Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 892 Wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de risicoanalyse bestuurlijke integriteit voor kandidaat-bestuurders (Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 13 april 2026
Inleidende opmerkingen
Met belangstelling hebben we kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie
voor Binnenlandse Zaken over het wetsvoorstel tot Wijziging van de Gemeentewet, de
Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba in verband met de risicoanalyse bestuurlijke integriteit voor kandidaat-bestuurders
(Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche). We
danken de leden voor hun inbreng en gaan graag in op de in het verslag gestelde vragen.
Het is goed te zien dat de Kamer veel aandacht schenkt aan dit onderwerp. De regering
herkent de dilemma’s die in de vragen aan de orde worden gesteld en wil daar graag
in de beantwoording op ingaan.
In deze nota zijn de vragen en opmerkingen uit het verslag integraal opgenomen in
cursieve tekst en de beantwoording van de vragen in gewone typografie. Daarbij is
de volgorde van het verslag aangehouden. In deze nota naar aanleiding van het verslag
wordt omwille van de leesbaarheid veelal uitsluitend over gemeenteraden, raadsleden
en de Gemeentewet gesproken. Hierbij wordt tevens gedoeld op de andere decentrale
volksvertegenwoordigingen en volksvertegenwoordigers en op de gelijkluidende bepalingen
in de bijbehorende organieke wetten, tenzij expliciet anders wordt vermeld. Daar waar
de beantwoording van de vragen uit het verslag raakvlakken heeft met het openbaar
bestuur van de waterschappen werk ik samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat
(IenW), als verantwoordelijk Minister voor de inrichting van het waterschapsbestel.
Deze nota naar aanleiding van het verslag wordt mede namens de Minister van Infrastructuur
en Waterstaat uitgebracht, gelet op zijn verantwoordelijkheid voor de waterschappen
en de Waterschapswet.
ALGEMEEN DEEL
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden delen de mening van de regering dat integriteit van cruciaal belang is
voor vertrouwen in de politiek. Daarom steunen zij het streven de integriteit van
het decentraal bestuur te bevorderen. Zij wensen de regering wel enkele vragen te
stellen over het wetsvoorstel.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
Wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de risicoanalyse bestuurlijke
integriteit voor kandidaat-bestuurders. Graag willen deze leden de regering over het
wetsvoorstel een aantal vragen stellen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het wetsvoorstel om de integriteit en het functioneren van het decentrale bestuur
verder te bevorderen. Deze leden hebben op dit moment nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie hebben het wetsvoorstel met interesse gelezen en hebben
nog enkele vragen aan de regering.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden vinden het goed dat er aandacht is voor de integriteit van bestuurders
en begrijpen de keuze voor een uniforme risicoanalyse. Zij zien een dergelijke risicoanalyse
als een startschot voor aandacht voor integriteit van bestuurders tijdens hun ambtsperiode.
Zij leden hebben hierbij nog enkele vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden
hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze
leden onderschrijven het belang van bestuurlijke integriteit en het versterken van
het vertrouwen in het decentraal bestuur. Tegelijkertijd achten zij het van groot
belang dat een wettelijke verplichting zorgvuldig wordt gemotiveerd en dat helder
is welk concreet probleem met dit voorstel wordt opgelost. Deze leden constateren
dat in veel gemeenten reeds een risicoanalyse wordt uitgevoerd voorafgaand aan de
benoeming van kandidaat-bestuurders. Zij vragen de regering daarom nadrukkelijk te
motiveren waarom een wettelijke verankering noodzakelijk is, indien het instrument
in de praktijk al breed wordt toegepast.
1. Inleiding
1 – D66
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat het door een risicoanalyse vooraf
inzichtelijk maken van integriteitsrisico’s een bijdrage kan leveren aan het voorkomen
van integriteitsschendingen en in het algemeen het integriteitsbewustzijn kan verhogen.
Dit betekent wel een beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Vanwege een openbare bespreking kan het nodig zijn dat bepaalde delen van de uitkomsten
van de risicoanalyse openbaar gemaakt moeten worden. Deze leden vragen de regering
om een reflectie op het spanningsveld tussen privacy en integriteit, waarin zij ingaat
op de intimidatie en bedreigingen die lokale bestuurders steeds vaker ondervinden.
Bovenal, intimidatie en bedreiging van lokale politici is onacceptabel. Lokale politici
moeten veilig hun werk kunnen doen, omdat ze zich dagelijks inzetten voor onze democratie.
Door het duidelijk inkaderen van het uitvoeren van de risicoanalyse is voor kandidaat-bestuurders
vooraf duidelijk aan welke wettelijke normen getoetst wordt en welke bronnen worden
geraadpleegd. Het gaat daarom alleen om gegevens die openbaar zijn, door de kandidaat
worden aangeleverd of eventueel volgen uit het netwerk van de kandidaat. Gelet op
het belang van het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van de beoogd wethouder,
wordt het enkel ten aanzien van informatie die een direct verband houdt met deze normen
proportioneel geacht om dit met de raad te delen. Dat betekent dus dat de informatie
die in het kader van de risicoanalyse met de raad gedeeld kan worden beperkt is. Daarbij
moet ook altijd een evenredigheidsweging worden gemaakt gelet op het belang van de
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Tegelijkertijd is het goed voorstelbaar dat er tijdens het gesprek met de kandidaat
of wanneer er bijvoorbeeld een bredere bijeenkomst in het kader van integriteit plaatsvindt,
zaken naar boven komen die relevant worden geacht, maar niet te relateren zijn aan
een wettelijke integriteitsnorm. Er blijft nadrukkelijk ruimte voor het voeren van
het gesprek daarover, zodat er over integriteit in een bredere betekenis kan worden
stilgestaan. Daarbij kan ook het gesprek worden gevoerd over thema’s als intimidatie
en bedreiging.
2 – PVV
De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom ervoor gekozen wordt de risicoanalyse
centraal per wet te verplichten, als reeds 96 procent van de responderende gemeenten
al gebruik maakt van het instrument van de uitvoering van een risicoanalyse. Vindt
de regering deze wet gezien dit gegeven niet overbodig? Deze leden vragen aan de regering
of het wettelijk verplichten van het uitvoeren van een risicoanalyse bestuurlijke
integriteit geen nadelig effect heeft op het aantal mensen dat zich kandidaat wil
stellen voor een functie in het openbaar bestuur.
Deze leden geven terecht aan dat heel veel gemeenten op dit moment al gebruikmaken
van het instrument van een risicoanalyse integriteit voorafgaand aan de benoeming
van kandidaat-wethouders. Uit onderzoek dat I&O Research en DSP groep in opdracht
van het Ministerie van BZK hiernaar hebben gedaan, bleek dat de wijze waarop die risicoanalyse
worden uitgevoerd nog sterk verschilt per gemeente.1 Gelet op de potentieel ingrijpende gevolgen voor kandidaten en de invloed op hun
persoonlijke levenssfeer, is het naar de opvatting van de regering niet wenselijk
als op deze punten wezenlijke verschillen bestaan tussen gemeenten.
Met dit wetsvoorstel wordt de reikwijdte van de uitvoering van een risicoanalyse ingekaderd
en worden er grenzen gesteld aan de wijze waarop de uitvoering van een risicoanalyse
wordt uitgevoerd. Het wetsvoorstel draagt juist bij aan de gewenste duidelijkheid,
kenbaarheid en waarborgen voor kandidaat-bestuurders voordat zij het proces van een
risicoanalyse ondergaan.
3 – PVV
Deze leden vragen aan de regering hoe zij in de wet heeft geborgd dat de verplichte
risicoanalyse objectief zal worden uitgevoerd en niet als een politiek instrument
kan worden gebruikt door bijvoorbeeld de burgemeester om kandidaat-bestuurders van
een andere politieke kleur uit te sluiten van het beoogde ambt.
Met dit wetsvoorstel wordt de reikwijdte van de uitvoering van een risicoanalyse wettelijk
ingekaderd en worden er grenzen gesteld aan de wijze waarop de uitvoering van een
risicoanalyse wordt uitgevoerd. Deze duidelijke kaders beperken het risico dat de
risicoanalyse zou worden gebruikt voor politieke doeleinden. Bovendien kan de risicoanalyse
naar zijn aard helemaal niet gebruikt worden door de burgemeester om een kandidaat-bestuurder
uit te sluiten. Het oordeel over de benoeming is bij uitstek aan de raad.
Omdat de benoembaarheid van een kandidaat-bestuurder wettelijk niet gebonden is aan
een bepaalde uitkomst van de uitvoering van de risicoanalyse zal het document met
conclusies, aanbevelingen en beheersmaatregelen ook geen oordeel hierover bevatten.
Uiteraard staat het de raadsleden wel vrij om – al dan niet politieke – factoren te
wegen bij de benoeming. Dit wordt niet gewijzigd met dit wetsvoorstel.
1.1 Hoofdlijnen wettelijke regeling
4 + 5 – GroenLinks-PvdA
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen de wens om de integriteit van het decentrale
bestuur verder te bevorderen en versterken. Deze leden vinden het daarom verstandig
dat de regering hiertoe nadere wettelijke regels voorstelt. Deze leden begrijpen dat
het voorliggende wetsvoorstel ziet op de dagelijks bestuurders bij de verschillende
decentrale overheden. Zij wijzen echter ook op het belang van transparantie en integriteit
bij gekozen volksvertegenwoordigers. Zo constateren deze leden dat bij decentrale
volksvertegenwoordigingen niet altijd een actuele lijst van nevenfuncties op de website
te vinden is. Onderkent de regering het belang van een actuele lijst van nevenfuncties
en is de regering het met deze leden eens dat provincies, waterschappen, gemeenten
en openbare lichamen en hier zorg voor dienen te dragen? Is de regering bereid het
belang hiervan opnieuw bij de decentrale volksvertegenwoordigingen onder de aandacht
te brengen?
De regering benadrukt dat het van belang is om de wettelijke verplichting tot openbaarmaking
van nevenfuncties, zoals deze is opgenomen in de relevante wettelijke verplichtingen,
wordt nageleefd.2 Sinds 1 januari 2023 is verduidelijkt dat functies en nevenfuncties onmiddellijk
na benoeming of aanvaarding van de nevenfunctie openbaar gemaakt moeten worden en
dat dit online (op elektronische wijze) en op een fysieke locatie moet gebeuren. Het
is dan ook permanent onderdeel van het gesprek tussen Minister en decentrale overheden
en daarnaast expliciet opgenomen in het Handboek Integriteit, welke als doel heeft
om de decentrale overheden te ondersteunen bij het bevorderen van de bestuurlijke
integriteit en de aandacht voor het onderwerp en het integriteitsbewustzijn bij politieke
ambtsdragers te vergroten.3
6 – Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower merken op dat met dit wetsvoorstel de uitvoering
van een risicoanalyse verplicht wordt gesteld en dat daarnaast regels worden vastgelegd
met betrekking tot financiële belangen van bestuurders. Deze leden vragen de regering
nader te concretiseren welk concreet tekort in de huidige praktijk met deze wettelijke
regeling wordt ondervangen.
Uit onderzoek dat I&O Research en DSP groep in opdracht van het Ministerie van BZK
hiernaar hebben gedaan, bleek dat in 96% van de ondervraagde gemeenten al risicoanalyses
worden uitgevoerd.4 Uit datzelfde onderzoek bleek echter ook dat de wijze waarop die risicoanalyse worden
uitgevoerd nog sterk verschilt per gemeente.5 Daarmee weten kandidaat-bestuurders niet altijd wat hen te wachten staat, zijn de
verantwoordelijkheden niet helder belegd en krijgt de gemeenteraad soms weinig tot
geen informatie.
Voor het onderwerp financiële belangen geldt dat deze fundamentele integriteitsnorm
voor decentrale bestuurders tot op heden niet is opgenomen in het huidig wettelijk
kader. Daarmee is het wettelijk normenkader rondom bestuurlijke integriteit onvolledig.
Tegelijkertijd worden voor andere openbare ambten wel al integriteitsnormen gehanteerd
tot het financieel belang. De regering is daarom van mening dat deze fundamentele
integriteitsnorm een specifieke wettelijke grondslag vereist
Dit wetsvoorstel legt belangrijke kaders vast zodat voor alle betrokkenen – kandidaat-bestuurders,
de voorzitters van het dagelijks bestuur en volksvertegenwoordigers – duidelijk is
waar zij aan toe zijn. Daarbij gaat het om essentiële randvoorwaarden en waarborgen
zoals de reikwijdte van de risicoanalyse, de verschillende verantwoordelijkheden en
de omgang met persoonsgegevens. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het grote publieke
belang dat met de bestuurlijke integriteit is gemoeid.
2. Achtergrond wettelijke regeling risicoanalyse
7 – VVD
De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat voor het vertrouwen van burgers in
de overheid integriteit van bestuurders en politici van groot belang is. Het doel
van de risicoanalyse is dan ook het inzicht bieden in eventuele kwetsbaarheden met
betrekking tot de integriteit van kandidaat-bestuurders. De wettelijk verplichte risicoanalyse
integriteit moet daar een bijdrage aan leveren. Anderzijds, zo menen deze leden, is
ook de persoonlijke levenssfeer van kandidaat-bestuurders en van eventuele derden
van groot belang. Het wetsvoorstel legt extra verplichtingen op aan kandidaat-bestuurders.
Hoe kan worden bereikt dat het ambt voor een ieder aantrekkelijk blijft? Deze leden
vragen de regering daarop in te gaan.
Benadrukt wordt dat de positie van dagelijks bestuurder ook een bijzondere verantwoordelijkheid
van dit ambt met zich meebrengt, waarbij ook waarborgen zoals een risicoanalyse passen.
Daarbij wordt ook benadrukt dat de risicoanalyse niet gaat over de integriteit van
de persoon als zodanig, maar gericht is op feiten en omstandigheden die een risico
kunnen vormen voor de bestuurlijke integriteit. Met dit wetsvoorstel wordt de reikwijdte
van de uitvoering van een risicoanalyse ingekaderd en worden er grenzen gesteld aan
de wijze waarop de uitvoering van een risicoanalyse wordt uitgevoerd. Het wetsvoorstel
draagt juist bij aan de gewenste duidelijkheid en waarborgen voor kandidaat-bestuurders
voordat zij het proces van een risicoanalyse ondergaan. Met uitzondering van de voorgestelde
norm met betrekking tot financiële belangen en mogelijke normen uit een lokale gedragscode
of verordening, zijn de normen waaraan getoetst wordt allemaal reeds bestaande wettelijke
normen.
2.1. Doel en strekking van het instrument
8 – D66
De leden van de D66-fractie delen het uitgangspunt van de regering dat de uitvoering
van een risicoanalyse primair het doel van preventie met zich meedraagt en niet vanuit
wantrouwen redeneert. Deze leden vragen de regering te reflecteren op hoe zij kan
voorkomen dat potentiële kandidaat-wethouders toch het tegendeel kunnen ervaren, waarmee
het wetsvoorstel op hen een afschrikwekkende werking kan hebben.
De regering benadrukt nogmaals dat het van belang is dat een risicoanalyse wordt verricht
met het uitgangspunt dat de kandidaat-wethouder integer is. Het bestaan van integriteitsrisico’s
betekent op zichzelf ook niet dat een kandidaat niet of minder integer is. Het uitvoeren
van een risicoanalyse biedt inzicht rondom eventuele kwetsbaarheden voor de burgemeester,
de kandidaat-bestuurder, de raad en de lokale gemeenschap. De invalshoek van de risicoanalyse
integriteit is iets wat door de burgemeester als procesverantwoordelijke richting
kandidaat-bestuurders kan worde uitgedragen. Daarnaast zal deze invalshoek ook worden
uitgedragen bij op te stellen ondersteunende informatie rondom de inwerkingtreding
van het wetsvoorstel.
Bij de beantwoording van deze vraag wordt verder verwezen naar het antwoord op de
vorige vraag.
9 – JA21
De leden van de JA21-fractie lezen dat de risicoanalyse tijdens het benoemingsproces
van kandidaat-wethouders wordt uitgevoerd met als doel preventief in kaart te brengen
welke integriteitsrisico’s zich mogelijk kunnen voordoen gedurende de uitoefening
van het ambt. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten welk probleem met
het verplicht stellen van deze risicoanalyse wordt opgelost dat niet reeds via bestaande
instrumenten kan worden ondervangen.
Uit onderzoek dat I&O Research en DSP groep in opdracht van het Ministerie van BZK
hebben uitgevoerd bleek dat de wijze waarop de risicoanalyse worden uitgevoerd nog
sterk verschilt per gemeente.6 Daarmee weten kandidaat-bestuurders niet altijd wat hen te wachten staat, zijn de
verantwoordelijkheden niet helder belegd en krijgt de gemeenteraad soms weinig tot
geen informatie. Dit wetsvoorstel legt belangrijke kaders vast zodat voor alle betrokkenen
– kandidaat-bestuurders, de voorzitters van het dagelijks bestuur en volksvertegenwoordigers
– duidelijk is waar zij aan toe zijn. Daarbij gaat het om essentiële randvoorwaarden
en waarborgen zoals de reikwijdte van de risicoanalyse, de verschillende verantwoordelijkheden
en de omgang met persoonsgegevens.
Bij de beantwoording van deze vraag wordt verder verwezen naar het antwoord op vraag
2.
10 – JA21
Deze leden merken op dat diverse regio’s reeds initiatieven hebben ontwikkeld om de
weerbaarheid van het openbaar bestuur te versterken, zoals de Zeeuwse norm voor een
weerbare overheid (gepubliceerd door de provincie Zeeland op 4 maart 2026). Deze leden
vragen de regering hoe dergelijke bestaande initiatieven zich verhouden tot het in
dit wetsvoorstel voorgestelde instrument van de risicoanalyse.
Het is goed als binnen gemeenten, provincies en waterschappen wordt gesproken over
het onderwerp integriteit en men aandacht heeft voor bewustwording rondom het thema
integriteit. De door de leden aangehaalde Zeeuwse norm voor een weerbare overheid
is hier een voorbeeld van. De provincie heeft ook de mogelijkheid om hier autonoom
op te handelen. Daarbij is uiteraard wel van belang om voor ogen te houden dat de
wet leidend blijft.
11 – Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower lezen dat de uitvoering van een risicoanalyse reeds
in veel gemeenten plaatsvindt als onderdeel van het benoemingsproces. Deze leden vragen
de regering uiteen te zetten welke problemen zich in de huidige praktijk voordoen
wanneer gemeenten op eigen initiatief een risicoanalyse uitvoeren. Welke knelpunten
of tekortkomingen zijn uit onderzoek of praktijkervaring naar voren gekomen?
Deze leden geven terecht aan dat heel veel gemeenten op dit moment al gebruikmaken
van het instrument van een risicoanalyse integriteit voorafgaand aan de benoeming
van kandidaat-wethouders. Uit onderzoek dat I&O Research en DSP groep in opdracht
van het Ministerie van BZK hiernaar hebben gedaan, bleek dat in 96% van de ondervraagde
gemeenten al risicoanalyses worden uitgevoerd.7 Uit datzelfde onderzoek bleek echter ook dat de wijze waarop die risicoanalyse worden
uitgevoerd nog sterk verschilt per gemeente. Zo zijn de bronnen die worden gebruikt
voor het onderzoek verschillend en loopt ook de informatie die met de raad wordt gedeeld
uiteen. Gelet op de potentieel ingrijpende gevolgen voor kandidaten en de invloed
op hun persoonlijke levenssfeer, is het naar de opvatting van de regering niet wenselijk
als op deze punten wezenlijke verschillen bestaan tussen gemeenten. Bovendien geven
burgemeesters en wethouders ook aan dat in sommige gevallen de kwaliteit van de risicoanalyses
nu nog beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gehanteerde methode de integriteitsrisico’s
onvoldoende in kaart bracht. Hieruit voortvloeiend wordt dan ook de oproep gedaan
om met een minimumstandaard te komen voor de risicoanalyse, om zo de kwaliteit hiervan
te borgen en waar nodig te verhogen.8
Bij de beantwoording van deze vraag wordt ook verwezen naar het antwoord op vraag
2 en 9.
12 – Groep Markuszower
Voorts vragen deze leden of er concrete probleemgevallen of incidenten bekend zijn
waarbij het ontbreken van een wettelijke grondslag of uniforme werkwijze heeft geleid
tot onduidelijkheid, geschillen of integriteitskwesties. Indien dergelijke gevallen
zich hebben voorgedaan, verzoeken deze leden aan de regering om deze nader toe te
lichten. Indien dergelijke gevallen niet of nauwelijks bekend zijn, vragen deze leden
de regering nader te motiveren waarom wettelijke verankering desalniettemin noodzakelijk
wordt geacht.
Zoals in het antwoord op de vorige vraag is aangegeven, is in sommige gevallen door
burgemeesters en wethouders aangegeven dat het ontbreken van een wettelijke grondslag
en duidelijke minimumnormen voor de risicoanalyse tot onduidelijkheid en vermindering
van de kwaliteit van de uitvoering van de risicoanalyse heeft geleid. Meer in algemene
zin acht de regering wettelijke verankering van de risicoanalyse integriteit passend
en noodzakelijk, gelet op het grote publieke belang dat hiermee is gemoeid. Het aan
de voorkant waarborgen dat politieke bestuurders integer zijn is een belangrijke steun
voor een goed functionerend openbaar bestuur. Bovendien raakt de uitvoering van de
risicoanalyse de persoonlijke levenssfeer van kandidaat-bestuurders. Met de wettelijke
verankering van de risicoanalyse worden kaders vastgelegd voor de reikwijdte hiervan,
de verantwoordelijkheidsverdeling en de omgang met persoonsgegevens. Daarmee wordt
de rechtszekerheid van de kandidaten geborgd en weten zowel zij als andere betrokkenen,
waaronder de burgemeester, waar zij aan toe zijn. Ongewenste verschillen in methodiek
en informatieverstrekking aan de raad zoals in het antwoord op de vorige vraag geschetst,
worden hiermee ook zoveel mogelijk voorkomen.
13 – Groep Markuszower
Daarnaast vragen zij of de verschillen in uitvoering tussen gemeenten daadwerkelijk
hebben geleid tot aantoonbare risico’s voor de bestuurlijke integriteit, dan wel vooral
tot variatie in procedurele aanpak.
Uit de inventarisatie van I&O Research en DSP-Groep blijkt dat de uitvoering van de
risicoanalyse integriteit op dit moment nog sterk uiteenloopt. De gebruikte bronnen
en gehanteerde methodiek verschillen bijvoorbeeld tussen gemeenten.9 Of dit in concrete gevallen tot integriteitsrisico’s heeft geleid valt op basis van
dit onderzoek niet te zeggen. Wel geven sommige bestuurders aan dat zij de indruk
hadden dat het ontbreken van eenduidige normen voor de risicoanalyse tot vermindering
van de kwaliteit van de uitvoering hiervan heeft geleid, bijvoorbeeld doordat niet
alle risico’s goed in kaart konden worden gebracht. Die kwaliteit van de uitvoering
van de risicoanalyse is een belangrijke voorwaarde om integriteitsrisico’s zoveel
mogelijk tegen te kunnen gaan of te mitigeren.
2.2. De uitvoering van een risicoanalyse in de praktijk
14 – GroenLinks-PvdA
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering de zorgen die
de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Afdeling advisering) uit over
de positie en rol van de burgemeester niet in de memorie van toelichting heeft overgenomen.
Kan de regering nogmaals nader ingaan op het feit dat zij de adviezen van de Afdeling
advisering op dit punt niet overneemt?
Hoewel er oog is voor de opmerking voor het advies van de Afdeling advisering – en
dit ook geleid heeft tot aanscherping van de memorie van toelichting op dit punt –
is de regering van mening dat een functionele scheiding op het niveau van de wet niet
aangewezen is.
De regering hecht er waarde aan dat ruimte blijft voor de huidige uitvoeringspraktijk
waarbij de feitelijke uitvoering van de risicoanalyse door een daartoe gemandateerde
ambtenaar wordt gedaan. Dit gebeurt onder verantwoordelijkheid van de burgemeester.
Ditzelfde geldt voor mogelijke situaties waar de burgemeester een eigenstandige rol
speelt bij het te voeren «goede gesprek». Het aanbrengen van een functionele scheiding
sluit deze mogelijkheden uit.
Daarbij is aangescherpt dat de wet alleen de verantwoordelijkheid bij de burgemeester
legt om toe te zien op de uitvoering van de risicoanalyse, en het binnen die algemeen
geformuleerde procesverantwoordelijkheid niet aan te bevelen is dat de burgemeester
de uitvoering van iedere feitelijke handeling die plaatsvindt in het kader van de
risicoanalyse zelf voor zijn rekening neemt.
15 – CDA
De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere toelichting over wie bepaalt door
wie de risicoanalyse uitgevoerd gaat worden en hoe dit is vastgelegd.
De burgemeester ziet er op toe dat de risicoanalyse wordt uitgevoerd. Dit betekent
dat de burgemeester bepaalt wie de risicoanalyse uitvoert. Dit is vastgelegd in het
voorgestelde artikel 36c, tweede lid, van de Gemeentewet. Daarbij is het uiteraard
wel goed denkbaar dat het proces van de risicoanalyse voorgaand in algemene zin met
de raad wordt besproken.
16 – CDA
Deze leden lezen dat de regering het onwenselijk acht dat een burgermeester zelf de
risicoanalyse uitvoert, terwijl deze ook is aangewezen om toe te zien op de kwaliteit
van de uitvoering daarvan. Zij vragen waarom er niet voor gekozen is om op wetsniveau
te expliciteren dat de burgermeester niet de analyse zelf mag uitvoeren.
Het niet wettelijk uitsluiten dat de burgemeester de risicoanalyse zelf mag uitvoeren
heeft verschillende redenen. In de eerste plaats wordt hiermee ruimte gelaten voor
de burgemeester om zelf te bepalen waar de uitvoering precies wordt belegd. Dit sluit
aan bij de huidige uitvoeringspraktijk en de regering hecht er aan dat daar ruimte
voor blijft. Daarbij speelt ook een belangrijke rol dat de regering het gelet op artikel
128 van de Grondwet niet passend acht om een Gemeentewettelijke taak te attribueren
een commissie, extern bureau of ambtenaar.
Het verplicht voorschrijven van mandaat past ook niet bij het karakter van de Gemeentewet.
Het is niet aan de wetgever om de wijze voor te schrijven waarop de burgemeester diens
taak met betrekking tot de risicoanalyse uitoefent. De regering heeft vertrouwen in
het vermogen van burgemeesters om een goede afweging te maken van wat passend is,
zonder dat alles juridisch is dichtgeregeld. Daarnaast acht de regering het ook goed
denkbaar dat de burgemeester in sommige situaties ook een eigenstandige rol zal vervullen
bij de uitvoering van de risicoanalyse, bijvoorbeeld als het «goede gesprek» met de
kandidaat plaatsvindt. De regering acht het wenselijk dat hier ruimte voor is omdat
het de burgemeester concreet in staat stelt uitvoering te geven aan zijn zorgplicht
ten aanzien van de bestuurlijke integriteit van het gemeentebestuur.
17 – CDA
Deze leden merken op dat een van de mogelijkheden voor het uitvoeren van de risicoanalyse
het uitbesteden aan een extern bureau is. Zij vragen hoe geborgd wordt dat een bureau
afdoende kwaliteit kan leveren.
In de eerste plaats worden met dit wetsvoorstel een aantal belangrijke waarborgen
voor een kwalitatief goede uitvoering van de risicoanalyse vastgelegd. Het gaat dan
bijvoorbeeld om het vereiste dat alleen aan kenbare normen uit de wet, gedragscode
of verordening wordt getoetst, om het recht op wederhoor en om de omgang met persoonsgegevens.
Dit zijn kwaliteitswaarborgen die na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel straks
voor alle uitvoerders van de risicoanalyse zullen gelden, ook voor externe bureaus.
Daarbij moet worden benadrukt dat een groot deel van de bureaus die in de praktijk
veel risicoanalyses uitvoeren nu al voorziet in een kwalitatief goede uitvoering,
mede door de ervaring die zij hiermee inmiddels hebben opgedaan. Ook hebben zij in
veel gevallen eigen protocollen om de kwaliteit van hun onderzoeken, waaronder risicoanalyses,
te borgen.
Los van dit wetsvoorstel is het Ministerie van BZK ook een traject gestart om tot
kwaliteitseisen voor integriteitsonderzoeken naar decentrale politieke ambtsdragers
te komen, in samenwerking met het Ministerie van I&W en de koepelorganisaties van
de decentrale overheden (VNG, IPO en de Unie van Waterschappen). Dit traject richt
zich met name op de kwaliteit van onderzoeken naar vermeende integriteitsschendingen
van zittende politieke ambtsdragers. Die onderzoeken moeten worden onderscheiden van
de risicoanalyse integriteit, die een preventief karakter heeft en zich richt op mogelijke
kwetsbaarheden omtrent kandidaat-bestuurders. Mochten uit het genoemde traject nog
punten komen die ook relevant zijn voor de uitvoerders van de risicoanalyse, dan kan
dat te zijner tijd worden meegenomen. Dit zou bijvoorbeeld een plaats kunnen krijgen
in het onderdeel over de screening van kandidaat-bestuurders in het Handboek integriteit
voor politieke ambtsdragers van decentrale overheden.10
18 – Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower lezen dat de Handleiding basisscan integriteit voor
kandidaat-bestuurders reeds breed bekend is en door een ruime meerderheid van gemeenten
wordt gebruikt. Deze leden vragen de regering toe te lichten in hoeverre de huidige
situatie, waarin gemeenten vrijwillig gebruikmaken van deze handleiding, tekortschiet.
Is gebleken dat gemeenten die de handleiding toepassen desalniettemin wezenlijk verschillend
omgaan met de reikwijdte van de risicoanalyse, de gebruikte bronnen of de wijze van
rapporteren aan de gemeenteraad? Indien dat het geval is, in hoeverre zijn deze verschillen
problematisch gebleken in de praktijk?
Deze leden geven terecht aan dat heel veel gemeenten op dit moment gebruikmaken van
de Handleiding basisscan integriteit bij de uitvoering van risicoanalyses. Dit blijkt
in de praktijk een belangrijk hulpmiddel en helpt zeker bij het borgen van een goede
voorbereiding en uitvoering van de risicoanalyse. Toch blijkt uit de inventarisatie
van de huidige praktijk dat, ondanks het al enige jaren bestaan van de genoemde Handleiding,
toch nog verschillen bestaan tussen gemeenten als het gaat om de normen waaraan wordt
getoetst, de bronnen die worden gebruikt en de informatie die wel en niet aan de raad
wordt verstrekt. Zoals in het antwoord op vraag 11 is aangegeven, wordt door bestuurders
in sommige gevallen aangegeven dat die verschillen een negatieve invloed hebben op
de kwaliteit van de risicoanalyse. Daarnaast acht de regering de uitvoering van de
risicoanalyse van een dusdanig publiek belang, dat het passend wordt gevonden om de
belangrijkste elementen van dit proces wettelijk vast te leggen. Een handleiding geeft
richting en kan in de praktijk zeer behulpzaam zijn, maar geeft betrokkenen geen zekerheid
dat het proces zoals daarin geschetst volledig op die wijze plaatsvindt in de praktijk.
Ten aanzien van een aantal punten, zoals de informatie die wordt gedeeld met de raad
en de normen waaraan wordt getoetst, vindt de regering het noodzakelijk om die zekerheid
wel te bieden door middel van een wettelijke waarborg.
19 – Groep Markuszower
Voorts vragen deze leden waarom niet is gekozen voor versterking van de bestaande
handleiding, bijvoorbeeld door middel van nadere richtsnoeren of bestuurlijke afspraken,
alvorens over te gaan tot een wettelijke verplichting.
Met een aanpassing of uitbreiding van de bestaande Handleiding basisscan integriteit,
zou niet worden gewaarborgd dat vooraf helder is voor kandidaten aan welke normen
wordt getoetst en hoe bijvoorbeeld met hun persoonsgegevens zal worden omgegaan. Gelet
op de inbreuk die een risicoanalyse betekent voor de persoonlijke levenssfeer van
kandidaat-bestuurders, acht de regering het van belang dat die rechtszekerheid wel
wordt geboden. Omdat een handleiding slechts een richtsnoer is en niet afdwingbaar,
zou een aanpassing van dit bestaande instrument hiertoe niet afdoende zijn. Dat neemt
overigens niet weg dat de Handleiding basisscan integriteit, aanvullend op de wettelijke
regeling van de risicoanalyse, nog steeds een geschikt hulpmiddel kan zijn voor de
nadere uitwerking van het proces van de risicoanalyse.
2.3. Belang wetsvoorstel
20 – CDA
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering stelt dat dit wetsvoorstel «een
belangrijke eerste stap is» in het vaststellen van kwaliteitseisen bij de risicoanalyse
en lezen dat er ook gesteld wordt dat de vraag hoe het beste gekomen kan worden tot
kwaliteitseisen nog onderwerp van gesprek is. Deze leden vragen om een nadere toelichting
wat de regering hiermee bedoelt en vragen waarom er niet gewacht wordt met dit wetsvoorstel
totdat er duidelijk is welke kwaliteitseisen er aan een integriteitsonderzoek, dan
wel risicoanalyse, gesteld zullen worden.
In de eerste plaats benadrukt de regering dat dit wetsvoorstel de kwaliteit van de
uitvoering van de risicoanalyse zelf reeds waarborgt. Belangrijke elementen, zoals
toetsing aan kenbare normen, toepassen van wederhoor en het begrenzen van de verwerking
van persoonsgegevens, worden in dit wetsvoorstel geregeld. Bovendien zijn ook de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing. Daarnaast loopt inderdaad ook een
traject om tot kwaliteitseisen voor integriteitsonderzoek te komen. Dat traject is
primair gericht op onderzoeken naar vermeende integriteitsschendingen door politieke
ambtsdragers, minder op preventieve risicoanalyses naar kandidaat-bestuurders. Het
is niet uitgesloten dat een deel van de kwaliteitseisen die op basis van dit traject
zullen worden vastgesteld ook relevant zijn voor de uitvoering van risicoanalyses.
Daarbij zou het met name kunnen gaan om nadere kwaliteitseisen aan de onderzoekende
partij. Het gaat in beginsel echter wel om twee gescheiden trajecten met verschillende
uitgangspunten. Het genoemde traject is bovendien veelomvattend en vergt een zorgvuldig
proces, in afstemming met vertegenwoordigers van het decentraal bestuur en de uitvoerders
van integriteitsonderzoek. Het werd dan ook onwenselijk geacht om op de uitkomsten
van dit traject te wachten alvorens het wetsvoorstel omtrent de risicoanalyse in te
dienen bij uw Kamer. Nu de belangrijkste kwaliteitswaarborgen voor de risicoanalyse
reeds in dit wetsvoorstel worden vastgelegd, vindt de regering het van belang om nu
snel te zorgen dat de risicoanalyse wettelijk verankerd wordt en daarmee van deze
waarborgen wordt voorzien. Mochten uit het onderzoek nog punten komen die ook relevant
zijn voor de uitvoerders van de risicoanalyse, dan kan dat te zijner tijd worden meegenomen.
Dit zou bijvoorbeeld een plaats kunnen krijgen in het Handboek integriteit voor politieke
ambtsdragers van decentrale overheden.
21 – Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower onderschrijven het belang van het bevorderen van
integriteit en het versterken van het vertrouwen in het openbaar bestuur. Deze leden
vragen de regering evenwel nader te motiveren waarom de stap van vrijwillige toepassing
naar een dwingende wettelijke verplichting proportioneel en noodzakelijk wordt geacht
in het licht van de reeds bestaande praktijk.
Naar de overtuiging van de regering is wettelijke verankering van de risicoanalyse
om een aantal redenen van fundamenteel belang. In de eerste plaats dient de risicoanalyse
integriteit een belangrijk publiek belang. Daarnaast wordt met deze wettelijke regeling
meer duidelijkheid geboden aan kandidaat-bestuurders over wat zij kunnen verwachten
van de risicoanalyse en wordt daarmee hun rechtszekerheid op dit punt gewaarborgd.
Ten derde kan met een wettelijke regeling ook meer richting worden gegeven aan de
betrokkenen bij de uitvoering van de risicoanalyse over hun verantwoordelijkheden.
Dit laatste geldt in het bijzonder voor de bijzondere verantwoordelijkheid van de
burgemeester bij dit proces.
De Afdeling advisering heeft eerder ook al benadrukt dat een aantal belangrijke waarborgen,
zoals de reikwijdte van de risicoanalyse en de omgang met persoonsgegevens, op het
niveau van de wet moet worden geregeld, gelet op de inbreuk die de risicoanalyse betekent
op de persoonlijke levenssfeer van kandidaat-bestuurders. Bovendien geven ook bestuurders
zelf aan behoefte te hebben aan een aantal minimumnormen om de kwaliteit van de risicoanalyse
te borgen, blijkens de genoemde inventarisatie die is uitgevoerd naar de huidige praktijk
van de uitvoering van de risicoanalyse. Dit alles afwegende acht de regering een wettelijke
regeling van de risicoanalyse noodzakelijk en proportioneel. Daarbij merkt de regering
ook op dat het overgrote deel van de gemeenten op dit moment al een risicoanalyse
integriteit uitvoert, dus de gevolgen van de wettelijke plicht om dit te doen kunnen
in de praktijk worden gerelativeerd.
3. Inhoud en uitvoering wettelijke regeling risicoanalyse
3.1. Reikwijdte risicoanalyse
22 – CDA
De leden van de CDA-fractie merken op dat in de bestaande praktijk onderzoek vaak
al verder gaat dan zoals nu in het wetsvoorstel is voorzien. Deze leden vragen hoe
tegemoet gekomen zal worden aan de zorg van onder andere de Vereniging van Griffiers
dat de beperkte reikwijdte van de wet ervoor kan zorgen dat relevante integriteitsaandachtspunten
niet meer worden getoetst.
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering is toegevoegd dat normen
die zijn vastgelegd in een lokale verordening of de gedragscode ook onderdeel kunnen
zijn van de risicoanalyse. Hiermee ontstaat – binnen de wettelijke grenzen – meer
ruimte voor lokale aandachtspunten op het gebied van bestuurlijke integriteit. Daarnaast
kan er tijdens het proces van de uitvoering van de risicoanalyse ook aandacht zijn
voor andere relevante aandachtspunten op het gebied van integriteit. In dat kader
wordt gewezen op het gesprek met de kandidaat dat gevoerd wordt, ook wel het goede
gesprek genoemd. Het staat gemeenten dan ook vrij om tijdens dit goede gesprek bijvoorbeeld
open vragen te stellen die niet of niet direct verband houden met de bestuurlijke
integriteit. In dit gesprek zullen naar alle waarschijnlijkheid, en dat is ook een
uitgelezen moment daarvoor, ook zaken aan de orde komen die zich niet goed in een
vragenlijst laten vastleggen en ook geen onderdeel zullen uitmaken van de uitkomsten
van de uitvoering van een risicoanalyse en dus ook niet van de conclusies, aanbevelingen
en voorgenomen beheersmaatregelen die met de raad worden gedeeld. De uiteindelijke
bevindingen in de rapportage dienen wel een direct verband te hebben met het relevante
normenkader.
Het goede gesprek is overigens niet klaar na afronding van de risicoanalyse, maar
betreft juist een doorlopend gesprek tussen de wethouder en de burgemeester – en in
sommige gevallen ook de raad – over dilemma’s die zich tijdens de ambtsperiode voordoen.
23 – Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de voorgestelde afbakening
van de risicoanalyse tot wettelijk verankerde integriteitsnormen en normen uit gedragscodes
of verordeningen. Deze leden vragen de regering hoe in de praktijk wordt geborgd dat
de risicoanalyse niet alsnog wordt verbreed naar algemene morele of geschiktheidsafwegingen
die buiten het wettelijk kader vallen.
De beoordeling van de integriteitsrisico’s, zoals tijdens het proces plaatsvindt,
vindt los plaats van politieke overwegingen. Om die reden is ook uitgesloten dat (een
commissie van) de raad dit onderzoek uitvoert. Het is de taak van de burgemeester
om erop toe te zien dat de uitvoering van de risicoanalyse wordt uitgevoerd binnen
de gestelde kaders. Er zijn dan ook waarborgen opgenomen in het proces (waaronder
wederhoor voor de kandidaat-bestuurder, geheimhouding over de informatie die geen
onderdeel uitmaakt van de openbaar gemaakte uitkomsten van de risicoanalyse en een
nadrukkelijke evenredigheidstoets voor het openbaar maken van persoonsgegevens).
Na afronding van de risicoanalyse is het daarbij ook bij uitstek aan de raad om bij
de afweging over het al dan niet benoemen van de kandidaat-bestuurder ook andere factoren
te wegen dan de uitkomsten van de risicoanalyse, zoals algemene morele of geschiktheidsafwegingen.
3.1.1 Integriteitsnormen met een grondslag in de wet, verordening of gedragscode integriteit
24 – VVD
In de memorie van toelichting valt te lezen dat het gaat om het inventariseren van
risico’s ten aanzien van wettelijke integriteitsnormen dan wel van integriteitsnormen
die zijn vastgelegd in de lokale gedragscode integriteit of verordening. De leden
van de VVD-fractie kunnen zich voorstellen dat de lokale gedragscodes of verordeningen
per gemeente verschillen. Leidt dat niet tot verschillende aandachtspunten voor kandidaat-bestuurders
en dus tot het verschillend omgaan met integriteit in gemeenten? Deze leden vragen
de regering daarop in te gaan.
De leden merken terecht op dat het mogelijk is dat de lokale gedragscodes of verordeningen
per gemeente verschillen. Dit past bij de lokale invulling van integriteit. Het kan
hierbij gaan om verdere inkleuring van de relevante wettelijke normen, maar ook om
aanvullende normen. Daarbij wordt wel opgemerkt dat het in een gedragscode of verordening
voorschrijven van een gedragsregel die afwijkt of verder gaat dan een dwingendrechtelijke
wettelijke regeling niet mogelijk is.
Het is van belang dat deze lokale invulling van integriteitsnormen vervat is in de
gedragscode of verordening, deze normen zich ervoor lenen om betrokken te worden in
de risicoanalyse en dat de raad uitdrukkelijk heeft bepaald dat deze normen onderdeel
uitmaken van de risicoanalyse. Aangezien de risicoanalyse alleen ziet op de bestuurlijke
integriteit, zullen hooguit enkele specifieke bepalingen uit gedragscodes of verordeningen
relevante integriteitsnormen bevatten.
25 – CDA
De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat ten opzichte van de versie uit
de internetconsulatie in dit onderdeel van het wetsvoorstel een verbreding heeft plaatsgevonden,
waardoor in de risicoanalyse ook integriteitsnormen uit een lokale gedragscode of
verordening meegenomen kunnen worden. Indien dat het geval is, vragen deze leden waarom
dit gewijzigd is. Voorts vragen zij om een toelichting of hiermee dan geen grote verschillen
tussen gemeenten zullen ontstaan.
De leden merken terecht op dat ook integriteitsnormen uit een lokale gedragscode of
verordening meegenomen kunnen in de risicoanalyse integriteit, hetzij onder voorwaarden.
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering en gesprekken met de uitvoeringspraktijk
meende de regering dat de beperkte reikwijdte niet voldoende recht deed aan de betekenis
van de gedragscode integriteit van de decentrale overheden en de lokale context.
Enkele verschillen tussen gemeenten zijn daarmee ook mogelijk; dit past binnen de
lokale context. Het kan hierbij gaan om verdere inkleuring van de relevante wettelijke
normen, maar ook om aanvullende normen. Daarbij wordt wel opgemerkt dat het in een
gedragscode of verordening voorschrijven van een gedragsregel die afwijkt of verder
gaat dan een dwingendrechtelijke wettelijke regeling niet mogelijk is.
Bij de beantwoording van deze vraag wordt verder verwezen naar het antwoord op de
vorige vraag.
26 – JA21
De leden van de JA21-fractie lezen dat integriteitsnormen vaak nader zijn uitgewerkt
in lokale gedragscodes. Deze leden vragen de regering hoe moet worden omgegaan met
situaties waarin een kandidaat-bestuurder formeel voldoet aan de wettelijke normen
maar niet aan een lokale gedragscode.
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is het wetsvoorstel op dit punt aangepast.
Er is nu de mogelijkheid opgenomen om lokale integriteitsnormen te betrekken bij de
risicoanalyse, mits deze vervat zijn in de gedragscode of een verordening, deze normen
zich ervoor lenen om betrokken te worden in de risicoanalyse en dat de raad uitdrukkelijk
heeft bepaald dat deze normen onderdeel uitmaken van de risicoanalyse. Ter volledigheid
wordt hierbij wel opgemerkt dat het in een gedragscode of verordening voorschrijven
van een gedragsregel die afwijkt of verder gaat dan een dwingendrechtelijke wettelijke
regeling niet mogelijk is.
Het is uiteindelijk aan de raad om te besluiten over het al dan niet benoemen van
een kandidaat-bestuurder, waarbij de conclusie dat er niet voldaan is aan een van
toepassing zijnde norm uit de gedragscode logischerwijs onderdeel kan uitmaken van
de afweging hierover.
3.1.2 Formele benoembaarheidseisen
27 – CDA
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat de keuze open gelaten wordt om ook de formele
benoembaarheidseisen onderdeel te laten zijn van de risicoanalyse. Indien dit het
geval is, vragen deze leden hoe dat zich verhoudt tot de positie van de commissie
die de geloofsbrieven onderzoekt.
Het onderzoek naar de benoembaarheidsvereisten voor kandidaat-wethouders is niet in
de wet geregeld. In de praktijk wordt dit vaak belegd bij een commissie geloofsbrieven,
maar dit is niet wettelijk vastgelegd. Dit wetsvoorstel heeft niet tot doel om die
praktijk te wijzigen. De formele benoembaarheidsvereisten maken dan ook geen verplicht
onderdeel uit van de uitvoering van de risicoanalyse. Tegelijkertijd wordt er nadrukkelijk
rekening mee gehouden dat het in de praktijk wenselijk kan worden geacht om het onderzoek
naar de formele benoembaarheidsvereisten te beleggen bij de uitvoerder van een risicoanalyse.
Het wetsvoorstel staat hier niet aan in de weg en laat deze keuze aan de gemeente.
3.1.3 Bronnen
28 – VVD
Eén van de bronnen bij de uitvoering van de risicoanalyse is het «goede gesprek» met
de kandidaat. De leden van de VVD-fractie vragen zich af wie dat goede gesprek met
de kandidaat voert. Doet de burgemeester dat als er geen extern bureau wordt ingeschakeld?
Kan dat overigens ook de mandaatambtenaar zijn dan wel het externe bureau dat kan
worden ingeschakeld voor de uitvoering van de risicoanalyse?
De burgemeester ziet er op toe dat de risicoanalyse wordt uitgevoerd. Dit betekent
dat de burgemeester bepaalt wie de risicoanalyse uitvoert. Dit geldt ook voor het
goede gesprek. Er is enkel uitgesloten dat het gesprek wordt gevoerd door (een commissie
van) de raad. Het goede gesprek is overigens niet klaar na afronding van de risicoanalyse,
maar betreft juist een doorlopend gesprek tussen de wethouder en de burgemeester –
en in sommige gevallen ook de raad – over dilemma’s die zich tijdens de ambtsperiode
voordoen.
29 – VVD
Ook mensen in het netwerk van een kandidaat-bestuurder kunnen worden bevraagd. De
kandidaat wordt hiervan op de hoogte gesteld. Medewerking van personen uit het netwerk
van de kandidaat geschiedt op basis van vrijwilligheid, zo blijkt uit de memorie van
toelichting. Wat zijn de gevolgen als een derde geen vragen wil beantwoorden? Wordt
daar in het dossier melding van gemaakt? Deze leden vragen de regering daarop in te
gaan.
De leden van de VVD-fractie stellen enkele vragen met betrekking tot een derde die
al dan niet betrokken is bij de uitvoering van de risicoanalyse naar een kandidaat-bestuurder.
De leden merken terecht op dat medewerking van derden geschiedt op basis van vrijwilligheid.
Indien een derde besluit niet mee te werken heeft dit geen gevolgen. Ook hiervoor
geldt dat terughoudend dient te worden omgegaan met het opnemen van de persoonsgegevens
over een derde in de rapportage. Een opmerking in algemene bewoordingen over het al
dan niet inzichtelijk krijgen van een deel van de relevante feiten en omstandigheden
in relatie tot de bestuurlijke integriteit van een beoogd wethouder is wel denkbaar.
3.2. De uitvoering van een risicoanalyse
30 – GroenLinks-PvdA
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het Nader rapport dat de regering
van mening is dat het wetsvoorstel reeds voldoende waarborgen biedt voor de kwaliteitseisen
die gesteld zouden moeten worden aan het integriteitsonderzoek. Deze leden lezen voorts
dat er nog gesprekken gevoerd worden met de diverse beroeps- en belangenverenigingen
en met de uitvoerders van het integriteitsonderzoek. Tevens loopt er nog een onderzoek
bij de Radboud Universiteit en de Universiteit van Tilburg. Deze leden ontvangen hier
graag een update over. Hoe lopen deze gesprekken en wanneer wordt het onderzoek verwacht?
Geven deze gesprekken de regering aanleiding om alsnog nadere kwaliteitseisen in de
wet op te nemen?
Op dit moment loopt inderdaad ook een breder traject dat erop is gericht te bezien
hoe de kwaliteit van integriteitsonderzoeken kan worden versterkt. Dat traject richt
zich primair op onderzoeken naar vermeende integriteitsschendingen door zittende politieke
ambtsdragers. In het kader van dit traject zijn denksessies georganiseerd met vertegenwoordigers
van het decentraal bestuur en uitvoerders van integriteitsonderzoek en zijn in opdracht
van het Ministerie van BZK twee wetenschappelijke rapporten geschreven over kwaliteitseisen
voor integriteitsonderzoek vanuit bestuurskundig en staatsrechtelijk perspectief.
Over de uitkomsten van deze denksessies en onderzoeken en de opvolging die het Ministerie
van BZK hieraan zal geven, wordt uw Kamer voor de zomer per brief geïnformeerd. Deze
uitkomsten geven geen directe aanleiding om dit wetsvoorstel aan te passen, nu deze
met name betrekking hebben op onderzoeken naar vermeende integriteitsschendingen en
kwaliteitswaarborgen voor dat type onderzoeken. De kwaliteit van de uitvoering van
de risicoanalyse wordt in dit wetsvoorstel reeds versterkt door middel van een aantal
belangrijke waarborgen. Mochten er toch nog punten uitkomen die ook relevant zijn
voor de uitvoerders van de risicoanalyse, dan kan dat te zijner tijd worden meegenomen.
Dit zou bijvoorbeeld een plaats kunnen krijgen in het Handboek integriteit voor politieke
ambtsdragers van decentrale overheden.
Bij de beantwoording van deze vraag wordt verder verwezen naar het antwoord op vraag
20.
31 – GroenLinks-PvdA
De Afdeling advisering merkt op dat gemeentelijke gedragscodes en verordeningen geen
onderdeel mogen uitmaken van de risicoanalyse. Deze leden vinden het van groot belang
dat voor eenieder helder is aan welke criteria precies getoetst wordt bij een risicoanalyse.
Zij vragen de regering daarom om nader in te gaan op het feit dat de situatie zich
kan voordoen dat bij een decentrale overheid regels en verordeningen zijn waaraan
niet getoetst kan worden. Hoe wordt voorkomen dat hier onduidelijkheid over zal ontstaan
en dat een kandidaat door de risicoanalyse komt, terwijl niet voldaan is aan de regels
die het decentrale orgaan zelf opgesteld heeft?
Het wetsvoorstel is op dit punt aangepast naar aanleiding van deze opmerking van de
Afdeling advisering.
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verder verwezen naar het antwoord op vraag
26.
3.2.1 Verantwoordelijkheid en ondersteuning van de burgemeester
32 – D66
De leden van de D66-fractie merken op dat de burgemeester met het voorstel de verantwoordelijkheid
krijgt voor het toezicht op en potentieel ook de uitvoering van de risicoanalyse,
ook nog na advies van de Afdeling advisering om de twee te scheiden. De regering geeft
aan daarmee aansluiting te zoeken bij de huidige uitvoeringspraktijk. Deze leden vragen
de regering te verduidelijken waarom zij een dergelijke aansluiting verkiest boven
het opvolgen van het advies van de Afdeling advisering.
In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat de burgemeester toeziet op de uitvoering
van de risicoanalyse. Het wetsvoorstel regelt daarbij niet door wie de risicoanalyse
feitelijk wordt uitgevoerd. Met de formulering «ziet toe op» wordt aangesloten op
de formulering met betrekking tot de taken van de burgemeester in artikel 170, eerste
lid van de Gemeentewet. Net zoals in artikel 170, eerste lid, betekent dit niet dat
de burgemeester wordt aangemerkt als toezichthouder. Het betekent dat de burgemeester
zorgdraagt dat de risicoanalyse plaatsvindt, en dat de burgemeester verantwoordelijk
is voor het goed verlopen van het proces.
Bij de beantwoording van deze vraag wordt verder verwezen naar het antwoord op vraag
16.
33 – D66
Ook vragen deze leden hoe de regering reflecteert op de wenselijkheid van een situatie
waarin de burgemeester zorgdraagt voor de uitvoering van de analyse, met het oog op
de samenwerkingsrelatie tussen de burgemeester en kandidaat-wethouder en het uitgangspunt
om de analyse juist op afstand van politieke overwegingen te zetten.
De burgemeester voert deze taak uit als concretisering van de algemene taak volgende
uit artikel 170, tweede lid Gemeentewet. Uit artikel 170, tweede lid, van de Gemeentewet
volgt al dat de burgemeester tot taak heeft de bestuurlijke integriteit te bevorderen.
Het gaat er daarbij om dat de burgemeester er op toeziet dat de uitvoering van een
risicoanalyse daadwerkelijk en op een zorgvuldige wijze wordt uitgevoerd binnen de
gestelde kaders. De regering heeft bewust gekozen voor een belangrijke rol voor de
burgemeester gelet op diens neutrale rol in het gemeentebestuur en diens taak om de
bestuurlijke integriteit te bevorderen.
Tegelijkertijd is de regering ook van mening dat het algemeen wenselijk kan zijn dat
de risicoanalyse wordt uitgevoerd door een andere partij met een zekere afstand tot
de politiek. Het is daarom dus ook nadrukkelijk mogelijk dat de burgemeester de feitelijke
uitvoering van de risicoanalyse ergens anders zal beleggen, zoals een extern bureau,
een daarvoor aangewezen commissie of gemandateerde ambtenaar. Ten aanzien van de overwegingen
om niet uit te sluiten dat de burgemeester de risicoanalyse zelf uitvoert wordt verder
verwezen naar het antwoord op vraag 16.
34 – D66
Deze leden hebben daarnaast begrip voor de redenering dat een burgemeester mogelijkerwijs
wenst geen extern bureau in te huren voor de uitvoering van een risicoanalyse. Zij
vragen de regering of overwogen is een ondersteunende taak voor de risicoanalyses
te leggen bij de Rijksoverheid. Als het antwoord instemmend is, vragen zij de regering
toe te lichten waarom daarvan is afgezien. Als het antwoord ontkennend is, vragen
zij de regering of deze beschikt over instrumenten om externe inhuur te voorkomen,
anders dan het leggen van de uitvoering bij de burgemeester.
Er zijn meerdere opties globaal overwogen. Al vrij snel in het wetgevingsproces is
ervoor gekozen de ruimte te bieden om lokaal een afweging te maken over de invulling
van de risicoanalyse. Er zijn meerdere mogelijkheden hiervoor, hoe deze wordt ingevuld
betreft een lokale afweging. De uitvoering van de risicoanalyse kan worden uitbesteed
aan een extern bureau, maar de burgemeester kan ook zelf zorgdragen voor deze uitvoering
of deze bij een onafhankelijke commissie beleggen. De regering heeft er bewust voor
gekozen om de medeoverheden hier vrij in te laten. Zoals in de beantwoording van eerdere
vragen al werd aangegeven is de huidige praktijk van de uitvoering van risicoanalyses
geïnventariseerd en uit deze inventarisatie bleek dat in een groot deel van de gemeenten
op dit moment de risicoanalyse wordt uitgevoerd door externe bureaus. De regering
wil met deze wet voorspelbaarheid en een zekere mate van uniformering bevorderen,
maar acht het niet wenselijk om de praktijk die zich gaandeweg heeft ontwikkeld, nu
radicaal om te gooien. Met deze wettelijke regeling worden daarom wel een paar belangrijke
waarborgen wettelijk vastgelegd, ook ten aanzien van de te onderscheiden verantwoordelijkheden
bij het proces van de uitvoering van de risicoanalyse, maar wordt niet voorgeschreven
wie de risicoanalyse moet uitvoeren. Er wordt enkel voorgeschreven dat de uitvoering
niet door de raad kan worden gedaan.
35 – VVD
Ingevolge het voorgestelde artikel 36c, tweede lid, «ziet de burgemeester toe» op
de uitvoering van de risicoanalyse, zo lezen de leden van de VVD-fractie. De burgemeester
kan vervolgens zelf zorg dragen voor de feitelijke uitvoering van een risicoanalyse,
de uitvoering beleggen bij een extern bureau dan wel bij een onafhankelijke commissie,
of een combinatie hiervan. Als de burgemeester zelf zorg draagt voor de uitvoering
van de risicoanalyse, dan zal de feitelijke uitvoering meestal door een daartoe gemandateerde
ambtenaar worden gedaan, dus in opdracht van de burgemeester. Is het denkbaar dat
de burgemeester de analyse ook daadwerkelijk zelf uitvoert, ook al is het niet aan
te bevelen dat de burgemeester de gehele feitelijke uitvoering van de risicoanalyse
voor zijn rekening neemt? Als dat niet is aan te bevelen, zou dat dan niet in de wet
moeten worden verankerd, in die zin dat de burgemeester de feitelijke uitvoering niet
voor zijn rekening neemt? Waarom is niet bepaald dat de feitelijke risicoanalyse op
afstand van de burgemeester wordt geplaatst en dat de burgemeester toeziet op een
goede uitvoering van één en ander? Deze leden vragen de regering de in het wetsvoorstel
gemaakte keuze nader te motiveren.
Het is theoretisch denkbaar dat de burgemeester de gehele feitelijke uitvoering van
de risicoanalyse voor zijn rekening neemt. De regering acht dit niet waarschijnlijk,
maar acht het ook niet een onoverkomelijk probleem als dit wel zou gebeuren. Burgemeesters
verdienen het vertrouwen dat zij in een concreet geval een goede afweging kunnen maken
van wat passend is.
De regering verwijst verder naar het antwoord op vraag nr. 16 van het CDA.
36 – CDA
De leden van de CDA-fractie lezen «dat [het] logisch [is] dat bij ambtsopvolging of
waarneming van het burgemeestersambt het dossier overgaat op de ambtsopvolger of degene
die in de waarneming van het ambt voorziet». Deze leden vragen of dit in de huidige
vorm van het wetsvoorstel dan ook mogelijk is.
Het is inherent aan het stelsel van de Gemeentewet, dat de taken en bevoegdheden van
de burgemeester overgaan op de ambtsopvolger of degene die in de waarneming van het
ambt voorziet. Daarbij wordt wel opgemerkt dat uit artikel 6 van de Algemene Verordening
Gegevensbescherming (hierna: AVG) volgt dat de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk
dient te zijn. Dat betekent dat een ambtsopvolger of waarnemer niet zonder reden kennis
kan nemen van de dossiers.
37 – JA21
De leden van de JA21-fractie lezen dat de burgemeester toeziet op de uitvoering van
de risicoanalyse en in dat kader tevens kan optreden als verwerkingsverantwoordelijke
voor persoonsgegevens. Deze leden vragen de regering hoe wordt gewaarborgd dat de
burgemeester deze rol kan vervullen zonder dat diens positie in het lokale politieke
krachtenveld onder druk komt te staan.
De burgemeester legt alleen – zo nodig – verantwoording af aan de raad over het gevolgde
proces en de procedurele waarborgen binnen deze procedure. Door met dit voorstel wettelijk
de uitvoering van een risicoanalyse te normeren en vast te leggen welke processuele
waarborgen er gelden is beoogd de burgemeester een handvat te bieden bij het uitvoeren
van zijn taak om de bestuurlijke integriteit te bevorderen. In de gevallen dat de
burgemeester twijfels heeft over de uitvoering van de risicoanalyse kan de burgemeester
te rade gaan bij de commissaris van de Koning.
Bij de beantwoording van deze vraag wordt ook verwezen naar het antwoord op vraag
3.
38 – Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower constateren dat de burgemeester toeziet op de uitvoering
van de risicoanalyse. In de memorie van toelichting wordt tevens aangegeven dat het
niet aan te bevelen is dat de burgemeester de gehele feitelijke uitvoering zelf voor
zijn rekening neemt. Deze leden vragen waarom er in dat geval niet voor is gekozen
om wettelijk vast te leggen dat de feitelijke uitvoering plaatsvindt door een onafhankelijke
commissie of een extern bureau, onder verantwoordelijkheid van de burgemeester. Welke
overwegingen hebben eraan ten grondslag gelegen om een dergelijke onafhankelijkheidswaarborg
niet expliciet in de wet op te nemen?
De regering heeft verschillende opties overwegen. Voor een nadere toelichting over
waarom is gekozen voor deze vormgeving wordt verwezen naar het antwoord op vraag 16.
39 – Groep Markuszower
Bestaat het risico dat in de praktijk aanzienlijke verschillen blijven bestaan tussen
gemeenten, waarbij in sommige gevallen de burgemeester feitelijk zelf de risicoanalyse
uitvoert en in andere gevallen een externe partij wordt ingeschakeld?
Het is denkbaar dat er verschillen bestaan in de wijze waarop de risicoanalyse plaatsvindt.
Dat komt omdat de mogelijkheid aan de burgemeester is opengelaten hoe hij uitvoering
onder zijn verantwoordelijkheid invult. De burgemeester kan zelf zorg dragen voor
de feitelijke uitvoering van een risicoanalyse, de uitvoering beleggen bij een extern
bureau, een daartoe gemandateerde ambtenaar dan wel bij een onafhankelijke commissie,
of een combinatie hiervan. Het uiteindelijke resultaat is altijd hetzelfde, een document
met conclusies, aanbevelingen en door de kandidaat voorgenomen beheersmaatregelen.
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verder verwezen naar het antwoord op vraag
24 en 25.
40 – Groep Markuszower
Acht de regering het, mede gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
van kandidaten en het belang van objectiviteit, niet wenselijk om een minimale mate
van onafhankelijkheid wettelijk vast te leggen?
De regering is van mening dat in het voorstel een goede balans is gevonden tussen
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het beschermen van de objectiviteit
enerzijds en het belang van de uitvoering van een risicoanalyse, de uitvoerbaarheid
en de politieke aard van de wethoudersbenoeming anderzijds. Voor de beantwoording
van deze vraag wordt verder verwezen naar het antwoord op vraag 16.
41 – Groep Markuszower
Voorts vragen deze leden hoe wordt omgegaan met situaties waarin de relatie tussen
burgemeester en beoogd wethouder politiek of persoonlijk gevoelig ligt. Welke waarborgen
bestaan er in dat geval om de schijn van partijdigheid te voorkomen en het vertrouwen
in de procedure te waarborgen?
In dergelijke gevallen ligt het voor de hand dat de burgemeester de uitvoering van
de risicoanalyse op afstand belegt en zelf een zo beperkt mogelijke rol zal spelen.
Dit is mogelijk binnen het wetsvoorstel en de regering heeft het vertrouwen in de
burgemeester dat deze in een concreet geval een goede afweging kan maken van wat passend
is.
3.2.2 De uitkomsten van de uitvoering van een risicoanalyse
42 – JA21
De leden van de JA21-fractie lezen dat de burgemeester een belangenafweging dient
te maken tussen het informeren van de raad en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
van de kandidaat of eventuele derden. Deze leden vragen de regering op welke wijze
deze afweging in de praktijk wordt vormgegeven en of hiervoor nadere richtlijnen worden
ontwikkeld.
In de praktijk zal een burgemeester een afweging maken waarbij persoonsgegevens niet
vermeld worden voor zover dat onevenredig is gelet op het belang van de eerbiediging
van de persoonlijke levenssfeer. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij artikel
5.1, tweede lid onder e van de Wet open overheid met dien verstande dat het verstrekken
van informatie – met als doel inzicht bieden in eventuele risico’s op het gebied van
bestuurlijke integriteit – proportioneel moet zijn in verhouding tot de belangen van
betrokkene. Bij de risicoanalyse kan bij de evenredigheidsafweging ook gekeken worden
naar de mogelijkheid om de conclusie, aanbevelingen en beheersmaatregelen zo te formuleren
dat gevoelige persoonlijke informatie zoveel mogelijk achterwege blijft. Wanneer het
verstrekken van deze informatie aan de gemeenteraad niet proportioneel is in verhouding
tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de kandidaat, dan blijft dit
achterwege. De regering is vooralsnog niet voornemens om hier nadere richtlijnen in
te ontwikkelen, daar er aansluiting wordt gezocht bij de belangenafweging van artikel
5.1, tweede lid, onder e, van de Wet open overheid.
43 – Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower vragen de regering toe te lichten hoe wordt gewaarborgd
dat de uitkomsten van de risicoanalyse helder, evenwichtig en proportioneel worden
geformuleerd, zodat de gemeenteraad op basis daarvan een zorgvuldige politieke afweging
kan maken zonder dat onnodig reputatieschade ontstaat.
Een belangrijk doel van de uitvoering van een risicoanalyse is om de raad inzicht
te bieden in feiten en omstandigheden die relevant kunnen zijn voor de bestuurlijke
integriteit van de kandidaat. Dit wetsvoorstel biedt daarbij diverse waarborgen, zoals
een vooraf duidelijk bepaalde reikwijdte van de risicoanalyse, een plicht tot wederhoor
bij de kandidaat-bestuurder en eventuele derden waarvan persoonsgegevens openbaar
gemaakt worden en een evenredigheidstoets gelet op het belang van bescherming van
de persoonlijke levenssfeer. Bij de risicoanalyse kan bij de evenredigheidsafweging
ook gekeken worden naar de mogelijkheid om de conclusie, aanbevelingen en beheersmaatregelen
zo te formuleren dat gevoelige persoonlijke informatie zoveel mogelijk achterwege
blijft. Daarnaast zijn ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing.
Deze waarborgen helpen ervoor te zorgen dat de openbare uitkomsten van de risicoanalyse
helder, evenwichtig en proportioneel worden geformuleerd.
Bij de beantwoording van deze vraag wordt ook verwezen naar het antwoord op de vorige
vraag.
3.2.3 Procedure rond de bekendmaking
44 – D66
De leden van de D66-fractie merken op dat de Afdeling advisering en de regering anders
kijken naar de aard van de opgenomen geheimhoudingsregeling. De Afdeling advisering
achtte het mogelijk dat de informatie uit de risicoanalyse, naast de conclusie, aanbevelingen
en beheersmaatregelen, onder geheimhouding gedeeld kan worden met de gemeenteraad.
De regering stelt dat het verstrekken van geheime stukken aan de gemeenteraad niet
mogelijk is, aangezien de burgemeester enkel verantwoordelijk is voor het proces en
niet voor de inhoud van de risicoanalyse. Deze leden vragen de regering te verduidelijken
hoe voorkomen kan worden dat er zich desalniettemin misverstanden kunnen voordoen
op lokaal niveau met betrekking tot de reikwijdte van de geheimhouding.
Het klopt zoals de Afdeling advisering stelt dat de burgemeester stukken onder geheimhouding
kan delen met de raad. In de memorie van toelichting is naar aanleiding van een opmerking
van de Afdeling advisering uitgelegd dat die mogelijkheid echter enkel bestaat voor
zover de burgemeester deze geheimhouding zelf heeft opgelegd. Dit volgt uit art. 88,
derde lid, van de Gemeentewet. Het onder geheimhouding verstrekken van informatie
waarop van rechtswege geheimhouding rust, is dus niet mogelijk. In dit geval wordt
de geheimhouding automatisch opgelegd op grond van het voorgestelde art. 36c, zesde
lid, van de Gemeentewet. De regering is van mening dat met de voorgestelde wettelijke
afbakening juist helderheid ontstaat over welke informatie gedeeld kan worden en misverstanden
kunnen worden voorkomen.
45 – D66
Ook vragen zij de regering of haar redenering over de verantwoordingsplicht ook van
toepassing is op een situatie waarin de burgemeester zelf zorgdraagt voor de uitvoering
van de risicoanalyse.
De leden van de D66-fractie vragen of de redenering met betrekking tot de verantwoordingsplicht
van de burgemeester ook opgaat wanneer de burgemeester de risicoanalyse zelf uitvoert.
In de memorie van toelichting is uitgelegd dat de burgemeester in beginsel enkel verantwoording
aflegt over het gevolgde proces en de procedurele waarborgen binnen de risicoanalyse
integriteit en niet over de uitkomsten van de risicoanalyse. Dat is niet anders wanneer
de burgemeester de risicoanalyse zelf uitvoert. Wel kan in dat geval van de burgemeester
verwacht worden dat deze zich ook verantwoordt over de conclusies en aanbevelingen,
nu deze door de burgemeester zelf worden opgesteld en openbaar worden gemaakt. Ook
dan geldt echter dat op de achterliggende stukken geheimhouding rust, en het de burgemeester
dus niet is toegestaan deze stukken onder geheimhouding met de raad te delen. De verantwoordingsplicht
kan er dus niet toe leiden dat er méér informatie over de kandidaat openbaar wordt
gemaakt dan zou gebeuren wanneer de risicoanalyse door een externe partij wordt uitgevoerd.
46 – VVD
In bepaalde situaties kunnen derden in de gelegenheid worden gesteld om vooraf een
reactie te geven op de opgestelde rapportage. Als er in het niet-openbare deel van
de rapportage persoonsgegevens van derden worden vermeld, geldt deze verplichting
niet. Waarom krijgt een derde niet altijd de gelegenheid om een reactie te geven?
Een derde verdient toch ook bescherming? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie
een reactie van de regering.
De regering onderschrijft dat derden recht hebben op bescherming van de persoonlijke
levenssfeer en gegevensbescherming. De waarborgen van de AVG worden dan ook in acht
genomen bij het voorstel voor de risicoanalyse. Daarbij probeert de regering een balans
te creëren tussen enerzijds de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds
het belang van het uitvoeren van de risicoanalyse en de uitvoerbaarheid hiervan. Op
het moment dat de persoonsgegevens van een derde niet openbaar gemaakt worden, is
de impact op de persoonlijke levenssfeer van deze derde beperkt. Op basis van de risicoanalyse
worden geen beslissingen genomen die een derde direct kunnen raken en de verdere verwerking
van de persoonsgegevens is zeer beperkt, zoals ook wordt gewaarborgd door de geheimhoudingsplicht.
Een verplichte wederhoor zou in dat geval een disproportionele uitvoeringslast met
zich meebrengen. Het voorgestelde proces sluit aan bij de uitgangspunten van de AVG
en de Wet open overheid.
47 – Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de regering nader toe te lichten hoe de
privacy van de kandidaat wordt gewaarborgd bij de openbaarmaking van beheersmaatregelen
en hoe wordt voorkomen dat gevoelige informatie indirect herleidbaar is tot persoonlijke
omstandigheden.
Met dit wetsvoorstel wil de regering een balans creëren tussen enerzijds de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds het belang van het uitvoeren van de
risicoanalyse en de transparantie van het benoemingsproces. Het is niet te voorkomen
dat bij het delen van de uitkomsten van de risicoanalyse met de raad soms ook informatie
gedeeld moet worden die herleidbaar is tot persoonlijke omstandigheden. Daarbij zijn
wel verschillende waarborgen opgenomen in het wetsvoorstel, zoals de evenredigheidstoets
voor het openbaar maken van persoonsgegevens. Ook moet de kandidaat in de gelegenheid
worden gesteld te reageren op de uitkomsten voordat deze openbaar gemaakt worden.
Hierbij heeft de kandidaat ook de gelegenheid om te verzoeken om bepaalde zaken niet
openbaar te maken omdat dit niet evenredig zou zijn.
3.3. Risicoanalyse bij waterschappen
48 – GroenLinks-PvdA
In de memorie van toelichting wijst de regering terecht op de bijzondere situatie
dat bij waterschappen geborgde zetels zijn en dat hierbij een lid dat benoemd is via
een geborgde zetel ook kan worden benoemd in het dagelijks bestuur. De leden van de
GroenLinks-PvdA fractie vinden het van groot belang dat hier zorgvuldig naar gekeken
wordt. Kan de regering hier nader op ingaan en aangeven of er in dit kader bijzondere
aandachtspunten zijn voor de risicoanalyse en of hier in de wet voldoende waarborgen
voor zijn?
Waterschappen hebben vier geborgde zetels in het algemeen bestuur met als doel om
specifieke belangen te representeren. Voor die specifieke belangen zijn twee zetels
bestemd voor vertegenwoordigers van agrariërs die zijn aangewezen door koepelorganisatie
LTO (Land- en Tuinbouw Organisatie) en twee voor natuurbeheerders, aangewezen door
koepelorganisatie de VBNE (Vereniging van Bos- en Natuureigenaren). Sinds 17 december
2022 is het niet langer verplicht dat een geborgde zetel zitting heeft in het dagelijks
bestuur.
Een geborgde zetel brengt nadrukkelijk geen te onderscheiden persoonlijk belang met
zich, zoals ook volgt uit artikel 38 van de Waterschapswet. Kandidaat-bestuurders
met geborgde zetels dienen in het proces van de risicoanalyse gelijk te worden behandeld.
Alle bestuurders dienen het waterschapsbelang te dienen, inclusief bestuurders die
via een geborgde zetel zijn benoemd. Dit betekent dat de risicoanalyse op eenzelfde
manier uitgevoerd kan worden, met aandacht voor de specifieke situatie van een kandidaat-bestuurder.
Bij de risicoanalyse kan in het bijzonder worden stilgestaan bij de vraag hoe de kandidaat-bestuurder
omgaat met de verplichting om zich te onthouden van beraadslaging en stemming over
aangelegenheden die diegene rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaan of waarbij
diegene als vertegenwoordiger is betrokken.
49 – CDA
De leden van de CDA-fractie lezen dat de directe dan wel indirecte relatie tussen
onroerend goed en de uitvoering van de waterbeheertaak van het waterschap volgens
de regering bijzondere aandacht bij de uitvoering van de risicoanalyse verdient. Deze
leden vragen om een nadere toelichting hoe dit in de praktijk vormgegeven zal moeten
worden.
Bij waterschappen komt het regelmatig voor dat er in het dagelijks bestuur een lid
zitting heeft met veel grond in eigendom – of dat een direct familielid dat heeft.
Het kan voorkomen dat grond wordt gepacht van het waterschap, dan wel wordt verpacht
aan het waterschap. De directe dan wel indirecte relatie tussen onroerend goed en
de uitvoering van de waterbeheertaak van het waterschap verdient dan ook bijzondere
aandacht bij de uitvoering van de risicoanalyse met betrekking tot kandidaat bestuurders.
Met dit wetsvoorstel wordt de uitvoering van de risicoanalyse en onderliggende integriteitsnormen
vastgelegd. Tegelijkertijd regelt het wetsvoorstel niet alles tot op detailniveau.
Dit wetsvoorstel legt niet vast hoe de risicoanalyse op dit punt exact moet worden
uitgevoerd, of tot welke beheersmaatregelen een dergelijke situatie zou moeten leiden.
Dit zal afhankelijk zijn van de risicoanalyse die naar een kandidaat-bestuurder wordt
uitgevoerd.
Wanneer het waterschapsbestuur besluiten neemt die het persoonlijk belang van een
bestuurder raken dan ligt het – in lijn met artikel 38a van de Waterschapswet – in
de rede dat de betreffende bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en stemming
hierover en het waterschap hiervan een aantekening maakt in de verslaglegging. Een
andere beheersmaatregel zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat er bij de onderlinge portefeuilleverdeling
rekening gehouden wordt met de persoonlijke belangen van de bestuurder.
3.4. Risicoanalyse bij de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
50 – GroenLinks-PvdA
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het belangrijk dat ook op de eilanden
Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES-eilanden) de risicoanalyse goed kan worden uitgevoerd.
Deze leden vragen aandacht voor het feit dat, gelet op de kleine schaal van deze eilanden
en hun bijzondere ligging, het wellicht lastiger zal zijn om een extern bureau te
vinden dat een goede risicoanalyse kan uitvoeren. Ook wijzen zij op de mogelijke extra
kosten die de BESeilanden in dit kader moeten maken. Kan de regering hier nader op
reflecteren?
Met dit wetsvoorstel worden de integriteitsnormen voor de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba in lijn gebracht met de normen zoals die gelden in de Europees
Nederlandse organieke wetgeving. Met dit wetsvoorstel wordt dan ook het belang van
het uitvoeren van een risicoanalyse benadrukt.
Naast het uitvoeren van de risicoanalyse door een extern bureau zijn er andere mogelijkheden
voor de uitvoering van de risicoanalyse. Zo laat het wetsvoorstel de mogelijkheid
open dat de gezaghebber zelf zorgdraagt voor de uitvoering van de risicoanalyse of
dit onder zijn verantwoordelijkheid laat uitvoeren. Het is binnen de algemeen geformuleerde
procesverantwoordelijkheid niet aan te bevelen dat de gezaghebber de gehele feitelijke
uitvoering van de risicoanalyse voor zijn rekening neemt. Daarbij heeft de regering
oog voor de eilandelijke context van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba en zal er in gezamenlijkheid moeten worden bezien wat er – specifiek voor
deze overheden – aan aanvullende informatieve middelen nodig is.
4. Doel en inhoud wettelijke regeling omgang financiële belangen
4.1 Achtergrond en doel wettelijke regeling
51 – Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower onderschrijven het belang van duidelijke normen
omtrent financiële belangen. Deze leden vragen de regering nader te concretiseren
wat onder «ongewenste» financiële belangen wordt verstaan en op welke wijze bestuurders
vooraf duidelijkheid kunnen verkrijgen over de toelaatbaarheid van bepaalde belangen.
In dit wetsvoorstel wordt de norm gesteld dat decentrale bestuurders geen financiële
belangen hebben, effecten bezitten of effectentransacties verrichten voor zover dit
ongewenst is met het oog op een goede vervulling van hun ambt. Een financieel belang
kan bijvoorbeeld een vorderingsrecht, onroerend goed of een deelneming in een onderneming
zijn, maar ook een schuld zoals een hypotheekschuld. Deze norm is bewust open geformuleerd.
Het is niet vooraf in algemene zin te zeggen welke financiële belangen wel en niet
toelaatbaar zijn voor decentrale bestuurders. In concrete gevallen gaat het erom of
een bepaald financieel belang problematisch is in relatie tot de invulling van het
ambt. Daarbij zijn relevante factoren waar de gemeente zich bevindt en of het financiële
belang verband houdt met die plaats, of het financiële belang verband houdt met de
portefeuille van de bestuurder en de aard van het concrete financiële belang.11
De norm omtrent financiële belangen richt zich tot de individuele bestuurder. Uiteindelijk
is het dan ook aan de (kandidaat-)bestuurder zelf om de afweging te maken of een bepaald
financieel belang problematisch is gelet op het ambt. Desgewenst kunnen gemeenten
hierover in hun eigen gedragscode wel nadere regels stellen ter inkleuring van de
norm, als de specifieke lokale context hiertoe aanleiding geeft. Hierbij zal in ondersteunende
informatieve middelen bij het wetsvoorstel ook expliciet aandacht worden besteed.
Daarnaast is het altijd goed als bestuurders bij twijfels of dilemma’s op dit punt
hierover het gesprek aangaan, bijvoorbeeld in het kader van het goede gesprek dat
tijdens het proces van de risicoanalyse plaatsvindt, ofwel in tussentijdse gesprekken
over integriteit.
4.2 Inhoud wettelijke regeling
52 – VVD
In het voorgestelde artikel 41ba wordt geregeld dat een wethouder geen financiële
belangen heeft, geen effecten bezit en geen effectentransacties verricht, voorzover
dit ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn wethouderschap. De leden
van de VVD-fractie vragen de regering aan te geven in welk opzicht de regeling voor
wethouders verschilt van de regeling voor bewindslieden en daarbij ook in te gaan
op de mate van het in de openbaarheid komen van financiële belangen van wethouders
en bewindslieden en de te nemen beheersmaatregelen. De financiële belangen van een
kandidaat-wethouder kunnen immers via de uitvoering van de risicoanalyse in bepaalde
mate openbaar worden.
Voor bewindspersonen geldt dat voor financiële en zakelijke belangen iedere schijn
van niet-objectieve besluitvorming vermeden dient te worden. Voor het kader (inclusief
communicatie) dat geldt rondom zakelijke en financiële belangen verwijs ik naar de
kamerbrief van de Minister-President van 26 september 2025.12 In het gesprek tussen formateur (of Minister-President) en kandidaat wordt, om iedere
schijn van niet-objectieve besluitvorming te vermijden, systematisch nagegaan of betrokkene
zeggenschapsrechten heeft over relevante financiële of zakelijke belangen. Waar dat
het geval is dient betrokkene ofwel volledig afstand te doen van deze belangen, ofwel
een regeling te treffen waarbij hij/zij de zeggenschapsrechten gedurende de ambtsperiode
niet kan of zal uitoefenen. Hierbij is een niet limitatieve opsomming gegeven van
zakelijke en financiële belangen, het risico van (schijnbare) belangenverstrengelingen
en mogelijk te treffen voorzieningen. Het is primair aan de aantredend bewindspersoon
om verantwoordelijkheid te nemen voor het treffen van een voorziening. Het is gebruikelijk
dat de formateur de Tweede Kamer na afronding van de formatie per brief informeert
over de zakelijke en financiële belangen bij de aantredend bewindspersonen en de omgang
hiermee, inclusief de eventueel getroffen voorzieningen.13 De mate van detail kan hierbij van geval tot geval verschillen, waarbij het uitgangspunt
daarbij is dat alle informatie bekend wordt die relevant is voor de verantwoording
over het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling bij aantredend bewindspersonen
tegenover de Tweede Kamer.
Dit wetsvoorstel beoogt niet eenzelfde regime voor decentrale bestuurders tot stand
te brengen.
Voor decentrale bestuurders wordt voor financiële belangen nu een algemene wettelijke
norm gesteld, inhoudende dat zij geen financiële belangen hebben voor zover die onverenigbaar
zijn met een goede vervulling van hun ambt. Alleen als er specifieke omstandigheden
zijn die concreet reden geven om aan te nemen dat er risico’s zijn voor de goede vervulling
van het ambt, zal dat financieel belang onder dit verbod kunnen vallen. Een relevant
geacht financieel belang is afhankelijk van de context en specifieke omstandigheden.
Veel financiële belangen zullen bijvoorbeeld niet in verband kunnen worden gebracht
met de rol van bestuurder van die specifieke gemeente.
Dat een wettelijke integriteitsnorm wordt gesteld over financiële belangen, brengt
met zich dat dit onderwerp voor wethouders ook aan bod moet komen in het kader van
de risicoanalyse. Voor zover hierover iets wordt opgenomen in de conclusies, aanbevelingen
en eventuele beheersmaatregelen, kan informatie hierover dan ook in de raadsvergadering
worden besproken en dus deels openbaar worden. Het is om die reden van belang dat
de uitvoerder van een risicoanalyse informatie over financiële belangen van een kandidaat-bestuurder
zorgvuldig formuleert en hierbij terughoudendheid hanteert. Dat betekent ten eerste
dat alleen iets over een financieel belang wordt opgenomen in de conclusies en aanbevelingen
als dit belang daadwerkelijk een risico vormt in relatie tot het te bekleden ambt.
Daarnaast dient, als dit risico aanwezig wordt geacht, terughoudend te worden omgegaan
met het delen van specifieke kenmerken van een financieel belang, zoals de precieze
locatie van onroerend goed dat een kandidaat in eigendom heeft of de exacte hoogte
van een bepaalde schuld. Van een algemene (en absolute) registratieplicht van financiële
belangen voor decentrale bestuurders is in dit wetsvoorstel nadrukkelijk geen sprake.
53 – VVD
Ook vragen deze leden hoe met de financiële belangen van minderjarige kinderen en
partners (als zij in gemeenschap van goederen zijn getrouwd) moet worden omgegaan
als blijkt dat deze belangen onverenigbaar zijn met de vervulling van het ambt van
wethouder. Graag krijgen zij een reactie van de regering.
De regering acht het belangrijk dat alle relevante financiële belangen worden betrokken
bij deze integriteitsnorm. Ook financiële belangen van gezinsleden van de bestuurder
zijn hierbij relevant.
Net als bij financiële belangen van de bestuurder zelf, zal het hier alleen gaan om
belangen waarbij er specifieke omstandigheden zijn die concreet reden geven om aan
te nemen dat de ambtsinvulling van de specifieke bestuurder ook daadwerkelijk geraakt
kan worden. Die afweging kan anders uitvallen als het niet om een belang van de bestuurder
zelf gaat.
In voorkomende gevallen zal in de eerste plaats moeten worden bezien of het risico
dat aan het belang kleeft afdoende kan worden beperkt door het treffen van beheersmaatregelen,
zoals het herbeleggen van de portefeuille waar het belang aan raakt en in het college
niet mee te beraadslagen en -stemmen over besluitvorming hieromtrent. Een andere mogelijke
beheersmaatregel is dat de financiële belangen (tijdelijk) op afstand worden geplaatst(bijvoorbeeld
door de zeggenschap van de partner of het minderjarige kind over het belang gedurende
de ambtsperiode van de bestuurder te blokkeren). Net als bij eigen financiële belangen
is het bij financiële belangen van minderjarige kinderen en partners van decentrale
bestuurders primair een eigen afweging van de bestuurder of sprake is van een (on)verenigbaar
belang in relatie tot het ambt en zo ja, op welke wijze hier het beste mee kan worden
omgegaan.
54 – Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower vragen de regering in hoeverre de voorgestelde regeling
leidt tot aanvullende administratieve lasten voor kandidaat-bestuurders en decentrale
overheden.
De voorgestelde regeling omtrent financiële belangen brengt op zichzelf geen aanvullende
administratieve lasten met zich voor de decentrale overheden. Er wordt een algemene
norm gesteld over financiële belangen die niet verenigbaar zijn met een goede ambtsvervulling,
maar er is niet gekozen voor een registratieplicht van de financiële belangen die
bestuurders hebben. Het betrekken van dit onderwerp bij de risicoanalyse of de benoemingsprocedure
voor Kroonbenoemde bestuurders zal weinig extra lasten met zich meebrengen. Als een
bepaald belang op afstand dient te worden geplaatst, of een regeling dient te worden
getroffen over de zeggenschapsrechten ten aanzien van dat belang, zal hiervoor een
beperkte handeling moeten worden verricht door de (kandidaat-)bestuurder. Deze mogelijke
administratieve handelingen en/of lasten zijn overzienbaar en de regering verwacht
dat dit slechts in een beperkt aantal gevallen nodig zal zijn.
4.3 Financieel belang in relatie tot de uitvoering van een risicoanalyse
55 – Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de regering toe te lichten hoe wordt voorkomen
dat de beoordeling van financiële belangen in de praktijk uiteenloopt tussen verschillende
gemeenten.
Er is bewust gekozen voor een open norm en niet voor een gesloten norm die eenduidige
toepassing vergt. Net als bij andere open wettelijke normen die kunnen worden betrokken
bij de risicoanalyse, zoals de norm om zich te onthouden van deelname aan de beraadslaging
en stemming bij een persoonlijk belang, kan ook bij deze norm niet eenduidig worden
aangegeven wanneer een belang problematisch is. Daarbij is het juist ook afhankelijk
van de gemeente of een bepaald belang problematisch is. Aandelen in een fabriek zullen
bijvoorbeeld waarschijnlijk relevanter zijn als die fabriek gevestigd is in de betreffende
gemeente waar de kandidaat wethouder wil worden. Een meer algemeen geldende norm zou
niet proportioneel zijn, dus de regering vindt deze verschillen juist wenselijk. In
het kader van de risicoanalyse dient dit open karakter van de norm ook in ogenschouw
te worden genomen. In het kader van de risicoanalyse gaat het erom inzicht te bieden
in mogelijke risico’s en kwetsbaarheden ten aanzien van de bestuurlijke integriteit
voor een kandidaat-bestuurder. Met het wettelijk vastleggen van de genoemde norm inzake
financiële belangen, kan ook die norm worden meegewogen bij de vraag of die risico’s
er (mogelijk) zijn. Het uiteindelijke besluit of bepaalde uitkomsten die betrekking
hebben op de financiële belangen van een kandidaat aan benoeming in de weg staan,
is aan de raad en wordt dus per definitie niet in de risicoanalyse zelf beoordeeld.
Daarmee zal de uiteindelijke beoordeling van de vraag of en in welke mate een financieel
belang een probleem vormt, ook per definitie per geval verschillen.
5. Overige wijzigingen
5.1. Harmonisatie integriteitsnormen openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en
Saba
56 – VVD
Het wetsvoorstel regelt dat de integriteitsnormen voor de openbare lichamen Bonaire,
Sint-Eustatius en Saba geharmoniseerd worden met het gemeentelijk stelsel. In hoeverre
heeft de regering overwogen om dit onderdeel van het onderhavige wetsvoorstel te betrekken
bij de algehele herziening van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba, die aanstaande is? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van
de regering.
De regering heeft dit tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel overwogen. Daarbij
is de afweging gemaakt dat het de voorkeur verdient om het wettelijk kader voor bestuurlijke
integriteit voor alle decentrale overheden in samenhang te bezien, met het uitgangspunt
dat dit zoveel mogelijk met elkaar geharmoniseerd wordt. Daarbij past het om dit in
één wetsvoorstel te regelen, zodat hier in één keer over besloten kan worden. Deze
keuze sluit ook aan bij het principe van comply or explain, waarbij nieuwe wetgeving ook gelijktijdig wordt toegepast op Bonaire, Sint Eustatius
en Saba, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dat niet te doen. Het voorgaande neemt
uiteraard niet weg dat de regering oog heeft voor de samenhang met de nog in voorbereiding
zijnde herziening van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
6. Verhouding hoger recht en nationale regelgeving
6.1. Grondwet en mensenrechten
57 – JA21
De leden van de JA21-fractie lezen dat de risicoanalyse een inbreuk kan vormen op
het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, maar dat deze volgens de
regering gerechtvaardigd is in het belang van de bestuurlijke integriteit. Deze leden
vragen de regering nader toe te lichten hoe de proportionaliteit van deze inbreuk
wordt gewaarborgd.
Er zijn verschillende waarborgen opgenomen in het wetsvoorstel die waarborgen dat
de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer beperkt blijft. Zo is de reikwijdte van
de risicoanalyse afgebakend tot specifiek aangewezen bestuurlijke integriteitsnormen
op grond van de wet, een verordening of gedragscode. Verdere belangrijke waarborgen
liggen in de verplichting om de kandidaat-bestuurder en eventuele derden waarvan persoonsgegevens
openbaar gemaakt zouden worden te horen, de evenredigheidstoets voor het openbaar
maken van persoonsgegevens en de geheimhoudingsplicht voor de overige informatie.
6.2. Gegevensbescherming
58 – Groenlinks-PvdA
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan de goede omgang met
persoonsgegevens en de bescherming hiervan. Zeker als persoonsgegevens door een decentrale
overheid aan een extern bureau worden overgedragen voor het doen van een risicoanalyse
is het van groot belang dat ook dit externe bureau zich nauwkeurig aan de geldende
wet- en regelgeving houdt. Kan de regering nader ingaan op de vraag of hier met het
huidige wetsvoorstel voldoende rekening mee gehouden is? Kan hierbij ook ingegaan
worden op de vraag hoe een kandidaat-bestuurder zelf goed kan beoordelen of het bureau
waar de persoonsgegevens aan zijn verstrekt zorgvuldig met deze gegevens omgaat en
vernietigt wanneer deze gegevens niet meer noodzakelijk zijn om te bewaren?
Gemeenten en eventuele externe uitvoerders zullen bij de uitvoering van een risicoanalyse
de AVG en andere relevante wettelijke kaders in acht dienen te nemen. Zo zal het externe
bureau een privacyverklaring moeten hebben en heeft een betrokkene diverse privacyrechten
op grond van de AVG, zoals het recht op inzage. Een extra waarborg is dat op grond
van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus een vergunningsplicht
geldt voor externe bureaus om persoonsgericht integriteitsonderzoek te mogen uitvoeren.14 Deze vergunningsplicht is ook vereist ter uitvoering van de risicoanalyse en wordt
inclusief Particulier Onderzoeksbureau-nummer uitgegeven door Justis.15
6.2.1 Persoonsgegevens van derden
59 – D66
De leden van de D66-fractie merken op dat naast persoonsgegevens over de kandidaat
ook persoonsgegevens van derden kunnen worden verwerkt en openbaargemaakt. Het gaat
dan om personen in het sociale of zakelijke netwerk van de kandidaat. Wat betreft
rechtsbescherming voor deze derden wijst de Afdeling advisering erop dat deze zich
niet goed verhoudt tot het recht van bezwaar als bedoeld in de Algemene Verordening
Gegevensbescherming (AVG). Gezien de recente ontwikkelingen rondom het lekken van
persoonsgegevens zorgt dit voor een kwetsbare situatie. Daarom vragen deze leden de
regering nader te reflecteren op de potentiële risico’s, wenselijkheid en noodzaak
van dit onderdeel van het wetsvoorstel.
Met dit wetsvoorstel wil de regering een balans treffen tussen het belang van bestuurlijke
integriteit en een openbaar benoemingsproces enerzijds en een zorgvuldige omgang met
persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Naar aanleiding van het
advies van de Afdeling advisering heeft de regering de toelichting op dit onderdeel
van het wetsvoorstel verbeterd. De Afdeling advisering heeft erop gewezen dat er onduidelijkheid
ontstaat over de rechtsbescherming voor derden waarvan gegevens worden verwerkt, als
de rechtsgrond in de zin van artikel 6 van de AVG voor de verwerking van persoonsgegevens
zowel is gelegen in het voldoen aan een wettelijke verplichting als in een taak van
algemeen belang. Als de grondslag is gelegen in een taak van algemeen belang geldt
op grond van artikel 21 van de AVG namelijk een recht van bezwaar tegen de verwerking
van persoonsgegevens. Dit recht van bezwaar geldt echter niet bij de grondslag van
een wettelijke verplichting, kortgezegd omdat de belangenafweging al in de wet zelf
is gemaakt. Dat laatste is ook het geval bij de verwerking in het kader van de uitvoering
van de risicoanalyse. Daarbij is ook de rechtsbescherming geregeld. Het is niet nodig
om aanvullend daarop het recht van bezwaar in de zin van artikel 21 AVG toe te passen.
Gelet op het tijdsbeslag van een dergelijke procedure – waar de Afdeling advisering
in haar advies ook terecht op heeft gewezen – wordt dit ook niet wenselijk geacht.
Daarom is de toelichting aangepast, zodat niet langer een beroep wordt gedaan op de
taak van algemeen belang, maar de grondslag voor de verwerking uitsluitend ligt in
de wettelijke verplichting. Dit betekent dat het recht van bezwaar als bedoeld in
de AVG hier niet aan de orde is, maar in plaats daarvan een bijzonder toegesneden
regime voor rechtsbescherming geldt. De regering ziet hierbij geen vergroot risico
op het lekken van persoonsgegevens. Dit risico wordt met name gemitigeerd door de
verplichting tot geheimhouding.
Ter volledigheid wordt opgemerkt dat de AVG in algemene zin wel van toepassing blijft
op de verwerking van persoonsgegevens, met de daarbij behorende waarborgen. Het voorgaande
ziet alleen op één specifiek aspect van de AVG, waarbij de gegevensbescherming op
andere wijze wordt geborgd.
60 – VVD
Voor de uitvoering van een risicoanalyse worden persoonsgegevens verwerkt. Dat kunnen
ook gegevens van derden zijn. In hoeverre geeft het wetsvoorstel de grondslag en de
noodzaak voor de verwerking van deze gegevens van derden? Graag krijgen de leden van
de VVD-fractie een reactie van de regering.
De rechtsgrond voor de verwerking van de persoonsgegevens van de kandidaat-bestuurder
en eventuele derden is het voldoen aan de wettelijke verplichting om een risicoanalyse
uit te voeren (grondslag artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c van de AVG). In
dit wetsvoorstel wordt deze wettelijke verplichting vastgelegd. Uiteraard is de grondslag
wel beperkt tot het verwerken van gegevens voor zover dat noodzakelijk is voor de
uitvoering van de wettelijke verplichting. Er moet een direct verband zijn met de
wettelijke integriteitsnormen en de bestuurlijke integriteit van de kandidaat-wethouder.
Dit is maar voor een zeer beperkte groep derden potentieel aan de orde. Het zal dan
met name gaan om de partner of naaste familie van een beoogd wethouder. Dit is noodzakelijk
om een volledig beeld te kunnen scheppen van de bestaande integriteitsrisico’s.
61 – CDA
De leden van de CDA-fractie lezen dat zowel de persoonsgegevens van de kandidaat-wethouder
als die van derden vallen onder de grondslag van de wettelijke verplichting en dat
de belangenafweging dus al in de wet gemaakt is gemaakt, waardoor de persoonsgegevens
niet onder de AVG vallen. Deze leden vragen om een nadere toelichting wat voor risico’s
dit met zich meebrengt voor derden? Voorts vragen zij om een nadere toelichting op
wat de grondslag en de noodzaak zijn voor de verwerking van persoonsgegevens van derden,
zoals op grond van de AVG is vereist.
De verwerking van persoonsgegevens blijft wel onder de AVG vallen, zowel voor de kandidaat
als voor derden. De rechtsgrond voor de verwerking van de persoonsgegevens van de
kandidaat en derden is het voldoen aan de wettelijke verplichting om een risicoanalyse
uit te voeren (grondslag artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c van de AVG). In
dit wetsvoorstel wordt deze wettelijke verplichting vastgelegd. Naar aanleiding van
het advies van de Afdeling advisering heeft de regering verduidelijkt dat de rechtsgrond
is gelegen in de wettelijke plicht, en niet in een taak van algemeen belang. Het gaat
hier immers om een situatie waar de gegevensverwerking voortvloeit uit een nauwkeurig
omschreven wettelijke taak. Als dit het geval is, vloeit uit artikel 21 van de AVG
voort dat er geen aanvullend recht van bezwaar tegen de verwerking van persoonsgegevens
nodig is. Dit recht van bezwaar geldt namelijk niet omdat de belangenafweging al in
de wet zelf is gemaakt. Dat laatste is ook het geval bij de verwerking in het kader
van de uitvoering van de risicoanalyse. Daarbij is ook de rechtsbescherming geregeld.
Het is niet nodig om aanvullend daarop het recht van bezwaar in de zin van artikel
21 AVG toe te passen. Gelet op het tijdsbeslag van een dergelijke procedure – waar
de Afdeling advisering in haar advies ook terecht op heeft gewezen – wordt dit ook
niet wenselijk geacht. Dit neemt niet weg dat de AVG van toepassing is op de gegevensverwerking
in het kader van de risicoanalyse. De regering ziet dus ook geen bijzondere risico’s.
62 – JA21
De leden van de JA21-fractie lezen dat bij de uitvoering van een risicoanalyse mogelijk
ook persoonsgegevens van derden worden verwerkt, bijvoorbeeld uit het zakelijke of
sociale netwerk van de kandidaat-bestuurder. Deze leden vragen de regering hoe wordt
gewaarborgd dat de rechtsbescherming van deze derden voldoende is geregeld.
Er zijn verschillende waarborgen opgenomen in het wetsvoorstel om derden te beschermen.
Een belangrijk element hierbij is de evenredigheidstoets voor het openbaar maken van
persoonsgegevens. Hierbij moet een afweging gemaakt worden tussen het belang van het
openbaar maken van bepaalde gegevens en het recht op bescherming van de persoonlijke
levenssfeer. Deze afweging zal bij persoonsgegevens van derden vaker uitvallen in
het voordeel van niet openbaar maken van gegevens. Ook moet de derde in de gelegenheid
worden gesteld te reageren op de uitkomsten voordat deze openbaar gemaakt worden.
Hierbij heeft de derde ook de gelegenheid om te verzoeken om bepaalde zaken niet openbaar
te maken omdat dit niet evenredig zou zijn.
7. Overig
63 – Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hechten eraan dat de noodzaak, proportionaliteit
en uitvoerbaarheid overtuigend worden gemotiveerd. Deze leden zien de beantwoording
van hun vragen met belangstelling tegemoet.
De vragen van deze leden zijn afzonderlijk van een antwoord voorzien in dit document.
ARTIKELSGEWIJS DEEL
Artikel I
64 – CDA
De leden van de CDA-fractie vragen om een reactie op de alternatieve formulering in
lid 1 van artikel 36c, zoals voorgesteld door de Kring van commissarissen van de Koning.
In de consultatieversie van het wetsvoorstel was de eerste zin van artikel 36c, eerste
lid, van de Gemeentewet als volgt geformuleerd: «Er wordt een risicoanalyse uitgevoerd
met betrekking tot de bestuurlijke integriteit van de beoogd wethouder.» De Kring
van commissarissen van de Koning heeft een voorstel tot herformulering gedaan voor
artikel 36c, eerste lid, van de Gemeentewet met het doel de suggestie weg te nemen
dat de risicoanalyse ziet op de integriteit van de persoon.
Het voorstel van de Kring was om het bijvoorbeeld te formuleren als «dat onderzocht
wordt of sprake is van feiten of omstandigheden in het kader van integriteit die een
belemmering zouden kunnen vormen voor een benoeming als wethouder». De regering deelde
de zorg van de Kring dat de originele formulering de suggestie zou kunnen wekken dat
de risicoanalyse ziet op de integriteit van de persoon als zodanig, terwijl de bedoeling
is dat de risicoanalyse feiten en omstandigheden in kaart brengt die een risico kunnen
vormen voor de bestuurlijke integriteit van de bestuurder. Op dit punt is de formulering
van de wetstekst dan ook aangepast. Tegelijkertijd is het doel van de risicoanalyse
niet zozeer om belemmeringen voor de benoeming in kaart te brengen, maar veeleer om
de risico’s in kaart te brengen, zodat deze met beheersmaatregelen gemitigeerd kunnen
worden. Een integriteitsrisico hoeft niet in de weg te staan aan de benoeming. Dit
deel van de tekstsuggestie heeft de regering dus niet overgenomen.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma
Indieners
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties