Amendement : Amendement van het lid Kathmann over de interventiebevoegdheid van de minister
36 764 Regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 910/2014 en Richtlijn (EU) 2018/1972 en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2016/1148 (PbEU 2022, L 333) (Cyberbeveiligingswet)
Nr. 25
AMENDEMENT VAN HET LID KATHMANN
Ontvangen 30 maart 2026
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
Na het voorgestelde artikel 21 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 21a (weren producten en diensten van leveranciers)
1. Indien dat naar het oordeel van Onze Minister die het aangaat, ter uitwerking van
artikel 21, noodzakelijk is om risico’s voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen
die de nationale veiligheid raken te beheersen of om incidenten die de nationale veiligheid
raken te voorkomen, legt hij in overeenstemming met Onze Minister een essentiële entiteit
of een belangrijke entiteit de verplichting op om in de daarbij aangewezen onderdelen
van haar netwerk- en informatiesystemen uitsluitend gebruik te maken van producten
of diensten van anderen dan de daarbij door Onze Minister die het aangaat genoemde
partij die:
a. een staat, entiteit of persoon is waarvan bekend is of waarvoor gronden zijn te vermoeden
dat deze de intentie heeft om de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen
van de essentiële entiteit of belangrijke entiteit aan te tasten of om incidenten
bij de essentiële entiteit of belangrijke entiteit te veroorzaken; of
b. nauwe banden heeft met of onder invloed staat van een staat, entiteit of persoon als
bedoeld in onderdeel a, of een entiteit of persoon is ten aanzien van wie er gronden
zijn om dergelijke banden of invloed te vermoeden.
2. In het kader van de beoordeling van de noodzaak, bedoeld in het eerste lid, beoordeelt
Onze Minister die het aangaat in elk geval of beheersmaatregelen mogelijk en realiseerbaar
zijn die de nationale veiligheidsrisico’s die in het geding zijn voldoende beschermen.
3. Indien de verplichting, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op reeds in gebruik
zijnde producten en diensten ten behoeve van de daarbij aangewezen onderdelen, stelt
Onze Minister die het aangaat in het belang van de continuïteit van de dienstverlening
een termijn vast voor het vervangen respectievelijk beëindigen van de betreffende
producten en diensten.
4. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van essentiële entiteiten en belangrijke
entiteiten die aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of aanbieders
van openbare elektronische communicatiediensten zijn.
II
In artikel 80, derde lid, onder a, wordt «de artikelen 21 en 25 tot en met 30» vervangen
door «de artikelen 21, 21a en 25 tot en met 30».
III
In artikel 87, derde lid, onder a, wordt «de artikelen 21 en 25 tot en met 30» vervangen
door «de artikelen 21, 21a en 25 tot en met 30».
Toelichting
Dit amendement brengt het voorgestelde artikel 18 van het concept van de algemene
maatregel van bestuur (amvb) behorende bij dit wetsvoorstel (het Cyberbeveiligingsbesluit),
welke de interventiebevoegdheid van de vakminister regelt om essentiële entiteiten
en belangrijke entiteiten de verplichting op te leggen om diensten en producten van
bepaalde leveranciers in aangewezen onderdelen van hun netwerk- en informatiesystemen
te weren, onder in de voorgestelde Cyberbeveiligingswet als een nieuw artikel.
Daarnaast voegt dit amendement ook waarborgen toe ter bescherming van de essentiële
entiteiten en belangrijke entiteiten die verplicht worden om diensten of producten
te weren. Dit betreft een nieuw artikellid dat stelt dat eerst moet worden vastgesteld
dat er geen technische, operationele en organisatorische maatregelen zijn die de risico’s
voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen die de nationale veiligheid
raken te beheersen of om incidenten die de nationale veiligheid raken te voorkomen.
De indiener ziet meerwaarde in de interventiebevoegdheid voor de vakminister. Momenteel
is deze voorzien in artikel 18 van het voorgestelde Cyberbeveiligingsbesluit, als
een uitwerking van de zorgplicht die geregeld is in het voorgestelde artikel 21 van
het wetsvoorstel voor de Cyberbeveiligingswet. Met toenemende internationale spanningen
en de groeiende capaciteiten van statelijke actoren, is de bevoegdheid om vanwege
de bescherming van de nationale veiligheid riskante diensten en producten te weren
noodzakelijk. Echter stelt de indiener dat dit een dusdanig verstrekkende bevoegdheid
is dat deze op het niveau van de wet geregeld dient te worden in een losstaand artikel.
Interventies van de betrokken vakminister worden dan gehouden aan dit nieuwe artikel
van de wet, in plaats van lagere regelgeving.
Bovendien stelt de indiener aanvullende waarborgen voor om politieke willekeur te
voorkomen. Het weren van bepaalde diensten en producten in onderdelen van netwerk-
en informatiesystemen, omdat deze mogelijk gebruikt worden door (leveranciers actief
in) landen met een offensief cyberprogramma jegens Nederland, heeft verstrekkende
gevolgen voor essentiële entiteiten en belangrijke entiteiten die hierdoor worden
getroffen. De indiener ziet voor zich dat deze bevoegdheid enkel wordt gebruikt als
vaststaat dat er redelijkerwijs geen technische, operationele en organisatorische
maatregelen mogelijk zijn die de risico’s voor de nationale veiligheid kunnen voorkomen.
Het opleggen van de verplichting om diensten en producten van specifieke leveranciers
te weren wordt dan een «last resort»-maatregel.
De indiener verwijst naar de brede coalitie van bedrijven en organisaties die hun
zorgen hebben geuit over de interventiebevoegdheid in het voorgestelde artikel 18
van het Cyberbeveiligingsbesluit. Zij voorziet dat, om het draagvlak voor deze verstrekkende
maar noodzakelijke bevoegdheid te behouden, de overheid zich bereid moet tonen om
mét entiteiten samen te werken om het weren van diensten en producten op een ordentelijke
wijze te laten verlopen. Een eenzijdige en niet wettelijk afgekaderde bevoegdheid
stuit op weerstand en wijkt af van de geest van het wetsvoorstel voor de Cyberbeveiligingswet,
waarin verplichtingen voor bedrijven en coöperatie vanuit de overheid juist in balans
worden gebracht.
Hieronder volgt nadere toelichting over het amendement, gebaseerd op de conceptversie
van het Cyberbeveiligingsbesluit die ter advisering is voorgelegd aan de Afdeling
advisering van de Raad van State en geredigeerd:1
Inleidende opmerkingen voorstel
Nederland wordt steeds vaker geconfronteerd met cyberaanvallen op (al dan niet vitale)
processen door statelijke en criminele actoren.2 Naar verwachting zal de cyberdreiging de komende jaren aanhouden, omdat het relatief
makkelijk is om een digitaal aanvalsprogramma op te zetten. Dergelijke aanvallen zijn
ook steeds moeilijker herleidbaar tot de aanvaller. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten
identificeren in hun meest recente jaarverslagen een sterke toename van het aantal
landen dat offensieve cyberprogramma’s ontwikkelt en inzet bij het nastreven van hun
politieke doelstellingen. In het licht van de hiervoor bedoelde ontwikkelingen, aanvallen
en dreigingen voorziet het nieuw voorgestelde artikel 21a, eerste lid, van de Cyberbeveiligingswet
(Cbw) in de bevoegdheid van de betrokken vakminister om, in overeenstemming met de
Minister van Justitie en Veiligheid, een essentiële entiteit of belangrijke entiteit
de verplichting op te leggen om in onderdelen van haar netwerk- en informatiesystemen
producten of diensten van specifieke leveranciers te weren en zo de risico’s, die
voortvloeien uit de hiervoor bedoelde offensieve cyberprogramma’s, te beheersen.
Het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw is een uitwerking van algemene zorgplicht
van artikel 21 Cbw. Essentiële entiteiten en belangrijke entiteiten zijn primair zelf
verantwoordelijk voor het in het kader van deze zorgplicht treffen van ten minste
de maatregelen ter beheersing van de risico’s voor de beveiliging van hun netwerk-
en informatiesystemen en ter voorkoming van incidenten, zoals opgesomd in artikel
21 Cbw en nader uitgewerkt in hoofdstuk 4 Cbb, waaronder maatregelen betreffende de
beveiliging van de toeleveranciersketen. Het kan echter voorkomen dat de levering
van producten en diensten aan een essentiële entiteit of belangrijke entiteit van
een specifieke leverancier risico’s met zich brengt voor de beveiliging van de netwerk-
en informatiesystemen die de nationale veiligheid raken. Het kan met het oog daarop
noodzakelijk zijn om ter bescherming van de nationale veiligheid vanuit de rijksoverheid
de verplichting, bedoeld in het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw, aan die
entiteit op te leggen. Daarbij zal onder meer steeds worden beoordeeld of de ingrijpendheid
van de maatregel in redelijke verhouding staat tot het ermee beoogde doel én of er
geen minder ingrijpende maatregelen zijn om dat doel te bereiken.
Reikwijdte
De betrokken vakminister maakt gebruik van de in het voorgestelde artikel 21a, eerste
lid, Cbw opgenomen bevoegdheid indien hij van oordeel is dat dit noodzakelijk is om
risico’s voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen die de nationale
veiligheid raken te beheersen of om incidenten die de nationale veiligheid raken te
voorkomen. Wat onder incident als bedoeld in het voorgestelde artikel 21a, eerste
lid, Cbw wordt verstaan volgt uit artikel 1 Cbw. Hierin is bepaald dat een incident
in de zin van de Cbw en onderliggende regelgeving een gebeurtenis is die de beschikbaarheid,
authenticiteit, integriteit of vertrouwelijkheid van opgeslagen, verzonden of verwerkte
gegevens of van de diensten die worden aangeboden door of toegankelijk zijn via netwerk-
en informatiesystemen, in gevaar brengt. Bij de inzet van de bevoegdheid zal het moeten
gaan om leveranciers die ofwel zelf de intentie hebben om de beveiliging van de netwerk-
en informatiesystemen van essentiële entiteiten of belangrijke entiteiten aan te tasten
of incidenten bij die entiteiten te veroorzaken, dan wel leveranciers die nauwe banden
hebben met of onder controle staan van een partij met een dergelijke intentie. Hierbij
is het niet van belang of een partij in laatstbedoelde zin een statelijke actor is
of een andere entiteit. Van nauwe banden of controle in bovenbedoelde zin kan in het
eerste geval bijvoorbeeld sprake zijn indien de leverancier afkomstig is, of onder
controle staat van een partij, uit een land met wetgeving die particuliere partijen
verplicht samen te werken met de overheid van dat land, in het bijzonder staatsorganen
die zijn belast met een inlichtingen- of militaire taak. Van de intentie in bovenbedoelde
zin zal in datzelfde geval sprake kunnen zijn als het land, waaruit de leverancier
zelf of de partij die controle heeft over die leverancier, een actief offensief programma
heeft dat is gericht op Nederland en Nederlandse belangen of een gespannen relatie
met Nederland heeft, die acties die Nederlandse belangen aantasten voorstelbaar maken.
De betrokken vakminister zal ten aanzien van de betrokken essentiële entiteit of belangrijke
entiteit moeten bepalen met betrekking tot welke onderdelen van haar netwerk- en informatiesystemen
het noodzakelijk is om daarbinnen producten of diensten van specifieke leveranciers
te weren. Het zal gaan om onderdelen waarvoor geldt dat de toegang daartoe, vanwege
de gevoeligheid van die onderdelen, in geval van misbruik een risico voor de nationale
veiligheid oplevert. Bij risico voor de nationale veiligheid kan gedacht worden aan
sabotage, beïnvloeding of spionage door statelijke actoren of andere derde partijen
van netwerk- en informatiesystemen van de entiteit. Ook de inzet van ransomware kan
een risico vormen voor de nationale veiligheid als het gaat om de continuïteit van
(vitale) processen, het weglekken en/of publiceren van vertrouwelijke of gevoelige
informatie en de aantasting van de integriteit van de digitale ruimte.3
De beoordeling of en ten aanzien van welke onderdelen van netwerk- en informatiesystemen
het opleggen van de verplichting om producten of diensten van een specifieke leverancier
te weren noodzakelijk is zal per geval en dus per individuele entiteit geschieden.
In die beoordeling wordt onder meer meegenomen of en in welke mate er bij een entiteit
sprake is van kritieke onderdelen waarvoor geldt dat misbruik een risico voor de nationale
veiligheid kan vormen en of de maatregelen die de entiteit heeft getroffen of nog
kan treffen ter beheersing van een dergelijk risico voldoende zijn. Als er sprake
is van het gebruik van producten of diensten van eenzelfde leverancier bij meerdere
essentiële entiteiten of belangrijk entiteiten, zal de uitkomst van de beoordeling
dus van entiteit tot entiteit kunnen verschillen. De verplichting om producten of
diensten van een specifieke leverancier te weren zal dus niet generiek kunnen worden
opgelegd. In lijn hiermee zal er vanuit de rijksoverheid bijvoorbeeld ook niet een
lijst van te weren (producten of diensten van) leveranciers worden opgesteld. Wel
zijn er verschillende openbare producten beschikbaar die voor entiteiten behulpzaam
kunnen zijn bij de afweging van welke leveranciers zij producten of diensten zullen
afnemen, zoals de handreiking Cybercheck: ook jij hebt supply chain risico’s!.4
De bevoegdheid uit het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw kan niet worden toegepast
op essentiële entiteiten en belangrijke entiteiten die aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken of aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten
zijn. Dit is geregeld in het voorgestelde artikel 21a, vierde lid, Cbw. De reden voor
deze regeling is dat de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) en daaronder liggende regelgeving
voor deze aanbieders al in een sectorspecifiek vergelijkbaar regime voorziet. Met
het voorgestelde artikel 21a, vierde lid, Cbw wordt voorkomen dat er een dubbele grondslag
ontstaat ten aanzien van die aanbieders. Immers, op grond van artikel 11.a1, tweede
lid, Tw (zoals gewijzigd in artikel 99, onderdeel B, Cbw) is het al mogelijk om bij
of krachtens amvb technische, operationele en organisatorische maatregelen vast te
stellen, om de risico’s voor de beveiliging van hun netwerken of diensten te beheersen,
teneinde de gevolgen van beveiligingsincidenten op de nationale veiligheid of openbare
orde te beperken. Met het oog op voortzetting van de huidige sectorale wetgeving bevat
het nieuwe tweede lid van artikel 11a.1 Tw een wettelijke grondslag die in materieel
opzicht een ongewijzigde basis biedt voor het Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie
(hierna: Bvit). De delegatiegrondslag voor het Bvit in artikel 11a.1, tweede lid,
Tw is net zoals voorheen – met artikel 11a.1, vierde lid, Tw (oud) – gebaseerd op
een benadering die alle gevaren omvat. De maatregelen kunnen dus onverminderd bijdragen
aan de bescherming van veiligheidsbelangen in brede zin, waaronder risico’s voor de
nationale veiligheid. Daarbij kan worden gedacht aan sabotage of spionage van openbare
elektronische communicatienetwerken en openbare elektronische communicatiediensten.
Het Bvit kent in artikel 2, tweede en derde lid, vergelijkbare bepalingen als het
voorgestelde artikel 21a, eerste en derde lid, Cbw. Op grond van het Bvit heeft de
Minister van Economische Zaken onder meer maatregelen getroffen met betrekking tot
de bescherming van de toeleveringsketen van de mobiele telecommunicatienetwerken.
Dit zijn reeds langere tijd geldende maatregelen op grond van nationaal beleid dat
ongewijzigd wordt voortgezet. Zowel met betrekking tot de grondslag als de maatregelen
die op grond van het Bvit zijn genomen doen er zich in materiële zin geen wijzigingen
voor.
Beoordeling
De bovengenoemde verplichting wordt opgelegd door de vakminister, in overeenstemming
met de Minister van Justitie en Veiligheid, als die naar zijn oordeel noodzakelijk
is om risico’s voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen die de nationale
veiligheid raken te beheersen of om incidenten die de nationale veiligheid raken te
voorkomen.
De beoordeling of de hierboven bedoelde verplichting zou moeten worden opgelegd sluit
aan bij het in artikel 2 Cbw beschreven doel van de Cbw, te weten het met het oog
op het in stand houden van kritieke maatschappelijke of economisch belangrijke functies
of activiteiten verhogen van de cyberbeveiliging. Dit past eveneens in de Nederlandse
Cybersecuritystrategie (2022–2028) waarin een digitaal veilig Nederland het uitgangspunt
is.
Bij de beoordeling van risico’s ten aanzien van onder meer spionage en sabotage door
statelijke actoren bij digitale producten en diensten hanteert het kabinet de overwegingen
die zijn vermeld in de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid aan de Tweede
Kamer over C2000.5 De criteria die in het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw zijn vermeld zijn
in lijn met de overwegingen in genoemde Kamerbrief, met dien verstande dat in overweging
3A de term «vitale infrastructurele installaties of werken» is geactualiseerd naar
«kritieke infrastructuur». Het gaat om de volgende overwegingen:
1.
Is de partij die de dienst of het product levert afkomstig, of staat hij onder controle
van een partij, uit een land met wetgeving die commerciële of particuliere partijen
verplicht samen te werken met de overheid van dat land, in het bijzonder met staatsorganen
die zijn belast met een inlichtingen- of militaire taak, of is de partij een staatsbedrijf?
2.
Is de partij die de dienst of het product levert afkomstig uit een land met een actief
offensief programma gericht op Nederland en Nederlandse belangen of een land waarmee
de Nederlandse relatie dusdanig gespannen is dat acties die Nederlandse belangen aantasten
voorstelbaar zijn?
Indien het antwoord op de in bovenstaande overwegingen geformuleerde vragen positief
is, zal er sprake zijn van een partij die nauwe banden heeft met of onder controle
staat van een staat of entiteit die de intentie heeft om de beveiliging van de netwerk-
of informatiesystemen van een essentiële entiteit of belangrijke entiteit aan te tasten
of om incidenten bij die entiteit te veroorzaken, of waarvoor gronden zijn om dergelijke
banden of controle te vermoeden. Dan komen de volgende overwegingen aan de orde:
3A.
Krijgt de partij die de dienst of het product levert uitgebreide toegang tot gevoelige
locaties, gevoelige ICT-systemen of de kritieke infrastructuur, waarbij misbruik een
nationaal veiligheidsrisico kan vormen?
3B.
Zijn er beheersmaatregelen mogelijk en realiseerbaar die de nationale veiligheidsrisico’s
die in het geding zijn voldoende beschermen?
De reikwijdte van de op te leggen verplichting is beperkt tot die onderdelen die in
de beschikking worden aangewezen. Bij de afweging welke onderdelen in de beschikking
worden aangewezen, komen bovenstaande overwegingen als volgt aan bod. Eerst worden
de kritieke onderdelen van de entiteit in kaart gebracht. Dit zijn de onderdelen waarvoor
geldt dat de leverancier uitgebreide toegang tot gevoelige locaties, gevoelige ICT-systemen
of de kritieke infrastructuur krijgt, waarbij misbruik een nationaal veiligheidsrisico
kan vormen (overweging 3A). Vervolgens wordt beoordeeld of het opleggen van de verplichting
in relatie tot die onderdelen noodzakelijk is om risico’s die de nationale veiligheid
raken te beheersen: dit houdt in dat er geen andere maatregelen mogelijk en realiseerbaar
zijn om deze risico’s voldoende te beheersen (overweging 3B). Hiertoe wordt met name
de toereikendheid van de maatregelen die de essentiële entiteit of belangrijke entiteit
in het kader van de wettelijke zorgplicht reeds heeft genomen of nog geacht wordt
te moeten nemen in ogenschouw genomen. De kritieke onderdelen waarvoor geldt dat er
geen andere beheersmaatregelen zijn om het risico voldoende te beheersen worden vervolgens
aangewezen in de beschikking, waarmee de reikwijdte van de verplichting om uitsluitend
gebruik te maken van vertrouwde leveranciers tot die aangewezen onderdelen is beperkt.
De volgende procesmatige stappen worden in het kader van de beoordeling in elk geval
doorlopen:
1. het bepalen van het risico;
2. het plan van aanpak voor het (technisch) onderzoek;
3. het vaststellen van de kritieke onderdelen; en
4. het identificeren van de reeds getroffen en aanvullend mogelijke beveiligingsmaatregelen.
De betrokken entiteit wordt hierbij zo veel als mogelijk betrokken en in de gelegenheid
gesteld een zienswijze hierop te geven.
Termijn vervanging of beëindiging in gebruik zijnde producten of diensten
Het zal voor een essentiële entiteit of belangrijke entiteit niet altijd mogelijk
zijn om per direct gevolg te geven aan de op grond van het voorgestelde artikel 21a,
eerste lid, Cbw opgelegde verplichting, zonder hiermee de continuïteit van de dienstverlening
in gevaar te brengen, als de entiteit de in de beschikking genoemde producten of diensten
van een specifieke leverancier nog in gebruik heeft. In zo’n geval zal de vakminister
op grond van het voorgestelde artikel 21a, derde lid, Cbw, in het belang van de continuïteit
van de dienstverlening, in de beschikking een termijn opnemen voor de vervanging of
beëindiging van die in gebruik zijnde producten of diensten.
Advisering
De entiteit, aan wie de verplichting wordt opgelegd én die gelet daarop reeds in gebruik
zijnde producten of diensten moet vervangen, zal zich in de praktijk voor advies over
het uitfaseren kunnen wenden tot de vakminister of het CSIRT. Zij zullen desgevraagd
dat advies dan zo veel als mogelijk verlenen. Los daarvan kan een entiteit, die de
uitfaseringstermijn onverwacht niet denkt te gaan halen, op basis van de Algemene
wet bestuursrecht een verzoek om verlenging van de uitfaseringstermijn bij de vakminister
indienen.
Rechtsbescherming
De aan een essentiële entiteit of belangrijke entiteit op te leggen verplichting,
bedoeld in het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw, is een besluit in de zin
van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Tegen het besluit staan rechtsmiddelen
(bezwaar, beroep en hoger beroep) open. Dit houdt in dat de betrokken entiteit bij
de vakminister die de verplichting bij beschikking heeft opgelegd, in bezwaar kan
gaan tegen de beschikking. Na de bezwaarprocedure bij de vakminister staat de rechtsgang
bij de rechter en hoger beroepsrechter open, uiteraard voor zover de betrokken entiteit
procesbelang heeft.
Rol van de toezichthouder
Als een essentiële entiteit of belangrijke entiteit een beschikking als bedoeld in
het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw opgelegd heeft gekregen, is er een rol
voor de toezichthouder. Die ziet er op toe dat de beschikking wordt nageleefd door
de betrokken entiteit.
Eigendomsregulering
Het Cbw biedt met het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, de grondslag om een beschikking
op te leggen die kan leiden tot eigendomsregulering van essentiële entiteiten en belangrijke
entiteiten. Van eigendomsregulering is sprake wanneer de gebruiksmogelijkheden van
de eigendom worden beperkt, zonder dat de beschikking over het eigendom verloren gaat.
Bij een beschikking op basis van artikel 18, eerste lid, Cbb is sprake van regulering
van eigendom en geen (de facto) onteigening: het leidt immers niet tot verlies van
eigendom dan wel dat de beschikking over het eigendom verloren gaat. De producten
en diensten waarop de beschikking betrekking heeft behouden waarde, blijven eigendom
van de entiteit en kunnen door haar te gelde worden gemaakt.
Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP EVRM) beschermt het recht
op eigendom. Een beschikking op grond van het voorgestelde artikel 21a, eerste lid,
Cbw vormt een inmenging in het in artikel 1 EP EVRM vervatte eigendomsrecht van essentiële
entiteiten en belangrijke entiteiten. Van belang is dat het begrip «eigendom» in de
zin van artikel 1 EP EVRM een autonome betekenis heeft. Dat betekent dat dit begrip
een eigen betekenis heeft die losstaat van de betekenis die in de rechtstelsels van
de verdragsstaten aan het begrip «eigendom» wordt gegeven. Bij de vraag of sprake
is van eigendom in de zin van artikel 1 EP EVRM gaat het er volgens het Europees Hof
voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) uiteindelijk om dat in de omstandigheden
van het geval sprake is van een «title to a substantive interest». Uit jurisprudentie valt af te leiden dat het in algemene zin dient te gaan om op
economische, op geld waardeerbare aanspraken en belangen.6 Toekomstige inkomsten die nog niet betaald zijn en waarop naar nationaal recht ook
nog geen vaststaand recht bestaat, kwalificeren volgens het EHRM bijvoorbeeld niet
als eigendom in de zin van artikel 1 EP EVRM.
Het EHRM erkent dat een staat ter borging van het algemeen belang (het gebruik van)
eigendom mag reguleren en aan beperkingen mag onderwerpen als aan een aantal voorwaarden
wordt voldaan. Een inbreuk op het eigendomsrecht is gerechtvaardigd wanneer er sprake
is van regulering van eigendom en deze aan de legaliteitstoets, de legitimiteitstoets
en de evenredigheidstoets («fair balance») voldoet.
De legaliteitstoets houdt in dat de inmenging in het eigendomsrecht voorzien moet
zijn bij wet of daarop gebaseerde regelgeving. De toepasselijke nationale regeling
moet voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar zijn. Het voorgestelde artikel
21a, eerste lid, Cbw voldoet aan deze vereisten.
De legitimiteitstoets houdt in dat de inmenging enkel mag plaatsvinden in het algemeen
belang en dat deze een legitiem doel dient. Het EHRM laat staten een ruime beoordelingsmarge
bij het vaststellen van wat als een legitieme doelstelling in het kader van het algemeen
belang kan gelden; nationale veiligheid kan daar ook onder geschaard worden. Hierbij
is wel van belang dat wordt overwogen of de ingrijpendheid van de maatregel in redelijke
verhouding staat tot het ermee beoogde legitieme doel (proportionaliteit) en of er
geen andere, minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn om ditzelfde doel te bereiken
(subsidiariteit). Bij de beschikking op grond van het voorgestelde artikel 21a, eerste
lid, Cbw zal de vakminister aandacht moeten besteden aan de proportionaliteit en de
subsidiariteit van dat besluit. Zoals volgt uit het voorgestelde artikel 21a, tweede
lid, Cbw, zal de vakminister bij de beschikking op grond van het voorgestelde artikel
21a, eerste lid, Cbw, moeten beoordelen of kan worden volstaan met de maatregelen
die de betrokken entiteit reeds heeft genomen of nog kan nemen. Indien dat niet het
geval is, moet de vakminister beoordelen tot welke onderdelen van de netwerk- en informatiesystemen
het weren van producten en diensten van specifieke leveranciers zou moeten uitstrekken.
De evenredigheidstoets vraagt om een beoordeling of met de beschikking op grond van
het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw sprake is van een rechtvaardig en evenwichtig
resultaat, oftewel «fair balance», tussen het algemeen belang en de belangen van – in dit geval – de entiteit die
wordt geraakt door de inmenging in haar eigendomsrecht. Bij de beoordeling of sprake
is van een «fair balance» dienen verschillende aspecten in ogenschouw te worden genomen. De toepassing van
de in het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw opgenomen bevoegdheid mag niet
leiden tot een individuele en buitensporige last voor de betrokken entiteit. Er moet
bovendien een redelijke mate van evenredigheid bestaan tussen de gebruikte middelen
en het nagestreefde doel. Een van de aspecten die een belangrijke rol speelt in het
kader van de «fair balance» is de voorzienbaarheid van de maatregel (in casu de toepassing van de in het voorgestelde
artikel 21a, eerste lid, Cbw opgenomen bevoegdheid). Hiermee wordt bedoeld of de maatregel
in de lijn der verwachting ligt, ook al bestond er nog geen concreet zicht op de omvang
waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. Essentiële
entiteiten en belangrijke entiteiten zijn op grond van artikel 21 Cbw verplicht om
passende en evenredige technische, operationele en organisatorische maatregelen te
nemen om de risico’s voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen, die
zij voor haar werkzaamheden of voor het verlenen van haar diensten gebruiken, te beheersen.
Ook moeten zij deze maatregelen nemen om incidenten te voorkomen. Daarmee is echter
niet altijd op voorhand te zeggen dat die risico’s voldoende kunnen worden beheerst
wanneer in specifiek aan te wijzen onderdelen van de netwerk- en informatiesystemen
niet uitsluitend producten of diensten van vertrouwde leveranciers worden gebruikt
(en welke leveranciers als vertrouwd worden gezien). In sommige gevallen kan er sprake
zijn van schade die voortvloeit uit het (vroegtijdig, voor afloop van de afschrijvingstermijn)
moeten vervangen van producten, hetgeen op het moment van aanschaf niet voorzienbaar
was. In zulke gevallen kan het noodzakelijk zijn nadeelcompensatie te bieden, om de
vereiste «fair balance» te bereiken.
Nadeelcompensatie
Titel 4.5 van de Awb behelst een codificatie van het égalitébeginsel en geeft de belangrijkste
materiële en procedurele regels voor de toekenning van nadeelcompensatie. In artikel
4:126, eerste lid, Awb is bepaald dat indien een bestuursorgaan in de rechtmatige
uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die
uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking
met anderen onevenredig zwaar treft, het bestuursorgaan de benadeelde desgevraagd
een vergoeding toekent. De op grond van de onderhavige bevoegdheid op te leggen beschikkingen
vallen onder de reikwijdte van deze bepaling en meer algemeen titel 4.5 Awb.
Schade op grond van het égalitébeginsel komt alleen voor vergoeding in aanmerking
voor zover de schade onevenredig is en in rechtstreeks verband staat tot het genomen
besluit. Van onevenredige schade is sprake indien de schade op een beperkte groep
burgers of bedrijven drukt (speciale last) en de schade boven het normaal maatschappelijke
of ondernemersrisico uitstijgt (abnormale last).7
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij de beantwoording van de vraag of er een
redelijk evenwicht bestaat tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving
en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu in het licht van artikel
1 EVRM EP, zoals hierboven is toegelicht, betrekt het EHRM de vraag of er een schadevergoeding
is toegekend, alsmede de omvang daarvan. Op grond van de regeling in titel 4.5 Awb
wordt de vraag naar de vergoedbaarheid van de schade en de omvang van de schadevergoeding
los behandeld van de vraag naar de rechtmatigheid van het schadeveroorzakend overheidshandelen.
Dit komt niet in strijd met de bescherming die artikel 1 EVRM EP beoogt te bieden,
mits bestuursorganen zich er bij het nemen van een schadeveroorzakend besluit al rekenschap
van geven dat het besluit aanleiding kan vormen voor aanspraken op nadeelcompensatie.
In verband daarmee dient bij het nemen van het besluit tevens te worden bezien of
er voor de afhandeling van een verzoek om nadeelcompensatie een met voldoende waarborgen
omklede rechtsgang openstaat.8 Dit is het geval nu een entiteit op grond van artikel 4:126, eerste lid, Awb een
aanvraag voor nadeelcompensatie kan indienen.
Vrij verkeer van goederen
Een op grond van het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw genomen beschikking
is een kwantitatieve invoerbeperking (of maatregel van gelijke werking) in de zin
van artikel 34 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU).
Een beperking in het vrije verkeer van goederen is slechts toegestaan indien dit gerechtvaardigd
kan worden wegens een dwingende reden van algemeen belang, of in geval van discriminatoire
maatregelen: een van de belangen opgesomd in artikel 36 VWEU, waaronder de bescherming
van de openbare orde en openbare veiligheid, hetgeen ook de nationale veiligheid omvat.
Een maatregel die leidt tot een beperking in het vrije verkeer van goederen moet voorts
geschikt zijn om het beoogde doel te bereiken en niet verder gaan dan noodzakelijk
is.
Zoals hierboven toegelicht vindt een op grond van het voorgestelde artikel 21a, eerste
lid, Cbw opgelegde maatregel (in casu de verplichting tot het weren van bepaalde diensten
of producten van bepaalde leveranciers) zijn rechtvaardiging in het beschermen van
de nationale veiligheid. Het opleggen van een dergelijke maatregel is enkel aan de
orde als de maatregel geschikt is om het nagestreefde belang te beschermen en als
– gelet op de geconstateerde risico’s voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen
die de nationale veiligheid raken – die risico’s niet afdoende te ondervangen zijn
met de maatregelen die de betrokken entiteit in het kader van de zorgplicht reeds
heeft genomen, zoals bepaald in het voorgestelde artikel 21b, tweede lid, Cbw. De
maatregel zal in dat geval niet verder gaan dan nodig voor het beoogde doel en geschikt
zijn om het beoogde doel te bereiken.
Internationale handels- en investeringsafspraken
Bij een beschikking op basis van het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw, die
betrekking heeft op reeds in gebruik zijnde producten of diensten in de daarbij aangewezen
onderdelen van de netwerk- en informatiesystemen van de betrokken entiteit, is tevens
van belang dat de internationale afspraken tussen het Koninkrijk der Nederlanden en
derde landen over investeringsbescherming in acht worden genomen. Onder deze afspraken
wordt een buitenlandse investeerder in Nederland (en worden Nederlandse investeerders
in het betreffende derde land) beschermd tegen onder meer onredelijk en/of discriminatoir
handelen van de overheid. Daarnaast bieden deze afspraken voorwaarden op basis waarvan
onteigend mag worden, namelijk indien de maatregel die tot (de facto) onteigening
leidt non-discriminatoir is, in het publiek belang is en waartegenover een gepaste
schadevergoeding wordt geboden. Indien een overheid jegens die investeerder niet redelijk
heeft gehandeld of de voorwaarden voor onteigening heeft geschonden, kan de investeerder
daartegen compensatie eisen. Dit is alleen van belang waar het gaat om een reeds bestaande
investering.
Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de eigendomsregulering en nadeelcompensatie is
besproken (vraagstukken waarvoor de toetsing dezelfde beginselen volgt), kan worden
geconcludeerd dat beschikkingen op grond van het voorgestelde artikel 21a, eerste
lid, Cbw in beginsel geen schending opleveren van de internationale investeringsbeschermingsafspraken
op dit terrein. De vakminister zal bij het opleggen van beschikkingen op grond van
het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw steeds per geval toetsen aan de genoemde
specifieke vereisten.
Verder is van belang dat een dergelijke beschikking geen afbreuk doet aan de handelsafspraken
over diensten en goederen aangegaan onder de Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organization) en bilaterale en regionale handelsakkoorden van de Europese Unie met derde landen.
Deze akkoorden voorzien onder bepaalde voorwaarden in een uitzondering op de regels
van markttoegang en non-discriminatoire behandeling. Zo kan een dergelijke beschikking
gezien het doel van de maatregel gerechtvaardigd worden met een beroep op de algemene
uitzondering voor de bescherming van de nationale veiligheid. Bij het nemen van de
beschikking op grond van het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw zal de vakminister
moeten toetsen of dergelijke beperkende maatregelen noodzakelijk zijn om deze doelstelling
te verwezenlijken, en er dus geen alternatieve maatregel bestaat die de handel minder
beperkt en waarvan redelijkerwijs geacht wordt dat een staat die maatregel neemt.
Uit het voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw blijkt dat de beschikking uitsluitend
wordt opgelegd indien het opleggen van de verplichting om in onderdelen van de netwerk-
en informatiesystemen producten of diensten van specifieke leveranciers te weren noodzakelijk
is om risico’s die de nationale veiligheid raken te beheersen. Hieruit volgt tevens
dat een dergelijke maatregel alleen wordt opgelegd indien andere maatregelen, meer
in het bijzonder de maatregelen die de betrokken entiteit in het kader van de wettelijke
zorgplicht al heeft genomen, onvoldoende zijn om de risico’s voor de nationale veiligheid
te beheersen.
Wat betreft een beroep op de uitzonderingen ter bescherming van de nationale veiligheid
geldt nog specifiek dat een staat maatregelen kan nemen die het nodig acht ter bescherming
van het wezenlijke belang van haar veiligheid en die (voor zover hier relevant) enkel
worden toegepast in tijd van oorlog of van gevaarlijke internationale spanningen.
Daarnaast kan een staat maatregelen nemen tot handhaving van de internationale vrede
en veiligheid ingevolge haar verplichtingen krachtens het Handvest van de Verenigde
Naties.
Gezien het doel van en de vereiste onderbouwing van de verplichting, bedoeld in het
voorgestelde artikel 21a, eerste lid, Cbw, namelijk de bescherming van de nationale
veiligheid, is een beschikking op grond van het voorgestelde artikel 21a, eerste lid,
Cbw – afhankelijk van de specifieke situatie – in beginsel te rechtvaardigen onder
de geldende uitzonderingsgronden van de handelsafspraken. De vakminister zal bij het
opleggen van een beschikking op grond van het voorgestelde artikel 21a, eerste lid,
Cbw steeds per geval toetsen aan de genoemde specifieke vereisten.
Kathmann
Indieners
Barbara Kathmann, Kamerlid
Kabinetsappreciatie
Appreciatie:
Nog niet bekend
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Voor |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Voor |
| PVV | 19 | Voor |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Voor |
| FVD | 7 | Voor |
| Groep Markuszower | 7 | Voor |
| BBB | 3 | Voor |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Voor |
| PvdD | 3 | Voor |
| SGP | 3 | Voor |
| SP | 3 | Voor |
| 50PLUS | 2 | Voor |
| Keijzer | 1 | Voor |
| Volt | 1 | Voor |