Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 924 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet)
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
Inhoudsopgave
blz.
ALGEMEEN
2
1.
Inleiding
2
2.
Inhoud richtlijn
3
3.
Hoofdlijnen van het voorstel en wijze van implementatie
8
4.
Mate van harmonisatie
13
5.
Verhouding van de richtlijn tot het unierecht en het nationale recht
17
6.
Juridische en overige niet-financiële gevolgen
22
7.
Bedrijfseffecten en financiële gevolgen
25
8.
Uitvoering
33
9.
Toezicht, handhaving en rechtsbescherming
36
10.
Evaluatie
37
11.
Advies en consultatie
38
12.
Advies Autoriteit Persoonsgegevens
59
13.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
62
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
63
BIJLAGE. TRANSPONERINGSTABEL
93
ALGEMEEN
§ 1. Inleiding
Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet
(hierna: de richtlijn).1 Net als Richtlijn 2008/48/EG (hierna: CCDI (Consumer Credit Directive I)) streeft de richtlijn het bevorderen van de totstandkoming van een interne markt voor
krediet na en het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming. De toenemende
digitalisering, de opkomst van nieuwe kredietproducten, de ontwikkeling in het gedrag
en de voorkeuren van consumenten en onnauwkeurige formulering van diverse bepalingen
in de CCDI zijn, op basis van de evaluatie door de Europese Commissie in 20202, aanleiding geweest voor de herziening. De richtlijn diende op 20 november 2025 in
nationale wet- en regelgeving te zijn geïmplementeerd en de bepalingen dienen uiterlijk
van toepassing te zijn op 20 november 2026. Dit wetsvoorstel geeft uitvoering aan
de richtlijn.
Daarnaast bevat het voorstel enkele onderdelen die niet direct voortvloeien uit de
richtlijn, maar wel aanvullend en noodzakelijk zijn voor het behalen van de richtlijndoelstellingen.
Het gaat allereerst om een verbod om bepaalde vormen van krediet aan te bieden aan
minderjarigen en de bijbehorende verplichting tot verificatie van de leeftijd van
de consument. Ook worden enkele uitzonderingen van het toepassingsgebied, zoals genoemd
in artikel 2, van de richtlijn, niet of niet volledig overgenomen. Zo wordt niet overgenomen
dat er een bovengrens geldt voor het toepassingsbereik, namelijk voor kredietovereenkomsten
met een som van meer dan € 100.000. Ook grotere kredietovereenkomsten vallen daarmee
onder het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel, zoals ook nu het geval is. Daarnaast
worden platforms die zelf, zonder gebruik van een derde, kredietovereenkomsten aanbieden
in de vorm van uitstel van betaling, niet uitgezonderd van het toepassingsbereik van
dit wetsvoorstel. Voorts blijft effectenkrediet gereguleerd onder een maatwerkregeling.
Tot slot bevat het wetsvoorstel een wettelijke grondslag om bij uitzondering en onder
strikte voorwaarden bijzondere categorieën van persoonsgegevens te verwerken in het
kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling.
In paragraaf 2 wordt stilgestaan bij de totstandkoming en inhoud van de richtlijn,
waarna in paragraaf 3 de hoofdlijnen van dit wetsvoorstel en de wijze van implementatie
worden beschreven. Paragraaf 4 beschrijft de mate van harmonisatie middels het wetsvoorstel.
Vervolgens wordt in paragraaf 5 aandacht besteed aan de verhouding tot Unierecht en
het nationale recht. In paragraaf 6 wordt ingegaan op de gevolgen van het wetsvoorstel,
met uitzondering van de financiële gevolgen. Paragraaf 7 gaat in op de bedrijfseffecten
en financiële gevolgen. Paragraaf 8 betreft de uitvoeringsparagraaf, paragraaf 9 de
toezichts-, handhavings- en rechtsbeschermingsparagraaf en in paragraaf 10 wordt stilgestaan
bij de evaluatie van dit wetsvoorstel. Paragraaf 11 ziet op advies en consultatie
en paragraaf 12 noemt het overgangsrecht en de inwerkingtreding. Na het algemene deel
van de toelichting is een artikelsgewijze toelichting opgenomen alsmede een transponeringstabel
in de bijlage.
Deze memorie van toelichting wordt gegeven mede namens de Staatssecretaris van Justitie
en Veiligheid.
§ 2. Inhoud richtlijn
Achtergrond CCDI
De CCDI dateert van 23 april 2008 en beoogde consumenten te beschermen bij het sluiten
van kredietovereenkomsten, teneinde het consumentenvertrouwen te vergroten en het
vrije verkeer van kredietaanbiedingen optimaal te laten functioneren.3 Daarnaast beoogde de CCDI een goede werking van de interne markt, door nationale
wetgeving van de lidstaten te harmoniseren. De CCDI voorzag er vooral in consumenten
alle benodigde informatie te verschaffen om aanbiedingen van krediet te evalueren,
deze met elkaar te vergelijken en consumentenrechten te verlenen in het geval zij
zich zouden bedenken.4
Met de CCDI werd een hoog niveau van harmonisatie nagestreefd, waarbij de lidstaten
de consument niet een hoger niveau van consumentenbescherming mochten toekennen dan
in de CCDI werd bepaald en de wetgeving van de lidstaten na implementatie op het door
de CCDI geharmoniseerde gebied, niet (meer) uiteen zou lopen. Dit betekende dat, behoudens
enige vrijheid met betrekking tot het toepassingsgebied van de CCDI, lidstaten slechts
beperkt de ruimte hadden om andere regels te handhaven of introduceren.
In 2020 heeft de Europese Commissie in de evaluatie van de CCDI geconcludeerd dat
de doelen slechts gedeeltelijk waren gehaald. Enkele van de bepalingen van de CCDI
die het meest doeltreffend zijn gebleken, zien op het herroepingsrecht en het recht
op vervroegde aflossing. Consumenten zijn over het algemeen goed op de hoogte van
hun rechten om kredietovereenkomsten te herroepen of vervroegd af te lossen.5 Verder zijn de geharmoniseerde berekening van het jaarlijks kostenpercentage (het
totale, jaarlijkse bedrag aan rente en kosten van een lening uitgedrukt als percentage
van het kredietbedrag, hierna: JKP) en het standaarddocument «Europese standaardinformatie
inzake consumentenkrediet» (hierna: het ESIC-formulier) doeltreffend gebleken. Beide
elementen van de CCDI geven consumenten de mogelijkheid om aanbiedingen, rente en
kosten van verschillende kredietgevers te vergelijken, zowel voorafgaand aan, als
tijdens de looptijd van een kredietovereenkomst.
Uit de evaluatie volgde ook dat de CCDI een aantal tekortkomingen had. Zo waren de
uitzonderingen op het toepassingsgebied zoals vastgesteld in artikel 2 van de CCDI
substantieel en bestreek de CCDI niet het volledige proces van kredietverlening, waardoor
aspecten van het proces gedeeltelijk of niet zijn geharmoniseerd. Ook was er sprake
van onduidelijke bewoordingen van sommige bepalingen van de CCDI, die leidden tot
rechtsonzekerheid. Dit gaat bijvoorbeeld om de bepalingen inzake de standaardinformatie.
Voorts was in artikel 8 van de CCDI inzake de kredietwaardigheidstoets onvoldoende
specifiek gedefinieerd welke informatie moet worden gecontroleerd of onder welke voorwaarden
de kredietgever de consument als kredietwaardig kan beschouwen. Als gevolg hiervan
is er sprake van grote verschillen in de kredietwaardigheidstoetsen van lidstaten.
Ook zijn er grote verschillen geconstateerd tussen de soorten en de hoogte van de
sancties die bevoegde autoriteiten van lidstaten opleggen bij de handhaving van de
CCDI.
Tot slot was de CCDI niet goed voorbereid op de ontwikkelingen op het gebied van digitalisering.
De digitalisering heeft bijgedragen aan marktontwikkelingen waarin niet was voorzien
toen de CCDI werd vastgesteld.6 Een eenvoudig voorbeeld is de standaardinformatie, die onder de CCDI in de vorm van
een papieren formulier moest worden verstrekt, terwijl zowel consument als kredietgever
vaak de voorkeur geven aan een papierloze (online) omgeving.
Inhoud van de herziene richtlijn
De doelstellingen van het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming
en bevordering van de interne markt bleken volgens de conclusies van de CCDI-evaluatie
onverminderd relevant. De richtlijn beoogt dan ook een transparanter en efficiënter
juridisch kader voor consumentenkrediet te creëren, om daarmee het vertrouwen van
de consumenten te vergroten, hun bescherming te verbeteren en de ontwikkeling van
grensoverschrijdende activiteiten te vergemakkelijken.7 Volledige harmonisatie is daarbij nodig om te waarborgen dat alle consumenten in
de Unie een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten
en om een goed werkende interne markt te creëren.8 De richtlijnbepalingen hebben deze doelen als uitgangspunt en worden hierna per thema
genoemd.
Maximumharmonisatie
Net als bij de CCDI, is volledige harmonisatie het uitgangspunt van de richtlijn om
te waarborgen dat alle consumenten in de Europese Unie een hoog en gelijkwaardig niveau
van bescherming kunnen genieten. Lidstaten mogen hier niet van afwijken voor zover
het de geharmoniseerde bepalingen betreft. In sommige gevallen is er ruimte voor het
behouden of invoeren van nationale wetgeving.9
Uitbreiding toepassingsgebied
De richtlijn breidt het toepassingsgebied uit ten opzichte van de CCDI. Het feit dat
de CCDI ruime uitzonderingen kende, was één van de tekortkomingen zoals geconstateerd
in eerdergenoemde evaluatie. Zo was de CCDI niet van toepassing op consumentenkredietovereenkomsten
met een totaal kredietbedrag van minder dan € 200 of meer dan € 75.000. Met de richtlijn
vervalt de ondergrens. De bovengrens wordt verhoogd naar € 100.000.
Andere uitzonderingen vervallen eveneens. Het gaat om uitzonderingen voor (i) huur-
of leasingovereenkomsten met een optie tot koop, (ii) kredietovereenkomsten die in
de vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening worden verleend en die binnen
een maand moeten worden afgelost, (iii) kredietovereenkomsten waarover geen rente
of andere kosten moeten worden betaald en (iv) kredietovereenkomsten waarbij het krediet
binnen drie maanden moet worden terugbetaald en waarvoor slechts onbeduidende kosten
worden gerekend. Nieuwe potentieel nadelige kredietproducten (waartoe bijvoorbeeld
ook «koop nu, betaal later»-diensten en kaarten met uitgestelde debitering behoren)
vallen nu wel onder het toepassingsgebied van de richtlijn,10 zij het dat de richtlijn diverse lidstaatopties bevat om op enkele van deze kredietproducten
minder stringente regels van toepassing te laten zijn, bijvoorbeeld met betrekking
tot reclame en (precontractuele) informatieverplichtingen.11 Ook bevat de richtlijn een lidstaatoptie om kaarten met uitgestelde debitering volledig
buiten het toepassingsgebied van de richtlijn te plaatsen.
Vergunning- of registratieplicht kredietgevers en kredietbemiddelaars
Voor kredietgevers en kredietbemiddelaars schrijft de richtlijn een vergunningplicht
of registratieplicht voor. De richtlijn biedt twee uitzonderingsmogelijkheden. Lidstaten
mogen mkb-ondernemingen12 van de vergunningplicht vrijstellen die (i) kredietbemiddelaar zijn in nevenactiviteit (bijvoorbeeld kleine winkeliers die tussenpersoon zijn bij
een «koop nu, betaal later»-kredietovereenkomst) of die (ii) kredietgever zijn in nevenactiviteit in die zin dat zij zelf (dus zonder tussenkomst van een derde)
uitstel van betaling verlenen voor de aankoop van door hen aangeboden roerende zaken
of diensten zonder daarvoor kosten of rente te rekenen, met uitzondering van beperkte
kosten wegens betalingsachterstand overeenkomstig het nationale recht.
Verstrekken van (precontractuele) informatie en advies
De richtlijn scherpt de eisen aan die gelden voor de inhoud en de wijze waarop precontractuele
informatie verstrekt dient te worden en brengt deze in lijn met gedragsinzichten.
De voornaamste elementen van het krediet, waaronder het JKP, moeten voortaan op opvallende
en voorgeschreven wijze op de eerste bladzijde worden vermeld van het ESIC-formulier.
Dit formulier is daarnaast aangepast aan de technische beperkingen van bepaalde media
zoals mobiele telefoons, en komt daarmee tegemoet aan één van de genoemde tekortkomingen
zoals genoemd in de CCDI-evaluatie. Daarnaast moet de kredietovereenkomst in duidelijke
en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie bevatten over de rechten en plichten
van de consument die daaruit voortvloeien. De informatieverplichtingen zijn onder
andere uitgebreid met de plicht voor een kredietaanbieder om contactgegevens van schuldadviesdiensten
op te nemen in de kredietovereenkomst. Reeds op grond van de CCDI diende precontractuele
informatie «geruime tijd» voor het ingaan van de kredietovereenkomst aan de consument
te worden verstrekt.13 De richtlijn voegt hieraan toe dat, indien de precontractuele informatie niet ten
minste één dag van tevoren is verstrekt, de kredietgever of -bemiddelaar de consument
uiterlijk zeven dagen na de sluiting van de kredietovereenkomst schriftelijk wijst
op zijn herroepingsrecht.14 Dit is een nadere invulling van de term «geruime tijd», waarmee rechtsonzekerheid,
genoemd als één van de tekortkomingen van de CCDI in de evaluatie, wordt tegengegaan.
Gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst moet de consument tijdig en voorafgaand
aan elke eenzijdige wijziging van de overeenkomst of algemene voorwaarden van de kredietovereenkomst
door de aanbieder geïnformeerd worden met daarbij, in voorkomend geval, een toelichting
bij de van rechtswege doorgevoerde wijzigingen conform de implementatie van artikel 27
de Richtlijn Kredietservicers en kredietkopers (EU 2021/2167).15 Daarnaast moet de consument gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst op de
hoogte worden gebracht van wijzigingen in de variabele debetrentevoet en daaruit volgende
gewijzigde betalingen.
Tot slot stelt de richtlijn ook regels ten aanzien van advies. Zo moet een adviseur
zijn advies afstemmen op de behoeften en omstandigheden van de consument, waarbij
hij tevens rekening houdt met de doelstelling om wanbetaling en betalingsachterstand
zoveel mogelijk te beperken. Daarnaast gelden er aanvullende informatieverplichtingen
over onder meer de gevraagde vergoeding en het door de adviseur in overweging genomen
productaanbod. De richtlijn bevat een lidstaatoptie om het gebruik van de termen «advies»
en «adviseur» of soortgelijke termen te verbieden indien de adviesdiensten worden
verleend door kredietgevers of -bemiddelaars.
Koppelverkoop en gebundelde verkoop
Het is aanbieders niet toegestaan kredietovereenkomsten te verkopen of aan te bieden
als onderdeel van een pakket met andere financiële producten of diensten waarbij de
kredietovereenkomst niet afzonderlijk wordt aangeboden. Deze zogeheten koppelverkoop
kan consumenten namelijk aanzetten tot het sluiten van kredietovereenkomsten die niet
in hun belang zijn. Slechts enkele vormen van koppelverkoop zijn toegestaan, namelijk
van een betaal- of spaarrekening of van een verzekering. Een gebundelde verkoop, die
juist gunstig kan zijn voor een consument of een wezenlijk onderdeel is van de kredietovereenkomst,
is onder voorwaarden wel toegestaan. De richtlijn voorziet ook in een verbod om verzekeringspolissen
met betrekking tot een kredietovereenkomst te baseren op persoonsgegevens betreffende
de diagnose van oncologische ziekten, na een periode van maximaal 15 jaar na het einde
van de medische behandeling van de consument.
Ongevraagde kredietverlening en afgeleide instemming
Het ongevraagd verlenen van krediet – zoals het toesturen van ongevraagde, reeds goedgekeurde
kredietkaarten of de eenzijdige invoering van een nieuwe geoorloofde debetstand of
maximumoverschrijding – kan schadelijk zijn voor consumenten en wordt daarom verboden.
Verder is voor het aangaan van een consumentenkredietovereenkomst vereist dat de consument
het kredietaanbod op ondubbelzinnige wijze aanvaardt. Het is niet toegestaan stilzwijgen
van de consument als aanvaarding van een kredietaanbod te laten gelden.
Kredietwaardigheid en databanken
De verplichte kredietwaardigheidstoets wordt in de richtlijn uitgebreid. De toets
moet in het belang van de consument worden uitgevoerd om onverantwoordelijke leenpraktijken
en overkreditering te voorkomen. Net als in de CCDI wordt voor lidstaten een open
norm voorgeschreven, maar de richtlijn biedt meer handvatten dan voorheen ter verduidelijking
waar de toets aan moet voldoen. Zo moet de toets worden uitgevoerd op basis van relevante
informatie over het inkomen en de uitgaven van de consument en moet dit in verhouding
staan tot de aard, de duur, de waarde en de risico’s van het krediet voor de consument.
Op deze wijze worden de eisen die de richtlijn stelt aan de kredietwaardigheidsbeoordeling
nader ingevuld, om zo uiteenlopende eisen in verschillende lidstaten tegen te gaan.
Het betreft een belangrijke in de CCDI-evaluatie geconstateerde tekortkoming. Dit
geldt ook voor de verdere invulling voor het gebruik van databanken, zoals hierna
aan bod komt.
Lidstaten kunnen eisen dat kredietgevers een relevante databank, zoals in Nederland
de databank van Bureau Krediet Registratie (BKR), raadplegen voor de kredietwaardigheidsbeoordeling.
De databank omvat ten minste informatie over achterstallige kredietbetalingen van
consumenten, het soort krediet en de identiteit van de kredietgever. Alleen onder
toezicht staande instellingen mogen toegang hebben tot die databank. De richtlijn
beschrijft de rechten van de consument om geïnformeerd te worden over de registratie
in de databank, raadpleging van de databank en over de mogelijkheid om een klacht
over de registratie in te dienen.
Gedragsregels
In de activiteiten rondom de kredietverlening dienen de kredietgevers en kredietbemiddelaars
de rechten en belangen van consumenten in acht te nemen en onder andere op eerlijke,
redelijke, transparante en professionele wijze te handelen. Zij moeten bij de kredietverlening,
bemiddeling, facilitering of verlening van adviesdiensten rekening houden met de situatie
waarin de consument zich bevindt. Hun beloningsbeleid moet hieraan bijdragen en beloningen
mogen op grond van de richtlijn bijvoorbeeld niet afhankelijk zijn van het aantal
verstrekte kredieten. Verder zijn lidstaten verantwoordelijk voor het stellen van
minimumvereisten inzake kennis en bekwaamheid.
Financiële educatie, schuldpreventie en ondersteuning
De richtlijn schrijft voor dat lidstaten maatregelen nemen op het gebied van financiële
educatie om het op verantwoordelijke wijze lenen van geld en het beheren van schulden
te stimuleren. Ter preventie voeren lidstaten verder maatregelen in om buitensporig
hoge kredietkosten voor de consument te voorkomen, zoals invoering van een kostenplafond.
Naast dat de richtlijn verplichtingen voorschrijft aan de kredietgever en kredietbemiddelaar
voorafgaand aan de totstandkoming van de kredietovereenkomst, ziet een deel van de richtlijn ook juist op de periode daarna. Kredietgevers
worden verplicht om processen en beleid op te stellen en te hanteren om betalingsproblemen
van de consument vroegtijdig op te sporen en indien zij die vaststellen, moeten zij
de consument doorverwijzen naar schuldadviesdiensten. Lidstaten dienen deze onafhankelijke
diensten beschikbaar te stellen tegen beperkte kosten. De kredietgever is verplicht
een redelijke mate van respijt te geven voordat hij over gaat tot het innen van krediet.
Dit kan hij doen door oplossingen aan te bieden, zoals uitstel van betaling of wijziging
van de kredietovereenkomst.
Sancties
Hoewel in de CCDI-evaluatie grote verschillen zijn geconstateerd tussen de soorten
en de hoogte van de sancties die bevoegde autoriteiten van lidstaten hebben opgelegd
bij de handhaving van de CCDI, harmoniseert de richtlijn dit onderwerp niet. Lidstaten
behouden de keuze van de in handhaving toe te passen sancties, mits deze doeltreffend,
evenredig en afschrikkend zijn. Wel zijn lidstaten verplicht geldboetes in te voeren
als sanctie.
§ 3. Wijze van implementatie en hoofdlijnen van het voorstel
Wijze van implementatie
Het voorstel van wet bevat wijzigingen van de Wet op het financieel toezicht (Wft),
het Burgerlijk Wetboek (BW), de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) en de
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (OnBW). Bij de implementatie van de richtlijn
is zoveel mogelijk aangesloten bij de wijze waarop de CCDI en tevens vergelijkbare
bepalingen uit andere Europese richtlijnen reeds in de Nederlandse wet- en regelgeving
zijn geïmplementeerd. Zo worden de privaatrechtelijke bepalingen van de richtlijn
net als de privaatrechtelijke bepalingen uit de CCDI geïmplementeerd in Afdeling 1
van Titel 2a van Boek 7 BW. Enkele verplichtingen uit de richtlijn zien immers op
de contractuele sfeer tussen bijvoorbeeld een aanbieder en de consument, waarbij het
van belang is dat de consument civielrechtelijk aanspraak kan maken op nakoming van
die verplichting. Om deze reden worden enkele bepalingen ofwel enkel opgenomen in
de Wft of het BW, ofwel in beide wetten, al dan niet met een verwijzing in de Wft
naar het BW, of met een handhavingsgrondslag in de Whc.
Er is aangesloten bij de bestaande systematiek om een hoofdnorm in de Wft te implementeren
en de nadere uitwerking van de hoofdnorm in lagere wet- en regelgeving. Implementatie
van de richtlijn leidt daarmee ook tot aanpassing van lagere regelgeving, waaronder
het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo), het Besluit Kredietvergoeding
(Bk), het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs) en de Vrijstellingsregeling
Wft (Vr Wft). Een beperkt deel van de bepalingen uit artikel 19 van de richtlijn,
dat ziet op verplichtingen van lidstaten ten aanzien van databanken, wordt geïmplementeerd
in de Wet stelsel kredietregistratie.16 De Wet stelsel kredietregistratie is gelijktijdig met dit voorstel in voorbereiding.
Deze wet maakt het beheer van het kredietregister een wettelijke taak, maakt het mogelijk
om BKR aan te wijzen als uitvoerder van die taak en zorgt ervoor dat gegevens zorgvuldig
worden gebruikt.
Afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 BW en de Wft kennen verschillende benamingen voor
de term «kredietgever». Waar in de betreffende afdeling van het BW de term «kredietgever»
is overgenomen van de richtlijn, wordt in de Wft de kredietgever aangeduid als «aanbieder
van krediet». Aangezien dit voorstel zowel het BW als de Wft wijzigt, wordt in de
toelichting in beginsel gesproken over «kredietgever» tenzij de toelichting specifiek
ziet op de bepalingen in de Wft. Ook spreekt de richtlijn over «consumentenkredietovereenkomsten».
In Afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 BW wordt volstaan met de term «kredietovereenkomst»
en in de Wft wordt dit aangeduid met «krediet, niet zijnde hypothecair krediet».
Daarnaast is in plaats van de term «goederen» bij de implementatie van de richtlijn
gekozen voor «roerende zaken». De richtlijn spreekt bijvoorbeeld in artikel 2, tweede
lid, onderdeel h, over een leverancier van goederen of diensten. Goederen zijn in
de Nederlandse wet- en regelgeving echter alle zaken en vermogensrechten. Aangezien
dit niet aansluit bij de strekking van de richtlijn, is bij de implementatie gekozen
voor «roerende zaken».
Ten slotte is voor de definitie van schuldadviesdiensten gekozen voor een verwijzing
naar artikel 47 Wet op het consumentenkrediet (Wck) dat ziet op schuldbemiddeling.
Schuldbemiddeling is het in de uitoefening van een beroep of bedrijf, anders dan door
het aangaan van een krediettransactie, verrichten van diensten, gericht op de totstandkoming
van een regeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast van een natuurlijke
persoon, geheel of gedeeltelijk voortvloeiend uit een of meer krediettransacties.
Artikel 48 van de Wck bepaalt welke partijen de dienst schuldbemiddeling mogen verrichten.
Dit zijn onder meer gemeenten, kredietbanken, advocaten, bewindvoerders ingevolge
de Faillissementswet, bewindsvoerders ingevolge Boek 1 BW en deurwaarders. Ook is
het toegestaan dat partijen om niet bemiddelen in schuld. Op grond van de richtlijndefinitie
van schuldadviesdiensten mogen deze diensten slechts door een onafhankelijke professional,
niet zijnde de kredietgever, verleend worden. Ondanks dat kredietbanken in beginsel
als kredietgever kwalificeren, mogen zij op grond van de Wck wel bemiddelen in schulden.
Een kredietbank is een partij die wel kredietgever is, maar als doelstelling heeft
om burgers in het kader van schuldhulpverlening te helpen met financiële problemen,
bijvoorbeeld met een saneringskrediet. Dit is een schuldregelingsvorm waarbij de totale
schuld wordt afgekocht tegen finale kwijting. De burger heeft daarna slechts één aflosverplichting
bij de kredietbank. De kredietovereenkomsten die door kredietbanken worden verstrekt
zijn onder voorwaarden op grond van artikel 4:2 Wft uitgezonderd van de Wft. Deze
vallen ook niet onder het toepassingsgebied van de richtlijn op grond van artikel 2,
tweede lid, onderdeel k. Dit heeft als gevolg dat de beperking ten aanzien van het
verlenen van schuldadviesdiensten niet geldt ten aanzien van kredietbanken. Daarbij
zou het, gezien de maatschappelijke rol die kredietbanken vervullen, onwenselijk zijn
als schuldbemiddeling niet door kredietbanken toegestaan zou zijn. Het toestaan van
schuldbemiddeling door kredietbanken strookt met het doel van schuldadviesdiensten
om consumenten met financiële moeilijkheden te helpen en hen te begeleiden bij het
zoveel mogelijk aflossen van hun uitstaande schuld, met behoud van een fatsoenlijke
levensstandaard. Het risico op botsende belangen dat zou kunnen ontstaan wanneer een
commerciële kredietaanbieder deze diensten zou verstrekken is niet aanwezig bij de
kredietbank, die immers opereert zonder winstoogmerk.
Hoofdlijnen van het voorstel
De hoofdlijnen van de wijzigingen in de Wft en het BW worden hierna uiteengezet. De
wijzigingen in de Whc worden toegelicht in paragraaf 8 over toezicht en handhaving,
alsmede artikelsgewijs. De wijzigingen in de OnBW worden ook artikelsgewijs toegelicht
en verder in paragraaf 11 inzake overgangsrecht en inwerkingtreding.
Wijzigingen in de Wft
Met deze wet wordt allereerst de definitie van «krediet» in artikel 1:1 van de Wft
gewijzigd om uitstel van betaling ook daaronder te laten vallen.
Op grond van het huidige artikel 1:20 Wft zijn sommige vormen van krediet, zoals gedefinieerd
in artikel 1:1 Wft, die aan bepaalde criteria voldoen, uitgezonderd van de Wft. Krediet
is een definitie in artikel 1:1 van de Wft en omvat mede hypothecair krediet en consumentenkredietovereenkomsten.
Waar bepalingen in de Wft specifiek gelden voor consumentenkrediet, wordt dit in de
wet aangeduid met «krediet, niet zijnde hypothecair krediet». De Wft is niet van toepassing
indien sprake is van een overeenkomst of dienst die is uitgezonderd op grond van artikel 1:20
Wft. In dit wetsvoorstel worden enkele van de bestaande uitzonderingen geschrapt.
Het gaat om krediet dat binnen drie maanden moet worden afgelost en terzake waarvan
slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht, maar ook om krediet in de
vorm van een geoorloofde debetstand waarbij de consument binnen een maand moet aflossen.
Daarnaast worden huur- en verhuurovereenkomsten met een optie tot aankoop van het
object niet langer uitgezonderd.
Met het vervallen van de uitzondering voor kredietovereenkomsten waarbij het krediet
binnen drie maanden moet worden terugbetaald en terzake waarvan slechts onbetekenende
kosten in rekening worden gebracht, worden onder meer aanbieders van «koop nu, betaal
later»-diensten en aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering onderhevig aan
de bepalingen van de Wft. Dergelijke kaarten zijn de meest gangbare vorm van creditcards
in Nederland, waarbij opgenomen c.q. met de kaart betaalde bedragen niet in termijnen
maar maandelijks op een vast moment worden afgelost en dus sprake is van «uitgestelde
debitering». Deze kaarten worden, na verstrijken van de in het vierde lid opgenomen
overgangstermijn van zes maanden, onder het bereik van de Wft gebracht.
Aanbieders van voornoemde kredieten worden verplicht een vergunning in de zin van
artikel 2:60 Wft te hebben voor het aanbieden van krediet. Het wetsvoorstel introduceert
daarnaast in artikel 2:81 Wft een verplichting voor aanbieders om een kredietbemiddelaar
aan te melden bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) indien deze kredietbemiddelaar
grootbedrijf is, leverancier van roerende zaken of diensten en bemiddelt in «koop
nu, betaal later»-diensten van de kredietaanbieder. Er is op grond van de Wft sprake
van bemiddelen indien de activiteit valt onder de definitie van bemiddelen in artikel 1:1
Wft. Volgens de definitie van kredietbemiddelaar in de richtlijn is, naast de andere
genoemde elementen, sprake van bemiddelen als dit tegen een vergoeding in de vorm
van geld of een andere overeengekomen financiële beloning plaatsvindt. De definitie
van kredietbemiddelaar in artikel 7:57 BW noemt dit ook. De definitie van bemiddelen
in de Wft kent deze voorwaarde echter niet, omdat de Wft uitgaat van de activiteit
van bemiddelen, die bij meerdere financiële producten aan de orde kan zijn. De definitie
in de Wft ziet dus niet enkel op bemiddelen in krediet. De voorwaarde uit de richtlijn
van een vergoeding of andere beloning moet in de context van de Wft en het BW zo worden
uitgelegd dat ook sprake is van bemiddelen in krediet of een kredietbemiddelaar indien
de bemiddelaar economisch voordeel ondervindt van de bemiddelingsactiviteiten, ook
als daar geen vergoeding van de kredietaanbieder tegenover staat. Dit is belangrijk,
nu «koop nu, betaal later»-diensten voor bemiddelaars andere voordelen met zich meebrengen
dan de vergoeding bij regulier krediet. Ook deze partijen zullen met deze implementatiewet
onder de reikwijdte vallen van de Wft en BW.
Hoewel de algemene uitzondering voor onder meer «koop nu, betaal later»-diensten komt
te vervallen, voegt het wetsvoorstel een tweetal nieuwe uitzonderingen toe aan artikel 1:20,
eerste lid, onderdeel e, Wft, onder verwijzing naar artikel 7:58, tweede lid, onderdelen
d en e, van Boek 7 BW. Als gevolg hiervan blijft voor mkb-ondernemingen17 uitstel van betaling uitgezonderd van het toepassingsgebied van de Wft indien (i) de
leverancier of dienstverlener van de betreffende zaak of dienst zélf uitstel van betaling
verleent (zonder tussenkomst van een derde, tenzij sprake is van een platform), (ii)
er behoudens beperkte kosten wegens betalingsachterstand geen rente of kosten in rekening
worden gebracht en (iii) de betaling volledig binnen 50 dagen moet worden verricht.
Voor het grootbedrijf geldt een kortere uiterste betalingstermijn van uiterlijk 14 dagen
om buiten het toepassingsbereik van de uitzondering te vallen. De overige voorwaarden
zijn voor het grootbedrijf gelijk. Daarnaast blijft uitstel van betaling uitgezonderd
onder bovengenoemde voorwaarden en de voorwaarde dat de betaling volledig binnen 14
dagen moet worden verricht, indien de leverancier van roerende zaken of diensten een
mkb-onderneming is in de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie
van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) en als de overeenkomst
niet een dienst van de informatiemaatschappij is die op afstand wordt gesloten in
de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van Richtlijn (EU) 2015/1535. Dit zijn
dus ofwel fysieke winkels, ofwel kleine of middelgrote online leveranciers of dienstverleners.
Zij zullen dus onder de genoemde voorwaarden niet onder de Wft vallen.
Aanbieders van krediet, bemiddelaars in krediet en personen die adviseren over krediet
zijn tevens gehouden aan de bepalingen uit Deel 4 van de Wft en de AFM houdt toezicht
op de naleving van deze bepalingen. Het wetsvoorstel wijzigt Deel 4 van de Wft door
enkele bepalingen toe te voegen. Het wetsvoorstel introduceert of wijzigt enkele bepalingen
in paragraaf 4.3.1.3 inzake het aanbieden van krediet. Deze paragraaf ziet onder meer
op de verplichte deelname van aanbieders aan een stelsel van kredietregistratie, informatieverplichtingen
voorafgaand aan de kredietovereenkomst en regels omtrent de kredietwaardigheidsbeoordeling en leeftijdsverificatie.
Artikel 4:34b Wft introduceert het verbod om kredietovereenkomsten, niet zijnde hypothecair
krediet, met een minderjarige consument aan te gaan, tenzij sprake is van toestemming
van de wettelijke vertegenwoordiger. Deze uitzondering op het verbod zal echter niet
gelden voor kredietovereenkomsten die voorzien in uitstel van betaling van roerende
zaken of diensten, waaronder begrepen betaling door middel van uitgestelde debitering.
Deze kredietovereenkomsten mogen op grond van deze bepaling nooit met een minderjarige
consument worden aangegaan, zelfs niet met mogelijke toestemming van wettelijke vertegenwoordiger.
Aanbieders dienen voorts over adequate processen te beschikken om de leeftijd van
de consument vast te stellen. Uit artikel 4:34c Wft volgt de verplichte uitdrukkelijke
instemming van de consument die benodigd is voor de totstandkoming van een krediet,
niet zijnde hypothecair krediet.
De bepaling inzake de kredietwaardigheidsbeoordeling in artikel 4:34 Wft wordt aangevuld
met een uitzondering op de verplichting om deze beoordeling uit te voeren indien sprake
is van wijzigingen van de overeenkomst die voortkomen uit maatregelen om de consument
in betalingsproblemen te helpen, onder de voorwaarde dat de wijzigingen niet een belangrijke
verhoging van het kredietbedrag inhouden. Ook wordt de beoordeling aangevuld met een
nieuw artikel 4:34a Wft dat specifiek ziet op enkele aanvullende vereisten die enkel
gelden ten aanzien van krediet, niet zijnde hypothecair krediet. Op grond van dit
artikel mogen persoonsgegevens verkregen van digitale sociale netwerken en bijzondere
categorieën van persoonsgegevens niet worden betrokken bij de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Aangezien niet kan worden voorkomen dat bepaalde opgevraagde gegevens die bijzondere
categorieën van persoonsgegevens wel bevatten, wordt een wettelijke grondslag gecreëerd
om deze gegevens te verwerken ten behoeve van het schonen van de informatie voorafgaand
aan de kredietwaardigheidsbeoordeling. Als een kredietaanbieder bijvoorbeeld een rekeningafschrift
opvraagt, kan deze afschrift bijzondere persoonsgegevens bevatten. Uit een alledaagse
banktransactie, zoals een betaling aan een kerkgenootschap, kan een religieuze overtuiging
blijken. De van de consument verkregen informatie kan dan worden geschoond van deze
gegevens – bijvoorbeeld door deze te lakken – en vervolgens voor de kredietwaardigheidsbeoordeling
worden gebruikt.
Het wetsvoorstel voegt met artikel 4:35b Wft een nieuw artikel in dat aanbieders verplicht
om vroegtijdig betalingsproblemen bij een consument te signaleren. Ook geldt op basis
van dit artikel een doorverwijsplicht van de aanbieder naar schuldadviesdiensten wanneer
een consument ook daadwerkelijk problemen ondervindt bij het nakomen van de verplichtingen
onder de kredietovereenkomst.
Wijzigingen in het BW
In het BW wordt Titel 2a van Boek 7 op verschillende plekken gewijzigd en aangevuld.
Afdeling 1 van Titel 2a is geïntroduceerd bij de implementatie van de CCDI en implementeert
de privaatrechtelijke bepalingen van de richtlijn.
Allereerst worden de definities van artikel 7:57 BW gewijzigd. Enkele definities zijn
nieuw, zoals de definitie van gebundelde verkoop en koppelverkoop. De definitie van
koppelverkoop is expliciet opgenomen in afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 BW en ziet
in het kader van deze titel op de verkoop van een kredietovereenkomst als onderdeel
van een pakket met andere financiële producten of diensten waarbij de kredietovereenkomst
niet afzonderlijk wordt aangeboden. Gebundelde verkoop onderscheidt zich daarvan in
die zin dat de kredietovereenkomst wel afzonderlijk wordt aangeboden, maar waarbij
niet noodzakelijkerwijs dezelfde voorwaarden gelden als wanneer deze wél als pakket
wordt aangeboden.
Evenals in de Wft, wordt ook in Titel 2a van Boek 7 BW geregeld dat de bepalingen
van Titel 2a van toepassing zijn op kredietovereenkomsten, tenzij sprake is van een
uitzondering in de zin van artikel 7:58, tweede lid, BW. Het wetsvoorstel wijzigt
artikel 7:58, tweede lid, BW. Het gaat daarbij om de nieuwe «koop nu, betaal later»-uitzonderingen
van artikel 7:58, tweede lid, onderdelen d en e, van Boek 7 BW en wijzigingen in de
maatwerkregeling voor kredietovereenkomsten in de vorm van een overschrijding, evenals
het vervallen van de uitzonderingen voor kredietovereenkomsten in de vorm van een
geoorloofde debetstand, zoals aan de orde gekomen bij de beschrijving van de wijzigingen
in artikel 1:20 Wft.
Het wetsvoorstel introduceert twee nieuwe artikelen aan het begin van Onderafdeling 2.
Ter bescherming van de consument tegen ongevraagde kredietverlening volgt uit artikel 7:58a
BW dat een overeenkomst enkel tot stand komt na uitdrukkelijke instemming door een
consument. Uit artikel 7:58b BW volgt dat alle informatie die op basis van de richtlijnverplichtingen
aan hem wordt verstrekt kosteloos moet zijn.
In dezelfde onderafdeling worden enkele bestaande bepalingen gewijzigd. Zo bevat artikel 7:59
BW naast de bestaande reclameregels voor effectenkrediet nu ook bredere reclameregels
ten aanzien van kredietovereenkomsten met consumenten. De regels ten aanzien van precontractuele
informatie worden uitgebreid met diverse eisen voor kredietgevers. Zo dient bijvoorbeeld
een adequate toelichting verstrekt te worden door de kredietgever aan de consument
bij de voorgestelde kredietovereenkomst.
Aan het begin van Onderafdeling 3 voegt het wetsvoorstel een nieuwe bepaling inzake
koppelverkoop toe. Koppelverkoop is reeds in bredere zin geregeld in Afdeling 2 van
Titel 2a. In deze afdeling zijn echter geen bepalingen ten aanzien van de richtlijn
opgenomen. Om deze reden is in Afdeling 1 van Titel 2a in artikel 7:60a BW een aparte
koppelverkoopbepaling opgenomen ten aanzien van consumentenkredietovereenkomsten die
dankzij het opnemen van een samenloopbepaling in artikel 7:77 BW naast dit reeds bestaande
artikel in Afdeling 2 zal bestaan. Samengevat is op grond van artikel 7:60a BW koppelverkoop
van consumentenkredietovereenkomsten die onder Afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 vallen met andere financiële
producten of diensten in beginsel verboden en slechts toegestaan als het gaat om een
verzekering of betaal- of spaarrekening. Bijvoorbeeld indien een consument een betaalrekening
opent en (tegelijkertijd) apart met de bank overeenkomt dat het is toegestaan daarop
tot een bepaald maximum rood te staan. In dat geval gaat de consument zowel een kredietovereenkomst
aan als een overeenkomst ten aanzien van een ander financieel product, namelijk de
betaalrekening. Onderafdeling 3 wordt daarnaast op enkele punten gewijzigd ten aanzien
van informatie die de kredietovereenkomst dient te bevatten. Het gaat onder andere
over wijzigingen om aan te sluiten bij de ontwikkelingen op het gebied van digitalisering.
Ook bevat het wetsvoorstel wijzigingen in artikel 7:63 BW ten aanzien van de geoorloofde
debetstand. De belangrijkste wijziging is de verplichting voor kredietgevers om de
consument bij verlaging of annulering van de geoorloofde debetstand in de gelegenheid
te stellen om het opgenomen bedrag terug te betalen binnen een ruime termijn, voordat
een procedure van incasso of invordering wordt gestart. Artikel 7:70 BW, dat ziet
op de kredietvorm overschrijding, bevat gelijksoortige aanpassingen als voorgesteld
in artikel 7:63 BW inzake de geoorloofde debetstand.
In dezelfde afdeling wordt in artikel 7:66 BW het recht van ontbinding uitgebreid.
Zo heeft een consument langer de tijd om de overeenkomst te ontbinden, indien hij
niet, of slechts gedeeltelijk is geïnformeerd over de contractuele informatie en voorwaarden
die bij de kredietovereenkomst horen. Ook is een bepaling opgenomen waardoor de termijn
van het recht op ontbinding wordt gekoppeld aan de termijn van ontbinding voor een
gelieerde overeenkomst, bijvoorbeeld de termijn om een product te retourneren in een
winkel.
Voorts bevat deze onderafdeling enkele andere bepalingen die strekken tot bescherming
van de consument. Uit artikel 7:67a BW volgt dat het een kredietgever, indien deze
een kredietovereenkomst met een consument sluit, in beginsel niet is toegestaan om
de kredietovereenkomst ten nadele van de consument te beëindigen of te wijzigen op
grond van een onjuist uitgevoerde kredietwaardigheidsbeoordeling. In artikel 7:68a
wordt de verplichting opgenomen voor de kredietgever om consumenten in financiële
moeilijkheden door te verwijzen naar schuldadviesdiensten.
Tot slot wordt in Afdeling 2 van Titel 2a in een toegevoegd vierde lid aan artikel 7:75
BW geregeld dat de kredietgever enkel een krediet kan verlenen aan een minderjarige
consument, indien de kredietovereenkomst niet voorziet in uitstel van betaling van
roerende zaken of diensten en deze consument handelt met toestemming van zijn wettelijke
vertegenwoordiger.
§ 4. Mate van harmonisatie
Zoals in de inleiding beschreven beoogt de richtlijn verdere harmonisatie tot stand
te brengen op het terrein van consumentenkrediet waarop de richtlijn van toepassing
is. Dat neemt niet weg dat de richtlijn ook ruimte laat aan de lidstaten. Allereerst
staat het lidstaten vrij om buiten het geharmoniseerd gebied nationale regels in te
stellen of bestaande regels te handhaven ingevolge artikel 42 en overweging 13 en
14 van de preambule van de richtlijn. Wanneer van deze beleidsruimte gebruik wordt
gemaakt, volgt uit de transponeringstabel. Eén specifiek voorbeeld verdient nadere
toelichting. Het gaat om de keuze om het toepassingsbereik van de Wft en van Titel 2a
van Boek 7 BW te laten strekken tot elk krediet in de vorm van uitstel van betaling
dat via een platform wordt aangeboden. Dit is geregeld in artikel 58, derde lid, onderdeel
d, van Boek 7 BW en artikel 1:20, eerste lid, onderdeel e, Wft.
Artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de richtlijn zondert bepaalde vormen van uitstel
van betaling uit van het toepassingsbereik van de richtlijn. Op grond van deze richtlijntekst
zou een onwenselijk onderscheid ontstaan tussen de situatie waarin een consument een
roerende zaak of dienst van het platform zelf koopt of waarin de consument via het
platform een roerende zaak of dienst koopt van een aangesloten verkoper. In de eerste
situatie is de kredietovereenkomst uitgezonderd van het toepassingsbereik van de richtlijn
en ontbeert de consument de bescherming die daaruit voortvloeit. In de tweede situatie
treedt het platform op als derde in de zin van de richtlijn en wordt de consument
wel beschermd. Voor aankopen met uitstel van betaling op hetzelfde platform zouden
dan andere kredietregels gelden, afhankelijk van of de consument direct van het platform
koopt of via het platform van een derde koopt. Hiermee is onvoldoende duidelijk voor
de consument in welk geval hij welke bescherming geniet. Dit wetsvoorstel bepaalt
daarom dat uitstel van betaling op platforms te allen tijde onder het toepassingsbereik
van de Wft en Titel 2a van Boek 7 BW valt.
Ten tweede bevat de richtlijn 23 lidstaatopties. Voor de meeste lidstaatopties geldt
dat de Europese Commissie dient te worden genotificeerd. In de transponeringstabel
staat toegelicht wanneer en waarom van een lidstaatoptie gebruik wordt gemaakt. Hierna
volgt een toelichting bij de lidstaatopties met grote gevolgen voor de sector. Het
gaat allereerst om de keuze om kaarten met uitgestelde debitering onder het bereik
van de richtlijn te laten, ten tweede de keuze om gebruik te maken van een proportioneel
informatieverstrekkingsregime voor kredietovereenkomsten waarbij krediet zonder rente
of andere kosten wordt verleend en kredietovereenkomsten volgens welke krediet binnen drie maanden moet worden afgelost en er
slechts onbetekenende kosten verschuldigd zijn, ten derde de keuze voor een vrijstelling
voor specifieke groepen mkb-bemiddelaars18 van de vergunningplicht en ten vierde de keuze om geen vrijstelling te creëren voor
specifieke groepen mkb-aanbieders en ten slotte de keuze om een productinterventiebevoegdheid
toe te kennen aan de AFM.
Kaarten met uitgestelde debitering
Uitgestelde betalingen vielen reeds onder het toepassingsbereik van de CCDI, maar
waren gedeeltelijk uitgezonderd. De uitzondering van artikel 2, tweede lid, onderdeel
f, van de CCDI is komen te vervallen. Als gevolg daarvan zijn kaarten met uitgestelde
debitering – de in Nederland gangbare vorm van creditcards – onder het toepassingsbereik
van de richtlijn komen te vallen. De richtlijn biedt lidstaten echter in artikel 2,
vijfde lid, de mogelijkheid om deze kaarten vrij te stellen van toepassing van de
richtlijn. Er wordt, met uitzondering van de overgangsbepaling van zes maanden zoals
toegelicht in paragraaf 13, geen gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie. Bij deze
vorm van uitgestelde betaling kan immers sprake zijn van dezelfde risico’s als andere
vormen van uitstel van betaling, zoals «koop nu, betaal later»-diensten. Doorgaans
wordt 30 tot 40 dagen uitgestelde betaling geboden. Een uitzondering voor dit kredietproduct
zou leiden tot onvoldoende en ongelijke consumentenbescherming en daarmee tevens een
ongelijk speelveld creëren ten aanzien van vergelijkbare kortlopende kredietproducten.
Proportioneel regime voor informatieverstrekking
Op grond van artikel 2, achtste lid, van de richtlijn, mogen lidstaten bepalen dat
een aantal artikelen uit de richtlijn ten aanzien van onder andere reclame, standaardinformatie
en precontractuele informatie niet van toepassing is op (i) kredietovereenkomsten
voor een totaal kredietbedrag van minder dan € 200, (ii) kredietovereenkomsten waarbij
krediet zonder rente of andere kosten wordt verleend of (iii) kredietovereenkomsten
waarbij krediet binnen drie maanden moet worden afgelost en waarbij slechts onbetekenende
kosten verschuldigd zijn. Enkele onderdelen van bepalingen die onder andere zien op
reclamevoorschriften en precontractuele informatie kunnen met deze lidstaatoptie buiten
toepassing worden verklaard. Er wordt gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie, door
in artikel 60, zesde lid, van Boek 7 BW een uitzondering te regelen op de vereisten
van artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn voor de drie soorten kredietovereenkomsten.
Dit heeft tot gevolg dat kredieten zoals kaarten met uitgestelde debitering en «koop
nu, betaal later»-diensten uitgezonderd worden en niet hoeven te voldoen aan een aantal
precontractuele informatieverplichtingen uit artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn.
Ook kleine kredieten tot € 200 worden uitgezonderd. In de praktijk betekent dit dat
een kredietaanbieder de consument bijvoorbeeld niet hoeft te informeren wanneer de
prijs van het krediet is gepersonaliseerd op basis van geautomatiseerde gegevensverwerking,
met inbegrip van profilering. Ook hoeft de aanbieder niet te informeren over de mogelijkheden
voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting. Voor kaarten met uitgestelde debitering
geldt dat in de praktijk op dit moment geen sprake is van grote achterstanden op deze
kredietovereenkomsten. Nu ervoor wordt gekozen om deze kaarten onder het toepassingsbereik
van de richtlijn te laten, is een uitzondering op deze informatieverplichtingen vanuit
het oogpunt van proportionaliteit en lastendruk toelaatbaar. Voor «koop nu, betaal
later»-diensten geldt dat deze overeenkomsten online en in korte tijd worden afgesloten.
Het is niet de verwachting dat de consument in die situaties de genoemde aanvullende
precontractuele informatie tot zich zal nemen en de extra hoeveelheid informatie kan
bovendien de kans vergroten dat de consument de kernelementen van de overeenkomst
over het hoofd ziet. Dit laatste geldt ook voor kredieten tot een bedrag van € 200.
Daarnaast is het ontvangen van precontractuele informatie niet het belangrijkste element
ter voorkoming van overkreditering. Gezien het voorgaande en de daarbij behorende
lastendruk voor de kredietgever en kredietbemiddelaar, is gekozen voor bovengenoemde
uitzondering op deze verplichtingen.
De lidstaatoptie voor een proportioneel regime voor precontractuele informatieverstrekking
laat het bestaan van alle geldende andere informatieverplichtingen onverlet. Het betreft
de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 7:61 BW en ook een groot aantal verplichtingen
zoals opgenomen in artikel 7:60 BW. Slechts de verplichtingen die staan opgenomen
in artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn gelden niet door de lidstaatoptie.
Onder de aandacht wordt gebracht dat artikel 7:60, vierde lid, BW de consument verplicht
te informeren indien sprake is van een gepersonaliseerde aanbieding op basis van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens. Deze verplichting
geldt wel. Dit verschilt van de uitgezonderde verplichting in artikel 10, vijfde lid,
onderdeel m, van de richtlijn, waarbij het gaat om het benoemen van de gepersonaliseerde
prijs. Ook laat het onverlet de transparantieverplichtingen die op een verwerker of verwerkingsverantwoordelijke
rust uit hoofde van de AVG.
Vergunnings- of registratievrijstelling
De richtlijn biedt lidstaten in artikel 37, derde lid, van de richtlijn, de mogelijkheid
om uitzonderingen te maken op de vergunnings- of registratieplicht voor kredietbemiddelaars
en kredietgevers die leveranciers zijn van roerende zaken of dienstverleners en worden
aangemerkt als micro, klein- of middelgrote onderneming in de zin van Aanbeveling
van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen
(PbEU 2003, C 1422).
Van de lidstaatoptie uit artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn, wordt
gebruikgemaakt door micro-, kleine- en middelgrote bemiddelaars die als nevenactiviteit
bemiddelen in krediet vrij te stellen van de vergunnings- of registratieplicht. Indien
een winkel bijvoorbeeld gebruikmaakt van een derde partij die «koop nu, betaal later»-diensten
aanbiedt, en zo uitstel van betaling verleent aan de consument, bemiddelt hij in krediet
in de zin van de Wft. Omdat de hoofdactiviteit van de winkel doorgaans het verkopen
van producten zal zijn, is het wenselijk de regeldruk zo veel mogelijk te beperken
door deze mkb-ondernemingen te ontslaan van een vergunning- of registratieplicht bij
de AFM. Er is in deze situatie nog steeds sprake van toezicht door de AFM op de bemiddelaar
(op grond van de Whc, zie o.a. paragraaf 9), maar over het algemeen zal het toezicht
zich toespitsen op de derde partij die de «koop nu, betaal later»-diensten aanbiedt.
Er wordt gedeeltelijk gebruikgemaakt van de lidstaatoptie uit artikel 37, derde lid,
onderdeel b, van de richtlijn om micro, kleine- en middelgrote aanbieders van krediet19 die als nevenactiviteit krediet aanbieden uit te zonderen van de verplichting om
een vergunning aan te vragen bij de AFM. Deze aanbieders worden namelijk in beginsel
vrijgesteld van deze vergunningplicht, tenzij zij uitstel van betaling bieden van
meer dan 50 dagen (en daarbij geen gebruikmaken van diensten van een derde). Dan valt
deze vorm van uitstel van betaling wel onder het toepassingsbereik van de Wft. In
die zin wordt dus gedeeltelijk gebruikgemaakt van de genoemde lidstaatoptie. Het is vanuit het oogpunt van bescherming
van de consument namelijk niet wenselijk als deze partijen van de vergunningplicht
worden uitgezonderd, terwijl de vereisten van de Wft (en Titel 2a, Boek 7 BW) wel
voor hen zouden gelden op grond van de artikelen 1:20 Wft jo. 7:58 BW, zie de hoofdlijnen
van het voorstel hierboven. Zonder een vergunningplicht zouden de aanbieder en diens
kredietactiviteiten met een looptijd van meer dan 50 dagen niet van tevoren worden
getoetst en zouden de aanbieders niet in beeld zijn bij de AFM, wat handhaving ingewikkeld
zou maken. Indien de aanbieder geen vergunning wenst aan te vragen, staan hem een
of meerdere alternatieven open. Allereerst en voornamelijk kan hij de betalingstermijn
onder de 50 dagen houden, waarmee hij tevens de toepassing van de Wft en Titel 2a,
Boek 7 BW ontwijkt. Daarnaast geldt voor mkb-ondernemingen dat zij een derde aanbieder
kunnen inschakelen en zelf als bemiddelaar in nevenactiviteit kunnen optreden, in
welke situatie eveneens een vrijstelling geldt.
Productinterventie
Op grond van artikel 41, negende lid, van de richtlijn, mogen lidstaten productinterventiemogelijkheden
toekennen aan de nationale bevoegde autoriteiten. Van deze lidstaatoptie wordt gebruikgemaakt
om het instrumentarium van de AFM uit te breiden. Hoewel de richtlijn ten opzichte
van de CCDI meer en ook recenter ontwikkelde kredietproducten binnen het toepassingsbereik
plaatst, is er sprake van een markt die zich snel ontwikkelt. Het is daarom wenselijk
dat de AFM ook voor bepaalde kredieten, kredieten met bepaalde kenmerken of bepaalde
marktpraktijken bij krediet, die wel onder het toepassingsbereik vallen van de richtlijn,
kan beoordelen of ingrijpen nodig is. Hierbij valt onder meer te denken aan producten
die voor schuldenproblematiek zorgen, zoals flitskredieten of marktpraktijken waarbij
het gemak waarmee het krediet wordt aangegaan reden tot bezorgdheid voor bescherming
van de consument vormen. Zo wordt met de productinterventiebevoegdheid geregeld dat
de AFM direct kan ingrijpen bij de ontwikkeling of verkoop van schadelijke producten
of kredietpraktijken, door deze producten of praktijken te verbieden of te beperken.
Dit kan alleen onder de in artikel 1:77q gestelde voorwaarden, namelijk dat ingrijpen
alleen mogelijk is indien, naar het redelijke oordeel van de AFM, de bestaande handhavingsmogelijkheden
niet toereikend zijn en het krediet of de marktpraktijk een significante reden vormt
tot bezorgdheid over de consumentenbescherming. Hiermee wordt de hoofdregel van de
productinterventiebevoegdheid opgenomen op wetsniveau. De uitwerking van deze nieuwe
productinterventiebevoegdheid vindt plaats in lagere regelgeving, zodat eventuele
wijzigingen eenvoudig kunnen plaatsvinden.
§ 5. Verhouding van de richtlijn tot het Unierecht en nationale recht
De richtlijn vormt, waar het gaat om de vereisten met betrekking tot informatieverstrekking
en bepaalde rechten van de consument, een aanvulling op de Richtlijn overeenkomsten
op afstand.20 In geval van strijdigheid tussen bepalingen van de richtlijn en de Richtlijn overeenkomsten
op afstand heeft de richtlijn als lex specialis voorrang.
De richtlijn bevat daarnaast bepalingen om de consument te beschermen tegen oneerlijke
of misleidende praktijken. Dit is ook onderwerp van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken,21 die als vangnet blijft fungeren naast de herziene richtlijn consumentenkrediet. Zo
wordt in dit wetsvoorstel een koppeling gemaakt tussen bovengenoemde richtlijnen door
wijzigingen door te voeren in de artikelen 7:59 en 7:60 BW, waarin wordt verwezen
naar de bepalingen in het BW inzake de oneerlijke handelspraktijken die strekken tot
implementatie van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.
Uit overweging 29 en 30 van de preambule van de richtlijn volgt dat deze in overeenstemming
is met de rechten op bescherming van persoonsgegevens en geen afbreuk doet aan de
AVG. Zo moet de beoordeling van de kredietwaardigheid op grond van artikel 18 van
de richtlijn in overeenstemming zijn met het beginsel van minimale gegevensverwerking
en mag deze op grond van artikel 18, derde lid, van de richtlijn, geen bijzondere
categorieën van persoonsgegevens omvatten.
De kredietwaardigheidsbeoordeling heeft meerdere doelen, waaronder de bescherming
van de consument tegen onverantwoorde leningspraktijken en een overmatige schuldenlast.
Daarnaast dient de kredietwaardigheidsbeoordeling ter inperking van het kredietrisico
voor de kredietgever. De bepalingen die volgen uit de Richtlijn kapitaalsvereisten22 blijven daarom onverminderd van toepassing.
Artikel 40 van de richtlijn regelt dat consumenten toegang hebben tot buitengerechtelijke
geschillenbeslechtingprocedures. Uit overweging 88 van de preambule van de richtlijn
volgt dat de consument niet alleen toegang moet hebben tot buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsprocedures
voor beslechting van geschillen die uit de rechten en verplichtingen in verband met
kredietovereenkomsten ontstaan, maar ook voor beslechting van precontractuele geschillen
over de bij deze richtlijn ingestelde rechten en verplichtingen, bijvoorbeeld in verband
met de vereisten op het gebied van precontractuele informatie, adviesdiensten en kredietwaardigheidsbeoordelingen
en in verband met de informatie die wordt verstrekt door kredietbemiddelaars die worden
vergoed door kredietgevers en dus geen rechtstreekse contractuele band hebben met
consumenten. De kwaliteitsvereisten voor de procedures en de instanties die deze procedures
aanbieden, volgen uit de Richtlijn ADR consumenten.23 In Nederland hebben consumenten met een geschil met een kredietgever of kredietbemiddelaar
toegang tot het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid).
Kredietovereenkomsten ten aanzien van hypothecair krediet vallen buiten het toepassingsbereik
van de richtlijn,24 omdat deze overeenkomsten onderwerp zijn van de Richtlijn hypothecair krediet.25 Die richtlijn is geïmplementeerd in Titel 2b, Afdeling 3, Boek 7 BW.
De richtlijn wordt geïmplementeerd in Titel 2a, Afdeling 1, Boek 7 BW. In Afdeling 2
van dezelfde Titel staan bepalingen die reeds bestonden op het moment van implementatie
van de CCDI. Deze nationale bepalingen zijn afkomstig uit de Wet op het consumentenkrediet
en blijven bestaan naast die in Afdeling 1.
Daarnaast kan er sprake zijn van een krediet dat zowel kwalificeert als consumentenkredietovereenkomst
in de zin van Titel 2a, van Boek 7 BW alsmede een goederenkrediet in de zin van Titel 2b,
Afdeling 1, van Boek 7 BW. In geval van strijd zijn op grond van artikel 7:85 BW de
bepalingen van Titel 2a van toepassing. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van
de reikwijdte van de richtlijn naar «koop nu, betaal later»-diensten, waarbij het
kan voorkomen dat zowel Titel 2a als Titel 2b van toepassing is, bijvoorbeeld wanneer
het gaat om «koop nu, betaal later»-diensten waarbij uitstel van betaling wordt gegeven
en de betaling in termijnen mag worden betaald, waarbij die termijn langer is dan
drie maanden.
Artikel 19 van de richtlijn regelt de toegang van kredietgevers tot databanken. Op
grond van artikel 4:32 Wft moet een kredietaanbieder deelnemen aan een stelsel van
kredietregistratie. Gelijktijdig met de implementatie van de richtlijn, wordt het
wetsvoorstel Wet stelsel kredietregistratie voorbereid.26 In dat wetsvoorstel en bijbehorende lagere regelgeving wordt een aantal zaken geregeld
dat verband houdt met de richtlijn, waaronder de voorwaarden voor toegang tot het
stelsel van kredietregistratie, de kosten voor toegang en raadpleging en de registratiegrens
voor opneming van een krediet in het stelsel van kredietregistratie.
Artikel 36 van de richtlijn bevat onder meer de verplichting gericht tot de lidstaten
om schuldadviesdiensten beschikbaar te stellen voor consumenten die financiële moeilijkheden
ondervinden. In dit wetsvoorstel wordt voor de definitie van schuldadviesdiensten
aangesloten bij de definitie van schuldbemiddelen als bedoeld in artikel 48 Wck. Dit
zijn onder meer gemeenten, kredietbanken, advocaten, bewindvoerders ingevolge de Faillissementswet,
bewindvoerders ingevolge Boek 1 BW en deurwaarders.
Voorschriften inhoudende een minimumleeftijd en leeftijdsverificatie
Voor kredietovereenkomsten in de vorm van uitstel van betaling, waaronder begrepen
«koop nu, betaal later»-krediet en krediet in de vorm van kaarten met uitgestelde
debitering, wordt in dit wetsvoorstel (met de artikelen 4:34b Wft en 7:75, vierde
lid, BW) geregeld dat dit krediet verboden wordt voor minderjarige consumenten, omdat
zo het doel van de richtlijn om een hoger niveau van consumentenbescherming te bereiken
kan worden bewerkstelligd. Tevens wordt bepaald dat overige overeenkomsten inzake
krediet, niet zijnde hypothecair krediet, overeenkomstig artikel 1:234 BW, wel door
een minderjarige mogen worden aangegaan, maar alleen wanneer sprake is van toestemming
van de wettelijke vertegenwoordiger. Deze toestemming mag niet worden verondersteld
en moet blijken uit een ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende handeling. De toestemming
kan dus niet stilzwijgend plaatsvinden. Dit betreft een aanvulling op en specificering
van artikel 1:234 BW. In de gevallen dat een consumentenkredietovereenkomst tevens
een geldleningsovereenkomst is, is artikel 1:345, eerste lid, onderdeel d, BW van
toepassing. Artikel 1:345 BW (over het bewind van de voogd) is van overeenkomstige
toepassing op het bewind van ouders (zie artikel 1:253k BW). Voogden en ouders hebben
voor het aangaan van een geldlening voor rekening van het kind (op naam van het kind
of op eigen naam) toestemming nodig van de kantonrechter. Voordat toestemming wordt
verleend door ouders op grond van artikel 1:234 BW aan het kind om zelf een overeenkomst
van geldlening aan te gaan, is de toestemming van de kantonrechter nodig.27
De artikelen 4:34b Wft en 7:75, vierde lid, BW, dienen ter bescherming van de minderjarige.
De AFM heeft in 2022 een verkenning uitgevoerd naar de opkomst van «koop nu, betaal
later»-diensten (ook wel «buy now, pay later»: BNPL) en de risico’s die daarmee gepaard
gaan. In 2025 heeft de AFM een marktupdate uitgebracht.28 Daarin is ook aandacht besteed aan de risico’s voor jongeren. De AFM constateerde
dat aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten van hun klanten eisen dat zij
meerderjarig zijn. Die controles schoten echter tekort, bijvoorbeeld omdat minderjarigen
die controles omzeilen. Jongeren zijn volgens de AFM extra kwetsbaar omdat zij geen
financiële buffer hebben. Uit recenter onderzoek van de AFM blijkt dat minderjarigen
op grote schaal gebruik maken van «koop nu, betaal later»-diensten.29 Uit een analyse blijkt dat in 2023 bijna 600.000 iDEAL-transacties, via rekeningen
op naam van een minderjarige, zijn verricht die te koppelen zijn aan BNPL-aanbieders.
Daarbij vond tot op heden geen of in elk geval geen grondige leeftijdsverificatie
plaats. De AFM riep in hetzelfde onderzoek zowel de sector als de wetgever op om het
gebruik van «koop nu, betaal later»-diensten door minderjarigen te stoppen. Deze wens
werd breed gedeeld door andere experts op het gebied van schuldenproblematiek en de
Tweede Kamer, waarna de Minister van Financiën, de Minister voor Armoedebeleid, Participatie
en Pensioenen en de Minister voor Rechtsbescherming hebben toegezegd verplichte leeftijdsverificatie
te onderzoeken.30 Ter uitvoering van de Buy Now, Pay Later (BNPL)-Gedragscode van 30 oktober 2023 spannen
aangesloten «koop-nu, betaal later»-partijen zich in om – voorafgaand aan het wettelijk
verbod op uitstel van betaling voor minderjarigen – volledige leeftijdsverificatie
uit te voeren.31
Het wettelijk verbod wordt opgenomen in dit wetsvoorstel, nu «koop nu, betaal later»-diensten
met dit wetsvoorstel worden gereguleerd en om een hoog niveau van consumentenbescherming
te bewerkstelligen. Het verbod beperkt zich echter niet tot «koop nu, betaal later»-krediet.
De artikelen 4:34b Wft en 7:75, vierde lid, BW, zullen zien op alle kredietovereenkomsten
in de vorm van uitstel van betaling. Daarbij moet onder andere ook gedacht worden
aan «regulier» uitstel van betaling van roerende zaken of diensten (zonder dat een
derde partij het «koop nu, betaal later»-krediet aanbiedt) en kaarten met uitgestelde
debitering (creditcards). Deze vormen van krediet kunnen vergelijkbare risico’s voor
consumenten opleveren. Dit krediet kan gebruikt worden om aankopen te doen van (luxe)goederen-
of diensten. Jongeren zijn gevoelig voor beïnvloeding en daaruit volgende impulsaankopen,
voor zowel kleine als grote bedragen. Daarbij overziet de jongere niet altijd of hij
of zij deze aankopen ook kan betalen. Het is noodzakelijk om schuldgewenning bij jongeren
tegen te gaan en het aangaan van deze vormen van krediet te verbieden voor minderjarigen.
Te meer omdat zij, bij gebrek aan financiële buffers, financieel kwetsbaar zijn.
Bovenstaande rechtvaardigt het leeftijdsonderscheid voor deze kredietovereenkomsten,
overeenkomstig artikel 1 van de Grondwet en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten
van de Europese Unie. Het leeftijdsonderscheid voldoet bovendien aan de eisen van
subsidiariteit en proportionaliteit, omdat bescherming niet effectief op een andere
wijze kan worden bereikt dan middels een wettelijk verbod. De huidige praktijk laat
dat zien. Op dit moment eisen aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten namelijk
van hun klanten dat ze meerderjarig zijn, maar de controles hierop worden omzeild
door minderjarigen (zoals hierboven beschreven). In de marktupdate van de AFM over
«koop nu, betaal later»-diensten staat dat zij in 2023, via rekeningen op naam van
een minderjarige, bijna 600.000 iDEAL transacties heeft geconstateerd die zijn te
linken aan BNPL-aanbieders. Het gaat om gebruikers in de leeftijd van 13 tot en met
17 jaar, die waarschijnlijk de leeftijdscontroles omzeilen.32 Dit is een aanzienlijk aantal transacties en geeft de noodzaak weer om maatregelen
te nemen.
Met een wettelijk verbod verdwijnt de vrijblijvendheid voor aanbieders van «koop nu,
betaal later»-diensten om al dan niet krediet te verlenen aan minderjarigen. Een wettelijk
verbod, inclusief de handhaving daarop, zorgt ervoor dat, indien de verlening van
krediet aan minderjarigen bewezen kan worden, sanctionering van deze aanbieders van
«koop nu, betaal later»-diensten tot de mogelijkheden behoort. De verwachting is dat
dit effectief zal zijn.
Bovendien is een wettelijk verbod ook proportioneel, omdat minderjarigen in het algemeen
kwetsbaar zijn. Zij hebben vaak nog geen financiële buffer en zijn veelal financieel
afhankelijk van hun ouders. De gevolgen van schulden op jonge leeftijd kunnen groot
zijn en zorgen voor een minder goed begin van het volwassen financiële leven. Het
is belangrijk om dit zo veel mogelijk te voorkomen. Dit maakt dat een verbod op «koop
nu, betaal later»-diensten voor alle minderjarigen gerechtvaardigd is, ongeacht het feit dat de individuele situatie van
elke minderjarige verschilt en er ook minderjarigen zijn die al op jonge leeftijd
goed omgaan met «koop nu, betaal later»-diensten. Er is geen minder vergaand alternatief
voor een wettelijk verbod dat effectief is. Een kredietwaardigheidsbeoordeling van
minderjarigen zou een minder vergaande maatregel zijn, maar dit voorkomt niet dat
een minderjarige na een positieve kredietwaardigheidsbeoordeling toch schulden maakt
door «koop nu, betaal later»-diensten. Met een wettelijk verbod is dit uitgesloten.
Bovendien vallen op dit moment slechts vier aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten
onder de huidige gedragscode en bijvoorbeeld niet de aanbieders van kaarten met uitgestelde
debitering (momenteel vijf) en platforms die uitgetelde betaling aanbieden. Een wettelijk
verbod dient daarmee niet alleen een gelijke bescherming van jongeren, maar ook een
gelijk speelveld tussen aanbieders van uitgestelde betaling en kaarten met uitgestelde
debitering.
Hoewel dit wel nodig is voor krediet in de vorm van uitstel van betaling, is het niet
nodig om een totaalverbod voor elke vorm van krediet voor minderjarigen in te voeren. Er zijn immers redenen denkbaar
op grond waarvan het voor (ondernemende) minderjarigen nuttig en bovendien leerzaam
kan zijn om een regulier krediet af te sluiten. De noodzaak en aanleiding voor een
verbod om regulier krediet aan minderjarigen aan te bieden ontbreken dan ook op dit
moment. Jongeren blijven hierbij beschermd, want voor het aangaan van deze kredietovereenkomsten
zal altijd toestemming nodig zijn van de wettelijke vertegenwoordiger van de jongere
en die toestemming zal een ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende handeling vereisen.
Die eisen worden mede voorgeschreven vanuit handhavingsoogpunt. De AFM moet achteraf
immers kunnen nagaan of toestemming aanwezig was, ook bij deze andere kredietvormen.
Daarnaast blijft voor kredietovereenkomsten van geldlening artikel 1:345 eerste lid,
onderdeel d, BW, onverminderd van toepassing en kan een wettelijke vertegenwoordiger
geen toestemming verlenen zonder een machtiging van de kantonrechter.
Er wordt gekozen voor zowel een privaat- als publiekrechtelijke norm. Allereerst is
het gezien de eerder geschetste problematiek van belang dat de AFM kan handhaven op
het niet-naleven van het verbod en de verplichting tot leeftijdsverificatie. Het verbod
en de verplichting tot leeftijdsverificatie wordt daarom opgenomen in de Wft en richt
zich tot de aanbieder. Aan het BW wordt een spiegelbepaling toegevoegd, om de voorwaarden
voor het inroepen van de civielrechtelijke rechten van de minderjarige consument gelijk
te trekken met de regels uit de Wft. De wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige
kan de kredietovereenkomst vernietigen, indien niet is voldaan aan de voorwaarden
van artikel 7:75, vierde lid, BW. Dit houdt in dat als een kredietgever toch een kredietovereenkomst
met een minderjarige heeft gesloten, deze overeenkomst vernietigbaar is. Het nieuwe
vierde lid van artikel 7:75 BW is een bepaling die uitsluitend strekt ter bescherming
van één der partijen (de consument) bij een meerzijdige rechtshandeling (het sluiten
van de kredietovereenkomst). Dat sprake is van bescherming van de consument blijkt
uit artikel 7:83 BW. Dit artikel bepaalt dat in afdeling 2 van Titel 2a – waaronder
artikel 7:75 BW valt – niet ten nadele van de consument kan worden afgeweken. Afwijking
ten nadele van de consument leidt tot vernietigbaarheid waarop de consument een beroep
moet doen. In het geval van een rechtshandeling tot het aangaan van een consumentenkrediet
dat niet voorziet in uitstel van betaling en waarbij de toestemming van de wettelijke
vertegenwoordigers is gegeven, maar de kantonrechter geen toestemming heeft gegeven
conform 1:345 eerste lid, onderdeel d, BW, regelt artikel 1:347 BW de vernietigbaarheid
van die rechtshandeling. Als het gaat om een rechtshandeling tot het aangaan van een
consumentenkrediet dat voorziet in uitstel van betaling of een rechtshandeling tot
het aangaan van een consumentenkrediet dat niet voorziet in uitstel van betaling,
maar waarbij de toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger ontbreekt, regelt
artikel 3:40, tweede lid, BW, de vernietigbaarheid.
§ 6. Juridische en overige niet-financiële gevolgen
Uitbreiding toepassingsbereik kredietaanbieders
Als gevolg van de richtlijn komen bepaalde groepen aanbieders van krediet nieuw onder
het toepassingsbereik van de Wft te vallen (hierna aangeduid als: «nieuwe aanbieders»).
Dat zijn aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten, kaarten met uitgestelde
debitering, huur- of leasingsovereenkomsten met een optie tot koop van het object
en een geoorloofde debetstand die binnen een maand moet worden afgelost. Hieronder
wordt een inschatting gegeven van de omvang van de groepen nieuwe aanbieders.
«Koop nu, betaal later»-diensten
Er zijn momenteel zeven aanbieders die – als derde – «koop nu, betaal later»-diensten
leveren aan leveranciers van roerende zaken of diensten (veelal winkels). Daarnaast
zijn er enkele online platforms die zélf «koop nu, betaal later»-diensten aanbieden.
Dit bieden zij zowel aan voor eigen producten als voor producten die andere, aangesloten
partijen via het platform verkopen. In beide gevallen kwalificeert uitstel van betaling
als krediet. Er zijn op dit moment drie platforms geïdentificeerd die «koop nu, betaal
later»-diensten aanbieden voor derde partijen die via het platform producten of diensten
verkopen. Samen komt dit dus uit op tien aanbieders van krediet in deze subcategorie.
Kaarten met uitgestelde debitering
Er zijn op dit moment vijf actieve aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering.
De kans bestaat dat dit aantal zal toenemen. Voorheen waren er vier actieve aanbieders
van kaarten met uitgestelde debitering, maar onlangs is ook een aanbieder van «koop
nu, betaal later»-diensten (eveneens) krediet gaan aanbieden in de vorm van kaarten
met uitgestelde debitering.
Huur- of leasingsovereenkomsten met een optie tot koop
Aangezien huur- of verhuurovereenkomsten met een optie tot koop niet langer van het
toepassingsgebied zijn uitgezonderd, is de verwachting dat een aantal aanbieders hiervan
vergunningplichtig wordt. Hoeveel precies is onduidelijk en afhankelijk van de omstandigheden,
zoals de karakteristieken van de overeenkomst waarvan aanbieders gebruikmaken. Naar
schatting gaat het om ongeveer vijftig aanbieders (variërend van aanbieders van autolease
tot aanbieders van witgoed), waarbij wordt opgemerkt dat een groot deel van deze partijen
mogelijk het aanbod aanpast om buiten het toepassingsbereik van de richtlijn en de
Wft te blijven.
In totaal gaat dit voorstel uit van (7+3+4+50=) 64 nieuwe aanbieders.
Uitbreiding toepassingsbereik kredietbemiddelaars
Leveranciers van roerende zaken of diensten, zoals winkels, die gebruikmaken van «koop
nu, betaal later»-diensten van een derde, treden op als bemiddelaar in krediet en
vallen daarmee nieuw onder het toepassingsbereik. Voor dit voorstel is een inschatting
gemaakt dat het gaat om 80 partijen.
Aangezien huurovereenkomsten met een optie tot koop of intentie tot koop eveneens
niet langer van het toepassingsgebied zijn uitgezonderd, zullen mogelijk ook nieuwe
partijen optreden als bemiddelaar in krediet. Net als geldt voor het aantal nieuwe
aanbieders, is niet duidelijk om hoeveel nieuwe partijen dit gaat. Mogelijk gaat het
om 50 tot 80 nieuwe partijen.
In paragraaf 7 hieronder over financiële gevolgen wordt ingegaan op de eenmalige en
structurele toezichtskosten en de eenmalige en structurele nalevingskosten voor zowel
nieuwe aanbieders als «bestaande aanbieders» die – anders dan nieuwe aanbieders –
reeds onder het toepassingsbereik van de CCDI vielen.
Consumentenbescherming en toegang tot krediet
Nu er meer (veelal kortlopende) vormen van krediet onder het toepassingsgebied van
de Wft zullen komen te vallen, zal de consumentenbescherming bij het aangaan van en
gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst toenemen. Ook deze aanbieders worden
verplicht om onder andere een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren en de consument
van duidelijke (pre)contractuele informatie te voorzien. Nieuwe maar ook bestaande
aanbieders van krediet (die al onder de Wft vielen) worden daarnaast verplicht een
mate van respijt aan te houden alvorens een tenuitvoerleggingsprocedure te beginnen
en om processen en beleid te hanteren voor vroegtijdige opsporing van consumenten
die in financiële moeilijkheden verkeren. Dat zijn positieve gevolgen voor de consument.
Tegelijkertijd zal extra regulering, waaronder toezichtskosten en nalevingskosten,
ervoor zorgen dat het aanbod van voornoemd krediet duurder wordt en valt het niet
uit te sluiten dat het aanbod afneemt. Zodoende kan toegenomen consumentenbescherming
ten koste gaan van de prijs en eventueel het aanbod. Dit terwijl eenvoudig verkrijgbare,
kortlopende kredietvormen huishoudens ook kunnen helpen hun budget beter aan te passen
aan een maandinkomen en bijvoorbeeld timingsverschillen kunnen gladstrijken tussen
inkomsten en uitgaven.33 Voor huishoudens met een smalle beurs voor wie dergelijk krediet een welkome aanvulling
op mogelijkheden tot budgetbeheer vormt, kan dit betekenen dat zij in mindere mate
toegang zullen hebben tot krediet. Het wetsvoorstel probeert in de afweging van deze
belangen een balans te vinden.
Zicht op (betalingsproblemen bij) opkomende, voorheen ongereguleerde kredietvormen
Aanbieders die onder het toepassingsbereik van de richtlijn zijn komen te vallen,
worden verplicht aan te sluiten bij een stelsel van kredietregistratie. Dit houdt
in dat zij zowel kredieten dienen te registreren bij BKR, als BKR moeten raadplegen
voorafgaand aan het verstrekken van krediet. Op individueel niveau vermindert dit
het risico op overkreditering. Daarnaast wordt met de nieuw te verkrijgen BKR-gegevens
op macroniveau voorkomen dat potentieel ernstige schuldenproblematiek zich aan het
oog van de AFM en de maatschappij onttrekt en dat kredietnemers te veel niet-passende
schulden aangaan.34Door de aansluiting van nieuwe aanbieders bij BKR, verkrijgt de AFM het nodige inzicht
hierin, wat haar beter in staat stelt haar toezichthoudende en signalerende functie
te vervullen. De andere kant van de medaille is dat op individueel niveau, een BKR-registratie
tijdelijk gevolgen kan hebben voor de toegang van een consument tot nieuw krediet.
De voorwaarden voor registratie in BKR worden geregeld in het Wetsvoorstel stelsel
kredietregistratie, zoals toegelicht in paragraaf 5.
Doenvermogen
Bij beleidsvorming moet rekening worden gehouden met het doenvermogen van burgers,
zzp’ers en het (kleine) mkb,35 indien het beleid op hen gericht is. De bedoeling en verwachting is dat de positie
van de consumenten zal verbeteren als gevolg van dit wetsvoorstel. Wel is het zo dat
consumenten vaker, bijvoorbeeld bij «koop nu, betaal later»-krediet en kaarten met
uitgestelde debitering, een kredietwaardigheidsbeoordeling moeten ondergaan. Hiervoor
moeten zij – in het eigen belang van de consument – (extra) inspanningen verrichten
zoals het aanleveren van financiële en overige persoonsgegevens. Dit gaat om dezelfde
(inspanningen voor een) kredietwaardigheidsbeoordeling als bij andere, reeds gereguleerde
vormen van krediet. Er zijn geen aanwijzingen dat consumenten bij deze kredietwaardigheidsbeoordelingen
de gevraagde handelingen onvoldoende begrijpen en/of deze niet kunnen uitvoeren.
Verder zullen consumenten bij een kredietaanvraag precontractuele informatie ontvangen
en waar nodig moeten beoordelen. Zoals hierboven in paragraaf 2 beschreven, wijzigt
de richtlijn de voorgeschreven precontractuele informatie (het ESIC-formulier) en
houdt deze meer rekening met gedragsinzichten en het doenvermogen van consumenten.
Dit wetsvoorstel betreft hierin een positieve ontwikkeling voor het doenvermogen van
consumenten.
Ook worden extra voorwaarden gesteld aan de instemming van een consument voor het
aangaan van een kredietovereenkomst of nevendienst, indien er gebruikt wordt gemaakt
van standaardopties. Consumenten kunnen in geval van standaardopties slechts instemmen
door middel van een ondubbelzinnige en duidelijke bevestigende handeling die een vrije,
specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige aanwijzing vormt van de goedkeuring door
de consument van de inhoud van de standaardopties en de betekenis daarvan. Dit is
eveneens ter bescherming van de positie van consumenten en het is niet de verwachting
dat dit het doenvermogen van de consumenten wezenlijk zal beïnvloeden.
Voor het kleine mkb is het ook niet de verwachting dat dit wetsvoorstel hun doenvermogen
noemenswaardig zal beïnvloeden. Indien mkb-ondernemingen bemiddelen in «koop nu, betaal
later»-krediet zijn deze volledig uitgezonderd van de AFM-vergunningplicht. Als mkb-ondernemingen
zelf uitstel van betaling willen verlenen van meer dan vijftig dagen, worden zij in
beginsel vergunningplichtig. Zoals hieronder in paragraaf 7 echter geschreven onder
het kopje «toepassingsbereik», is het de zeer sterke verwachting dat mkb-ondernemingen
geen uitstel van betaling van meer dan 50 dagen zullen verlenen om zodoende niet vergunningplichtig
te worden. Dit heeft dan ook geen impact op het doenvermogen van het kleine mkb. Voor
het overige heeft dit wetsvoorstel geen gevolgen voor het kleine mkb.
Waarborgen omtrent verwerking van persoonsgegevens
Dit wetsvoorstel stelt extra kaders waaraan de kredietwaardigheidsbeoordeling door
kredietgevers van (potentiële) klanten moet voldoen. Bij de kredietwaardigheidsbeoordeling
mag geen informatie van digitale sociale netwerken worden gebruikt. Daarnaast mogen
geen bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden gebruikt in de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Gezien de aard van dit wetsvoorstel is een Data Protection Impact Assessment (DPIA)
uitgevoerd. Met behulp hiervan zijn op gestructureerde wijze de gevolgen en risico’s
voor gegevensbescherming in kaart gebracht. Hierbij is onder meer aandacht besteed
aan de beginselen van gegevensminimalisering en de maatregelen en waarborgen om de
risico’s ten aanzien van de gegevensverwerking zoveel mogelijk te beperken.
Financiële educatie
In aanvulling op dit wetsvoorstel continueert de regering de maatregelen die zij heeft
genomen ter ondersteuning van de educatie van consumenten met betrekking tot het verantwoordelijk
lenen van geld en beheren van schulden. Dit doet zij onder meer via het platform Wijzer
in geldzaken en de publieke campagnes of de lespakketten die in dat kader worden verstrekt.
§ 7. Bedrijfseffecten en financiële gevolgen
Dit wetsvoorstel zal gevolgen hebben voor zowel «nieuwe aanbieders» (kredietaanbieders
die nieuw onder het toepassingsgebied van de Wft en het BW komen te vallen, zie paragraaf 6
hierboven) als «bestaande aanbieders» die reeds hieronder vielen (maar voor wie er
nieuwe of gewijzigde regels gaan gelden). Voor nieuwe aanbieders zal gelden dat zij
onder meer een vergunning moeten aanvragen voor het aanbieden van krediet en aan bepaalde
gedragsregels uit de Wft moeten voldoen, zoals de verplichting een kredietwaardigheidsbeoordeling
bij (potentiële) klanten uit te voeren. Deze extra werkzaamheden brengen kosten met
zich mee (hieronder in deze paragraaf uiteengezet) die mogelijk niet zonder aanpassing
van het bedrijfsmodel kunnen worden opgevangen. Voor aanbieders van «koop nu, betaal
later»-krediet lijkt het aannemelijk dat de huidige, stevige concurrentie tussen partijen
hierdoor verder zal toenemen. Voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering
zal gelden dat aanbieders in ieder geval op grond van de nieuwe regels ten aanzien
van (precontractuele) kosteninformatie de kosten voor het kredietproduct moeten splitsen
van de kosten van overige voordelen.
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft geadviseerd over de openbaar geconsulteerde
versie van het wetsvoorstel, deze memorie van toelichting en de regeldrukgevolgen
die daaruit voortkomen. In zijn advies heeft het ATR dertien adviespunten aangedragen
om de richtlijn dan wel zo lastenluw mogelijk te implementeren, dan wel meer inhoudelijk
te motiveren waarom – met het oog op lastenluwe implementatie – bepaalde beleidskeuzes
zijn gemaakt. In paragraaf 11 hieronder is uiteengezet hoe deze adviespunten in het
wetsvoorstel en deze memorie zijn verwerkt. In het vervolg van deze paragraaf wordt
ingegaan op de belangrijkste bedrijfseffecten van dit wetsvoorstel: de financiële
gevolgen.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen toezichtskosten enerzijds en nalevingskosten anderzijds.
De eerste categorie kosten houdt verband met de vergunning van de financiële dienstverlener
en de kosten als gevolg van AFM-toezicht. De kosten voor het toezicht van de AFM worden
doorberekend aan de instellingen onder toezicht en volgen uit de Regeling bekostiging
financieel toezicht. Nalevingskosten zijn de kosten die een financiële dienstverlener
naar verwachting moet maken om te voldoen aan de verplichtingen uit de richtlijn.
Beide typen kosten kunnen zowel incidenteel als structureel van aard zijn. Bij de
bepaling van de kosten wordt gekeken naar de verandering die optreedt ten opzichte
van de reeds bestaande situatie. Voor sommige groepen financiële dienstverleners is
de lastendruk hoger dan voor andere groepen financiële dienstverleners. Deze paragraaf
staat allereerst stil bij het toepassingsbereik van de richtlijn, waarbij een onderscheid
wordt gemaakt tussen nieuwe en bestaande aanbieders. Hierna wordt een inschatting
gegeven van zowel de eenmalige als structurele toezichts- en nalevingskosten per onderwerp
van de richtlijn per doelgroep. De eenmalige toezichtskosten en eenmalige en structurele
nalevingskosten worden voor het overzicht hieronder ook in tabellen weergegeven.
Toepassingsbereik
Bestaande aanbieders
Voor een groot deel van aanbieders van krediet geldt dat zij reeds onder het bereik
van de Wft en Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW vielen als gevolg van de CCDI (de
«bestaande aanbieders»). Deze partijen hebben reeds een AFM-vergunning in het kader
waarvan zij al toezichtskosten moeten betalen. Alleen de nalevingskosten zullen op
enkele punten stijgen, zoals hierna toegelicht. Voor aanbieders van krediet in de
vorm van een geoorloofde debetstand geldt dat zij gedeeltelijk al onder de Wft vielen.
Waar sprake was van aflossing binnen een maand, was de Wft helemaal niet van toepassing.
Waar sprake was van aflossing binnen drie maanden, was een gedeelte van de Wft van
toepassing. De eerste groep zal voor het eerst onder toezicht komen te vallen en wordt
meegerekend in de groep «nieuwe aanbieders». De tweede groep valt reeds onder toezicht,
maar op hen worden extra verplichtingen van toepassing als gevolg van het vervallen
van het maatwerkregime. Voor aanbieders van krediet in de vorm van een overschrijding
geldt dat zij reeds onder de CCDI vielen, maar dat op grond van de richtlijn enkele
nieuwe verplichtingen op hen van toepassing worden. De nalevingskosten voor deze partijen
zijn daarmee vergelijkbaar met de nalevingskosten voor bestaande partijen en worden
hierna samen aangeduid als bestaande aanbieders. Er wordt uitgegaan van 34 bestaande
aanbieders.
Nieuwe aanbieders
Hierboven in paragraaf 6 is beschreven dat bepaalde groepen aanbieders van krediet
voor de eerste keer onder het toepassingsbereik zullen komen te vallen (nieuwe aanbieders).
Dit gaat om ongeveer 64 aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten, kaarten met
uitgestelde debitering, huur- of leasingsovereenkomsten met een optie tot koop van
het object en een geoorloofde debetstand die binnen een maand moet worden afgelost.
Opgemerkt zij dat bij de nieuwe aanbieders niet worden meegerekend de micro, kleine-
en middelgrote aanbieders van krediet36 die als nevenactiviteit krediet aanbieden in de vorm van uitstel van betaling van
meer dan 50 dagen waardoor dit onder de Wft zou vallen en zij vergunningplichtig zouden
worden. Hoewel het theoretisch mogelijk is dat deze mkb-ondernemingen een AFM-vergunning
zouden aanvragen voor het aanbieden van krediet, is het de zeer sterke verwachting
dat dit voor bijna geen enkele onderneming wenselijk zou zijn, voornamelijk vanwege
de daarmee gemoeide kosten, zoals hieronder uiteengezet. Indien mkb-ondernemingen
zélf uitstel van betaling bieden (dus zonder tussenkomst van een derde), zullen zij
dit naar verwachting dus doen voor een looptijd van minder dan 50 dagen om zo niet
als kredietaanbieder te kwalificeren. Dit wetsvoorstel leidt dus niet tot toezichtskosten
voor deze groep. De enige nalevingskosten voor deze groep mkb-ondernemingen die overweegt
voor lange tijd uitstel van betaling te verlenen, bestaan uit de kosten van kennisname
van de toepasselijke wetgeving. Een hoogopgeleide werknemer is hier naar schatting
één uur aan kwijt. De eenmalige nalevingskosten voor deze beperkte groep mkb-ondernemingen
bedragen naar schatting dus (1*54=) € 54.
Eenmalige toezichtskosten AFM
De eenmalige regeldrukkosten voor een nieuwe aanbieder bestaan uit aan de AFM verschuldigde
heffingen voor de behandeling van zijn vergunningaanvraag. Bij de behandeling van
de vergunningaanvraag beoordeelt de AFM onder meer of de (voorgenomen) dienstverlening
en bedrijfsvoering van de aanvrager voldoen aan de daarvoor geldende wettelijke voorschriften.
Daarbij dient de AFM te beoordelen of de aanvrager beschikt over robuuste governanceregelingen
en adequate interne controlemechanismen. Voor de behandeling van die vergunningaanvraag
zal een bedrag van € 14.600 verschuldigd zijn. Met de in het kader van de behandeling
van de vergunningaanvraag te beoordelen betrouwbaarheid van de dagelijks beleidsbepalers,
medebeleidsbepalers en leden van het toezichthoudend orgaan is een bedrag van € 700
per persoon gemoeid. Voor het in het kader van de behandeling van de vergunningaanvraag
toetsen van de geschiktheid van de dagelijks beleidsbepalers en leden van het toezichthoudend
orgaan van de kredietaanbieder zal een heffing van € 2.900 per persoon verschuldigd
zijn. Voor de behandeling van de vergunningaanvraag en de uitvoering van de betrouwbaarheids-
en geschiktheidstoetsen is derhalve tenminste € 21.800 (€ 14.600 + 2*€ 700 + 2*€ 2.900)
verschuldigd. Ten behoeve van de beoordeling van de vergunningaanvraag en het doorvoeren
van de betrouwbaarheids- en geschiktheidstoetsingen zal een kredietaanbieder kosten
moeten maken voor het opstellen, verzamelen en verzenden van de daartoe benodigde
gegevens en bescheiden. Naar schatting zal een hoogopgeleide medewerker van een kredietaanbieder
hier 40 uur aan kwijt zijn. De eenmalige regeldruklasten daarvoor bedragen naar schatting
€ 2.160 (40*€ 54). In totaal komen de (minimale) eenmalige regeldrukkosten voor een
kredietaanbieder daarmee op € 23.960 (€ 21.800 + € 2.160).
Eenmalige toezichtskosten nieuwe aanbieders (excl. «koop nu, betaal later»-aanbieders)
Vergunningaanvraag
€ 14.600
Betrouwbaarheidstoets (2x)
€ 1.400
Geschiktheidstoets (2x)
€ 5.800
Voorbereidende werkzaamheden
€ 2.160
Totaal
€ 23.960
Voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering geldt dat zij op grond van
artikel 2:61 Wft mogelijk gebruik kunnen maken van een uitzondering op de vergunningplicht
van artikel 2:60 Wft, bijvoorbeeld omdat zij een bank zijn. Voor hen gelden dan geen
eenmalige toezichtskosten.
Voor aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten gaat gelden dat zij op grond
van artikel 2:81, vierde lid, Wft, verantwoordelijk zijn voor de registratie van registratieplichtige
partijen die voor hen bemiddelen.37 De aanbieder, waar het toezicht zich voornamelijk op zal richten, draagt de kosten
van de aanmelding. Naar schatting zal een hoogopgeleide medewerker van een kredietaanbieder
hier drie uur aan kwijt zijn ad € 54 per aanmelding. De kosten die de AFM in rekening
brengt voor het in behandeling nemen van de registratie zullen naar verwachting € 300
bedragen. In totaal komen de eenmalige regeldrukkosten per registratie van een registratieplichtige
bemiddelaar in «koop nu, betaal later»-krediet daarmee op € 462 (3*€ 54 + € 300).
Bij een geschat gemiddelde van 30 registraties (afhankelijk van het marktaandeel van
de aanbieder van «koop nu, betaal later»-diensten, in totaal gaat het om 80 bemiddelaars)
gaat dit om een bedrag van (30*€ 462)= € 13.860. Voor grote bemiddelaars in «koop
nu, betaal later»-krediet zullen geen eenmalige toezichtskosten van toepassing zijn
en zullen de regeldrukkosten ter voorbereiding van de registratie waarschijnlijk beperkt
zijn.
Eenmalige toezichtskosten nieuwe «koop nu, betaal later»-aanbieders
Vergunningaanvraag
€ 14.600
Betrouwbaarheidstoets (2x)
€ 1.400
Geschiktheidstoets (2x)
€ 5.800
Voorbereidende werkzaamheden
€ 2.160
Registreren «koop nu, betaal later»-kredietbemiddelaars (30x)
€ 13.860
Totaal
€ 37.820
Tot slot gaat voor het grootbedrijf dat optreedt als bemiddelaar in «koop nu, betaal
later»-krediet het normale regime van een vergunningplicht op grond van artikel 2:80
Wft gelden indien zij bemiddelen in krediet met een looptijd langer drie maanden.
Zij kunnen dan immers niet gebruikmaken van het lichtere regime van de registratieplicht
zoals hierboven beschreven, dat alleen geldt voor kortlopende kredieten. Hierdoor
zouden zij eveneens eenmalige toezichtskosten verschuldigd zijn. Aangezien grote bemiddelaars
niet onder een vergunningplicht zullen willen komen te vallen, zullen zij naar verwachting
ervoor zorgen dat de kredieten die worden aangeboden de genoemde termijn van drie
maanden niet overschrijden. De eenmalige toezichtskosten volgend uit de vergunningplicht
worden dus geschat op nihil. Het zou kunnen dat het bedrijfsmodel van «koop nu, betaal
later»-aanbieders en het grootbedrijf dat met hen samenwerkt in de toekomst grondig
wordt herzien, en dat krediet wordt aangeboden met een (veel) langere looptijd. Hierdoor
zouden deze kosten wel verschuldigd worden. Dit scenario lijkt momenteel echter niet
reëel.
Doorlopende toezichtskosten AFM
Voor nieuwe en bestaande kredietaanbieders geldt dat zij naast de eenmalige kosten
voor het aanvragen van de vergunning bij de AFM tevens doorlopende toezichtskosten
betalen. De kosten bestaan uit een basisbedrag van € 2.568 per jaar (gebaseerd op
kalenderjaar 2024) + € 7,77 per klant. Vanaf 5000 klanten geldt een staffel met fors
lagere variabele kosten. De doorlopende toezichtskosten voor een kredietaanbieder
komen daarmee minimaal op € 2.568.
Eenmalige en structurele nalevingskosten, niet zijnde toezichtskosten
De verplichtingen uit de richtlijn waar naar verwachting nalevingskosten uit voortvloeien
zien op de precontractuele-informatieverplichtingen, kredietwaardigheidsbeoordeling,
toegang tot een databank (BKR), inhoud van de kredietovereenkomst, vroegsignalering
en doorverwijzing van de consument bij financiële problemen, gedragsregels, vakbekwaamheidseisen
en ten slotte de interne klachtprocedure en aansluiting bij een geschilleninstantie.
Precontractuele informatie en de inhoud van de overeenkomst (artikelen 9, 10, 12,
13, 20, 21, 24 en 25 en 38 van de richtlijn
Voor nieuwe aanbieders worden de precontractuele-informatieverplichtingen op grond
van de richtlijn geheel nieuw. Naleving hiervan vergt een eenmalige investering om
de bedrijfssystemen – waaronder automatiseringssystemen – zodanig aan te passen dat
de voorgeschreven (standaard)informatie bij elke kredietverlening eenvoudig kan worden
verstrekt. De eenmalige aanpassingskosten kunnen per onderneming aanzienlijk verschillen,
omdat deze onder meer afhankelijk zijn van de grootte van de onderneming en de gebruikte
systemen. Ook zijn deze afhankelijk van het type kredietovereenkomst dat doorgaans
wordt verstrekt. Dit omdat voor bepaalde kredieten een minder zwaar, proportioneel
informatieverstrekkingsregime geldt, als gevolg van de gebruikmaking van de lidstaatoptie
uit artikel 2, achtste lid, van de richtlijn. Al met al worden de kosten geschat op
€ 50.000 tot € 100.000.
In het implementatiewetsvoorstel van de CCDI werden de kosten voor aanpassing van
de systemen om te kunnen voldoen aan precontractuele-informatieverplichtingen gezamenlijk
geschat op € 30.000.38 Deze schatting wordt ook in dit voorstel aangehouden, maar gecorrigeerd conform de
inflatiecorrectie zoals toegepast in de richtlijn.39 Aldus worden deze eenmalige kosten geschat op € 40.000. De systemen dienen bovendien
periodiek bijgehouden gehouden te worden. De kosten hiervoor worden geschat op € 3.000
tot € 15.000 per jaar.
Voor bestaande aanbieders geldt dat de bepalingen inzake precontractuele informatie
en de vereisten aan de inhoud van de kredietovereenkomst in dit wetsvoorstel worden
aangevuld ten opzichte van de CCDI. De aanpassingen houden in dat kredietaanbieders
en kredietbemiddelaars een adequate toelichting dienen te verstrekken bij voorgestelde
kredietovereenkomsten en eventuele nevendiensten. Daarnaast komt er een extra informatieplicht
voor kredietaanbieders wanneer zij gebruikmaken van geautomatiseerde verwerking van
persoonsgegevens om een gepersonaliseerd aanbod aan te kunnen doen en stelt de richtlijn
eisen ten aanzien van het standaard ESIC-formulier. Om aan deze verplichtingen te
voldoen, zullen aanbieders eenmalig aanpassingen moeten doorvoeren in de precontractuele-informatiedocumenten.
Dit kost een hoogopgeleide medewerker (uurloon € 54) naar schatting twintig uur, waardoor
de kostenraming hiervoor uitkomt op (20*54=) € 1.080 per type kredietproduct.
Voor kredietbemiddelaars zullen – tot slot – de eenmalige en structurele nalevingskosten
beperkt zijn in vergelijking met de kosten voor aanbieders. In de meeste gevallen
zullen namelijk de aanbieders (en niet de bemiddelaars) de consument voorzien van
de verplichte (pre)contractuele informatie, behoudens wellicht de informatie genoemd
in artikel 38 van de richtlijn. Kredietbemiddelaars zullen naar verwachting voornamelijk
kosten maken tijdens de afstemming met de aanbieder om ervoor te zorgen dat juist
en volledig aan alle precontractuele-informatieverplichtingen wordt voldaan. De eenmalige
nalevingskosten voor nieuwe kredietbemiddelaars worden geschat op € 5.000 tot € 10.000
en de structurele nalevingskosten op € 500 tot € 5.000 per jaar per bemiddelaar.
Kredietwaardigheidsbeoordeling (artikel 18 en 19 van de richtlijn)
De kredietwaardigheidsbeoordeling zal voor nieuwe aanbieders eenmalige en structurele
nalevingskosten opleveren die zij op dit moment nog niet dragen. Zij moeten hiervoor
processen inrichten en beleid opstellen, waarvoor de eenmalige nalevingskosten worden
geschat op € 25.000 tot € 250.000. De structurele nalevingskosten, bestaande uit het
onderhoud van de relevante ICT-systemen en het in stand houden van het beleid en de
processen ten aanzien van de kredietwaardigheidsbeoordeling, bedragen naar schatting
tussen € 15.000 en € 100.000 op jaarbasis.
Indien een kredietwaardigheidsbeoordeling niet geautomatiseerd kan worden uitgevoerd,
zal dit handmatig moeten gebeuren. Voor welk percentage van de beoordelingen dit geldt,
hangt voornamelijk af van de kredietsoort die de aanbieder doorgaans verstrekt en
het bedrijfsmodel van de aanbieder. Naar verwachting zullen bijvoorbeeld grote aanbieders
(zoals van bijvoorbeeld «koop nu, betaal later»-diensten) zeer weinig kredietwaardigheidsbeoordelingen
handmatig uitvoeren, terwijl andere aanbieders, bijvoorbeeld van (luxere) kaarten
met uitgestelde debitering dat vaker ook handmatig zullen doen. Alles afwegende gaat
dit voorstel uit van 2.500 tot 15.000 handmatige beoordelingen per aanbieder. Verwacht
wordt dat een administratief medewerker (uurloon € 39) per beoordeling gemiddeld een
halfuur bezig is, waardoor de additionele, geschatte, structurele nalevingskosten
voor nieuwe aanbieders op dit punt uitkomen op jaarlijks (0,5*2.500*39=) € 48.750
tot (0.5*15.000*39=) € 292.500.
De kredietwaardigheidsbeoordeling moet op grond van artikel 18 van de richtlijn daarnaast
ook aan aanvullende eisen voldoen die op grond van de CCDI nog niet golden. De hiermee
gemoeide kosten zijn nieuw voor zowel nieuwe als voor bestaande aanbieders. Voornamelijk
relevant is dat de van de consument te ontvangen informatie geen bijzondere categorieën
van persoonsgegevens in de zin van de AVG mag bevatten. Dat is lastig, want het valt
niet uit te sluiten dat de door de consument aan te leveren informatie dergelijke
persoonsgegevens bevat. Om dat te ondervangen, is het de aanbieder toegestaan bijzondere
categorieën van persoonsgegevens te verwerken als dat – kort gezegd – noodzakelijk
is om tot de kredietwaardigheidsbeoordeling te komen en indien de verwerking van de
bijzondere categorieën van persoonsgegevens is afgescheiden van het beoordelingsproces.
Bijzondere categorieën van persoonsgegevens mogen dus verwerkt worden om ze te kunnen
lakken, voordat een aanbieder bijvoorbeeld overzichten van betalingen waar deze persoonsgegevens
op voorkomen voor de kredietwaardigheidsbeoordeling gebruikt. Afscheiding betekent
het nemen van technische of organisatorische maatrelen die ervoor zorgen dat bijvoorbeeld
de reden van een betaling, zoals een betaling aan een religieuze instelling, niet
wordt meegenomen bij de hiervoor bedoelde beoordeling. Deze afscheiding kan bijvoorbeeld
worden vormgegeven door de inrichting van een aparte afdeling bij de aanbieder zelf
(met zogeheten Chinese walls) waar eventuele bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden afgeschermd, ofwel
door daarvoor een derde partij in te huren. Mogelijk zal het afschermen deels geautomatiseerd
kunnen worden uitgevoerd, wat voornamelijk voor grote aanbieders financieel aantrekkelijk
zal zijn. De structurele kosten voor het onderhouden van een dergelijk systeem of
het uitbesteden van de gegevensverwerking worden geschat op € 10.000 tot € 50.000
per jaar. Daarnaast wordt geschat dat een aanbieder gemiddeld 1,5 fte administratief
medewerkers voor één jaar nodig heeft ter controle en aanvulling van de geautomatiseerde
gegevensverwerking, waarvan de kosten uitkomen op (1,5*1.840 uur*39=) € 107.640.
Aansluiting, registratie en raadpleging van BKR leveren voor nieuwe aanbieders onder
dit wetsvoorstel nalevingskosten op. Deze kosten worden niet in dit wetsvoorstel geregeld,
maar worden nader geregeld bij of krachtens de Wet stelsel kredietregistratie.
Vroegsignalering financiële problemen
Zowel bestaande als nieuwe kredietaanbieders moeten op grond van de richtlijn processen
en beleid hebben voor vroegtijdige opsporing en doorverwijzing van consumenten in
financiële moeilijkheden. Het inrichten van deze processen en dit beleid leidt tot
eenmalige en structurele nalevingskosten. De kosten voor aanpassing van de geautomatiseerde
systemen worden geschat op € 5.000 tot € 15.000. Daarnaast zal de kredietaanbieder
een (standaard)informatiedocument dienen op te stellen dat hij kan sturen aan een
consument in financiële moeilijkheden. Naar schatting zal een hoogopgeleide medewerker
(uurloon € 54) hier ongeveer vijf uur voor nodig hebben. Afstemming met twee hogere
leidinggevenden, leden van de raad van bestuur of de raad van commissarissen zal voor
hen maximaal twee uur in beslag nemen (uurloon € 77). Samen komen de minimale kosten
uit op (5*€ 54 + 2*2*€ 77=) € 578 per aanbieder.
Interne klachtenregeling en klachtprocedure bij Kifid
Partijen die nieuw onder het toepassingsbereik van de richtlijn komen te vallen, dienen
een interne klachtenprocedure op te stellen (dan wel te evalueren en waar nodig aan
te passen) en daaraan uitvoering te geven. Hieraan zijn eenmalige en structurele nalevingskosten
verbonden. Twee hoogopgeleide medewerkers (uurloon € 54) zullen naar verwachting beide
twintig uur nodig hebben voor het evalueren dan wel opstellen van een interne klachtenprocedure.
Afstemming met hogere leidinggevenden, leden van de raad van bestuur of de raad van
commissarissen zal maximaal zes uur in beslag nemen (uurloon € 77). De eenmalige kosten
zullen naar verwachting dus (20*2*€ 54 + 2*6*€ 77 =) € 3.084 bedragen. De structurele
kosten hangen af van het aantal klachten dat de aanbieder of bemiddelaar binnenkrijgt,
wat weer afhangt van de grootte en het klantenbestand van de betreffende partij. Naar
schatting zal gemiddeld 1 fte hoogopgeleide medewerker (uurloon € 54) nodig zijn om
doorlopend aan de klachtenprocedure invulling te geven. De geschatte kosten hiervoor
komen uit op (1840*€ 54 =) € 99.360.
Daarnaast zullen nieuwe aanbieders zich moeten aansluiten bij het Kifid. Voor financiële
dienstverleners is de jaarlijkse bijdrage afhankelijk van het aantal werknemers. Dit
varieert van € 120 (1 fte) tot € 5.740 of meer bij 200 fte of meer.
Wijziging van de kredietovereenkomst en respijtmaatregelen
Voor de artikelen 22, 23 en 35 wordt verwezen naar de memorie van toelichting van
de Implementatiewet kredietservicers en kredietkopers waarin deze bepalingen zijn
geïmplementeerd.40
Eenmalige en structurele nalevingskosten in tabel weergegeven
Geschatte eenmalige nalevingskosten nieuwe aanbieders
Invoering automatiseringssystemen (pre)contractuele informatieverplichtingen
€ 50.000 tot € 100.000
Invoering kredietwaardigheidsbeoordeling
€ 25.000 tot € 250.000
Invoering systemen vroegsignalering
€ 5.000 tot € 15.000
Opstellen standaardinformatiedocument vroegsignalering
€ 578
Opstellen interne klachtenprocedure
€ 3.408
Totaal
Min. € 83.986 – max. € 368.986
Geschatte jaarlijkse nalevingskosten nieuwe aanbieders
Bijhouden automatiseringssystemen (pre)contractuele informatieverplichtingen
€ 3.000 tot € 15.000
Bijhouden systemen kredietwaardigheidsbeoordeling
€ 15.000 tot € 100.000
Handmatige kredietwaardigheidsbeoordeling
€ 48.750 tot € 292.500
Bijhouden systeem lakken persoonsgegevens
€ 10.000 tot € 50.000
Personeelskosten lakken persoonsgegevens
€ 107.640
Personeelskosten klachtenprocedure
€ 99.360
Jaarbijdrage Kifid
€ 120 tot € 5.740
Totaal
Min. € 283.870 – max. € 670.240
Geschatte eenmalige nalevingskosten bestaande aanbieders
Aanpassing automatiseringssystemen (pre)contractuele informatieverplichtingen
€ 40.000
Aanpassing (pre)contractuele informatiedocumenten
€ 3.240
Invoering systemen vroegsignalering
€ 5.000 tot € 15.000
Opstellen standaardinformatiedocument vroegsignalering
€ 578
Totaal
Min. € 48.818 – max. € 58.818
Geschatte aanvullende jaarlijkse nalevingskosten bestaande aanbieders
Bijhouden systemen lakken persoonsgegevens
€ 10.000 tot € 50.000
Personeelskosten lakken persoonsgegevens
€ 107.640
Totaal
Min. € 117.640 – max. € 157.640
§ 8. Uitvoering
Uitvoeringstoets AFM
Omdat de AFM is belast met het toezicht op de in dit voorstel van wet opgenomen voorschriften,
is deze toezichthouder in de voorbereidingsfase van het voorstel gevraagd een uitvoeringstoets
te doen. Het wetsvoorstel brengt nieuwe taken mee voor de AFM. Het voorstel brengt
nieuwe kredietovereenkomsten binnen de werkingssfeer van de Wft. Als gevolg van deze
uitbreiding komen meer aanbieders en bemiddelaars onder gedragstoezicht van de AFM
en moeten zij een vergunning aanvragen. Naast de uitbreiding van de werkingssfeer
wijzigt het wetsvoorstel ook enkele bepalingen in paragraaf 4.3.1.3 van de Wft over
het aanbieden van krediet en wordt door middel van de productinterventiebevoegdheid
het handhavingsinstrumentarium van de AFM uitgebreid. AFM is van oordeel dat de nieuwe
taken die door dit wetsvoorstel worden opgelegd uitvoerbaar zijn, mits daarvoor de
benodigde capaciteit ter beschikking wordt gesteld. De AFM merkt in dit kader op dat
sommige bepalingen pas volledig worden uitgewerkt in lagere regelgeving.
Uitvoerbaarheid
Het wetsvoorstel breidt de toezichtpopulatie van de AFM uit met nieuwe aanbieders
van krediet en bemiddelaars in krediet en voert een nieuw type registratieplicht in.
Het aantal nieuwe aanbieders van krediet wordt in het conceptwetsvoorstel ingeschat
op 64 en de AFM kan dit volgen. De AFM geeft aan dat dit mogelijk leidt tot ruim 300
personentoetsingen, hierbij is nog geen rekening gehouden met het aantal betrouwbaarheidstoetsingen
voor medebeleidsbepalers. De AFM volgt verder het in het conceptwetsvoorstel geschatte
aantal van 50 tot 80 nieuwe vergunningaanvragen voor bemiddelaars in huur- en leaseovereenkomsten
met een optie tot koop. Mogelijk voldoen dit soort partijen aan de voorwaarden om
als verbonden bemiddelaar op te treden en in dat geval is geen zelfstandige vergunning
nodig. Naar verwachting leidt deze categorie van bemiddelaars tot 150 tot 240 personentoetsingen,
ook hierbij is nog geen rekening gehouden met de betrouwbaarheidstoetsingen voor medebeleidsbepalers.
De AFM plaatst verder de kanttekening dat het aantal vergunningaanvragen waarschijnlijk
aanzienlijk meer wordt als private lease zonder optie of verplichting tot koop in
de toekomst ook door de Wft wordt gereguleerd. Deze vorm van private lease wordt in
dit wetsvoorstel niet meegenomen en wordt in een later stadium verder onderzocht.
Tot slot introduceert het wetsvoorstel een nieuwe registratieplicht voor leveranciers
van roerende zaken of diensten die kwalificeren als grootbedrijf en bemiddelen in
«koop nu, betaal later»-diensten. Het zal om ongeveer 80 partijen gaan. De AFM heeft
bij deze taak twee aandachtspunten. De richtlijn verplicht lidstaten om adequate toelatingseisen
vast te stellen ten aanzien van de «koop nu, betaal later»-bemiddelaars, zijnde grootbedrijf.
Deze eisen worden uitgewerkt in de nationale (lagere) regelgeving, waardoor de AFM
de uitvoerbaarheid van deze nieuwe registratieplicht pas bij het gereed zijn van deze
regelgeving volledig kan beoordelen. Het tweede aandachtspunt is dat bij ongelijktijdige
inwerkingtreding van de implementatiewet en het implementatiebesluit, de situatie
kan ontstaan dat de aanbieder wel verplicht is de bemiddelaar aan te melden bij de
AFM, maar de AFM de registratie nog niet kan uitvoeren door nog niet bekende toelatingseisen.
Met deze aandachtspunten zal rekening worden gehouden.
Voor wat betreft het doorlopend toezicht raakt het wetsvoorstel de uitvoering door
de AFM op verschillende manieren. Zo zal de nieuwe toezichtpopulatie moeten voldoen
aan gedragsnormen die voorheen niet op hen van toepassing waren en zal de bestaande
toezichtpopulatie aan nieuwe en gewijzigde gedragsnormen moeten voldoen. Tevens krijgt
de AFM een nieuwe productinterventiebevoegdheid. In de beoordeling van de gevolgen
van dit wetsvoorstel op de uitvoerbaarheid van haar doorlopend toezicht, heeft de
AFM enkele aandachtspunten geconstateerd ten aanzien van nieuwe regels voor kredietverstrekking
aan minderjarigen en leeftijdsverificatie, kredietwaardigheidsbeoordeling en productinterventie.
Het nieuwe artikel 4:34b Wft bevat een verbod tot het verstrekken van krediet in de
vorm van uitstel van betaling aan minderjarigen. Los van de vraag of het wenselijk
is om dit verbod te beperken tot slechts één vorm van krediet, namelijk uitstel van
betaling, is de AFM van mening dat het wetsvoorstel niet duidelijk genoeg aangeeft
in welke gevallen het verbod precies geldt. Ten eerste merkt de AFM op dat het verbod
in artikel 4:34b Wft niet zal gelden voor «koop nu, betaal later»-diensten die op
grond van het nieuwe artikel 1:20, eerste lid, onderdeel 1, Wft van het toepassingsbereik
van de Wft zijn uitgezonderd. Deze uitzondering ziet op online afgesloten krediet
met een kredietaanbieder uit een andere lidstaat. De AFM kan op dergelijke transacties
ook geen toezicht houden. Verder is voor de AFM niet duidelijk of het de intentie
was van de wetgever om de leeftijdsgrens niet te laten gelden voor de uitgezonderde
diensten en wordt niet duidelijk wat precies onder «uitstel van betaling» valt. De
AFM verwelkomt tot slot de introductie van de leeftijdsverificatieplicht. Als gevolg
van deze aandachtspunten en opmerkingen uit de andere adviezen en consultatiereacties
is een aantal verduidelijkende alinea’s toegevoegd aan paragraaf 5 van de memorie
van toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij onder andere 4:34b Wft.
De AFM merkt op dat de kredietwaardigheidstoets onder andere wordt ingevuld door normen
die volgen uit lagere regelgeving. Denk bijvoorbeeld aan de verificatieplicht uit
artikel 113 BGfo en de plicht om BKR te raadplegen uit artikel 114 BGfo. In de memorie
van toelichting is opgenomen dat de wetgever kijkt naar aanscherping van de grenzen
voor verificatie en BKR-raadpleging. De AFM kan deze aanscherping volgen, maar geeft
wel aan dat zij de uitvoerbaarheid pas bij het gereed zijn van de lagere regelgeving
kan beoordelen. Ten aanzien van de kredietwaardigheidsbeoordeling wijst de AFM verder
op drie aandachtspunten gericht op artikel 4:34a Wft inzake de regels voor het verwerken
van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Ten eerste vindt de AFM het verstandig
om te verduidelijken wat wordt verstaan onder verwerkingen die noodzakelijk zijn voor
de kredietwaardigheidsbeoordeling. Ten tweede acht de AFM het wenselijk om de rolverdeling
tussen de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de AFM op dit punt te verduidelijken
en ten derde verwacht de AFM dat zij ten behoeve van haar toezicht op artikel 4:34a
Wft onder omstandigheden bijzondere persoonsgegevens dient te verwerken. Om rechtsonzekerheid
te voorkomen en de uitvoerbaarheid van ons toezicht te bevorderen, vindt de AFM het
noodzakelijk om expliciet te vermelden dat zij hiertoe bevoegd is.
Naar aanleiding van het AP-advies zijn enkele aanpassingen verwerkt in artikel 4:34a
Wft en wordt onder meer ingegaan op het begrip evenredigheid in het kader van de verwerking
van persoonsgegevens in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. In paragraaf 9
was reeds een passage opgenomen over de bevoegdheid van de AP in het kader van artikel 4:34a
Wft. Daar is een verduidelijkende passage aan toegevoegd waarin wordt ingegaan op
de verhouding tussen de toezichthouders als het gaat om toezicht op de hiervoor genoemde
bepaling.
Tot slot heeft de AFM een opmerking over de productinterventiebevoegdheid die volgt
uit artikel 1:77q Wft. De AFM kan deze bevoegdheid o.a. pas inzetten als andere toezichts-
of handhavingsbevoegdheden niet volstaan of niet doelmatig of evenredig zijn om de
zorgen over consumentenbescherming af te wenden. De AFM onderschrijft dat de productinterventiebevoegdheid
terughoudend moet worden toegepast, maar is bezorgd dat de hiervoor genoemde voorwaarde
de daadwerkelijke toepassing van die bevoegdheid onnodig kan bemoeilijken, omdat uit
het conceptwetsvoorstel niet duidelijk wordt hoe en door wie wordt vastgesteld of
en wanneer aan deze voorwaarde is voldaan. De AFM geeft als mogelijke oplossing om
verder aan te sluiten bij de bewoordingen van de Verordening (EU) 600/2014 betreffende
markten in financiële instrumenten (MiFIR), waarop artikel 1:77q Wft reeds is gebaseerd.
Als gevolg van deze opmerking en soortgelijke consultatiereacties is aan artikel 1:77q
Wft een zinssnede toegevoegd die aansluit bij de productinterventiebevoegdheid die
volgt uit artikel 42 van MiFIR.
Bekostiging
De AFM heeft in het kostenkader 2025–2028 capaciteit toegewezen gekregen voor het
toezicht op de richtlijn. De AFM geeft aan dat de inschatting van de mogelijke toezichtpopulatie
in de memorie van toelichting van het conceptwetsvoorstel hoger is dan de geschatte
populatie waarop de toegewezen capaciteit in het kostenkader 2025–2028 van de AFM
is gebaseerd. Zo wordt in de memorie van toelichting van dit wetsvoorstel uitgegaan
van mogelijk 64 nieuwe aanbieders van krediet, versus de 10 nieuwe aanbieders wat
het uitgangspunt was bij de berekening van het kostenkader. Ook ging het kostenkader
nog niet uit van de mogelijk 50 tot 80 nieuwe bemiddelaars in huur- of leaseovereenkomsten
met koopoptie en de registratie van «koop nu, betaal later» bemiddelaars. Daarnaast
is in het kostenkader nog geen rekening gehouden met IT-aanpassingen in de AFM-systemen
die nodig zijn voor de nieuwe registratieplicht ten aanzien van «koop nu, betaal later»-
bemiddelaars. De AFM geeft aan dat de toegewezen capaciteit niet voldoende zal zijn
voor het doorlopend toezicht op de nieuwe toezichtpopulatie die hierboven is geschetst.
De kosten voor doorlopend toezicht zullen worden gedekt door de marktpartijen waarop
toezicht wordt ingesteld, waarbij – bij gelijke toelatingseisen in de lagere regelgeving –
een tarief van € 300 per nieuwe registratie in rekening zal worden gebracht bij de
aanbieder ten aanzien van «koop nu, betaal later»-bemiddelaars. Indien meer capaciteit
nodig is om toezichttaken uit te voeren dan is toegewezen, zal de AFM eerst nagaan
of de benodigde capaciteit kan worden opgevangen binnen haar begroting en bijbehorend
kostenkader. Als dit niet mogelijk is, geeft de AFM aan graag in gesprek te gaan met
het Ministerie van Financiën om een passende oplossing te vinden.
§ 9. Toezicht, handhaving en rechtsbescherming
De AFM was reeds bij de implementatie van de richtlijn consumentenkrediet aangewezen
als bevoegde autoriteit, ook wat betreft het toezicht op de naleving van de regels
ter implementatie van de richtlijn.
De AFM heeft onder meer tot taak het uitoefenen van gedragstoezicht op financiële
markten, op grond van artikel 1:25 Wft. Met betrekking tot de richtlijn betekent dit
dat de AFM toezicht zal houden op de naleving van die bepalingen van de richtlijn
die worden geïmplementeerd in Deel 4 van de Wft en op bepalingen in het BGfo, het
Bk en de Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Daarnaast is
de AFM verantwoordelijk voor de handhaving op en verlening van een vergunning of registratie
voor het in Nederland aanbieden van krediet, het bemiddelen in krediet of het adviseren
in krediet, op grond van Deel 2 van de Wft en de Vr Wft.
De AFM kan op grond van de artikelen 1:79 en 1:80 Wft en de daarbij behorende bijlagen
handhavend optreden tegen overtredingen van vergunninghoudende partijen. Het gaat
daarbij bijvoorbeeld om het geven van een aanwijzing of het opleggen van een last
onder dwangsom. Bij de implementatie van de richtlijn wordt tevens van de beleidsruimte
gebruikgemaakt om productinterventiebevoegdheden toe te kennen aan de AFM op grond
van artikel 1:77q Wft.
Een aantal bepalingen uit de richtlijn, zoals die inzake de precontractuele informatie
of reclameregels worden zowel in de Wft als het BW geïmplementeerd. In die gevallen
zal naast handhaving via het privaatrecht ook sprake zijn van handhaving via het bestuursrecht
door de AFM.
De handhaving van Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW vindt in beginsel plaats via
de civiele rechter. Het uitgangspunt van het consumentenrecht is dat de consument
zelf, ondersteund door wetgeving, goed geïnformeerd een overeenkomst kan sluiten.
Indien zijn rechten worden geschonden, kan de consument – waar nodig in rechte of
bij het Kifid – nakoming van de overeenkomst dan wel schadevergoeding, ontbinding
of een andere remedie vorderen. Tegelijkertijd is het een gegeven dat consumenten
vaak om verschillende redenen afzien van de mogelijkheid hun recht te halen, bijvoorbeeld
omdat een gang naar de rechter relatief kostbaar is vergeleken bij de geleden schade.
Tegen die achtergrond creëert de Whc bevoegdheden voor toezichthoudende instanties
om het civiele consumentenrecht te handhaven als collectieve consumentenbelangen worden
geschaad.41 Het feit dat sprake moet zijn van schade aan collectieve consumentenbelangen volgt uit de definitie van inbreuk in de Whc. Hiervan is in beginsel
al sprake als de processen, het beleid of de uitvoering van een marktpartij leidt
tot inbreuk op het civiel consumentenrecht en daarmee de belangen van meer dan één
consument worden of zijn geschaad. Waar het gaat om civiel consumentenrecht met betrekking
tot financiële diensten of activiteiten, is de AFM de bevoegde toezichthouder.
Voor het consumptiefkredietrecht neergelegd in Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW
geldt dus dat de verantwoordelijkheid voor zorgvuldig handelen primair ligt bij, enerzijds,
consumenten c.q. kredietnemers en, anderzijds, kredietaanbieders. Wanneer zij er onderling
niet uitkomen, kunnen zij het geschil voorleggen aan het Kifid of de civiele rechter.
Mocht het echter voorkomen dat een inbreuk plaatsvindt op het consumptiefkredietrecht
die schade toebrengt aan collectieve consumentenbelangen waarbij het systeem van civielrechtelijke
handhaving onvoldoende functioneert, moet in voorkomende gevallen publiekrechtelijke
handhaving door de AFM mogelijk zijn. Om die reden breidt dit wetsvoorstel de toezichtsbevoegdheden
van de AFM op grond van de Whc uit met enkele artikelen uit het BW. Deze toevoeging
geeft de AFM bijvoorbeeld toezichthoudende bevoegdheid op artikel 7:58b BW met betrekking
tot de verplichte kosteloze informatieverstrekking van de kredietaanbieder aan de
consument en artikel 7:66 BW met betrekking tot het recht voor consumenten om zonder
opgaaf van reden binnen veertien dagen een kredietovereenkomst te ontbinden.
Kredietaanbieders die nieuw onder de richtlijn komen te vallen, moeten zich aansluiten
bij het Kifid. Hierdoor hebben meer consumenten met een kredietovereenkomst die voorheen
ongereguleerd was laagdrempelige toegang tot buitengerechtelijke geschilbeslechting.
Tot slot heeft de AP op grond van de AVG de taak om toezicht te houden op de naleving
van de wettelijke regels voor bescherming van persoonsgegevens. De AP houdt derhalve
toezicht op de naleving van de AVG bij de verwerking van persoonsgegevens voor de
doelen van de richtlijn, bijvoorbeeld als het gaat om de persoonsgegevens die verwerkt
worden in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. De AFM is echter tevens
bevoegd als toezichthouder ten aanzien van de bepalingen omtrent de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Het is aan beide toezichthouders om met elkaar in overleg te treden daar waar het
toezicht op dit gebied elkaar overlapt.
§ 10. Evaluatie
De richtlijn bevat een evaluatiebepaling. Ingevolge artikel 46 van de richtlijn evalueert
de Europese Commissie de richtlijn om de vier jaar, de eerstvolgende keer uiterlijk
op 20 november 2029. De Europese Commissie deelt de resultaten met het Europees Parlement
en de Raad, eventueel vergezeld van een wetsvoorstel. Voor de evaluatie analyseert
de Europese Commissie de economische trends en de doeltreffendheid van de richtlijn.42 De evaluatie dient specifiek te beoordelen of het toepassingsgebied van deze richtlijn
nog passend is met betrekking tot kredietovereenkomsten die gedekt zijn door niet voor bewoning bestemde onroerende goederen
en of de in de richtlijn vastgelegde bovengrens van € 100.000 en de drempels en percentages
die van toepassing zijn bij de berekening van de vergoeding voor vervroegde aflossing
nog passend zijn. Tevens moet de evaluatie een analyse bevatten van de ontwikkeling
van de markt voor consumentenkredieten ter ondersteuning van de groene transitie en
een beoordeling van de behoefte om verdere maatregelen te nemen om het gebruik van
dergelijke kredieten te verbeteren. Ten slotte dient de evaluatie een beoordeling
te bevatten van de uitvoering van opgelegde sancties, de doeltreffendheid en het afschrikwekkende
effect ervan.
Een bijzondere evaluatiebepaling betreft artikel 46, tweede lid, op grond waarvan
de Europese Commissie uiterlijk op 20 november 2025 beoordeelt of maatregelen nodig
zijn ter bescherming van consumenten die via een verlener van crowdfundingkredietdiensten
een krediet willen afsluiten of beleggen. Crowdfundingdiensten in verband met kredietverlening
aan consumenten vallen immers niet onder het toepassingsgebied van de Crowdfundingverordening.43
Naast deze evaluatieonderwerpen houdt de Europese Commissie specifiek toezicht op
de gevolgen van de door de richtlijn geboden lidstaatopties en de gevolgen voor de
werking van de interne markt en de consument
Naast deze Europese evaluatie van de richtlijn zal op nationaal niveau monitoring
plaatsvinden op de naleving en uitwerking van het verbod op het aanbieden van krediet
aan minderjarigen en de verplichting van leeftijdsverificatie ingevolge artikel 4:34b
Wft. Indien blijkt dat de wijze waarop leeftijdsverificatie plaatsvindt in een groot
aantal gevallen niet voldoet of niet in overeenstemming is met privacyrechten van
de consument, is daar de mogelijkheid om gebruik te maken van de delegatiegrondslag
in het vierde lid.
§ 11. Advies en consultatie
Uitvoeringstoets Raad voor de rechtspraak
De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) geeft in het advies aan geen zwaarwegende bezwaren
tegen het wetsvoorstel te hebben. Wel wordt verzocht om verduidelijking of aanpassing
van twee punten. Allereerst merkt de Rvdr op dat een regeling voor civielrechtelijke
handhaving ontbreekt. De richtlijn vereist weliswaar geen wettelijke sanctie in het
BW in geval van schending (of niet gebleken naleving) van informatieverplichtingen
en/of van het niet uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets bij het sluiten van
een consumentenkredietovereenkomst, maar de civiele rechter zal daar wel over dienen
te oordelen. Om die reden wordt in overweging gegeven om een sanctie op te nemen in
Titel 2A van Boek 7 BW.
Titel 2A van Boek 7 BW is van dwingend recht en het BW gaat uit van een gelaagde structuur.
In artikel 3:40 BW is de algemene sanctie geregeld die volgt uit deze gelaagde structuur
en daarmee ook als sanctie van toepassing is op de bepalingen die volgen uit Titel 2A
van Boek 7 BW. Aangezien er geen signalen zijn uit de praktijk dat er problemen zijn
met deze sanctie en de Rvdr tevens in het advies aangeeft dat de werklast niet meer
wordt als gevolg van dit wetsvoorstel, is geen aanleiding gezien om een expliciete
sanctie op te nemen in Titel 2A van Boek 7 BW.
Het tweede punt ziet op de implementatie van artikel 4:34b Wft dat voorziet in een
verbod voor het sluiten van een kredietovereenkomst met een minderjarige consument.
Daarbij wordt opgemerkt dat de memorie van toelichting de civielrechtelijke gevolgen
van het – in strijd met het in artikel 4:34b Wft bepaalde – sluiten van een overeenkomst
met een minderjarige consument onbesproken laat. Die onduidelijkheid kan tot meer
rechtsonzekerheid en meer gerechtelijke (prejudiciële) procedures leiden. De Rvdr
adviseert om aan de civielrechtelijke gevolgen van het in strijd handelen met het
bepaalde in artikel 4:34b Wft meer aandacht te besteden en in dit wetsvoorstel daarvoor
een voorziening te treffen. Dit advies is opgevolgd. Er is een verduidelijkende passage
opgenomen in paragraaf 5 van de memorie van toelichting. Daarnaast is een spiegelbepaling
van artikel 4:34b Wft opgenomen in artikel 7:75, vierde lid, BW. Zie ook de artikelsgewijze
toelichting bij dat artikel voor een nadere uitleg.
Tot slot geeft de Rvdr aan dat na implementatie van de richtlijn alle «koop nu, betaal
later»-diensten – voor zover zij dit al niet doen – onder een strenger regime vallen
dan dat zij op dit moment doen. Datzelfde geldt voor kaarten met uitgestelde debitering.
De daadwerkelijke gevolgen voor de werklast zijn momenteel nog niet goed te schatten.
Aangezien het geen groot aandeel van het totaal aan aangebrachte zaken betreft, wordt
verwacht dat het wetsvoorstel niet leidt tot substantiële werklastgevolgen voor de
Rechtspraak.
Adviescollege Toetsing Regeldruk
Het ATR heeft in zijn advies dertien adviespunten aangedragen over het wetsvoorstel
en daarbij een zogeheten «dictum 3» uitgebracht. Dit dictum houdt in dat het wetsvoorstel
volgens ATR niet zou moeten worden ingediend of vastgesteld tenzij met de adviespunten
rekening wordt gehouden. Hieronder wordt ingegaan op de adviespunten van het ATR en
wordt aangegeven op welke wijze hieraan opvolging is gegeven in het wetsvoorstel en
memorie van toelichting.
Nadere inhoudelijke motivering
De adviespunten 2.1, 2.2, 2.5, 2.6, 2.9, 2.10 en 2.11 vragen om een nadere, inhoudelijke
motivering van bepaalde beleidskeuzes waarbij duidelijk moet worden gemaakt of – en
zo ja, waarom – er wel of niet voor de meest lastenluwe implementatie is gekozen.
In de tabel hieronder wordt kort een beschrijving gegeven van de adviespunten en waar
in deze toelichting de gevraagde, inhoudelijke motivering van de beleidskeuzes wordt
gegeven.
Adviespunt
ATR adviseert inhoudelijk te motiveren waarom is gekozen voor/ te verduidelijken waarom
Locatie motivering beleidskeuze
2.1
Waarom gekozen voor lidstaatoptie om kredieten van meer dan € 100.000 niet uit te
zonderen van het toepassingsbereik van de richtlijn.
Transponeringstabel, art. 2 lid 2 onderdeel c
2.2
Waarom gekozen voor lidstaatoptie om effectenkrediet niet uit te zonderen van de richtlijn.
Transponeringstabel, art. 2 lid 2 onderdeel e
2.5
Waarom gekozen voor lidstaatoptie om koppelverkoop van een betaalrekening bij een
kredietovereenkomst niet uit te zonderen van de richtlijn.
Verduidelijkt in transponeringstabel art. 14 lid 2 dat reeds lastenluw is geïmplementeerd
2.6
Waarom gekozen voor lidstaatoptie om koppelverkoop van een verzekering bij een kredietovereenkomst
niet uit te zonderen van de richtlijn.
Transponeringstabel, art. 14 lid 3
2.9
Verduidelijken wat de uitzondering van mkb-ondernemers die kredietaanbieder zijn in
nevenactiviteit betekent voor eventuele regeldruk vanuit de AFM
Verduidelijkt in paragraaf 9 onder «nieuwe aanbieders» dat er geen regeldruk komt
vanuit de AFM
2.10
Verduidelijken welke belangenafweging ten grondslag ligt aan de beleidskeuze dat kredietgevers
bij kredieten van meer dan € 100.000 mogen afwijken van de maximale kredietvergoeding.
Transponeringstabel, art. 29 lid 4
2.11
Verduidelijken in hoeverre lastenluw is geïmplementeerd bij de beleidsruimte voor
lidstaten om verboden of beperkingen vast te stellen wat betreft specifieke kosten
of vergoedingen die door kredietgevers op hun grondgebied wordt toegepast.
Transponeringstabel, art. 31 lid 2
2.3 Kaarten met uitgestelde debitering uitgezonderd houden
Het ATR adviseert daarnaast om te kiezen voor de meest lastenluwe implementatie door
het vrijstellingsregime voor kaarten met uitgestelde debitering te continueren (oftewel:
om deze kaarten uitgezonderd te houden van de Wft en BW). Volgens het ATR leidt de
regulering van kaarten met uitgestelde debitering tot aanzienlijke regeldrukgevolgen
voor de sector en zullen deze kaarten duurder worden voor consumenten. Volgens het
ATR is – kort gezegd – niet gebleken van een dergelijk risico voor consumentenbescherming
(waarvan bijvoorbeeld wel sprake is bij «koop nu, betaal later»-krediet) dat deze
risico’s regulering van deze kaarten rechtvaardigen. Het ATR-advies wordt niet opgevolgd.
Voor een onderbouwing van deze beleidskeuze wordt verwezen naar paragraaf 4 hierboven
(onder het kopje «Kaarten met uitgestelde debitering») en naar de uitleg hieronder
in deze paragraaf (onder hetzelfde kopje).
2.4 Volledig licht regime voor reclame en informatieverplichtingen
Het ATR adviseert verder om aanbieders van kredietovereenkomsten voor een totaal kredietbedrag
van minder dan € 200 volledig uit te zonderen van de werking van enkele verplichtingen
uit de richtlijn inzake reclamevereisten en precontractuele informatie. Dit advies
wordt opgevolgd. Van de lidstaatoptie die deze ruimte biedt, was al gedeeltelijk gebruikgemaakt
door deze verplichtingen niet van toepassing te verklaren op kredieten zonder rente
of andere kosten en kredieten die binnen drie maanden moeten worden afgelost en waarbij
slechts onbeduidende kosten worden gerekend. In het wetsvoorstel wordt dit nu uitgebreid
naar kredietovereenkomsten voor een totaal kredietbedrag van minder dan € 200. Deze
memorie is daarmee in lijn gebracht.
2.8 Productinterventiebevoegdheid pas na invoeringstoets
Het ATR adviseert pas na een invoeringstoets te beoordelen of uitbreiding van het
toezichtinstrumentarium van de AFM noodzakelijk is. Het ATR doelt hiermee op de productinterventiebevoegdheid
om op grond van artikel 1:77q Wft (nieuw) een verbod of beperking op te leggen aan
bepaalde schadelijke kredietproducten. Dit advies wordt niet opgevolgd. Ten eerste
stelt het ATR dat met het toekennen van de productinterventiebevoegdheid aan de AFM
niet lastenluw geïmplementeerd wordt, omdat het AFM-toezicht volledig door marktpartijen
moet worden bekostigd. Het toekennen van de productinterventiebevoegdheid zal naar
verwachting echter niet leiden tot aanvullende toezichtskosten. Dit betreft namelijk
een toezichtsbevoegdheid, en bevat geen nieuwe norm of uitbreiding van de reikwijdte
van activiteiten waarop het toezicht ziet. Mogelijk levert de bevoegdheid juist efficiëntievoordelen
op in gevallen waarbij schadelijk gedrag van kredietgevers niet of moeilijk op een
andere manier kan worden tegengegaan. Indien de AFM op grond van de productinterventiebevoegdheid
stappen onderneemt tegen een bepaalde kredietgever, levert dat voor deze kredietgever
eventueel wel extra kosten op. Deze kosten neemt de AFM echter mee in de evenredigheidstoets
die de AFM bij iedere maatregel verplicht uitvoert. In het geval dat de AFM, alles
afwegende, voldoende aanleiding ziet om de productinterventiebevoegdheid in te zetten
tegen een bepaalde kredietgever, weegt in dat geval naar verwachting het maatschappelijk
belang van het uit de markt nemen van schadelijke kredietproducten zwaarder dan het
financieel belang van die kredietgever of het belang dit wetsvoorstel zo lastenluw
mogelijk te implementeren.
Het ATR stelt daarnaast vraagtekens bij de effectiviteit van de productinterventiebevoegdheid
omdat deze consumenten niet zou beletten vergelijkbare (schadelijke) kredietproducten
in het buitenland te betrekken. Het is in beginsel juist dat een consument op eigen
houtje in het buitenland kredietovereenkomsten zou kunnen aangaan die niet op de Nederlandse
markt worden aangeboden en die in Nederland op grond van de productinterventiebevoegdheid
zouden zijn verboden. Deze mogelijkheid doet echter niet af aan het feit dat de productinterventiebevoegdheid
wel effectief is voor het overgrote deel van de consumenten dat niet actief buiten
Nederland op zoek zou gaan naar kredietvormen die in Nederland niet beschikbaar zijn.
Voor zover veel consumenten dit wel zouden doen, valt dergelijk gedrag niet te voorkomen
en vormt het daarmee geen reden om de productinterventiebevoegdheid op die grond niet
toe te kennen.
Tot slot stelt het ATR het niet passend te vinden om via toepassing van lidstaatopties
toezichtdivergentie te vergroten bij een richtlijn die streeft naar maximumharmonisatie.
Voor elke lidstaatoptie geldt uiteraard dat dit afdoet aan het beginsel van maximumharmonisatie.
Desalniettemin bevat de richtlijn er meer dan twintig. In dit geval acht het kabinet
noodzakelijk het belang van consumentenbescherming dat met de productinterventiebevoegdheid
(verder) wordt geborgd, zwaarder te laten wegen dan het belang van maximumharmonisatie.
Hoewel in het licht van bovenstaande de productinterventiebevoegdheid wordt behouden,
hebben het ATR-advies en enkele consultatiereacties wel aanleiding gegeven tot aanpassing
van het wetsvoorstel en nauwere aansluiting bij de bestaande bepalingen in artikel 1:77f
Wft, welk artikel voorziet in een productinterventiebevoegdheid bij financiële instrumenten
en andere beleggingsdiensten. Artikel 1:77q Wft en de artikelsgewijze toelichting
daarbij zijn dan ook aangepast. Daarbij geldt tevens dat een nadere uitwerking op
grond van artikel 1:77q, derde lid, Wft volgt in de lagere regelgeving.
2.7 en 2.12 In kaart brengen regeldrukgevolgen
Het ATR adviseert de regeldrukkosten voor het mkb in kaart te brengen als gevolg van
het feit dat geen (volledig) gebruik wordt gemaakt van de lidstaatoptie om mkb-ondernemingen
uit te zonderen van de vergunningplicht als zij in nevenactiviteit krediet aanbieden
in die zin dat zij uitstel van betaling van meer dan 50 dagen verlenen. Deze regeldrukkosten
zijn inmiddels in kaart gebracht en bestaan uit kosten ter kennisneming van de toepasselijke
wetgeving. Deze zijn hierboven in paragraaf 7 onder kopje «nieuwe aanbieders» uiteengezet.
Tot slot adviseert het ATR om de regeldrukgevolgen bij het toepassen van lidstaatopties
in kaart te brengen en daarbij een doorkijk te geven op de regeldrukgevolgen die op
een lager niveau van regelgeving kunnen ontstaan. De regeldrukgevolgen als gevolg van dit wetsvoorstel zijn in deze toelichting waar mogelijk in kaart gebracht. In deze memorie kan echter
geen doorkijk worden gegeven op de regeldrukgevolgen als gevolg van lagere regelgeving omdat de nota’s van toelichting bij deze lagere regelgeving daarvoor de enige juiste
plek zijn. Daarnaast is het op moment van schrijven nog niet mogelijk een doorkijk
te geven in de regeldrukgevolgen omdat de lagere regelgeving nog wordt voorbereid
en pas definitief kan worden vormgegeven nadat dit wetsvoorstel- inclusief de daarin
opgenomen delegatiegrondslagen – is aangenomen.
Openbare consultatie
Inleiding
Het conceptwetsvoorstel is van 15 april tot en met 13 mei 2025 openbaar geconsulteerd
op www.internetconsultatie.nl. Er zijn onder andere consultatiereacties ontvangen van private lease partijen, aanbieders
van «koop nu, betaal later»-diensten, aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering,
aanbieders van krediet en diverse brancheorganisaties. Een groot deel van de reacties,
ziet op de geconsulteerde vragen en het consultatiedocument ten aanzien van het al
dan niet aanvullend reguleren van private lease. Aangezien dit vraagstuk deze implementatieopdracht
te buiten gaat en eventuele regulering een nationaal wetstraject betreft, laat deze
paragraaf deze reacties buiten beschouwing. Deze paragraaf gaat hieronder in op de
reacties die zien op het conceptwetsvoorstel aan de hand van de meest in het oog springende
thema’s. Er is met name aandacht gevraagd voor de volgende onderwerpen:
• Kredietwaardigheidsbeoordeling
• Kaarten met uitgestelde debitering
• Kredietbemiddelaars
• «Koop nu, betaal later»-diensten en het leeftijdsverbod
• Schuldadviesdiensten
• Precontractuele informatie
• Koppelverkoop
• Kredietregistratie
• Productinterventie
• AVG
• Kosten
• Vroegsignalering
Een aantal partijen heeft onder meer opmerkingen bij de bewoordingen van de Nederlandse
versie van de richtlijntekst. Aangezien deze tekst reeds is vastgesteld en dit voorstel
slechts ziet op implementatie van die tekst is het niet mogelijk deze opmerkingen
te verwerken.
Kredietwaardigheidsbeoordeling
Diverse partijen verzoeken om de proportionaliteitstoets die aanbieders op grond van
artikel 18, derde lid, van de richtlijn, moeten toepassen bij het uitvoeren van de
kredietwaardigheidsbeoordeling, op te nemen in de wettekst van artikel 4:34 Wft. Deze
partijen geven onder meer aan dat in sommige gevallen een volledige kredietwaardigheidsbeoordeling
voor producten te uitvoerig is en daarmee een beperking vormt voor de bedrijfsvoering
en het aanbod. Artikel 18, derde lid, van de richtlijn, biedt aanbieders ruimte om
proportionaliteit toe te passen in de hiervoor genoemde beoordeling, omdat de op te
vragen informatie van de consument noodzakelijk en evenredig moet zijn met de aard,
duur, waarde en risico’s van het krediet voor de consument. In de memorie van toelichting
bij het conceptwetsvoorstel was de hiervoor genoemde opsomming opgenomen in de artikelsgewijze
toelichting van artikel 4:34a Wft, maar deze opsomming ontbreekt inderdaad in de wettekst
van of de toelichting bij artikel 4:34 Wft. Aangezien de proportionaliteitstoets voor
aanbieders een belangrijke toets is om te bepalen hoeveel informatie zij moeten inwinnen
bij het uitvoeren van een kredietwaardigheidsbeoordeling is implementatie van deze
toets op wetsniveau wenselijk en is de tekst van artikel 4:34, eerste lid, Wft in
het wetsvoorstel en de daarbij behorende toelichting aangepast.
Amazon verzoekt in dit kader dat alleen een kredietwaardigheidsbeoordeling vereist
wordt bij hogere schuldenrisico’s, zoals transacties van meer dan € 200 die onderhevig
zijn aan rentebetalingen en/of een terugbetalingstermijn van drie maanden kunnen hebben.
De richtlijn laat echter geen ruimte aan lidstaten om deze overeenkomsten uit te sluiten
van artikel 18 van de richtlijn, waar de kredietwaardigheidsbeoordeling uit volgt.
Overigens geldt ook voor deze overeenkomsten dat het een aanbieder van krediet vrijstaat
een inschatting te maken welke hoeveelheid informatie proportioneel is.
De Nederlandse Verenging van Banken (hierna: NVB) heeft enkele opmerkingen bij artikel 4:34,
vierde lid, Wft, waarin een uitzondering op de kredietwaardigheidstoets is toegevoegd,
die ziet op een situatie waarin een nieuwe overeenkomst tot stand komt in het kader
van toekomstige artikel 4:35a Wft-procedures voor betalingsachterstanden en respijtmaatregelen.
Zo wenst zij graag in de memorie van toelichting herhaald te zien dat een reguliere
betalingsregeling volgens Nederlands recht moet worden gezien als een voortzetting
van de bestaande overeenkomst, gelijk aan overwegingen in de memorie van toelichting
bij de implementatie van de CCDI. Aangezien het niet de bedoeling is om van die overwegingen
af te wijken, is een vergelijkbare zin als in de overwegingen opgenomen bij de artikelsgewijze
toelichting bij artikel 4:34, vierde lid, Wft.
Daarnaast verzoekt de NVB om te verduidelijken dat een gezamenlijke herstructurering
van meerdere kredieten tot één herstructureringskrediet niet wordt gezien als een
belangrijke verhoging van het krediet, bijvoorbeeld wanneer twee kredietproducten
in één herstructureringskrediet worden samengevoegd, waarbij deze laatste de som is
van beide oorspronkelijke kredietproducten plus eventuele betalingsachterstanden.
De richtlijn spreekt in artikel 18, elfde lid, van een significante verhoging van
het totale kredietbedrag. Een samenvoeging van bestaande overeenkomsten zal resulteren
in een gelijke hoogte van het totale kredietbedrag, al dan niet verpakt in één overeenkomst,
in plaats van meerdere kredietproducten. De lezing van de NVB ten aanzien van dit
punt lijkt dan ook juist.
De Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland (hierna: VFN) verzoekt om
in artikel 4:34a Wft (of in het BGfo) te verankeren dat in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling
de vermogenspositie van de consument in de vorm van financiële activa en passiva,
zoals beschreven in artikel 18, derde lid, van de richtlijn, kan worden meegenomen.
Aangezien de passage uit de hiervoor genoemde richtlijnbepaling een voorbeeld of toelichting
betreft, is gekozen om deze passage op te nemen in de artikelsgewijze toelichting
bij artikel 4:34a Wft.
Kaarten met uitgestelde debitering
International Card Services (hierna: ICS), MasterCard, Betaalvereniging Nederland
(hierna: BVN), Visa, American Express en de Consumentenbond pleiten voor gebruik van
de lidstaatoptie om kaarten met uitgestelde debitering uit te zonderen van het toepassingsgebied
van de richtlijn. Volgens deze partijen zijn kaarten met uitgestelde debitering geen
nadelige kredietproducten. Zo zou het een kredietproduct zijn met een laag risicoprofiel
en wijzen partijen erop dat er in de praktijk nauwelijks sprake is van betalingsachterstanden
en er al diverse voorzorgsmaatregelen worden getroffen tegen overkreditering. De partijen
maken zich verder zorgen dat het product te duur wordt voor consumenten en daarom
mogelijk verdwijnt. Consumenten zouden volgens hen mogelijkerwijs overstappen naar
traditionelere kredietproducten, terwijl de kaart met uitgestelde debitering voordelen
biedt voor consumenten, zoals betaalflexibiliteit gedurende de maand en aankoopbescherming.
Daarnaast zou de kaart essentieel zijn voor het doen van reguliere uitgaven bij het
reizen (zoals het boeken van hotels en vliegtickets). Tot slot wijzen partijen op
het ongelijke speelveld dat kan ontstaan, indien Nederland geen gebruikmaakt van de
lidstaatoptie en andere lidstaten wel. Marktpartijen die gevestigd zijn in lidstaten
waar de kaarten met uitgestelde debitering zijn uitgezonderd van de richtlijn zullen
deze kaarten ook in Nederland kunnen aanbieden. Dit levert een ongelijk speelveld
op met in Nederland gevestigde bedrijven. Volgens de partijen is onduidelijk hoe op
de activiteiten van deze buitenlandse bedrijven toezicht zal worden gehouden in Nederland.
Hoewel de door partijen aangevoerde argumenten begrijpelijk zijn, geven deze geen
aanleiding tot herziening van het standpunt over het reguleren van kaarten met uitgestelde
debitering. In paragraaf 4 is toegelicht om welke redenen gekozen is om kaarten met
uitgestelde debitering niet uit te zonderen van de Wft. In het bijzonder bestaan er
zorgen dat het uitzonderen van kaarten met uitgestelde debitering kan leiden tot onvoldoende
en ongelijke consumentenbescherming en er tevens een ongelijk speelveld wordt gecreëerd
ten aanzien van vergelijkbare kortlopende kredietproducten. Daarbij moet worden voorkomen
dat aanbieders van bijvoorbeeld «koop nu, betaal later»-diensten eventuele ruimte
in de wet gebruiken om regulering te ontwijken. Dat er op dit moment nog geen problemen
bestaan met de kaarten met uitgestelde debitering geeft uitdrukkelijk geen garantie
dat dit in de toekomst niet het geval zal zijn, als bijvoorbeeld aanbieders van «koop
nu, betaal later»-diensten overgaan tot het uitgeven van kaarten met uitgestelde debitering.
Dat «koop nu, betaal later»-aanbieders mogelijk overgaan tot het uitgeven van kaarten
met uitgestelde debitering is geen ongegronde verwachting. Na implementatie van de
richtlijn zijn er nog maar weinig verschillen tussen «koop nu, betaal later»-krediet
en kaarten met uitgestelde debitering: tot een bepaalde limiet kunnen klanten betalingen
doen met het kredietproduct, welk geleend bedrag zij vervolgens binnen een bepaalde
termijn moeten aflossen. Het voornaamste verschil tussen beide producten is dan de
(fysieke of digitale) kaart, die aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten betrekkelijk
eenvoudig kunnen uitgeven. Er zou aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten
dus weinig aan in de weg staan om een dergelijke kaart uit te geven om zodoende te
voorkomen onder de Wft te vallen terwijl dit verder geen ingrijpende gevolgen heeft
voor hun bedrijfsmodel. Eén aanbieder heeft inmiddels in meerdere lidstaten – waaronder
Nederland – een kaart uitgebracht waarmee met uitgestelde debitering kan worden betaald.
Het is juist dat regulering hogere kosten meebrengt voor partijen, die mogelijk (deels)
worden doorberekend aan de consument. Consumentenbescherming prevaleert hier echter
en het risico op duurdere kaarten weegt daar niet tegenop. Het is daarbij de vraag
of consumenten uit zouden wijken naar traditionelere kredietvormen – zoals door enkele
partijen gesteld is – nu deze reeds zijn gereguleerd en doorgaans aan strenge leennormen
onderworpen zijn.
Tot slot geldt ten aanzien van de opmerking over het ongelijke speelveld vergeleken
met andere lidstaten dat het niet mogelijk is om vanuit een andere lidstaat zonder
vergunningplicht voor kaarten met uitgestelde debitering in Nederland deze kaarten
aan te bieden. Heeft een aanbieder van kaarten met uitgestelde debitering uit een
andere lidstaat geen vergunning om krediet aan te bieden in de eigen lidstaat, dan
zal deze partij in Nederland middels een bijkantoor een vergunning bij de AFM moeten
aanvragen. Heeft eenzelfde aanbieder in de lidstaat van herkomst wel een vergunning
en wenst hij in Nederland de kaarten met uitgestelde debitering aan te bieden, dan
gelden in beginsel de bepalingen ten aanzien van het gedragstoezicht uit Deel 4 van
de Wft en is de AFM bevoegd om toezicht te houden op naleving van deze bepalingen.
Partijen hebben tevens verzocht om, indien geen gebruik wordt gemaakt van de lidstaatoptie,
lagere regelgeving zo aan te passen dat er voldoende proportionaliteit wordt geborgd
ten aanzien van kaarten met uitgestelde debitering, omdat deze kaarten minder risico’s
met zich meebrengen dan andere kredietproducten. Bij de aanpassing van de lagere regelgeving
zal hiernaar worden gekeken.
«Koop nu, betaal later»-diensten
Diverse partijen uiten zorgen over de regulering van «koop nu, betaal later»-diensten.
Zo zijn er partijen die oproepen om alsnog gebruik te maken van de lidstaatoptie van
artikel 7, tweede lid, van de richtlijn, om «koop nu, betaal later»-diensten uit te
zonderen van diverse bepalingen in de Wft, terwijl andere partijen juist een strikter
of apart regime wensen boven op de regels die de richtlijn stelt. Bij de implementatie
van de regels omtrent «koop nu, betaal later»-diensten is zoveel mogelijk aangesloten
bij de bewoordingen van de richtlijn, waarbij het uitgangspunt is geweest een zo hoog
mogelijk beschermingsniveau van consumenten en jongeren en het voorkomen van overkreditering
en daaruit voortvloeiende schuldenproblematiek. Voor een toelichting ten aanzien van
de lidstaatopties wordt verwezen naar de transponeringstabel. Waar partijen vragen
naar de verhouding tussen de regels van grote webshops, platforms en mkb-webshops
die via een platform aanbieden wordt verwezen naar een voorbeeldtabel opgenomen bij
de artikelsgewijze toelichting op artikel 1:20 Wft.
Billink waarschuwt voor mogelijke ontwijkconstructies, zoals reselling of flash ownership
door platforms. De richtlijn voorziet niet in regels om dergelijke constructies tegen
te gaan. Indien misstanden zich voordoen door aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten
zal de AFM binnen haar bevoegdheden handhavend kunnen optreden. Bij ontoelaatbare
marktpraktijken kan de AFM, indien daar redelijke gronden voor zijn, gebruikmaken
van haar productinterventiebevoegdheden.
De Raad voor de Nederlandse Detailhandel (hierna: RND) geeft aan dat een link tussen
artikel 7:26, tweede lid, BW, en het wetsvoorstel ontbreekt. Uit dit artikel volgt
dat een consument bij een consumentenkoop verplicht kan worden om ten hoogste de helft
van de koopprijs vooruit te betalen. De RND geeft aan dat deze verplichting wringt
met tegelijkertijd het reguleren van «koop nu, betaal later»-diensten. Het is juist
dat sommige winkeliers de verplichting, die volgt uit artikel 7:26, tweede lid, BW,
invullen door gebruik te maken van een «koop nu, betaal later»-dienst. Het is echter
niet verplicht om van deze diensten gebruik te maken. Er is geen direct juridisch
verband tussen artikel 7:26, tweede lid, BW, en dit wetsvoorstel. Artikel 7:26 BW
betreft een nationale bepaling die niet volgt uit deze implementatie. In de Kamerbrief
van 21 januari 2025 over «koop nu, betaal later»-diensten is een verkenning aangekondigd
naar de werking van de «50%-regel bij aanbetalingen».44 In de Kamerbrief van 16 januari 2026 is aangegeven dat de verkenning naar de 50%-regel
is afgerond en er onvoldoende reden is de 50%-regel bij aanbetalingen te wijzigen.45
Leeftijdsverbod en leeftijdsverificatie
Amazon, de Consumentenbond, Zalando en de RND vragen om een geaccepteerde methode
voor leeftijdsverificatie voor te schrijven in de wet- en regelgeving. Het is echter
aan marktpartijen, al dan niet rekening houdend met de richtsnoeren van de AFM, om
een geschikte methode voor leeftijdsverificatie te kiezen en te gebruiken. Zoals enkele
partijen ook toelichten zijn er momenteel initiatieven voor een in de Europese Unie
vastgestelde methode, maar dat is in het kader van dit voorstel nog te vroeg.
Kifid vraagt om een verduidelijking van de civielrechtelijke consequenties van het
publiekrechtelijke verbod om een kredietovereenkomst aan te gaan met een minderjarige
consument. Naar aanleiding van deze consultatiereactie en het advies van de Rvdr is
het leeftijdsverbod tevens opgenomen in het BW, namelijk in artikel 7:75, vierde lid.
Voor verdere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dit
artikel en paragraaf 5 van het algemeen deel van de memorie van toelichting. Riverty
pleit tot slot voor een geheel verbod op kredietverlening aan jongeren en wenst daarom
dat de toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger wordt verwijderd uit artikel 4:34b
Wft. Volgens Riverty mag er geen enkel krediet meer aan jongeren worden verleend,
ook niet met toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger.
In dit wetsvoorstel is gekozen om een totaalverbod, dus ook niet met toestemming van
de wettelijke vertegenwoordiger, te regelen voor krediet in de vorm van uitstel van
betaling, waaronder begrepen kaarten met uitgestelde debitering of «koop nu, betaal
later»-diensten. Voor andere soorten consumptief krediet is gekozen om zo dicht mogelijk
bij de bestaande regels in het BW te blijven en de toestemming door de wettelijke
vertegenwoordiger te behouden. De verwachting is dat dit soort situaties waarbij jongeren
alsnog een krediet afsluiten weinig zal voorkomen, zij het alleen al omdat de meeste
aanbieders van krediet een eigen leeftijdsgrens van 18 of zelfs 21 jaar hanteren.
Kredietbemiddelaars
Enkele aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten, Thuiswinkel.org en de RVD
roepen op om duidelijkheid te geven over de definitie van een kredietbemiddelaar.
Zo verschilt de definitie van «bemiddelaar» in de Wft en het BW en zou niet voldoende
duidelijk zijn wat de passage «die niet enkel een consument direct of indirect in
contact brengt» betekent en wat wordt bedoeld met het economisch voordeel dat door
de bemiddelaar wordt behaald.
Bij de implementatie van de richtlijn wordt getracht zo dicht mogelijk bij de bestaande
definitiebepalingen in de wet te blijven. Bij de implementatie van de CCDI is in de
artikelsgewijze toelichting bij artikel 7:57 BW uitgelegd waarom de definities in
het BW en de Wft verschillen. Gezien de systematiek van de Wft geldt de volgende argumentatie
nog steeds. Samengevat bevat artikel 1:1 Wft reeds definitiebepalingen voor onder
meer de begrippen «bemiddelaar» en «bemiddelen». Deze begrippen hebben gelet op het
feit dat het toepassingsgebied van de Wft zich uitstrekt over de hele financiële markt,
een bredere strekking dan de definitiebepalingen die zijn opgenomen in artikel 3 van
de richtlijn en waarvan het toepassingsgebied zich niet verder uitstrekt dan de markt
voor consumentenkrediet. Bij de implementatie van de richtlijn in de Wft diende hiermee
rekening gehouden te worden. Daarentegen kon in artikel 7:57 BW worden aangesloten
bij de definitiebepalingen zoals deze in artikel 3 van de richtlijn zijn opgenomen.
Om het voorgaande wordt niet gekozen voor harmonisering van de definities in het BW
en de Wft.
Een grote winkel kwalificeert als hij als tussenpartij tussen de consument en bijvoorbeeld
een aanbieder van «koop nu, betaal later»-diensten fungeert. Er is onder andere sprake
van bemiddelen, omdat de winkel de consument niet enkel direct of indirect in contact
brengt met een aanbieder van krediet (zoals genoemd in artikel 3, onderdeel 12, van
de richtlijn), maar meer doet dan dat. Uitgezonderd van bemiddelen is het enkel in
contact brengen van een consument met een aanbieder van krediet door enkel het doorgeven
van NAW-gegevens (naam, adres en telefoonnummer). In het geval van «koop nu, betaal
later»-diensten, zal de betreffende winkel echter ook het kredietbedrag doorgegeven
en het kredietdoel of aanpassing van deze gegevens bij retournering van een product.
Aangezien deze gegevens meer behelzen dan enkel de NAW-gegevens, kan er sprake zijn
van bemiddeling (indien ook aan de andere voorwaarden voor bemiddelen wordt voldaan).
Een andere voorwaarde binnen de definitie van bemiddelen is dat deze dienst tegen
een vergoeding in de vorm van geld of een andere overeengekomen financiële beloning
wordt verleend. Thuiswinkel.org geeft aan dat winkels die «koop nu, betaal later»
als betaalopties aanbieden geen vergoeding van de consument vragen en dat de verwerking
van de transactie vaak duurder is dan bijvoorbeeld een iDEAL betaling. Deze partij
is daarom van mening dat er geen vergoeding of andere overeengekomen financiële beloning
wordt gevraagd van winkels en zij daarmee niet kwalificeren als bemiddelaar.
De praktijk is inderdaad zo dat er in veel gevallen geen vergoeding wordt gevraagd
door winkels aan consumenten voor het kiezen van «koop nu, betaal later»-betaalopties.
Dit betekent niet dat de winkels geen financiële beloning ontvangen die voortvloeit
uit deze dienstverlening. Uit marktonderzoek van de AFM blijkt onder andere dat het
aanbieden van «koop nu, betaal later» als betaaloptie de omzet van winkels kan verhogen
en daarmee een financiële beloning als bedoeld in de richtlijn met zich brengt.
Dat winkeliers in sommige gevallen als bemiddelaar worden beschouwd onder de richtlijn,
wordt onder meer duidelijk uit de lidstaatoptie uit artikel 37, derde lid, onderdeel
a, van de richtlijn. Deze uitzondering maakt het mogelijk voor lidstaten om leveranciers
van goederen of diensten die optreden als bemiddelaar in nevenactiviteit uit te zonderen
van de registratieplicht. Door deze uitzondering wordt (a contrario) duidelijk dat
winkeliers in sommige gevallen wel degelijk als bemiddelaar worden beschouwd door
de richtlijn. Onder meer hierdoor is dit het uitgangspunt geweest van het kabinet
bij de implementatie van de richtlijn.
Mkb-uitzondering artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn
Enkele partijen roepen op om volledig gebruik te maken van de lidstaatoptie uit artikel 37,
derde lid, onderdeel a, van de richtlijn. Er wordt in het conceptwetsvoorstel al deels
gebruikgemaakt van deze lidstaatoptie, waardoor (online) winkeliers die als micro-,
kleine of middelgrote ondernemingen zijn aangemerkt in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG
zijn uitgezonderd van de registratieplicht voor bemiddelaars in de zin van artikel 2:81
Wft. Voor grootbedrijf gaat een registratieplicht gelden. Deze keuze wordt in stand
gehouden. In dat kader vragen Thuiswinkel.org en de RND waarom grote winkeliers anders
worden behandeld dan kleinere winkeliers en kaarten zij aan dat de passage dat «platforms
financiële draagkracht hebben en veel klanten» stigmatiserend is. De richtlijn balanceert
op dit gebied tussen een zo hoog mogelijke consumentenbescherming versus het niet
onnodig belemmeren van de mkb-markt. Er is bij de implementatie getracht de retailmarkt
te ontzien waar wenselijk door gebruik te maken van de lidstaatoptie uit artikel 37,
derde lid, onderdeel a, van de richtlijn. De opgenomen passages ten aanzien van grote
(online) winkels of platforms volgen uit de overwegingen bij de preambule van de richtlijn,
waaronder overweging 17 en 84. Gezien het bezwaar van de hiervoor genoemde partijen
en de beperkte bijdrage van de passages over financiële draagkracht aan de memorie
van toelichting, is de passage uit de memorie van toelichting verwijderd.
Billink roept ten aanzien van de lidstaatoptie op om in de memorie van toelichting
te verduidelijken dat de uitzondering van de registratieplicht voor bemiddelen ook
geldt ten aanzien van krediet anders dan de klassieke «koop nu, betaal later»-diensten.
Artikel 37, derde lid, van de richtlijn, regelt enkel welke partij is uitgezonderd
van de registratieplicht, niet welke type kredieten. Dit betekent dat de uitzondering
geldt voor «leveranciers van goederen of dienstverleners die worden aangemerkt als
micro-, kleine of middelgrote ondernemingen (...) en die optreden als kredietbemiddelaars
in nevenactiviteit», ongeacht de kredietvorm waarbij zij bemiddelen. Aangezien dit
veelal om winkels zal gaan is in het voorstel het voorbeeld van «koop nu, betaal later»-diensten
gegeven. In de memorie van toelichting is verduidelijkt dat dit om een voorbeeld gaat.
Kifid vraagt of de uitgezonderde bemiddelaars zoals beschreven in de alinea’s hierboven
zich dienen aan te sluiten bij Kifid. Dit is niet het geval. Doordat deze bemiddelaars
worden uitgezonderd van de registratieplicht hoeven deze partijen niet te voldoen
aan artikel 4:17 Wft inzake de interne klachtenprocedure en aansluiting bij het Kifid.
Indien verduidelijking in de Vr Wft noodzakelijk is, wordt dat bij het opstellen van
de lagere regelgeving bezien.
Tot slot vraagt Riverty verduidelijking in hoeverre de AFM toezicht houdt op de uitgezonderde
bemiddelaars. Aangezien er voor deze partijen geen registratieplicht gaat gelden,
zal de AFM op hen geen toezicht houden op basis van de Wft. Wel kan zij toezicht houden
op grond van de Whc op grond van de Wft- en BW-bepalingen die in die wet zijn opgesomd.
Het gaat hier om bepalingen die de consumentenbelangen dienen. De AFM zal overigens
wel kunnen optreden tegen partijen die in krediet bemiddelen zonder de daartoe verplichte
vergunning, zoals een niet-mkb-onderneming die zou bemiddelen in «koop nu, betaal
later»-krediet van meer dan drie maanden.
Uitzondering voor gebouwgebonden verduurzamingsdiensten
Het Nationale Groeifonds programma Toekomstbestendige Leefomgeving en Stichting TKI
Bouw en Techniek verzoeken om in de Wft en in Titel 2a van Boek 7 BW op te nemen dat
gebouwgebonden verduurzamingsdiensten uitgezonderd zijn van de reikwijdte van deze
wetten. Deze diensten betreffen volgens deze partijen energieprestatiecontracten op
basis van doorlopende dienstverlening en zouden daarom uitgezonderd moeten worden
van de kredietregels voor consumentenkrediet.
In de definitie van kredietovereenkomst in de Wft en in Titel 2a van Boek 7 BW is
doorlopende dienstverlening reeds uitgezonderd op grond van de CCDI. Een voorbeeld
van een dergelijke overeenkomst is een verzekeringscontract waarbij de premie in maandelijkse
termijnen wordt voldaan (overweging 12 CCDI). De nieuwe richtlijn gaat niet nader
in op het begrip doorlopende dienstverlening en bevat tevens geen bepalingen ten aanzien
van (het al dan niet uitzonderen van) gebouwgebonden verduurzamingsdiensten (of energieprestatiecontracten).
Er wordt geen aanleiding gezien tot aanpassing van de Wft en Titel 2a van Boek 7 BW
op dit punt.
Doorverkopen van vorderingen
De AFM vraagt aandacht voor de vrijstelling van bepaalde overeenkomsten van de toepassing
van de Wft en het AFM-toezicht daarop. Het betreft overeenkomsten, waarbij uitstel
van betaling wordt verleend door een mkb-onderneming (artikel 7:58, tweede lid, onderdeel
d, BW). In deze gevallen mag krediet door een derde worden overgekocht. Het gevolg
is dat partijen die dergelijke overeenkomsten opkopen ook niet onder de Wft vallen.
Volgens de AFM ontstaat hierdoor ruimte voor de opkomst of uitbreiding van marktpraktijken
die (willen) ontkomen aan de nieuwe gedragsregels en het AFM-toezicht. Hoewel dit
inderdaad een risico kan vormen voor het bevorderen van een gelijk speelveld en de
consumentenbescherming biedt de richtlijn geen ruimte om de voorwaarden voor deze
vrijstelling te wijzigen.
Coeo Incasso BV en Billink stellen vragen over artikel 7:58, tweede lid, onderdeel
e, BW. Billink wijst erop dat de voorwaarden die uit artikel 7:58, tweede lid, onderdeel
e BW volgen voor niet-mkb-ondernemingen die overeenkomsten op afstand aangaan, verschillen
van de voorwaarden die gelden voor de overige ondernemingen (zie artikel 7:58, tweede
lid, onderdeel d, BW). Een belangrijk verschil is dat voor niet-mkb-ondernemingen
die overeenkomsten op afstand aangaan, de voorwaarde wordt gesteld dat het moet gaan
om uitstel van betaling dat zij zelf verlenen, zonder dat een derde krediet aanbiedt
en zonder dat een derde het krediet overkoopt. Billink signaleert dat een nadere duiding
van deze voorwaarde ontbreekt in het conceptwetsvoorstel en verzoekt hierom.
Een nadere duiding van het verschil in voorwaarden volgt uit overweging 17 van de
preambule van de richtlijn. Het is de bedoeling om sommige gevallen van uitstel van
betaling buiten het toepassingsgebied van de richtlijn te laten, omdat dat gangbare
handelspraktijken zijn waarbij de consumenten pas na ontvangst van de goederen of
diensten hoeven te betalen. Dit is gunstig voor de consumenten. In de overweging wordt
als voorbeeld genoemd uitstel van betaling van medische rekeningen, waarbij ziekenhuizen
de consumenten tijd geven voor het betalen van medische kosten. De uitsluiting van
het toepassingsgebied moet echter worden beperkt voor bepaalde grote online leveranciers
van goederen of dienstverleners die toegang hebben tot een grote klantenkring, omdat
zij gezien hun financiële draagkracht en hun vermogen om consumenten tot impulsaankopen
en mogelijk tot overconsumptie te bewegen, anders zeer ruim uitstel van betaling kunnen
aanbieden zonder enige waarborg voor de consument en de eerlijke concurrentie met
andere leveranciers van goederen of dienstverleners kunnen verzwakken.
Daarnaast wijzen Coeo Incasso BV en Billink erop dat de formulering van de voorwaarde
zo lijkt te zijn dat de betreffende ondernemingen dergelijke vorderingen nooit kunnen
overdragen, bijvoorbeeld aan een incassodienstverlener, althans niet zonder dat de
vordering achteraf en met terugwerkende kracht kwalificeert als een door de richtlijn
gereguleerde kredietovereenkomst. Dit vindt men onwenselijk en zij verzoeken om een
extra uitzondering waarbij de restrictie met betrekking tot het overdragen van vorderingen
slechts zou moeten gelden gedurende de termijn van uitstel van betaling (van maximaal
14 dagen).
Een niet-mkb-onderneming die overeenkomsten op afstand aangaat en uitstel van betaling
verleent wordt in beginsel alleen uitgezonderd van het toepassingsbereik van de richtlijn
als aan de voorwaarden van artikel 7:58, tweede lid, onderdeel e, BW wordt voldaan.
Als een dergelijke onderneming zelf een betalingstermijn van korter dan veertien dagen
hanteert en daarmee geen rente of andere kosten rekent (behoudens redelijke niet-nakomingskosten),
dan zal zij voldoen aan de uitzonderingsvoorwaarden. De partijen vragen terecht hoe
dit werkt op het moment dat een consument zijn betalingsverplichtingen niet nakomt
en de onderneming de vordering wenst over te dragen aan een derde.
Hoewel de richtlijn niet uitdrukkelijk uitwijst op welk moment een restrictie ten
aanzien van het overdragen van een vordering aan een derde geldt, lijkt het niet de
bedoeling van de Europese wetgever dat dergelijke ondernemingen geen vorderingen meer
kunnen overdragen aan bijvoorbeeld incassodienstverleners bij niet-nakoming door de
consument, zonder dat zij binnen het toepassingsbereik van de richtlijn vallen. Artikel 7:58,
tweede lid, onderdeel e, BW, moet dan ook zo worden gelezen dat, indien een dergelijke
onderneming aan de uitzonderingsvoorwaarden van deze bepaling voldoet bij het sluiten
van de overeenkomst en bij aanvang niet direct overdraagt aan een derde, de overeenkomst
niet van kleur verschiet op het moment dat de consument niet tijdig betaalt en de
onderneming de vordering overdraagt aan bijvoorbeeld een incassodienstverlener.
Schuldadviesdiensten en kredietbanken
De NVVK verzoekt om de definitie van schuldadviesdiensten te verruimen en ziet liever
een interpretatie van schuld- en adviesdiensten die niet enkel gestoeld is op een
verwijzing naar artikel 47 Wck. De richtlijn definieert schuldadviesdiensten onder
meer als «individuele bijstand van technische, juridische of psychologische aard die
wordt verleend door onafhankelijke professionals». Bij de implementatie wordt enkel
een verwijzing naar de Wck opgenomen, omdat artikel 47 Wck in samenhang moet worden
gelezen met de in artikel 48 Wck. Artikel 48 Wck bepaalt welke partijen in Nederland
bevoegd zijn tot schuldbemiddeling. Door de verwijzing naar de Wck wordt voorkomen
dat niet wettelijk aangewezen schuldbemiddelaars kwetsbare consumenten benaderen voor
het uitvoeren van schuldadviesdiensten in de zin van de richtlijn. Schuldadviesdiensten
zijn inderdaad breder dan alleen het «oplossen» van een schuld. Het gaat hierbij ook
om begeleiding, nazorg en aanpalende ondersteuning. Gemeenten vallen binnen één van
de categorieën schuldbemiddelaars in de zin van artikel 48 Wck. Op grond van de Wet
gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) zijn zij en gemandateerde partijen, waaronder
kredietbanken, verantwoordelijk voor het aanhaken van andere professionele dienstverleners
ten aanzien van schuldadvies. Het enkel opnemen van een verwijzing naar artikel 47
Wck betekent dan ook niet dat alleen wordt bemiddeld in schuld. De gemeenten en kredietbanken
zijn vervolgens verantwoordelijk om professionals te betrekken, waardoor alsnog wordt
aangesloten bij de definitie van de richtlijn.
De NVVK wijst verder op de positie van kredietbanken in de artikelen 4:36 en 4:37
Wft. Volgens de NVVK is deze positie onduidelijk. De gemeentelijke kredietbanken zijn
onderworpen aan lokaal toezicht en gedeeltelijk uitgezonderd van de Wft. De NVVK wenst
de uitzondering voor gemeentelijke kredietbanken uit artikel 4:37 Wft explicieter
op te nemen, omdat nu onduidelijkheid bestaat over de verplichtingen waaraan gemeentelijke
kredietbanken moeten voldoen. Deze wens gaat echter de implementatieopdracht van de
richtlijn te buiten.
Precontractuele informatie
De Consumentenbond, het Kifid, Amazon, Klarna en VFN hebben diverse verzoeken ten
aanzien van precontractuele informatie.
De Consumentenbond adviseert om geen gebruik te maken van de gedeeltelijke uitzondering
op precontractuele informatieverplichtingen voor kaarten met uitgestelde debitering
en «koop nu, betaal later»-diensten, aangezien consumenten bij alle vormen van koop
op afstand het recht op transparante informatie hebben om zo geïnformeerde en verantwoorde
beslissingen te kunnen nemen. Deze reactie geeft geen aanleiding tot wijziging van
het wetsvoorstel. In de memorie van toelichting is onder paragraaf 4 overwogen waarom
gekozen is voor de lidstaatoptie om kaarten met uitgestelde debitering en «koop nu,
betaal later»-diensten uit te zonderen van bepaalde precontractuele verplichtingen.
Doorslaggevend blijft dat de consumentenbescherming naar verwachting niet verbetert
door volledige precontractuele informatieverplichtingen te vereisen. Dit maakt dat
de vermindering van de lastendruk en het principe van proportionaliteit zwaarder wegen.
Klarna geeft aan dat de precontractuele informatieverplichtingen duidelijk moeten
zijn en keuzemogelijkheden moeten geven. Ook moet rekening worden gehouden met toekomstige
innovaties en moeten de verplichtingen proportioneel zijn. Amazon stelt in haar reactie
voor om te verplichten dat de precontractuele informatie slechts één keer, op een
beknopte en toegankelijke manier die past bij de online-winkelervaring, wordt gepresenteerd
aan klanten. De richtlijn schrijft de wijze waarop de precontractuele informatieverplichtingen
aan de consument gepresenteerd moeten worden voor, namelijk via het formulier «Europese
standaardinformatie inzake consumentenkrediet» in bijlage I, van de richtlijn. Het
staat lidstaten niet vrij om de informatieverplichtingen op andere wijze voor te schrijven
of keuzemogelijkheden aan partijen te geven. Het staat marktpartijen echter wel vrij
op welke wijze zij de informatie presenteren aan de consument, bijvoorbeeld via een
mobiele app. De richtlijn schrijft verder voor dat de kredietaanbieder de informatie
geruime tijd voordat de consument door een kredietovereenkomst of -aanbieding gebonden
is, aan de consument verstrekt. Voorafgaand aan ieder krediet moet de informatie dus
opnieuw worden verstrekt.
Kifid wijst in haar reactie op het gewijzigde artikel 40 over alternatieve geschillenbeslechting
in de richtlijn. Volgens Kifid volgt uit de tekst van overweging 88 van de preambule
van de richtlijn in combinatie met het gewijzigde artikel 40 van de richtlijn dat
het materiële toepassingsgebied van alternatieve geschillenbeslechting is uitgebreid
naar geschillen in de precontractuele fase, ongeacht of de consument uiteindelijk
een overeenkomst sluit. In het conceptvoorstel is hierover niets opgenomen en Kifid
wenst verduidelijking op dit punt. Verder brengt zij onder de aandacht dat bij de
voorgenomen herziening van de ADR-richtlijn nog geen duidelijkheid bestaat over uitbreiding
van het toepassingsbereik naar precontractuele geschillen ongeacht of de consument
uiteindelijk een overeenkomst sluit. Volgens Kifid is het ongewenst als precontractuele
geschillen van consumenten met betrekking tot consumentenkredieten die onder de richtlijn
vallen wel door Kifid zouden worden behandeld en precontractuele geschillen met betrekking
tot bijvoorbeeld hypothecaire geldleningen niet.
Het materiële toepassingsbereik van de richtlijn is inderdaad breder dan dat van de
CCDI. De inbreng van Kifid ten aanzien van dit punt geeft aanleiding tot het opnemen
van een verduidelijkende passage in paragraaf 5 van de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel. Aangezien de herziening van de ADR-richtlijn momenteel nog niet
gepubliceerd is, kan in het kader van deze implementatie geen duidelijkheid worden
geboden over de uitbreiding naar geschillen ongeacht of de consument uiteindelijk
een overeenkomst sluit. Het punt ten aanzien van het verschil tussen hypothecaire
geldleningen en consumentenkredieten is begrijpelijk, echter regelt de richtlijn enkel
bepalingen ten aanzien van consumentenkredietovereenkomsten. Van een herziening van
de Richtlijn hypothecair krediet is momenteel geen sprake, waardoor het de implementatieopdracht
te buiten zou gaan om deze bepalingen die zien op geschillen in de precontractuele
fase breder te trekken dan consumentenkredietovereenkomsten.
De VFN wenst ten slotte dat de uitsplitsing tussen de kosten van het kredietproduct
en de kosten van overige voordelen bij kaarten met uitgestelde debitering nader wordt
toegelicht, omdat nu niet helder zou zijn welke (precontractuele) informatie wanneer
verstrekt moet worden bij kaarten met uitgestelde debitering. Dit verzoek ziet op
wijzigingen die zien op lagere regelgeving en zullen bij het opstellen daarvan worden
meegenomen.
Koppelverkoop
Van de Consumentenbond, Preventel, American Express, NVVK en VFN zijn opmerkingen
ontvangen ten aanzien van koppelverkoop.
Preventel en American Express verzoeken aan te sluiten bij de richtlijntekst in artikel 7:60a
BW. Deze suggestie is opgevolgd, zodat artikel 7:60a BW uit dezelfde bewoordingen
is opgebouwd als het vergelijkbare artikel 7:121 BW ten aanzien van koppelverkoop
bij hypothecair krediet. De bepaling ten aanzien van hypothecair krediet volgde uit
de implementatie van artikel 12 van de Richtlijn hypothecair krediet. Aangezien de
tekst van het hiervoor genoemde artikel grotendeels overeenkomt met de tekst van de
richtlijn is voor dezelfde wijze van implementatie gekozen.
De Consumentenbond pleit voor een streng verbod op koppelverkoop zonder gebruik te
maken van de lidstaatopties met uitzonderingen. Koppelverkoop zou de keuzevrijheid
van consumenten beperken en de kosten voor consumenten verhogen. Deze aanbeveling
wordt niet opgevolgd. Deze keuze is gemaakt, mede omdat in het bestaande recht al
vormen van vergelijkbare uitzonderingen bestaan op koppelverkoopverboden, te weten
artikel 7:77, eerste lid, sub b, onderdeel 2, BW en artikel 7:121, derde lid, BW.
Omdat deze wijzen van koppelverkopen doorgaans niet gepaard gaan met hoge kosten,
worden de uitzonderingen toegestaan. Bovendien is het de verwachting dat de uitzondering
op het koppelverkoopverbod de keuzevrijheid van de consument niet zal beperken en
niet tot onnodige extra kosten zal leiden, omdat op grond van artikel 7:60a BW de
kredietgever verplicht wordt ook een gelijkwaardige polis van een andere dienstverlener
te accepteren.
Preventel wil graag duidelijkheid over het aanbieden van een telecomabonnement samen
met een telecomkrediet op afbetaling voor de aanschaf van relevante randapparatuur.
Volgens deze partij valt dit gecombineerde aanbod buiten de definitie van koppelverkoop
in de richtlijn en in artikel 7:57, eerste lid, onderdeel w, BW, omdat telecomdiensten
geen financiële diensten zijn. Dit is juist. Daarbij komt dat het afsluiten van een
telecomkrediet geen verplichting is voor de consument. Er is ook de optie om een telefoon
met abonnement zonder krediet af te sluiten. Met de aanpassing van artikel 7:60a BW
en de bevestiging in deze paragraaf zal voldoende duidelijk zijn dat deze dienst niet
wordt gezien als koppelverkoop.
NVVK wijst erop dat artikel 7:60a BW een effectieve hulpverlening door kredietbanken
kan belemmeren, omdat met het saneringskrediet ook andere overeenkomsten, bijvoorbeeld
een budgetbeheerovereenkomst, wordt afgesloten met de consument. De kredietovereenkomsten
die kredietbanken aangaan zijn (onder bepaalde voorwaarden, zie artikel 7:58, tweede
lid, onderdeel j, BW) uitgezonderd van de Titel 2a van Boek 7 BW. Als voldaan wordt
aan de voorwaarden van artikel 7:58, tweede lid, onderdeel j, BW, is het koppelverkoopverbod
van artikel 7:60a BW niet van toepassing op de door de kredietbanken verstrekte kredietovereenkomsten.
Sommige kaarten die American Express aanbiedt in Nederland, bieden kaarthouders aanvullende
verzekeringen die betrekking hebben op reizen en op aankopen die met de kaart worden
gedaan. Deze partij wenst duidelijkheid over polissen waarbij de kredietaanbieder
de verzekeringsdekking als groepsverzekering beschikbaar maakt. Dit is een verzekeringsovereenkomst
in de zin van artikel 7:925 BW die is gesloten tussen een verzekeringnemer en een
verzekeraar, waarbij een of meer derde personen kunnen gelden als verzekerden onder
de polis.46 American Express verzoekt specifiek te verduidelijken dat, wanneer er geen sprake
is van verzekeringsbemiddeling, er ook geen sprake is van koppelverkoop (en het koppelverkoopverbod
dus ook niet van toepassing is). Die lezing is juist. Het verzoek tot verduidelijking
hiervan is opgevolgd bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 7:60a BW. Hier
wordt eveneens uiteengezet onder welke omstandigheden er bij de distributie van groepsverzekeringen
geen sprake is van verzekeringsbemiddeling, en dus niet van koppelverkoop.
Kredietregistratie
Klarna, Billink, NVVK, Riverty, IN3, Qlarifi en VFN gaan in hun consultatiereactie
in op de raadpleging van BKR voor de kredietwaardigheidsbeoordeling en de kredietregistratie
bij BKR. De partijen uiten zorgen over de geschiktheid van BKR als databank vanwege
de frequentie en snelheid van BNPL-transacties. Ook benadrukken partijen dat de maatregelen
op deze onderwerpen proportioneel moeten zijn. Er worden door partijen verschillende
voorstellen gedaan, bijvoorbeeld om de BKR-registratiegrens op € 250 te houden, alleen
kredieten te registreren bij betalingsachterstanden, een apart register voor BNPL-transacties
in te richten of ervan af te zien dat BKR het enige kredietregister wordt. De reacties
van partijen zien echter op zaken die niet geregeld worden door de richtlijn, regels
die zien op bepalingen in lagere regelgeving of regels ten aanzien van het lopende
wetsvoorstel Stelsel Kredietregistratie. Waar relevant zullen de reacties in het kader
van de hiervoor genoemde wet- en regelgeving worden meegenomen.
Riverty wijst er verder nog op dat Nederland strengere regels stelt dan de richtlijn
voorschrijft, bijvoorbeeld door van elke aanbieder te verlangen dat hij BKR raadpleegt
alvorens een krediet te verlenen. Artikel 18, elfde lid, van de richtlijn bevat echter
de lidstaatoptie die lidstaten toestaat van kredietgevers te eisen dat zij de kredietwaardigheid
van consumenten op basis van een raadpleging van de relevante databank beoordelen.
De gestelde strengere regels zijn dan ook een uitwerking van deze lidstaatoptie.
Tot slot verzoekt de VFN om verduidelijking ten aanzien van artikel 18, elfde lid,
van de richtlijn dat reeds onderdeel is van het Nederlands recht in de artikelen 4:32
Wft en 114 BGfo en gaat om het afwijzen van een consument op basis van een negatieve
kredietregistratie. De richtlijnbepaling geeft namelijk aan dat lidstaten kunnen eisen
dat de kredietwaardigheid van consumenten op basis van een raadpleging van de relevante
databank wordt beoordeeld en dat deze beoordeling niet uitsluitend gebaseerd mag zijn
op de kredietgeschiedenis van de consument. In artikel 4:32, tweede lid, Wft wordt
enkel gesproken over het besluit tot kredietverlening. De VFN vraagt om verduidelijking
of de beoordeling in de zin van de wet juridisch gelijkgesteld wordt aan het besluit
tot kredietverlening. Als uitgangspunt moet worden genomen dat voorafgaand aan een
besluit tot kredietverlening te allen tijde een beoordeling is uitgevoerd. Dit volgt
uit artikel 4:34 Wft. De beoordeling wordt dus niet gelijkgesteld aan het besluit
tot kredietverlening.
Productinterventie
De NVB, NVF en Preventel verzoeken om geen gebruik te maken van de lidstaatoptie uit
artikel 41 van de richtlijn om de AFM productinterventiebevoegdheden toe te kennen.
Samengevat vinden deze partijen dat de bevoegdheid, die geïmplementeerd is in artikel 1:77q
Wft te ruim en vaag is opgezet en de AFM hiermee een mogelijkheid krijgt om in veel
gevallen te kunnen ingrijpen. Indien gekozen wordt om de productinterventiebevoegdheid
te behouden, stelt de NVB voor om meer aan te sluiten bij de bewoordingen van artikel 1:77f
Wft jo. artikel 42 van de Verordening voor financiële instrumenten 600/2014.47
Gezien het belang van bescherming van (kwetsbare) consumenten binnen de snel ontwikkelende
kredietmarkt, wordt de productinterventiebevoegdheid behouden. Voor een uitgebreidere
toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4 van deze memorie van toelichting. De reacties
geven echter wel aanleiding tot aanpassing van het voorstel en nauwere aansluiting
bij de bestaande bepalingen in artikel 1:77f Wft. Artikel 1:77q Wft en de artikelsgewijze
toelichting daarbij worden dan ook aangepast. Daarbij geldt tevens dat een nadere
uitwerking op grond van artikel 1:77q, derde lid, Wft volgt in de lagere regelgeving.
Privacy (AVG)
Enkele partijen hebben reacties bij diverse AVG-gerelateerde onderwerpen, voornamelijk
in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling.
De Consumentenbond wenst scherpere grenzen aan het gebruik van persoonsgegevens voor
profilering en geautomatiseerde besluitvorming bij kredietverlening. De VFN geeft
aan dat het niet helder is of er al sprake is van geautomatiseerde verwerking wanneer
informatie elektronisch wordt opgevraagd in plaats van via papieren communicatie,
of dat het begrip verder strekt. De regels inzake geautomatiseerde verwerking volgen
voornamelijk uit artikel 13 van de richtlijn (dat geïmplementeerd is in artikel 7:60,
vierde lid, BW) en uit artikel 18, achtste lid, van de richtlijn, dat zal landen in
lagere regelgeving. Voor de bewoordingen van artikel 7:60, vierde lid, BW, wordt de
richtlijntekst overgenomen van artikel 13 van de richtlijn. Er is geen ruimte voor
lidstaten om striktere regels op te leggen aan partijen. Bij het opstellen van de
lagere regelgeving zal gekeken worden naar de ruimte die artikel 18, achtste lid,
van de richtlijn, biedt. Wat betreft de opmerking van de VFN moeten de regels inzake
geautomatiseerde verwerking worden gelezen in het licht van de overwegingen in de
preambule van de richtlijn. Zo volgt onder andere uit overweging 46 en 56 dat het
vooral gaat om geautomatiseerde verwerking met artificiële-intelligentiesystemen en
lijkt het onderscheid «elektronisch of op papier» minder relevant.
De NVB stelt voor om in de memorie van toelichting te verduidelijken dat het de aanbieder
is die bepaalt hoe de afscherming van bijzondere persoonsgegevens in het kader van
de kredietwaardigheidsbeoordeling plaatsvindt en meerdere partijen geven aan de toelichting
te beschrijvend te vinden voor de opties om de gegevens af te schermen. De memorie
van toelichting is op deze onderwerpen op enkele plekken aangepast om de verantwoordelijkheid
van de aanbieder (inclusief de wijze van afscherming) te verduidelijken.
De VFN geeft tot slot aan dat het onduidelijk is of de grondslag van 4:34a Wft ook
voor de beheerfase of voor toepassingen als creditscoring en fraudepreventie geldt.
Dit is niet het geval. In artikel 4:34a, eerste lid, Wft wordt bepaald dat de grondslag
van toepassing is op verwerking van bijzondere persoonsgegevens in het kader van de
kredietwaardigheidsbeoordeling die volgt uit artikel 4:34 Wft. De grondslag geldt
dan ook enkel voor verwerking in het kader van de hiervoor genoemde beoordeling.
Toename van kosten
Een aantal aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten uit de zorg dat de kosten
zullen toenemen als gevolg van aansluiting bij een stelsel van kredietregistratie
en (doorlopend) toezicht. «Koop nu, betaal later»-diensten zijn momenteel veelal gratis
voor consumenten, maar de partijen waarschuwen dat dit waarschijnlijk niet meer mogelijk
is in de toekomst. Ook achten partijen de kans aanwezig dat door de kosten van toezicht
minder partijen een vergunning zullen aanvragen.
Eerder in deze paragraaf is toegelicht waarom niet is gekozen voor de lidstaatoptie
om de hiervoor genoemde diensten uit te zonderen van een groot deel van de Wft-bepalingen,
waaronder aansluiting bij databanken ten behoeve van kredietregistratie. Daarnaast
zijn kosten voor toezicht onvermijdelijk, aangezien het niet mogelijk en wenselijk
is om deze partijen uit te zonderen van toezicht door de AFM. Bij de kosten van toezicht
is gekozen voor aansluiting bij de bestaande systematiek. Hoewel ook in de lagere
regelgeving wordt gekeken naar mogelijkheden om doorberekening van kosten aan de consument
zo veel mogelijk te vermijden, is deze doorberekening een mogelijk gevolg van de nieuwe
regels ten aanzien van deze diensten. Dit weegt echter niet op tegen de mate van bescherming
die consumenten zullen genieten als gevolg van deze wet- en regelgeving.
Vroegsignalering van financiële problemen
De NVB verzoekt om voor de signalering van betalingsproblemen een wettelijke grondslag
op te nemen voor de verwerking van persoonsgegevens en het onder strikte voorwaarden
verwerken van bijzondere persoonsgegevens. Ook de VFN verzoekt om een wettelijke grondslag
om gebruik te maken van transactiedata.
In overweging 81, van de preambule, van de richtlijn, staat dat kredietgevers een
rol hebben bij het voorkomen van overmatige schuldenlast door consumenten die financiële
moeilijkheden ondervinden, vroegtijdig op te sporen en te ondersteunen. Daarom moeten
kredietgevers beschikken over procedures en beleid voor de opsporing van dergelijke
consumenten om ervoor te zorgen dat zij hen daadwerkelijk kunnen doorverwijzen naar
gemakkelijk toegankelijke schuldadviesdiensten. Dit staat tevens in artikel 36 van
de richtlijn. Er wordt geen noodzaak gezien om in het kader van vroegsignalering een
additionele wettelijke grondslag op te nemen voor verwerking van persoonsgegevens.
Kredietgevers dienen enkel op grond van artikel 4:35b Wft uitvoering te geven aan
de op hen van toepassing zijnde verplichting.
Volgens VFN roept artikel 4:35b Wft vragen op over de termijnen voor het signaleren
van financiële problemen en de doorwijsplicht door kredietgevers. VFN verzoekt om
verduidelijking in de memorie van toelichting. In overweging 81 van de preambule bij
de richtlijn is opgenomen dat onder financiële problemen een grote verscheidenheid
aan situaties wordt verstaan, onder meer uitstel van terugbetaling van schulden met
meer dan 90 dagen. Er worden in de richtlijn geen termijnen gegeven voor het signaleren
van financiële problemen en het doorverwijzen door kredietgevers. De praktijk, samen
met de toezichthouder zal hier invulling aan kunnen geven.
Tot slot is het volgens VFN onduidelijk of de norm van artikel 4:35b Wft, zoals beschreven
in de memorie van toelichting, uniform toepasbaar is voor alle kredietaanbieders,
zowel groot en klein. De norm van artikel 4:35b Wft zal door de marktpartijen (al
dan niet in samenspraak met de AFM) ingevuld moeten worden.
Overgangsrecht – bestaande overeenkomsten
American Express pleit voor verdere uitbreiding van uitzonderingen die gelden voor
reeds bestaande kredietovereenkomsten en verzoekt in dat kader om verduidelijking
van artikel IV van het wetsvoorstel zodat – na inwerkingtreding van het wetsvoorstel –
een aanbieder van krediet ten aanzien van bestaande kredietovereenkomsten met onbepaalde
looptijd, de bestaande regels die voortvloeien uit de CCDI kan blijven toepassen.
Artikel IV van het conceptwetsvoorstel voegt ter implementatie van artikel 2, tweede
lid, onderdeel l, van de richtlijn aan de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek artikel 211aa
toe. Daarin wordt bepaald dat na inwerkingtreding van het wetsvoorstel Titel 2a van
Boek 7 BW van het huidige wetboek, met uitzondering van de artikelen 62, 63 en 70,
eerste en tweede lid van toepassing blijft op voor de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
bestaande kredietovereenkomsten met onbepaalde looptijd. De artikelen 62, 63 en 70,
eerste en tweede lid, van Boek 7 BW, worden namelijk gewijzigd als gevolg van de implementatie
van de richtlijn en zijn dan in de gewijzigde vorm ook van toepassing op reeds bestaande
kredietovereenkomsten met onbepaalde looptijd. De richtlijn biedt geen ruimte om deze
uitzondering verder uit te breiden voor reeds bestaande kredietovereenkomsten.
Reacties ten aanzien van lagere regelgeving
Een aantal partijen heeft verzoeken ten aanzien van de verificatieplicht die samenhangt
met de kredietwaardigheidsbeoordeling en de kredietvergoeding. Het is begrijpelijk
dat partijen vragen hebben over deze thema’s, aangezien deze nauw samenhangen met
de andere regels die gelden ten aanzien van het aanbieden van krediet. De regels ten
aanzien van de verificatieplicht en de kredietvergoeding zijn echter opgenomen in
het BGfo en het Besluit kredietvergoeding. Hoewel de doelstelling is om de lagere
wet- en regelgeving zo goed mogelijk te laten aansluiten op de wet in formele zin,
kan in het kader van dit wetsvoorstel geen uitsluitsel worden gegeven over de verzoeken
van partijen ten aanzien van de hiervoor genoemde thema’s. De reacties van partijen
worden meegenomen in de aanpassing van de lagere wet- en regelgeving en het implementatiebesluit
zal tevens bij het publiek worden geconsulteerd.
Overig
Een aanbeveling om onder meer de term «krediet» te wijzigen in «lening», omdat de
terminologie van de richtlijn en overige Europese regelgeving volgens de respondent
niet klopt, wordt niet overgenomen. Er wordt aangesloten bij de termen die worden
gebruikt in de richtlijn en in de wetgeving waarin de richtlijn wordt geïmplementeerd
(Wft en het BW).
Van American Express is de aanbeveling ontvangen om de inwerkingtreding van de nieuwe
regelgeving vast te stellen op 12 maanden na het aannemen van het definitieve wetsvoorstel,
ervan uit gaande dat het voorstel korter dan 12 maanden voor 20 november 2026 wordt
aangenomen. Het staat lidstaten echter niet vrij om een inwerkingtredingsdatum na
20 november 2026 vast te stellen voor regelgeving die dwingend door de richtlijn wordt
bepaald. Voor kaarten met uitgestelde debitering wordt een uitzondering gemaakt doordat
tijdelijk – voor een periode van zes maanden na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel –
gebruik wordt gemaakt van de lidstaatoptie om deze kaarten uit te zonderen van het
toepassingsgebied. Deze keuze is hierboven in paragraaf 13 toegelicht.
De Consumentenbond adviseert om de informatieverplichtingen overzichtelijker te maken
door integratie van ESIC-formulieren. De richtlijn bevat geen voorschrift om een dergelijke
integratie voor te schrijven. Omdat de onderhavige kwestie buiten het bereik van de
implementatieopdracht valt, kan daarop in dit voorstel van wet niet verder worden
ingegaan.
De NVB pleit ervoor om de consumentenbeschermende maatregelen van de richtlijn alleen
van toepassing te laten zijn op kredietovereenkomsten tot een bedrag van € 100.000,
omdat de Europese wetgever niet voor niets deze bovengrens heeft ingevoerd. De richtlijn
geeft lidstaten de mogelijkheid om met betrekking tot kredietovereenkomsten die buiten
het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, zoals kredietovereenkomsten boven een
bedrag van € 100.000, nationale wetgeving te handhaven of in te voeren die overeenstemt
met de richtlijn (zie overweging 14 van de preambule van de richtlijn). Van deze ruimte
wordt gebruikgemaakt, omdat dit zorgt voor meer consumentenbescherming. Kredietovereenkomsten
boven de € 100.000 zijn vanwege de hoogte van het bedrag juist risicovol, ook al wordt
een consument die een dergelijke kredietovereenkomst kan afsluiten geacht minder kwetsbaar
te zijn.
Kifid wijst op een kennelijke vergissing die is gemaakt in artikel 7:60, zevende lid,
BW van het wetsvoorstel, daarin ontbreekt een verwijzing naar het vijfde lid. Dit
is alsnog opgenomen in het zevende lid.
De NVF heeft diverse verzoeken ten aanzien van onder andere de artikelen 7:59, 7:60
en 7:61 BW. Over het algemeen gaan deze verzoeken over verduidelijkingen of nadere
specificaties van termen die in de bepalingen zijn opgenomen. Voor een groot deel
van deze opmerkingen geldt dat de richtlijntekst ofwel geen nadere uitleg geeft aan
termen, ofwel geen ruimte laat om af te wijken van de teksten. In sommige gevallen
geeft de preambule van de richtlijn uitsluitsel. Op enkele punten van de NVF wordt
nader ingegaan.
Zo wenst de NVF om in artikel 7:59 BW van het wetsvoorstel te verduidelijken wat wordt
bedoeld met valse verwachtingen over de beschikbaarheid van een krediet. Deze tekst
wordt voldoende duidelijk geacht. Artikel 7:59 BW implementeert artikel 7 van de richtlijn,
waarin is bepaald dat reclame- en marketingcommunicatie niet misleidend, onduidelijk
of oneerlijk mag zijn. Dat is het geval wanneer reclame valse verwachtingen schept
over de beschikbaarheid van het krediet, de kosten van een krediet of het totale door
de consument te betalen bedrag. Verder volgt volgens de NVF uit artikel 7:61, tweede
lid, onderdeel y, BW, van het wetsvoorstel niet hoe wijzigingen in voorkeuren van
een consument over de wijze waarop de consument informatie ontvangt worden vastgelegd.
Dit is in de richtlijn niet bepaald. Dit betekent dat de kredietgever zelf kan bepalen
hoe wijzigingen in de voorkeuren van de consument worden vastgelegd
RND werpt de vraag op of dit wetsvoorstel overkreditering door gratis kredietverlening
aan kwetsbare mensen die vragen om betaling in termijnen of uitgestelde betaling oplost.
Ook vraagt RND zich af wat er gedaan is met de wettelijke vertaling van de uitspraken
van de Hoge Raad en de prejudiciële vragen over onbetekenende kosten in de zin van
het huidige artikel 7:58, tweede lid, onder e, BW. In het verlengde hiervan vraagt
RND zich af wat redelijke kosten zijn bij niet-nakoming. Lidstaten zijn verplicht
om richtlijnen te implementeren in nationale wetgeving. De richtlijn heeft mede als
doel om een hoge standaard van consumentenbescherming te realiseren. Belangrijk onderdeel
daarvan is het voorkomen van onverantwoordelijke kredietverleningspraktijken en buitensporige
schulden. Dit wetsvoorstel beoogt dus ook overkreditering te voorkomen. Dit neemt
niet weg dat er mogelijk andere manieren zijn om overkreditering tegen te gaan (zoals
de suggestie van RND om een redelijke prijs voor krediet te vragen), maar dit gaat
de implementatieopdracht te buiten. Wat betreft de tweede vraag van RND geldt dat
in de artikelsgewijze toelichting van artikel 1:20 Wft is uitgewerkt dat artikel 6:96,
tweede lid, onderdeel c, BW, en de tarieven als genoemd in het Besluit voor vergoeding
voor buitengerechtelijke kosten gelden als de redelijke kosten ter verkrijging van
voldoening buiten rechte.
Ook Riverty wijst op het bestaan van jurisprudentie met betrekking tot incassokosten
en stelt de mogelijkheid voor om nationale wetgeving in overeenstemming te brengen
met de recente uitspraak van het HvJ (ECLI:EU:C:2024:895), waarin zou worden bevestigd
dat kredietgevers redelijke incassokosten mogen vorderen boven op het gevorderde bedrag,
mits deze kosten transparant en proportioneel zijn. Deze wens valt echter buiten de
reikwijdte van de implementatieopdracht.
Thuiswinkel merkt op dat er vanuit de sector behoefte bestaat aan leidraden over de
uitwerking van de wet. De grote verbreding van de reikwijdte van de Wft legt een hoop
nieuwe registratie- of vergunningsverplichtingen op aan webwinkels en platforms. Voor
vragen over de nieuwe registratieplicht en het toezicht kunnen partijen na de inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel terecht bij de AFM als de aangewezen bevoegde autoriteit voor
toezicht op de naleving van de regels ter implementatie van de richtlijn en de handhaving
op en verlening van een vergunning of registratie voor het in Nederland aanbieden
van krediet, het bemiddelen in krediet of het adviseren in krediet.
De VFN kaart aan dat in artikel 7:75 BW uitzonderingen worden gemaakt voor kredieten
van meer dan € 40.000. Zij verzoekt om uitleg over welke uitzonderingen blijven gelden
bij het verhogen van het maximale toepassingsbereik naar € 100.000. Het wetsvoorstel
heeft geen gevolgen voor artikel 7:75 BW. Dit artikel en de daarin vermelde uitzonderingen
blijven gelden.
De VFN verzoekt verder om objectieve gronden voor de invulling van het non-discriminatiebeginsel
van artikel 6 van de richtlijn. Artikel 6 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten
ervoor zorgen dat de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om een krediet te krijgen,
niet discriminerend zijn voor consumenten die legaal in de Unie verblijven op grond
van hun nationaliteit of verblijfplaats of op enige andere grond als bedoeld in artikel 21
van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wanneer die consumenten
binnen de Unie een kredietovereenkomst aanvragen, sluiten of erover beschikken. Noch
het artikel, noch de preambule van de richtlijn bevat een uitwerking van gronden voor
non-discriminatie. Het is dan ook aan marktpartijen zelf om invulling te geven aan
dit non-discriminatiebeginsel, al dan niet op basis van het Handvest van de grondrechten
van de Europese Unie.
VFN stelt aan de orde dat in het wetsvoorstel (in de artikelen 7:60, tweede lid, BW
en 7:61, eerste lid, BW) of in de memorie van toelichting niet (duidelijk) is opgenomen
dat papier als duurzame drager kan functioneren, terwijl dit wel duidelijk staat in
de richtlijn. In artikel 7:61, eerste lid, BW van het wetsvoorstel wordt opgenomen
«op papier of op een andere duurzame drager». Daarmee wordt voldoende duidelijk dat
papier als duurzame drager kan functioneren. In artikel 7:60, tweede lid, wordt opgenomen
«op papier of de gekozen duurzame dragen». Het woord «ander» ontbreekt. Dit wordt
toegevoegd, zodat duidelijk is dat papier als duurzame drager kan functioneren.
§ 12. Advies Autoriteit Persoonsgegevens
De AP heeft een wetgevingstoets uitgevoerd ten aanzien van het wetsvoorstel. Op grond
van artikel 36, vierde lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming zijn lidstaten
immers verplicht om de toezichthoudende autoriteit te raadplegen bij het opstellen
van een wetsvoorstel dat betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens, zoals
het geval is bij het onderhavige wetsvoorstel.
De wetgevingstoets bevat een vijftal opmerkingen op het wetsvoorstel. Volgens de AP
nopen deze opmerkingen tot aanpassingen van het wetsvoorstel. Deze opmerkingen zullen
hierna achtereenvolgens worden besproken. Er zal toegelicht worden welke aanpassingen
aan het wetsvoorstel zijn gedaan.
Evenredigheid kredietwaardigheidsbeoordeling in de praktijk
De AP wijst er allereerst op dat op dit moment niet duidelijk wordt gemaakt op welke
manier gewaarborgd is dat de op grond van de richtlijn en de AVG vereiste evenredigheid
in de praktijk zal worden bereikt. Kredietgevers moeten voordat ze krediet verstrekken
de kredietwaardigheid van hun consument beoordelen, maar de persoonsgegevens voor
die beoordeling mogen niet onevenredig worden verzameld. Het opvragen van informatie
voor de kredietwaardigheidsbeoordeling moet altijd noodzakelijk en evenredig zijn
met de aard, duur, waarde en risico’s van het krediet, aldus artikel 18, derde lid,
van de richtlijn. De AP merkt op dat in de memorie van toelichting echter ervan wordt
uitgegaan dat kredietgevers in het kader van een kredietwaardigheidsbeoordeling de
daarbij behorende evenredigheidsafwegingen zelf kunnen en mogen maken. Dit zou ten
onrechte zijn, aangezien het integraal opvragen van rekeningafschriften bij consumenten
onder de huidige wetgeving al praktijk is en evident niet evenredig is. De AP wijst
daarom op de mogelijkheid om kredietgevers aan te sporen een gedragscode op te stellen
in de zin van artikel 40 AVG die door de AP wordt getoetst en waar een door de AP
geaccrediteerd orgaan in de zin van artikel 41 AVG toezicht op houdt. In de gedragscode
kan dan worden ingegaan op de soort persoonsgegevens die in zijn algemeenheid altijd
of juist nooit nodig zullen zijn voor bepaalde categorieën kredietwaardigheidsbeoordelingen.
Daar zou ook in moeten worden gewaarborgd dat persoonsgegevens die uit externe bronnen
worden geraadpleegd juist zijn en zijn verkregen op een manier die rechtmatig en integer
is.
Deze aanbeveling wordt opgevolgd. Artikel 4:34 Wft was en blijft ook na het implementeren
van de richtlijn een open norm. Deze norm is met de implementatie ingekleed door evenredigheid
naar «aard, duur, waarde en risico’s van het krediet» toe te voegen aan, eerste lid, van de hiervoor genoemde bepaling. Ondanks dat de
richtlijn verder geen nadere invulling geeft van de evenredigheid die vereist wordt,
neemt dit niet weg dat de gegevens die kredietgevers in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling
kunnen opvragen breed, maar ook privacygevoelig kunnen zijn. Het opstellen van een
gedragscode kan helpen. Dit initiatief zal in een separaat traject van dit wetsvoorstel
worden onderzocht.
Beperking persoonsgegevens uit banktransacties
De tweede opmerking van de AP ziet op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens
door het gebruik van een integraal rekeningafschrift. Verwerking van informatie op
een rekeningafschrift is volgens de AP een ingrijpende inbreuk op de persoonlijke
levenssfeer van consumenten, omdat alledaagse banktransacties samen bijna een volledig
beeld geven van de identiteit, voorkeuren en gedragingen van iemand. Bovendien bevat
een rekeningafschrift regelmatig bijzondere persoonsgegevens en juist bij bijzondere
persoonsgegevens bestaan risico’s op discriminatie als deze wel worden meegewogen
bij de beoordeling van kredietwaardigheid. Het is onwaarschijnlijk dat alle transacties
in een rekeningafschrift op individueel niveau, inclusief afzender of ontvanger en
omschrijving, altijd nodig zijn voor een kredietgever om aan zijn taken op grond van
de richtlijn te voldoen. Waar het verwerken van enkel het bedrag van een transactie
en bijvoorbeeld een uitgave- of inkomstencategorie toereikend is, is dat ook verplicht.
In het wetsvoorstel worden kredietgevers weliswaar verplicht om ontvangen bijzondere
persoonsgegevens weg te lakken, maar de AP stelt voor om een minder ingrijpend alternatief
voor het verstrekken van rekeningafschriften te onderzoeken, te weten het opstellen
van een geverifieerde gestandaardiseerde rapportage door de eigen bank van een consument.
Een dergelijke geverifieerde gestandaardiseerde rapportage zou enerzijds kredietverstrekkers
voldoende vertrouwen bieden dat sprake is van een getrouwe weergave van de voor zijn
beoordeling belangrijke inkomsten en uitgaven, terwijl anderzijds bijzondere persoonsgegevens
en alle andere niet-noodzakelijke of gevoelige transactiegegevens gelakt zijn of geaggregeerd
zijn tot een bepaalde inkomsten- of uitgavencategorie. Er zijn ook andere varianten
mogelijk.
De wetgever begrijpt deze door de AP voorgestelde alternatieven en is daar ook voorstander
van. In het kader van dit onderwerp zijn er eerder met de sector rondetafelbijeenkomsten
geweest over mogelijke alternatieven voor verificatie door middel van het integraal
rekeningafschrift. Uit deze gesprekken is gebleken dat de technologie op dit moment
nog niet ver genoeg is om gestandaardiseerde rapportages op te stellen die in zijn
geheel geen bijzondere persoonsgegevens bevatten. De verschillende alternatieven zijn
afgewogen, maar de gekozen methode voor afschermen van de gegevens door bijvoorbeeld
een andere afdeling of derde (dit kan ook de bank zijn van de consument) wordt geselecteerd
als methode met de minste «bijvangst» aan bijzondere persoonsgegevens. Dit neemt niet
weg dat door technologische ontwikkelingen op langere termijn andere, betere alternatieven
voorhanden zullen zijn.
Zeggenschap over lakken door de kredietverstrekker
Mocht de wetgever na afweging van de hiervoor genoemde opmerkingen toch besluiten
de in het wetsvoorstel gekozen richting voort te zetten, dan acht de AP het nodig
dat de consument inzage en zeggenschap krijgt over de persoonsgegevens die aangemerkt
worden als bijzondere persoonsgegevens en in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling
afgeschermd worden. De vraag of een persoonsgegeven een bijzonder persoonsgegeven
is in de zin van artikel 9 AVG is namelijk een complexe vraag. Meerdere persoonsgegevens
die samen iets zeggen of kunnen zeggen over bijvoorbeeld de gezondheid of levensbeschouwelijke
overtuiging van een persoon, zijn bijzondere persoonsgegevens. Het herkennen daarvan
is van groot belang, maar vergt zorgvuldigheid en oog voor de bredere context waarin
de persoonsgegevens voorkomen in het leven van de consument.
Deze aanbeveling wordt opgevolgd. In het wetsvoorstel is aan artikel 4:34a Wft een
derde lid toegevoegd, dat bepaalt dat de consument inzage krijgt in de bijzondere
persoonsgegevens die zijn verwerkt in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling.
De AP stelt verder voor dat de consument in de gelegenheid wordt gesteld om te reageren
op de hiervoor genoemde gegevens. Dit wordt niet opgenomen in artikel 4:34a Wft. Het
staat een consument echter vrij om een klacht in te dienen bij de kredietgever over
gebruik van gegevens middels de interne klachtenprocedure. Indien dit tot onvoldoende
bevredigend resultaat leidt voor de consument staat het de consument tevens vrij om
bijvoorbeeld een klacht in te dienen bij Kifid.
Uitzondering precontractuele informatie profilering
De AP wijst verder op het gebruik van een lidstaatoptie inzake precontractuele informatie.
Voor bepaalde kredieten is in artikel 2, achtste lid, van de richtlijn, een lidstaatoptie
geboden om een uitzondering te maken op de in artikel 10, vijfde lid, onderdeel m,
van de richtlijn, opgenomen verplichting een consument te informeren over gepersonaliseerde
kredietprijzen op basis van geautomatiseerde verwerking van zijn persoonsgegevens.
Met het wetsvoorstel wordt gebruikgemaakt van deze uitzonderingsmogelijkheid (zie
voorgesteld artikel 7:60, zesde lid, BW). De AP merkt op dat het voorgaande niets
afdoet aan de transparantieverplichtingen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens
en geautomatiseerde besluitvorming die op grond van de AVG altijd gelden. In overweging
30 van de preambule bij de richtlijn is ook bepaald dat de richtlijn geen afbreuk
mag doen aan de AVG. De memorie van toelichting wekt volgens de AP ten onrechte de
indruk dat kredietverleners consumenten niet hoeven te informeren over het personaliseren
van de prijs van hun krediet op basis van geautomatiseerde gegevensverwerking.
Met het wetsvoorstel is niet bedoeld deze indruk te geven. De memorie van toelichting
is op dit punt aangepast, zodat duidelijk wordt dat de uitzondering voor het verschaffen
van bepaalde precontractuele informatie op grond van de richtlijn onverlet laat dat
op partijen nog wel verplichtingen rusten uit hoofde van de AVG.
Maximumtermijn verwerken oncologisch ziekteverleden
Tot slot stelt de AP dat aansluiting bij de maximumtermijn voor verwerking van persoonsgegevens
betreffende de diagnose van oncologische ziekten bij het afsluiten van verzekeringspolissen
in relatie tot een krediet niet vanzelfsprekend is. In de memorie van toelichting
is nagelaten te onderbouwen waarom aansluiting bij die maximumtermijn van vijftien
jaar evenredig is. In het conceptwetsvoorstel is de maximumtermijn uit de richtlijn
overgenomen en is het aan de kredietgevers gelaten om de termijn voor de verwerking
van persoonsgegevens betreffende de diagnose van oncologische ziekten (al dan niet
met een maximum van vijftien jaar) te bepalen. Het advies van de AP en overweging
48 van de preambule van de richtlijn, waaruit volgt dat veel overlevenden van kanker
die in langdurige remissie zijn door hun medische voorgeschiedenis vaak oneerlijk
worden behandeld bij de toegang tot financiële diensten, hebben aanleiding gegeven
om de maximumtermijn te verkorten. In het aangepaste wetsvoorstel wordt de termijn
dan ook vastgesteld op tien jaar na volledige remissie, met een maximum van vijftien
jaar na het einde van de medische behandeling (dwingend bepaald door de richtlijn).
De termijn van tien jaar na volledige remissie sluit aan op de termijnen die gehanteerd
worden in de bestaande nationale «schone-lei»-regeling.48
§ 13. Overgangsrecht en inwerkingtreding
Artikel 47 van de richtlijn schrijft het overgangsrecht voor. De huidige regels uit
de Wft en uit Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW blijven van toepassing voor bestaande
overeenkomsten. Voor nieuwe overeenkomsten die zijn gesloten na inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel, geldt het nieuwe recht ingevolge deze implementatiewet. Voor kredietovereenkomsten
met een onbepaalde looptijd die reeds bestaan op 20 november 2026 geldt een bijzonder
overgangsregime zoals bedoeld in artikel 47 van de richtlijn.
De richtlijn schrijft uiterlijke toepassing voor op 20 november 2026. Deze implementatiewet
treedt daarom in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip met als
streefdatum 20 november 2026.
Voor kredietovereenkomsten in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering geldt
een uitzondering op de hiervoor genoemde toepassingsdatum. Voor deze overeenkomsten
geldt een uitgestelde werking van zes maanden na de inwerkingtredingsdatum van deze
implementatiewet. De uitgestelde inwerkingtreding wordt naast in artikel 1:20, vierde
lid, Wft, ook geregeld in artikel 211aa, derde lid van de Overgangswet nieuw Burgerlijk
Wetboek.
De overgangsregeling biedt de gelegenheid aan de creditcardbranche om zich voor te
bereiden op de nieuwe regelgeving. Op dit moment vallen kaarten met uitgestelde debitering
(de in Nederland gangbare creditcards) niet onder het toepassingsbereik van de kredietregels.
Met de richtlijn vallen deze kaarten wel onder de richtlijn, tenzij een lidstaat ervoor
kiest de kaarten bij implementatie uit te zonderen van het toepassingsbereik. Het
wordt wenselijk geacht om deze kaarten ook onder de kredietregels te brengen. Wel
wordt gebruik gemaakt van de ruimte die de lidstaatoptie biedt, om een latere inwerkingtredingsdatum
voor te schrijven voor dit type krediet. Dit heeft te maken met de bijzondere omstandigheden
die gelden voor de creditcardbranche. De creditcardbranche heeft zorgen geuit over
de snelle inwerkingtredingsdatum en de beperkte tijd om zich aan te passen aan de
nieuwe regels. Als gevolg van de lidstaatoptie blijft lange tijd onzeker of, en in
hoeverre deze branche onder de kredietregels gaan vallen. Pas net voor inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel, bestaat hierover duidelijkheid bij marktpartijen. Dit, tezamen
met de niet tijdige implementatie van de richtlijn en de uitzonderingspositie die
de branche wel in andere lidstaten verwacht, maakt dat niet voldoende kenbaar en voorzienbaar
is voor deze marktpartijen hoe zij zich moeten voorbereiden. Als gevolg hiervan wordt
een aanvullende aanpassingstermijn van zes maanden redelijk geacht. Vanuit het streven
naar een gelijk speelveld in de kredietmarkt, en gezien het belang van consumentenbescherming
bij uitgestelde betaling, waaronder ook BNPL in de vorm van een kaart, is een langere
termijn onwenselijk.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
ARTIKEL I (Wet op het financieel toezicht)
A
Als gevolg van de uitbreiding van het toepassingsbereik tot diverse kortlopende kredieten,
zoals «koop nu, betaal later»-diensten, is, ter verduidelijking de reeds bestaande
definitie van krediet in artikel 1:1 uitgebreid met «het verlenen van uitstel van
betaling». Daarnaast is een definitie opgenomen voor verwijzingen in de Wft naar de
richtlijn.
B
Artikel 1:16 wordt op een aantal punten gewijzigd. Dit artikel bevat een uitzondering
op de Wft voor aanbieders die krediet aanbieden vanuit een vestiging in een andere
lidstaat en waarbij deze financiële dienst kan worden aangemerkt als dienst van de
informatiemaatschappij als bedoeld in 3:15d, derde lid BW. Onder dienst van de informatiemaatschappij
wordt volgens dit lid verstaan elke dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs
elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van de afnemer van de dienst
wordt verricht zonder dat partijen gelijktijdig op dezelfde plaats aanwezig zijn.
In de grote meerderheid van de gevallen, gaat dit om online diensten en dus om online
aanbieders.
In artikel 1:16 is een aantal Wft-artikelen opgenomen dat geldt als «uitzondering
op de uitzondering», waardoor deze artikelen wél op voornoemde aanbieders van toepassing
zijn. De lijst van deze artikelen wordt uitgebreid. Zo wordt allereerst het Algemeen
deel van de Wft (in het nieuwe eerste lid aangeduid als «dit deel») – inclusief het
nieuwe artikel 1:77q – van toepassing verklaard op deze aanbieders (of beter gezegd:
uitgezonderd van de uitzondering). Met deze wijziging wordt productinterventie door
de AFM op basis van artikel 1:77q tegen aanbieders van deze diensten die gevestigd
zijn in een andere lidstaat mogelijk gemaakt. De richtlijn biedt hiervoor in artikel 41,
negende lid, de mogelijkheid, waarin staat dat de lidstaten nationale wetgeving kunnen
toepassen om aan nationale bevoegde autoriteiten productinterventiebevoegdheden toe
te kennen om kredietproducten uit de handel te nemen indien dat gerechtvaardigd is.
Artikel 3, derde lid, van de Richtlijn inzake elektronische handel (2000/31/EG, hierna:
de e-commercerichtlijn), zoals geïmplementeerd in artikel V van de Aanpassingswet
richtlijn inzake elektronische handel biedt eveneens deze mogelijkheid. Zie de toelichting
bij artikel D hieronder voor meer achtergrond bij de productinterventiebevoegdheid.
Daarnaast worden de artikelen 4:32, 4:34, 4:34a en 4:35 uitgezonderd van de werking
van artikel 1:16. Hiermee worden deze artikelen ook van toepassing op aanbieders van
diensten van de informatiemaatschappij (oftewel online aanbieders) die vanuit een
andere lidstaat in Nederland krediet aanbieden. Kort gezegd, worden deze buitenlandse
online aanbieders hiermee (i) verplicht aan te sluiten bij BKR, (ii) verplicht een
kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren op basis van de Nederlandse leennormen
en (iii) onderhevig aan de Nederlandse maximumkredietvergoeding van (thans) 12% zoals
vastgelegd in het Besluit kredietvergoeding als zij krediet aanbieden aan consumenten
in Nederland. Voor wat betreft de handhaving door de AFM bij niet naleving van de
hiervoor genoemde bepalingen geldt dat het voor de AFM mogelijk is om een boete op
te leggen aan buitenlandse partijen, na informeren van de toezichthouder in de lidstaat
van herkomst.
In beginsel geldt op grond van de e-commercerichtlijn (geïmplementeerd in de Aanpassingswet
richtlijn inzake elektronische handel) het oorspronglandbeginsel, wat inhoudt – kort
gezegd – dat online dienstverleners «slechts» hoeven te voldoen aan het geldende recht
van hun lidstaat van vestiging. Dit bevordert de werking van de interne markt omdat
dienstverleners vanuit hun lidstaat dan in de gehele EU hun (veelal online) diensten
kunnen aanbieden (uitzonderingen daargelaten) zonder dat zij rekening hoeven te houden
met de nationale bepalingen van elke afzonderlijke lidstaat waar zij actief zijn.
Voorheen gold dan ook voor buitenlandse, online kredietaanbieders dat zij op grond
van artikel 1:16 volledig waren uitgezonderd van de werking van de Wft, waaronder
van de voor Nederlandse aanbieders verplichte BKR-aansluiting, Nederlandse kredietwaardigheidsbeoordeling
en maximumkredietvergoeding. De richtlijn biedt echter als lex specialis ten opzichte
van de e-commercerichtlijn de mogelijkheid en aanleiding de Wft-artikelen die hierop
betrekking hebben wel op deze aanbieders van toepassing te verklaren. De grondslag
in de richtlijn is artikel 18, elfde lid, en artikel 31, tweede lid, van de richtlijn.
Dat wordt hieronder nader uiteengezet.
Het systeem van kredietregistratie vereist dat de openstaande kredieten van een consument
bij één databank worden verzameld. Anders kunnen kredietaanbieders er niet van uitgaan
dat zij alle openstaande, geregistreerde kredieten van een consument hebben meegenomen
in de kredietwaardigheidsbeoordeling, waardoor deze onbetrouwbaar wordt. Op grond
van artikel 18, elfde lid, van de richtlijn kunnen lidstaten dan ook van kredietgevers
eisen dat zij de kredietwaardigheid van consumenten beoordelen op basis van een raadpleging
van de relevante databank. In Nederland is de relevante databank BKR.49 Om aan de richtlijn te voldoen is het nodig alle kredietgevers – waaronder buitenlandse,
online kredietgevers – te verplichten BKR te raadplegen voordat zij een krediet verschaffen.
Dit wordt geregeld door de artikelen 4:32 en 4:34 en 4:34a uit te zonderen van de
werking van artikel 1:16 Wft. Artikel 4:32 bevat allereerst de verplichting voor aanbieders
om aan te sluiten bij een «stelsel van kredietregistratie», oftewel BKR. Artikel 4:34
bepaalt daarnaast – kort gezegd – dat aanbieders een kredietwaardigheidsbeoordeling
moeten uitvoeren voordat zij krediet verstrekken. Het derde lid bevat een delegatiegrondslag
om nadere regels te stellen ten aanzien van die kredietwaardigheidsbeoordeling. Ook
dit artikel wordt van toepassing verklaard op buitenlandse, online aanbieders, onder
meer om hen daadwerkelijk te verplichten BKR te raadplegen tijdens hun kredietwaardigheidsbeoordeling.
Momenteel is deze verplichting neergelegd in artikel 114 BGfo (met artikel 4:34, derde
lid, Wft, als grondslag), wat bepaalt dat aanbieders verplicht zijn om BKR te raadplegen
als zij een krediet verschaffen van meer dan € 250. Aangezien BKR alleen als betrouwbare
databank met betrekking tot Nederlandse consumenten kan functioneren als aanbieders
BKR niet alleen raadplegen maar verstrekte kredieten juist ook registeren, worden
buitenlandse, online aanbieders ook verplicht om – onder de geldende voorwaarden –
kredieten die zij verstrekken aan Nederlandse consumenten in BKR te registreren. Worden
deze aanbieders hier niet toe verplicht, dan verliest het kredietregister van BKR
haar betrouwbaarheid en wordt de bescherming van consumenten die de raadpleging van
het register dient te bewerkstelligen mogelijk uitgehold door de mogelijkheid grensoverschrijdend
krediet af te sluiten dat in het register niet wordt opgenomen. De precieze regels
ten aanzien van raadpleging van en registratie bij BKR worden uitgewerkt in lagere
regelgeving die op grond van de richtlijn wordt gewijzigd.
De maximumkredietvergoeding wordt daarnaast eveneens van toepassing op buitenlandse,
online aanbieders door artikel 4:35 Wft uit te zonderen van de werking van artikel 1:16
Wft. Artikel 4:35 Wft bevat de delegatiegrondslag voor artikel 115a BGfo, dat bepaalt
dat een aanbieder geen hogere kredietvergoeding mag rekenen dan op grond van het Besluit
kredietvergoeding is toegestaan. De richtlijn biedt hiervoor in artikel 31, tweede
lid, de ruimte, dat bepaalt dat lidstaten verboden of beperkingen kunnen vaststellen
wat betreft specifieke kosten of vergoedingen die door kredietgevers op hun grondgebied
worden toegepast. De maximumkredietvergoeding kwalificeert als een dergelijke beperking
van kosten of vergoedingen.
In het tweede lid van artikel 1:16 Wft is een verschrijving hersteld. Een onjuiste
verwijzing naar het zesde lid, onderdeel a, van artikel V van de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische
handel is vervangen door een correcte verwijzing naar het vijfde lid, onderdeel a, van artikel V van de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel.
C
Met de wijzigingen in artikel 1:20 Wft wordt een aantal bijzondere vormen van krediet
van de toepassing van de Wft uitgezonderd. Een aantal uitzonderingen komt op grond
van de richtlijn te vervallen, met als gevolg dat meer vormen van krediet onder het
toepassingsbereik van de Wft komen te vallen. Enkele kredietovereenkomsten zijn niet
langer uitgezonderd van de richtlijn omdat dit potentieel nadelige producten voor
consumenten zijn, vanwege de hoge kosten die eraan verbonden zijn of de hoge vergoedingen
bij gemiste betalingen.50 Als gevolg hiervan worden het eerste lid, onderdeel c en e, en het tweede lid aangepast.
Tot slot worden in het derde lid en vierde lid (nieuw) twee overgangsbepalingen opgenomen.
Hieronder wordt achtereenvolgens op de wijzigingen ingegaan.
Eerste lid, onderdeel c
Het eerste lid, onderdeel c, wordt gewijzigd ter implementatie van artikel 2, tweede
lid, onderdeel g, van de richtlijn. In dit onderdeel wordt het toepassingsbereik van
de Wft uitgebreid tot (i) huur- of verhuurovereenkomsten met een (schriftelijk overeengekomen)
optie tot aankoop van de zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft en tot (ii)
huur- of verhuurovereenkomsten waarbij partijen de intentie hebben om na afloop van
de overeenkomst het eigendom van de zaak aan de consument over te dragen. Deze huur-
of verhuurovereenkomsten met een dergelijke (ongeschreven) «intentie tot koop» vallen
niet expliciet onder het toepassingsbereik van de richtlijn, maar worden wel nadrukkelijk
onder het toepassingsbereik van de Wft gebracht om de consumentenbescherming bij deze
overeenkomsten gelijk te trekken met die bij overeenkomsten met een geschreven optie
tot koop. Indien dit niet zou worden gedaan, zou dat naar verwachting tot gevolg hebben
dat aanbieders de formele, geschreven optie uit hun (standaard)overeenkomsten schrappen,
maar desondanks als staande praktijk na afloop van de overeenkomst de zaak aan de
consument (blijven) aanbieden. Dit zou in de praktijk geen verschil opleveren voor
de consument – aan wie de zaak linksom of rechtsom blijft worden aangeboden – maar
zou er wel voor zorgen dat de overeenkomsten buiten het toepassingsbereik van de Wft
blijven. Dat gaat in tegen het beoogde effect van de richtlijn en de verplichting
voor lidstaten ingevolge artikel 43, tweede lid, van de richtlijn om ervoor te zorgen
dat de bepalingen van nationaal recht niet kunnen worden omzeild door de wijze waarop
overeenkomsten worden geformuleerd. Dit neemt niet weg dat het mogelijk blijft voor
aanbieders om op incidentele basis na afloop van de kredietovereenkomst de zaak aan
de consument te verkopen, zonder dat zij onder de kredietregelgeving vallen, bijvoorbeeld
op verzoek van de consument.
Huurkoopovereenkomsten waarbij het eigendom van de zaak waarop de overeenkomst betrekking
heeft aan het einde van de looptijd van die overeenkomst overgaat op de consument
vielen reeds onder het toepassingsbereik, nu een dergelijke overeenkomst niet kwalificeert
als huur of verhuur en daarmee niet is uitgezonderd in artikel 1:20 Wft.
Eerste lid, onderdeel e (nieuw)
Bepaalde vormen van uitgestelde betaling komen voortaan binnen het toepassingsbereik
van de richtlijn te vallen. Het gaat bijvoorbeeld om kaarten met uitgestelde debitering,
maar ook «koop nu, betaal later»-diensten. Omdat een uitgestelde betaling ook juist
een gangbare handelspraktijk kan zijn, is beoogd sommige vormen van uitgestelde betaling
in de richtlijn uit te zonderen van het toepassingsbereik. Het gaat bijvoorbeeld om
ziekenhuisrekeningen die later betaald mogen worden.51 Artikel 58, derde lid, onderdelen d en e, van Boek 7 BW implementeert de hiervoor
genoemde uitzondering, waarnaar in artikel 1:20, eerste lid, onderdeel e (nieuw),
Wft wordt verwezen.
De uitzonderingsgrond voor uitstel van betaling wordt opgedeeld in twee categorieën
regels, waarbij de tweede categorie strengere eisen stelt. De eerste categorie, die
in artikel 58, derde lid, onderdeel d, van Boek 7 BW wordt geïmplementeerd, is van
toepassing in de situatie waarin de leverancier van roerende zaken of de dienstverlener
een mkb-onderneming is in de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie
van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) óf als de overeenkomst
niet een dienst van de informatiemaatschappij is in de zin van artikel 1, eerste lid,
onderdeel b, van Richtlijn (EU) 2015/1535 die op afstand wordt gesloten.52 Dit zijn ofwel fysieke winkels of dienstverleners zoals tandartsen, ofwel kleine
of middelgrote online leveranciers of dienstverleners. Voor deze categorie geldt dat
de overeenkomst buiten het toepassingsbereik valt van de Wft indien aan de volgende
drie voorwaarden is voldaan: i) er is geen sprake van een derde die krediet aanbiedt
of een platform, ii) de betaling wordt in het geheel verricht binnen 50 dagen na levering
en iii) de aankoopprijs wordt zonder rente en zonder andere kosten betaald, behalve
waar het gaat om beperkte kosten wegens betalingsachterstand, verschuldigd overeenkomstig
het nationale recht.
De eerste eis betreft dat er geen sprake is van een derde die krediet aanbiedt en
dat het uitstel van betaling niet op een platform wordt aangeboden. De definitie van
platform volgt uit artikel 57, eerste lid, onderdeel ab, Boek 7 BW. Maakt een online
mkb-winkel of een fysieke winkel of dienstverlener gebruik van een derde partij die
krediet aanbiedt, wat het geval is bij «koop nu, betaal later»-diensten, dan is altijd
sprake van een overeenkomst die onder het toepassingsbereik valt van Titel 2a van
Boek 7 BW en de Wft. Ook bij verkoop op een platform waarbij het platform uitstel
van betaling aanbiedt, valt de overeenkomst onder het toepassingsbereik. Dit geldt
ongeacht of i) de consument via het platform van een aangesloten verkoper koopt – waarbij
het platform als derde uitstel van betaling verleent – of ii) de consument direct
van het platform koopt, waarbij het platform uitstel van betaling verleent voor producten
onder eigen naam of label of uit eigen voorraad (en waarbij geen sprake is van een
derde die uitstel van betaling verleent). De eerste situatie valt onder de richtlijn;
voor de tweede situatie is gebruik gemaakt van de beleidsruimte die de richtlijn biedt.
Voor een toelichting daarop wordt verwezen naar paragraaf 4 van deze toelichting.
De tweede eis is dat de betaling moet worden verricht vóór afloop van de in artikel 58,
derde lid, onderdeel d, van Boek 7 BW genoemde betalingstermijn van 50 dagen. De betalingstermijn
vangt aan vanaf het moment van levering. Wanneer dit moment van levering is, volgt
uit het BW. Voor de levering van roerende zaken geldt dat dit het moment is waarop
aan de verkrijger het bezit van de zaak wordt verschaft, ingevolge artikel 3:90 BW.
Ook wanneer de levering onder opschortende voorwaarde wordt gedaan, bijvoorbeeld onder
voorwaarde van betaling, geldt het moment waarop bezit van de zaak wordt verschaft,
ingevolge artikel 3:91 BW.
De derde eis is dat de aankoopprijs zonder rente en zonder andere kosten wordt betaald,
en slechts redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte worden gerekend.
Daarbij geldt artikel 96, tweede lid, onderdeel c, van Boek 6 BW en de tarieven als
genoemd in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
De tweede categorie, die in artikel 58, derde lid, onderdeel e, van Boek 7 BW is geïmplementeerd,
kent zwaardere aanvullende eisen indien de leverancier van roerende zaken of dienstverlener
geen mkb-onderneming is in de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de
definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) én als
de overeenkomst een dienst van de informatiemaatschappij is in de zin van artikel 1,
eerste lid, onderdeel b van Richtlijn (EU) 2015/1535 die op afstand wordt gesloten.53 Dit zijn grote online leveranciers of dienstverleners, zoals grote online webshops.
Voor deze categorie is geen sprake van een overeenkomst die onder het toepassingsbereik
valt van de Wft, indien aan de volgende drie voorwaarden is voldaan: i) er is geen
sprake van een derde die krediet aanbiedt of overkoopt, of van een platform, ii) de
betaling wordt in het geheel verricht binnen 14 dagen na levering en iii) de aankoopprijs
wordt zonder rente en zonder andere kosten betaald, behalve waar het gaat om beperkte
kosten wegens betalingsachterstand, verschuldigd overeenkomstig het nationale recht.
In tegenstelling tot de eerste categorie bedraagt de maximale betalingstermijn 14
dagen en mag er geen sprake zijn van een derde die krediet overkoopt. Indien de derde
partij de vordering overneemt van de leverancier dan wel dienstverlener, kan geen
gebruik gemaakt worden van deze uitzonderingsgrond en valt de overeenkomst binnen
het toepassingsbereik van de Wft.
In de tabel hieronder is – ter illustratie – met een aantal voorbeelden inzichtelijk
gemaakt welke vormen van uitgestelde betaling in ieder geval onder het toepassingsbereik
vallen van de Wft en welke vormen mogelijk onder een uitzondering vallen.
Valt onder de Wft
Valt onder uitzondering
Elke vorm van uitstel van betaling waarbij een derde krediet aanbiedt.
Bijvoorbeeld:
• Een winkel biedt als één van de betaalopties «koop nu, betaal later»-diensten aan
van een derde partij.
Uitstel van betaling verleend door (i) een mkb-onderneming of door (ii) grootbedrijf
met een fysieke winkel onder de voorwaarden dat:
a. binnen 50 dagen de betaling volledig moet zijn verricht; en
b. er geen rente of andere kosten worden gerekend, met uitzondering van redelijke
kosten bij niet-nakoming.
Let op: hierbij mag krediet niet worden aangeboden door een derde, maar mag het wel worden overgekocht (factoring)
Bijvoorbeeld:
• Een fietsenmaker biedt de optie om de factuur twee maanden later te betalen.
• Een tandarts verkoopt zijn vorderingen aan een derde partij waarbij de betaling
na 30 dagen moet zijn verricht.
Elke vorm van uitstel van betaling op een platform, ongeacht of het gaat om producten van het platform (onder label van het platform
of uit voorraad van het platform) of om producten van een derde die via het platform
verkoopt.
Bijvoorbeeld:
• Een platform verkoopt op het platform boeken uit eigen voorraad, waarbij uitstel
van betaling wordt gegeven.
• Een uitgever verkoopt boeken via een platform waarvoor het platform uitstel van
betaling verleent.
Ook deze situatie wordtonder het toepassingsbereik gebracht van de Wft en Titel 2a
van Boek 7 BW door gebruik te maken van de beleidsruimte die de richtlijn biedt. Voor
een toelichting daarop wordt verwezen naar paragraaf 4 van deze toelichting.
Uitstel van betaling verleend door een grote webwinkel (geen mkb-onderneming) zonder
fysieke winkel onder de voorwaarden dat:
a. binnen 14 dagen de betaling volledig moet zijn verricht;
b. er geen rente of andere kosten worden gerekend, met uitzondering van redelijke
kosten bij niet-nakoming; en
c. er niet wordt gedaan aan factoring.
Bijvoorbeeld:
• Een grote webwinkel biedt de mogelijkheid een aangeschafte laptop binnen 14 dagen
te betalen.
Elke vorm van uitstel van betaling tegen bepaalde kosten zoals rente, met uitzondering van redelijke kosten bij niet-nakoming.
Bijvoorbeeld:
• Een winkel biedt voor € 2,– uitgestelde betaling aan als één van de betaalopties.
• Een winkel rekent rente over de looptijd waarin de betaling voldaan moet zijn.
Uitstel van betaling dat niet voldoet aan de voorwaarden voor de uitzondering zoals
genoemd in de rechterkolom.
Tweede lid
Met de komst van de richtlijn is een kredietovereenkomst in de vorm van een geoorloofde
debetstand waarbij binnen een maand wordt afgelost binnen het toepassingsbereik komen
te vallen. Er is daarmee geen ruimte meer voor een licht regime voor dit type krediet
zoals opgenomen in het huidige tweede lid van artikel 1:20 Wft.54 De maatwerkregeling voor de geoorloofde debetstand (roodstand) komt te vervallen
en het tweede lid wordt vervangen door een maatwerkregeling voor kredietovereenkomsten
in de vorm van overschrijding. Hiermee wordt artikel 2, vierde lid, onderdeel a, van
de richtlijn geïmplementeerd.
Derde lid
Het derde lid implementeert artikel 47 van de richtlijn. In het derde lid wordt bepaald
dat de relevante wijzigingen van de Wft in dit wetsvoorstel niet van toepassing zijn
op bestaande kredietovereenkomsten die voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
zijn gesloten. De oude bepalingen van de Wft blijven op die kredietovereenkomsten
van toepassing. Enkele gewijzigde bepalingen van het BW zullen wel van toepassing
zijn op kredietovereenkomsten voor onbepaalde tijd die waren gesloten voor inwerkingtreding
van deze wet. Zie de toelichting bij artikel IV.
Vierde lid
In het vierde lid wordt een overgangsregeling opgenomen voor kredietovereenkomsten
in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering. Zie paragrafen 4 en 13 van de algemene
toelichting. De bestaande uitzonderingsgrond in het eerste lid, onderdeel e, voor
financiële diensten met betrekking tot krediet dat binnen drie maanden dient te worden
afgelost en terzake waarvan slechts onbetekenende kosten aan de consument in rekening
worden gebracht, blijft voor een periode van zes maanden na inwerkingtreding van kracht
voor kredietovereenkomsten in de vorm van uitgestelde debitering zoals bedoeld in
artikel 2, vijfde lid, van de richtlijn.
D
Artikel 1:77q implementeert artikel 41, negende lid, van de richtlijn. Middels dit
artikel wordt gebruik gemaakt van de beleidsruimte om de AFM productinterventiebevoegdheden
toe te kennen. De richtlijn schrijft niet voor op welke wijze de productinterventie
moet worden ingekleed. Daarom voorziet artikel 1:77q in de voorwaarden voor gebruikmaking
van deze bevoegdheid. Er is gedeeltelijk aangesloten bij de bestaande productinterventiebevoegdheden
van de AFM, die volgen uit artikel 42 van de richtlijn betreffende markten voor financiële
instrumenten.55
Het eerste lid regelt dat de AFM een verbod of beperking kan opleggen om bepaalde
kredieten (denk aan nieuwe productsoorten die in zijn geheel door een aantal kenmerken
onwenselijk zijn) of kredieten met bepaalde specifieke kenmerken (zoals onrealistische,
voor de consument zeer ongunstige voorwaarden) aan te bieden of om bepaalde marktpraktijken
te verrichten. Er is sprake van een brede bevoegdheid: een verbod of beperking kan
ook worden opgelegd voordat bepaalde kredieten of kredieten met bepaalde specifieke
kenmerken op de markt zijn gebracht. Wel dient de AFM op redelijke gronden te concluderen
of een verbod of beperking moet worden opgelegd.
Onder onderdeel a en b van het eerste lid staan de voorwaarden op grond waarvan de
AFM beoordeelt of zij gebruik mag maken van de bevoegdheid. Ten eerste moet een krediet
of marktpraktijk een significante reden tot bezorgdheid vormen over de consumentenbescherming.
Er hoeft derhalve geen sprake te zijn van een overtreding. Tevens moet worden geconcludeerd
dat andere bevoegdheden voor toezicht of handhaving niet volstaan of niet doelmatig
of evenredig zijn om de bezorgdheid af te wenden. Hieruit kan worden afgeleid dat
de bevoegdheid alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden ingezet. Normaal gesproken
zullen bijvoorbeeld de regels uit de richtlijn, geïmplementeerd in de Wft en het BW,
afdoende zijn om de consumentenbescherming te borgen. Van een uitzonderlijk geval
kan bijvoorbeeld sprake zijn bij (technologische) ontwikkelingen waarin de richtlijn
niet voorziet en daardoor niet effectief kan worden opgetreden.
Het tweede lid regelt een delegatiegrondslag om bij algemene maatregel van bestuur
de criteria en factoren nader uit te werken die de AFM in aanmerking kan nemen om
te bepalen of sprake is van een significante reden tot bezorgdheid over de consumentenbescherming.
Deze zullen in het BGfo worden opgenomen.
E
Met de nieuwe registratieplicht voor de in artikel 2:81 beschreven specifieke groep
grote bemiddelaars in krediet is ook aanpassing nodig van artikel 1:107. Door opname
in het tweede lid onder 11°, van een verwijzing naar artikel 2:81, vierde lid, onderdeel
b, wordt geregeld dat de registerhouder, de AFM, zorgdraagt voor inschrijving van
deze categorie bemiddelaars in het openbaar register.
F
Artikel 2:64c implementeert artikel 5 van de richtlijn kredietservicers en kredietkopers
(EU 2021/2167), dat de vergunningvereisten voor kredietservicers bevat. Bij de implementatie
van deze richtlijn is per abuis een verwijzing opgenomen naar het tweede en vierde
lid van artikel 4:9, inzake verplichtingen voor financiëledienstverleners ten aanzien
van vakbekwaamheid van medewerkers. Aangezien de hiervoor genoemde richtlijn noch
in artikel 5, dat de vergunningvereisten voor kredietservicers bepaalt, noch in de
overige richtlijnbepalingen vereisten ten aanzien van vakbekwaamheid oplegt, vervalt
de verwijzing naar artikel 4:9, tweede en vierde lid en de zinssnede «en vakbekwaamheid»
in het eerste lid, onderdeel a, van artikel 2:64c.
G
In dit artikel wordt artikel 37, eerste lid, van de richtlijn, geïmplementeerd waaruit
een toelatings- dan wel registratievereiste voor aanbieders van krediet en bemiddelaars
in krediet volgt. Aanbieders zijn op grond van artikel 2:60 Wft al verplicht om een
vergunning voor het aanbieden van krediet aan te vragen bij de AFM. Voor bemiddelaars
in krediet volgt de vergunningplicht uit artikel 2:80 Wft.
Als gevolg van de richtlijnimplementatie vallen meer partijen onder de vergunningplicht
van artikel 2:80, zoals leveranciers van roerende zaken of aanbieders die «koop nu,
betaal later»-diensten aanbieden via een derde partij, zoals fysieke winkels of webwinkels.
Voor deze leveranciers van roerende zaken of diensten is in artikel 2:81 een vierde
lid ingevoegd, dat een registratieplicht in plaats van een vergunningplicht regelt.
Deze registratieplicht komt te bestaan naast de registratieplicht uit artikel 2:81,
tweede lid, voor verbonden bemiddelaars. De delegatiegrondslag uit het vijfde lid
(nieuw) is daarop aangepast om ook regels te kunnen stellen met betrekking tot het
vierde lid (nieuw), onderdeel b.
Bij dit nieuwe regime van artikel 2:81, vierde lid wordt, in tegenstelling tot het
regime voor verbonden bemiddelaars uit het tweede lid, dat ook van toepassing kan
zijn bij bemiddeling in andere financiële producten dan krediet, niet de voorwaarde
van aansluiting bij slechts één aanbieder van krediet gesteld, maar bestaat de mogelijkheid
voor leveranciers van roerende zaken of diensten om te bemiddelen voor meerdere aanbieders.
Voor de aanbieder of, indien van toepassing, aanbieders geldt de verplichting om de
bemiddelaar aan te melden bij de AFM. De bemiddelaar blijft, anders dan een verbonden
bemiddelaar uit het tweede lid, zelf volledig verantwoordelijk, in die zin dat hij
zelf zorg draagt voor het voldoen aan de op hem van toepassing zijnde bepalingen uit
de Wft. Dit betekent dat de bemiddelaar dient te controleren of alle aanbieders waar
hij voor bemiddelt hem hebben aangemeld bij de AFM en ook zelf verantwoordelijk is
voor naleving van de bepalingen uit deel 4 van de Wft die op hem van toepassing zijn.
De registratieplicht is van toepassing op een leverancier van roerende zaken of diensten
die geen micro-, kleine of middelgrote onderneming is als bedoeld in Aanbeveling van
de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen
(PbEU 2003, C 1422) en die in nevenactiviteit bemiddelt in kredietovereenkomsten die
voorzien in uitstel van betaling van ten hoogste drie maanden na de levering van de
roerende zaak of de dienst. Er wordt uitgegaan van een termijn van drie maanden om
aan te sluiten bij de termijn genoemd in artikel 7:84 BW ten aanzien van goederenkrediet
dat wordt aangemerkt als kredietovereenkomst. Het lichte regime van de registratieplicht
is nadrukkelijk bedoeld voor «koop-nu, betaal later»-diensten en bijvoorbeeld niet
voor huurovereenkomsten of langdurige koop of afbetaling.
Voor de achtergrond van de keuze om een registratieplicht in plaats van een vergunningplicht
in te voeren voor deze partijen wordt verwezen naar paragraaf 4 van het algemeen deel
van deze toelichting. Voor leveranciers van roerende zaken of diensten die wel kwalificeren
als micro-, kleine of middelgrote ondernemingen wordt gebruik gemaakt van de lidstaatoptie
uit artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn, om hen volledig vrij te
stellen van een vergunning- en registratieplicht. Dit zal worden geregeld in de Vr
Wft.
H
Artikel 4:2d bevatte een reeks aan uitzonderingsbepalingen voor financiële diensten
met betrekking tot een geoorloofde debetstand waarbij de consument binnen drie maanden
dient af te lossen. Het ging om bepaalde gedragsbepalingen en informatieverplichtingen.
Het artikel komt te vervallen, nu de proportionele maatwerkregeling uit de CCDI in
de richtlijn is komen te vervallen, onder verwijzing naar de artikelsgewijze toelichting
bij onderdeel C.
I
Ter implementatie van artikel 16, derde lid, onderdeel e, van de richtlijn wordt aan
artikel 4:23, eerste lid, een onderdeel toegevoegd. Artikel 4:23 ziet op verplichtingen
voor financiële ondernemingen die consumenten adviseren of vermogen van cliënten beheren.
Aan het eerste lid wordt een onderdeel toegevoegd dat bepaalt dat een adviseur gelijktijdig
met het verstrekken van een advies ten aanzien van consumptief krediet een afschrift
van het advies aan een consument verstrekt op een door de consument gekozen duurzame
drager. Dat betekent in de praktijk dat bijvoorbeeld tijdens een adviesgesprek de
consument het advies ook schriftelijk ontvangt, bijvoorbeeld op papier of per e-mail.
De overige bepalingen van artikel 16 ten aanzien van adviesdiensten zijn reeds geïmplementeerd
in artikel 4:23 of krijgen uitwerking in het BGfo.
J
Aan artikel 4:32, tweede lid, wordt een zinsnede toegevoegd ter implementatie van
artikel 19, zesde lid, van de richtlijn. Dat lid bepaalt dat de aanbieder van krediet
de consument kosteloos en onverwijld in kennis stelt van het resultaat van de raadpleging
en de details van het geraadpleegde stelsel van kredietregistratie, indien afwijzing
van een kredietaanvraag uit de raadpleging van het stelsel van kredietregistratie
volgt. Aan dat lid wordt toegevoegd dat ook de categorieën van gegevens die zijn geraadpleegd
worden medegedeeld aan de consument.
Artikel 19, zevende lid, van de richtlijn ziet op enkele informatieverplichtingen
van de aanbieders van databanken aan de consument bij registratie van een krediet
in de databank. Artikel 4:32, vierde lid, implementeert dit artikel, zij het dat de
betreffende informatieverplichtingen met dit wetsvoorstel niet worden toebedeeld aan
de databank (BKR in Nederland), maar aan aanbieders van krediet. Zo moet de aanbieder
de consument binnen dertig dagen op de hoogte stellen van de registratie van zijn
betalingsachterstand inzake het krediet en moet de consument op de hoogte worden gesteld
van de rechten op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming, bijvoorbeeld
door middel van een waarschuwing per e-mail.
K
In het eerste lid is een passage ingevoegd ter implementatie van artikel 18, derde
en elfde lid, van de richtlijn. Waar artikel 4:34, eerste lid, Wft, voorheen een open
norm betrof, is deze als gevolg van de richtlijn nader ingekleed met een proportionaliteitstoets.
De hoeveelheid informatie die een aanbieder van krediet bij een kredietwaardigheidsbeoordeling
moet opvragen van de consument, hangt af van de aard, duur, waarde en risico’s van
het krediet. De informatie moet ten minste het inkomen en de uitgaven van de consument
omvatten, met passende aandacht voor de lopende verplichtingen van de consument, onder
meer de kosten van levensonderhoud, de kosten van het huishouden en de financiële
verplichtingen van de consument.56
Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om de term «kredietovereenkomst» in het tweede
lid van artikel 4:34 te wijzigen naar «overeenkomst inzake krediet» om daarmee aan
te sluiten bij de definitie van krediet in de Wft en tevens bij de term gebruikt in
het eerste lid. Verder is ter implementatie van het elfde lid van artikel 18, van
de richtlijn, toegevoegd dat de beoordeling niet uitsluitend gebaseerd mag zijn op
de kredietgeschiedenis van de consument. Het enkel raadplegen van een stelsel van
kredietregistratie om tot een beoordeling te komen is niet voldoende om de kredietwaardigheid
te beoordelen.
Het nieuwe derde lid van artikel 4:34 implementeert artikel 35, eerste lid, tweede
alinea, van de richtlijn. De kredietgever is op grond van de artikelen 70a en 128aa
van Boek 7 BW en artikel 4:35a Wft verplicht om waar passend respijtmaatregelen te
treffen, zoals een verlaging van de rente of verlenging van de duur van de overeenkomst.
Deze artikelen zijn ingevoegd met de inwerkingtreding van de Implementatiewet richtlijn
kredietservicers en kredietkopers. 57 De artikelen in Boek 7 BW sommen de verplichting alsmede mogelijke respijtmaatregelen
op. Artikel 4:35a schrijft voor dat de aanbieder van krediet over adequaat beleid
en adequate procedures moet beschikken inzake de omgang met betalingsachterstanden
op grond van kredietovereenkomsten voor consumenten en waar passend de in de artikelen 70a
en 128aa van Boek 7 BW genoemde respijtmaatregelen moet treffen. Het is in het belang
van de consument dat de aanbieder respijtmaatregelen treft. Op basis van de Nederlandse
wet wordt een reguliere betalingsregeling met een consument beschouwd als een voortzetting
van de bestaande kredietovereenkomst.58 Indien de voorwaarden dermate wijzigen dat daarmee een nieuwe kredietovereenkomst
tot stand komt, vereist artikel 4:34, eerste lid, een nieuwe kredietwaardigheidsbeoordeling.
Het derde lid maakt hierop in het kader van respijtmaatregelen een uitzondering door
deze beoordeling alleen voor te schrijven indien sprake is van een belangrijke verhoging
van de kredietlimiet, dan wel de som van de bedragen die aan de consument ter beschikking
zijn gesteld. Daarmee worden immers de lasten van de consument verzwaard. De uitzondering
in het derde lid geldt alleen voor krediet, niet zijnde hypothecair krediet, door
de verwijzing naar artikel 4:35a, die alleen op dit type krediet ziet.
L
Artikel 4:34a
De kredietaanbieder is op grond van artikel 4:34 verplicht om, alvorens hij een krediet
mag verstrekken, een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren om overkreditering
van de consument te voorkomen. De aanbieder verstrekt geen krediet indien dit op basis
van de kredietwaardigheidsbeoordeling onverantwoord is met het oog op overkreditering
van de consument. Deze beoordeling voert de aanbieder ingevolge artikel 18, derde
lid, van de richtlijn, uit op basis van informatie over de financiële positie van
de consument, die noodzakelijk is en evenredig is met de aard, duur, waarde en risico’s
van het krediet voor de consument. De informatie mag op grond van artikel 4:34 Wft
bestaan uit mededelingen van de consument, met dien verstande dat artikel 113 BGfo
verificatie voorschrijft aangaande de financiële positie van de consument indien het
totale kredietbedrag de aldaar genoemde grens overschrijdt. De aanbieder dient boven
die grens te beschikken over schriftelijke informatie aangaande de financiële positie
van de consument. Die informatie kan bijvoorbeeld bestaan uit bewijs van inkomsten
of andere terugbetalingsbronnen, informatie over financiële activa en passiva, of
informatie over andere financiële verplichtingen. Aanvullend wordt de open norm van
artikel 4:34 Wft in de praktijk ingekleurd door de Leennormenmethodiek consumptief
krediet van de VFN. Voor de verificatiegrens in artikel 113 BGfo en de grens voor
raadpleging van het BKR in artikel 114 BGfo geldt dat deze zullen worden aangescherpt
als gevolg van recente inzichten dat ook kleine kredieten tot betalingsachterstanden
kunnen leiden59 en het feit dat «koop nu, betaal later»-diensten onder het toepassingsgebied van
de Wft en de richtlijn zijn gebracht.
Artikel 4:34a, eerste lid, implementeert de artikelen 18, derde lid, en artikel 19,
vijfde lid, van de richtlijn. Op grond van dit eerste lid mogen bij de kredietwaardigheidsbeoordeling
geen bijzondere categorieën van persoonsgegevens in de zin van artikel 9, eerste lid,
van de AVG of persoonsgegevens die via digitale sociale netwerken zijn verkregen betrokken
worden. In het tweede lid wordt daarnaast een wettelijke grondslag gecreëerd voor
het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Dat zit als volgt.
In het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling kan het voorkomen dat, bij wijze
van bijvangst, bijzondere categorieën van persoonsgegevens deel uitmaken van de door
kredietgever opgevraagde informatie. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor wanneer
een kredietgever rekeningafschriften opvraagt van de consument om het inkomen en de
uitgaven van de consument te kunnen verifiëren. Op die rekeningafschriften kan een
contributie staan aan een kerkgenootschap of politieke partij, waaruit een religieuze
of politieke overtuiging blijkt. Dit zijn bijzondere categorieën van persoonsgegevens,
waarvan verwerking – behoudens een mogelijke uitzonderingsgrond – in beginsel verboden
is. Tegelijkertijd is het van belang dat de consument niet zelf onderdelen van het
opgevraagde rekeningafschrift gaat lakken. Dan kan de beoordeling namelijk niet betrouwbaar
en correct worden uitgevoerd. Het is daarom noodzakelijk toe te staan dat de aanbieder
van krediet bijzondere categorieën van persoonsgegevens mag verwerken om de van de
consument verkregen informatie te schonen van bijzondere categorieën van persoonsgegevens.
Deze geschoonde informatie kan vervolgens worden gebruikt voor de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Het is zowel in het belang van de consument als het financieel stelsel en de schuldenlast
in de maatschappij als geheel dat overkreditering van de consument wordt voorkomen.
Daarmee is sprake van een zwaarwegend algemeen belang in de zin van artikel 9, tweede
lid, onderdeel g, AVG, waarmee deze gegevensverwerking is toegestaan. Er is in deze
gevallen sprake van verwerking die noodzakelijk is om redenen van zwaarwegend algemeen
belang, zoals hiervoor omschreven, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel
wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens
wordt geëerbiedigd en er specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van
de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene. Er is in dat geval
ook sprake van een rechtmatige verwerking op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel
c, AVG, juist omdat die verplichting om een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te
voeren voortvloeit uit de wet.
De hierboven genoemde verwerking mag alleen plaatsvinden onder de in het tweede lid
genoemde voorwaarden. Op grond van onderdeel a mag de verwerking er alleen toe dienen
om de van de consument voor de kredietwaardigheidsbeoordeling verkregen informatie
te controleren op de aanwezigheid van bijzondere categorieën van persoonsgegevens
en deze, waar aanwezig, te verwijderen. Deze verwerking moet bovendien als doel hebben
dat de geschoonde informatie uiteindelijk wordt gebruikt voor de kredietwaardigheidsbeoordeling
(de informatie mag dus niet ergens anders voor worden gebruikt). Voor de praktijk
van belang is dat er sprake moet zijn van een functiescheiding. Dit betekent bijvoorbeeld
dat een andere afdeling of persoon de bijzondere categorieën van persoonsgegevens
uit de verkregen informatie filtert, bijvoorbeeld door deze te lakken. Deze gelakte
gegevens worden vervolgens overgedragen aan de afdeling die de kredietwaardigheidsbeoordeling
daadwerkelijk uitvoert. Ook is het mogelijk om gebruik te maken van een derde partij
die in deze filtering voorziet. Indien de aanbieder van krediet kiest voor uitbesteding
van de werkzaamheden aan een dergelijke derde partij, blijft de aanbieder op grond
van artikel 4:16 Wft verantwoordelijk voor het voldoen aan de in het artikel 4:34a
genoemde verplichtingen, alsmede de verplichting om voldoende financiële informatie
in te winnen en verplichtingen die volgen uit de AVG. De bewaartermijn die de aanbieder
dient te hanteren volgt uit artikel 33 BGfo. De afdeling of derde partij die de gegevens
waar nodig heeft gelakt en vervolgens heeft overgedragen aan de afdeling die gaat
over de kredietwaardigheidsbeoordeling, zal de hiervoor genoemde persoonsgegevens
waar het niet meer noodzakelijk is om deze te bewaren moeten verwijderen op grond
van het beginsel van minimale gegevensverwerking uit de AVG.
Op grond van artikel 4:34a, tweede lid, onderdeel b, geldt daarnaast dat de verwerking
van bijzondere categorieën van persoonsgegevens noodzakelijk moet zijn om tot de kredietwaardigheidsbeoordeling
te komen. Dit houdt in dat de beoordeling niet correct of volledig genoeg kan worden
uitgevoerd op basis van andere gegevens dan de informatie die mogelijk bijzondere
categorieën van persoonsgegevens bevat en dat het om deze reden noodzakelijk is om
informatie van de consument op te vragen die mogelijk bijzondere categorieën van persoonsgegevens
bevat. In dat geval moet die informatie dus eerst langs de andere afdeling of derde
partij worden gestuurd om te worden gecontroleerd en moeten, waar nodig, bijzondere
persoonsgegevens worden gelakt. In die zin moet de verwerking door deze andere afdeling
of derde partij – hoewel geen onderdeel van de kredietwaardigheidsbeoordeling – wel
noodzakelijk zijn voor de kredietwaardigheidsbeoordeling zelf.
Het derde lid ziet op de inzage door en zeggenschap van de consument inzake de afgeschermde
bijzondere persoonsgegevens, voordat deze gegevens worden gebruikt in het kader van
een kredietwaardigheidsbeoordeling. De vraag of een persoonsgegeven een bijzonder
persoonsgegeven in de zin van artikel 9 AVG is, is een complexe vraag. Meerdere persoonsgegevens
die samen iets zeggen of kunnen zeggen over bijvoorbeeld de gezondheid of levensbeschouwelijke
overtuiging van een persoon, zijn bijzondere persoonsgegevens. Het herkennen van bijzondere
persoonsgegevens is van groot belang maar vergt van de aanbieder van krediet of de
door hem aangewezen derde dat hij de ontvangen persoonsgegevens van een consument
zorgvuldig naloopt en daarbij oog heeft voor de bredere context waarin zij voorkomen
in het leven van de consument. Vanwege deze complexiteit en de vereiste kennis van
de bredere context, is het noodzakelijk om de consument inzicht te geven over welke
gegevens wel of niet als bijzonder persoonsgegeven gelakt worden. In geval van een
inzageverzoek mag de beoordelaar die het inzageverzoek afhandelt de gegevens opvragen
bij de afdeling of derde die de gegevens gelakt heeft, enkel met het doel deze aan
de consument te verstrekken. De consument zal inzage worden gegeven in de gelakte
gegevens en de mogelijkheid wordt geboden daarop te reageren. Dit recht is opgenomen
in het nieuwe derde lid van artikel 4:34a Wft.
Artikel 4:34b
Artikel 4:34b, eerste lid, dient ter invulling van artikel 6 van de richtlijn en bevat
een verbod voor aanbieders van krediet om een krediet, niet zijnde hypothecair krediet
aan te gaan met een minderjarige consument. Op grond van de eerste alinea van artikel 6
van de richtlijn moeten lidstaten ervoor zorgen dat de voorwaarden waaraan moet worden
voldaan om een krediet te krijgen, niet discriminerend in de zin van artikel 21 van
het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) zijn
voor consumenten. Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om verschillende voorwaarden
voor toegang tot een krediet te bieden, indien die verschillende voorwaarden terdege
door objectieve criteria worden gerechtvaardigd. Dit betekent dat het mogelijk is
om leeftijd als voorwaarde voor toegang tot krediet te stellen, aangezien dit onderscheid
op grond van leeftijd door objectieve criteria wordt gerechtvaardigd. Dit onderscheid
dient een legitiem doel en het verbod is passend en noodzakelijk (zie voor de toelichting
hierop het kopje «Voorschriften inhoudende een minimumleeftijd en leeftijdsverificatie»
in paragraaf 5).
Het verbod is echter niet van toepassing indien aan twee cumulatieve voorwaarden is
voldaan: de wettelijke vertegenwoordiger moet toestemming voor het aangaan van de
overeenkomst hebben gegeven, die blijkt uit een ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende
handeling, en het mag niet gaan om krediet in de vorm van uitstel van betaling. Daarbij
gaat het onder andere over het «koop nu, betaal later»-krediet of krediet dat ziet
op kaarten met uitgestelde debitering(creditcards). Deze soorten krediet zijn te allen
tijde voor minderjarige consumenten verboden.
De eerste voorwaarde ten aanzien van de uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toestemming
van de wettelijke vertegenwoordiger moet worden bezien in samenhang met artikel 1:234
BW, dat bepaalt dat minderjarigen slechts handelingsbekwaam zijn als zij handelen
met toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger. Dit houdt in dat minderjarigen
zonder deze toestemming in beginsel geen rechtsgeldige overeenkomsten kunnen aangaan.
In bepaalde gevallen mag deze toestemming echter worden verondersteld, namelijk wanneer
het een rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan het in het maatschappelijk verkeer
gebruikelijk is dat minderjarigen die op een bepaalde leeftijd zelfstandig verrichten.
Het eerste lid van artikel 4:34b Wft bepaalt met zoveel woorden dat het zelfstandig
aangaan van een kredietovereenkomst door minderjarige consumenten nimmer geldt als
in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk. Zij zijn hiervoor nooit zelfstandig handelingsbekwaam
en moeten altijd de (ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende) toestemming van hun
wettelijk vertegenwoordig hebben. Indien tevens sprake is van een overeenkomst van
geldlening blijft artikel 1:345, eerste lid, onderdeel d BW onverminderd van toepassing.
Dit artikel vereist voor het aangaan van een lening door een voogd en ingevolge artikel 1:253k
BW ook door een ouder de toestemming van de kantonrechter. Voor het verlenen van toestemming
door de wettelijke vertegenwoordiger op grond van artikel 1:234 BW aan de minderjarige
voor het aangaan van een overeenkomst van geldlening is dan ook de toestemming van
de kantonrechter nodig (zie ook het algemeen deel van de toelichting).
Met de tweede voorwaarde wordt duidelijk gemaakt dat krediet in de vorm van uitstel
van betaling nooit zelfstandig door minderjarige consumenten kan worden aangegaan.
Hiermee wordt onder andere opvolging gegeven aan een toezegging om een leeftijdsgrens
voor «koop nu, betaal later»-krediet op te nemen in de wet. Uit onderzoek van de AFM
blijkt dat minderjarigen zonder toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger op
grote schaal gebruik maken van «koop nu, betaal later»-diensten. Dit zijn overeenkomsten
die in korte tijd veelal online tot stand komen. Daarbij vond tot op heden niet of
in elk geval geen grondige leeftijdsverificatie plaats. Aangezien minderjarige consumenten
zo met veel gemak een krediet kunnen aangaan terwijl zij financieel extra kwetsbaar
zijn, is «koop nu, betaal later»-krediet onder geen beding voor hen toegankelijk.
Door in de Wft het verbod op het zelfstandig aangaan van krediet door minderjarige
consumenten op te nemen, kan de AFM toezicht houden op de naleving hiervan. Het verbod
sluit tevens aan bij het doel van de richtlijn om onverantwoorde leningspraktijken
en overmatige schuldenlast te voorkomen. De bepaling ziet niet op hypothecair krediet,
nu het probleem zich daar niet voordoet.
Om aan artikel 4:34b, eerste lid, te kunnen voldoen, is in het tweede lid bepaald
dat aanbieders van krediet, niet zijnde hypothecair krediet, dienen te beschikken
over adequate processen om de leeftijd van de consument te verifiëren. Het is aan
marktpartijen om (al dan niet) in samenspraak met de AFM te kiezen voor een geschikte
methode van leeftijdsverificatie. Verificatie van de leeftijd dient in ieder geval
plaats te vinden aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare
en onafhankelijke bronnen. Voor aanbieders geldt reeds op grond van de Wet ter voorkoming
van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) dat zij de identiteit van klanten
dienen vast te stellen en te verifiëren of de door de klant verstrekte identiteit
overeenkomt met zijn werkelijke identiteit. Leeftijdsverificatie kan onderdeel zijn
van het «ken uw klant»-proces. Bij die verificatie dient aandacht te worden besteed
aan de bescherming van de consument bij de verwerking van persoonsgegevens, in het
bijzonder waar het gaat om identificatie van minderjarigen.
Tot slot schept het derde lid een delegatiegrondslag om bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur extra regels te kunnen stellen ten aanzien van de wijze van
leeftijdsverificatie en extra voorschriften te kunnen stellen waaraan de leeftijdsverificatie
moet voldoen met betrekking tot de veiligheid en betrouwbaarheid daarvan. Deze mogelijkheid
wordt toegevoegd om – gezien de snelle ontwikkelingen in de markt en het grote maatschappelijke
belang bij betrouwbare leeftijdsverificatie, met name bij «koop nu, betaal later»-krediet –
een vinger aan de pols te kunnen houden en waar nodig actie te kunnen ondernemen.
Het is bovendien mogelijk dat de EU regels of voorschriften gaat stellen ten aanzien
van leeftijdsverificatie in den brede, in welk geval het wenselijk is enige flexibiliteit
te behouden voor de opvolging c.q. implementatie daarvan.
Artikel 4:34c
In artikel 4:34c, waarin wordt verwezen naar artikel 7:58a BW, worden de artikelen 15
en 17, van de richtlijn mede geïmplementeerd. Artikel 17 heeft als doel om te voorkomen
dat kredietgevers krediet verlenen waar consumenten niet om hebben gevraagd, zoals
het ongevraagd toesturen van kredietkaarten, eenzijdige verlening van geoorloofde
debetstand of overschrijding of eenzijdige verhogingen van krediet.60 Uit artikel 15 volgt dat een consument enkel na uitdrukkelijke instemming gebonden
is aan een overeenkomst inzake krediet, niet zijnde hypothecair krediet. De artikelen
zijn geïmplementeerd in artikel 7:58a BW. Artikel 4:34c regelt vervolgens dat een
aanbieder dient te beschikken over adequate processen om naleving van artikel 7:58a
BW te borgen.
M
Artikel 4:35b
Artikel 4:35b implementeert artikel 36, tweede en derde lid, van de richtlijn. De
aanbieder van krediet heeft de verantwoordelijkheid om ook na het sluiten van de overeenkomst
alert te zijn op terugbetalingsproblemen van de consument. De aanbieder dient processen
en beleid te hebben om die problemen vroegtijdig te signaleren en is verplicht de
consument bij terugbetalingsproblemen door te verwijzen naar schuldadviesdiensten.
In de praktijk betekent dit dat de aanbieder contact opneemt met de consument en,
eventueel op algemene wijze, de consument doorverwijst naar de gemeente waarin de
consument woonachtig is. De gemeente is op grond van de Wgs verantwoordelijk voor
schuldhulpverlening. Het is ook hier aan de marktpartijen om (al dan niet) in samenspraak
met de AFM te kiezen voor een invulling van processen en beleid voor vroegtijdige
signalering.
N en O
De bijlagen behorend bij artikel 1:79 en artikel 1:80 Wft worden uitgebreid met enkele
artikelen, teneinde de aldaar genoemde voorschriften te kunnen handhaven. Artikel 1:79
regelt dat de AFM een last onder dwangsom kan opleggen ter zake van een overtreding
en artikel 1:80 dat de AFM een bestuurlijke boete kan opleggen. Aan beide bijlagen
worden de volgende bepalingen toegevoegd: 1:77q, 4:34a, 4:34b, eerste en derde lid,
4:34c en 4:35b. Voor artikel 4:35b geldt dat alleen het eerste lid is opgenomen in
de bijlage bij artikel 1:80 Wft. Het tweede lid is daarmee niet handhaafbaar middels
een bestuurlijke boete, dit handhavingsinstrument wordt te zwaar geacht voor het niet
nakomen van een doorverwijsplicht.
ARTIKEL II (Boek 7 Burgerlijk Wetboek)
Dit artikel bevat de wijzigingen in Boek 7 BW, die betrekking hebben op Titel 2a over
consumentenkredietovereenkomsten. Titel 2a bestaat uit twee afdelingen. De meeste
wijzigingen hebben betrekking op Afdeling 1, waarin de CCD1 al is geïmplementeerd.
A
Als gevolg van de herziening van de vorige richtlijn (CCDI) is de naam van Afdeling 1
van Titel 2a van Boek 7 BW gewijzigd.
B
Artikel 7:57 BW implementeert de definities uit artikel 3 van de richtlijn. Als gevolg
van de herziening van de richtlijn zijn in bestaande definities aanvullingen of verduidelijkingen
aangebracht en definities toegevoegd.
Onderdeel d
De definitie van geoorloofde debetstand is gewijzigd, in die zin dat de woorden «te
boven gaan» zijn vervangen door «overschrijden». Dit sluit aan bij de richtlijntekst.
Onderdeel e
De definitie van overschrijding is gewijzigd, waardoor de definitie aansluit bij de
richtlijntekst. Dit houdt in dat het de woorden «te boven gaan» zijn vervangen door
«overschrijden».
Onderdeel f
De aanhef van onderdeel f is op enkele punten aangevuld. Zo is toegevoegd dat een
partij pas als kredietbemiddelaar kwalificeert als hij in het kader van zijn werkzaamheden
meer doet dan het enkel direct of indirect in contact brengen van een consument met
een kredietgever. Daarnaast is de notaris nog expliciet uitgezonderd in deze definitie.
Onderdeel i
Er is gekozen om aan te sluiten bij de definitie van het jaarlijks kostenpercentage
zoals volgt uit artikel 3 en 30 van de richtlijn. Overeenkomstig de daar gekozen systematiek
wordt in de definitie verwezen naar artikel 7:71 BW, waarin het jaarlijks kostenpercentage
nader wordt uitgewerkt. De verwijzing in de huidige definitie van het jaarlijks kostenpercentage
naar artikel 7:57, derde lid, BW komt te vervallen, omdat de aanvulling dat het jaarlijks
kostenpercentage indien toepasselijk ook met de in het derde lid bedoelde kosten moet
worden aangevuld, reeds onderdeel is van artikel 30 van de richtlijn, waarnaar in
de nieuwe definitie van het jaarlijks kostenpercentage integraal wordt verwezen.
Onderdeel n
De definitie van gelieerde kredietovereenkomst is uitgesplitst in onderdeel n en het
vierde lid (nieuw) van artikel 7:57 BW. Dit was reeds een bestaande definitie, waaraan
de richtlijn de zinssnede «of de betreffende diensten» toevoegt.
Onderdeel u tot en met ae
De richtlijn introduceert een aantal nieuwe definities. Enkele van deze nieuwe definities
zijn, zo luidt de toelichting bij het initiële voorstel voor de Richtlijn van de Europese
Commissie (COM(2021) 347), zoveel mogelijk in lijn met EU-regelgeving. De nieuwe definities
van nevendienst, koppelverkoop en gebundelde verkoop zijn afkomstig uit de richtlijn
hypothecair krediet, Richtlijn (EU) 2014/17. De definitie van profilering is toegevoegd
als gevolg van de inwerkingtreding van de AVG. Voor de toegevoegde definitie van adviesdiensten
is tot slot aangesloten bij de definitie van adviseren als bedoeld in artikel 1:1
Wft. Voor deze definitie en de definitie van schuldadviesdiensten wordt verwezen naar
de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel. De definitie van platform houdt verband
met artikel 58, tweede lid, onderdelen d en e, waarin toepassing van Titel 2A wordt
uitgesloten voor bepaalde kredietovereenkomsten in de vorm van uitstel van betaling.
Voor deze uitzonderingen en de definitie van platform wordt verwezen naar de artikelsgewijze
toelichting bij artikel I onderdeel C.
Derde en vierde lid (nieuw)
Het derde lid wordt vervangen, zoals toegelicht bij onderdeel i.
In het vierde lid (nieuw) wordt de definitie van commerciële eenheid verder uitgebreid
met de situatie waarin een kredietgever de kredietovereenkomst vermarkt.
C
Artikel 7:58 BW implementeert artikel 2 van de richtlijn. Het toepassingsgebied van
de richtlijn wordt met de herziening aangepast.
In artikel 7:58, tweede lid, BW worden enkele onderdelen gewijzigd.
Het tweede lid, onderdeel b, wordt beperkt gewijzigd als gevolg van implementatie
van artikel 2, onderdeel b, van de richtlijn. Zo was al geregeld in artikel 7:58,
tweede lid, onderdeel b,BW dat de bepalingen uit Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7
BW niet van toepassing waren op kredietovereenkomsten voor het verkrijgen of behouden
van eigendomsrechten betreffende grond of een bestaand of gepland gebouw. Daar is
bij dit voorstel van wet aan toegevoegd dat dit onder meer geldt voor in de uitoefening
van een beroep of bedrijf gebruikte terreinen en gebouwen.
Het tweede lid, onderdeel c, wordt gewijzigd als gevolg van de implementatie van artikel 2,
tweede lid, onderdeel g, van de richtlijn, zoals toegelicht bij artikel 1:20, eerste
lid, onderdeel c, Wft.
Artikel 7:58 BW, tweede lid, onderdeel d en e worden vervangen door de uitzonderingen
voor «koop nu, betaal later»-diensten en implementeren daarmee artikel 2, tweede lid,
onderdeel h, van de richtlijn. Voor de toelichting op deze nieuwe uitzonderingen wordt
verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:20, eerste lid, Wft. De
onderdelen hielden uitzonderingen in voor kredietovereenkomsten in de vorm van een
geoorloofde debetstand op een rekening en die binnen een maand moet worden afgelost
en een uitzondering voor kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten die binnen
een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald met slechts aanrekeningen van
onbetekenende kosten. Deze uitzonderingen vervallen. Voor toelichting wordt ook verwezen
naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:20, eerste lid, Wft.
Het derde lid, dat de maatwerkregeling inhield voor kredietovereenkomsten in de vorm
van een geoorloofde debetstand, komt nu zo te luiden dat het een maatwerkregeling
bevat voor kredietovereenkomsten in de vorm van overschrijding. Dit stond eerder in
het vierde lid. Hiermee wordt artikel 2, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn
geïmplementeerd, zoals toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:20,
tweede lid, Wft. De bepalingen in het BW die van toepassing zijn op een kredietovereenkomst
in de vorm van een overschrijding, zien op i) het verbod op ongevraagde kredietverlening,
ii) de verplichting voor de kredietgever om de consument bij een vermoeden van financiële
moeilijkheden bij het nakomen van de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen
door te verwijzen naar schuldadviesdiensten, iii) een bepaling over de rechten van
de consument wanneer de kredietovereenkomst ofwel rechten op grond van die kredietovereenkomst
worden overgedragen, iv) een specifieke bepaling voor informatieverstrekking door
de kredietgever bij kredietovereenkomsten in de vorm van overschrijding, v) regels
over het treffen van respijtmaatregelen in geval van een betalingsachterstand, vi)
het dwingende karakter van Titel 2a van Boek 7 BW en vii) regels omtrent de ten hoogste
toegelaten kredietvergoeding. Het betreft de artikelen 58a, eerste lid, 68a, 69, 70,
70a, 73 en 76 van Boek 7 BW.
D
Artikel 7:58a BW
Artikel 7:58a BW implementeert de artikelen 15 en 17 van de richtlijn. Het eerste
lid implementeert artikel 17 van de richtlijn, waarbij wordt verwezen naar de artikelsgewijze
toelichting op artikel 4:34c Wft. Het tweede en derde lid implementeren artikel 15, van de richtlijn
en regelen dat uitdrukkelijke instemming door een consument is vereist om een kredietovereenkomst
of nevendienst aan te gaan. Er worden extra voorwaarden gesteld aan de instemming
indien gebruik wordt gemaakt van standaardopties.
Artikel 7:58b BW
Artikel 7:58b BW implementeert artikel 5 van de richtlijn. Het artikel schrijft voor
dat de kredietgever alle informatie kosteloos aan de consument verstrekt. In de CCDI
bestond deze algemene norm nog niet, maar was het kosteloos verstrekken van informatie
verwerkt in diverse bepalingen, onder andere omtrent precontractuele informatie en
het raadplegen van databanken. Het nieuwe artikel regelt dat alle andere informatie,
alsmede de toelichting op grond van artikel 12 van de richtlijn, ook kosteloos wordt
verstrekt.
E
In artikel 7:59 BW wordt in het eerste lid, artikel 7, van de richtlijn, geïmplementeerd.
Reclame mag op grond van artikel 7 niet oneerlijk, onduidelijk of misleidend zijn.
In het bijzonder mogen in reclame voor kredietovereenkomsten geen bewoordingen worden
gebruikt die bij de consument valse verwachtingen kunnen scheppen over de beschikbaarheid
of de kosten van een krediet of het totale door de consument te betalen bedrag. De
Richtlijn oneerlijke handelspraktijken – geïmplementeerd in Titel 3, Afdeling 3a,
van Boek 6 BW – beschermt de consument tegen oneerlijke of misleidende praktijken.
Artikel 7 van de richtlijn behoeft daarom slechts gedeeltelijke implementatie. Oneerlijke,
onduidelijke of misleidende reclame is immers al een oneerlijke handelspraktijk als
bedoeld in artikel 193b van Boek 6 BW. De AFM kan op grond van dit artikel reeds handhaven.
Alleen de zinssnede inzake het verbod op bewoordingen die valse verwachtingen kunnen
scheppen wordt daarom overgenomen in artikel 7:59, eerste lid, BW. Om handhaving mogelijk
te maken wordt deze bepaling toegevoegd in onderdeel b van de bijlage van de Whc.
Het tweede en het derde lid implementeren artikel 8 van de richtlijn dat verplichtingen
stelt ten aanzien van de waarschuwing en standaardinformatie die bij reclame voor
krediet moet worden opgenomen. Voorheen bevatte artikel 7:59, eerste lid, BW enkel
een verwijzing naar het CCDI-artikel over reclame voor krediet (artikel 4). Aangezien
de normadressant van artikel 8, eerste lid, van de richtlijn echter de lidstaten zijn,
is het niet meer mogelijk om in artikel 7:59 BW integraal hiernaar te verwijzen. Daarom
is in het tweede lid de verplichting van artikel 8, eerste lid, van de richtlijn uitgeschreven
dat kredietgevers in reclame voor krediet een duidelijke waarschuwing opnemen dat
geld lenen geld kost. De in Nederland gangbare waarschuwing is: «Let op! Geld lenen
kost geld». Het derde lid stelt regels ten aanzien van de standaardinformatie die
moet worden opgenomen bij reclame voor kredietovereenkomsten waarin een rentevoet
of cijfers over de kredietkosten worden vermeld.
Voor het vierde lid (nieuw) is het wel mogelijk te volstaan met een verwijzing, waardoor
de verwijzingen naar artikel 4 van de CCDI worden vervangen door verwijzingen naar
de betreffende leden van artikel 8 van de richtlijn.
F
Artikel 7:60 BW implementeert artikel 10 en 12 van de richtlijn. In het eerste lid
is de verplichting uit artikel 10, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn, opgenomen
voor de kredietgever of, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, om aan de consument
de precontractuele informatie te verstrekken die nodig is om een geïnformeerde beslissing
te kunnen nemen. Daartoe moet de informatie duidelijk zijn en begrijpelijk. Ook moet
de informatie de consument in staat stellen om het aanbod met verschillende andere
aanbiedingen te vergelijken. De kredietgever, of in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar,
verstrekt de informatie in ieder geval op de in artikel 10 voorgeschreven wijze. De
verwijzing naar artikel 10 komt overeen met de oude verwijzing naar artikel 5 van
de CCDI. Omdat artikel 10, eerste lid, van de richtlijn, eerste alinea, is gericht
aan de lidstaten, zijn de verplichtingen volledig overgenomen in het eerste lid. Voor
de definitie van precontractuele informatie wordt verwezen naar de definitie als genoemd
in artikel 3, aanhef en onder 13 van de richtlijn. De oude verwijzing naar artikel 6
van de CCDI vervalt, omdat in de richtlijn geen maatwerkregeling voor precontractuele
informatie meer is geregeld inzake de geoorloofde debetstand.
Het tweede lid implementeert artikel 10, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn.
Omdat artikel 10, eerste lid, van de richtlijn, tweede alinea, is gericht aan de lidstaten,
zijn de verplichtingen overgenomen in het tweede lid.
Het derde lid implementeert artikel 12 van de richtlijn. Kredietgevers, of in voorkomend
geval kredietbemiddelaars, dienen een adequate toelichting te verstrekken bij de voorgestelde
kredietovereenkomsten en eventuele nevendiensten, zodat consumenten in staat zijn
te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomsten en nevendiensten zijn toegesneden
op de behoeften en financiële situatie van de consument. Overweging 45 van de preambule
van de richtlijn benadrukt dat dergelijke toelichting op zichzelf niet een persoonlijke
aanbeveling mag zijn. Het gaat dus niet om het verstrekken van advies in de zin van
de Wft. In de onderdelen a tot en met c wordt opgesomd uit welke elementen de toelichting
moet bestaan.
Het vierde lid implementeert artikel 13 van de richtlijn. Indien kredietgevers, of
in voorkomend geval kredietbemiddelaars, ervoor kiezen om gebruik te maken van geautomatiseerde
verwerking van persoonsgegevens om een gepersonaliseerd aanbod aan consumenten te
kunnen doen, dienen zij die consumenten daarover op heldere en begrijpelijke wijze
te informeren. Bij geautomatiseerde verwerking kan gedacht worden aan artificiële-intelligentiesystemen.
Kredietgevers en kredietbemiddelaars die hier gebruik van maken bij het bepalen van
een prijs voor aanbiedingen aan specifieke consumenten of categorieën van consumenten
moeten de consument hierover duidelijk informeren. Dat houdt onder andere in dat de
consument wordt ingelicht dat de voorgestelde prijs op basis van geautomatiseerde
verwerking van persoonsgegevens tot stand is gekomen. Deze specifieke verplichting
laat eventuele verplichtingen en verboden die volgen uit algemeen consumentenrecht
en uit de AVG onverlet. Een voorbeeld hiervan is artikel 14, tweede lid, onderdeel
f, van de AVG. Krachtens dat artikel moeten kredietgevers en kredietbemiddelaars consumenten
die de aanbieding ontvangen, ook informeren over de gegevensbronnen die zijn gebruikt
om de aanbieding te individualiseren.
Het vijfde (nieuw) en zevende lid (nieuw) betreffen reeds bestaande leden. In het
vierde lid zijn enkele verwijzingen naar artikelen van de richtlijn gewijzigd.
Het zesde lid (nieuw) implementeert de lidstaatoptie van artikel 2, achtste lid, van
de richtlijn, voor de uitzondering op artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn. De
precontractuele verplichtingen uit artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn, worden
daarom buiten toepassing verklaard voor kredietovereenkomsten voor een totaal kredietbedrag
van minder dan 200 euro, kredietovereenkomsten waarbij krediet zonder rente of andere
kosten wordt verleend, en kredietovereenkomsten volgens welke krediet binnen drie
maanden moet worden afgelost en er slechts onbetekenende kosten verschuldigd zijn.
G
In Onderafdeling 3 worden voor artikel 7:61 BW de artikelen 7:60a en 7:60b BW ingevoegd.
Deze artikelen implementeren artikel 14 van de richtlijn, waarin regels worden gesteld
ten aanzien van koppelverkoop en gebundelde verkoop. Koppelverkoop wordt in de richtlijn
in beginsel verboden en is slechts toegestaan waar het gaat om een verzekering of
een betaal- of spaarrekening, onder de in de richtlijnbepaling voorgeschreven voorwaarden.
De financiële dienst of het financiële product kan dan een wezenlijk onderdeel vormen
van het krediet, bijvoorbeeld in het geval van een geoorloofde debetstand op een rekening.
Het doel van dit verbod is om te voorkomen dat diensten of producten die niet in het
belang zijn van de consument gekoppeld worden verkocht.61 Het stringente verbod op koppelverkoop is afkomstig uit de richtlijn hypothecair
krediet.
Artikel 7:60a BW
Het verbod op koppelverkoop bestond reeds in het nationale recht, namelijk in artikel 7:77
BW, dat is opgenomen in Titel 2a, Afdeling 2, van Boek 7 BW. Nu het verbod op koppelverkoop
en enkele uitzonderingen daarop worden geregeld in de richtlijn, is implementatie
nodig in Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW. Artikel 7:77 BW blijft bestaan naast
artikel 7:60a BW. Daarom is in dat artikel een samenloopbepaling opgenomen.
Het eerste lid van artikel 7:60a BW implementeert artikel 14, eerste lid, van de richtlijn.
Gebundelde verkoop is toegestaan, maar koppelverkoop is in beginsel verboden. Voor
de bewoordingen van deze bepaling is aangesloten bij het reeds bestaande artikel 7:121
BW, dat voortkomt uit de richtlijn hypothecair krediet. Een koppelverkoopbeding dat
verboden is op grond van artikel 7:60a BW is vernietigbaar op grond van artikel 7:73
BW jo. artikel 3:40 BW.
Het tweede lid implementeert artikel 14, tweede lid, van de richtlijn en bepaalt dat
koppelverkoop van een consumentenkredietovereenkomst met een betaal- of spaarrekening
is toegestaan. Koppelverkoop van een betaalrekening was reeds onder bepaalde voorwaarden
toegestaan op grond van artikel 7:77 BW, eerste lid onderdeel b, subonderdeel 2. Die
uitzonderingen worden ingeperkt voor consumentenkredietovereenkomsten in de zin van
Afdeling 1 van Titel 2a. Koppelverkoop van een betaal- of spaarrekening is op grond
van de richtlijn slechts toegestaan indien het enige doel van die rekening is één
of meer van de in artikel 14, tweede lid, opgesomde gevallen, bijvoorbeeld indien
de kredietgever verzoekt om een rekening te openen omdat daarmee bijkomende zekerheid
wordt verschaft in geval van niet-nakoming. Een te strikte lezing van de bewoordingen
«enige doel» kan in sommige gevallen onwenselijke gevolgen hebben. Bijvoorbeeld als
het niet zou zijn toegestaan dat de consument de rekening tevens gebruikt voor reguliere
betalingen die niet te maken hebben met het krediet. Een te strikte lezing zou in
dat geval strijdig zijn met het doel van de richtlijn, omdat het gunstige voorwaarden
voor de consument in de weg staat. Zolang een ruimere lezing in het voordeel is van
de consument, is dat geoorloofd. In artikel 7:77 BW stond verder de eis dat de consument
het recht heeft te bepalen met welke wederpartij de overeenkomst wordt aangegaan.
Die eis geldt niet meer voor kredietovereenkomsten in de zin van Titel 2a. Anders
dan artikel 7:77 BW wordt koppelverkoop onder voorwaarden van een spaarrekening toegestaan
in artikel 7:60a BW.
Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat er geen sprake is van koppelverkoop van een
kredietovereenkomst samen met een verzekering als het gaat om een automatische groepsverzekering
bij een kredietovereenkomst waarbij (i) de consument geen keuze heeft ten aanzien
van de verzekering of (ii) de aanbieder geen vergoeding ontvangt voor de distributie. Dit volgt uit jurisprudentie
van het Hof van Justitie.62 De AFM heeft in een handleiding ter duiding uiteengezet wanneer de consument geen
keuzevrijheid heeft ten aanzien van de verzekering. Daarvoor mag de consument geen
keuze hebben (i) voor een bepaalde dekking, (ii) voor een bepaald verzekerd bedrag,
(iii) tussen verschillende polissen en (iv) voor een aanbieder/verzekeraar.63 Wordt hieraan voldaan, dan is reeds geen sprake van verzekeringsbemiddeling of koppelverkoop,
ongeacht of de aanbieder een vergoeding ontvangt voor de distributie. De kredietaanbieder
faciliteert dan immers niet in de totstandkoming van een nieuwe verzekeringsovereenkomst.
Biedt de aanbieder wel keuzemogelijkheid maar ontvangt deze geen vergoeding, dan is
er eveneens geen sprake van verzekeringsbemiddeling of koppelverkoop. Pas als aan
beide voorwaarden cumulatief wordt voldaan (keuzemogelijkheid en ontvangst van vergoeding),
is daarvan sprake, in welk geval eveneens sprake is van een vergunningplicht voor
verzekeringsbemiddeling.
Artikel 7:60a, derde en vierde lid, BW implementeren het derde en vijfde lid van artikel 14,
van de richtlijn. Deze bepalingen bestaan in het nationale recht al in artikel 7:121
BW voor consumentenkredietovereenkomsten betreffende voor bewoning bestemde onroerende
zaken. Bij de implementatie van deze richtlijn is dan ook grotendeels aangesloten
bij de bewoordingen van artikel 7:121, derde lid BW. Uit overweging 47 van de preambule
van de richtlijn volgt dat kredietgevers, met inachtneming van proportionaliteitsoverwegingen
kunnen eisen dat consumenten over een verzekeringspolis beschikken ter garantie van
het krediet of om de waarde van de zekerheid te verzekeren. De consument moet hierbij
wel de mogelijkheid hebben zijn eigen verzekeraar te kiezen. Daarbij geldt als voorwaarde
dat de door deze verzekeringspolis geboden waarborg gelijkwaardig is aan de verzekeringspolis
die de kredietgever heeft voorgesteld of aangeboden. Om ervoor te zorgen dat de consument
meer tijd heeft om verzekeringsaanbiedingen te vergelijken voordat hij een verzekeringspolis
afsluit, moet hij ten minste drie dagen de tijd krijgen om verzekeringsaanbiedingen
in verband met de kredietovereenkomst te vergelijken, zonder dat de aanbieding wordt
gewijzigd. De consument moet hiervan in kennis worden gesteld en krijgt daarbij ook
de mogelijkheid om voor het verstrijken van de termijn van drie dagen een verzekeringspolis
af te sluiten. De consument dient in dit laatste geval uitdrukkelijk te verzoeken
om het eerder afsluiten van de polis.
Artikel 7:60b BW
Artikel 7:60b BW implementeert het verbod uit artikel 14, vierde lid, van de richtlijn,
om in het kader van een verzekeringspolis met betrekking tot een kredietovereenkomst
persoonsgegevens te gebruiken betreffende de diagnose van oncologische ziekten. Dit
verbod heeft betrekking op situaties van koppelverkoop en gebundelde verkoop van een
verzekeringspolis met een consumentenkredietovereenkomst. Bij de implementatie is
gedeeltelijke aansluiting gezocht bij de op grond van het nationaal recht bij uitvaartverzekeringen
en overlijdensrisicoverzekeringen reeds geldende schone lei-regeling, die zijn oorsprong
heeft in de Wet op de medische keuringen. Bij deze typen verzekeringen en onder de
in het Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten en de Wet op de medische keuringen
genoemde voorwaarden, is de vraag of er bij een keurling in het verleden kanker is
geconstateerd een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de keurling
in de zin van artikel 3 van de Wet op de medische keuringen, indien gedurende een
periode van tien jaar geen terugkeer van kanker is geconstateerd gerekend vanaf het
moment van volledige remissie. De termijn is korter voor personen die jonger waren
dan 21 jaar op het moment van de diagnose of indien sprake is van een kankersoort
op grond van artikel 3 van het Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten.
De bovenstaande nationale regeling wijkt op een aantal punten af van de schone-lei-regeling
in de richtlijn. Allereerst heeft de nationale schone-lei-regeling uitsluitend betrekking
op uitvaartverzekeringen en overlijdensrisicoverzekeringen. Deze beperking van het
toepassingsbereik ontbreekt bij de schone-lei-regeling in de richtlijn. Deze ziet
op alle typen verzekeringen. Daarnaast heeft de schone-lei-regeling in de richtlijn
enkel betrekking op verzekeringen die in het kader van een kredietovereenkomst worden
afgesloten. Dat is niet het geval bij de nationale schone-lei-regeling.
Een derde verschil tussen de regelingen is de (wijze van bepaling van de) startdatum
van de periode waarna persoonsgegevens betreffende de diagnose van oncologische ziekten
van consumenten niet meer gebruikt mogen worden. De richtlijn gaat uit van een periode
van maximaal vijftien jaar na het einde van de medische behandeling van een consument. Op grond van de nationale schone-lei-regeling geldt een termijn
van tien jaar vanaf het moment van volledige remissie, waarbij de termijn korter is voor personen die jonger waren dan 21 jaar op het moment
van de diagnose (termijn van vijf jaar) of indien sprake is van bepaalde kankersoorten
(zie artikel 3 van het Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten).
Voor de bepaling van de startdatum voor de genoemde periode sluit artikel 7:60b BW
aan bij de nationale schone-lei-regeling. Er wordt dus een termijn aangehouden van
– kort gezegd – tien jaar na het moment van volledige remissie. Dit valt binnen de
richtlijnbepaling van artikel 14, vierde lid – die uitgaat van een periode van vijftien
jaar na het einde van de medische behandeling – omdat er in de regel slechts korte
tijd zit tussen «einde behandeling» en volledige remissie. Slechts indien er meer
dan vijf jaar tussen beide momenten zou zitten, zou het in strijd zijn met de richtlijn
om een termijn van tien jaar na volledige remissie aan te houden. Dan zou immers de
termijn van vijftien jaar na einde behandeling worden overschreden. Om dat theoretische
risico te ondervangen, regelt het tweede lid dat in dat geval de termijn van vijftien
jaar na einde behandeling wordt aangehouden.
Indien sprake is van een overlijdensrisicoverzekering of een uitvaartverzekering die
wordt afgesloten in combinatie met een kredietovereenkomst kan samenloop ontstaan
met de nationale schone-lei-regeling. Indien zowel op grond van artikel 7:60b BW als
op grond van de nationale schone-lei-regeling een termijn van tien jaar geldt, is
er geen sprake van tegenstrijdigheid. Als echter op grond van de nationale schone-lei-regeling
een kortere termijn dan tien jaar zou gelden – omdat sprake is van een persoon die
jonger dan 21 jaar was toen hij kanker kreeg of omdat sprake is van bepaalde kankersoorten
zoals opgenomen in artikel 3 van het Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten –
geldt die kortere termijn en niet de termijn van tien jaar. Dit is tot uitdrukking
gebracht door het woord «maximaal» toe te voegen in de bepaling van artikel 7:60b
BW.
H
Artikel 7:61 BW implementeert artikel 20 en 21 van de richtlijn. Het artikel is ten
opzichte van de CCDI slechts beperkt gewijzigd. Het eerste lid wordt ingevolge artikel 20
van de richtlijn uitgebreid met de zinsnede dat ook eventuele wijzigingen in de overeenkomst
op papier of duurzame drager worden opgesteld. Een duurzame drager is bijvoorbeeld
een e-mail. Aan het tweede lid, zijn twee onderdelen toegevoegd. Onderdeel x ziet
op de verplichting van de kredietgever om contactgegevens van schuldadviesdiensten
op te nemen in de kredietovereenkomst. Eveneens volgt uit dit onderdeel de verplichting
om een aanbeveling op te nemen in de overeenkomst richting de consument om met deze
dienstverleners in contact te treden als er sprake is van terugbetalingsproblemen.
In onderdeel y wordt opgenomen dat in de kredietovereenkomst vermeld moet staan op
welke duurzame drager de consument informatie ontvangt, met inachtneming van diens
keuzemogelijkheid. Nieuw in de richtlijn is dat die keuzemogelijkheid van de consument
in verschillende bepalingen expliciet wordt benadrukt.
Er wordt een derde lid ingevoegd in artikel 7:61 BW. Het lid voegt het vereiste toe
dat rekening wordt gehouden met de technische beperkingen van de drager waarop de
informatie wordt weergegeven. Zo moet de informatie duidelijk leesbaar zijn en aangepast
zijn aan de technische beperkingen van bepaalde media, zoals het scherm van mobiele
telefoons.64
I
Artikel 7:62 BW implementeert artikel 23 van de richtlijn. Het artikel is ten opzichte
van CCDI slechts op enkele punten aangepast, om aan te sluiten bij de ontwikkelingen
op het gebied van digitalisering. Verder is het tweede lid onderverdeeld in drie onderdelen,
die de leesbaarheid ten goede komen.
J
Artikel 7:63 BW implementeert artikel 24 van de richtlijn inzake kredietovereenkomsten
in de vorm van een geoorloofde debetstand. In het eerste lid is de term «regelmatig»
vervangen door de term «ten minste maandelijks».
Het tweede lid bevat de wijziging dat de consument «geruime tijd» voor een wijziging
van de hoogte van de debetrentevoet of kosten in kennis wordt gesteld. Uit de wetshistorie
bij artikel 7:60 BW, waar deze term ook terug komt, volgt dat wat precies moet worden
verstaan onder «geruime tijd» van geval tot geval moet worden uitgemaakt.65
Het derde lid bevat een toevoeging dat informatie van de kredietgever tevens kan worden
verstrekt via een website of mobiele applicatie.
Er worden twee nieuwe leden toegevoegd aan artikel 7:63 BW. Het vierde lid implementeert
artikel 24, derde lid, van de richtlijn, en introduceert een nieuwe bepaling omtrent
het verlagen of annuleren van de geoorloofde debetstand. Het vijfde lid implementeert
artikel 24, vierde lid, van de richtlijn en schrijft voor dat bij annulering of verlaging
van de geoorloofde debetstand op een rekening aan de consument de mogelijkheid wordt
geboden om zonder extra kosten het daadwerkelijk opgenomen bedrag terug te betalen,
voordat een incasso- of invorderingsprocedure wordt ingeleid. Met invorderingsprocedure
wordt bijvoorbeeld beslaglegging bedoeld. De verplichting voor de kredietgever biedt
de consument een extra gelegenheid om een formele procedure via de rechter te voorkomen,
bijvoorbeeld door een terugbetalingsregeling te treffen.
K
Artikel 7:66 BW implementeert artikel 26 van de richtlijn en regelt het recht van
ontbinding van de kredietovereenkomst. Er wordt een lid ingevoegd, op grond waarvan
de consument wordt beschermd indien hij contractuele voorwaarden en informatie overeenkomstig
artikel 7:61 BW niet heeft ontvangen. De consument heeft 12 maanden en 14 dagen na
sluiten van de kredietovereenkomst de gelegenheid om de overeenkomst te ontbinden,
zonder opgave van redenen en sancties, als hij slechts een deel van de informatie
heeft ontvangen. Om de rechtszekerheid van de consument te vergroten geldt in deze
situatie een aanzienlijk langere termijn, dan de standaardtermijn van 14 dagen. Indien
de consument niet is geïnformeerd over zijn recht van ontbinding, geldt er geen termijn
van ontbinding en mag de consument altijd ontbinden.
Aan het einde van artikel 7:66 BW wordt een negende lid toegevoegd inzake het recht
van ontbinding bij een gelieerde kredietovereenkomst. Hierbij kan gedacht worden aan
de online aankoop van een kledingstuk in een webshop, waarbij gebruik wordt gemaakt
van achteraf betalen middels een derde die krediet aanbiedt of overkoopt. Er is dan
sprake van een gelieerde kredietovereenkomst, namelijk een kredietovereenkomst gelieerd
aan de koopovereenkomst van het kledingstuk. Als het teruggavebeleid, ook wel retourbeleid,
van de webshop inhoudt dat het kledingstuk nog 30 dagen geretourneerd mag worden tegen
volledige terugbetaling, geldt voor de gelieerde kredietovereenkomst ook een termijn
van ontbinding van 30 dagen.
L
Artikel 7:67a BW implementeert artikel 18, zevende lid, van de richtlijn. Het is de
kredietgever, indien deze een kredietovereenkomst met een consument sluit, vervolgens
niet toegestaan om die kredietovereenkomst ten nadele van de consument te beëindigen
of wijzigen op grond van een onjuist uitgevoerde beoordeling van de kredietwaardigheid.
Dit is anders indien de consument bewust informatie heeft achtergehouden of onjuist
heeft weergegeven. De bewijslast daarvan ligt bij de kredietgever.66 Het is nodig dat de AFM op deze regel kan handhaven. Dit wordt geregeld in de Whc.
M
Artikel 7:68 BW, eerste lid, implementeert artikel 29, eerste lid, van de richtlijn.
Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd dat alle door de kredietgever in rekening
gebrachte kosten in aanmerking worden genomen bij de berekening van de verlaging van
het kredietbedrag als gevolg van vervroegde aflossing. In het derde lid is het drempelbedrag
waarboven de kredietgever hogere kosten in rekening mag brengen voor vervroegde aflossing
verhoogd van 75.000 naar 100.000 euro om rekening te houden met indexatie als gevolg
van de inflatie sinds de CCDI.67 Het bedrag is gelijk aan de bovengrens uit artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van
de richtlijn. Ook is in het derde lid opgenomen dat indien de door de kredietgever
gevorderde vergoeding hoger is dan het werkelijk geleden verlies, de consument een
overeenkomstige vermindering kan vorderen. Dit is implementatie van artikel 29, vierde
lid, van de richtlijn.
N
Artikel 7:68a BW implementeert artikel 36, derde lid, van de richtlijn, en schrijft
voor dat kredietgevers consumenten die financiële moeilijkheden ondervinden moeten
doorverwijzen naar schuldadviesdiensten. In de praktijk betekent dit dat de kredietgever
de consument op de hoogte moet stellen dat de consument terecht kan bij zijn of haar
gemeente in geval van terugbetalingsproblemen.
O
Met de wijzigingen in artikel 7:70 BW wordt artikel 25 van de richtlijn geïmplementeerd.
Het eerste lid betreft een wijziging van de verwijzing naar de CCDI naar de herziene
richtlijn.
Er worden drie nieuwe leden toegevoegd. Het derde lid verplicht kredietgevers om consumenten
met een regelmatige overschrijding op hun rekening adviesdiensten aan te bieden en
door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. Zie voor de achtergrond van de verwijzing
naar schuldadviesdiensten ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 7:61 BW.
Het vierde en vijfde lid komen overeen met de leden die aan artikel 7:63 BW, inzake
kredietovereenkomsten in de vorm van een geoorloofde debetstand, zijn toegevoegd.
Het vierde lid implementeert artikel 25, vierde lid, van de richtlijn en introduceert
een nieuwe bepaling op grond waarvan de kredietgever de consument op de hoogte moet
stellen indien de overschrijdingslimiet wordt verlaagd of overschrijding niet langer
is toegestaan. Het vijfde lid implementeert artikel 25, vijfde lid, van de richtlijn,
en schrijft voor dat bij verlaging of beëindiging van de overschrijding aan de consument
de mogelijkheid wordt geboden om zonder extra kosten het daadwerkelijk opgenomen bedrag
terug te betalen, voordat een incasso- of invorderingsprocedure wordt ingeleid.
P
In artikel 7:71 BW is de verwijzing naar het richtlijnartikel gewijzigd van artikel 19
naar artikel 30. Artikel 30 van de richtlijn is verder ongewijzigd ten opzichte van
de CCD1.
Q
Artikel 7:75 vierde lid BW, betreft nadere invulling van artikel 6 van de richtlijn
en bevat een verbod voor kredietgevers om een kredietovereenkomst aan te gaan met
een minderjarige consument. Dit verbod is echter niet van toepassing als aan twee
cumulatieve voorwaarden is voldaan: de wettelijke vertegenwoordiger moet toestemming
voor het aangaan van de overeenkomst hebben gegeven die blijkt uit een ondubbelzinnige
en duidelijk bevestigende handeling en het mag niet gaan om krediet in de vorm van
uitstel van betaling van roerende zaken of diensten. Dat krediet is te allen tijde
voor minderjarige consumenten verboden. Voor een toelichting op deze voorwaarden wordt
verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4:34b Wft.
R
Artikel 7:76 BW wordt gewijzigd om te zorgen dat de regels over kredietvergoeding
ook passend zijn voor de kredietvorm uitstel van betaling. De nadere regels over kredietvergoeding
staan in het Bk en worden naar aanleiding van de richtlijn en dit wetsvoorstel eveneens
gewijzigd. De wijziging van artikel 7:76 BW anticipeert hierop.
Het huidige artikel 7:76, eerste lid BW bepaalt – kort gezegd – dat kredietgevers
slechts twee vergoedingen mogen rekenen: (i) een reguliere vergoeding verschuldigd
bij «afwikkeling overeenkomstig de kredietovereenkomst» en (ii) een vertragingsvergoeding
op het moment dat de consument zijn betalingsverplichtingen niet nakomt en in gebreke
is. Deze strikt beperkte, toegestane vergoedingen zijn toegespitst op de klassieke
vorm van krediet, waarbij een consument een geldbedrag leent en dit in termijnen inclusief
vergoeding (veelal uitgedrukt in rente) terugbetaalt. Als hij niet tijdig of volledig
nakomt, moet hij een vertragingsvergoeding betalen. Om consumenten te beschermen,
is in het Bk opgenomen dat voor krediet geen hogere kredietvergoeding mag gelden dan
(thans) 12% en dat de vertragingsvergoeding bovendien niet meer mag zijn dan de afgesproken
rente bij reguliere aflossing. Aangezien de reguliere kredietvergoeding is gemaximeerd
op (thans) 12%, kan de vertragingsvergoeding ook nooit meer zijn dan dat percentage.
De reguliere kredietvergoeding omvat alle beloningen en vergoedingen ter zaken van
een kredietovereenkomst, onder welke benaming ook bedongen.68 De vertragingsvergoeding omvat eveneens alle kosten die bij vertraging in rekening
mogen worden gebracht, inclusief incassokosten. De grondslag voor het Bk waarin de
maximumkredietvergoeding is geregeld is artikel 7:76, tweede lid BW.
Artikel 7:76 BW wordt vereenvoudigd in die zin dat het nieuwe eerste lid slechts bepaalt
– kort gezegd – dat kredietgevers geen hogere vergoeding mogen rekenen dan bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald (in dit geval het Bk). Daarnaast
mag de kredietvergoeding niet op een ander tijdstip in rekening worden gebracht dan
bij Bk bepaald. Deze wijziging geeft de nodige flexibiliteit om op een later moment
– bij de wijziging van het Bk naar aanleiding van dit wetsvoorstel – de regels ten
aanzien van de maximumkredietvergoeding en -vertragingsvergoeding zo aan te passen
dat ze ook passend zijn voor kredietvormen die nieuw worden gereguleerd, met name
uitstel van betaling. Wordt deze wijziging niet doorgevoerd, dan mogen aanbieders
van uitstel van betaling na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel slechts één vergoeding
rekenen bij reguliere afwikkeling. Dit terwijl aanbieders van bijvoorbeeld kaarten
met uitgestelde debitering op dit moment meerdere vergoedingen in rekening brengen
bij de consument: niet alleen maandelijkse kaartkosten maar ook transactie-gerelateerde
kosten. Instandhouding van het eerste lid zoals het nu luidt zou zo een forse ingreep
in het kostenmodel van deze aanbieders betekenen, waarvoor geen aanleiding is. Bovendien
valt dan niet uit te sluiten dat het kostenmodel van deze aanbieders, die met dit
wetsvoorstel onder het regime van de richtlijn worden gebracht, dermate onder druk
komt te staan dat het aanbod verschraalt. Onder meer gezien het nut van deze kaarten
voor consumenten (denk aan het huren van een auto tijdens een vakantie in het buitenland)
en het feit dat er weinig schuldenproblematiek hierbij voorkomt, is het wenselijk
het aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering toe te (blijven) staan maandelijkse
kaartvergoedingen én transactiekosten in rekening te kunnen brengen.
De materiële norm zoals vastgelegd in het huidige artikel 7:76, eerste lid BW zal
hiervoor worden overgeheveld naar het Bk en blijven gelden voor onder andere «klassiek
krediet» waarbij een geleend geldbedrag over een periode met rente wordt terugbetaald.
Dit houdt in – kort gezegd – dat deze aanbieders bij reguliere afwikkeling slechts
één vergoeding mogen rekenen, veelal een rentepercentage op de maandelijkse termijnen.
Voor uitstel van betaling zal naar verwachting worden geregeld dat aanbieders – onder
strikte, nader te bepalen voorwaarden – meerdere vergoedingen mogen rekenen. Hierbij
wordt in elk geval gedacht aan de voorwaarde dat over het opgenomen bedrag (het bedrag
waarvoor uitstel van betaling is verleend) geen rentepercentage mag worden gerekend.
Dit is naar verwachting namelijk ook positief voor de consumentenbescherming bij uitstel
van betaling in de vorm van «koop nu, betaal later»-krediet. Een consument wordt dan
niet achteraf geconfronteerd met rentekosten, maar wordt gehouden enige kosten met
betrekking tot «koop nu, betaal later»-krediet op andere wijze te voldoen, bijvoorbeeld
in de vorm van transactie-gerelateerde kosten (die nu ook gebruikelijk zijn bij kaarten
met uitgestelde debitering). Deze kosten zouden een wenselijke drempel vormen – met
name voor jongere consumenten – om achteloos van «koop nu, betaal later»-krediet gebruik
te maken. Andere voorwaarden om meerdere vergoedingen te rekenen worden nog overwogen.
Opgemerkt zij overigens dat aanbieders van «koop nu, betaal later»-krediet momenteel
op voorhand veelal geen enkele vergoeding rekenen, en dat het gezien dit inmiddels
breed bekende model ook niet de verwachting is dat deze kredietgevers dit gaan doen.
Tot slot, geldt dat – waar de mogelijkheid tot het rekenen van een reguliere kredietvergoeding
bij uitstel van betaling zal worden verruimd – de vertragingsvergoeding wel wettelijk zal worden gemaximeerd. Dit is belangrijk, want met name
bij «koop nu, betaal later»-krediet bestaat het risico dat aanbieders op voorhand
gemakkelijk kosteloos uitstel van betaling verlenen, wat verleidelijk is voor consumenten.
Pas op het moment dat consumenten niet kunnen of vergeten te betalen, kunnen bij hen
hoge (onvoorziene) kosten in rekening worden gebracht, die de betalingsproblemen slechts
verergeren. Aangezien de vertragingsvergoeding op dit moment niet hoger mag zijn dan
de overeengekomen kredietvergoeding (en er voor kosteloos uitstel van betaling dus
ook geen vertragingsvergoeding zou mogen worden gerekend), zal het Bk hiervoor worden
aangepast. Het is immers niet wenselijk dat er überhaupt geen vertragingsvergoeding
mag worden gerekend. Aanbieders maken bij vertraging namelijk wel degelijk kosten,
die zij redelijkerwijs ook in rekening mogen brengen.
S
Aan artikel 7:77 BW wordt een lid toegevoegd om de samenloop te regelen tussen dit
artikel en artikel 7:60a BW, dat strekt tot implementatie van artikel 14 van de richtlijn.
Artikel 7:77 BW blijft immers bestaan naast artikel 7:60a BW, voor de gevallen waarin
niet sprake is van een consumentenkredietovereenkomst in de zin van afdeling 1, maar
wel van een consumentenkredietovereenkomst in de zin van afdeling 2.
ARTIKEL III (Wet handhaving consumentenbescherming)
Dit artikel wijzigt de Whc. De Whc regelt de toekenning van taken en bevoegdheden
aan bevoegde instanties in geval van inbreuken op bepaalde regels van consumentenrecht.
Een inbreuk op grond van de Whc is een overtreding van een wettelijke bepaling als
bedoeld in de bijlage bij de Whc die schade toebrengt of kan toebrengen aan de collectieve
belangen van consumenten. De AFM is de bevoegde instantie als een dergelijke inbreuk
betrekking heeft op een financiële dienst of activiteit.69
De AFM is op grond van artikel 3.1, tweede lid, van de Whc, aangewezen als de bevoegde
autoriteit voor inbreuken of inbreuken binnen de Unie op wettelijke bepalingen bedoeld
in onderdeel b van de bijlage bij de Whc. Aan dit onderdeel van de bijlage worden
met dit wetsvoorstel toegevoegd de artikelen 7:58b, 7:60, vierde lid, 7:60a, 7:60b,
7:62, 7:66, 7:67a, 7:68, 7:68a, 7:70, 7:75 en 7:77 BW.
ARTIKEL IV (Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek)
Artikel 47 van de richtlijn bevat overgangsrecht. Ter implementatie van dit artikel
wordt een nieuwe bepaling ingevoegd in de OnBW. Artikel 211aa regelt dat de tevoren
geldende Titel 2a van Boek 7 van toepassing blijft op bestaande overeenkomsten voor
bepaalde tijd. Voor consumentenkredietovereenkomsten met een onbepaalde looptijd hebben
een aantal nieuwe artikelen directe werking. Deze zijn daarom uitgezonderd van de
eerbiedigende werking. Tot slot is in het derde lid de overgangsregeling voor kredietovereenkomsten
in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering geregeld in overeenstemming met
artikel 1:20, vierde lid, Wft. Zie voor een toelichting op deze overgangsregeling
de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:20, vierde lid, Wft.
ARTIKEL V
De richtlijn dient op 20 november 2025 in nationale wetgeving- en regelgeving te zijn
geïmplementeerd. De nationale bepalingen dienen uiterlijk van toepassing te zijn op
20 november 2026. De beoogde datum van inwerkingtreding van deze bepalingen is 26 november
2026.
De Minister van Financiën, E. Heinen
Bijlage. Transponeringstabel
Bepaling EU-regeling
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
Artikel 1
Behoeft geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 1
Behoeft geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel a
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:58 lid 2 onderdeel a BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel b
Artikel 7:58 lid 2 onderdeel b BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel c
Deze uitsluiting is niet geïmplementeerd
De richtlijn sluit kredietovereenkomsten uit voor een totaal kredietbedrag van meer
dan € 100.000. Het staat lidstaten vrij om buiten het geharmoniseerd gebied bestaande
nationale regels in te stellen of te handhaven ingevolge artikel 42 en overweging
13 en 14 van de preambule van de richtlijn.
Van de beleidsruimte is, evenals bij de implementatie van de CCDI, gebruikgemaakt,
omdat er voor de Nederlandse situatie geen reden is om de consument bij de totstandkoming
van deze overeenkomsten de bescherming van Titel 2a van Boek 7 BW te ontzeggen. Consumptief
krediet (oftewel zonder hypothecaire of pandrechtelijke zekerheid) van boven de € 100.000
komt niet tot nauwelijks voor in Nederland. Instandhouding van de status quo (zonder
bovengrens van het toepassingsgebied) levert daarom ook geen noemenswaardige regeldruk
op.
Artikel 2 lid 2 onderdeel d
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:58 lid 2 onderdeel f BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel e
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikelen 7:59 lid 2, 7:60 lid 2, 7:61
lid 7, 7:64, 7:66 lid 7 en 7:67 lid 4 BW
Overeenkomsten waarbij een kredietgever de consument een krediet verstrekt en met
dit krediet voor de consument financiële instrumenten aankoopt, zijn uitgezonderd
van het toepassingsgebied van de richtlijn. De richtlijn biedt echter de mogelijkheid
om deze uitsluiting niet over te nemen ingevolge overweging 13 en 14 van de preambule
van de richtlijn.
Overeenkomsten waarbij een kredietgever de consument een krediet verstrekt en met
dit krediet voor de consument financiële instrumenten aankoopt, zijn niet uitgezonderd
in artikel 1:20 Wft en artikel 7:58 BW. Dit wordt gehandhaafd omdat deze effectenkredieten
risicovolle hefboomconstructen zijn waarbij een consument belegt met geleend geld.
Het belang van consumentenbescherming gaat hier boven het zakelijk belang van kredietaanbieders
om mogelijk geld te verdienen aan risicovol effectenkrediet en daarmee boven het belang
van een mogelijke lastenluwe implementatie van de richtlijn.
Artikel 2 lid 2 onderdeel f
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:58 lid 2 onderdeel g BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel g
Artikel 7:58 lid 2 onderdeel c en artikel 1:20 lid 1, onderdeel c Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel h
Artikel 7:58 onderdelen d en e BW en 1:20, lid 1, onderdeel e Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel i
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:58 lid 2 onderdeel h BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel j
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:58 lid 2 onderdeel i BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel k
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:58 lid 2 onderdeel j BW en artikel 1:20
lid 1 onderdeel a Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel l
Artikel III en artikel IV.
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 3
Reeds onderdeel van het bestaande recht.
Zie toelichting in de transponeringstabel, artikel 2, lid 2, onderdeel c.
Zie toelichting in de transponeringstabel, artikel 2, lid 2, onderdeel c.
Artikel 2 lid 4 aanhef en a
Artikel 1:20 lid 2 Wft en artikel 7:58 lid 3 BW.
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 2 lid 4 aanhef en b
Artikel 1:20 lid 2 Wft.
Artikel 2 lid 4 aanhef en b biedt lidstaten de ruimte om kredietovereenkomsten in
de vorm van overschrijding uit te zonderen van artikel 18 van de richtlijn.
Van de beleidsruimte om artikel 18 niet van toepassing te verklaren op kredietovereenkomsten
in de vorm van overschrijding is gebruik gemaakt, omdat het bij overeenkomsten in
de vorm van overschrijding niet de intentie van partijen is om krediet af te sluiten.
Overschrijding is immers niet vooraf overeengekomen, maar vindt plaats wanneer tijdelijk
de nulstand van een betaalrekening wordt overschreden. Het is wenselijk dat kredietgevers
deze flexibiliteit in het reguliere betalingsverkeer blijven aanbieden.
Artikel 2 lid 5
Behoeft geen implementatie.
Artikel 2 lid 5 biedt lidstaten de ruimte om kredietovereenkomsten in de vorm van
kaarten met uitgestelde debitering vrij te stellen van de richtlijn.
Van de beleidsruimte is geen gebruik gemaakt. De reden hiervoor is dat deze kredieten
een vorm van uitgestelde betaling zijn, wat onder het toepassingsbereik van de richtlijn
is komen te vallen. Een uitzondering hierop ligt niet in de rede. Zie voor een uitgebreidere
toelichting paragraaf 4 van het algemeen deel.
Artikel 2 lid 6
Behoeft geen implementatie
Artikel 2 lid 6 biedt lidstaten de ruimte om een maatwerkregeling te treffen voor
kredietovereenkomsten die worden gesloten door een organisatie waarbij het krediet
wordt aangeboden aan een beperkt publiek.
Bij de implementatie van de CCDI is geen gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie, omdat
destijds geen dergelijke organisaties die aan de eisen voldeden bestonden in Nederland.
Deze situatie lijkt niet veranderd te zijn. Er zijn ook geen signalen dat er behoefte
bestaat aan het gebruikmaken van deze beleidsruimte.
Artikel 2 lid 7
Behoeft geen implementatie
Artikel 2 lid 7 biedt lidstaten de ruimte om een maatwerkregeling te treffen voor
kredietovereenkomsten die voorzien in regeling voor uitstel van betaling.
Bij de implementatie van de CCDI is geen gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie. Ook
is daar nu geen aanleiding voor. Van belang is dat een betalingsregeling op basis
van het Nederlandse recht wordt beschouwd als een voortzetting van de bestaande kredietovereenkomst,
zodat de verplichtingen voor de kredietgever beperkt zijn en er dus geen noodzaak
bestaat om een lichter regime te laten gelden voor de betalingsregeling door gebruik
te maken van de lidstaatoptie.
Artikel 2 lid 8
Artikel 7:60 lid 6 BW
Artikel 2 lid 8 biedt lidstaten de ruimte om bepaalde onderdelen van artikelen uit
de richtlijn inzake reclamevereisten en precontractuele informatie buiten toepassing
te verklaren.
Er wordt vanuit het oogpunt van het beperken van lastendruk gebruik gemaakt van deze
lidstaatoptie, door een uitzondering te regelen op artikel 10 lid 5 van de richtlijn
voor bepaalde kredieten. Zie voor een uitgebreidere toelichting paragraaf 4 van het
algemeen deel.
Artikel 3
Artikelen 1:1 Wft en 7:57 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 4
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 5
Artikel 7:58b BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 6
Artikel 4:34b Wft
N.v.t.
Op grond van artikel 6 van de richtlijn is het mogelijk om leeftijd als voorwaarde
te stellen voor toegang tot krediet, indien dit onderscheid op grond van leeftijd
door objectieve criteria gerechtvaardigd is. Artikel 6 van de richtlijn is de grondslag
voor het verbod in artikel 4:34b Wft.
Artikel 7
Artikel 7:59 lid 1 BW en reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 6:193b
BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 8 lid 1
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:22 Wft, artikel 56 BGfo en 2:2
Nader regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 8 lid 2 tot en met 6
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:61 lid 2 BW en artikel 4:22 Wft,
artikel 53 BGfo en artikel 2:2 Nader regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 8 lid 7
BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 8 lid 8
BGfo
Artikel 8 lid 8 biedt lidstaten de ruimte om bepaalde vormen van reclame inzake krediet
te verbieden.
Nader uit te werken op AMvB-niveau. Het voornemen is om gebruik te maken van deze
beleidsruimte om deze vormen van reclame te verbieden.
Artikel 9
BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 10
Artikel 4:33 Wft en artikel 7:60 BW en BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 11
Behoeft geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 12 lid 1
Artikel 7:60 lid 2 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 12 lid 2 (adequate toelichting)
Behoeft geen implementatie
Artikel 12 lid 2 biedt lidstaten de ruimte om specifieke eisen te stellen aan de vereiste
toelichting op de kredietovereenkomst, afhankelijk van de doelgroep, het soort krediet
of de omstandigheden van het kredietaanbod.
Van deze lidstaatoptie wordt geen gebruik gemaakt.
Uit algemeen consumentenrecht en regels die al van toepassing op financiële dienstverleners,
volgt dat kredietgevers bij het aanbieden van hun producten al rekening dienen te
houden met de doelgroep, type product en omstandigheden van het aanbod. Aanvullende
eisen hebben beperkte toegevoegde waarde op deze bestaande regels en de toelichting
die de kredietgever moet verstrekken op grond van artikel 12, eerste lid, van de richtlijn.
Artikel 13
Artikel 7:60 lid 4 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 14 lid 1
Artikel 7:60a lid 1 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 14 lid 2
Artikel 7:60a lid 2 BW
Artikel 14 lid 2 biedt lidstaten de ruimte om een uitzondering te maken op het verbod
op koppelverkoop door koppelverkoop van een spaar- en betaalrekening bij een kredietovereenkomst
wel toe te staan.
Er wordt gebruik gemaakt van deze beleidsruimte om de bestaande praktijk van koppelverkoop
van een betaalrekening op basis van het reeds bestaande artikel 7:77 lid 1, onderdeel b,
onder 2, BW te handhaven. Hiermee wordt lastenluw geïmplementeerd.
Artikel 14 lid 3
Artikel 7:60a lid 3 BW
Artikel 14 lid 3 biedt lidstaten de ruimte om onder voorwaarden een uitzondering mogelijk
te maken voor koppelverkoop van een verzekeringspolis bij een kredietovereenkomst.
Deze uitzondering maakt reeds onderdeel uit van het bestaande recht, in artikel 7:77,
lid 1, onderdeel b, onder 1, BW. Er wordt gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie omdat
de status quo – die hiermee wordt gehandhaafd – het midden vindt tussen beperking
van lastendruk en consumentenbescherming. Enerzijds wordt de consument door de verplichte
verzekering beschermd tegen bijvoorbeeld het wegvallen van inkomen en het niet meer
kunnen aflossen van de (rest)schuld. Anderzijds behoudt de consument de vrijheid om
te kiezen bij welke verzekeraar hij de verzekering afsluit, zodat hij niet wordt gedwongen
de potentieel nadelige voorwaarden van de kredietgever te accepteren. Opgemerkt zij
overigens dat verplichte verzekeringen bij consumptief krediet in Nederland nauwelijks
voorkomen.
Artikel 14 lid 4
Artikel 7:60b BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 14 lid 5
Artikel 7:60a lid 4 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 15
Artikel 7:58a lid 2 en 3 BW en artikel 4:34c Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 16 lid 1 en 3
Artikel 4:23 Wft en BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 16 lid 2
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:23 Wft en BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 16 lid 4
BGfo
Artikel 16 lid 4 biedt lidstaten de ruimte om het gebruik van de termen «advies» of
«adviseur» voor kredietgevers of kredietbemiddelaars te verbieden.
Nader uit te werken op AMvB-niveau. Het voornemen is om geen gebruik te maken van
deze beleidsruimte. Het nationale recht stelt reeds zware eisen aan de financiële
dienst van adviseren, waarmee een verbod op het gebruik van deze termen niet noodzakelijk
is ter bescherming van de consument. Als gevolg van deze keuze dienen wel eisen gesteld
te worden aan het gebruik van de termen «onafhankelijk advies» en «onafhankelijk adviseur».
Artikel 16 lid 5
BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 16 lid 6
Artikel 5 Vr Wft
Artikel 16 lid 6 biedt lidstaten de ruimte om één of meer van de in het zesde lid
genoemde vormen van advisering toe te staan, door personen die niet tevens kredietgever
of kredietbemiddelaar zijn.
Nader uit te werken op AMvB-niveau. Het voornemen is om gebruik te maken van de lidstaatoptie
om de situaties toe te staan als genoemd in de onderdelen b, c en d van artikel 16
lid 6, zodat ook personen kunnen adviseren die niet tevens bemiddelen. Onderdeel a
is niet aan de orde, nu de uitzondering te breed is.
Artikel 17
Artikel 7:58a lid 1 BW en artikel 4:34c Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 18 lid 1
Artikel 4:34, artikel 4:34a Wft, artikel 7:74 lid 4 BW en BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 18 lid 2
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:99 Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 18 lid 3
Artikel 4:34 en 4:34a Wft en BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 18 lid 4
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 115 lid 1 BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 18 lid 5
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:34 lid 1 Wft.
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 18 lid 6
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:34 lid 2 Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 18 lid 7
Artikel 7:67a BW en BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 18 lid 8
BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 18 lid 9
BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 18 lid 10
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:34 Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 18 lid 11
Artikel 4:32 en 4:34 lid 1 Wft en artikel 114 BGfo
Artikel 18 lid 11 biedt lidstaten de ruimte om raadpleging van een databank te verplichten.
Er wordt gebruik gemaakt van de beleidsruimte om het bestaande recht te kunnen handhaven,
waarbij de aanbieder van krediet verplicht is een relevante databank, zoals in Nederland
de databank van BKR, te raadplegen voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. BKR is
in Nederland zo ingebed in het systeem, dat de aanwijzing van BKR als beheerder van
het stelsel van kredietregistratie in de rede ligt en het niet opportuun is om een
andere partij of de overheid dat te laten doen.
Artikel 19 lid 1
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:32 Wft en 114 BGfo en Wetsvoorstel
stelsel kredietregistratie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 19 lid 2
Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 19 lid 3
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 19 lid 4
Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 19 lid 5
Artikel 4:34a Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 19 lid 6
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:32 lid 2 Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 19 lid 7
Artikel 4:32 lid 4 Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 19 lid 8
Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 20 lid 1
Artikel 7:61 lid 1 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 20 lid 2
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 21
Artikel 7:61 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 22
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:61a BW (Implementatiewet richtlijn
kredietservicers en kredietkopers)
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 23
Artikel 7:62 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 24 lid 1
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:63 lid 1 BW.
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 24 lid 2 tot en met lid 4
Artikel 7:63 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 24 lid 5
Behoeft geen implementatie
Artikel 24 lid 5 biedt lidstaten de ruimte om strengere regels voor te schrijven voor
kredietovereenkomsten in de vorm van een geoorloofde debetstand.
Er wordt geen gebruik gemaakt van deze beleidsruimte om striktere regels in te stellen
voor deze kredietvorm, nu de regels in de richtlijn reeds zijn aangescherpt en dit
voldoende consumentenbescherming biedt.
Artikel 25
Artikel 7:70 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 25 lid 6
Behoeft geen implementatie
Artikel 25 lid 6 biedt lidstaten de ruimte om strengere regels voor te schrijven voor
kredietovereenkomsten in de vorm van overschrijding.
Er wordt geen gebruik gemaakt van deze beleidsruimte om striktere regels in te stellen
voor deze kredietvorm, nu de regels in de richtlijn reeds zijn aangescherpt en dit
voldoende consumentenbescherming biedt.
Artikel 26
Artikel 7:66 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 26 lid 4
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 26 lid 8
Behoeft geen implementatie
Artikel 26 lid 8 biedt lidstaten de ruimte om de leden 1 tot en met 6 van dit artikel
niet van toepassing te verklaren op kredietovereenkomsten die volgens de nationale
wetgeving door tussenkomst van een notaris moeten worden gesloten.
Er wordt geen gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie, omdat het nationale recht geen
tussenkomst van een notaris bij consumentenkredietovereenkomsten voorschrijft.
Artikel 27 lid 1
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 6:271 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 27 lid 2
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:67 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 27 lid 3
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 28
Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 7:65 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 29 lid 1
Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 7:68 lid 1 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 29 lid 2
Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 7:68 lid 2 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 29 lid 3
Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 7:68 lid 2 en lid 5 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 29 lid 4
Artikel 7:68 lid 3 BW
Artikel 29 lid 4 biedt lidstaten de ruimte om te regelen dat a) de kredietgever pas
vergoedingen bij vervroegde aflossing in rekening mag brengen indien deze boven een
bepaald drempelbedrag komt of om te regelen dat b) hogere vergoedingen dan genoemd
in de richtlijn zijn toegestaan.
Bij de implementatie van de CCDI is gedeeltelijk gebruik gemaakt van de beleidsruimte,
namelijk de ruimte in onderdeel b. Deze keuze wordt gehandhaafd omdat er geen signalen
zijn van onevenredige nadelen voor de consument als gevolg van deze keuze en omdat
het bij grote kredieten voor een kredietgever van belang is om zekerheid te hebben
over betalingen tegen een afgesproken rentetarief (welke zekerheid zou worden ondermijnd
bij een onbeperkt recht op vervroegde, kosteloze aflossing). Van de gelegenheid is
ook gebruikgemaakt om het drempelbedrag als genoemd in artikel 7:68 lid 3 BW in lijn
te brengen met het toepassingsbereik van de herziene richtlijn, te weten kredietovereenkomsten
tot een bedrag van € 100.000. Dat was eerst € 75.000. Ook is van de gelegenheid gebruikgemaakt
om toe te voegen dat indien de door de kredietgever gevorderde vergoeding hoger is
dan het werkelijk geleden verlies, de consument een overeenkomstige vermindering kan
vorderen.
Artikel 29 lid 5
Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 7:68 lid 4 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 30
Artikel 7:57 lid 1 onderdeel i, artikel 7:71 BW
en bijlage A BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 31 lid 1
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 115a BGfo en artikel 1a Uitvoeringsregeling
Wft en Bk
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 31 lid 2
Artikel 1:16 Wft. In het BW reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:76
lid 2 BW en het Bk
Artikel 31 lid 2 biedt lidstaten de ruimte verboden of beperkingen vast te stellen
wat betreft specifieke kosten of vergoedingen die door kredietgevers op hun grondgebied
worden toegepast.
Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht (de wettelijke
maximumkredietvergoeding) te kunnen handhaven, waarbij de kredietvergoeding en de
vertragingsvergoeding is gemaximeerd in het Besluit Kredietvergoeding. Dit beschermt
de kredietnemer, die zich in een afhankelijkheidspositie bevindt ten opzichte van
de kredietgever, tegen de kredietgever. Hiermee wordt niet lastenluw geïmplementeerd
(kredietgevers kunnen immers geen onbeperkt JKP rekenen) omdat het belang van consumentenbescherming
hier prevaleert.
Artikel 31 lid 3
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 31 lid 4
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 32 lid 1
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikelen 4:15, 4:24a, 4:25 Wft en paragraaf 5.2,
8.1.3, 8.2 BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 32 lid 2
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 1:119 Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 32 lid 3
Afdeling 1.7.2 Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 32 lid 4
Artikel 4:74 Wft en artikel 155 BGfo
Artikel 32 lid 4 biedt lidstaten de ruimte om commissielonen door de kredietgever
aan de kredietbemiddelaar te verbieden.
Van de beleidsruimte wordt geen gebruik gemaakt. Het nationale recht gaat in beginsel
uit van een provisiegebod, inhoudende dat de bemiddelaar alleen betaald mag worden
door de kredietgever (kredietaanbieder).
Artikel 32 lid 5
BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 33 lid 1 en 2
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:9 Wft en artikel 6 en 7 BGfo
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 33 lid 3
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, volgt uit systeem van de wet, afdeling 1.4.2.
Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 34
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 35 lid 1
eerste alinea
Artikel 4:35a Wft en artikel 7:70a BW (Implementatiewet richtlijn kredietservicers
en kredietkopers)
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 35 lid 1 tweede alinea
Artikel 4:34 lid 3 Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 35 lid 2
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 35 lid 3
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:76 BW en artikel 11 Bk
Artikel 35 lid 3 biedt lidstaten de ruimte om te vereisen dat de kosten voor niet-nakoming
niet hoger zijn dan hetgeen nodig is ter vergoeding van de schade die de kredietgever
als gevolg van de niet-nakoming heeft geleden.
Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht te kunnen handhaven,
waarbij de kredietgever wordt toegestaan kosten te rekenen aan de kredietnemer wegens
niet-nakoming van de kredietovereenkomst in de vorm van een vertragingsvergoeding.
Daarin zijn wel beperkingen aangebracht om de kredietnemer, die zich in een afhankelijkheidspositie
bevindt ten opzichte van de kredietgever, te beschermen.
Artikel 35 lid 4
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
Artikel 35 lid 4 biedt lidstaten de ruimte om een plafond vast te stellen indien zij
kredietgevers toestaan aan de consument aanvullende kosten aan te rekenen op grond
van het derde lid.
Aangezien geen gebruik is gemaakt van de lidstaatoptie uit artikel 35 lid 3, is implementatie
niet aan de orde.
Artikel 35 lid 5
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 36 lid 1
Reeds onderdeel van het bestaande recht in Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 36 lid 2 en 3
Artikel 4:35b Wft en 7:68a BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 36 lid 4
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 37 lid 1
Artikel 2:80 en 2:81 Wft en artikel 6 Vr Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 37 lid 2
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 2:61 lid 1 Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 37 lid 3 onderdeel a
Artikel 2:80, 2:81 Wft en artikel 6 Vr Wft.
Artikel 37 lid 3 onderdeel a biedt lidstaten de ruimte om registratie- en vergunning
vereisten buiten toepassing te verklaren voor leveranciers van goederen of dienstverleners
die bemiddelen en die aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Er wordt vanuit het oogpunt van vermindering van lastendruk gebruik gemaakt van de
beleidsruimte om micro-, kleine- en middelgrote kredietbemiddelaars die in nevenactiviteit
bemiddelen uit te zonderen van artikel 37 lid 1.
Zie voor een uitgebreidere toelichting paragraaf 4 van het algemeen deel.
Artikel 37 lid 3 onderdeel b
2:60 Wft
Artikel 32 lid 3 onderdeel b biedt lidstaten de ruimte om registratie- en vergunning
vereisten buiten toepassing te verklaren voor leveranciers van goederen of dienstverleners
die krediet aanbieden en die die aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Er wordt vanuit het oogpunt van bescherming van de consument geen gebruik gemaakt
van de beleidsruimte om micro, kleine- en middelgrote aanbieders van krediet die in
nevenactiviteit aanbieden en aan bepaalde voorwaarden voldoen, uit te zonderen van
de vergunningplicht.
Zie voor een uitgebreidere toelichting paragraaf 4 van het algemeen deel.
Artikel 38
Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 4:74 Wft en artikel 7:72 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 39
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:69 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 40
Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 4:17 Wft
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 41 lid 1
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 1:25 Wft en paragraaf 1 van Hoofdstuk 3
van de Wet handhaving consumentenbescherming.
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 41 lid 2 t/m 8
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 41 lid 9
Artikel 1:77q Wft
Artikel 41 lid 9 biedt lidstaten de ruimte om productinterventiemogelijkheden toe
te kennen aan de nationale bevoegde autoriteiten.
Van deze lidstaatoptie wordt gebruik gemaakt om het instrumentarium van de AFM uit
te breiden om direct in te kunnen grijpen bij onwenselijke kredietpraktijken Zie voor
een uitgebreidere toelichting paragraaf 4 van het algemeen deel.
Artikel 42
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 43
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:73 BW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 44
Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikelen 1:25 lid 2, 1:79, 1:80 en 1:81
Wft en Besluit bestuurlijke boetes financiële sector
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 45
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 46
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 47
Artikel IV en artikel 211a OnBW
N.v.t.
N.v.t.
Artikel 48 t/m 50
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
N.v.t.
N.v.t.
Ondertekenaars
E. Heinen, minister van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.