Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 914 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2024/3011 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de overdracht van strafvervolging
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
1. Inleiding
Op 18 december 2024 is Verordening (EU) 2024/3011 van het Europees Parlement en de
Raad van 27 november 2024 betreffende de overdracht van strafvervolging (hierna ook:
OSvo) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Met deze verordening
is beoogd bij te dragen aan een effectieve overdracht van strafvervolging tussen de
lidstaten van de Europese Unie die door deze verordening worden gebonden (hierna kortheidshalve:
lidstaten) en de rechtsbescherming voor de verdachte en het slachtoffer te verbeteren.
De OSvo is per 1 februari 2027 van toepassing op verzoeken tot overdracht en overname
van strafvervolging tussen de lidstaten. Met dit wetsvoorstel wordt een nieuwe Titel
(Titel 10) in het Vijfde Boek (Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking)
van het Wetboek van Strafvordering geïntroduceerd waarin ter uitvoering van de verordening
noodzakelijke voorschriften zijn opgenomen. Daarnaast wordt artikel 8b van het Wetboek
van Strafrecht aangevuld om te voorzien in de door artikel 3 van de verordening voorgeschreven
rechtsmacht. In het hiernavolgende zullen de OSvo en de in dit wetsvoorstel opgenomen
voorschriften nader worden toegelicht. Daarbij zal in het algemeen deel eerst worden
ingegaan op het doel en de achtergrond van de verordening (paragraaf 2). Daarna volgt
een bespreking op hoofdlijnen van het Europees verzoek tot overdracht van strafvervolging
(paragraaf 3). Vervolgens wordt ingegaan op de hoofdlijnen van dit wetsvoorstel (paragraaf
4), en tot slot op de uitvoeringsconsequenties en financiële gevolgen daarvan (paragraaf
5) en de ontvangen consultatieadviezen (paragraaf 6). Daarna volgt een artikelsgewijze
toelichting. Een transponeringstabel is als bijlage bij deze memorie van toelichting
gevoegd.
De Tweede en Eerste Kamer zijn tijdens de totstandkoming van deze verordening geïnformeerd
over de stand van zaken.1
2. Doel en achtergrond van de OSvo
Wanneer in een lidstaat strafvervolging is ingesteld naar aanleiding van een strafbaar
feit, terwijl die lidstaat meent dat een andere lidstaat meer geëigend is om het feit
te vervolgen – bijvoorbeeld omdat het strafbare feit in die andere lidstaat is gepleegd,
de verdachte of het slachtoffer een onderdaan is van die andere lidstaat of het meeste
bewijs zich daar bevindt – dan kan een verzoek worden gedaan aan die andere lidstaat
om de strafvervolging over te nemen. Stemt de aangezochte lidstaat daarmee in, dan
wordt de strafvervolging overgenomen door de aangezochte lidstaat. Daarbij kan ook
bewijs dat eventueel al is vergaard, worden overgedragen.
Overdracht van strafvervolging tussen lidstaten is al mogelijk, maar in afwezigheid
van een EU-instrument worden hiervoor uiteenlopende rechtsgrondslagen en procedures
gebruikt. In combinatie met de verschillen in strafrechtstelsels leidt het ontbreken
van uniforme regels en procedures tot fragmentatie en tot praktische obstakels bij
de overdracht.
Bij een groot aantal lidstaten bestaat daarom al langer de wens om een Europees instrument
voor de overdracht van strafvervolging tot stand te brengen. In 2009 presenteerden
zestien EU-lidstaten, waaronder Nederland, een initiatief-kaderbesluit betreffende
de overdracht van strafvervolging. De onderhandelingen over dat initiatief-kaderbesluit
zijn afgebroken toen het Verdrag van Lissabon in werking trad. In 2020 werd in eveneens
door Nederland gesteunde Raadsconclusies opgeroepen de mogelijkheden te onderzoeken
voor een wetgevingshandeling betreffende overdracht van strafvervolging.2 In april 2023 presenteerde de Commissie het voorstel dat heeft geleid tot de verordening,
en in december 2024 is de verordening gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU.
In oktober 2025 volgde een rectificatie waarmee enkele kennelijke onjuistheden in
artikel 16, eerste lid, en 16, vierde lid (in de Nederlandse taalversie) en in artikel
33, tweede lid, alsmede bijlage III, deel B, zijn hersteld.3
Overdracht van strafvervolging wordt gezien als een nuttige aanvulling op het Europese
strafrechtelijke instrumentarium, onder meer omdat het een alternatief kan vormen
voor de uitvaardiging van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) of een Europees Onderzoeksbevel
(EOB). Indien de verdachte zich in de aangezochte staat bevindt, kan overdracht van
strafvervolging aan die staat minder ingrijpend zijn dan de uitvaardiging van een
EAB. En indien de tenuitvoerlegging van een EAB is geweigerd, kan in voorkomende gevallen
met overdracht van strafvervolging straffeloosheid worden voorkomen. Een instrument
voor overdracht van strafvervolging is ook wel aangeduid als een «missing link» in de Europese strafrechtelijke samenwerking.4 Met de OSvo wordt deze leemte opgevuld. Doelstellingen van de verordening zijn het
verbeteren van de efficiënte en goede rechtsbedeling in de EU; de eerbiediging van
de grondrechten in het proces van overdracht van strafvervolging; het verbeteren van
de efficiëntie en rechtszekerheid van de overdracht van strafvervolging; en de overdracht
van strafvervolging mogelijk maken in gevallen waarin die in het belang van de rechtspleging
is, maar momenteel niet mogelijk is tussen de lidstaten, en zo straffeloosheid (verder)
terugdringen.
3. Europees verzoek tot overdracht van strafvervolging op hoofdlijnen
3.1 Toepassingsbereik van de verordening
De OSvo is van toepassing op de overdracht en overname van strafvervolging tussen
lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken. Per 1 februari 2027
treedt de verordening voor deze lidstaten in de plaats van corresponderende bepalingen
in multilaterale en bilaterale verdragen. Dit betekent dat die lidstaten onderling
in alle gevallen van overdracht van strafvervolging deze verordening toepassen (artikel
1, tweede lid, en overweging 33 OSvo). Een verzoek tot overdracht kan worden gedaan
in alle fasen van de strafprocedure en ongeacht of er al een verdachte is geïdentificeerd.
Het begrip «strafvervolging» in de verordening omvat de gehele strafprocedure, wat
wil zeggen dat niet alleen de vervolging maar eveneens de opsporing en berechting
onder de reikwijdte van dit begrip vallen. Ook in de hier voorgestelde wettekst en
in deze toelichting heeft het begrip «strafvervolging» die ruime, van het begrip «vervolging»
te onderscheiden betekenis. De verordening heeft geen betrekking op de overdracht
van de tenuitvoerlegging van sancties of de overdracht van personen – daarvoor bestaan
afzonderlijke EU-instrumenten. Ook doet de verordening geen afbreuk aan de mogelijkheid
van spontane uitwisseling van informatie die door andere rechtshandelingen van de
Unie wordt geregeld (overweging 11 OSvo). Omdat Ierland ervoor heeft gekozen deel
te nemen aan de verordening (overweging 72 OSvo), is Denemarken als enige lidstaat
niet daaraan gebonden (overweging 73 OSvo). Overdracht van strafvervolging aan en
uit Denemarken kan daarom ook na 1 februari 2027 plaatsvinden op de al bestaande grondslagen.
Anders dan een aantal andere Europese instrumenten op het terrein van strafrechtelijke
samenwerking, betreft de verordening een instrument van justitiële samenwerking en
niet van wederzijdse erkenning. De Commissie heeft deze keuze nader toegelicht in
het analytical supporting document dat bij het voorstel voor de verordening was gevoegd.5 De aard van de overdracht van strafvervolging verschilt van andere vormen van grensoverschrijdende
samenwerking, omdat bij de overdracht van strafvervolging de gehele strafzaak overgaat
naar een andere lidstaat, terwijl het bij wederzijdse erkenning gaat om de erkenning
en tenuitvoerlegging van een enkele rechterlijke beslissing in de uitvaardigende lidstaat,
die ook de verantwoordelijkheid behoudt over de vervolging. De lidstaat die het verzoek
tot overdracht van strafvervolging ontvangt, heeft tegen die achtergrond meer ruimte
om een eigen afweging te maken of overname van de strafvervolging in de omstandigheden
van het gegeven geval wenselijk is.
De OSvo kent rechten toe aan verdachten of beklaagden vanaf het moment dat zij «er
door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat door middel van een officiële kennisgeving
of anderszins van in kennis worden gesteld dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd
een strafbaar feit te hebben begaan, ongeacht of hen hun vrijheid is ontnomen» (artikel
6, tweede lid, OSvo). Zoals gebruikelijk in Europese regelgeving wordt de terminologie
«verdachte of beklaagde» gebruikt, waar in het Nederlandse recht beiden worden aangeduid
met het begrip «verdachte». De verordening kent ook rechten toe aan slachtoffers,
waaronder blijkens artikel 2, zesde lid, ook rechtspersonen zoals gedefinieerd in
het nationale recht kunnen vallen. In het hierna volgende wordt nader ingegaan op
deze rechten.
3.2 Het verzoek tot overdracht van strafvervolging
De autoriteit die een strafvervolging wil overdragen aan een andere staat wordt aangeduid
als de verzoekende autoriteit, en de autoriteit in de lidstaat die de strafvervolging
(mogelijk) overneemt als de aangezochte autoriteit. Als verzoekende autoriteit kan
in beginsel fungeren een «in de betrokken zaak in de verzoekende staat bevoegde rechter,
rechtbank, onderzoeksrechter of officier van justitie» (artikel 2, derde lid, onderdeel
a, OSvo), dan wel een andere bevoegde autoriteit, mits het verzoek wordt gevalideerd
door een van de voornoemde autoriteiten (artikel 2, derde lid, onder b, OSvo). Als
aangezochte autoriteit kan eveneens fungeren «een rechter, rechtbank, onderzoeksrechter
of officier van justitie» (artikel 2, vierde lid, OSvo). Zoals in het artikelsgewijze
gedeelte van deze memorie nog aan de orde zal komen, wordt in Nederland de officier
van justitie aangewezen als verzoekende en aangezochte autoriteit. Het initiatief
voor de overdracht kan niet alleen van de verzoekende autoriteit uitgaan maar ook
van de aangezochte autoriteit, die dan met de verzoekende autoriteit overleg kan plegen
over de vraag of een verzoek tot overdracht van strafvervolging zal worden ingediend
(artikel 14, tweede lid, OSvo). De verplichtingen voor autoriteiten zijn in dat geval
beperkt tot het plegen van overleg zonder onnodige vertraging: de verzoekende autoriteit
kan niet worden gedwongen een verzoek tot overdracht van strafvervolging in te dienen.
Verder kunnen de verdachte en het slachtoffer aan de bevoegde autoriteiten van zowel
de verzoekende als de aangezochte staat voorstellen om de strafvervolging over te
dragen (artikel 5, derde lid, OSvo). Zij zullen daarover worden geïnformeerd via algemeen
toegankelijke informatiekanalen. Een dergelijk voorstel verplicht de verzoekende autoriteit
echter niet om een verzoek tot overdracht in te dienen, en evenmin zijn de verzoekende
en aangezochte autoriteit verplicht om met elkaar in overleg te treden over het voorstel.
Wel moet een dergelijk voorstel worden geregistreerd overeenkomstig de registratieprocedure
in het nationale recht van de lidstaten. Voor Nederland betekent dit dat voorstellen
worden vastgelegd in de registratiesystemen van het openbaar ministerie (OM).
De leidende maatstaf voor de overdracht van strafvervolging is de verwezenlijking
van een «efficiënte en goede rechtsbedeling», waaronder mede moet worden begrepen
of de overdracht «evenredig» is (artikel 5, eerste lid, en overweging 24 OSvo). In
artikel 5, tweede lid, OSvo wordt deze meer algemene toetssteen van een nadere invulling
voorzien aan de hand van een aantal meer specifieke criteria, waaronder dat het feit
is begaan in de aangezochte staat (onderdeel a), dat de verdachte (onderdeel b) of
het slachtoffer (onderdeel j) onderdaan of ingezetene is van die staat, dat het merendeel
van het relevante bewijsmateriaal zich in de aangezochte staat bevindt (onderdeel
e), en dat andere procedures lopen in de aangezochte staat tegen dezelfde verdachte
of met betrekking tot dezelfde of verwante feiten (onderdelen f en g). Ook indien
een Europees aanhoudingsbevel (EAB) is uitgevaardigd maar de tenuitvoerlegging daarvan
is geweigerd, kan in voorkomende gevallen de overdracht van strafvervolging aan de
tenuitvoerleggende lidstaat de goede rechtsbedeling dienen (onderdelen c en d). De
criteria moeten per geval worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van
de individuele zaak (overweging 25 OSvo). Dit betekent dat de toepasselijkheid van
een of meer criteria in een zaak niet dwingt tot de conclusie dat overdracht van strafvervolging
in het belang is van een goede rechtsbedeling. Evenmin hebben de criteria een vooraf
gegeven gewicht. De opsomming van criteria is bovendien niet limitatief. Ook andere
overwegingen kunnen een rol spelen, mits zij relevant zijn voor het oordeel of de
overdracht in het belang is van een goede rechtsbedeling. Zo zal, hoewel de verordening
overdracht in de fase van berechting niet uitsluit – mede gelet op de hierna en in
de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.10.3 nog te bespreken rechtspraak van
de Hoge Raad – in zijn algemeenheid gelden dat een overdracht nadat de zaak al op
de terechtzitting aanhangig is gemaakt, niet in het belang van de efficiënte en goede
rechtsbedeling is. Verschillen in strafmaat zouden in potentie een relevant argument
kunnen vormen voor een lidstaat waar reeds een strafvervolging loopt (de verzoekende
lidstaat) om een strafzaak niet over te dragen naar een andere lidstaat (de aangezochte lidstaat), bijvoorbeeld omdat
de strafmaat daar vanuit het perspectief van de verzoekende lidstaat onaanvaardbaar
laag of hoog is. Lidstaten kunnen immers verschillen in hun waardering van de strafwaardigheid
van een bepaalde gedraging. Dat een lidstaat om overdracht verzoekt enkel omdat de straffen in de aangezochte staat hoger of lager zijn, zou evenwel een vorm van
forum shopping inhouden die zich niet goed verhoudt tot de verordening. Dat blijkt onder meer uit
het feit dat de twaalf meest voor de hand liggende criteria voor overdracht die zijn
opgenomen in artikel 5, tweede lid, OSvo alle zaaksgebonden omstandigheden betreffen.
Bovendien beoogt artikel 22, achtste lid, OSvo – dat bepaalt dat de rechter bij de
straftoemeting rekening kan en onder omstandigheden zelfs rekening moet houden met een lagere maximumstraf in de verzoekende staat – forum shopping op basis van de hoogste strafmaat juist te voorkomen. Uiteindelijk moet per geval
worden gekeken wat, in het licht van alle relevante feiten en omstandigheden, in het
belang is van een goede rechtsbedeling. Deze afweging berust in eerste instantie bij
de verzoekende autoriteit.
Een overdracht van strafvervolging kan gevolgen hebben voor de verdachte of het eventuele
slachtoffer. De OSvo schrijft dan ook voor dat de verzoekende autoriteit rekening
houdt met de legitieme belangen van de verdachte en het slachtoffer (artikel 6, eerste
lid, en artikel 7, eerste lid, OSvo). Voor zover de verdachte er door de bevoegde
autoriteiten, door middel van een officiële kennisgeving of anderszins, van op de
hoogte is gesteld dat er een verdenking jegens hem bestaat, moet hij in kennis worden
gesteld van het voornemen om een verzoek tot overdracht van strafvervolging in te
dienen en in de gelegenheid worden gesteld om daarover een standpunt in te nemen –
tenzij de verdachte zelf de overdracht van strafvervolging heeft voorgesteld (artikel
6, tweede en derde lid, OSvo). Voor het beantwoorden van de vraag wanneer een verdachte
in kennis is gesteld van de verdenking kan aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie
van het Hof van Justitie over andere instrumenten waarin deze kennisgeving een rol
speelt.6 Op het moment dat de strafvervolging wordt overgedragen zonder dat een verdachte
is geïdentificeerd, of de verdachte wel is geïdentificeerd maar hij nog geen weet
heeft van de verdenking, hoeft de verdachte dus geen kennisgeving over het verzoek
tot overdracht te ontvangen of naar zijn standpunt daarover te worden gevraagd.
Soortgelijke verplichtingen tot kennisgeving en het bieden van een gelegenheid om
een standpunt kenbaar te maken gelden jegens het slachtoffer dat verblijft (in het
geval van een rechtspersoon: die gevestigd is) in de verzoekende staat en informatie
over de strafvervolging ontvangt als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Richtlijn
2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling
van minimumnormen voor de rechter, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers
van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (hierna: de
slachtofferrichtlijn).
De verzoekende autoriteit moet het standpunt dat door de verdachte of het slachtoffer
is ingenomen registreren en daarmee rekening houden bij de beslissing om al dan niet
over te gaan tot het doen van een verzoek tot overdracht van strafvervolging. Dit
standpunt moet door de verzoekende autoriteit samen met het verzoek tot overdracht
van strafvervolging aan de aangezochte autoriteit worden toegezonden (artikel 8, derde
lid, OSvo). Indien de verzoekende autoriteit daadwerkelijk een verzoek doet, moet
zij daarover de verdachte en het slachtoffer informeren voor zover deze eerder in
kennis waren gesteld van het voornemen daartoe (artikel 6, zesde lid, en artikel 7,
vierde lid, OSvo). In paragraaf 3.7 van het algemeen deel van deze toelichting zal
worden besproken op welke wijze dit informeren vorm zal krijgen en hoe de verzoekende
en aangezochte autoriteit elkaar daarbij kunnen bijstaan met behulp van verschillende
formulieren die als bijlage bij de OSvo zijn gevoegd.
De beslissing om de strafvervolging over te dragen en over te nemen is voorbehouden
aan de bevoegde verzoekende en aangezochte autoriteit. Er moet rekening worden gehouden
met de legitieme belangen van verdachte en slachtoffer, waarbij ten aanzien van slachtoffers
in overweging 33 OSvo is opgenomen dat beoordeeld moet worden in hoeverre een overdracht
schadelijk kan zijn voor de mogelijkheid om hun rechten in de strafprocedure daadwerkelijk
uit te oefenen. Hoewel persoonlijke omstandigheden van verdachte of slachtoffer niet
op zichzelf doorslaggevend zijn (zie ook overweging 45 OSvo), kunnen zij wel relevant
zijn bij de afweging welk land in de beste positie is om een feit te vervolgen. De
verdachte en het slachtoffer kunnen bij hun standpuntinname wijzen op dergelijke omstandigheden.
Ook kunnen zij blijkens de verordening aspecten die verband houden met herstelrecht
onder de aandacht brengen (artikel 6, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, OSvo).
De verdachte en het slachtoffer kunnen niet opkomen tegen de beslissing van de verzoekende
autoriteit om een verzoek tot overdracht te doen, wel kunnen zij – zoals in paragraaf
3.4 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting nog aan de orde zal komen
– een rechtsmiddel aanwenden tegen de uiteindelijke beslissing van de aangezochte
autoriteit om de strafvervolging over te nemen, indien zij menen dat de aangezochte
autoriteit ten onrechte geen beroep heeft gedaan op een van de in artikel 12 OSvo
opgenomen weigeringsgronden. Dat een rechtsmiddel kan worden ingesteld in de aangezochte
staat is ingegeven vanuit de gedachte dat (pas) met de beslissing tot aanvaarding
in de aangezochte staat daadwerkelijk een overdracht plaatsvindt, die tot een wijziging
van de situatie van de verdachte of het slachtoffer kan leiden.
Zolang de aangezochte autoriteit het verzoek niet heeft ingewilligd, blijft de strafvervolging
bij de verzoekende autoriteit berusten. Artikel 4 OSvo biedt lidstaten evenwel de
mogelijkheid om al in deze fase afstand te doen van de strafvervolging, de strafvervolging
op te schorten of deze te beëindigen, teneinde de overdracht van strafvervolging met
betrekking tot dat strafbare feit aan de aangezochte staat mogelijk te maken. Deze
bepaling is met name relevant voor lidstaten die voor de vervolgingsbeslissing het
legaliteitsbeginsel hanteren, en waar vervolging van feiten dus in beginsel een verplichting
is (zie overweging 19). Voor het niet (langer) vervolgen van een strafbaar feit is
dan een expliciete rechtsgrondslag benodigd. Maar ook voor Nederland is deze bepaling
niet zonder belang, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad waaruit volgt dat de
verdachte, zodra het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, aanspraak heeft
op voortzetting van de procedure.7 Overdracht van strafvervolging is dan niet meer mogelijk. Tegen die achtergrond is
in artikel 5.10.3 een bepaling opgenomen in lijn met het bestaande artikel 5.3.3,
inhoudende dat na het doen van een verzoek tot overdracht van strafvervolging, de
officier van justitie de zaak niet aanhangig zal maken op de terechtzitting. Daarmee
wordt voorkomen dat een obstakel wordt opgeworpen voor de overdracht. In de artikelsgewijze
toelichting wordt dit nader toegelicht.
Voor het doen van een verzoek tot overdracht van strafvervolging moet de procedure
worden gevolgd zoals beschreven in artikel 8 van de OSvo. De verzoekende autoriteit
vult het in bijlage I bij de verordening opgenomen verzoekformulier in.
De daarin verstrekte informatie en bijbehorende motivering, alsmede eventuele aanvullende
relevante informatie en stukken (zie artikel 8, vierde lid, OSvo) moeten de aangezochte
autoriteit in staat stellen om een beslissing te nemen op het verzoek. Het verzoekformulier
en de «essentiële delen» van overige bijgevoegde schriftelijke informatie moeten worden
vertaald in een officiële taal van de aangezochte staat of in een andere taal waarvan
door de aangezochte staat overeenkomstig artikel 32, eerste lid, onderdeel d, OSvo
is doorgegeven dat die ook wordt aanvaard. De OSvo beschrijft gedetailleerd welke
informatie de verzoekende autoriteit moet verschaffen aan de aangezochte autoriteit
(artikel 8, tweede lid en artikel 9 OSvo). Na ontvangst van de beslissing tot aanvaarding
of de definitieve (afwijzende) beslissing over een voorziening in rechte wordt de
strafvervolging in de verzoekende staat in beginsel opgeschort of stopgezet, tenzij
deze geopend blijft om de in artikel 21, tweede lid, OSvo genoemde maatregelen te
kunnen nemen (zie paragraaf 3.5 van het algemeen deel van deze memorie). Ter uitvoering
van artikel 21 OSvo is in artikel 5.10.4 opgenomen dat het recht tot strafvervolging
vervalt door overdracht van de strafvervolging aan een andere lidstaat.
Zolang de verzoekende autoriteit geen beslissing van de aangezochte autoriteit heeft
ontvangen over de overdracht, kan zij het verzoek intrekken en de aangezochte autoriteit
daarvan in kennis stellen (artikel 10, eerste lid, OSvo). De eerder op grond van artikel
6, derde lid, geïnformeerde verdachte en het op grond van artikel 7, tweede lid, geïnformeerde
slachtoffer moeten van een dergelijke intrekking in kennis worden gesteld (artikel
10, tweede lid, OSvo).
3.3 De beslissing door de aangezochte autoriteit
De aangezochte autoriteit neemt binnen uiterlijk zestig dagen een beslissing tot het
geheel of gedeeltelijk aanvaarden of weigeren van de overdracht en deelt die beslissing
mee aan de verzoekende autoriteit (artikel 11, eerste en tweede lid, in samenhang
met artikel 13, eerste lid, OSvo). Die termijn kan met maximaal dertig dagen worden
verlengd (artikel 13, tweede lid, OSvo). De aangezochte autoriteit heeft de mogelijkheid
om de verzoekende autoriteit om aanvullende informatie te vragen, indien zij die nodig
acht om te kunnen beslissen op het verzoek (artikel 11, derde lid, OSvo). Als het
verzoek tot overdracht door de aangezochte autoriteit wordt aanvaard, zendt de verzoekende
autoriteit het origineel of een gewaarmerkt afschrift van (de relevante delen van)
het procesdossier aan de aangezochte autoriteit in een door die lidstaat aanvaarde
taal (artikel 11, vijfde lid, OSvo), en wanneer de strafvervolging in de verzoekende
lidstaat geheel is stopgezet, worden de resterende delen van het dossier, met inbegrip
van relevant fysiek bewijsmateriaal, toegezonden (artikel 11, zesde lid, OSvo). Als
de verzoekende staat dat verlangt, worden de originele stukken van het procesdossier
of het bewijsmateriaal teruggegeven zodra zij niet meer nodig zijn of aan het einde
van de strafprocedure (artikel 11, zesde lid, OSvo).
Op grond van de OSvo moet de verzoekende autoriteit dus op drie en eventueel vier
momenten informatie of stukken verstrekken aan de aangezochte autoriteit, vertaald
in een taal die de betreffende lidstaat aanvaardt: bij het doen van het verzoek tot
strafvervolging moet zij het verzoekformulier aanleveren vergezeld van «aanvullende
relevante informatie en stukken» (artikel 8, vierde lid, OSvo). Als de aangezochte
autoriteit deze informatie onvoldoende vindt om een beslissing te kunnen nemen, kan
zij aanvullende informatie vragen (artikel 11, derde lid, OSvo). Zodra zij de met
redenen omklede beslissing tot aanvaarding van de overdracht heeft ontvangen, verstuurt
de verzoekende staat het origineel of een gewaarmerkt afschrift van het procesdossier
of de relevante delen daarvan (art. 11, vijfde lid, OSvo). Na het stopzetten van de
vervolging wordt het origineel of een gewaarmerkt afschrift gezonden van «alle resterende
relevante delen van het procesdossier, met inbegrip van relevant materieel bewijsmateriaal»
(art. 11, zesde lid, OSvo).
Artikel 12 van de OSvo bevat de gronden waarop de overdracht van strafvervolging door
de aangezochte autoriteit kan of moet worden geweigerd. De verplichte of imperatieve
weigeringsgronden, neergelegd in het eerste lid, houden verband met vervolgingsbeletselen.
Ne bis in idem, verjaring, de minderjarigheid van de verdachte, het ontbreken van rechtsmacht of
amnestie zijn de meer concreet omschreven beletselen. Daarnaast moet de overdracht
worden geweigerd als niet is voldaan aan de voorwaarden voor vervolging (artikel 12,
eerste lid, onderdeel e, OSvo). Voorbeelden daarvan worden genoemd in overweging 43
OSvo: gevallen waarin geen klacht is ingediend terwijl het feit een klachtdelict betreft
(en de termijn uit artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is verstreken),
of waarin sprake is van het overlijden of van ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte
(naar Nederlands recht: wanneer sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
509a Sv). De facultatieve weigeringsgronden uit het tweede lid laten een ruime beoordelingsvrijheid
aan de bevoegde aangezochte autoriteit (in Nederland: de officier van justitie). Dit
geldt in het bijzonder voor onderdeel b van het tweede lid van artikel 12 OSvo. Op
basis daarvan kan de overdracht van strafvervolging worden geweigerd indien de aangezochte
autoriteit van oordeel is «dat de overdracht van strafvervolging niet in het belang
is van een efficiënte en goede rechtsbedeling». Deze ruime weigeringsgrond maakt het
onder andere mogelijk om de overdracht van strafvervolging te weigeren indien het
feit wel vervolgd kan worden, maar de officier van justitie daarvan wil afzien op
gronden ontleend aan het algemeen belang. In dit opzicht kan worden gezegd dat de
verordening ook op dit moment in de procedure al ruimte laat voor een opportuniteitsafweging.
Daarmee kan worden voorkomen dat de strafvervolging eerst wordt overgedragen, om vervolgens
te worden stopgezet in de aangezochte staat. Uitgesloten is die situatie echter niet,
omdat de OSvo de aangezochte autoriteit niet verplicht de strafvervolging voort te
zetten. Wel moet de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit informeren over
het stopzetten van de zaak (artikel 23 OSvo). Indien Nederland de strafvervolging
overneemt uit een andere lidstaat, kan vervolgens dus nog een opportuniteitsafweging
worden gemaakt ten aanzien van de vervolging. Daarbij is het ook mogelijk de zaak
te seponeren op gronden ontleend aan het algemeen belang. Dat de mogelijkheid voor
een opportuniteitsafweging ook na overdracht nog bestaat is van belang, in het bijzonder
wanneer van omstandigheden die voor de afweging van belang zijn pas na de overdracht
blijkt. Voordat de overdracht wordt geweigerd, moet de aangezochte autoriteit overleg
plegen met de verzoekende autoriteit en die zo nodig vragen om aanvullende informatie
(artikel 12, derde lid, OSvo).
De verdachte, bedoeld in artikel 6, tweede lid, OSvo, en het slachtoffer dat verblijft
in de verzoekende staat en informatie ontvangt over de strafzaak overeenkomstig artikel
6, eerste lid, van de slachtofferrichtlijn moeten door de aangezochte autoriteit in
kennis worden gesteld van de beslissing tot aanvaarding van de overdracht van strafvervolging
en de mogelijkheid om daartegen een rechtsmiddel in te stellen. Zij ontvangen tevens
een kopie van de met redenen omklede beslissing (artikel 15, eerste lid, en artikel
16, eerste lid, OSvo). Ook van de beslissing tot weigeren moeten de verdachte en het
slachtoffer in kennis worden gesteld (artikel 15, derde lid, en artikel 16, derde
lid, OSvo).
Artikel 22, derde lid, OSvo biedt lidstaten de mogelijkheid om in de nationale wetgeving
op te nemen dat voorlopige maatregelen kunnen worden genomen hangende de beslissing
op het verzoek tot overdracht in gevallen waarin zij hun rechtsmacht ontlenen aan
artikel 3 van de verordening en het vervolgingsrecht dus pas na de overdracht ontstaat.
Er wordt dan ook wel gesproken over subsidiaire of afgeleide rechtsmacht. Voor Nederland
geldt in dergelijke gevallen dat zolang de vervolging niet aan Nederland is overgedragen,
de betrokkene niet als verdachte in de zin van artikel 27 Sv kan worden aangemerkt
en er dus geen dwangmiddelen tegen hem kunnen worden toegepast, tenzij daarvoor een
afzonderlijke grondslag bestaat. Van de in de OSvo geboden mogelijkheid om in een
dergelijke grondslag te voorzien wordt – in lijn met het huidige artikel 5.3.14 –
dan ook gebruik gemaakt in het voorgestelde artikel 5.10.6.
3.4 Voorziening in rechte tegen de aanvaarding van de overdracht van strafvervolging
Op grond van de verordening hebben verdachten en slachtoffers in de aangezochte staat
recht op een «doeltreffende voorziening in rechte» tegen de beslissing tot aanvaarding
van de overdracht van strafvervolging.
Uit overweging 47 OSvo blijkt dat het gaat om een voorziening in rechte als bedoeld
in artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: HGEU).
Tegen de beslissing om de overdracht van strafvervolging te weigeren, staat dus geen voorziening in rechte (hierna ook: rechtsmiddel) open. Het rechtsmiddel
tegen de beslissing tot aanvaarding komt toe aan verdachten die – kort gezegd – door
de bevoegde autoriteiten ervan in kennis zijn gesteld dat zij ervan worden verdacht
een strafbaar feit te hebben begaan (artikel 17, eerste lid, jo. artikel 6, tweede
lid, OSvo). Dat zijn ook de verdachten die een kennisgeving ontvangen van de beslissing
tot aanvaarding (artikel 15, eerste lid, OSvo). Voor een nadere toelichting op de
kennisgevingsverplichtingen wordt verwezen naar paragraaf 3.7 van deze memorie van
toelichting). Zolang een verdachte nog niet op de hoogte is van het feit dat tegen
hem een strafvervolging gaande is, kan die strafvervolging worden overgedragen aan
een andere lidstaat zonder dat de verdachte daarvan in kennis hoeft te worden gesteld,
zijn standpunt hoeft te worden ingewonnen of hij daartegen een rechtsmiddel kan aanwenden.
De hier genoemde beperkingen aan het rechtsmiddel (alleen tegen de aanvaarding van de overdracht en alleen voor verdachten die reeds op de hoogte waren van de verdenking)
kunnen worden verklaard vanuit het uitgangspunt dat verdachten niet kunnen kiezen
waar een strafbaar feit zal worden vervolgd en dat de afweging waar een feit het beste
kan worden vervolgd als meerdere lidstaten rechtsmacht hebben bij de betrokken lidstaten
berust. Alleen wanneer de verdachte al op de hoogte was van een lopende strafvervolging
in een bepaalde lidstaat, heeft hij een redelijke verwachting kunnen ontlenen aan
het handelen van de autoriteiten in de verzoekende lidstaat dat zijn zaak in die lidstaat
zou worden vervolgd. Een weigering van een verzoek tot overdracht brengt geen verandering
aan in zijn situatie, en tegen de beslissing tot weigering kan hij dan ook geen rechtsmiddel
instellen.
Het recht om een rechtsmiddel aan te wenden komt daarnaast op grond van artikel 17,
eerste lid, OSvo in beginsel toe aan alle slachtoffers zoals gedefinieerd in de verordening,
waaronder zowel natuurlijke als rechtspersonen kunnen worden verstaan (artikel 2,
zesde lid, OSvo). De OSvo schept echter alleen verplichtingen voor de verzoekende
en aangezochte lidstaat om slachtoffers te informeren en hun standpunt in te winnen
voor zover die slachtoffers woonachtig of – in het geval van rechtspersonen – gevestigd
zijn in de verzoekende staat en voor zover zij informatie ontvangen over de strafvervolging
overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de slachtofferrichtlijn. Dit zijn de slachtoffers
die naar verwachting het sterkst worden geraakt door de overdracht van strafvervolging,
omdat deze niet langer zal plaatsvinden in de lidstaat waar zij verblijven, maar in
een andere lidstaat. Dat neemt niet weg dat andere slachtoffers eveneens in hun verwachtingen
ten aanzien van in welke lidstaat de strafzaak zou worden vervolgd, kunnen zijn geraakt.
Ook slachtoffers die niet woonachtig zijn in de verzoekende lidstaat hebben het recht
om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing tot aanvaarding van het verzoek
tot overdracht door de aangezochte staat. De termijn voor het instellen van een rechtsmiddel
is gekoppeld aan de ontvangst van de beslissing tot aanvaarding van de overdracht
door de verdachte of het slachtoffer (artikel 17, tweede lid, OSvo).
De procedure voor het instellen en de behandeling van het rechtsmiddel worden goeddeels
aan het nationale recht overgelaten. Voor gevallen waarin Nederland de aangezochte
staat is, wordt deze voorziening in rechte nader uitgewerkt in het voorgestelde artikel
5.10.7, dat voorziet in de mogelijkheid om een bezwaarschrift tegen de beslissing
tot aanvaarding in te dienen bij de rechtbank (zie de artikelsgewijze toelichting
bij die bepaling).
Hoewel de verordening de uitwerking van het rechtsmiddel overlaat aan het nationale
recht, zijn daarin wel enkele nadere regels opgenomen waaraan de nationale regeling
moet voldoen. Zo wordt bepaald dat de voorziening in rechte moet worden uitgeoefend
bij een «rechterlijke instantie» (artikel 17, eerste lid, OSvo). Op grond van het
voorgestelde artikel 5.10.7, tweede lid, is dat in Nederland de raadkamer bij de rechtbank.
Bovendien schrijft de verordening voor dat de beslissing tot overname wordt onderzocht
aan de hand van de criteria in artikel 12, eerste en tweede lid, OSvo (artikel 17,
tweede lid, OSvo). De beoordeling van de rechtbank richt zich daarbij op de weigeringsgronden
waar het bezwaarschrift betrekking op heeft.
De rechtbank hoeft niet steeds een ambtshalve onderzoek in te stellen naar alle dwingende
weigeringsgronden, daarover beslissingen te nemen en deze, voorzien van een motivering,
op te nemen in haar beschikking. Indien evenwel een ernstig vermoeden rijst dat sprake
is van een vervolgingsbeletsel, dan toetst de rechtbank of de officier van justitie
het verzoek tot overdracht van strafvervolging had moeten weigeren op grond van artikel
12, eerste lid, OSvo. Uit het tweede lid van artikel 17 OSvo volgt dat de uitoefening
van discretionaire bevoegdheden terughoudend wordt getoetst, namelijk «beperkt tot
de vraag of de aangezochte autoriteit de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid
kennelijk heeft overschreden». Dat laatste is met name relevant bij de toepassing
van de facultatieve weigeringsgronden neergelegd in artikel 12, tweede lid. In het
bijzonder heeft de officier van justitie ruime discretionaire bevoegdheid bij toepassing
van de weigeringsgrond uit het tweede lid, onderdeel b, die het de aangezochte autoriteit
toestaat de overdracht te weigeren indien dit naar haar oordeel niet in het belang
is van een efficiënte en goede rechtsbedeling. Dit is een oordeel dat raakt aan de
vervolgingsbeslissing, die in veel lidstaten, waaronder Nederland, toekomt aan het
openbaar ministerie, en dat zich slechts leent voor terughoudende toetsing door de
rechter.
In het tweede lid van artikel 17 OSvo is tevens geregeld dat het instellen van een
rechtsmiddel schorsende werking heeft in de aangezochte staat als het verzoek is ingediend
nadat de verdachte «in staat van beschuldiging is gesteld of is aangeklaagd». Het
gaat dan om de situatie waarin de vervolging is overgedragen na afronding van het
opsporingsonderzoek. In de aangezochte staat kan dan het onderzoek op de terechtzitting
derhalve niet aanvangen (of niet worden voortgezet, mocht het al zijn aangevangen)
zolang een rechtsmiddel tegen die aanvaarding is aangewend en op dat rechtsmiddel
nog niet is beslist. Dat doet echter geen afbreuk aan de mogelijkheid van de aangezochte
staat om voorlopige maatregelen te handhaven, bijvoorbeeld om te verhinderen dat bewijsmateriaal
verdwijnt (zoals door het leggen van conservatoir beslag) of om ontvluchting van de
verdachte te voorkomen.
Verder bepaalt het tweede lid van artikel 17 OSvo dat de definitieve beslissing over
de voorziening in rechte «zonder onnodige vertraging» wordt genomen en zo mogelijk
binnen zestig dagen. De aangezochte autoriteit stelt de verzoekende autoriteit in
kennis van de beslissing. De strafvervolging keert terug naar de verzoekende autoriteit
«indien het eindresultaat van de voorziening in rechte de vernietiging van de beslissing
tot aanvaarding van de overdracht van strafvervolging is». In overweging 49 OSvo wordt
deze bepaling toegelicht, waaruit blijkt dat de beslissing tot aanvaarding geheel
of gedeeltelijk kan worden vernietigd, waarna de strafvervolging terugkeert naar de
verzoekende autoriteit, of geheel of gedeeltelijk kan worden bevestigd, waarna de
strafvervolging bij de aangezochte autoriteit blijft. Een gedeeltelijke bevestiging
of vernietiging kan zich voordoen indien ten aanzien van meerdere feiten om overdracht
van strafvervolging is verzocht. De beslissing kan, zo blijkt uit overweging 49, ook
– overeenkomstig het nationale recht – voorwaardelijk worden bevestigd, bijvoorbeeld
door als voorwaarde voor aanvaarding te stellen dat aanvullende maatregelen worden
genomen voor de uitvoering van de overdracht, zoals het voortzetten van getuigenbescherming.
Overweging 49 noemt verder de voorwaarde dat ontbrekende elementen van het verzoekformulier
worden aangevuld. In deze laatste situatie ligt het echter meer voor de hand dat de
rechtbank de behandeling van het rechtsmiddel schorst om via de officier van justitie
aanvullende informatie op te vragen bij de verzoekende autoriteit (artikel 23, eerste
lid, Sv). Artikel 5.10.7, vijfde lid, bepaalt dat de rechtbank voorwaarden kan verbinden
aan de bevestiging van de beslissing tot aanvaarding van de overdracht van strafvervolging.
In het derde lid van artikel 17 OSvo wordt aan verdachten en slachtoffers een recht
op toegang toegekend tot «alle stukken in verband met de overdracht van strafvervolging
die ten grondslag liggen aan de beslissing tot aanvaarding van een overdracht van
strafvervolging krachtens deze verordening en die noodzakelijk zijn om hun recht op
een voorziening in rechte daadwerkelijk uit te oefenen.» Het recht moet worden uitgeoefend
overeenkomstig procedures waarin het nationale recht voorziet. In Nederland wordt
de toegang tot stukken in de raadkamerprocedure geregeld in artikel 23, vijfde lid,
Sv. Het recht op toegang kan op grond van de verordening met inachtneming van het
nationale recht worden beperkt indien die toegang «het vertrouwelijke karakter van
een onderzoek zou ondermijnen, het onderzoek anderszins zou schaden of de veiligheid
van personen in gevaar zou brengen.» Bij dat laatste kan onder andere worden gedacht
aan persoonsgegevens, zoals naam en adresgegevens van de verdachte of het slachtoffer,
die deel kunnen uitmaken van het verzoekformulier. Ook hiervoor is een voorziening
getroffen in artikel 5.10.7.
Tegen de beslissing van de raadkamer staat geen hoger beroep of beroep in cassatie
open. Dat geldt zowel voor de verdachte en het slachtoffer op grond van artikel 445
Sv als voor het OM op grond van artikel 446 Sv. Het voorschrift uit artikel 17 OSvo,
tweede lid, dat inhoudt dat de definitieve beslissing op het rechtsmiddel zo mogelijk
binnen zestig dagen moet worden genomen, laat voor een procedure in hoger beroep of
cassatie weinig ruimte. De rechtseenheid binnen de EU kan worden gewaarborgd door
de prejudiciële vraagprocedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (artikel
267 VWEU). Rechtbanken passen in de bezwaarschriftprocedure het recht van de Europese
Unie toe, en nu tegen hun beslissingen geen rechtsmiddelen openstaan, zijn zij gehouden
vragen over de uitlegging van de OSvo die noodzakelijk zijn voor het wijzen van de
beschikking voor te leggen aan het Hof van Justitie van de EU. Voor zover in het kader
van de toepassing van de uitvoeringswetgeving vragen rijzen die louter zien op de
uitleg van het Nederlandse recht, kan middels de prejudiciële procedure bij de Hoge
Raad (artikel 553–555 Sv) en cassatie in het belang der wet (artikel 456 Sv) de rechtseenheid
worden gewaarborgd.
Artikel 17, tweede lid, OSvo, laat «verdere overeenkomstig het nationale recht beschikbare
voorzieningen in rechte onverlet». Het Nederlandse Wetboek van Strafvordering voorziet
daar ten aanzien van de overdracht van strafvervolging op grond van deze verordening
niet in. Naar Nederlands recht kan wel de burgerlijke rechter optreden als «rest-rechter»
in gevallen waarin het Wetboek van Strafvordering niet voorziet in een met voldoende
waarborgen procedure, die in spoedeisende gevallen kan leiden tot een spoedige beslissing.8 Uit artikel 17, tweede lid, OSvo, volgt dat de verordening deze route niet afsnijdt.
3.5 Gevolgen van de overdracht van strafvervolging in de verzoekende staat
Voor zover de vervolging niet al was opgeschort of beëindigd op grond van artikel
4 OSvo, wordt de vervolging in de verzoekende staat op basis van artikel 21, eerste
lid, OSvo in beginsel stopgezet zodra de beslissing tot aanvaarding van de overdracht
van strafvervolging of de definitieve beslissing over een ingesteld rechtsmiddel is
ontvangen en deze inhoudt dat de vervolging in de aangezochte staat blijft. Het tweede
lid voorziet echter in de mogelijkheid de vervolging geopend te houden om dringende
onderzoeks- of andere procedurele maatregelen te nemen, of onderzoeks- of procedurele
maatregelen te handhaven die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van een instrument
voor wederzijdse erkenning of een verzoek om wederzijdse rechtshulp. Op grond van
die bepaling kan beslag bijvoorbeeld voortduren in afwachting van een Europees onderzoeksbevel
of Europees bevriezingsbevel, of kan de voorlopige hechtenis van de verdachte voortduren
in afwachting van een Europees aanhoudingsbevel. Dit wordt geregeld in artikel 5.10.4.
Het recht tot strafvervolging herleeft indien de vervolging in de aangezochte staat
wordt stopgezet, tenzij – kort gezegd – het ne bis in idem-beginsel daaraan in de weg staat (artikel 21, vijfde lid, en overweging 56 OSvo).
Uit de OSvo volgt dat in de aangezochte staat overeenkomstig het nationale recht kan
worden beslist over vervolging, hetgeen dus ook, zoals hierboven is toegelicht, bijvoorbeeld
een beslissing om te seponeren kan inhouden. In een dergelijk geval is denkbaar dat
de verzoekende autoriteit de strafvervolging alsnog zelf voortzet of heropent, tenzij
de beslissing tot stopzetting in de aangezochte staat verdere vervolging definitief
verhindert krachtens het nationale recht en werd genomen na een beoordeling van de
zaak ten gronde.
3.6 Gevolgen van de overdracht van strafvervolging in de aangezochte staat\
Artikel 22 OSvo bepaalt dat de strafvervolging na de overdracht wordt beheerst door
het nationale recht van de aangezochte staat (eerste lid). Handelingen ten behoeve
van de vervolging of het opsporingsonderzoek die (eerder) in de verzoekende staat
zijn verricht hebben in beginsel rechtsgeldigheid in de aangezochte staat, en handelingen
die de verjaring stuiten of schorsen volgens het nationale recht van beide lidstaten
hebben diezelfde werking van stuiting of schorsing in de aangezochte staat (tweede
lid). Verder regelt artikel 22 dat in de verzoekende staat ondergane vrijheidsbeneming
in mindering wordt gebracht op een in de aangezochte staat opgelegde vrijheidsstraf
(zesde lid) en dat indien het feit een klachtdelict is in beide lidstaten, een in
de verzoekende staat ingediende klacht ook geldig is in de aangezochte staat (zevende
lid). Daarnaast kan krachtens het achtste lid de rechter in de aangezochte staat overeenkomstig
het nationale recht rekening houden met de maximumstraf die in de verzoekende staat
op het strafbare feit is gesteld, indien het feit ook daar is gepleegd. Indien de
rechtsmacht van de aangezochte staat berust op artikel 3 van de verordening (en de
aangezochte staat dus enkel rechtsmacht kan uitoefenen als gevolg van de overdracht),
is dat verplicht. De rechter kan dan geen straf opleggen die zwaarder is dan de maximumstraf
die in de verzoekende staat op het feit is gesteld.
Artikel 22 OSvo bevat ook voorschriften over de toelaatbaarheid in de aangezochte
staat van bewijs verzameld in de verzoekende staat. In het vijfde lid is opgenomen
dat dat bewijs in de aangezochte staat mag worden gebruikt, mits de toelaatbaarheid
ervan in overeenstemming is met het nationale recht van de aangezochte staat. Het
tweede lid van dit artikel bepaalt bovendien dat (mits dit niet in strijd is met de
fundamentele rechtsbeginselen van de aangezochte staat) «iedere handeling die ten
behoeve van de strafvervolging of het vooronderzoek door de bevoegde autoriteiten
van de verzoekende staat is verricht, in de aangezochte staat dezelfde rechtsgeldigheid
[heeft] als wanneer die handeling door de bevoegde autoriteiten in de aangezochte
staat geldig zou zijn verricht.» Op grond hiervan kan aan een proces-verbaal dat is
opgemaakt door autoriteiten in de verzoekende staat dezelfde bijzondere bewijskracht
worden toegekend als aan een opgemaakt proces-verbaal van een Nederlandse opsporingsambtenaar
krachtens artikel 344, tweede lid, Sv. Daarbij geldt wel dat de toepassing van artikel
344, tweede lid, Sv, veronderstelt dat het proces-verbaal is opgemaakt onder ambtseed
en dat het daarin gerelateerde de eigen waarneming of ondervinding van het strafbare
feit door de opsporingsambtenaar betreft. Bovendien zij hier benadrukt, zoals ook
in de toelichting op artikel 4.3.10, derde lid, van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
is gebeurd, dat de rechter niet verplicht is om aan het proces-verbaal bijzondere
bewijskracht toe te kennen en dat het gebruikelijk is dat de bewezenverklaring op
meer dan één bewijsmiddel steunt (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 1008).
Op grond van artikel 23 OSvo moet de aangezochte autoriteit of een andere bevoegde
autoriteit de verzoekende autoriteit informeren als de strafvervolging is stopgezet.
Zij moet daarbij ook aangeven of die beslissing naar het recht van de aangezochte
staat aan verdere vervolging in de weg staat en is gegeven na een beoordeling van
de zaak ten gronde, opdat de verzoekende autoriteit kan beoordelen of in de verzoekende
staat opnieuw vervolging kan worden ingesteld (zie ook artikel 21, vijfde lid, OSvo).
Als aan het einde van de strafvervolging een beslissing is genomen die heeft geleid
tot strafoplegging, moet zij naast informatie over de vraag of deze beslissing aan
verdere vervolging in de weg staat en is gegeven na een beoordeling van de zaak ten
gronde, informatie verstrekken over de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf.
3.7 Kennisgevingsverplichtingen jegens verdachte en slachtoffer
Zoals in het voorgaande al is beschreven, rust zowel op de verzoekende als op de aangezochte
autoriteit de verplichting om de verdachte en het eventuele slachtoffer op diverse
momenten in de procedure in kennis te stellen van beslissingen. Ten aanzien van de
verdachte gaat het daarbij steeds om een verdachte die door een officiële kennisgeving
of anderszins door de bevoegde autoriteiten in kennis is gesteld dat hij ervan wordt
verdacht een strafbaar feit te hebben begaan (artikel 6, tweede lid, OSvo). Ten aanzien
van het slachtoffer gelden de verplichtingen tot kennisgeving indien deze verblijft
in de verzoekende staat (blijkt uit de diverse hierna te noemen kennisgevingsverplichtingen).
De verdachte en het slachtoffer moeten ten eerste in kennis worden gesteld van het
voornemen om een verzoek tot overdracht van strafvervolging te doen opdat zij daarover
een standpunt kunnen innemen (artikel 6, derde lid, en artikel 7, tweede lid, OSvo).
Indien de verzoekende autoriteit vervolgens daadwerkelijk een verzoek doet, moet zij
de eerder geïnformeerde verdachte en het eerder geïnformeerde slachtoffer daarvan
in kennis stellen (artikel 6, zesde lid, en artikel 7, vierde lid, OSvo). Indien het
verzoek tot overdracht van strafvervolging wordt ingetrokken na eerdere kennisgeving,
moeten de betrokken verdachte en het slachtoffer ook daarvan in kennis worden gesteld
(artikel 10, tweede lid, OSvo). Indien de aangezochte staat het verzoek weigert, moet
de verzoekende staat eveneens de verdachte en het slachtoffer in kennis stellen (artikel
15, derde lid en artikel 16, derde lid, OSvo). De aangezochte autoriteit moet de verdachte
en het slachtoffer in kennis stellen van de beslissing tot aanvaarding van de overdracht
van strafvervolging, de mogelijkheid om daartegen een rechtsmiddel in te stellen en
een kopie verstrekken van de met redenen omklede beslissing tot aanvaarding (artikel
15, eerste lid en artikel 16, eerste lid, OSvo).
In het geval dat de verdachte zich bevindt in de aangezochte staat, kunnen de verzoekende
en aangezochte autoriteit met behulp van formulieren elkaar verzoeken om bijstand
bij het verstrekken van de informatie (zie artikel 6, vijfde en zevende lid, artikel
8, derde lid en artikel 15, tweede en vierde lid, OSvo, en de formulieren in bijlage
II-VI bij de OSvo).
De autoriteiten zijn steeds ontheven van hun verplichtingen indien nakoming daarvan
«het vertrouwelijke karakter van een onderzoek zou ondermijnen of het onderzoek anderszins
zou schaden» (ten aanzien van de verdachte: artikel 6, derde lid, tweede alinea, onderdeel
a en artikel 15, vijfde lid, onderdeel a; ten aanzien van het slachtoffer: artikel
7, tweede lid, tweede alinea, onderdeel a, en artikel 16, vierde lid, onderdeel a,
OSvo) en voorts wanneer de betrokkene ondanks redelijke inspanningen niet kan worden
gelokaliseerd of bereikt (ten aanzien van de verdachte: artikel 6, derde lid, tweede
alinea, onderdeel b en artikel 15, vijfde lid, onderdeel b; ten aanzien van het slachtoffer:
artikel 16, vierde lid, onderdeel b). Artikel 7 OSvo bevat deze laatste uitzondering
niet, maar ook in die gevallen moet het ervoor worden gehouden dat indien het slachtoffer
niet kan worden gelokaliseerd ondanks redelijke inspanningen, het niet informeren
van de betrokkene geen schending van de verordening oplevert. Overigens zal dat geval
zich naar verwachting minder vaak voordoen, nu de informatieverplichting is beperkt
tot slachtoffers die hebben aangegeven dat zij informatie wensen te ontvangen over
de strafzaak en van deze slachtoffers in de regel dus gegevens bekend zullen zijn.
Het gaat in deze bepalingen steeds om het vertrouwelijke karakter van een onderzoek of het anderszins schaden van het onderzoek. De weigeringsgronden kunnen dus worden ingeroepen wanneer het over te
dragen onderzoek schade zou lijden, doordat de vertrouwelijkheid zou worden ondermijnd
of anderszins, maar ook wanneer de vertrouwelijkheid van een ander onderzoek zou worden ondermijnd. Dit is bijvoorbeeld denkbaar wanneer de strafvervolging
wordt overgedragen vanwege een samenhangende strafvervolging in de aangezochte lidstaat
waarvan de verdachte in het belang van het onderzoek nog in het ongewisse moet blijven.
De OSvo geeft geen uitsluitsel over de vraag of de verdachte en het slachtoffer alsnog
in kennis moeten worden gesteld zodra de omstandigheden die daaraan in de weg stonden,
zich niet langer voordoen. Voor betrokkenen die niet zijn geïnformeerd omwille van
de vertrouwelijkheid van een onderzoek of om het onderzoek anderszins te beschermen,
geldt dat voor de hand ligt dat zij alsnog worden geïnformeerd zodra het onderzoek
dit toelaat. Deze omstandigheid ligt immers buiten hun invloedssfeer en zou niet in
de weg moeten staan aan de mogelijkheid om een rechtsmiddel in te stellen tegen de
overdracht. Voor verdachten of slachtoffers die niet kunnen worden bereikt terwijl
zij eerder wel in beeld waren en op de hoogte zijn van de strafvervolging, geldt dat
betekening op grond van artikel 36e, tweede lid, onder b, Sv zal plaatsvinden aan
het openbaar ministerie.
4. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
Met het wetsvoorstel wordt een nieuwe Titel toegevoegd aan het Vijfde Boek van het
Wetboek van Strafvordering. Deze regeling bevat de relevante procedurele bepalingen
die de toepassing van de Verordening mogelijk maken. Daarnaast wordt artikel 8b van
het Wetboek van Strafrecht aangevuld om te voorzien in rechtsmacht als bedoeld in
artikel 3 OSvo.
Omdat sprake is van een verordening – die rechtstreekse werking heeft – worden in
de nieuwe Titel 10 van het Vijfde Boek van het Wetboek van Strafvordering enkel een
aantal voorschriften opgenomen die noodzakelijk zijn om de effectieve toepassing van
de verordening mogelijk te maken. In dit geval gaat het met name om nadere regels
ter uitvoering van enkele onderdelen uit de verordening waarin wordt verwezen naar
het nationale recht of nationale procedures. In een aantal gevallen zijn dergelijke
nationale regelingen al aanwezig of is het niet nodig om de betreffende procedure
in de wet vast te leggen. Hiervoor wordt ook verwezen naar de transponeringstabel
die is opgenomen aan het eind van deze memorie van toelichting. Daar waar wel (aanpassing
van) wetgeving is aangewezen, voorziet dit wetsvoorstel daarin.
Enkele aspecten die in de nieuwe Titel 10 worden geregeld zijn het aanwijzen van de
officier van justitie als bevoegde verzoekende en aangezochte autoriteit, de rechtsgevolgen
van het doen van een verzoek tot overdracht van strafvervolging, de mogelijkheid tot
het nemen van voorlopige maatregelen als bedoeld in artikel 22, derde lid OSvo, en
het rechtsmiddel. In het artikelsgewijze deel van deze toelichting wordt nader op
deze voorstellen ingegaan.
Op 24 februari 2026 werden de twee wetsvoorstellen tot vaststelling van een nieuw
Wetboek van Strafvordering (Kamerstukken I 2024/25, 36 327, C en 36 636, A) door de Eerste Kamer aangenomen. Het voorliggende wetsvoorstel heeft betrekking
op het huidige Wetboek van Strafvordering. In het kader van de inwerkingtreding van
het nieuwe Wetboek van Strafvordering zal worden voorzien in een technische omzetting
van dit wetsvoorstel naar het nieuwe Wetboek. Deze regeling zal dan als zelfstandig
hoofdstuk aan Boek 8 worden toegevoegd.
5. Uitvoeringsconsequenties en financiële gevolgen
Het wetsvoorstel leidt naar verwachting niet tot substantiële werklastgevolgen voor
de rechtspraak. Het wetsvoorstel leidt wel tot een werklastverzwaring voor het OM.
Het College van procureurs-generaal heeft de structurele kosten voor het OM als gevolg
van dit wetsvoorstel geraamd op ruim 780.00 euro, en de incidentele kosten op ruim
20.000 euro. Deze kosten worden binnen de begroting van JenV gedekt.
6. Consultatieadviezen
Het voorstel is voor advies gezonden aan de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), het College
van procureurs-generaal (OM), de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de
Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en Slachtofferhulp Nederland (SHN). SHN en de
NVvR hebben te kennen gegeven geen advies uit te brengen, van de overige organisaties
zijn consultatieadviezen ontvangen.
De organisaties die advies hebben uitgebracht zien het belang van de verordening en
het wetsvoorstel. De NOvA geeft aan dat het wetsvoorstel voorziet in de noodzakelijke
uitvoeringswetgeving, op één onderdeel na, dat hierna zal worden besproken. Het OM
onderschrijft in zijn consultatieadvies het belang van een effectieve overdracht van
strafvervolging. Bovendien acht het OM de centrale rol die de officier van justitie
krijgt toebedeeld bij de overdracht van strafvervolging in het wetsvoorstel passend,
gelet op de taken van het openbaar ministerie. Ook stemt het OM in met de overwegingen
in de toelichting dat de officier van justitie de ruimte heeft om een opportuniteitsafweging
te maken en te beslissen of de overdracht van strafvervolging in het belang is van
een efficiënte en goede rechtsbedeling. De Rvdr geeft aan het belang van het wetsvoorstel
te onderkennen en geen zwaarwegende bezwaren te hebben. De adviesorganen hebben verschillende
opmerkingen en vragen bij het wetsvoorstel, die op de volgende wijze zijn verwerkt.
Op een punt heeft de advisering geleid tot bijstelling van het wetsvoorstel. Naar
aanleiding van het advies van het OM is het tweede lid van het voorgestelde artikel
5.10.2 geschrapt, dat voorschreef dat het mondelinge standpunt van een verdachte of
slachtoffer moet worden vastgelegd in een proces-verbaal en bij de processtukken moet
worden gevoegd. Met het OM kan worden geconstateerd dat het voorschrift uit artikel
8, derde lid, OSvo, dat inhoudt dat een schriftelijk verslag moet worden gemaakt van
een mondeling standpunt, op zichzelf voldoende duidelijk is. Vastlegging in een proces-verbaal
is, zoals het OM terecht aangeeft, niet noodzakelijk om dit verslag mee te kunnen
sturen met een verzoek tot overdracht. Door dit vereiste niet te stellen kan een schriftelijke
uitwerking van een mondeling door een slachtoffer ingenomen standpunt ook worden gemaakt
door medewerkers van bijvoorbeeld het informatiepunt slachtoffers bij het OM. Gelet
op deze opmerkingen, is uitvoeringswetgeving op dit onderdeel bij nader inzien niet
nodig.
De NOvA heeft enkele opmerkingen gemaakt over het recht op (gefinancierde) rechtsbijstand,
onder meer in het licht van overweging 21 OSvo. Naar aanleiding van dit advies is
in de toelichting op artikel 5.10.6, eerste lid, in lijn met de opmerkingen van de
NOvA, verhelderd dat de verdachte recht heeft op de bijstand van een raadsman overeenkomstig
artikel 37 tot en met 48 Sv. Een algemeen recht op gefinancierde rechtsbijstand voor
verdachten vloeit niet voort uit de verordening. Overweging 21 OSvo beoogt enkel te
stipuleren dat de rechten die voortvloeien uit (onder andere) Richtlijn 2016/1919
van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand
voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures
ter uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel niet worden aangetast door deze nieuwere
verordening en bevat zelf geen aanvullende verplichtingen. Onderhavig wetsvoorstel
geeft ook geen aanleiding om de gebruikelijke systematiek te veranderen. Op grond
van die systematiek wordt in beginsel weliswaar geen toevoeging verstrekt, maar dat
betekent niet dat er helemaal geen beroep op gesubsidieerde rechtsbijstand kan worden
gedaan. De Raad voor Rechtsbijstand zal bij een beroep op gesubsidieerde rechtsbijstand,
indien de omstandigheden van het specifieke geval daartoe aanleiding geven, de rechtzoekende
in aanmerking laten komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Dit geldt zowel voor
verdachten als voor slachtoffers van een gewelds- of zedenmisdrijf met ernstig letsel
en kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien het om een juridisch ingewikkelde strafzaak
gaat en de rechtzoekende onvoldoende zelfredzaam is.
Zowel de Rvdr als het OM hebben opmerkingen gemaakt bij en vragen gesteld over het
rechtsmiddel dat kan worden ingesteld tegen de beslissing tot aanvaarding van de overdracht.
Deze opmerkingen hebben geleid tot enkele aanvullingen van (paragraaf 3.4 van) deze
memorie van toelichting. Naar aanleiding hiervan wordt nog verhelderd dat de verplichting
om aan alle slachtoffers een recht op een rechtsmiddel toe te kennen – ook slachtoffers
ten aanzien van wie de verplichting tot kennisgeving van de beslissing tot aanvaarding
niet geldt – besloten ligt in de OSvo zelf. De voorgeschreven mogelijkheid voor slachtoffers
om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing tot aanvaarding van de overdracht
(artikel 17 OSvo) is immers – anders dan voornoemde kennisgevingsverplichting (artikel
16 OSvo) – niet beperkt tot slachtoffers die in de verzoekende lidstaat verblijven.
Om te voorkomen dat slachtoffers de beslissing om de overdracht te aanvaarden nog
lang nadien ter discussie kunnen stellen, wordt ervoor gekozen alle bekende slachtoffers
over die overdracht te informeren, ongeacht of zij woonachtig zijn in de verzoekende
staat of elders. Dit is in lijn met het recht op informatie over hun zaak dat slachtoffers
op grond van artikel 6 van de slachtofferrichtlijn hebben. In overeenstemming met
het advies van het OM is daarbij wel verhelderd dat die verplichting beperkt is tot
die slachtoffers die hebben aangegeven dat zij geïnformeerd willen worden over hun
strafzaak. De Rvdr heeft in dit verband terecht aangegeven dat, als de officier van
justitie ook slachtoffers die buiten de verzoekende staat verblijven moet informeren,
indien zij hebben aangegeven informatie te willen ontvangen over hun strafzaak, die
verplichting een nadere grondslag vergt, nu deze niet rechtstreeks volgt uit (artikel
16 van) de OSvo. Om hierin te voorzien zal de Regeling verstrekken zaaksinformatie
aan slachtoffers worden aangepast. Verder hebben de vragen in het advies van de Rvdr
over de toetsing van de weigeringsgronden geleid tot een aanvulling in paragraaf 3.3
van het algemeen deel van deze toelichting. Verduidelijkt is dat de rechtbank dwingende
weigeringsgronden enkel ambtshalve hoeft te toetsen indien een ernstig vermoeden rijst
dat een dergelijke weigeringsgrond van toepassing is. Naar aanleiding van vragen van
de Rvdr over hoe de termijn van twee weken in het voorgestelde artikel 5.10.7, eerste
lid, Sv zich verhoudt tot de in artikel 17, tweede lid, OSvo genoemde termijn van
maximaal vijftien dagen, kan nog het volgende worden opgemerkt. De Algemene termijnenwet
is van toepassing op de termijn van twee weken voor het indienen van een bezwaarschrift
zoals opgenomen in het wetsvoorstel (artikel 5.10.7, eerste lid). Op de termijnen
uit de OSvo is de door de Rvdr genoemde Verordening (EEG, EURATOM) 1182/71 van 3 juni
1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data
en aanvangs- en vervaltijden (Verordening 1182/71) van toepassing (zie artikel 1 van
die verordening). Om te voldoen aan de verplichtingen uit de verordening mag de termijn
van twee weken in het Nederlandse uitvoeringsvoorstel, berekend aan de hand van het
Nederlandse recht, de termijn van vijftien dagen uit artikel 17, tweede lid, OSvo,
berekend aan de hand van het Unierecht, niet overschrijden. Nu het begin van de termijn
gelijk is, en voor beide contexten geldt dat het einde van de termijn wordt verlengd
indien deze afloopt op een zaterdag, zondag, of feestdag, en de feestdagen die de
termijn in Nederland verlengen ook de termijn in het Unierecht verlengen (zie de artikelen
2 tot en met 4 van Verordening 1182/71), leidt toepassing van artikel 5.10.7, eerste
lid, niet tot overschrijding van de in de OSvo genoemde termijn. Het advies van het
OM om in artikel 5.10.7 op te nemen dat de beslissing door de rechtbank zonder meer
binnen zestig dagen wordt genomen is niet overgenomen omdat, zoals het OM ook aangeeft,
artikel 17, tweede lid, OSvo, voorschrijft dat de rechter «zonder onnodige vertraging»
en «zo mogelijk» binnen zestig dagen een definitieve beslissing neemt. Hiermee wordt
reeds afdoende gewaarborgd dat zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen op
het rechtsmiddel, terwijl tegelijkertijd ruimte bestaat in de procedure om bijvoorbeeld
in voorkomende gevallen aanvullende informatie op te (doen) vragen bij de verzoekende
lidstaat, voordat een beslissing wordt genomen.
Ook op diverse andere punten is deze memorie nog aangevuld of verduidelijkt, in lijn
met de uitgebrachte consultatieadviezen. Het betreft onder meer, naar aanleiding van
het advies van de Rvdr, het ontbreken van de mogelijkheid tot het instellen van rechtsmiddelen
tegen de beslissing van de rechtbank op het bezwaarschrift en het waarborgen van de
rechtseenheid in dat verband; de toepasselijkheid van de bewijsregel in artikel 344,
tweede lid, Sv op processen-verbaal van buitenlandse opsporingsambtenaren; en de vraag
of verschillen in strafmaat een rol kunnen spelen als criterium voor de overdracht
van strafvervolging. Daarnaast is in de artikelsgewijze toelichting ingegaan op de
toepasselijkheid van de verordening op overdracht van strafvervolging in de fase van
de tenuitvoerlegging (artikel 5.10.3); en op de rol die de gronden voor voorlopige
hechtenis uit artikel 67b Sv spelen bij de toepassing van artikel 5.10.4, eerste lid.
Op basis van het advies van het OM is de toelichting verduidelijkt waar het gaat om
de registratie van voorstellen tot overdracht op grond van artikel 5, derde lid, OSvo
en ten aanzien van de betekeningsvoorschriften, onder meer op het punt hoe de betekening
zich verhoudt tot de mogelijkheid voor lidstaten om elkaars hulp in te roepen bij
het informeren van verdachten en slachtoffers.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
ARTIKEL I
Dit onderdeel voegt een nieuwe Titel toe aan het einde van het Vijfde Boek van het
Wetboek van Strafvordering, getiteld «Europees verzoek tot overdracht van strafvervolging».
In deze Titel zijn bepalingen opgenomen die specifiek betrekking hebben op de uitvoering
van de verordening. Deze voorschriften staan naast de regeling in Titel 3 van het
Vijfde Boek. Deze laatste zal ook na 1 februari 2027 kunnen worden gebruikt bij de
overdracht van strafvervolging in relatie tot Denemarken en derde landen. Zoals sinds
de herziening van de regeling van internationale samenwerking gebruikelijk is, heeft
de implementatie van het EU-instrument een eigen Titel gekregen, los van de «internationale»
tegenhanger daarvan, waarbij nieuwe instrumenten steeds aan het einde van het Vijfde
Boek worden geplaatst.9 Op dit moment bestaat het Vijfde Boek uit acht titels. In Titel 9 zullen bepalingen
worden opgenomen ter implementatie van Richtlijn 2024/1260 van het Europees Parlement
en de Raad van 24 april 2024 betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen.
Om die reden wordt de onderhavige regeling opgenomen in Titel 10. De artikelen worden
in het navolgende toegelicht.
Artikel 5.10.1 [begripsbepalingen]
In het eerste artikel worden enkele begrippen uit de wettelijke regeling van een definitie
voorzien. Onderdeel c is opgenomen omdat Denemarken niet is gebonden door de OSvo
(zie ook paragraaf 3.1 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting). Waar
in de wettelijke regeling wordt gerefereerd aan het begrip «lidstaat» dan wordt daaronder
dus verstaan alle lidstaten van de Europese Unie met uitzondering van Denemarken.
Artikel 5.10.2 [overdracht van strafvervolging aan een andere lidstaat]
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2, derde lid, onderdeel a, OSvo. Het wijst
de officier van justitie aan als bevoegde autoriteit voor het doen van een verzoek
tot overdracht van strafvervolging. Artikel 2, derde lid, onderdeel a, OSvo noemt
de officier van justitie met zoveel woorden als autoriteit die kan worden aangewezen
als «verzoekende autoriteit» in de zin van de verordening en laat dus ruimte voor
deze keuze. Datzelfde geldt voor het aanwijzen van de officier van justitie als bevoegde
aangezochte autoriteit (artikel 2, vierde lid, OSvo en het voorgestelde artikel 5.10.5).
Het beleggen van deze bevoegdheid bij de officier van justitie past bij de positie
die deze in de Nederlandse strafvordering heeft als autoriteit die beslist over de
vervolging. Bovendien sluit deze keuze aan bij de bestaande regeling van overdracht
van strafvervolging, waarin de officier van justitie ook een centrale rol inneemt.
De officier van justitie doet een verzoek indien hij dit – kort gezegd – in het belang
van een efficiënte en goede rechtsbedeling wenselijk acht (artikel 5, eerste lid,
OSvo), met inachtneming van de criteria genoemd in artikel 5, tweede lid, OSvo. Daarnaast
houdt hij op grond van artikel 6, eerste lid, rekening met de legitieme belangen van
de verdachte en het eventuele standpunt dat hij heeft ingebracht over de voorgenomen
overdracht (artikel 6, vierde lid, OSvo). Datzelfde geldt voor de legitieme belangen
en het standpunt van het slachtoffer (artikel 7, eerste en derde lid, OSvo). Onder
die legitieme belangen moet mede worden verstaan aspecten die verband houden met herstelrecht
(artikel 6, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, OSvo).
Artikel 5.10.3 [voorlopige gevolgen verzoek tot overdracht van strafvervolging]
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 4, artikel 10, vierde lid, en artikel 17,
tweede lid, OSvo. Zoals in paragraaf 3.2 van het algemeen deel van deze memorie van
toelichting is beschreven kan de verzoekende staat, zolang de aangezochte staat het
verzoek tot overdracht niet heeft ingewilligd, de strafvervolging voortzetten. Artikel
4 OSvo biedt evenwel de mogelijkheid ook al in deze fase afstand te doen van de strafvervolging
of deze op te schorten of beëindigen, als dat nodig is om overdracht aan de aangezochte
staat mogelijk te maken. In artikel 5.10.3 is van deze mogelijkheid gebruikgemaakt
en is bepaald dat een zaak niet op de terechtzitting aanhangig wordt gemaakt vanaf
het moment dat een verzoek is gedaan tot overdracht van de desbetreffende strafvervolging.
Daarmee zou de officier van justitie immers de voorgenomen overdracht blokkeren. Op
basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad geldt namelijk dat overdracht van strafvervolging
niet langer mogelijk is zodra het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, omdat
de verdachte vanaf dat moment aanspraak heeft op voortzetting van de procedure.10 Overdracht van strafvervolging in die fase wordt weliswaar door de verordening niet
uitgesloten, maar dit zal in zijn algemeenheid niet in het belang van een goede rechtsbedeling
zijn. Hiermee wordt eveneens bijgedragen aan het voorkomen van parallelle procedures,
wat ook één van de doelstellingen van de OSvo is (zie overweging 4).11 Een soortgelijke regel is vastgelegd in artikel 5.3.3 Sv. Zolang de aangezochte autoriteit
het verzoek tot overdracht van strafvervolging nog niet heeft aanvaard, zijn andere
handelingen, zoals het voortzetten van het opsporingsonderzoek, niet uitgesloten.12
Artikel 5.10.3 regelt ook het – uitzonderlijke – geval dat de strafvervolging wordt
overgedragen nadat al bij onherroepelijke uitspraak een straf of maatregel is opgelegd.
De OSvo gaat niet expliciet in op overdracht in deze fase en is daar ook niet uitdrukkelijk
op toegesneden. Zo wordt de betrokkene aangeduid als de «verdachte of beklaagde»,
en biedt het verzoekformulier dat als bijlage bij de OSvo is gevoegd geen mogelijkheid
om aan te geven dat de betrokkene reeds is veroordeeld en dat de strafvervolging zich
in de fase van de tenuitvoerlegging bevindt. Daar staat tegenover dat artikel 1, tweede
lid, OSvo, bepaalt dat de verordening van toepassing is op «alle gevallen van overdracht
van een in de lidstaten ingestelde strafvervolging». Overdracht van strafvervolging
in de tenuitvoerleggingsfase is een weliswaar zeldzame, maar niet onbekende figuur,
die kan bijdragen aan het voorkomen van straffeloosheid, wat ook aansluit bij de doelstellingen
van de OSvo. Ook het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
(EVOS), waar de OSvo voor in de plaats treedt, regelt de overdracht na onherroepelijke
veroordeling (zie artikel 33 OSvo en artikel 8, tweede lid, EVOS). De formulering
van artikel 1, tweede lid, OSvo, laat geen ruimte voor overdracht van strafvervolging
tussen lidstaten buiten de verordening om. Ook overdracht van strafvervolging in de
tenuitvoerleggingsfase zal dus moeten plaatsvinden met toepassing van de OSvo. Daarom
voorziet het wetsvoorstel eveneens in bepalingen die de overdracht in de fase van
de tenuitvoerlegging betreffen. Aan overdracht van strafvervolging in de fase van
tenuitvoerlegging kan behoefte bestaan indien de opgelegde straf of maatregel niet
ten uitvoer kan worden gelegd omdat de veroordeelde zich in een andere lidstaat bevindt,
terwijl deze niet kan worden overgeleverd met het oog op de tenuitvoerlegging en de
tenuitvoerlegging van de straf of maatregel evenmin kan worden overgedragen. In die
gevallen kan overdracht van strafvervolging een uitkomst bieden om straffeloosheid
te voorkomen, waarna de betrokkene in de aangezochte staat kan worden vervolgd en
berecht. Het ne bis in idem-beginsel zoals dat deel uitmaakt van het Unierecht verzet zich hier niet tegen. Artikel
54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en artikel 50 HGEU, zoals uitgelegd door
het Hof van Justitie van de Europese Unie, sluiten overdracht van strafvervolging
na oplegging van een straf of maatregel immers niet uit, zolang de straf of maatregel
nog niet daadwerkelijk ten uitvoer is gelegd.13 Daarom wordt – in lijn met artikel 5.3.3, eerste lid, Sv – geregeld dat de Minister
zich nadat een verzoek tot overdracht is gedaan door de officier van justitie dient
te onthouden van de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel. Benadrukt zij dat
een dergelijke overdracht hoge uitzondering zal zijn en dat ook behoort te zijn.14
Er zijn verschillende situaties waarin de strafvervolging, ondanks een door de officier
van justitie aan een andere lidstaat gedaan verzoek tot overdracht, toch in Nederland
blijft. In dergelijke gevallen moet de officier van justitie de zaak alsnog op de
terechtzitting aanhangig kunnen maken respectievelijk moet de Minister alsnog tot
tenuitvoerlegging van de opgelegde straf of maatregel kunnen overgaan. Deze gevallen
zijn opgenomen in onderdelen a tot en met c van artikel 5.10.3. Onderdeel a geeft
uitvoering aan artikel 10, vierde lid, OSvo. Het gaat dan om de situatie waarin de
officier van justitie het verzoek tot overdracht van strafvervolging heeft ingetrokken
op grond van artikel 10, eerste lid, OSvo. Onderdeel b betreft het geval waarin de
aangezochte staat de overdracht weigert (artikel 12 OSvo). Als de strafvervolging
niet wordt overgedragen, kan die vervolging immers alsnog in Nederland worden voortgezet
en is er dus geen aanleiding meer om af te zien van het aanhangig maken van de zaak
op de terechtzitting. Onderdeel c betreft de situatie waarin de overdracht van strafvervolging
aanvankelijk is aanvaard, maar daartegen een rechtsmiddel is ingesteld en de rechterlijke
instantie in de aangezochte staat deze beslissing heeft vernietigd (artikel 17, tweede
lid, OSvo).
Artikel 5.10.4 [gevolgen aanvaarding verzoek tot overdracht van strafvervolging]
Eerste lid
Deze bepaling strekt tot uitvoering van artikel 21, eerste, tweede en vierde lid,
OSvo. Zoals besproken in paragraaf 3.5 van het algemeen deel van deze memorie, moet
de strafvervolging in de verzoekende staat worden opgeschort of stopgezet zodra de
verzoekende autoriteit de beslissing tot aanvaarding heeft ontvangen dan wel, indien
een rechtsmiddel is ingesteld, de beslissing op dat rechtsmiddel (tenzij daaruit volgt
dat de strafvervolging terugkeert naar de verzoekende autoriteit). Het gaat dus om
het moment dat de beslissing tot aanvaarding onherroepelijk is. Op dat moment vervalt
het recht tot strafvervolging, alsmede – in het uitzonderlijke geval dat de strafvervolging
pas wordt overgedragen in de fase van tenuitvoerlegging – de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging
van de opgelegde straf of maatregel. De strafvervolging kan niettemin op grond van
het tweede lid van artikel 21 OSvo «geopend blijven» om de verzoekende staat in staat
te stellen de in onderdeel a en b van dat artikellid genoemde maatregelen te nemen
of te handhaven. Als bijvoorbeeld de strafvervolging wordt overgedragen ten aanzien
van een verdachte die in voorlopige hechtenis zit, dan kan die voorlopige hechtenis
voortduren na ontvangst van de beslissing tot aanvaarding van de overdracht en in
afwachting van de ontvangst van een EAB, indien het handhaven van die maatregel noodzakelijk
is voor de tenuitvoerlegging van dat EAB. Deze laatste voorwaarde komt bovenop de
gebruikelijke voorwaarden voor toepassing van voorlopige hechtenis. Het is dus niet
mogelijk om voorlopige hechtenis toe te passen in gevallen waarin dat op grond van
artikel 67 Sv niet mogelijk is of zonder dat sprake is van een van de gronden genoemd
in artikel 67b Sv. Ook de termijnen voor de toepassing van voorlopige hechtenis en
andere maatregelen uit het nationale recht moeten in acht worden genomen. Daarbovenop
kan dus het in artikel 21, tweede lid, OSvo neergelegde vereiste dat het nemen of
handhaven van maatregelen «noodzakelijk» moet zijn, een rol spelen bij het oordeel
over de vrijheidsbeneming. Het ligt voor de hand om voor de duur van de voorlopige
hechtenis na aanvaarding van de beslissing tot overdracht door de aangezochte staat
aansluiting te zoeken bij de vergelijkbare figuur van voorlopige aanhouding in de
Overleveringswet, waar het gaat om de maximale duur van de voorlopige hechtenis in
afwachting van (de vertaling van) een EAB. Het gaat dan om de mogelijkheid om voorlopige
hechtenis toe te passen in afwachting van een EAB, nadat een verdachte is aangehouden
op basis van een signalering in het Schengen Informatiesysteem (SIS). Daarvoor geldt
dat de betrokkene, nadat deze eventueel eerst maximaal zes dagen in verzekering is
gesteld, na maximaal twintig dagen bewaring in vrijheid wordt gesteld indien (de vertaling
van) het EAB nog niet is ontvangen (artikel 19, onderdeel b, Overleveringswet; zie
voor een vergelijkbare bepaling uit het uitleveringsrecht artikel 16, eerste lid,
onderdeel c, Uitleveringswet). Bovendien zal toepassing van deze bepaling niet tot
gevolg mogen hebben dat de maximale duur van de overleveringsdetentie wordt overschreden.
Nadat deze tijdelijke maatregelen zijn beëindigd, wordt de strafvervolging alsnog
geschorst of stopgezet (artikel 21, vierde lid, OSvo). Vanwege de tijdelijke uitzondering
die kan worden gemaakt op het vervolgingsbeletsel, is ervoor gekozen zowel de hoofdregel
als de uitzondering op te nemen in artikel 5.10.4. Deze keuze sluit aan bij het voornemen
om bij invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering de gevolgen van de overdracht
van strafvervolging die zijn geregeld in artikel 77 Sr en artikel 6:1:24 Sv over te
hevelen naar Hoofdstuk 4 van Boek 8 over overdracht van strafvervolging.15
Tweede lid
Nadat de beslissing tot aanvaarding onherroepelijk is geworden, kan de officier van
justitie door de aangezochte autoriteit in kennis worden gesteld van een beslissing
als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, OSvo. Het gaat dan, kort gezegd, om situaties
waarin de overgenomen strafzaak werd stopgezet zonder dat een beoordeling van de zaak
ten gronde heeft plaatsgevonden. In dat geval herleeft het recht tot strafvordering.
Deze bepaling voorziet hierin en strekt dus tot uitvoering van artikel 21, vijfde
lid, OSvo.
Artikel 5.10.5 [overname van strafvervolging uit een andere lidstaat]
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2, vierde lid, OSvo en wijst de officier
van justitie aan als de bevoegde autoriteit voor de beslissing op een verzoek tot
overdracht uit een andere lidstaat. De keuze hiervoor is toegelicht bij artikel 5.10.1.
Tegen de beslissing om het verzoek tot overdracht te aanvaarden, staat een rechtsmiddel
open bij de rechtbank (zie daarvoor artikel 17 OSvo en het voorgestelde artikel 5.10.7).
Artikel 5.10.6 [voorlopige maatregelen bij afgeleide rechtsmacht]
Met dit artikel wordt gebruikgemaakt van de in artikel 22, derde lid, OSvo geboden
mogelijkheid om het nemen van voorlopige maatregelen mogelijk te maken in gevallen
waarin Nederland een verzoek tot overdracht van strafvervolging heeft ontvangen maar
de officier justitie nog geen beslissing heeft genomen om die overdracht al dan niet
te aanvaarden, terwijl voor Nederland pas na die overdracht rechtsmacht ontstaat overeenkomstig
artikel 3 van de verordening in combinatie met het aangevulde artikel 8b Sr. Hierop
is ook ingegaan in paragraaf 3.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Door te voorzien in de mogelijkheid om enkele voorlopige maatregelen te nemen kan
worden voorkomen dat een verdachte ontvlucht hangende de beslissing op het verzoek
tot overdracht. De huidige regeling van de overdracht van strafvervolging bevat met
artikel 5.3.14 een vergelijkbare bepaling, zij het dat deze beperkt is tot de vrijheidsbenemende
maatregelen. In het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt deze bepaling uitgebreid
met inbeslagneming.16 In de hier voorgestelde bepaling is daarbij aangesloten. Onderzoek in het lichaam
is, net als in het nieuwe Wetboek van Strafvordering, uitgesloten als steunbevoegdheid.
De reden daarvoor is de ingrijpendheid van deze bevoegdheid, in combinatie met het
feit dat het hier geen aanhouding in heterdaadsituaties betreft. In de gevallen waarin
Nederland zelf rechtsmacht heeft om het feit te vervolgen, kunnen ook zonder verzoek
of afzonderlijke rechtsgrondslag dwangmiddelen worden toegepast op grond van de nationale
wetgeving. Deze bepaling is dus uitsluitend van toepassing indien Nederland wordt
verzocht de strafvervolging over te nemen van een feit waarop de Nederlandse strafwet
in beginsel niet van toepassing is. Daarbij geldt dat de verdachte in deze situatie
recht heeft op de bijstand van een raadsman zoals voorzien in de artikelen 37 tot
en met 48 Sv.
Artikel 5.10.7 [rechtsmiddel]
Dit artikel bevat de noodzakelijke uitwerking van artikel 17 OSvo, dat verdachten
als bedoeld in artikel 6, tweede lid, OSvo en slachtoffers een recht op een doeltreffende
voorziening in rechte toekent tegen de overdracht van strafvervolging. Zoals beschreven
in paragraaf 3.4 van het algemeen deel van deze memorie schrijft de OSvo enkele voorwaarden
voor waaraan deze voorziening moet voldoen, maar worden de uitvoering en nadere invulling
verder overgelaten aan het nationale recht. Deze uitvoering en invulling zullen wel
plaats moeten vinden binnen de kaders van artikel 47 HGEU waarin het recht op een
doeltreffende voorziening in rechte is vastgelegd. Blijkens de verordening kan het
rechtsmiddel worden aangewend in de aangezochte staat tegen de beslissing tot aanvaarding
van het verzoek tot overdracht. In Nederland kan dus bezwaar worden gemaakt tegen
de beslissing van de officier van justitie om de strafvervolging over te nemen uit
een andere lidstaat.
Eerste lid
De verdachte bedoeld in artikel 6, tweede lid, OSvo en het slachtoffer kunnen op grond
van dit artikellid tegen de beslissing tot aanvaarding van de overdracht een bezwaarschrift
indienen bij de rechtbank. Daarmee wordt voldaan aan het vereiste in artikel 17, eerste
lid, OSvo dat het recht op een voorziening in rechte moet worden uitgeoefend bij een
«rechterlijke instantie». De rechtbank beslist in een raadkamerprocedure op het bezwaar.
Deze procedure is geregeld in artikel 21 tot en met 25 Sv. Behoudens artikel 23, zesde
lid, en artikel 23, vijfde lid, voor zover bepaald in het voorgestelde artikel 5.10.7,
vierde lid, zijn deze bepalingen van toepassing op de onderhavige raadkamerprocedure.
Op grond van artikel 23 worden de verdachte en andere procesdeelnemers gehoord of
althans opgeroepen (tweede lid), kunnen zij zich door een raadsman of advocaat doen
bijstaan (derde lid), wordt de bijstand van een tolk ingeroepen als zij de Nederlandse
taal niet of onvoldoende beheersen (vierde lid) en kunnen ze kennis nemen van de inhoud
van de stukken die op de zaak betrekking hebben (vijfde lid – met dien verstande dat
de kennisneming kan worden onthouden op de gronden genoemd in artikel 17, derde lid,
OSvo – zie daarover het vierde lid van dit artikel). Degene die het bezwaar heeft
ingesteld, heeft zonder meer te gelden als procesdeelnemer in die procedure, en voor
het overige kan de raadkamer zelf bepalen wie zij als procesdeelnemer aanmerkt.17 Daarbij kan in voorkomende gevallen worden gedacht aan het slachtoffer dat een kennisgeving
heeft ontvangen van de beslissing tot aanvaarding van de overdracht op grond van artikel
16, eerste lid, OSvo, maar dat zelf geen bezwaarschrift heeft ingediend. Indien zowel
het slachtoffer als de verdachte een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de beslissing
tot aanvaarding van de overdracht, ligt het in de rede dat deze bezwaarschriften gelijktijdig
worden behandeld door de raadkamer. De OSvo bevat geen voorschriften over rechtsbijstand
aan verdachten en slachtoffers. Daarvoor geldt dus het gebruikelijke wettelijke kader
(zie met name artikel 23, derde lid, Sv).
Denkbaar is dat de verdachte die of het slachtoffer dat zich wil verzetten tegen de
overdracht van strafvervolging niet in Nederland verblijft. In die context kan de
vraag opkomen of het mogelijk is om de betrokkene die in een andere lidstaat verblijft
te horen middels videoconferentie. Daarvoor bestaat voor de situatie als beschreven
in de OSvo in EU-instrumenten en in verdragen waarbij Nederland is aangesloten echter
op dit moment geen grondslag. Wel is het mogelijk voor de verdachte of andere procesdeelnemers
om zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen, mits deze verklaart daartoe
uitdrukkelijk te zijn gemachtigd en de raadkamer de betrokkene niet beveelt om in
persoon aanwezig te zijn bij de behandeling.18
Zoals beschreven in paragraaf 3.4 van het algemeen deel van deze memorie, wordt in
artikel 6, tweede lid, OSvo, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte
tegen de beslissing tot aanvaarding van de overdracht van strafvervolging beperkt
tot verdachten die – kort gezegd – door de bevoegde autoriteiten in kennis zijn gesteld
van het feit dat zij ervan worden verdacht een strafbaar feit te hebben begaan. Dit
zijn ook de verdachten die op grond van artikel 6, 10 en artikel 15 in kennis moeten
gesteld van relevante beslissingen en die over het voornemen een verzoek tot overdracht
van strafvordering te doen een standpunt kunnen innemen. Verdachten die niet op de
hoogte waren van de verdenking, hoeven niet te worden geïnformeerd en kunnen tegen
de beslissing tot aanvaarding geen rechtsmiddel instellen. Zij kunnen, indien zij
menen dat de strafvervolging beter in een andere lidstaat plaats zou kunnen vinden,
gebruikmaken van de mogelijkheid om een voorstel te doen tot overdracht op grond van
artikel 5, derde lid, OSvo.
Er zijn in de OSvo geen beperkingen gesteld aan welke slachtoffers een rechtsmiddel
kunnen instellen, maar de verplichting voor de aangezochte autoriteit om slachtoffers
te informeren over de beslissing tot aanvaarding van de overdracht en over de mogelijkheid
daartegen een rechtsmiddel in te stellen, is op grond van de verordening wel beperkt
tot slachtoffers die verblijven (of, indien het rechtspersonen betreft: gevestigd
zijn) in de verzoekende staat. Na betekening van die kennisgeving heeft het slachtoffer
twee weken om het bezwaarschrift in te dienen bij de rechtbank.
Uit het voorgaande volgt dat er slachtoffers kunnen zijn die wel een rechtsmiddel
kunnen instellen, maar die op grond van artikel 16 OSvo niet worden geïnformeerd over
de overdracht en over de mogelijkheid daartegen een rechtsmiddel in te dienen. Daarbij
gaat het om slachtoffers die in Nederland woonachtig zijn alsmede slachtoffers woonachtig
in derde staten, voor zover deze bekend zijn. In het verzoekformulier zal de verzoekende
autoriteit moeten opgeven welke slachtoffers bij de verzoekende autoriteit bekend
zijn, inclusief adresgegevens. Het formulier verplicht de verzoekende autoriteit er
niet toe aan te geven of deze slachtoffers hebben aangegeven dat zij geïnformeerd
willen worden over de strafzaak. Het ligt voor de hand dat de verzoekende lidstaat
alleen de namen van slachtoffers die informatie wensen te ontvangen, opneemt in het
formulier. Dat betekent dat ervan wordt uitgegaan dat alle in het formulier vermelde
slachtoffers moeten worden geïnformeerd over hun rechten als bedoeld in artikel 51ac
Sv, tenzij van een of meer van die personen op enige wijze duidelijk is dat het slachtoffer
niet geïnformeerd wil worden over de strafzaak – in welk geval die wens wordt gerespecteerd.
Daarbij wordt ook informatie over de overdracht van strafvervolging en de mogelijkheid
daartegen een rechtsmiddel in te stellen gevoegd. In dat geval is sprake van een kennisgeving
als bedoeld in artikel 16, eerste lid, OSvo, en gaat de termijn van twee weken lopen
na betekening daarvan. Vanzelfsprekend geldt dat als slachtoffers pas in beeld komen
nadat de zaak is overgedragen, zij niet op dat moment alsnog hoeven te worden geïnformeerd
over de overdracht die reeds heeft plaatsgevonden. Voor hen bestaat dan de mogelijkheid
een voorstel te doen tot overdracht op grond van artikel 5, derde lid, OSvo.
Op de hierboven beschreven wijze wordt gewaarborgd dat alle verdachten en slachtoffers
die recht hebben op het instellen van een rechtsmiddel, in beginsel ook over de overdracht
en dat recht worden geïnformeerd, ook waar deze verordening niet met zoveel woorden
tot kennisgeving verplicht. In artikel 17, tweede lid, is zoals gezegd de termijn
voor het kunnen instellen van een rechtsmiddel gekoppeld aan de «ontvangst» van de
beslissing tot aanvaarding. Door deze beslissing te betekenen aan zoveel mogelijk
verdachten en slachtoffers die een rechtsmiddel kunnen instellen, wordt gewaarborgd
dat deze termijn ook daadwerkelijk gaat lopen voor die personen en na twee weken verstrijkt.
De grondslag voor deze verplichting tot kennisgeving is artikel 51ac, eerste lid,
onderdeel d, Sv. De Regeling verstrekken zaaksinformatie aan slachtoffers zal worden
aangevuld om dit te verduidelijken.
Er zijn twee gevallen waarin die kennisgeving op grond van de OSvo niet verplicht
is. Zoals besproken in paragraaf 3.7 van het algemeen deel van deze memorie, gelden
de verplichtingen tot in kennis stellen ten eerste niet indien nakoming van die verplichtingen
het vertrouwelijke karakter van een onderzoek zou ondermijnen of het onderzoek anderszins
zou schaden (artikel 15, vijfde lid, onderdeel a en artikel 16, vierde lid, onderdeel
a, OSvo). Zodra de omstandigheden die aan kennisgeving in de weg staan zich niet langer
voordoen, ligt het in de rede dat de verdachte en het slachtoffer door de officier
van justitie in kennis worden gesteld van het feit dat Nederland de strafvervolging
heeft overgenomen. Dan vindt dus alsnog een kennisgeving plaats als bedoeld in artikel
15, eerste lid, dan wel artikel 16, eerste lid, OSvo, waarna de verdachte en het slachtoffer
twee weken de tijd hebben om een bezwaarschrift in te dienen. De periode ten opzichte
van de beslissing tot aanvaarding van de overdracht zal in deze gevallen langer zijn
dan wanneer de vertrouwelijkheid of het belang van het onderzoek niet in de weg had
gestaan aan kennisgeving, maar dit is niet bezwaarlijk, aangezien in deze gevallen
mag worden verwacht dat de kennisgeving altijd zal kunnen plaatsvinden voordat de
inhoudelijke behandeling van de zaak op het onderzoek ter terechtzitting aanvangt.
De reden dat alsnog een kennisgeving moet plaatsvinden is dat de keuze van de officier
van justitie om de betrokkenen niet direct te informeren, niet tot gevolg moet hebben
dat de verdachte en het slachtoffer verstoken blijven van de mogelijkheid om zich
te verzetten tegen de overdracht van strafvervolging. In het verlengde daarvan ligt
de wens om alle betrokkenen zo snel mogelijk te informeren over de beslissing tot
aanvaarding van de overdracht, opdat de bezwaartermijn voor hen gaat lopen en wordt
voorkomen dat deze beslissing nog lang na het nemen ervan ter discussie kan worden
gesteld.
Tot slot zijn er nog de verdachten en slachtoffers die – hoewel zij eerder wel in
beeld waren –, ondanks redelijke inspanningen van de betrokken autoriteit, niet kunnen
worden gelokaliseerd of bereikt (artikel 15, vijfde lid, onderdeel b, en artikel 16,
vierde lid, onderdeel b). Ook voor deze situatie bepaalt de OSvo dat de verplichting
tot kennisgeving in die gevallen niet van toepassing is.
Overdracht van strafvervolging is daardoor ook mogelijk in de omstandigheid dat een
of meer van de betrokkenen niet kan worden gelokaliseerd of bereikt. Als de betrokkene
onvindbaar is, is het niettemin niet wenselijk dat de deze persoon alsnog een rechtsmiddel
kan instellen op het moment waarop de kennisgeving hem daadwerkelijk bereikt. Dit
zou immers kunnen betekenen dat de overdracht van de strafvervolging nog geruime tijd
– mogelijk nog ten tijde van de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting of zelfs
nog nadat onherroepelijk uitspraak is gedaan – onzeker is. Ook is niet ondenkbaar
dat een betrokkene zich dan na een kennisgeving van het voornemen tot overdracht,
bewust onvindbaar maakt om zo te verhinderen dat de overdracht definitief wordt. Dit
zou niet alleen in strijd zijn met een van de hoofddoelen van de verordening, namelijk
om in een effectief instrument voor overdracht van strafvervolging te voorzien, maar
zou evenmin stroken met de gedachte die ten grondslag ligt aan de in artikel 17 OSvo
genoemde termijnen om binnen afzienbare periode tot een definitieve beslissing over
de overdracht te komen. Hier hebben de (andere) betrokkenen bij de strafzaak ook baat
bij. Indien de betekeningvoorschriften van artikel 36e Sv zijn toegepast, mag ervan
worden uitgegaan dat de verdachte of het slachtoffer de kennisgeving heeft ontvangen
en is daarmee de bezwaartermijn gaan lopen. Voor verdachten en slachtoffers die niet
kunnen worden bereikt, geldt dat de kennisgeving op basis van artikel 36e, tweede
lid, onderdeel b, Sv kan worden uitgereikt aan het openbaar ministerie zelf. Dit geldt
ook indien uitreiking in het buitenland niet heeft kunnen plaatsvinden (Kamerstukken
II 2024/25, 36 636, nr. 3, p. 195–196).
In artikel 15, tweede lid, en artikel 16, tweede lid, OSvo, is geregeld dat de aangezochte
autoriteit de verzoekende autoriteit kan vragen om de formulieren toe te zenden als
de verdachte of het slachtoffer zich in de verzoekende staat bevindt. In dat geval
is, aldus de OSvo, niet de aangezochte maar de verzoekende staat verplicht om de informatie
te verstrekken. Ook vermeldt het eerste lid van zowel artikel 15 als artikel 16 dat
de aangezochte autoriteit de hulp kan inroepen van de verzoekende autoriteit. Artikel
5 van de EU-rechtshulpovereenkomst (Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig
artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse
rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, (PbEG 2000, C 197/3)) bevat voorschriften over het grensoverschrijdend toezenden van gerechtelijke
stukken. Deze overeenkomst kan worden toegepast om invulling te geven aan de bovengenoemde
bepalingen uit de verordening. Als de buitenlandse autoriteit bericht dat de mededeling
is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon (artikel 36e, derde
lid, Sv), en is ook aan de vereisten van artikel 5.10.7, eerste lid, voldaan. Indien
de betrokkene in het buitenland niet kan worden bereikt, dan geldt ook voor deze situatie
dat de informatie op grond van 36e, tweede lid, onderdeel b, Sv kan worden uitgereikt
aan het openbaar ministerie zelf (vgl. Kamerstukken II 2024/25, 36 636, nr. 3, p. 195–196).
Tweede lid
Als bevoegde rechtbank om het bezwaar te behandelen wordt aangewezen de rechtbank
in het arrondissement waar de strafvervolging is overgenomen. Dat is ook de rechtbank
die op grond van de competentiebepaling bevoegd is om te oordelen over de strafzaak
ten gronde. In de bezwaarschriftprocedure kan worden geklaagd over het nalaten door
de officier van justitie om een van de verplichte dan wel facultatieve weigeringsgronden
van artikel 12 in te roepen. Zie hierover ook paragraaf 3.3 en 3.4 van het algemeen
deel van deze memorie van toelichting. De beslissing om de strafvervolging over te
nemen betekent nog niet dat de verdachte ook daadwerkelijk zal worden vervolgd en
berecht. Na de overdracht kan de officier immers overeenkomstig het nationale recht
beslissen over de strafzaak (artikel 22, eerste lid, OSvo) en dus ook besluiten de
strafvervolging stop te zetten (artikel 23 OSvo). De beslissing van de raadkamer vergt
dus geen beoordeling van de vervolgingsbeslissing, en evenmin een beoordeling van
de schuld van de verdachte. Er is daarom geen beletsel voor rechters die hebben deelgenomen
aan de raadkamerprocedure om deel te nemen aan de inhoudelijke behandeling van de
zaak.
Derde lid
Dit artikellid bepaalt in afwijking van artikel 22, eerste lid, Sv dat de behandeling
van het bezwaarschrift plaatsvindt in het openbaar. Er is geen goede reden voor beslotenheid
van deze raadkamerprocedure, waardoor het uitgangspunt van openbaarheid van artikel
121 Grondwet en artikel 47 HGEU heeft te gelden.
Vierde lid
Het vierde lid geeft uitvoering aan artikel 17, derde lid, OSvo, op grond waarvan
de aangezochte staat ervoor dient te zorgen dat verdachten en slachtoffers recht op
toegang hebben tot «alle stukken in verband met de overdracht van strafvervolging
die ten grondslag liggen aan de beslissing tot aanvaarding van een overdracht van
strafvervolging» en die «noodzakelijk zijn om hun recht op een voorziening in rechte
daadwerkelijk uit te oefenen». Dit recht wordt uitgeoefend krachtens de procedures
waarin het nationale recht van de aangezochte staat voorziet. Artikel 23, vijfde lid,
Sv, kent de procesdeelnemers een recht toe op kennisneming van de stukken die «op
de zaak betrekking hebben», waarmee aan de vereisten van de verordening wordt voldaan.
Het recht op kennisneming kan op grond van de verordening op drie gronden worden beperkt,
te weten «indien dit het vertrouwelijke karakter van een onderzoek zou ondermijnen,
het onderzoek anderszins zou schaden of de veiligheid van personen in gevaar zou brengen».
Deze weigeringsgronden in de OSvo zijn ruimer geformuleerd dan de weigeringsgrond
in artikel 23, zesde lid, Sv, op grond waarvan het leidend criterium is of het belang
van het onderzoek «ernstig wordt geschaad», waarmee primair wordt gedoeld op de bescherming
van de vertrouwelijkheid ten aanzien van de inzet van bepaalde dwangmiddelen.19 Die ruimere mogelijkheid de toegang tot stukken te weigeren kan worden verklaard
vanuit de aard van de procedure en de inhoud van de stukken die daarmee verband houden.
Een van de stukken die ten grondslag liggen aan de beslissing tot aanvaarding zal
in ieder geval zijn het ingevulde verzoekformulier in bijlage 1 bij de OSvo. Dit formulier
bevat een grote hoeveelheid gegevens, waaronder adresgegevens van de betrokken verdachte(n)
en eventuele slachtoffers. Toegang tot die stukken zou ertoe kunnen leiden dat gevoelige
gegevens worden verstrekt die de veiligheid van bijvoorbeeld verdachten of slachtoffers
in gevaar kunnen brengen. Daarnaast blijkt uit de criteria voor overdracht opgenomen
in artikel 5 OSvo dat een zaak ook kan worden overgedragen in verband met een lopende
strafvervolging in de aangezochte lidstaat van de verdachte wegens dezelfde of andere
feiten (onderdeel f) of tegen andere personen wegens dezelfde of verwante feiten (onderdeel
g). Het is denkbaar dat toegang tot stukken wordt onthouden in verband met de vertrouwelijkheid
van onderzoeken waarmee de over te dragen strafvervolging verband houdt. Het gaat
in de verordening dus om een van artikel 23, zesde lid, Sv afwijkend criterium. Daarom
wordt in het vierde lid van dit artikel verwezen naar artikel 17, derde lid, OSvo.
Ook regelt het vijfde lid dat artikel 23, zesde lid, Sv niet van toepassing is. Die
laatste bepaling geeft de mogelijkheid om het tweede tot en met vijfde lid van artikel
23 Sv buiten toepassing te laten voor zover het belang van het onderzoek door die
toepassing ernstig wordt geschaad. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de situatie waarin
het onwenselijk is dat de verdachte op de hoogte is van de aanwending van bepaalde
dwangmiddelen.20 Dat kan zowel kennisgeving van reeds toegepaste dwangmiddelen betreffen als het voornemen
daartoe.21 Deze beperking van de mogelijkheid van de procesdeelnemers om bij de behandeling
van het bezwaarschrift aanwezig te zijn en zich te laten bijstaan, is gezien de aard
van de onderhavige procedure niet noodzakelijk voor deze regeling.
Vijfde lid
In het vijfde lid worden de uitspraken beschreven die de rechtbank kan doen. Daarmee
wordt uitvoering gegeven aan artikel 17, derde lid, OSvo, gelezen in samenhang met
overweging 49. Daaruit blijkt dat de beslissing tot aanvaarding van het verzoek tot
overdracht van strafvervolging kan worden vernietigd of bevestigd, en dat aan de bevestiging
voorwaarden kunnen worden verbonden, zoals beschreven in paragraaf 3.4 van het algemeen
deel van deze memorie van toelichting.
ARTIKEL II
In artikel 2 tot en met 8c van het Wetboek van Strafrecht is geregeld in welke gevallen
Nederland rechtsmacht heeft om een strafbaar feit te vervolgen. Daarbij wordt onderscheid
gemaakt tussen originaire of primaire rechtsmacht, dat wil zeggen rechtsmacht op grond
van de artikelen 2 tot en met 8a Sr, en afgeleide of subsidiaire rechtsmacht, die
wordt ontleend aan de rechtsmacht van een andere staat. Artikel 8b beschrijft verschillende
gevallen van subsidiaire rechtsmacht, waaronder de situatie waarin de strafvervolging
door Nederland is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot
strafvervolging volgt (artikel 8b, eerste lid, Sr). Ook bij een Europese overdracht
van strafvervolging kan de aangezochte staat de bevoegdheid tot strafvervolging ontlenen
aan die van de verzoekende staat, in de in artikel 3 OSvo specifiek omschreven gevallen.
Ter uitvoering van artikel 3 OSvo wordt daarom aan artikel 8b een lid toegevoegd op
grond waarvan Nederland rechtsmacht kan uitoefenen in de in artikel 3 OSvo omschreven
gevallen. Het opnemen van wettelijke voorschriften ter uitvoering van deze bepaling
uit de verordening is toegestaan, zo blijkt uit overweging 17: de verordening mag
lidstaten niet beletten nationale maatregelen vast te stellen om ervoor te zorgen
dat zij daadwerkelijk rechtsmacht kunnen uitoefenen in de gevallen waarin de verordening
voorziet.
ARTIKEL III
De OSvo is per 1 februari 2027 rechtstreeks van toepassing op verzoeken tot overdracht
en overname van strafvervolging tussen de lidstaten van de Europese Unie. Per die
datum zal dus ook de hier voorgestelde uitvoeringswetgeving in werking moeten treden.
Voor het onverhoopte geval dat dit wetsvoorstel niet tijdig tot wet is verheven en
in het Staatsblad is gepubliceerd, is er zekerheidshalve in voorzien dat de wet in
werking treedt op de dag na uitgifte van het Staatsblad waarin zij is gepubliceerd.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
BIJLAGE: TRANSPONERINGSTABEL
Bepaling van verordening (EU) 2024/3011 van het Europees Parlement en de Raad van
27 november 2024 betreffende de overdracht van strafvervolging
Bepaling in Uitvoeringswet of bestaande regeling
Bijzonderheden
Toelichting
Artikel 1, eerste tot en met derde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 2, eerste en tweede lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 2, derde lid
Artikel I (Artikel 5.10.2)
Lidstaten wijzen een van de hier bedoelde autoriteiten aan als bevoegde verzoekende
autoriteit
De officier van justitie wordt aangewezen als verzoekende autoriteit
Artikel 2, vierde lid
Artikel I (Artikel 5.10.5)
Lidstaten wijzen een van de hier bedoelde autoriteiten aan als bevoegde aangezochte
autoriteit
De officier van justitie wordt aangewezen als verzoekende autoriteit
Artikel 2, vijfde en zesde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 3, eerste en tweede lid
Artikel II (Artikel 8b, vijfde lid, Sr)
Artikel 4
Artikel I (Artikel 5.10.3)
Lidstaten kunnen de strafvervolging opschorten of beëindigen, om overdracht van strafvervolging
mogelijk te maken
Artikel 5, eerste tot en met derde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 6, eerste tot en met vierde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 6, vijfde tot en met zevende lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 7, eerste tot en met vierde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 8, eerste tot en met negende lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 9, eerste en tweede lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 10, eerste tot en met derde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 10, vierde lid
Artikel I (Artikel 5.10.3, onderdeel a)
Artikel 11, eerste tot en met zevende lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 12, eerste tot en met vierde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 13, eerste tot en met derde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 14, eerste tot en met vierde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 15, eerste tot en met vijfde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 16, eerste lid
Aanvulling Regeling verstrekken zaaksinformatie aan slachtoffers
Artikel 16, tweede tot en met vierde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 17, eerste lid
Artikel I (Artikel 5.10.7)
Lidstaten wijzen een rechterlijke instantie aan die beslist op het rechtsmiddel; het
rechtsmiddel wordt uitgeoefend overeenkomstig het nationale recht van dit staat
De procedure is vormgegeven als een raadkamerprocedure
Artikel 17, tweede lid
Artikel I (Artikel 5.10.7, eerste lid; artikel 5.10.3, onderdeel c)
Lidstaten kunnen een termijn stellen van maximaal 15 dagen voor het instellen van
een rechtsmiddel; lidstaten kunnen voorzien in andere rechtsmiddelen dan in de Verordening
geregeld
Met een termijn van 14 dagen wordt aangesloten bij de bestaande regeling inzake overdracht
van strafvervolging
Artikel 17, derde lid
Artikel I (Artikel 5.10.7, vierde lid)
Lidstaten kunnen binnen de in het derde lid geformuleerde grenzen de toegang tot stukken
beperken
In de bepaling is een verwijzing opgenomen naar de gronden in artikel 17, derde lid,
OSvo
Artikel 18
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 19, eerste en tweede lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 20
Lidstaten kunnen een of meerdere centrale autoriteiten aanwijzen voor de verzending
en ontvangst van verzoeken om overdracht van strafvervolging alsmede andere officiële
correspondentie
Nederland maakt geen gebruik van deze mogelijkheid
Artikel 21, eerste en tweede lid
Artikel I (Artikel 5.10.4, eerste lid)
Artikel 21, derde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 21, vierde lid
Artikel I (Artikel 5.10.4, eerste lid)
Artikel 21, vijfde lid
Artikel I (Artikel 5.10.4, tweede lid)
Artikel 21, zesde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 22, eerste en tweede lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 22, derde en vierde lid
Artikel I (Artikel 5.10.6)
Lidstaten mogen het nemen van voorlopige maatregelen mogelijk maken in de aangezochte
staat na ontvangst verzoek maar voor aanvaarding van de overdracht
Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt
Artikel 22, vijfde tot en met achtste lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 23
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 24, eerste tot en met derde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 25, eerste en tweede lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 26, eerste tot en met vierde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 27, eerste tot en met vierde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 28, eerste tot en met zesde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Nederland zal de bedoelde statistieken verzenden vanaf 1 februari 2028
Artikel 29
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 30, eerste tot en met zesde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 31, eerste en tweede lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 32, eerste en tweede lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Lidstaten doen een aantal kennisgevingen aan de Europese Commissie, waaronder over
de door de lidstaten geaccepteerde talen voor verzoeken om overdracht
Nederland zal deze kennisgevingen doen voor 1 februari 2027
Artikel 32, tweede lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 33, eerste en tweede lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 33, derde lid
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Lidstaten stellen de Raad en Commissie in kennis van de overeenkomsten en regelingen
die zij voornemens zijn te blijven toepassen
Nederland zal deze kennisgeving doen voor 1 februari 2027
Artikel 34
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 35
Geen uitvoeringswetgeving nodig
Rechtstreekse werking volstaat
Artikel 36
Artikel III (inwerkingtreding)
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.