worden
gemaakt.
De hoogte van de jaarlijkse gebruiksvergoeding is bij de start van de aanbesteding
nog niet gelijk bekend gemaakt. Het kabinet streeft ernaar deze duidelijkheid te geven
bij de eerste nota van inlichtingen (beoogd eind mei 2026), samen met de overnamesom
van de schepen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of er inmiddels overeenstemming is bereikt
over de eventuele overdracht en prijs van opstallen zoals kantoren, wachtruimten en
andere faciliteiten van de rederijen op de wal en of een proces van taxatie van deze
zaken al gestart is?
Op dit moment is daar nog geen overeenstemming over bereikt. Het kabinet beoogt snel
tot goede afspraken met de rederijen te komen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar actuele tijdslijnen van de MIRT-verkenning
naar de veerverbinding naar Ameland.
De MIRT-verkenning Bereikbaarheid Ameland is in november 2024 gestart. De huidige
planning is dat er in november 2027 een voorkeursalternatief wordt vastgesteld. De
planning voor de plan- en studiefase en realisatiefase is afhankelijk van het gekozen
voorkeursalternatief. Op basis van het voorkeursalternatief zal een actuele planning
gemaakt worden.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de breedte van de studie niet verder
reikt dan de (onder meer morfologische) ontwikkelingen van de mogelijke vaarroutealternatieven
en alternatieve havenlocaties?
In de MIRT-verkenning wordt onderzoek gedaan naar een lange termijn oplossing voor
de vaargeulproblematiek. Het is bij een MIRT verkenning gebruikelijk om breed oplossingsrichtingen
en pakketten van samenhangende maatregelen te beschouwen en hun effecten in beeld
te brengen. Zoals op 14 november 2024 aan de Kamer is gemeld (Kamerstuk 36 600-A, nr. 17), zijn verschillende oplossingsrichtingen binnen het mobiliteitssysteem in beeld.
Dat gaat bijvoorbeeld over de inzet van andere type schepen, mobiliteitsmaatregelen
zoals het verbeteren van de ketenreis en scheiden van het personen- en goederenvervoer.
En ook fysieke maatregelen zoals het verleggen van de veerhaven worden onderzocht.
De leden van de ChristenUnie-fractie vinden dat zowel de huidige rederij als de baggerbedrijven
die de huidige vaargeul op diepte houden op een dagelijkse basis een enorme ervaring
opdoen met het gedrag van de vaarwateren door de seizoenen heen. Hoe beoordeelt de
staatsecretaris de waarde van deze kennis als input voor de MIRT-studie, en het beoordelen
van de tussentijdse conclusies binnen een dergelijke studie? Hoe beoordeelt de Staatssecretaris
de waarde van de vroegtijdige inzet van deze kennis en ervaring om het risico op vertragingen
in de studie te verkleinen? In hoeverre betrekt de Staatssecretaris hun ervaring en
opgebouwde kennis in de analyses die verder plaatsvinden in deze studies?
Een vast onderdeel binnen een MIRT-verkenning is participatie. Ook voor de MIRT-verkenning
Bereikbaarheid Ameland wordt de inbreng van bewoners, ondernemers, bedrijven, maatschappelijke
organisaties en natuurorganisaties actief ingewonnen. Rijkswaterstaat, die verantwoordelijk
is voor het onderhoud van de vaargeul, is onderdeel van de projectorganisatie en brengt
deskundigheid en expertise in. De huidige rederij en de baggerbedrijven maken onderdeel
uit van klankbordgroepen binnen de MIRT verkenning. In deze klankbordgroepen kunnen
zij hun kennis en ervaring delen over onderwerpen als nautiek, morfologie en geulonderhoud.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief van natuurverenigingen aan
de Kamer dat zij hun voorkeur uitspreken dat de vaarroute het natuurlijke verloop
van de geulen blijft volgen. Indien deze geulen zich verlengen, kunnen overtochten
potentieel langer worden, waardoor de in het programma van eisen voorgeschreven minimale
dienstregelingen niet meer vol te houden zijn met het dan bestaande materieel en de
(kosten van) energiebehoefte. Deze leden horen graag hoe de Staatssecretaris garandeert
dat de dienstverlening voor de eilander dan niet achteruitgaat en dat de kostenverhogingen
niet leiden tot hogere veertarieven.
De brief van de natuurverenigingen heeft betrekking op de MIRT-verkenning Bereikbaarheid
Ameland. Binnen deze MIRT-verkenning zullen verschillende oplossingsrichtingen binnen
het mobiliteitssysteem beschouwd worden. Dat kan leiden tot veranderingen in de dienstregeling.
De implementatie van de MIRT-verkenning is echter niet voorzien gedurende de komende
concessieperiode, maar zullen naar verwachting raken aan de concessie daarna.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de antwoorden op deze vragen beschikbaar
te stellen enige dagen vóórafgaand aan het tweeminutendebat naar aanleiding van het
commissiedebat Wadden van 12 februari jongstleden.
Het is niet gelukt deze beantwoording voor het tweeminutendebat Wadden van 8 april
2026 aan de Kamer te sturen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
M. Meedendorp, adjunct-griffier