Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 906 Wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad (Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 15 april 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het
voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen
zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet
genoegzaam voorbereid.
INHOUDSOPGAVE
I.
ALGEMEEN DEEL
2
1.
Inleiding
2
2.
De Richtlijn: de belangrijkste inhoudelijke punten
2
2.1
Achtergrond: de richtlijn productaansprakelijkheid uit 1985
2
2.2
Aanleiding en doelstellingen van de Richtlijn
3
2.3
Toepassingsbereik
3
2.4
Harmonisatieniveau
4
2.5
Inhoud van de Richtlijn
4
2.6
Monitoring en evaluatie
6
3.
Wijze van implementatie
6
3.1
Methode van implementatie
6
3.2
Richtlijnbepalingen die geen wettelijke implementatie behoeven
7
4.
Gevolgen voor het bedrijfsleven, burgers en de rechtspraak (m.u.v. financiële gevolgen)
7
5.
Financiële gevolgen
7
6.
Advies en consultatie
7
II.
ARTIKELSGEWIJS
8
ARTIKEL I
8
I. ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
Wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw
Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees
Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige
producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad (Implementatiewet
richtlijn herziening productaansprakelijkheid) (hierna: wetsvoorstel). Deze leden
onderschrijven het belang van een toekomstbestendig aansprakelijkheidskader dat aansluit
op nieuwe en innovatieve technologische ontwikkelingen. Daarbij hechten deze leden
in het bijzonder grote waarde aan de overgang naar een circulaire economie waarin
producten langer worden gebruikt, gerepareerd en hergebruikt. Tegen deze achtergrond
hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden onderschrijven het belang van een goed functionerende interne markt en
van adequate bescherming van consumenten en andere benadeelde natuurlijke personen.
Daarbij achten deze leden het van belang dat ondernemingen kunnen blijven rekenen
op duidelijke, uitvoerbare en proportionele regels, in het bijzonder waar het gaat
om innovatieve producten, software en digitale toepassingen. Deze leden lezen in de
memorie van toelichting dat het wetsvoorstel uitsluitend regels bevat die noodzakelijk
zijn voor de implementatie en dat is gekozen voor de implementatiewijze die de minste
lasten oplegt aan het bedrijfsleven. Deze leden stellen hierover nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en danken de
regering hiervoor. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele vragen
te stellen aan de regering.
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het wetsvoorstel de implementatie van een
Europese richtlijn betreft. Ten aanzien van de aansprakelijkheid lijkt deze nu te
stoppen bij de buitengrens van de Europese Unie (hierna: EU). In dat geval is de importeur
aansprakelijk en dropshippers zelfs alleen deels aansprakelijk. Hoe gaat de regering
met behulp van de Europese regelgeving ongelijke concurrentie tegen met fabrikanten
uit China, waarvan de producten vaak niet voldoen aan dezelfde kwaliteit(seisen) als
Europese producten?
De regering verwijst in de memorie van toelichting naar de ACM ConsuWijzer van de
Autoriteit Consument & Markt. Deze leden vragen of zij hierbij is betrokken en hierop
is ingericht. Kan zij nieuwe meldingen op dit vlak aan?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben daarover
nog enkele vragen.
2. De Richtlijn: de belangrijkste inhoudelijke punten
2.1 Achtergrond: de richtlijn productaansprakelijkheid uit 1985
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de achtergrond van de herziene
richtlijn, die beoogt het productaansprakelijkheidsrecht beter te laten aansluiten
op nieuwe technologieën, nieuwe bedrijfsmodellen en nieuwe mondiale toeleveringsketens.
Deze leden begrijpen de noodzaak van modernisering van het bestaande kader, maar achten
het tegelijkertijd van belang dat de bescherming van benadeelden in evenwicht blijft
met rechtszekerheid voor ondernemingen en een voorspelbaar investeringsklimaat. Kan
de regering nader toelichten hoe dit evenwicht in de richtlijn is gewaarborgd, in
het bijzonder waar de richtlijn mede ziet op software, bijbehorende diensten en producten
die na het in de handel brengen nog onder zeggenschap van de fabrikant kunnen blijven
vallen?
2.2 Aanleiding en doelstellingen van de Richtlijn
De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat het wetsvoorstel zelf geen definitie
bevat van artificiële intelligentie (hierna: AI) als juridisch begrip, terwijl in
de toelichting en in de achtergrond van de richtlijn wel wordt verwezen naar AI-systemen
en nieuwe digitale technologieën. Deze leden achten terminologische precisie van belang,
juist voor de rechtszekerheid van de praktijk. Kan de regering daarom verduidelijken
hoe zij de verhouding ziet tussen bredere beleidsmatige verwijzingen naar AI enerzijds
en de wettelijke begrippen «software», «bijbehorende digitale dienst», «software-updates
of upgrades» en «functionaliteiten waarover de fabrikant zeggenschap behoudt» anderzijds?
Graag ontvangen deze leden een uitgebreide reactie van de regering hierop.
2.3 Toepassingsbereik
De leden van de VVD-fractie lezen dat het wetsvoorstel het productbegrip verruimt,
door onder meer software als product aan te merken en daarnaast ook bijbehorende digitale
diensten in het aansprakelijkheidskader worden betrokken. Deze leden begrijpen dat
de regeling daarmee beter moet aansluiten op de digitale economie. Deze leden vragen
de regering wel hoe in de praktijk een heldere afbakening wordt gewaarborgd tussen
software als product enerzijds en de bijbehorende digitale dienst anderzijds. Kan
de regering nader toelichten hoe overlap, interpretatieverschillen en rechtsonzekerheid
voor marktdeelnemers op dit punt worden voorkomen? Welke gevolgen heeft dit onderscheid
voor de positie van de aansprakelijkgestelde partij?
Voorts constateren de leden van de VVD-fractie dat de kring van potentieel aansprakelijke
marktdeelnemers wordt verruimd en dat daarbij onder meer ook fulfilmentdienstverleners
in beeld kunnen komen. Deze leden begrijpen het belang van effectieve verhaalsmogelijkheden
voor benadeelden, maar vragen de regering wel hoe wordt gewaarborgd dat aansprakelijkheid
zoveel mogelijk terechtkomt bij de partij die daadwerkelijk invloed heeft gehad op
het ontwerp, de productie, de wijziging of de veiligheid van het product. Kan de regering
toelichten hoe wordt voorkomen dat partijen met een meer logistieke of faciliterende
rol onevenredig worden blootgesteld aan aansprakelijkheidsrisico’s? Welke gevolgen
verwacht de regering in dit verband voor kleine en middelgrote ondernemingen die als
fulfilmentdienstverlener actief zijn en hoe worden ze betrokken bij de implementatie
van de richtlijn? En welke maatregelen worden er getroffen om ondernemingen te informeren
over de gevolgen van het wetsvoorstel voor hun bedrijfsvoering?
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat de fabrikant onder omstandigheden
aansprakelijk kan blijven voor schade die ontstaat na het in de handel brengen van
een product, bijvoorbeeld wanneer sprake is van software-updates of -upgrades, bijbehorende
diensten of functionaliteiten die blijven leren, voor zover de fabrikant daarover
zeggenschap behoudt. Deze leden achten het van belang dat het voor ondernemingen voldoende
voorzienbaar is wanneer van dergelijke zeggenschap sprake is. Kan de regering daarom
nader toelichten hoe dit criterium in de praktijk moet worden uitgelegd? Welke factoren
zijn daarbij doorslaggevend en hoe wordt voorkomen dat juist voor ontwikkelaars van
software en andere digitale toepassingen onduidelijkheid ontstaat over de reikwijdte
van hun aansprakelijkheid? Is de regering van oordeel dat dit criterium voldoende
rechtszekerheid biedt voor ondernemingen die moeten beslissen of en in welke mate
zij na marktintroductie updates blijven aanbieden?
2.4 Harmonisatieniveau
De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat Europese regels zuiver worden geïmplementeerd
en niet nationaal worden verzwaard. Kan de regering daarom bevestigen dat het wetsvoorstel
op geen enkel punt verder gaat dan de richtlijn strikt vereist? Indien op onderdelen
nog nationale beleidsruimte bestond, kan de regering dan per relevant onderdeel toelichten
welke afweging is gemaakt en waarom voor juist die invulling is gekozen?
2.5 Inhoud van de Richtlijn
De leden van de D66-fractie merken op dat reparateurs van producten in beginsel niet
onder de productaansprakelijkheid als bedoeld in de richtlijn vallen. Zij zullen enkel
als fabrikant worden aangemerkt wanneer sprake is van een «ingrijpende wijziging».
In dit kader wijzen deze leden graag naar de Nederlandse implementatie van de EU-richtlijn
betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen,
welke beoogt dat reparatie van goederen vaker plaatsvindt en toegankelijker wordt
voor consumenten. Kan de regering nader toelichten hoe de regels omtrent productaansprakelijkheid
in dit wetsvoorstel zich verhouden tot de verplichtingen uit de EU-richtlijn betreffende
het bevorderen van reparatie?
De leden van de D66-fractie wijzen er tevens op dat zowel in de EU-richtlijn betreffende
gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen als in het
Nationaal Programma Circulaire Economie (2025) wordt ingezet op het stimuleren van
reparatie en refurbishen van producten. Deze leden vragen de regering te reflecteren
op de positie van onafhankelijke reparateurs die niet door fabrikanten zijn geautoriseerd,
maar wel over de vakbekwaamheid beschikken om producten te repareren of refurbishen.
Denk hierbij ook aan de reparateurs die zijn opgenomen in het Nationaal Reparateursregister.
Zij hoeven geen autorisatie van de fabrikant te hebben, maar lopen wel het risico
op aansprakelijkheid wanneer hun werkzaamheden als «ingrijpend» worden aangemerkt.
Hoe beoordeelt de regering de positie van onafhankelijke reparateurs in dit opzicht?
En hoe voorkomt de regering dat juridische discussies over eventuele aansprakelijkheid
de doelmatigheid en effectiviteit van reparatiewerkzaamheden in de weg komen te staan?
De leden van de VVD-fractie hebben vragen over de voorgestelde bewijsvermoedens. Deze
leden begrijpen dat de benadeelde in bepaalde gevallen tegemoet wordt gekomen in zijn
bewijspositie, maar achten het van belang dat de bewijslastverdeling ook in technisch
complexe zaken evenwichtig blijft. Kan de regering nader toelichten hoe wordt voorkomen
dat de bewijsvermoedens in de praktijk resulteren in een onevenredige verzwaring van
de procespositie van ondernemingen? Hoe beoordeelt de regering het risico dat in complexe
zaken de grens tussen verlichting van de bewijspositie en een feitelijke omkering
van de bewijslast vervaagt?
Aanpassingen met het oog op nieuwe digitale technologieën
De leden van de CDA-fractie constateren dat met de richtlijn het begrip «product»
wordt uitgebreid naar software, AI-systemen en digitale updates. Deze leden vragen
de regering hoe in de praktijk wordt afgebakend wanneer software of een digitale update
als een «product» moet worden aangemerkt in de zin van de productaansprakelijkheid.
Kan de regering toelichten hoe wordt voorkomen dat aansprakelijkheid ontstaat voor
softwareaanpassingen of updates die slechts een beperkte invloed hebben op de werking
van een product?
De leden van de CDA-fractie zien dat het wetsvoorstel ook raakt aan cybersecurity.
Deze leden zijn benieuwd in hoeverre dit regels stelt aan de beveiliging van elektronische
(huishoudelijke) apparaten, voor het tegengaan van hacks en datalekken. Naast genoemde
voorbeelden als slimme koelkasten, denken deze leden bijvoorbeeld ook aan warmtepompen
die beschikken over veilige software en beveiligingscamera’s voor in en rondom het
huis. Daarnaast zien deze leden dat de ontwikkelingen op het gebied van digitale producten
snel gaan. Wat betekent dit voor aansprakelijkheid en schadeclaims? Als voorbeeld
denken deze leden aan navigatiesystemen en sensoren, die snel verouderd raken, maar
ook aan het vermogen om te blijven leren of nieuwe functies te verwerven (onder andere
zelflerende AI-systemen), zoals de regering schrijft. Hoe wordt dit precies bedoeld
en hoe werkt dit in de praktijk, zo vragen deze leden aan de regering.
Daarnaast zijn de leden van de CDA-fractie benieuwd naar de verzekerbaarheid, dekking
en premies. De regering schrijft dat het nog onzeker is welke gevolgen het wetsvoorstel
hiervoor heeft, met name als het gaat om software en digitale fabricagedossiers die
nieuwe risico’s kennen die lastig calculeerbaar zijn. Een voorbeeld hiervan is een
gebrekkig computerondersteunend ontwerpbestand. Hoe wil de regering daarmee omgaan
en welke rol kunnen brancheverenigingen en toezichthouders hierin spelen volgens de
regering? Zou een systeem van vrijwillige keurmerken een uitkomst kunnen bieden, om
waarborgen af te geven en tegelijkertijd de reikwijdte van de risico’s en potentiële
schade af te bakenen?
Uitbreiding van de kring van aansprakelijke personen
De leden van de CDA-fractie lezen dat naast producenten ook andere marktdeelnemers,
zoals fulfilmentdienstverleners, importeurs en distributeurs, aansprakelijk kunnen
worden gesteld. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen dat partijen die
slechts een beperkte rol hebben in de productieketen, volledig aansprakelijk kunnen
worden gesteld voor gebreken waarop zij feitelijk geen of zeer beperkte invloed hebben
gehad.
Verbetering van de (bewijs)positie van de benadeelde
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat de richtlijn de bewijspositie van benadeelden
versterkt, onder meer door rechterlijke vermoedens en ruimere mogelijkheden tot bewijsvergaring.
Deze leden vragen de regering nader toe te lichten hoe wordt voorkomen dat hierdoor
een disbalans ontstaat tussen de positie van de benadeelde en die van de producent.
Kan de regering tevens ingaan op de signalen uit de consultatie, dat deze bewijsverlichting
mogelijk kan leiden tot een toename van procedures en hogere aansprakelijkheidsrisico’s
voor bedrijven?
Aanpassingen met het oog op de circulaire economie
De leden van de CDA-fractie lezen dat ook partijen die producten ingrijpend wijzigen,
aansprakelijk kunnen worden gesteld. Deze leden vragen hoe in de praktijk wordt bepaald
wanneer sprake is van een «ingrijpende wijziging» van een product en hoe wordt voorkomen
dat bedrijven die bijdragen aan reparatie, hergebruik of recycling, hierdoor onevenredige
aansprakelijkheidsrisico’s lopen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de EU-wetgeving ook wordt verruimd wat betreft
de circulaire economie. Deze leden benadrukken dat het goed is dat er geharmoniseerde
regels komen die het stimuleren, maar deze leden willen vooral voorkomen dat er nieuwe
knelpunten ontstaan. Zo vraagt Techniek Nederland vooral om duidelijkheid. Deze leden
vragen daarom of de regering maatregelen gaat nemen in de praktische uitvoering om
het bedrijfsleven te ondersteunen.
De leden van de CDA-fractie zijn zich ervan bewust dat nationale aanpassingen in definities
onhaalbaar zijn in de implementatie van EU-wetgeving, maar vragen wel aan de regering
welke rol de Rijksoverheid kan pakken om mee te denken hoe het kan werken voor dergelijke
sectoren (in onder andere de maakindustrie en installatiebranche), bijvoorbeeld door
heldere voorlichting. Deze leden willen daarnaast ook zien dat aan het «recht op reparatie»
kracht wordt bijgezet. Dat kan door dit de verantwoordelijkheid te maken van de fabrikant,
maar ook door reparateurs meer ruimte te geven. Een voorbeeld hiervan is refurbishment
van meubilair. In de richtlijn staat een benadering beschreven waarbij «hoe ingrijpender»,
des te kritischer gekeken wordt naar risicobeoordeling. In de praktijk kan het echter
juist heel wenselijk zijn voor de levensduurverlenging om ingrijpender te refurbishen
dan oppervlakkige aanpassingen te doen die weinig doen voor het waardebehoud, benadrukken
deze leden. Deze leden vragen aan de regering hoe zij gaat voorkomen dat de EU-wetgeving
leidt tot onbedoelde perverse prikkels en hoe gestimuleerd wordt dat juist circulariteit
beloond wordt.
2.6 Monitoring en evaluatie
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast of de regering bereid is de gevolgen
van het wetsvoorstel voor de verzekerbaarheid, de regeldruk en het investerings- en
vestigingsklimaat te monitoren en de Kamer hierover te informeren. Kan de regering
daarbij in het bijzonder ingaan op de gevolgen voor innovatieve ondernemingen en marktdeelnemers
die producten of diensten met een digitale component op de markt brengen?
3. Wijze van implementatie
3.1 Methode van implementatie
De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat is gekozen voor
een implementatiewijze die de minste lasten oplegt aan het bedrijfsleven. Deze leden
achten dat een belangrijke voorwaarde voor een zorgvuldig implementatietraject en
het bevorderen van een gelijk Europees speelveld. Kan de regering nader motiveren
welke keuzes zijn gemaakt om zo min mogelijk lasten op te leggen aan het bedrijfsleven?
Welke alternatieven zijn overwogen en op welke punten is expliciet gekozen voor de
minst belastende variant voor ondernemingen, waaronder ondernemingen binnen het midden-
en kleinbedrijf (hierna: mkb) en innovatieve bedrijven?
3.2 Richtlijnbepalingen die geen wettelijke implementatie behoeven
De leden van de VVD-fractie vragen de regering een expliciet overzicht te geven van
de onderdelen waarop de richtlijn nationale beleidsruimte biedt en per onderdeel te
vermelden of en hoe van die ruimte gebruik is gemaakt. Heeft de regering bij de formulering
van de bepalingen over zeggenschap, de bewijsvermoedens en de uitbreiding van de kring
van marktdeelnemers gebruikgemaakt van nationale beleidsruimte of vloeien alle gemaakte
keuzes rechtstreeks en dwingend uit de richtlijn voort?
4. Gevolgen voor het bedrijfsleven, burgers en de rechtspraak (m.u.v. financiële gevolgen)
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering heeft bezien welk effect de combinatie
van de verruiming van het productaansprakelijkheidskader, de uitbreiding van de kring
van aansprakelijke marktdeelnemers en de introductie van bewijsvermoedens kan hebben
op het aantal collectieve productaansprakelijkheidsclaims in Nederland, mede in samenhang
met de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie. Kan de regering toelichten
of zij verwacht dat dit wetsvoorstel leidt tot een toename van collectieve procedures?
De leden van de CDA-fractie lezen in de consultatiereacties dat verschillende sectoren
zorgen hebben geuit over de verzekerbaarheid van de nieuwe aansprakelijkheidsrisico’s.
Kan de regering aangeven of onderzocht is in hoeverre de nieuwe risico’s voor bedrijven,
met name voor het mkb, nog verzekerbaar zijn en of hierover overleg heeft plaatsgevonden
met verzekeraars?
5. Financiële gevolgen
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de passages in de memorie van
toelichting over de mogelijke gevolgen van het wetsvoorstel voor verzekerbaarheid,
dekking en premievorming. Deze leden achten het van belang dat tijdig inzicht bestaat
in de praktische gevolgen van de implementatie voor het bedrijfsleven, in het bijzonder
voor mkb-ondernemingen en ondernemingen die software of andere innovatieve digitale
toepassingen ontwikkelen. Kan de regering nader toelichten welke gevolgen zij verwacht
voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van productaansprakelijkheidsverzekeringen?
Is hierover overleg gevoerd met verzekeraars of sectorvertegenwoordigers en, zo ja,
tot welke conclusies heeft dat geleid?
6. Advies en consultatie
De leden van de D66-fractie lezen dat is afgeweken van het advies van de Consumentenbond
om ook refurbishbedrijven te kwalificeren als fabrikant. Met het oog op het bevorderen
van de circulaire economie hechten deze leden er grote waarde aan dat consumenten
worden gestimuleerd om tweedehands- en refurbished producten aan te schaffen. Deze
leden delen dan ook de zorgen van de Consumentenbond dat voor consumenten onduidelijk
is wie aansprakelijk is in het geval een «opgeknapt» product gebrekkig is en schade
veroorzaakt. Hoewel deze leden onderschrijven dat de uitleg van de begrippen «ingrijpende
wijziging» en «fabrikant» is voorbehouden aan het Hof van Justitie van de EU, vragen
zij de regering nader in te gaan op de wijze waarop consumenten bij refurbished goederen
kunnen rekenen op een effectieve mate van rechtsbescherming net als bij «nieuwe» producten
het geval is.
De leden van de VVD-fractie constateren dat onder meer het Verbond van Verzekeraars,
de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen en The American Chamber of Commerce in the
Netherlands in de consultatiefase hebben gereageerd op het wetsvoorstel. Deze leden
lezen dat daarbij onder meer aandacht is gevraagd voor de mogelijke gevolgen van het
wetsvoorstel voor de verzekerbaarheid, dekking en premies. Kan de regering nader toelichten
hoe deze signalen zijn gewogen? Kan de regering bovendien aangeven waarom zij desondanks
van oordeel is dat op dit punt is gekozen voor de implementatiewijze die de minste
lasten oplegt aan het bedrijfsleven?
De leden van de CDA-fractie constateren dat verschillende organisaties in de consultatie
aandacht hebben gevraagd voor de mogelijke gevolgen van de richtlijn voor innovatie
en het investeringsklimaat. Kan de regering nader toelichten hoe bij de implementatie
is gewaarborgd dat de bescherming van consumenten in balans blijft met het behoud
van een aantrekkelijk innovatieklimaat voor bedrijven?
De leden van de BBB-fractie hebben een vraag over de gevolgen van de voorgestelde
wijziging voor de positie van consumenten bij kleinere schades. Onder het huidige
recht kan een consument zich bij zaakschade onder de € 500,– nog wenden tot de verkoper.
In het voorliggende wetsvoorstel komt deze uitzondering te vervallen, waardoor de
consument zich ook bij relatief kleine schade moet richten tot de producent. Deze
leden constateren dat dit in de praktijk een verslechtering van de positie van de
consument kan betekenen. Het aanspreken van een producent, die zich vaak verder in
de keten bevindt en vaak zelfs in het buitenland is gevestigd, is immers complexer
en minder laagdrempelig dan het aanspreken van de verkoper. Tegelijkertijd begrijpen
deze leden dat deze wijziging voor verkopers en het mkb juist een verlichting betekent.
Toch zijn deze leden van mening dat verkopers niet volledig gevrijwaard zouden moeten
worden van verantwoordelijkheid. Juist de verkoper staat in direct contact met de
consument en speelt een belangrijke rol in het waarborgen van de veiligheid van producten
die op de markt worden gebracht. Deze leden vragen de regering daarom hoe zij deze
verschuiving weegt vanuit het perspectief van consumentenbescherming. Acht de regering
het wenselijk dat de consument bij kleine schades een hogere drempel ervaart om zijn
recht te halen? En hoe wordt geborgd dat verkopers voldoende prikkels blijven houden
om alleen veilige producten aan te bieden, wanneer hun aansprakelijkheid verder wordt
beperkt?
II. ARTIKELSGEWIJS
ARTIKEL I
Onderdeel C, invoeging artikel 184a (definitiebepalingen en toepassings-bereik); Lid
1, onderdeel b (product)
De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe te lichten hoe de definitie
van «product» in artikel 184a moet worden toegepast op software en digitale componenten
die gedurende de levensduur van een product worden aangepast of geüpdatet.
Onderdeel F, wijziging artikel 187 (aansprakelijke marktdeelnemers)
De leden van de CDA-fractie vragen hoe in de praktijk wordt vastgesteld welke marktdeelnemer
aansprakelijk is wanneer meerdere partijen betrokken zijn bij de ontwikkeling, distributie
of aanpassing van een product, bijvoorbeeld bij producten met softwarecomponenten.
Onderdeel G, wijziging artikel 188 (bewijslast)
De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe te lichten hoe de rechter
in de praktijk moet omgaan met de bewijsverlichting voor benadeelden bij complexe
producten, zoals producten met digitale of AI-componenten. Hoe wordt voorkomen dat
producenten worden geconfronteerd met aansprakelijkheid in situaties waarin de oorzaak
van de schade technisch moeilijk vast te stellen is?
Onderdeel I, wijziging artikel 190 (schade)
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de nieuwe schadecategorieën, zoals schade door
verlies of beschadiging van data, in de praktijk moeten worden vastgesteld en gewaardeerd.
Onderdeel K, invoeging artikel 191a (vervaltermijn); Lid 1, vervaltermijn van tien
jaar
De leden van de CDA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom is gekozen voor
een vervaltermijn van 25 jaar bij latente gezondheidsschade en welke gevolgen deze
langere termijn kan hebben voor de rechtszekerheid en verzekerbaarheid voor producenten.
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie, Paauwe
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
B.A. Paauwe, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.