Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het verslag van de IMF jaarvergadering G20 en CFMCA (Kamerstuk 26234-315) en de geannoteerde agenda voor de voorjaarsvergadering van het IMF (Kamerstuk 26234-317)
26 234 Vergaderingen Interim Committee en Development Committee
Nr. 318
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 10 april 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Financiën over de door de Minister op 10 december 2025 toegezonden
verslag van de IMF jaarvergadering G20 en CFMCA (Kamerstuk 26 234, nr. 315) en de op 30 maart 2026 toegezonden geannoteerde agenda voor de voorjaarsvergadering
van het IMF (Kamerstuk 26 234, nr. 317).
De vragen en antwoorden zijn op 7 april 2026 aan de Minister van Financiën voorgelegd.
Bij brief van 10 april 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Jansen
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Steur
II Reactie van de Minister van Financiën
Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden
van de fracties van D66, VVD, PVV, CDA en BBB inzake de geannoteerde agenda voor de
Voorjaarsvergadering van het International Monetair Fonds 2026. Bij de beantwoording
is de volgorde van het schriftelijk overleg aangehouden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de voorjaarsvergadering van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), alsmede
de inzet van Nederland bij de G20 en de Coalition of Finance Ministers for Climate
Action. Deze leden ondersteunen de inzet om in turbulente geopolitieke periodes actief
bij te dragen aan de internationale financiële architectuur, duurzame groei en klimaatactie.
Ze hebben hierover enkele vragen.
De leden van de D66-fractie constateren dat Nederland tijdens de CFMCA-bijeenkomst
het co-voorzitterschap overdraagt aan Kroatië en Oeganda. Deze bijeenkomst is een
van de weinige multilaterale platforms waar Ministers van Financiën direct samenwerken
aan klimaatambities. Deze leden hechten hieraan groot belang, zeker gezien het toenemende
belang van, en druk op, het klimaatbeleid. Hoe zorgt de Minister dat de huidige geopolitieke
spanningen niet leiden tot verlies van ambitie of momentum binnen de CFMCA? Welke
mogelijkheden ziet hij voor de EU om weerbaarder te worden tegen schommelende energieprijzen?
De CFMCA is een niet-bindend forum waar Ministers en vertegenwoordigers van Ministeries
van Financiën kennis en ervaringen uitwisselen over verschillende aspecten van klimaatactie,
inclusief macro-economische, financiële en fiscale beleidsonderwerpen. Tijdens de
ministeriële bijeenkomsten en marge van de IMF/Wereldbank voorjaars- en jaarvergaderingen,
kunnen de Ministers in besloten gezelschap uitwisselen over relevante klimaatonderwerpen
zoals economische groei, werkgelegenheid, en concurrentievermogen. Als co-voorzitter
heb ik mij ingespannen voor een open en constructieve discussie tussen Ministers.
Tijdens de openingsceremonie van de 15e ministeriële bijeenkomst zal Nederland het driejarige co-voorzitterschap aan Kroatië
overdragen. Ik ben ervan overtuigd dat Kroatië een sterke opvolger is die deze praktijk
van een constructieve uitwisseling van ervaringen tussen Ministers zal voortzetten.
In aanvulling op ministeriële uitwisseling, vinden er op technisch niveau kennisdeling,
capaciteitsopbouw en uitwisseling van praktische ervaringen plaats op relevante onderwerpen,
aangedragen door de leden, zoals de impact van adaptatiefinanciering op schuldhoudbaarheid.
Als forum dat wordt gedreven door de leden, draagt de CFMCA bij aan constructieve
uitwisseling tussen landen, en daarmee aan het aanjagen van momentum voor klimaatactie
en de ondersteunende rol van Ministeries van Financiën daarbij.
De EU is als netto-importeur van energie kwetsbaar voor prijsschommelingen op de mondiale
energiemarkt. Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om hier weerbaarder
op te worden. In lijn met het coalitieakkoord zet het kabinet in op schone energie
van eigen bodem. Het kabinet neemt hiervoor meerdere maatregelen. Ten eerste investeert
het kabinet fors in de opschaling van schone energie, waaronder wind op zee en kernenergie.
Om gebruik te kunnen maken van deze nieuwe capaciteit in plaats van geïmporteerde
fossiele energie, zet het kabinet in op elektrificatie van eindverbruikers en heeft
het aanpakken van netcongestie de allerhoogste prioriteit. Daarnaast zet het kabinet
in op energiebesparing. Immers, we hoeven energie die we niet gebruiken, ook niet
te produceren, importeren, transporteren of betalen. Ook wordt ingezet op diversificatie
van energiebronnen, onder meer door inzet op voldoende LNG-importcapaciteit.
In de EU zet Nederland in op maatregelen waardoor de energieprijzen structureel lager
worden, onder meer door het versterken van de interne energiemarkt via betere energieverbindingen
tussen lidstaten waarover nu onderhandelingen lopen in het Grids Package. Ook wordt
ingezet op het versterken van prikkels voor flexibele vraag, zodat pieken in elektriciteitsprijzen
kunnen worden gedempt. Verder ondersteunt Nederland instrumenten die de vraag naar
hernieuwbare energie stimuleren door middel van langetermijncontracten tussen producenten
en gebruikers via Power Purchase Agreements (PPA’s) en Contracts for Difference (CfD’s).
Daarnaast draagt een goed functionerende markt, waarin vraag en aanbod samenkomen,
bij aan leveringszekerheid en een efficiënte prijs. Verregaande ingrepen op de werking
van de energiemarkt, bijvoorbeeld door aanpassingen aan het elektriciteitsmarktontwerp,
het instellen van prijslimieten, het verlagen van de energiebelasting op elektriciteit
of een infra-marginale elektriciteitsheffing beziet Nederland kritisch.
De leden van de D66-fractie lezen dat Ministers ervaringen uitwisselen over raakvlakken
tussen klimaatactie, economische groei en concurrentievermogen. Kan de Minister concretiseren
welke resultaten hij beoogt te bereiken met betrekking tot groene investeringen en
klimaatfinanciering voor kwetsbare landen? Kan de Minister aangeven welke concrete
stappen hij binnen de CFMCA gaat zetten om financiële prikkels voor fossiele brandstoffen
af te bouwen en hoe deze zich verhouden tot de stappen die hij gaat zetten binnen
de EU?
De CFMCA is een niet-bindend forum van Ministers van Financiën. Er zullen tijdens
de ministeriële bijeenkomsten geen concrete financiële toezeggingen worden gedaan.
Door de uitwisseling tussen Ministers van Financiën met verschillende economische,
regionale en geografische achtergronden, kan geleerd worden van elkaars ervaringen.
Tijdens de komende 15e ministeriële bijeenkomst zal het strategisch werkprogramma 2026–2028 naar verwachting
worden aangenomen. Hierin is er specifieke aandacht voor klimaatfinanciering door
inzet op onder andere het verbeteren van schuldhoudbaarheid, beleidshervormingen voor
het aantrekken van privaat kapitaal, en het creëren van fiscale ruimte door het herbestemmen
van fossiele voordelen ten bate van de duurzame transitie.
Tijdens deze ministeriële bijeenkomst zal ik het co-voorzitterschap overdragen aan
Kroatië. Ik zal constructief blijven bijdragen aan de ministeriële bijeenkomsten van
het forum, die tweemaal per jaar plaatsvinden en marge van de IMF/Wereldbank vergaderingen.
Het thema van ministeriële bijeenkomsten is aan de opvolger(s). In eventuele toekomstige
discussies over fiscale voordelen voor fossiele brandstoffen is de Nederlandse ervaring
relevant met onder andere het nauwkeurig in kaart brengen van fossiele voordelen bij
de Miljoenennota en het opstellen van een initieel uitfaseerplan voor fossiele voordelen.
Onder het Nederlandse co-voorzitterschap heeft in 2024 een informele sessie plaatsgevonden
waar verschillende landen hun ervaringen met het uitfaseren van fossiele voordelen
hebben gedeeld. Als uitkomst van deze sessie is een policy note ontwikkeld met beleidsaanbevelingen en concrete casussen.1 Het kabinet blijft zich inzetten voor het afbouwen van financiële prikkels voor fossiele
brandstoffen, en doet dit zoveel mogelijk in Europees verband.
De leden van de D66-fractie begrijpen dat klimaatverandering en fossiele afhankelijkheid
structurele uitdagingen vormen voor macro-economische en financiële stabiliteit. Ze
zijn enthousiast over de inzet op het behoud van klimaatsurveillance binnen het IMF,
maar vragen zich af of dit voldoende is gezien de druk van onder andere de VS om vooral
naar financiële stabiliteit te kijken. Hoe verhoudt de Nederlandse inzet om klimaatrisico’s
binnen de IMF-surveillance te behouden zich tot de positie van de VS?
Het mandaat van het IMF is om de mondiale financiële stabiliteit en economische groei
te bevorderen. In het kader van de Comprehensive Surveillance Review (CSR) wordt momenteel gesproken over welke thema’s voldoende macro-relevant zijn
om blijvende aandacht van het IMF te verdienen. Nederland steunt deze exercitie, onder
andere omdat een alsmaar uitdijend mandaat tot onnodige bureaucratie en onvoldoende
focus op de kerntaken kan leiden.
Nederland vindt, net als veel andere leden, dat klimaatverandering significante en
groeiende gevolgen heeft voor de vier kernthema’s van het IMF: begrotingsbeleid, monetair
beleid, wisselkoersen en de financiële stabiliteit. Dat is ook waarom het IMF sinds
de vorige CSR klimaatverandering als macro-critical beschouwt. Aangezien er geen wezenlijke veranderingen zijn in de ernst van de klimaatproblematiek
of de economische gevolgen daarvan, ligt het voor de hand dat het IMF relevante klimaatontwikkelingen
blijft verwerken in onder andere de surveillance. Sommige leden, waaronder de Verenigde
Staten (VS), zijn hier minder van overtuigd.
Uiteindelijk moet het IMF toewerken naar een overeenkomst die bevredigend is voor
het merendeel van het lidmaatschap. Alhoewel de VS over veel stemgewicht beschikt,
vormen de landen die voor het behoud van klimaatsurveillance pleiten ook een groot
en invloedrijk blok. Nederland zal – in bilateraal en multilateraal verband – blijven
beargumenteren dat klimaatverandering binnen het mandaat van het IMF valt.
De leden van de D66-fractie constateren dat de Caribische landen van het Koninkrijk
(Aruba, Curaçao en Sint-Maarten) bijzonder kwetsbaar zijn voor klimaatverandering.
Op welke wijze wordt de specifieke klimaatagenda van het Caribisch deel van het Koninkrijk
ingebracht tijdens de vergaderingen van het IMF en de CFMCA?
Nederland vraagt binnen het IMF aandacht voor de financieel-economische noodzaak van
klimaatweerbaarheid in kwetsbare landen. Nederland benadrukt bijvoorbeeld dat klimaat
een dusdanige financieel-economische impact heeft die relevant is voor de macro-economische
en financiële stabiliteit in veel landen, dat het onderdeel moet blijven van de surveillance-functie
van het IMF. Bij bilaterale surveillance doet het IMF via zogenaamde Artikel-4 rapporten
beleidsaanbevelingen aan landen op basis van een diepgaande analyse van economische
en financiële ontwikkelingen in het land. De Nederlandse vertegenwoordiger bij het
IMF behartigt ook de belangen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, bijvoorbeeld in
de context van de regelmatige Artikel-4 rapporten met analyses en aanbevelingen uit
voor de Caribische landen van het Koninkrijk, en bij technische assistentie die onder
meer door het regionale centrum voor het Caribische gebied (CARTAC) verleend wordt.2 Specifiek voor Aruba heeft het IMF als bijlage van het recente Artikel IV rapport
een analyse geschreven over zeespiegelstijging en klimaatadaptatie in Aruba.3
Ook wonen Ministers van Financiën en centralebankpresidenten van de Caribische landen
van het Koninkrijk zelf de voorjaars- en jaarvergaderingen van het IMF regelmatig
bij.
Aruba is sinds september 2025 lid van de CFMCA en is uitgenodigd om deel te nemen
en te interveniëren tijdens de ministeriële bijeenkomst van de CFMCA en marge van
de voorjaarsvergadering om de klimaatagenda van Aruba onder de aandacht te brengen.
De duurzame transitie en het versterken van adaptatiemaatregelen en weerbaarheid is
een uitdaging voor de eilanden. De CFMCA is een waardevol forum voor Aruba en de andere
eilanden om met verschillende landen kennis en ervaringen te delen.
Het IMF verstrekt momenteel tegelijkertijd grote programma’s aan Oekraïne én Argentinië.
Beide landen vergen enorme financiële middelen van het Fonds. Heeft het IMF voldoende
buffers om ook toekomstige crises op te vangen, zo vragen de leden van de D66-fractie.
Wat doet Nederland om de kapitaalpositie van het fonds te versterken?
Het IMF heeft voldoende buffers om toekomstige crises op te vangen. Naast het permanente
kapitaal (quota), beschikt het IMF ook over tijdelijke leenovereenkomsten die worden
gefinancierd door een subgroep van met name ontwikkelde economieën waar Nederland
onderdeel van uitmaakt. De totale middelen van het IMF bedragen bijna een biljoen
SDR’s (ruim EUR 1.150 miljard) en de totale leencapaciteit van het IMF bedraagt ongeveer
SDR 690–695 miljard (ruim EUR 800 miljard). Ter vergelijking, het IMF heeft momenteel
bij veruit de grootste debiteur Argentinië SDR 41,8 miljard uitstaan, gevolgd door
Oekraïne met SDR 10,9 miljard. In totaal heeft het IMF SDR 121 miljard aan leningen
uitstaan.4
Om de kapitaalpositie van het IMF te versterken, neemt Nederland deel aan de verschillende
tijdelijke leenovereenkomsten van het IMF: de zogenaamde New Arrangements to Borrow
en de Bilateral Borrowing Agreements. Bovendien heeft Nederland in het kader van de
16e quotaherziening in 2024 ingestemd met een verhoging van 50% van het permanente kapitaal
van het IMF, die wordt gecompenseerd door een afbouw van de tijdelijke leenovereenkomsten.
De 16e quotaherziening wordt pas geïmplementeerd als voldoende lidstaten hebben ingestemd,
maar tot die tijd worden tijdelijke leenovereenkomsten op peil gehouden.5
De financiële positie en de reserves van het IMF worden regelmatig besproken in de
Raad van Bewind van het IMF.
De leden van de D66-fractie constateren dat artificiële intelligentie een prominente
plek inneemt in de economische analyses van het IMF. Enerzijds stimuleert AI de groei,
anderzijds waarschuwt IMF voor overwaardering van AI-aandelen en groeiende schuldenfinanciering
van AI-investeringen. Hoe zorgt Nederland dat de EU-aanpak van AI-regulering en verantwoorde
technologieontwikkeling op de agenda blijft?
Een technologie kan alleen goed ingebed raken in de economie als de randvoorwaarden
op orde zijn en er publiek vertrouwen is in het gebruik van de technologie. AI-regulering,
specifiek de Europese AI-verordening, is een belangrijk middel om te garanderen dat
AI veilig en betrouwbaar is.
Het kabinet werkt op dit moment aan de inrichting van het toezicht op de AI-verordening,
zodat de eisen effectief gehandhaafd kunnen worden. Op nationaal en Europees niveau
worden de ontwikkelingen op het gebied van AI gemonitord om snel in te kunnen spelen
op onwenselijke ontwikkelingen. Het AI Bureau van de Europese Commissie speelt hier
een belangrijke rol in.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
voorjaarsvergadering van het IMF van 13–18 april 2026 en hebben daarover de volgende
vragen.
De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over het wereldwijde begrotingslandschap.
Het IMF zelf wijst op aanhoudend hoge tekorten bij grote economieën. Zo hebben de
VS een tekort van circa 5 à 6 procent BBP en ook binnen Europa lopen de schulden op
door aanzienlijke tekorten. Tegelijk staan overheden voor dringende extra uitgaven
op het terrein van defensie, klimaat en vergrijzing. Deze leden delen de analyse van
het IMF dat landen zich minstens moeten committeren aan consolidatie op de middellange
termijn en willen graag van de Minister weten hoe hij de ontstane realiteit met hoge
begrotingstekorten van vele landen beoordeelt vanuit het perspectief van begrotingsdiscipline.
Ook willen deze leden de Minister vragen of hij ervan overtuigd is dat de leden van
het IMF en van het IMFC werkelijk bereid zijn om begrotingsdiscipline serieus na te
streven of dat het bij vrijblijvende verklaringen blijft? Daarnaast: welke consequenties
kan het IMF aan lidstaten die, ondanks de aanbevelingen van het IMF structureel tekort
schieten, opleggen en in hoeverre gebeurt dat dan ook?
Het IMF voorziet voor de VS begrotingstekorten voor de VS van 7,5%, 7,3% en 7,5% van
het bbp voor respectievelijk 2026, 2027 en 2028, na een tekort van 6,8% in 20256. Ook diverse andere landen kampen met aanhoudende tekorten boven de 3% bbp, terwijl
er dringende begrotingsuitdagingen zijn voor de langere termijn op het terrein van
defensie, klimaat en vergrijzing. In lijn met het IMF onderstreep ik het belang van
het versterken van begrotingsbuffers en het waarborgen van schuldhoudbaarheid. Dit
betekent dat politieke keuzes nodig zijn, bijvoorbeeld door herprioritering van uitgaven
of grondslagverbreding van belastingen, en door structurele hervormingen die de uitgavengroei
op lange termijn in toom houden.
De bereidheid van de leden van het IMF om begrotingsdiscipline serieus na te streven
verschilt in de praktijk per land. Tijdens bijeenkomsten van het IMFC wordt doorgaans
het belang van begrotingsdiscipline onderstreept. Desondanks zijn de concrete gevolgen
van deze verklaringen afhankelijk van de politieke en economische situatie van de
betrokken leden. IMF-aanbevelingen in het kader van de analyse van mondiale en nationale
economische en financiële ontwikkelingen (de surveillance-functie van het IMF) zijn
vrijblijvend.
Aan landen met een IMF-programma worden voorwaarden gesteld (conditionaliteiten).
Typische voorwaarden bij een programma-land met een te hoog begrotingstekort zijn
het versterken van de begrotingsdiscipline en het terugdringen van het begrotingstekort.
Als een programma-land niet aan alle voorwaarden voldoet kan de Raad van Bewind van
het IMF besluiten om verdere uitkeringen van de lening op te schorten. Bij aanhoudend
niet voldoen aan de voorwaarden kan een programma worden stopgezet.
De leden van de VVD-fractie zien graag dat Nederland in Washington geen passieve rol
vervult, maar juist een actieve, leidende rol op zich neemt in een kopgroep van gelijkgezinde
landen, bij voorkeur met andere westerse middelgrote open economieën, om zodoende
via het IMFC begrotingsdiscipline expliciet en stevig op de agenda van het IMF te
zetten en te houden. In hoeverre ziet de Minister daar mogelijkheden toe?
De crises van de afgelopen jaren – van de coronapandemie tot de Russische invasie
van Oekraïne en de oorlog in het Midden-Oosten – hebben aangetoond dat grote schokken
nu vaker voorkomen. In de context van al hoge mondiale schulden, pleit dit voor het
waarborgen van schuldhoudbaarheid en het opbouwen van buffers. Overheden moeten alleen
steunmaatregelen invoeren als deze noodzakelijk zijn, en deze zo efficiënt mogelijk
vormgeven.
Ik deel het belang dat de VVD-fractie hecht aan begrotingsdiscipline. Tijdens de IMFC-vergaderingen
zal ik daarom blijven benadrukken dat begrotingsdiscipline een prominent agendapunt
moet zijn en blijven voor het IMF.
Nederland werkt hierin in IMF-verband nauw samen met gelijkgezinde landen, waaronder
andere open economieën als België, Zwitserland en Zweden. Onder meer met deze landen
zoekt Nederland actief de samenwerking om gezamenlijk onze positie te versterken en
meer invloed uit te oefenen. Ik zie hierin dan ook mogelijkheden om onder Nederlandse
inzet een leidende rol te pakken en zal dat actief blijven doen binnen de relevante
IMF-verbanden.
De leden van de VVD-fractie zien dat energieprijzen oplopen door het conflict in het
Midden-Oosten en de afsluiting van de Straat van Hormuz. Amerikaanse importheffingen
verstoren mondiale handelsketens en drijven de kosten op. Tegelijk voeren grote economieën,
met de VS aan kop, ruim begrotingsbeleid dat de vraagzijde van de economie kunstmatig
aanjaagt. De combinatie van aanbodschokken én vraagstimulering is, volgens de leden
van de VVD-fractie, een klassiek recept voor een inflatieschok en zij maken zich hier
ernstig zorgen over. Het IMF heeft hier een belangrijke rol; als onafhankelijke instelling
moet het zijn leden juist confronteren met financiële keuzes die de inflatie aanjagen.
Hoe duidt de Minister de effectiviteit van de IMF-adviezen op het terrein van financieel
en monetair beleid om de inflatie te beteugelen? In hoeverre vindt het IMF in zijn
aanbevelingen gehoor bij centrale banken en Ministeries van Financiën? Wat is de Nederlandse
inzet om te zorgen dat de aanbevelingen van het IMF ook daadwerkelijk ter harte worden
genomen door die centrale banken en Ministeries van Financiën?
Het IMF benadrukt het belang van passende en gerichte maatregelen, op basis van de
behoefte van landen, ook in de context van beperkte begrotingsruimte en al hoge schuldniveaus.
Daarnaast adviseert het IMF centrale banken over afwegingen bij de beleidsreactie
op een tijdelijke aanbodschok die mogelijk wel kan doorwerken in inflatieverwachtingen.
Veel centrale banken en Ministeries van Financiën herkennen zich in deze adviezen.
Desondanks kan politieke druk ontstaan om mogelijk koopkrachtverlies voor huishoudens
te compenseren en geraakte bedrijven te ondersteunen. Nederland zal het belang onderschrijven
van prudent begrotingsbeleid en gericht, tijdelijk, tijdig en transformatief begrotingsbeleid,
waarbij prikkels voor afbouw van fossiele brandstoffen overeind blijven.
In bredere zin pleit Nederland, onder andere in het kader van de Comprehensive Surveillance Review (CSR), voor hervormingen die ervoor zullen zorgen dat de tractie van IMF-beleidsadviezen
wordt verbeterd. Dit zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat er meer aandacht wordt
besteed aan de lokale omstandigheden, zonder dat het IMF haar rol als onpartijdig
en eerlijke adviseur loslaat.
De leden van de VVD-fractie zien een toenemend risico op een combinatie van stagnerende
groei en hoge inflatie; de zogenaamde stagflatie. De jaren zeventig hebben laten zien
wat er gebeurt als overheden te lang wachten met reageren: een pijnlijke recessie
die veel schade aanricht. De huidige cocktail van geopolitieke schokken, handelsverstoring,
hoge schulden en expansief beleid vertoont zorgwekkende gelijkenissen met die periode.
De leden van de VVD-fractie willen dat Nederland in het IMFC actief vraagt welke scenario’s
het IMF uitwerkt voor een stagflatoire omgeving en welke beleidsopties lidstaten dan
ter beschikking staan. Is het IMF voldoende uitgerust om dit risico tijdig te signaleren?
De Comprehensive Surveillance Review die op dit moment loopt biedt daarvoor een opening.
De leden van de VVD-fractie vragen de Minister ook om bij zijn collega’s en bij de
IMF-staf te polsen hoe groot zij het risico op stagflatie inschatten en of er consensus
bestaat over de urgentie. Gezien de politieke druk op centrale bankiers in met name
de VS om rentes eerder te verlagen, vinden deze leden het belangrijk dat het IMF publiekelijk
de onafhankelijkheid van centrale banken verdedigt.
Het IMF beschikt over een omvangrijke en kundige economische staf. Ook zijn bijna
alle landen lid van het Fonds, waardoor de instelling een wereldwijd bereik heeft.
Het IMF is daarom bij uitstek in staat om stagflatoire en andere risico’s te signaleren,
en om de leden te adviseren over de benodigde beleidsrespons.
Het IMF adviseert landen ook om te gaan met negatieve aanbodschokken, zoals een olieprijsschok
en handelstarieven. Daarbij geldt dat deze schokken ook vraageffecten hebben: zo kunnen
tarieven de vraag voor importgoederen verlagen en kan een olieprijsschok tot vraagaanpassing
leiden.
Een les van de stagflatie in de jaren ’70 en de energiecrisis in 2022 is dat het risicovol
is als een negatieve aanbodschok gecombineerd wordt met een positieve vraagschok.
In de jaren ’70 leidde stimuleringsbeleid tot langdurig hoge inflatie, hoge nominale
rentes, en hoge schulden. De energiecrisis ging gepaard met de positieve vraagschok
van de heropening van economieën na de pandemie, wat ook tot langdurig verhoogde inflatie
leidde. Het IMF adviseert lidstaten nu om terughoudend te zijn met stimuleringsmaatregelen,
mede gezien de al hoge publieke schuldniveaus, en stelt dat eventuele maatregelen
tijdelijk en gericht moeten zijn.
In o.a. de vergaderingen van het International Monetary and Financial Committee (IMFC), het hoogste politieke adviesorgaan van het IMF, zullen de leden stilstaan
bij de belangrijkste economische ontwikkelingen en risico’s. Een belangrijke basis
voor deze gesprekken zijn de scenario’s die het IMF heeft uitgewerkt.
Het IMF is ook uitgesproken over het belang van onafhankelijke centrale banken – ook
in de VS. Zo heeft het Fonds bijvoorbeeld recent in haar jaarlijkse analyse van de
Amerikaanse economie, het zogenaamde Artikel IV-rapport7, gerefereerd aan de potentieel negatieve gevolgen van ontwikkelingen die de onafhankelijkheid
van de centrale bank (en andere relevante instellingen) zouden kunnen ondermijnen.
Nederland vindt het belangrijk dat het IMF zonder vrees of voorkeur de wereldeconomie
blijft surveilleren.
Nederland zit de kiesgroep voor waar Oekraïne deel van uitmaakt. De leden van de VVD-fractie
vinden dat dit de Minister een verantwoordelijkheid geeft om de Russische agressieoorlog
en de effecten daarvan op de Europese en mondiale financiële stabiliteit expliciet
te benoemen in het IMFC. De leden van de VVD-fractie willen graag van de Minister
weten of hij die verantwoordelijkheid voelt en, zo ja, welke mogelijkheden hij ziet
om via het IMF die effecten te laten onderzoeken en het IMF met aanbevelingen te laten
komen. In hoeverre denkt de Minister gehoor voor deze lijn bij andere kiesgroepen
en IMFC-leden te vinden?
Sinds het uitbreken van de oorlog vraagt Nederland, samen met andere landen, bij de
Raad van het Bewind van het IMF en het IMFC, het hoogste politieke adviesorgaan van
de instelling, aandacht voor de mondiale macro-economische gevolgen van Russische
agressieoorlog in Oekraïne. Het blijft een grote rem op economische groei en financiële
stabiliteit, en verergert bijvoorbeeld de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten.
Zonder de oorlog zouden bijvoorbeeld de energie- en kunstmestmarkten veerkrachtiger
zijn geweest, zouden de ODA-stromen sterker zijn geweest en zouden beleidsmakers meer
begrotingsruimte hebben gehad.
Net als tijdens voorgaande vergaderingen van het IMFC, zal het Koninkrijk zich, als
onderdeel van de kiesgroep waar Oekraïne ook deel van uitmaakt, inzetten voor een
adequate verwijzing naar de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en de mondiale
economische impact daarvan in de gezamenlijke slotverklaring van het IMFC.
Het IMF brengt in het kader van de surveillancetaak de economische effecten van de
oorlog voor de mondiale economie, Europa én voor Oekraïne zelf, in kaart. Zo heeft
het IMF consequent in haar rapporten gesteld dat de oorlog in Oekraïne de wereldeconomie
afremt en heeft geleid tot hogere inflatie, vooral door duurdere energie en voedsel.
Ook de tweede orde effecten, zoals de hogere rentes en defensie-uitgaven, hebben mondiale
gevolgen. Dit komt bovenop de aanzienlijke en blijvende economische onzekerheid. Hoewel
de economische gevolgen vlak na het uitbreken van de oorlog uitgebreider werden meegenomen
in de analyses, neemt het IMF nog altijd oorlogen en conflicten mee in de economische
ramingen. Zo bracht het IMF op 8 april jl. een analytisch hoofdstuk uit van de nieuwste
World Economic Outlook over de economische verliezen die oorlogen en conflicten veroorzaken,
constaterend dat die moeizaam te herstellen zijn. Dit hoofdstuk bevat een analyse
van de economische impact van de oorlog in Oekraïne.8
De leden van de VVD-fractie constateren dat de 17e quotaherziening op de agenda staat. Opkomende economieën, zoals China, kunnen hierdoor
meer stemrecht krijgen in het IMF ten koste van Europese en Nederlandse stemrechten.
Met welke insteek benadert de Minister dit agendapunt en is hij bereid op te brengen
dat een groter aandeel voor China gepaard moet gaan met meer Chinese transparantie
en conformiteit aan IMF-beleid?
De Nederlandse positie is dat het quota-aandeel van ondervertegenwoordigde opkomende
economieën zoals China beperkt zou mogen stijgen, zolang dit plaatsvindt op basis
van een eerlijke verdeling onder oververtegenwoordigde landen.
Nederland is inderdaad van mening dat een eventuele verhoging van quota gepaard zou
moeten gaan met het nemen van verantwoordelijkheid binnen het multilaterale systeem
en specifiek binnen het IMF. Nederland zet zich hier samen met andere gelijkgezinde
landen voor in, bijvoorbeeld bij de onderhandelingen over de zogenaamde Diriyah Guiding
Principles. Deze principes worden opgesteld om richting te geven aan toekomstige besprekingen
over IMF-governance en quota. De uiteindelijke versie van de Diriyah Guiding Principles
zullen in het verslag van de voorjaarsvergadering worden bijgevoegd, na goedkeuring
door het IMFC tijdens de voorjaarsvergadering.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de voorjaarsvergadering
van het IMF 2026. Naar aanleiding hiervan hebben ze nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het IMF verwacht dat door de geopolitieke spanningen
de voorgenomen hogere defensie-uitgaven geleidelijk worden opgebouwd. Deze leden willen
weten hoe het kabinet hier tegenover staat. Deze leden vragen tevens naar een reactie
op het Telegraafartikel, waarin gesteld wordt dat een jaarlijkse miljardeninvestering
in belangrijke en kwetsbare infrastructuur en maatschappelijke weerbaarheid door het
kabinet omringd wordt met een rookgordijn. Kan het kabinet weer inzicht geven in de
besteding van de Defensiemiljarden?
Zoals door het kabinet gemeld in de Kamerbrief over de Weerbaarheid tegen Militaire
en Hybride Dreigingen (Kamerstuk 30 821, nr. 326) is er op de NAVO-top van juni 2025 afgesproken om, naast de 3,5%, een aanvullende
1,5% van het bbp aan te wenden voor defensie- en veiligheidsgerelateerde uitgaven.
Hierbij gaat het onder meer om uitgaven ter bevordering van uitvoering van NAVO’s
defensieplannen en nationale plannen, het versterken van weerbaarheid en civiele paraatheid,
infrastructuur en het tegengaan van hybride acties. Zoals ook gesteld in het genoemde
artikel in De Telegraaf werkt het huidige kabinet aan afspraken omtrent de nationale
doorvertaling en rapportage van de 1,5%-norm en komt hier in de volgende Kamerbrief
over de Weerbaarheid tegen Militaire en Hybride Dreigingen op terug.
Ten aanzien van het nieuwe IMF-programma voor Oekraïne van 8,1 miljard dollar, vragen
de leden van de PVV-fractie naar een overzicht van de voorwaarden waar Oekraïne aan
moet voldoen. Waarom heeft Oekraïne de IMF-deadline van 31 maart 2026 gemist en over
welke punten van het IMF-programma was er onenigheid? Kan de Minister meer inzicht
geven in de beschreven situatie?
De afgelopen jaren heeft Oekraïne onder moeilijke omstandigheden hervormingen doorgevoerd,
waaronder een groot aantal hervormingsstappen die onderdeel waren van het IMF-programma
en de EU Oekraïne-faciliteit. Oekraïne heeft ook voldaan aan alle prior actions (voorwaarden) alvorens het IMF-programma kon worden gestart. Hoewel Oekraïne de deadline
van 31 maart 2026 heeft gemist voor implementatie van een pakket aan belastingmaatregelen,
is inmiddels de verlenging van de militaire belasting op 7 april jl. wel door het
parlement aangenomen. Momenteel moeten nog drie hervormingen geïmplementeerd worden
alvorens de volgende betaling onder het IMF-programma kan plaatsvinden in juni 2026.
Oekraïne blijft doorwerken aan het implementeren van nieuwe hervormingen. Nederland
moedigt dit aan en ondersteunt Oekraïne waar mogelijk. Uitbetaling van steun onder
het IMF-programma en de EU Oekraïne-faciliteit is conditioneel aan het doorvoeren
van hervormingsstappen door Oekraïne. Nederland onderstreept het belang van deze hervormingen,
onder meer op het gebied van rechtsstaat en corruptiebestrijding, en steunt in dit
licht het principe van conditionaliteit.
De voorwaarden waaraan Oekraïne gedurende het IMF-programma moet voldoen worden periodiek
vastgesteld tijdens de reviews, die ongeveer iedere drie maanden plaatsvinden. Het meest actuele overzicht9 van voorwaarden loopt t/m eind 2026. Oekraïne moet onder meer een nieuw hoofd van
de douane benoemen, belastingwetgeving aanpassen en nieuwe belastingmaatregelen presenteren.
Daarnaast houdt Oekraïne zelf een hervormingsmatrix bij waarin de voortgang met implementatie
van hervormingen wordt bijgehouden.10
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hechten grote waarde aan de rapporten van het IMF die
geagendeerd staan voor de voorjaarsvergadering van het Internationaal Monetair Fonds
(World Economic Outlook en Global Financial Stability report). Gegeven de geopolitieke
spanningen en het effect van deze spanningen op de wereldeconomie, zijn deze rapporten
van grote waarde om de economische impact verder te duiden. Juist nu is het van belang
om te weten wat de inflatie en groeiverwachtingen zijn van het IMF. Omdat deze rapporten
en cijfers op dit moment nog ontbreken, voelt het wat prematuur om nu een schriftelijk
overleg te voeren. Wel willen zij alvast een aantal punten meegeven.
De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat in IMF-verband gekeken wordt naar
de economische impact van de recente mondiale ontwikkelingen. Zij vragen zich af hoe
de Minister aankijkt tegen de recente geopolitieke ontwikkelingen en hoe dit een effect
heeft op de wereldeconomie in het algemeen en Nederland specifiek. Hoe kijkt hij naar
de huidige macro-economische uitgangspositie van Nederland als het gaat om inflatie,
begrotingsruimte en groeiverwachtingen? Hoe verhoudt de Nederlandse macro economische
uitgangspositie zich ten opzichte van andere landen in de wereld (bijv. VS, China,
India) en lidstaten van de Europese Unie? En voorziet de Minister dat structurele
economische onevenwichtigheden tussen landen weer zullen opspelen in de komende periode?
Hoe is de Minister voornemens om hiermee om te gaan?
De Nederlandse economie staat er vooralsnog goed voor en groeit gestaag. Het macro-economisch
beeld is omgeven door enorme internationale onzekerheid, waaronder het conflict in
het Midden-Oosten. Het CPB heeft op 12 maart het Centraal Economisch Plan (CEP) gepubliceerd
met vooruitzichten voor de economie en de overheidsfinanciën. Het bbp groeit in 2026
met 1,4% en in 2027 met 1,1%. Hogere uitgaven aan defensie, sociale zekerheid en zorg
zorgen ervoor dat het EMU-saldo verslechtert van – 1,6% bbp in 2025 tot – 1,9% bbp
in 2027.
Het overkoepelende beeld is dat de Nederlandse economie ruim op capaciteit opereert
(hoogconjunctuur). Dit blijkt onder andere uit hogere bbp-groei en inflatie vergeleken
met het gemiddelde in de eurozone. De Nederlandse inflatie ligt al enkele tijd boven
het gemiddelde in de eurozone en was sinds 2025 op een dalend pad.
DNB heeft eind maart een geactualiseerde doorrekening gepubliceerd van de economische
impact van het conflict in het Midden-Oosten. Hogere olie- en gasprijzen werken direct
door in de inflatie via benzineprijzen en de energierekening. Daardoor kan de inflatie
volgens DNB in 2026 0,7–1,6 procentpunt hoger uitvallen en in 2027 0,6–2,8 procentpunt.
De wereldeconomie heeft veerkracht getoond na opeenvolgende schokken, maar het IMF
geeft aan dat het conflict in het Midden-Oosten tot hogere prijzen en lagere groei
leidt.11 In de update van de World Economic Outlook (januari 2026) raamde het IMF voor dit
jaar 3,3% bbp-groei wereldwijd, 2,4% voor de VS, 1,3% voor de eurozone, 4,5% voor
China en 6,4% voor India12. De publieke schuld als percentage van het bbp is in 2026 naar schatting 96,7% wereldwijd,
123,7% voor de VS, 89,7% voor de eurozone, 102,7% voor China en 79,6% voor India13. Voorafgaand aan de voorjaarsvergadering zal het IMF in de World Economic Outlook
nieuwe ramingen publiceren.
Onevenwichtigheden als gevolg van met name de begrotingstekorten in de VS en de exportafhankelijkheid
en lage binnenlandse consumptie van China staan hoog op de internationale agenda.
Nederland draagt bij aan de discussie door te benadrukken dat landen hun binnenlandse
onevenwichtigheden adresseren, waar ook een belangrijke adviserende rol is weggelegd
voor het IMF.
De leden van de CDA-fractie vragen zich daarnaast af wat de inzet is van het kabinet
met betrekking tot de Caribische delen van het koninkrijk. De geannoteerde agenda
spreekt over «bijzondere aandacht voor de noden van Aruba, Curaçao en Sint Maarten»,
maar wat betekent dit concreet?
Zie het antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie met betrekking tot de
inzet van het kabinet voor de Caribische delen van het Koninkrijk.
De leden van de CDA-fractie vragen zich af wat de precieze inzet is van het kabinet
met betrekking tot deze IMF-vergadering. Met welke uitkomst van het overleg is de
Minister tevreden, en waarom? Welke elementen moeten wat de Minister betreft opgenomen
worden in de slotverklaring?
De geannoteerde agenda die uw Kamer heeft ontvangen, beschrijft de inzet van het Koninkrijk
der Nederlanden bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF) tijdens de voorjaarsvergadering
van 13–18 april 2026.14 Deze is gericht op het versterken van multilaterale samenwerking en het IMF, het
waarborgen van macro-economische en financiële stabiliteit, en het bevorderen van
schuldhoudbaarheid, met speciale aandacht voor actuele mondiale uitdagingen zoals
geopolitieke spanningen, klimaatverandering en schuldenproblematiek. Ik zou tevreden
zijn wanneer de IMFC de belangrijkste ambities van Nederland onderschrijft op het
gebied van onder meer structurele hervormingen en groeibevorderende investeringen,
het herstel van begrotingsbuffers, toezicht op verwevenheid tussen banken en niet-bancaire
financiële instellingen, en schuldtransparantie. Daarnaast streeft Nederland naar
een eerlijke en evenwichtige herziening van quota, en naar effectieve en realistische
IMF-programma’s en surveillance.
Het Koninkrijk zal zich inzetten om deze elementen opgenomen te krijgen in de slotverklaring
van het IMFC. Net als tijdens voorgaande vergaderingen zal het Koninkrijk zich, als
onderdeel van de kiesgroep waar ook Oekraïne deel van uitmaakt, inzetten voor een
adequate verwijzing naar de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne en de mondiale
economische impact daarvan in de gezamenlijke slotverklaring van het IMFC.
De leden van de CDA-fractie zien dat diverse landen reeds steunmaatregelen hebben
genomen voor inwoners en ondernemers. De effectiviteit en de doelmatigheid van de
genomen maatregelen is echter niet altijd evident. Wat deze leden betreft zouden lange
termijn schuldhoudbaarheid en doelmatigheid van maatregelen daarom expliciet onderdeel
moeten zijn bij de uitwerking van eventuele maatregelen. Steunmaatregelen moeten tijdelijk,
gericht en toekomstbestendig zijn. Ook op mondiaal niveau. In hoeverre is financiële
prudentie onderdeel van de discussies bij het IMF? En is de Minister bereid om dit
perspectief in zijn inbreng te benadrukken?
Financiële prudentie is voor het IMF altijd een belangrijke overweging, omdat een
gebrek hieraan de stabiliteit van het internationaal monetair stelsel kan ondermijnen.
Het Fonds pleit daarom consequent voor steunmaatregelen die (i) tijdig worden ingevoerd,
(ii) gericht zijn, en (iii) een tijdelijke aard hebben. Zo wordt het beslag op schaarse
begrotingsruimte beperkt én wordt voorkomen dat beleidsinstrumenten het prijssignaal
verstoren, met onwenselijke gedragsprikkels als gevolg. Het IMF benadrukt deze boodschap
ook nu in het kader van de wereldwijd stijgende energieprijzen.
Ik verwelkom deze adviezen van het IMF. De crises van de afgelopen jaren – van de
coronapandemie tot de Russische invasie van Oekraïne en de oorlog in het Midden-Oosten
– hebben aangetoond dat grote schokken nu vaker voorkomen. In de context van al hoge
mondiale schulden, pleit dit voor het waarborgen van schuldhoudbaarheid en het opbouwen
van buffers. Overheden moet alleen steunmaatregelen invoeren als deze noodzakelijk
zijn, en deze zo efficiënt mogelijk vormgeven. Ik zal dit perspectief in mijn inbreng
bij het IMF benadrukken.
De leden van de CDA-fractie observeren daarnaast dat er veel onduidelijkheid is over
handelstarieven nu het Amerikaanse hooggerechtshof recent heeft aangekondigd dat de
wederkerige importheffingen van de Amerikaanse regering niet rechtsgeldig zijn. Deze
onduidelijkheid verhoogt de onzekerheid in mondiale economie. Hoe duidt de Minister
dit en wanneer kunnen we deze duiding ontvangen?
Het Kabinet deelt de zorgen van de leden over de volatiliteit van het Amerikaanse
handelsbeleid. De heffingen en voortdurende onzekerheid die daarmee gepaard gaat,
zijn ongunstig voor het Nederlandse bedrijfsleven. Tegelijkertijd blijven de Verenigde
Staten een belangrijke handelspartner. Juist daarom blijft het kabinet vasthouden
aan de Turnberry-deal van augustus vorig jaar.
De nieuwe heffingen na de Supreme Court uitspraak van eind-februari zijn op basis
van sectie 122 voorlopig vastgesteld op 10 procent, waar bovenop nog de al bestaande
in de WTO afgesproken heffingen komen, het zogenaamde MFN-tarief. Op dit moment lijkt
het erop dat dit een tussenoplossing is, want we hebben gezien dat de VS ook is begonnen
met een aantal nieuwe onderzoeken naar handelsverstoringen, die bedoeld zijn om nieuwe
heffingen in te stellen tegen handelspartners van de VS. Daarmee beoogt de VS de door
het Supreme Court onrechtmatig verklaarde heffingen op een meer definitieve basis
te vervangen.
De Europese Commissie wil vasthouden aan de deal tussen VS en EU die vorig jaar in
Schotland tot stand is gekomen. Nederland steunt die lijn, want die deal biedt een
anker voor de lange termijn. Hoewel algemene tariefverlaging van de VS-zijde momenteel
onrealistisch is, ziet het kabinet middels de gezamenlijke verklaring wel kansen voor
individuele sectoren en Nederlandse exportbelangen. Het kabinet zal zich dus ook blijven
inzetten voor nieuwe tariefverlagingen en het versterken van de relatie met de VS.
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is hiervoor primair
verantwoordelijk en heeft de Kamer meest recentelijk geïnformeerd tijdens het Commissiedebat
van 19 maart jl. in voorbereiding op de Raad Buitenlandse Zaken Handel.
De leden van de CDA-fractie vinden het goed om te lezen dat Nederland aandacht vraagt
voor de verschillen in het pensioenstelsel bij de het verbeteren van het EBA-model.
De Nederlandse situatie is namelijk anders dan andere Europese landen. Ook binnen
de EU zien we dat dit onvoldoende gebeurt waardoor we onredelijke kapitaaleisen opgelegd
krijgen met betrekking tot bijvoorbeeld onze hypotheken. Lopen we bij dit EBA-model
vergelijkbare risico’s? Voorziet de Minister aanvullende eisen die voor ons minder
relevant zijn juist door ons pensioenstelsel?
Het IMF gebruikt het EBA-model om te bepalen of tekorten of overschotten op de lopende
rekening excessief zijn. Met behulp van het EBA-model kan het IMF aanbevelingen doen
in het kader van de analyse van mondiale en nationale economische en financiële ontwikkelingen
(de surveillance-functie van het IMF). Deze aanbevelingen zijn vrijblijvend, waardoor
er geen aanvullende eisen uit volgen. Desalniettemin kunnen andere landen Nederland
aanspreken op haar overschot op de lopende rekening. Het is belangrijk dat de internationale
gemeenschap begrijpt dat een groot deel van het Nederlandse overschot het resultaat
is van structurele karakteristieken, zoals ons sterke pensioensysteem, en niet van
buitensporig beleid. Ook is het van belang dat IMF-aanbevelingen die voortkomen uit
het EBA-model gebaseerd zijn op een solide analyse die rekening houdt met relevante
landenspecifieke omstandigheden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
mondiale bijeenkomst van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). De leden benadrukken
dat het IMF een cruciale rol speelt in het waarborgen van internationale financiële
stabiliteit en monetaire samenwerking, zeker in een tijd van geopolitieke disruptie
en handelsconflicten. Tegelijkertijd maken de leden zich zorgen over de effectiviteit
van het fonds en de verschuiving naar een meer politiek gedreven agenda.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de implementatie van de 16e quotaherziening is vertraagd en dat de deadline is verschoven naar mei 2026, mede
door politieke terughoudendheid in de Verenigde Staten. Deze leden willen weten wat
het «plan B» van Nederland en de EU is, indien de VS de kapitaalverhoging definitief
blokkeren. Acht de Minister het IMF in dat scenario nog wel voldoende slagvaardig
om toekomstige grote crises op te vangen?
Hoe beoordeelt de Minister het voornemen om volgens de Diriyah Guiding Principles
stemrecht te verleggen naar het «opkomende oosten», waarbij met name China fors aan
invloed zou winnen?
De verwachting is dat de VS uiteindelijk zal instemmen met de 16 quotaherziening.
Tot die tijd blijft het IMF voldoende slagvaardig, ook zonder de implementatie van
de 16e quotaherziening. De totale leencapaciteit van het IMF blijft namelijk nagenoeg gelijk
na implementatie van de 16e quotaherziening: de verhoging van quota (permanent kapitaal van het IMF) wordt gecompenseerd
door het verlagen van tijdelijke leenovereenkomsten. Deze tijdelijke leenovereenkomsten
zijn een aanvulling op het permanente kapitaal van het IMF die worden gefinancierd
door een subgroep van met name ontwikkelde economieën waar Nederland onderdeel van
uitmaakt.15 Tot de implementatie van de 16e quotaherziening zullen de tijdelijke leenovereenkomsten worden verlengd en behouden
ze hun omvang van voor het akkoord over de 16e quotaherziening.
Het voordeel van implementatie van de 16e quotaherziening is dat het IMF over meer permanent kapitaal kan beschikken en daardoor
minder afhankelijk wordt van tijdelijke leenovereenkomsten met een deel van de lidstaten,
inclusief Nederland. Besluitvorming over de inzet van permanent kapitaal is eenvoudiger
dan over de inzet van de tijdelijke middelen.
De Nederlandse positie met betrekking tot quota is dat het quota-aandeel van ondervertegenwoordigde
opkomende economieën zoals China beperkt zou mogen stijgen, zolang dit plaatsvindt
op basis van een eerlijke verdeling onder oververtegenwoordigde landen. De Board of
Governors van het IMF nam zich in het akkoord over de 16e quotaherziening van december 2023 al voor om opties uit te werken voor een toekomstige
verschuiving van quota. De Diriyah Guiding Principles zijn niet bedoeld om de omvang
van een eventuele verschuiving van quota vast te stellen, maar gelden als uitgangspunt
voor de verdere discussie over herzieningen van quota en bestuur van het IMF.
De Minister benoemt in zijn brief dat het Chinese handelsoverschot wordt gedreven
door industriebeleid en lage consumptie, wat leidt tot mondiale onevenwichtigheden.
De leden van de BBB-fractie merken op dat de EU en de VS inmiddels zelf ook bewegen
naar een actiever industriebeleid. Hoe voorkomt de Minister dat het IMF met twee maten
meet in haar beoordelingen van lidstaten, wanneer zowel oosterse als westerse machten
interveniëren in hun industrie?
Het monitoren van mondiale economische ontwikkelingen en uitbrengen van economisch
beleidsadvies aan lidstaten is onderdeel van het mandaat van het IMF. Dat doet het
IMF onafhankelijk, objectief en onpartijdig. Nederland steunt en benadrukt deze onafhankelijke
rol van het IMF als economisch adviseur.
In het meest recent artikel IV-rapport over China adviseerde het IMF bijvoorbeeld
om het omvangrijke industriebeleid te verminderen, omdat het binnen China zorgt voor
een inefficiënte allocatie van middelen en vanwege de negatieve mondiale impact.
De World Economic Outlook oktober 2025 bevat een hoofdstuk dat ingaat in op afruilen
die gepaard gaan met industriebeleid.16 Dat hoofdstuk richt zich bijvoorbeeld ook op de afruilen bij inzet van industriebeleid
gericht op elektrische voertuigen in de EU. Alhoewel industriebeleid onder bepaalde
omstandigheden kan helpen om binnenlandse productie te beschermen en technologische
vooruitgang te boeken, is het IMF in het algemeen kritisch over de inzet van industriebeleid.
Het gaat namelijk vaak gepaard met hogere consumentenprijzen, substantiële publieke
uitgaven en mogelijke negatieve effecten op de productiviteit.
De leden van de BBB-fractie hebben vragen bij het Memorandum of Understanding voor
de opschorting van de schuld van Oekraïne tot 2030. Wat is de huidige inschatting
van de Minister over de uiteindelijke terugbetaalcapaciteit van Oekraïne? Wordt hier
feitelijk toegewerkt naar een volledige kwijtschelding? Zo ja, wat zijn de langetermijngevolgen
hiervan voor de Nederlandse begroting? Hoeveel bedraagt de totale potentiële afschrijving
op zowel IMF-leningen als EU-leningen aan Oekraïne indien het geleende geld niet wordt
terugbetaald?
Op dit moment is kwijtschelding van de uitstaande hoofdsom niet aan de orde. Zolang
de onzekerheid over het verloop van de Russische agressieoorlog voortduurt is het
namelijk niet mogelijk om te bepalen of schuldverlichting nodig is om de schuldhoudbaarheid
van Oekraïne te herstellen. Pas aan het einde van het nieuwe IMF-programma en de daaraan
gekoppelde betalingsstop wordt bezien of een verdere herstructurering nodig is. De
bilaterale crediteuren zullen daarvoor de schuldhoudbaarheidsanalyse van het IMF volgen.
Met de tijdelijke betalingsstop tot 2030 is voor Nederland een bedrag van EUR 113,7
mln. aan rente en aflossing gemoeid. Dit bedrag wordt niet kwijtgescholden maar uitgesteld
naar latere jaren.
Nederland heeft met een grote groep internationale partners, waaronder de G7, financing assurances afgegeven voor het IMF-programma. De financing assurances houden in dat landen toezeggen om Oekraïne financieel te blijven steunen, zodat Oekraïne
in staat is het IMF terug te betalen, en t.a.v. bilaterale leningen om te doen wat
nodig is om de Oekraïense schuldhoudbaarheid te waarborgen. Nederland heeft eerder
ook financing assurances afgegeven voor het vorige IMF-programma. Dit is in lijn met de kabinetspositie om
Oekraïne onverminderd te blijven steunen. Dit betreft een politiek commitment en heeft
geen directe gevolgen voor de begroting. Beleidsvoorstellen die volgen uit de financing assurances zullen aan uw Kamer worden voorgelegd.
Via verschillende instrumenten heeft de EU steun geleverd aan Oekraïne. Hieronder
worden de verschillende steunpakketten uiteengezet:
• In 2022 en 2023 is via Macro Financiële Bijstand (MFB) in totaal 6 miljard euro aan
concessionele leningen verstrekt. De aflossing- en rentebetaling hiervan worden verzekerd
door een bestaand garantiefonds binnen de EU-begroting, welke lidstaten hebben aangevuld
met bilaterale garanties. Nederland heeft hiervoor een bilaterale garantie van 215,4
miljoen euro afgegeven.
• Daarnaast heeft de EU in 2023 vanuit MFB+ 18 miljard euro aan leningen verstrekt.
Door de omvang en financieringstechniek wijkt deze MFB+ af van de eerdere MFB. Hiervoor
is een Nederlandse garantie van 1,1 miljard euro opgenomen. De rentelasten worden
met een rentesubsidie gefinancierd, waarbij de rentebijdrage voor Nederland maximaal
165 miljoen euro is tot en met 2027.
• In februari 2024 is voor de jaren 2024–2027 de Europese Oekraïne-faciliteit van 50
miljard euro opgericht, bestaande uit 17 miljard euro aan giften en 33 miljard euro
aan leningen. De rentelasten worden gefinancierd binnen het giftendeel. Voor het leningendeel
in de Oekraïne-faciliteit heeft Nederland een garantie afgegeven van 2,1 miljard euro.
• In 2024 zijn verder de G7 Extraordinary Revenue Acceleration (ERA) leningen ingegaan,
waarbij het EU-aandeel 18,1 miljard euro bedraagt. De hoofdsom en rente van deze lening
wordt betaald via de buitengewone inkomsten op de geïmmobiliseerde Russische centralebanktegoeden.
Het EU-aandeel is in 2025 volledig uitbetaald aan Oekraïne. Nederland heeft hiervoor
een garantie van 1,8 miljard euro afgegeven.
• In december 2025 heeft de Europese Raad een akkoord bereikt over de EU Steunlening
t.w.v. 90 miljard euro. Uw Kamer is hierover geïnformeerd.17 Aangezien de leningen vanuit de headroom gegarandeerd zal worden, ontstaat voor Nederland een garantie uit hoofde van de headroom t.w.v. 5,94 miljard euro die verwerkt is op artikel 4 (internationale financiële betrekkingen)
van de begroting van het Ministerie van Financiën18. Op 20 februari heeft Hongarije een blokkade opgeworpen t.a.v. de aanpassing van
de MFK-verordening, hetgeen een vereiste is om de Steunlening aan Oekraïne ter beschikking
te kunnen stellen. Hongarije heeft eerder wel ingestemd met het besluit van de Europese
Raad van december jl. Zolang Hongarije blijft blokkeren, is implementatie van de Steunlening
niet mogelijk.
De leden van de BBB-fractie zien met zorg een trend waarbij monetaire organisaties
zich steeds vaker richten op een politieke agenda. In het statement van het voorzitterschap
van de mondiale bijeenkomst van 2023 werd al gesproken over het mainstreamen van klimaat-
en genderdoelen, waaronder genderdiversiteit in financial boards. Is de Minister van
mening dat een monetaire organisatie zich dient bezig te houden met dergelijke brede
en maatschappelijk omstreden thema’s?
Hoe verhoudt het promoten van gelijkheidsquota en sociale inclusie zich tot het oorspronkelijke
mandaat van het IMF? Wat is de positie van de Minister ten aanzien van The Coalition
of Finance Ministers for Climate Action? Vindt de Minister het gepast dat een vanuit
het IMF voortgekomen organisatie adviseert over de uitgifte van green bonds aan centrale
banken, terwijl klimaatbeleid naar de mening van de BBB-fractie uitsluitend een nationale
aangelegenheid hoort te zijn?
Het mandaat van het IMF is om mondiale financiële stabiliteit en economische groei
te bevorderen. Het IMF houdt zich met klimaatverandering en genderongelijkheid bezig
omdat dit directe financiële en macro-economische gevolgen heeft en daarmee «macro-critical» is.
Momenteel vindt een evaluatie plaats van de surveillance-activiteiten van het IMF:
de Comprehensive Surveillance Review. Daarbij zal ook gekeken worden naar de thema’s die het IMF in zijn surveillance
activiteiten behandelt. Het huidige beleid ten aanzien van gender is vastgelegd in
de Interim Guidance Note uit 202419. Deze stelt vast dat landen met kleinere genderkloven aantoonbaar betere macro-economische
uitkomsten hebben, zoals hogere groei en meer stabiliteit. De Guidance Note beschrijft
ook wanneer gender macro-critical is. Het kabinet steunt deze gerichte benadering van het IMF. Vrouwen vormen ongeveer
de helft van de wereldbevolking, dus wanneer zij minder deelnemen aan de arbeidsmarkt
of minder kansen krijgen, gaat er veel economisch potentieel verloren. Meer gendergelijkheid
leidt daarom tot meer productiviteit, hogere groei en een veerkrachtige economie.
Het IMF heeft op basis van de vorige Comprehensive Surveillance Review uit 2021 ook
vastgesteld wanneer klimaatverandering binnen het mandaat van het IMF valt. De raad
van bewind van het IMF heeft in juli een klimaatstrategie goedgekeurd, die richting
geeft aan de activiteiten van het IMF op dit terrein.20 Klimaatverandering heeft gevolgen voor groei, inflatie, overheidsfinanciën en financiële
stabiliteit. Fysieke risico’s (zoals natuurrampen) en transitierisico’s (zoals hogere
CO2-prijzen) kunnen economieën destabiliseren en begrotingen onder druk zetten, terwijl
goed klimaatbeleid juist kan bijdragen aan stabielere en duurzamere groei. Het kabinet
steunt de inzet van het IMF op financiële en macro-economische aspecten van klimaatbeleid.
Tegelijkertijd benadrukt het IMF dat beide thema’s alleen worden meegenomen in het
IMF werk wanneer het relevant is voor macro-economische stabiliteit en het functioneren
van het internationale monetaire systeem, dus binnen het bestaande mandaat en niet
als hoofdthema op zichzelf.
Ik draag tijdens de 15e ministeriële bijeenkomst het co-voorzitterschap over aan de opvolger Kroatië, en
sluit dan de driejarige Nederlandse termijn als covoorzitter af. De CFMCA is een niet-bindend,
niet-normatief forum waar Ministers en vertegenwoordigers van Ministeries van Financiën
kennis en ervaringen uitwisselen over verschillende relevante aspecten van klimaatbeleid
vanuit financieel, fiscaal en economisch perspectief. Elk land blijft op nationaal
niveau verantwoordelijk voor beleidskeuzes en daarop heeft dit forum geen invloed.
Het forum is tot stand gekomen vanuit een groep van 20+ landen, tot op heden uitgegroeid
tot een lidmaatschap van 100+ landen, waarin het IMF en de Wereldbank een faciliterende
rol spelen als hostorganisaties voor het kleinschalige ondersteunende Secretariaat.
Al het inhoudelijke werk van de CFMCA, zoals het organiseren van technische workshops
en concrete kennisuitwisseling in regio’s, wordt aangestuurd door de landen die als
covoorzitters zijn aangesteld en door de landen die lid zijn.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
R.A. van der Steur, adjunct-griffier