Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : 36831 Nader verslag inzake wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders)
36 831 Wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders)
Nr. 8
NADER VERSLAG
Vastgesteld, 26 maart 2026
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt nader verslag uit te brengen
van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen
afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
Blz.
1.
Algemeen
1
2.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
3
1. Algemeen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verwelkomen de intrekking van het wetsvoorstel,
zoals aangekondigd in de brief van 20 maart jl. (Kamerstuk 32 847, nr. 1407) door de Minister. Dit wetsvoorstel was een symboolmaatregel, onuitvoerbaar voor
gemeenten, zou tot grote problemen in de asielketen hebben geleid en was onverenigbaar
met de Grondwet. Deze leden benadrukken dat de huidige woningnood niet wordt veroorzaakt
door een teveel aan vergunninghouders maar door een tekort aan betaalbare woningen.
Wel hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog vragen en zorgen over allereerst
het voornemen van de Minister, zoals verwoord in haar brief, om met een nieuw verbod
op voorrang voor vergunninghouders te komen, en het voornemen om in te zetten op flexibele
tijdelijke huisvesting voor vergunninghouders.
De Minister heeft aangegeven te komen met een «nieuw, uitvoerbaar wetsvoorstel waarbij
tegemoetgekomen wordt aan de reacties van de Raad van State, gemeenten en andere betrokken
partijen». Deze leden begrijpen dat het dus nog steeds de intentie van het kabinet
is om het onmogelijk te maken voor gemeenten om voorrang te verlenen aan vergunninghouders.
Zij zien sterke aanwijzingen dat elke vorm van een verbod op voorrang voor vergunninghouders
kan botsen met het principe van gelijke behandeling. De Raad van State stelde dat
zo’n verbod, omdat vergunninghouders in een achtergestelde positie verkeren, kan leiden
tot ongelijke behandeling in strijd met de Grondwet. De Minister wil dit ondervangen
door die achtergestelde positie te verbeteren, maar de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
betwijfelen of dat realistisch is, aangezien eerdere plannen om die positie gelijk
te trekken, volgens de Raad van State onvoldoende waren. Deze leden vragen hoe de
Minister op korte termijn vergunninghouders in een vergelijkbare positie wil brengen
als andere woningzoekenden, terwijl vergunninghouders zeer kwetsbaar zijn, technisch
dakloos, vaak een lager inkomen hebben en weinig tot geen sociaal netwerk – iets wat
ook wordt benadrukt door woningcorporaties, de Nederlandse Orde van Advocaten en gemeenten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verwelkomden de passages in het coalitieakkoord
over de democratische rechtstaat en het belang van democratische instituties. Deze
leden vragen de regering om helder te bevestigen dat zij een nieuw verbod op voorrang
voor vergunninghouders niet onveranderd zal doorzetten bij negatieve advisering door
de Raad van State. En dat zij het oordeel van andere instituties – zoals de Nederlandse
Orde van Advocaten, het College voor de Rechten van de Mens – en uitvoeringsinstanties
– zoals organisaties in de asielketen, corporaties, en het lokaal gezag – zeer zwaar
zal meewegen.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben geen
vragen gezien de huidige politieke ontwikkelingen omtrent het voorstel.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel
en zij zijn verheugd dat de regering voornemens is om het wetsvoorstel van het vorige
kabinet door te zetten. Deze leden steunen de doelstelling om de verdeling van schaarse
sociale huurwoningen eerlijker te maken en de positie van vergunninghouders te normaliseren
ten opzichte van andere woningzoekenden.
Deze leden constateren dat de huidige praktijk, waarin vergunninghouders met voorrang
toegang krijgen tot sociale huurwoningen, leidt tot groeiend maatschappelijk onbegrip
en een gevoel van onrechtvaardigheid bij Nederlanders die soms jarenlang wachten op
een woning. De regering erkent zelf dat wachttijden gemiddeld zeven jaar bedragen
en in sommige gevallen oplopen tot meer dan tien jaar. Het uitgangspunt dat schaarse
sociale huurwoningen gelijk verdeeld moeten worden, zou vanzelfsprekend moeten zijn
in een land waar honderdduizenden mensen jarenlang op een woning wachten.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering met dit wetsvoorstel feitelijk
erkent dat het eerdere beleid niet houdbaar was. Tegelijkertijd wordt deze koerswijziging
gepresenteerd alsof het om een technische aanpassing gaat, terwijl het in werkelijkheid
een fundamentele correctie betreft op jarenlang oneerlijk beleid.
Daar komt bij dat de Raad van State stelt dat het voorstel mogelijk leidt tot ongelijke
behandeling. Deze leden merken op dat dit een opmerkelijke redenering is: het beëindigen
van een voorkeurspositie zou ongelijk zijn, terwijl het jarenlang bevoordelen van
één groep dat blijkbaar niet was. In het advies van de Raad van State missen de leden
van de JA21-fractie het perspectief van Nederlanders die op de wachtlijst staan en
worden ingehaald door vergunninghouders.Zij hebben enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de nota naar aanleiding
van het verslag over de Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders. Tegelijkertijd
hebben deze leden met grote zorgen kennisgenomen van het bericht dat deze Minister
afziet van het verbod op voorrang voor vergunninghouders in de sociale huur. Waar
eerder werd gewerkt aan wetgeving om deze voorrangspositie af te schaffen, kiest deze
Minister er nu voor om dit los te laten. De leden van de BBB-fractie vinden dit onacceptabel
en oneerlijk tegenover de woningzoekenden, zoals starters en mensen die al jarenlang
op een wachtlijst staan voor een sociale huurwoning. Dit besluit staat haaks op eerdere
toezeggingen en vergroot de ongelijkheid op de woningmarkt. Deze leden hebben daarom
nog een aantal kritische vragen naar aanleiding van deze koerswijziging. Wat zegt
dit besluit volgens de Minister tegen de honderdduizenden woningzoekenden die al jarenlang
wachten op een sociale huurwoning? Kan de Minister één duidelijke reden noemen waarom
het loslaten van dit verbod in het belang is van de Nederlandse woningzoekende?
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het
verslag. Datzelfde geldt voor de brief van de tijdelijke commissie grondrechten en
constitutionele toetsing (Kamerstuk 36 831, nr. 6) waarin een advies gegeven wordt op het genoemde wetsvoorstel. Deze leden danken
de commissie voor dit advies.
Zij hebben ook kennisgenomen van de brief van de Minister van Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening (Kamerstuk 32 847, nr. 1407) waarin wordt aangegeven dat het voorliggende wetsvoorstel wordt ingetrokken. Dientengevolge
achten de leden van de SGP-fractie het niet meer zinvol om aanvullende vragen te stellen.
Deze leden merken daarbij op dat zij deze intrekking betreuren. Zij zien in het wetsvoorstel
voldoende basis om te komen tot een evenwichtig voorstel waarin recht gedaan wordt
aan de positie van alle woningzoekenden. Een nieuw wetsvoorstel, zoals aangekondigd
in de genoemde brief, leidt volgens de leden van de SGP-fractie ongetwijfeld tot vertraging
en daarmee tot voortduur van de problemen. Deze leden zien uit naar een voorstel waarmee
deze problemen worden aangepakt.
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over het voornemen van de regering
om in te zetten op flexibele, tijdelijke woningen voor vergunninghouders. Deze leden
verwelkomen oplossingen die bijdragen aan het huisvesten van vergunninghouders, die
nu vaak nog in opvang verblijven. Ongeveer de helft van de COA-bewoners is vergunninghouder,
begrijpen deze leden, en zij vragen de regering hoeveel flexibele woningen of doorstroomlocaties
nodig zijn om hen te huisvesten. Hoe gaat de regering deze woningen realiseren en
financieren? Of moeten gemeenten de kosten zelf dragen? En erkent de regering dat,
hoewel tijdelijke woningen een oplossing kunnen bieden, een vaste, eigen plek de beste
kansen biedt op integratie en participatie?
Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen over de gevolgen voor
gezinshereniging. Nu er een huisvestingseis komt, en doorstroomlocaties vanwege het
amendement-Piri (Kamerstuk 36 703, nr. 9) voor deze eis meetellen, vragen deze leden of de regering kan garanderen dat vergunninghouders
niet buiten de boot vallen voor gezinshereniging doordat zij geen vaste woning hebben,
mede als gevolg van het afschaffen van voorrang.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering stelt dat dit wetsvoorstel
bijdraagt aan gelijke behandeling. Is de regering van mening dat Nederlanders die
afgelopen jaren zijn ingehaald door vergunninghouders door het beleid zijn benadeeld
en onredelijk behandeld?
Kan de regering bevestigen dat dit wetsvoorstel een direct positief effect heeft op
de positie van reguliere woningzoekenden?
De Raad van State stelt dat het schrappen van voorrang leidt tot ongelijke behandeling
omdat vergunninghouders een achterstand hebben. Begrijpt de regering dat veel Nederlanders
juist het tegenovergestelde ervaren, namelijk dat zij structureel worden achtergesteld?
Is de regering het met de leden van de JA21-fractie eens dat «gelijke behandeling»
niet betekent dat iedere achterstand automatisch moet worden gecompenseerd met voorrang
op schaarse publieke voorzieningen?
Is de regering het met deze leden eens dat duurzame integratie juist gebaat is bij
gelijk behandelen in plaats van uitzonderingsposities?
Kan de regering bevestigen dat het uitgangspunt van dit wetsvoorstel, ondanks het
aantreden van een nieuwe Minister, overeind blijft?
Is de regering het met de leden van de JA21-fractie eens dat in het advies van de
Raad van State het perspectief van Nederlanders op de wachtlijst ontbreekt en onderdeel
had moeten zijn van het advies?
De Raad van State stelt dat vergunninghouders een ongelijke uitgangspositie hebben
omdat ze pas laat kunnen inschrijven voor een sociale huurwoning, minder sterk sociaal
netwerk hebben en vanwege een taalachterstand. Deze leden vragen de regering of het
realistisch is dat de positie gelijkwaardig wordt? Geldt dit ook niet voor andere
groepen die al in Nederland zijn? Hoe ziet de regering dan bijvoorbeeld het onderzoek
van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) waaruit blijkt dat asielzoekers
vooral voor Nederland kiezen vanwege bestaande sociale banden in Nederland?
Veel gemeenten maken nu al geen gebruik van een urgentieverklaring voor vergunninghouders.
Naar het oordeel van de leden van de JA21-fractie lukt het vergunninghouders in deze
gemeenten uiteindelijk voldoende om een woning te vinden. Herkent de regering dit
beeld?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de regering in de memorie van toelichting erkent
dat de benadering van dr. Jan van de Beek (waarbij 32% van de vrijkomende woningen
voor jonge starters naar vergunninghouders gaat) meer recht doet aan de ervaren verdringing
dan de CBS-cijfers.
Deelt de regering de mening dat het jarenlang handhaven van dit systeem de sociale
samenhang in wijken onherstelbaar heeft beschadigd? Hoe rechtvaardigt de regering
het loslaten van een wetsvoorstel dat juist bedoeld was om deze scheve verhouding
te corrigeren?
Deelt de regering de mening dat dit percentage bewijst dat de Nederlandse jongere
jarenlang de rekening heeft betaald voor het asielbeleid?
Is de regering bereid om in toekomstige rapportages uitsluitend nog met deze «starters-cijfers»
te werken in plaats van het verhullende CBS-totaalpercentage van 7%?
Deelt de Minister de mening dat zij met dit besluit willens en wetens een systeem
in stand houdt waarin Nederlandse starters structureel worden benadeeld?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Raad van State stelt dat vergunninghouders
een «meervoudige achterstand» hebben die compensatie vereist.
Waarom volgt de regering de Raad van State in hun visie dat een verblijfsstatus een
unieke achterstand is die voorrang rechtvaardigt, in plaats van te stellen dat een
vergunninghouder simpelweg een starter is die op eigen kracht zijn plek moet verdienen?
Waarom kiest de Minister ervoor om de redenering van de Raad van State te volgen,
terwijl eerder erkend is dat deze voorrangspositie onwenselijk is?
De Raad van State spreekt over een «meervoudige achterstand» van vergunninghouders.
De leden van de BBB-fractie stellen dat een student uit de regio die na zijn studie
een woning zoekt precies dezelfde «achterstand» heeft: geen wachttijd, geen vermogen
en een beperkt netwerk. Kan de Minister bevestigen dat voor deze regering de status
van «starter» zwaarder weegt dan de status van «vergunninghouder», en dat de Grondwet
dus juist dwingt tot het stoppen met positieve discriminatie?
Deze leden lezen dat de regering aangeeft dat de taakstelling het «fundament» is van
de Wet inburgering 2021 en daarom nog niet kan worden afgeschaft. Is het echter niet
zo dat het in stand houden van deze dwingende quota (de taakstelling) gemeenten feitelijk
dwingt om creatieve achterdeurtjes te zoeken om vergunninghouders toch voorrang te
geven? Waarom kiest de regering er niet voor om de taakstelling per direct te schrappen
en de inburgering los te koppelen van een gegarandeerde woning?
Hoe kan de Minister het handhaven van een 14-wekentermijn voor vergunninghouders rechtvaardigen,
terwijl reguliere woningzoekenden soms meer dan tien jaar wachten?
De leden van de BBB-fractie lezen dat in de implementatiefase voorrang voor onzelfstandige
woonruimte (kamers) nog wordt toegestaan. Waarom is de regering van mening dat dit
instrument slechts een jaar mag duren, terwijl voor de Nederlandse student of werkende
jongere het delen van een woning vaak de enige optie is voor vele jaren? Waarom kiest
de regering er niet voor om onzelfstandige huisvesting structureel als norm te hanteren
voor vergunninghouders, nu zij afziet van het beëindigen van voorrang in de sociale
huur?
Deze leden lezen dat het onderzoek van het WODC aantoont dat migranten vaak voor Nederland
kiezen vanwege een bestaand sociaal netwerk. Waarom verplicht de regering vergunninghouders
niet eerst hun eigen netwerk te benutten, nu zij ervoor kiest de druk op de sociale
huurmarkt niet te verlagen?
Is de regering bereid om de bewijslast om te keren; vergunninghouders moeten eerst
aantonen dat hun eigen netwerk geen onderdak kan bieden voordat zij aanspraak kunnen
maken op publieke voorzieningen of doorstroomlocaties?
Deelt de Minister de opvatting dat het sneller zelfstandig zoeken naar woonruimte
bijdraagt aan de integratie en de zelfredzaamheid van vergunninghouders?
De leden van de BBB-fractie lezen dat het verbod op voorrang onderdeel is van een
pakket om de asielketen minder aantrekkelijk te maken. Kan de regering uitsluiten
dat het in stand houden van perspectief op snelle huisvesting, door het loslaten van
het verbod, een aanzuigende werking heeft? Verwacht de regering dat het verdwijnen
van deze «huisvestingsgarantie» direct zal bijdragen aan een lagere instroom?
Deze leden lezen dat gemeenten momenteel 30.000 euro kunnen ontvangen voor het huisvesten
van een vergunninghouder in tijdelijk onderdak. Is de regering niet bang dat deze
financiële bonussen een perverse prikkel vormen voor gemeenten om alsnog vergunninghouders
voorrang te geven boven reguliere woningzoekenden voor wie geen «zak geld» vanuit
het Rijk beschikbaar is? Is de regering bereid om financiële regelingen zo aan te
passen dat gemeenten geen enkel financieel voordeel meer hebben bij het met voorrang
huisvesten van vergunninghouders? Hoe wordt geborgd dat publieke middelen primair
ten goede komen aan het verkorten van wachttijden voor alle woningzoekenden?
De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten op basis van maatschappelijke of economische
binding voor maximaal 50% van de woningen voorrang mogen verlenen.
Waarom grijpt de regering dit moment niet aan om gemeenten meer ruimte te geven om
hun eigen inwoners voorrang te geven, nu zij afziet van landelijke maatregelen tegen
voorrang?
Kan de Minister helder aangeven of zij nog steeds de ambitie heeft om de voorrangspositie
van vergunninghouders volledig af te schaffen, of dat dit besluit feitelijk neerkomt
op het definitief loslaten van deze doelstelling? Welke garanties kan de Minister
geven dat de positie van Nederlandse woningzoekenden daadwerkelijk verbetert, nu het
voorrangsverbod wordt losgelaten? Kan de Minister helder aangeven welk concreet probleem
voor Nederlandse woningzoekenden hiermee wordt opgelost?
De voorzitter van de commissie, Bromet
De adjunct-griffier van de commissie, Beekmans
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
J. Beekmans, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.