Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport : Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
36 920 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met een aanpassing van de bijzondere regelingen voor ondernemers die diensten verrichten voor andere dan ondernemers, of goederen op afstand verkopen, of bepaalde goederen binnenlands leveren (Wet implementatie Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie)
Nr. 4
ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 4 februari 2026 en het nader rapport d.d. 19 maart 2026, aangeboden aan de Koning
door de Staatssecretaris van Financiën. Het advies van de Afdeling advisering van
de Raad van State is cursief afgedrukt.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 18 december 2025, nr. 2025002901,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake
het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies,
gedateerd 4 februari 2026, nr. W06.25.00366/III, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 18 december 2025, no.2025002901, heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, bij
de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het
voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband
met een aanpassing van de bijzondere regelingen voor ondernemers die diensten verrichten
voor andere dan ondernemers, of goederen op afstand verkopen, of bepaalde goederen
binnenlands leveren (Wet implementatie Richtlijn Btw in het digitale tijdperk – enkele
btw-registratie), met memorie van toelichting.
Inhoud en achtergrond van het voorstel
Het wetsvoorstel implementeert een deel van de Richtlijn (EU) 2025/516 van de Raad
van 11 maart 2025 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de btw-regels
voor het digitale tijdperk, ook wel de ViDA-richtlijn genoemd.1
Deze richtlijn bevat drie onderwerpen:
1. elektronisch factureren en digitale rapportage
2. platformeconomie en
3. enkele btw-registratie.
Het wetsvoorstel richt zich op de enkele btw-registratie. De overige onderwerpen worden
op een later moment door middel van afzonderlijke wetsvoorstellen geïmplementeerd.
Het doel van de enkele btw-registratie is het verminderen van de administratieve lasten
die voortvloeien uit btw-registraties in meerdere lidstaten. Daartoe wordt het aantal
gevallen verminderd waarin een onderneming zich in meerdere lidstaten moet registeren.
Dit gebeurt via uitbreiding en aanpassing van zogenoemde éénloketregelingen, ook wel
One Stop Shops (OSS) genoemd.
Naast de implementatie van het betreffende onderdeel van de ViDA-richtlijn is volgens
de toelichting van de gelegenheid gebruikgemaakt om in het wetsvoorstel enkele wettechnische
verbeteringen aan te brengen in de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968), die
niet de inhoud raken van het voorliggende wetsvoorstel.2
Hiermee lijkt bedoeld te zijn dat deze wijzigingen losstaan van de implementatie
van de ViDA-richtlijn. Elders vermeldt de toelichting dat het voorstel de gelegenheid
biedt om enkele verduidelijkingen en aanpassingen in de bestaande éénloketregelingen
door te voeren.3
Onderscheid implementatie en onderhoud
In implementatiewetgeving kunnen kleinere technische onderhoudswijzigingen4 worden meegenomen. Dit in afwijking van het uitgangspunt dat hierin geen andere regels
worden opgenomen dan voor implementatie noodzakelijk zijn.5 Voor de kenbaarheid is het daarbij belangrijk om tot uitdrukking te brengen dat het
voorstel niet is beperkt tot implementatie6 en in de toelichting duidelijk te maken welke wijzigingen zien op implementatie en
welke op onderhoud. Dit onderscheid ontbreekt in de toelichting. De toelichting bevat
ook geen Europeesrechtelijke paragraaf die ingaat op de eventuele beleidskeuzes en
hoe daar uitvoering aan wordt gegeven.
Als onderhoudswijzigingen meer inhoudelijk7 of omvangrijker zijn, ligt het meer in de rede deze op te nemen in een van de jaarlijkse
fiscale onderhoudswetten. De toelichting maakt niet duidelijk hoe de in het voorstel
opgenomen onderhoudswijzigingen in dat kader geduid moeten worden en zich verhouden
tot de Btw-richtlijn 20068 waar de Wet OB 1968 uitvoering aan geeft.
De Afdeling adviseert in de toelichting het onderscheid tussen implementatie en onderhoud
tot uitdrukking te brengen en het wetsvoorstel en de toelichting waar nodig hierop
aan te passen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het
voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede
Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De Vice-President van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling advisering van de Raad van State
(de Afdeling) is de toelichting aangevuld. Daarbij is onder meer een aanvullende overzichtstabel
opgenomen en zijn nadere toelichtingen opgenomen in de artikelsgewijze toelichting
om inzichtelijk te maken welke onderdelen van het voorstel noodzakelijk zijn voor
de implementatie van het betreffende onderdeel van de Richtlijn btw in het digitale
tijdperk en welke onderdelen daarvan losstaan en als onderhoudswijzigingen moeten
worden aangemerkt. Tevens is toegelicht om welke redenen juist het onderhavige wetsvoorstel
het passende wetsvoorstel is voor deze onderhoudswijzigingen.
Het voorliggende wetsvoorstel bevat drie onderhoudswijzigingen die in beginsel geen
substantiële beleidswijzigingen behelzen, maar wel een inhoudelijk karakter kunnen
hebben. De eerste onderhoudswijziging betreft het laten vervallen van de meldingsverplichting
inzake de toepassing van de tegemoetkoming voor kleinere ondernemers, zoals neergelegd
in artikel 6k, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968). Deze
wijziging is niet noodzakelijk voor de implementatie van het betreffende onderdeel
van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk (hierna ook: Richtlijn btw in het digitale
tijdperk – enkele btw-registratie). De richtlijn geeft aanleiding om artikel 6k Wet
OB 1968 op andere punten te wijzigen onder meer doordat intracommunautaire afstandsverkopen
van goederen vanuit een voorraad in een andere lidstaat niet langer worden meegerekend
voor de drempel van € 10.000. Daarom is ervoor gekozen om in dit wetsvoorstel tevens
de meldingsverplichting te laten vervallen, ook al schrijft de wijzigingsrichtlijn
deze wijziging niet dwingend voor, en volgt deze meldingsverplichting ook niet uit
de BTW-richtlijn 2006 zelf. Zoals reeds in de memorie van toelichting is uiteengezet,
komt deze meldingsverplichting te vervallen omdat zij niet noodzakelijk is voor controledoeleinden.
Het gebruik van de regeling kan reeds voldoende blijken uit de administratie van de
ondernemer.
De tweede onderhoudswijziging betreft het schrappen van het vestigingsvereiste in
artikel 37c, onderdeel b, Wet OB 1968 met betrekking tot de toepassing van de vereenvoudigde
A-B-C-regeling. Ook deze wijziging is niet noodzakelijk voor de implementatie van
de Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie. Aan de toepassing
van de vereenvoudigde A-B-C-regeling is evenwel de verleggingsregeling van artikel
12, derde lid, Wet OB 1968 verbonden. Het vervallen van het vestigingsvereiste in
artikel 37c, onderdeel b, Wet OB 1968 vergt daarom een samenhangende aanpassing van
de vereisten van artikel 12 van die wet. De Richtlijn btw in het digitale tijdperk
– enkele btw-registratie voorziet in een wijziging van genoemd artikel 12 die toereikend
is om, na het vervallen van het vestigingsvereiste, de correcte werking van artikel
37c, onderdeel b, Wet OB 1968 te waarborgen. Tegen deze achtergrond is besloten om
de wijziging van artikel 37c, onderdeel b, Wet OB 1968 in samenhang met de wijziging
van artikel 12 van die wet in dit wetsvoorstel op te nemen.
Ten slotte is een onderhoudswijziging opgenomen in artikel 32n, vierde lid, Wet OB
1968. Daarin wordt de verwijzing naar eerste tot en met vierde lid vervangen door
een verwijzing naar het eerste tot en met derde lid, aangezien de oorspronkelijke
verwijzing abusievelijk mede naar zichzelf verwees en daarmee niet correct was. Deze
wijziging is dus van zuiver redactionele aard.
Voorts merkt de Afdeling op dat in de bij het wetsvoorstel behorende toelichting geen
afzonderlijke Europeesrechtelijke paragraaf is opgenomen waarin wordt ingegaan op
de beleidsruimte van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk- enkele btw-registratie.
In de transponeringstabel is toegelicht welke beleidsruimte de richtlijn biedt en
op welke wijze daarvan gebruik is gemaakt. Daarbij wordt opgemerkt dat de richtlijn
in wezen slechts beleidsruimte laat ten aanzien van de toepassing van de verleggingsregelingen.
Deze beleidsruimte is bovendien niet nieuw, maar vloeit voort uit de bestaande BTW-richtlijn
2006 waarvan Nederland reeds gebruik heeft gemaakt. Het voorliggende voorstel maakt
geen gebruik van aanvullende of nieuwe beleidsruimte. Gelet hierop is ervan afgezien
een afzonderlijke Europeesrechtelijke paragraaf op te nemen en is volstaan met een
toelichting in de transponeringstabel.
Ten slotte zijn in het voorstel van wet en de memorie van toelichting nog enkele overige
wijzigingen aangebracht. Dit betreft redactionele verbeteringen, waaronder correcties
van abusievelijk onjuist vermelde data van inwerkingtreding in het algemeen deel.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde
memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Staatssecretaris van Financiën,
E. Eerenberg
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.