Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over twee rapporten over gezondheidszorg en klimaat (Kamerstuk 32793-866)
32 793 Preventief gezondheidsbeleid
32 813
Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
Nr. 883
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 20 maart 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over
de brief van 3 oktober 2025 over twee rapporten over gezondheidszorg en klimaat (Kamerstuk
32 793, nr. 866).
De vragen en opmerkingen zijn op 26 januari 2026 aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 20 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
7
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
7
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower-fractie
8
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
8
II.
Reactie van de Minister
9
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Staatssecretaris naar aanleiding van de twee recente rapporten over planetaire
gezondheid en klimaatadaptatie in de zorgsector. Deze leden benadrukken de urgentie
die uit beide rapporten blijkt. De effecten van klimaatverandering en het overschrijden
van planetaire grenzen raken de volksgezondheid nu al en zullen de druk op het zorgstelsel
de komende jaren verder vergroten. Deze leden achten het van belang dat deze inzichten
worden betrokken bij de verdere beleidsontwikkeling op dit terrein. De leden van de
D66-fractie hebben op dit moment geen verdere vragen aan de Staatssecretaris.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de twee rapporten
over gezondheidszorg en klimaat. Zij hebben geen verdere vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Te heet onder onze voeten
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van
het rapport «te heet onder onze voeten». Zij willen hun zorgen benadrukken over de
bevindingen uit het rapport die veronderstellen dat mensen met een lagere sociaaleconomische
status vaak als eerste en het zwaarste de gezondheidseffecten van veranderende planetaire
omstandigheden ervaren. Genoemde leden vinden dit een verontrustend feit en lezen
ook dat de ongelijke verdeling van de lasten van maatregelen leidt tot groeiende ontevredenheid.
Dezelfde leden lezen dat juist mensen met een hoog inkomen over het algemeen de planetaire
grenzen vaker overschrijden dan mensen met een laag inkomen, terwijl zij financieel
relatief het minst bijdragen aan beleid om de planetaire druk terug te dringen. Is
de Staatssecretaris voornemens beleid te implementeren die deze oneerlijke verdeling
aanpakt, waarbij lasten en kosten eerlijker worden verdeeld? Deelt zij de zorgen over
gezinnen met lagere inkomens die de meest negatieve gezondheidsgevolgen ervaren vanwege
verslechterende omstandigheden en zich het minst goed kunnen beschermen tegen deze
veranderingen? Welke concrete maatregelen gaat de Staatssecretaris nemen om juist
wel een handelingsperspectief te bieden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de wijken waar veel mensen met een
lager sociaaleconomische positie wonen vaak meer last hebben van hittestress dan andere
wijken. Genoemde leden lezen ook dat deze hittestress gedeeltelijk ontstaat door een
gebrek aan groenvoorzieningen, minder schaduwrijke plekken en een hogere bebouwingsdichtheid.
Is de Staatssecretaris van plan maatregelen te treffen die groenvoorzieningen in desbetreffende
wijken verbeteren om zo de negatieve gezondheidsrisico’s te verminderen? Op welke
termijn kan hier een aanpak voor worden verwacht? Heeft de Staatssecretaris een duidelijk
overzicht van welke wijken het grootste gebrek aan groenvoorzieningen hebben en dus
het meeste last hebben van hittestress?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen het verontrustende bericht dat de kwaliteit
van de bodem, het water en de lucht zo zijn aangetast dat zij niet meer uit zichzelf
kunnen herstellen. Deelt de Staatssecretaris de zorgen rondom deze ontwikkeling? Deze
leden lezen ook dat de directe gezondheidseffecten van biodiversiteitsverlies minder
goed zijn onderzocht. Wel wordt in het rapport gesteld dat het verlies van biodiversiteit
ongetwijfeld weerslag heeft op volksgezondheid. Is de Staatssecretaris bereid ook
hier een onderzoek naar te doen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen ook uit het rapport dat de verslechterende
planetaire omstandigheden de druk op de gezondheidseffecten én op de gebouwen waarin
zorg wordt verleend vergroten. Alleen investeren in de zorg is al niet meer voldoende
om alle tekortkomingen op te vangen. Hoe gaat de Staatssecretaris de kwetsbaarheid
van de gebouwen in de zorg aanpakken? Is hier al een plan van aanpak voor? Hoe zorgt
zij ervoor dat de zorg gereed is voor toenemende extreme omstandigheden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderkennen dat al het overkoepelende beleid
invloed heeft op de volksgezondheid en gezond samenleven. Voorbeelden hiervan zijn
gezond en duurzaam voedsel wat duurder is dan ongezonde alternatieven en medicijnonderzoek
waarbij de nadruk ligt op financiële opbrengsten. Is de Staatssecretaris bereid stappen
te zetten voor in health in all policies, zodat volksgezondheid een onderdeel wordt
van al het beleid? Is zij bereid samen te werken met andere bewindspersonen en ministeries
op dit onderwerp, zoals in het rapport wordt betoogd?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen dat de specifieke bijdrage van geneesmiddelenproductie
aan klimaatverandering onderbelicht blijft in het rapport. Juist binnen de medicijnensector
ontbreekt het aan systematisch inzicht in de CO2-uitstoot, het grondstoffengebruik, de milieuvervuiling in internationale productieketens
en de ophoping van geneesmiddelresten in water en bodem. Heeft de Staatssecretaris
een duidelijk beeld van in hoeverre de medicijnensector bijdraagt aan het veranderende
klimaat? Welke stappen gaat zij zetten om deze kennis te vergaren? Hoe wordt voorkomen
dat de regie over de verduurzaming van de medicijnensector blijft liggen bij actoren
die een economisch belang hebben bij het produceren van geneesmiddelen?
Is de zorg klaar voor het klimaat van vandaag
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het rapport «Is de zorg klaar voor het klimaat van vandaag?». Deze leden delen een
zorg over de bevindingen die stellen dat zorgaanbieders niet voldoende zijn voorbereid
op de gevolgen van het veranderende klimaat.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er nog nauwelijks kaders zijn die
zorgaanbieders houvast geven om te kunnen bepalen wat van hen nodig is. Zij lezen
dat er nog een gebrek aan expertise over dit onderwerp is binnen de zorg. Het rapport
concludeert dat zorgaanbieders onvoldoende bekend zijn met de middelen en maatregelen
die nodig zijn om zich voor te bereiden op klimaatrisico’s. Dit kennistekort leidt
tot onduidelijkheid over verantwoordelijkheden en een beperkt gevoel van urgentie.
Genoemde leden lezen in het rapport dat zorgaanbieders prikkels nodig hebben om zelf
alert te zijn op klimaatrisico’s. Wat gaat de overheid doen om die prikkels te bieden
en te motiveren tot maatregelen? Hoe gaat de Staatssecretaris de zorgaanbieders overtuigen
van de noodzaak van deze voorbereidingen?
Genoemde leden lezen dat veranderingen in de zorg kunnen moeilijk top down worden
afgedwongen door hoe de zorg is georganiseerd in Nederland. Welke mogelijkheden bestaan
er voor het kabinet om regels op te leggen aangaande de klimaatadaptatie van zorgaanbieders?
Welke opties overweegt de Staatssecretaris?
Genoemde leden lezen ook dat zorgaanbieders terughoudend zijn om investeringen te
doen die ze weerbaar maken tegen de risico’s van klimaatverandering, omdat die vaak
een lange terugverdientijd hebben of financieel onvoordelig zijn. Verder staat er
in het onderzoek dat het Ministerie van VWS met zorgverzekeraars kan zorgen voor duidelijke
kaders over de financiering van klimaat adaptieve maatregelen. Gaat dit gebeuren vanuit
de Staatssecretaris en haar ministerie? Op welke termijn? Is zij bereid financieel
bij te dragen aan deze investeringen om de volksgezondheid te waarborgen?
Het rapport stelt dat het goed zou zijn om samen te werken met experts en ervaringsdeskundigen
uit andere sectoren. Hierbij moeten technisch adviesbureaus, onderzoeksinstituten,
gemeenten, waterschappen en veiligheidsregio’s worden meegenomen. Hoe gaat de Staatssecretaris
deze samenwerking verwezenlijken? Welke rol gaat de Staatssecretaris samen met haar
ministerie hierin spelen?
Ook blijkt uit het rapport dat er een actievere kennisuitwisseling tussen de verschillende
zorgaanbieders nodig is. Welke stappen gaat de Staatssecretaris zetten om deze kennisuitwisseling
te stimuleren en te faciliteren? En hoe zorgt de Staatssecretaris ervoor dat zorgaanbieders
makkelijker kennis kunnen nemen van alle relevante informatiebronnen en inzichten
die er al zijn, bijvoorbeeld het kennisportaal klimaatadaptie? Hoe gaan we zorgaanbieders
aanmoedigen om zich aan te sluiten bij één of meerdere bestaande CoP’s?
Individuele zorgaanbieders zijn erg afhankelijk van andere partijen bij onverwachte
situaties. In het rapport wordt gesteld dat dit een reden is om de zorg meer te betrekken
bij de algemene klimaatadaptatiestrategievorming van overheden op verschillende niveaus.
Benadrukt de Staatssecretaris de noodzaak van het verkleinen van de afhankelijkheid
van externe partijen bij onverwachte klimaat gerelateerde situaties? Wordt dit advies
overgenomen en uitgewerkt?
Verder lezen de leden van de GroenLinks-PvdA fractie de aanbeveling om ministeries
samen te laten werken met de Nationale Adaptie Strategie en het Deltaprogramma om
zorgaanbieders te voorzien van heldere beleidskaders. Wat gaat uw ministerie doen
om deze samenwerking te verwezenlijken? De leden van de GroenLinks-PvdA fractie veronderstellen
een gebrek aan expertise en een gebrek aan duiding van complexe situaties die klimaat
gerelateerd zijn. Er wordt aangeraden om de overheid een expertisecentrum weerbaarheid
zorg te laten financieren en faciliteren. Het inschatten van klimaatrisico’s is nog
heel ingewikkeld in de zorg. Deelt de Staatssecretaris deze noodzaak? Is het kabinet
bezig met een verdiepend onderzoek naar de risico’s van klimaatverandering op de zorg?
Tijdens de COP30 in Belém heeft Nederland gewerkt rond klimaat en gezondheid. Wat
leert de Staatssecretaris van andere landen? Hebben andere landen beleidskeuzes gemaakt
op dit vlak die we in Nederland ook kunnen overwegen, zoals bijvoorbeeld het Vlaamse
beleid om een klimaatarts aan te stellen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie danken de Staatssecretaris voor toezending van de twee
rapporten. Zij constateren dat beide documenten sterk leunen op veronderstellingen
over «planetaire grenzen», brede systeemverandering en een noodzaak tot verdere integratie
van klimaatbeleid in het gehele zorg- en maatschappelijke domein. Vanuit het perspectief
van de leden van de PVV-fractie – waarin natuurlijke klimaatvariatie, zonnekracht,
geologische cycli en beperkte meetbare invloed van de mens centraal staan; waarin
CO2 wordt beschouwd als een essentieel gas voor leven; en waarin minimale temperatuurschommelingen
of zeeniveaubewegingen in de orde van centimeters niet automatisch reden zijn voor
stelselwijziging – hebben zij fundamentele vragen bij de uitgangspunten, proportionaliteit
en beleidsconclusies. Zij hebben daarom meerdere vragen aan de Staatssecretaris.
De Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) stelt dat zes van de negen «planetaire
grenzen» zijn overschreden en dat dit een directe bedreiging vormt voor volksgezondheid.
De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris aan te geven op basis van welke
empirisch verifieerbare drempelwaarden deze grenzen daadwerkelijk bestaan en op basis
van welke meetreeksen wordt vastgesteld dat Nederland zich in een «onveilige» zone
bevindt? Zij vragen tevens of het klopt dat dit model geen meetbare, door de natuur
geformuleerde grenzen betreft, maar menselijk-bedachte normatieve modellen. Ook vragen
de leden van de PVV-fractie welke concrete, reproduceerbare bewijzen de Staatssecretaris
hanteert om te stellen dat menselijke CO2-uitstoot een significante of doorslaggevende invloed heeft op temperatuurstijgingen,
los van correlatieve modellen? Erkent de Staatssecretaris dat klimaatsystemen op geologische
tijdschalen altijd natuurlijk zijn geschommeld, dat temperatuursveranderingen van
rond de 1 graad per eeuw historisch vaker zijn voorgekomen zonder menselijke invloed
en dat deze natuurlijke variatie veel groter is dan de minimale percentages waarover
nu wordt gedebatteerd? Daarnaast vragen zij de Staatssecretaris het feit te beoordelen
dat het RVS-rapport vrijwel geen aandacht schenkt aan de rol van zonneactiviteit,
oceaanoscillaties en andere natuurlijke variabelen die een dominante invloed op klimaat
en temperatuur hebben.
In Te heet onder onze voeten worden voorbeelden van hittestress, lokale regenval, allergieën en psychische klachten
gekoppeld aan «planetaire grensoverschrijding». De leden van de PVV-fractie vragen
de Staatssecretaris voor elk genoemd gezondheidsprobleem aan te geven welk deel empirisch
is toe te schrijven aan bewezen klimaateffecten, welk deel aan demografie (vergrijzing),
en welk deel aan sociaaleconomische omstandigheden? Ook vragen zij waarom in het RVS-rapport
geen enkele weging wordt gemaakt van mogelijke positieve gevolgen van een warmer klimaat
(minder wintersterfte, langere groeiseizoenen, lagere energiekosten, meer buitenactiviteit).
De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris te bevestigen dat het verwarren
van correlatie en causaliteit – bijvoorbeeld het direct koppelen van incidenten zoals
fikse regenbuien aan «klimaatverandering» – beleidsmatig onzorgvuldig is, zeker wanneer
deze incidenten zich ook in vroegere eeuwen herhaaldelijk voordeden?
Het rapport Is de zorg klaar voor het klimaat van vandaag? stelt dat zorgaanbieders pas maatregelen nemen na daadwerkelijk ervaren schade, en
dat vooraf investeren weinig vanzelfsprekend is. De leden van de PVV-fractie vragen
de Staatssecretaris of zij het met deze leden eens is dat dit een rationeel en proportioneel
handelingsperspectief is, gezien het ontbreken van harde voorspellingen en de hoge
kosten van preventieve verbouwingen. De onderzoekers constateren dat zorginstellingen
moeite hebben om «kans en impact» te bepalen en dat prikkels ontbreken voor grootschalige
klimaatadaptatie. De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris waarom zij
deze onzekerheden toch wil omzetten in normatieve verplichtingen, terwijl het wetenschappelijke
fundament discutabel is. Ook vragen zij de Staatssecretaris te bevestigen dat bestaande
zorgcontinuïteitsplannen reeds voorzien in voorbereiding op overstromingen, ICT-storingen,
hitte en stroomuitval – los van een klimaatkader – en dat uitbreiding van verplichtingen
mogelijk leidt tot bureaucratische lasten zonder bewezen gezondheidswinst.
De RVS pleit voor «fundamentele systeemverandering», «transities», en integratie van
planetaire gezondheid in alle beleidsdomeinen. De leden van de PVV-fractie vragen
de Staatssecretaris aan te geven welke financiële gevolgen dit heeft voor zorginstellingen,
burgers en bedrijven. Ook vragen zij de Staatssecretaris uit te sluiten dat de voorgestelde
koers leidt tot hogere zorgpremies, extra bouw- en renovatiekosten voor zorginstellingen
en hogere lasten voor lage inkomens (zoals de RVS zelf signaleert). Verder vragen
de leden van de PVV-fractie hoe de Staatssecretaris borgt dat rechtvaardigheid niet
wordt gebruikt als argument voor nóg meer herverdeling, regulering en lastenverzwaring
terwijl de onderliggende klimaatrisico’s niet onomstotelijk zijn aangetoond.
De Staatssecretaris stelt in de aanbiedingsbrief dat het planetaire-grenzen-model
wordt gebruikt als denkkader in beleid (NAS, Klimaatplan, NWA-onderzoekslijnen). De
leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris aan te geven wanneer de Kamer
expliciet heeft ingestemd met het gebruik van dit normatieve model als basis voor
nationale beleidsontwikkeling. Ook vragen zij welke alternatieve visies (zoals natuurlijke
klimaatcycli, adaptatie zonder ideologische mitigatie, technologische innovatie) door
de Staatssecretaris overwogen zijn, maar niet zijn meegenomen in de beleidsvorming.
Verder vragen zij of de Staatssecretaris bereid is de proportionaliteitstoets expliciet
toe te passen op alle voorgestelde maatregelen, en hierbij scenario’s te hanteren
waarin menselijke impact op klimaat minimaal is. De leden van de PVV-fractie vragen
de Staatssecretaris om een overzicht van alle beleidsonderdelen waarin de termen «planetaire
gezondheid», «planetaire grenzen», «rechtvaardigheidstransitie» of «systeemperspectief»
een functionele rol spelen, inclusief financiële consequenties. Tot slot vragen de
leden van de PVV-fractie de Staatssecretaris toe te zeggen dat toekomstige beleidsvoorstellen
waarin bovengenoemde modellen worden gebruikt, altijd worden voorzien van een wetenschappelijke
onzekerheidsanalyse, inclusief alternatieve hypothesen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de twee rapporten over gezondheidszorg
en klimaat. Zij zien uit naar een eventuele kabinetsreactie van een nieuw kabinet
en hebben op dit moment geen verdere vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
De leden van de FVD-fractie hebben de twee rapporten en de reactie van de Staatssecretaris
hierop met interesse gelezen. Zij vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen het
concept «planetaire gezondheid» en vooral hoe het, volgens haar, gesteld is met deze
«planetaire gezondheid». Is er volgens de Staatssecretaris bijvoorbeeld sprake van
een «klimaatcrisis»? En indien dat zo is, hoe kijkt zij dan aan tegen de meer dan
tweeduizend (!) wetenschappers die de «World Climate Declaration» hebben ondertekend
en daarmee te kennen geven dat er volgens hen helemaal geen sprake is van een «klimaatcrisis»?1 Of het boek «The Skeptical Environmentalist», waarin de Deense auteur Lomborg, een
voormalig lid van Greenpeace nota bene, op basis van grote hoeveelheid data concludeert
dat er meer reden voor optimisme dan voor pessimisme is met betrekking tot onze lucht-
en waterkwaliteit. Is, volgens de Staatssecretaris, ondanks dit alles, de «planetaire
gezondheid» de afgelopen decennia achteruit gegaan?
Mag een arts, deze vraag hebben we inmiddels al meerdere keren (schriftelijk) gesteld
maar we krijgen hier maar geen duidelijk «ja/nee» antwoord op van het kabinet, die
van mening is dat er geen verband is tussen klimaatverandering en gezondheidsproblemen
(en die artsen zijn er weten we), in de publieke ruimte, heel concreet bij de NPO
aan een talkshowtafel, deze mening onderbouwen en verkondigen? Of loopt deze arts
dan het risico (ja of nee?) hiervoor vervolgd te worden door de gezondheidsinspectie
omdat hij daarmee de artsencode van de KNMG (specifiek kernregel 14) immers overtreedt,
waarin is opgenomen dat er een verband zou zijn tussen klimaatverandering en gezondheidsproblemen?
Kan de Staatssecretaris deze, simpele, duidelijke en specifieke (juridische) vraag
met «ja» of «nee» beantwoorden? Zo nee, waarom lukt dit maar niet? Is de Staatssecretaris,
mocht ze niet in staat zijn deze vraag met «ja» of «nee» te beantwoorden, bereid hierover
juridisch advies in te winnen, al was het maar om artsen die zich in het publiek willen
uitspreken hierover duidelijkheid te verschaffen? Zo nee, waarom niet?
In dit verband gaf het kabinet, naar onze mening, tot slot ook geen duidelijk antwoord
op de schriftelijke vraag2 van genoemde leden of het kabinet hun mening deelt dat (individuele) gezondheidsadviezen
nooit mogen worden gebaseerd op overwegingen die te maken hebben met het klimaatbeleid.
Kan de Staatssecretaris deze vraag met «ja» of «nee» beantwoorden? Zo nee, waarom
niet? Indien zij deze vraag niet met «ja» kan beantwoorden, betekent dit dan wellicht,
concreet (ja of nee?), dat nu, of in de toekomst, bepaalde medische handelingen achterwege
kunnen worden gelaten omdat deze handelingen te veel CO2-uitstoot zouden veroorzaken, CO2-uitstoot die de «planetaire gezondheid» immers zou bedreigen en daarmee weer een
gevaar zou kunnen vormen voor de volksgezondheid?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower-fractie
De leden van de Groep-Markuszower hebben kennisgenomen van de twee rapporten over
gezondheidszorg en klimaat en hebben hierover geen aanvullende vragen en opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de twee rapporten over gezondheidszorg en klimaat. Deze leden hebben hierover de volgende vragen
aan de Staatssecretaris.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de voorliggende rapporten eerder een breed
ideologisch klimaatmanifest vormen dan een technische gezondheidskundige analyse.
Zij constateren dat deze rapporten niet alleen gaan over risico’s in de zorg, maar
dat zij een omvangrijke en sterk normatieve klimaatvisie introduceren, inclusief systeemverandering,
rechtvaardigheidsconcepten, planetaire grenzen, sociaaleconomische herverdeling en
brede maatschappelijke transities. Dit gaat fors verder dan het reguliere kader van
volksgezondheid en raakt aan politieke keuzes die thuishoren in een debat, niet in
adviezen of technische verkenningen.
De RVS positioneert in hun rapport «planetaire grenzen» als uitgangspunt voor beleid
en formuleert dat volksgezondheid alleen houdbaar is binnen dat kader. Dit betreft
een politiek en ideologisch geladen sturingsmodel. Onderkent de Staatssecretaris dat
dit raamwerk geen wettelijke status heeft? Acht de Staatssecretaris het wenselijk
dat de RVS eenzijdig één beleidsfilosofie tot norm verheft? Waarom is er geen pluraliteit
van wetenschappelijke en maatschappelijke perspectieven meegenomen, inclusief kritische
geluiden? Is de Staatssecretaris van mening dat de RVS hiermee buiten haar mandaat
treedt door één omvattende maatschappelijke ideologie als beleidskader te presenteren?
Genoemde leden constateren dat in het RVS-rapport wordt gepleit voor «fundamentele
veranderingen» in voedsel, energie, economie, mobiliteit, gebouwde omgeving en gezondheidszorg.
Heeft de Staatssecretaris inzicht in de financiële gevolgen van deze systeemveranderingen
voor zorgverleners en burgers? Waarom is er geen impactanalyse opgenomen voor zorginstellingen,
die al worstelen met personeelstekorten, regeldruk en financiering? En waarom is er
een doorgeslagen focus op klimaat, terwijl de zorg op dit moment kampt met groeiende
tekorten, doorgeslagen regeldruk en tekortkomende financiering? Is het volgens de
Staatssecretaris niet een idee om dit eerst op te lossen en daarna pas over te gaan
tot nieuwe onderwerpen zoals klimaat?
Verder zien genoemde leden dat de rapporten taken en verantwoordelijkheden leggen
bij de zorgsector die niet in wetgeving zijn verankerd. Welke wettelijke taak geeft
zorginstellingen de verantwoordelijkheid om klimaatrisico’s, planetaire grenzen of
klimaatimpact mee te nemen? Onderschrijft de Staatssecretaris dat de zorg primair
verantwoordelijk is voor zorgverlening en patiëntveiligheid, en niet voor bredere
klimaatagenda’s?
Ook wordt in het RVS-rapport klimaat aan sociaaleconomische herverdeling en ongelijkheidsvraagstukken
verbonden. Waarom worden deze bredere maatschappelijke discussies gekoppeld aan de
zorgsector? Is de Staatssecretaris het ermee eens dat zulke discussies thuishoren
in politieke besluitvorming, niet in beleidsadviezen aan zorgprofessionals?
Tot slot zijn genoemde leden bezorgd dat klimaatideologie andere kerndoelen verdringt.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat zorginstellingen niet verplicht worden om klimaatdoelen
boven zorgdoelen te stellen? Wat doet de Staatssecretaris om te voorkomen dat klimaatbeleid
zorgcapaciteit, gebouwinvesteringen en arbeidsmarktproblematiek verder onder druk
zet?
II. Reactie van de Minister
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van
het rapport «te heet onder onze voeten». Zij willen hun zorgen benadrukken over de
bevindingen uit het rapport die veronderstellen dat mensen met een lagere sociaaleconomische
status vaak als eerste en het zwaarste de gezondheidseffecten van veranderende planetaire
omstandigheden ervaren. Genoemde leden vinden dit een verontrustend feit en lezen
ook dat de ongelijke verdeling van de lasten van maatregelen leidt tot groeiende ontevredenheid.
Dezelfde leden lezen dat juist mensen met een hoog inkomen over het algemeen de planetaire
grenzen vaker overschrijden dan mensen met een laag inkomen, terwijl zij financieel
relatief het minst bijdragen aan beleid om de planetaire druk terug te dringen. Is
de Staatssecretaris voornemens beleid te implementeren die deze oneerlijke verdeling
aanpakt, waarbij lasten en kosten eerlijker worden verdeeld? Deelt zij de zorgen over
gezinnen met lagere inkomens die de meest negatieve gezondheidsgevolgen ervaren vanwege
verslechterende omstandigheden en zich het minst goed kunnen beschermen tegen deze
veranderingen? Welke concrete maatregelen gaat de Staatssecretaris nemen om juist
wel een handelingsperspectief te bieden?
Het kabinet zet in op klimaatbeleid waarbij lusten en lasten eerlijk worden verdeeld.
Rechtvaardigheid is daartoe opgenomen als één van de vier uitgangspunten in het Klimaatplan3. Het kabinet concretiseert dit uitgangspunt met analyses, het ontwikkelen van methoden
en toepassing daarvan. In juli 2025 is een studie verschenen over het toepassen van
rechtvaardigheidsprincipes in beleid (TNO, 2025)4. Het inschatten van de werking van verdelingsprincipes wordt toegepast bij beleidsontwikkeling.
Een recent voorbeeld is de analyse van TNO op de toepassing van rechtvaardigheidsprincipe
in de beleidspakketten en hoofdkeuzes voor klimaatbeleid die voorlagen in de afgelopen
kabinetsformatie. Deze quick scan bracht in kaart hoe de kosten en baten van Nederlands
klimaatbeleid worden verdeeld binnen de samenleving en in welke mate deze verdeling
aansluit bij de principes «de vervuiler betaalt», «de verduurzamer verdient», «bijdrage
en ondersteuning naar draagkracht» en «met behoud van een minimale ondergrens».5
Het kabinet deelt de zorgen over gezinnen met lagere inkomens die de meest negatieve
gezondheidsgevolgen ervaren vanwege verslechterende omstandigheden en zich het minst
goed kunnen beschermen tegen deze veranderingen. In dit licht is het bijvoorbeeld
van belang dat gemeenten bij de inrichting van de ruimtelijke ordening rekening houden
met hitte door bijvoorbeeld versteende wijken te vergroenen en in een lokaal hitteplan
vast te leggen hoe kwetsbare groepen tijdens extreme hitte worden bereikt en geholpen.
Het Programma Gezonde Leefomgeving heeft verschillende kennisproducten opgeleverd
om gemeenten hiermee te helpen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de wijken waar veel mensen met een
lager sociaaleconomische positie wonen vaak meer last hebben van hittestress dan andere
wijken. Genoemde leden lezen ook dat deze hittestress gedeeltelijk ontstaat door een
gebrek aan groenvoorzieningen, minder schaduwrijke plekken en een hogere bebouwingsdichtheid.
Is de Staatssecretaris van plan maatregelen te treffen die groenvoorzieningen in desbetreffende
wijken verbeteren om zo de negatieve gezondheidsrisico’s te verminderen? Op welke
termijn kan hier een aanpak voor worden verwacht? Heeft de Staatssecretaris een duidelijk
overzicht van welke wijken het grootste gebrek aan groenvoorzieningen hebben en dus
het meeste last hebben van hittestress?
Gemeenten en eigenaren van gronden en panden zijn de eerstverantwoordelijken als het
gaat om de groenopgave in en om bebouwd gebied. Het Rijk ondersteunt hierin vooral
door het beschikbaar stellen van kennis. Denk hierbij aan de Landelijke Maatlat voor
de groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving6, die een praktisch kader biedt met normen en richtlijnen voor het inrichten van nieuwe
woonwijken en stedelijke gebieden. En aan de Handreiking Groen in en om de stad7, die gemeenten een systematiek biedt om de groenopgave integraal en gelijkwaardig
op verschillende schaalniveaus mee te nemen in beleid en projecten voor verschillende
doelstellingen van groen, zoals het verminderen van hittestress. Daarnaast zijn er
diverse netwerken, waarbij de afname van hittestress als opgave wordt meegenomen.
Bijvoorbeeld het Platform Integrale Samenwerking Openbare Ruimte (Platform ISOR),
waarin beleid, kennis en uitvoering samenkomen om integraal werken in de openbare
ruimte te versnellen en professionaliseren. En bijvoorbeeld het platform KAN (klimaatadaptief
bouwen met de natuur) van de bouwsector. Beiden worden ondersteund door de Ministeries
van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Infrastructuur en Waterstaat en Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Daarnaast heeft het kabinet afgelopen zomer de Hitte aanpak 2025 gelanceerd8. Deze aanpak biedt onder andere een overzicht van de belangrijkste initiatieven van
het Rijk en maatschappelijke partners om de toepassing van groen te stimuleren. Ook
in de Ontwerpnota Ruimte, de integrale langetermijnvisie van het Rijk op de ruimtelijke
inrichting van Nederland, is hittestress genoemd als aandachtspunt9. In de Ontwerpnota Ruimte wordt daarom, onder andere, de keuze gemaakt om, bij het
plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving, systematisch rekening te houden
met de huidige en toekomstige effecten van klimaatverandering. De eerder genoemde
Landelijke Maatlat biedt hiervoor handvatten. Verder zal het kabinet ook aandacht
besteden aan het onderwerp hittebestendige steden en dorpen in de nieuwe Nationale
Klimaatadaptatie Strategie (NAS’26), die het in 2026 zal uitbrengen.
In het Coalitieakkoord van D66, VVD en CDA is afgesproken de Europese Natuurherstelverordening
uit te voeren. De inzet richt zich, binnen de beschikbare middelen, onder andere op
de vergroening van stedelijke gebieden. Met de inwerkingtreding van de Europese Natuurherstelverordening,
specifiek artikel 8 «Herstel van stedelijke ecosystemen», is er namelijk ook een wettelijke
verplichting om groen te behouden en toe te laten nemen in steden en dorpen. Het Ministerie
van LVVN is systeemverantwoordelijk voor de implementatie van de NHV; het Ministerie
van VRO is verantwoordelijk voor artikel 8. Het artikel vraagt lidstaten om op nationaal
niveau nettoverlies van stedelijke groene ruimte en boomkroonbedekking binnen stedelijke
ecosystemen te voorkomen. Daarbij wordt eind 2030 vergeleken met het moment van inwerkingtreding.
Via de Klimaateffectenatlas is informatie te vinden met betrekking tot hitte en groen,
en de ontwikkeling hiervan, ook op wijkniveau voor heel Nederland. Denk hierbij aan
de kaarten sociale kwetsbaarheid hitte, boomkroonbedekking en het stedelijk hitte
eiland effect.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen het verontrustende bericht dat de kwaliteit
van de bodem, het water en de lucht zo zijn aangetast dat zij niet meer uit zichzelf
kunnen herstellen. Deelt de Staatssecretaris de zorgen rondom deze ontwikkeling? Deze
leden lezen ook dat de directe gezondheidseffecten van biodiversiteitsverlies minder
goed zijn onderzocht. Wel wordt in het rapport gesteld dat het verlies van biodiversiteit
ongetwijfeld weerslag heeft op volksgezondheid. Is de Staatssecretaris bereid ook
hier een onderzoek naar te doen?
Hoewel sommige indicatoren voor de leefomgeving in Nederland de afgelopen jaren verbetering
laten zien, zoals de luchtkwaliteit10, is de kwaliteit van de leefomgeving nog niet overal op orde. Het Schone Lucht Akkoord
dient voor het kabinet als uitgangspunt. Tevens zet het kabinet in op het structureel
verbeteren van de waterkwaliteit. In 2023 heeft de Minister van VWS de verklaring
van WHO Europe getekend, teneinde inzet te plegen op het terugdringen van de triple
crisis van milieuvervuiling, klimaatverandering en biodiversiteitsverlies.11
In 2015 hebben de Convention on Biological Diversity (CBD), het UN Environment Programme
(UNEP) en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een gezamenlijk overzicht gepubliceerd
met de beschikbare kennis over de relatie tussen biodiversiteit en humane gezondheid12. Daarin is onder andere beschreven het belang van biodiversiteit voor luchtkwaliteit,
bestuiving van gewassen, ontwikkeling van geneesmiddelen, zuivering van zoet water
en regulatie van dierziekten en zoönosen. Mede op basis hiervan heeft de WHO een rapportage
geschreven voor de World Health Assembly van maart 2018 (nr. A71/11)13. Daarnaast heeft het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten
(IPBES) in 2025 een brede beoordeling gepubliceerd van de kennis over de relaties
tussen klimaatverandering, biodiversiteit, water, voedsel en gezondheid, ook bekend
als de Nexus Assessment14.
De inzichten over het wereldwijde belang van biodiversiteit voor de gezondheid zijn
echter niet één op één toe te passen op Nederland omdat de ecosystemen overal op de
wereld verschillend zijn. In het kader van het Programma Gezonde Leefomgeving heeft
het RIVM in opdracht van het Ministerie van VWS de beschikbare kennis over de relatie
tussen groen en gezondheid gebundeld en verdiept, onder meer in het rapport De maatschappelijke waarde van een gezonde en groene leefomgeving – een verkenning, waarin ook wordt gekeken naar de maatschappelijke baten van vergroening, biodiversiteit
en een beweegvriendelijke leefomgeving in de Nederlandse context15. Groen en biodiversiteit zijn niet exact hetzelfde, maar hebben wel een belangrijke
overlap. Het kabinet is van mening dat deze gebundelde kennis een voldoende robuuste
basis is waardoor het nader onderzoek niet nodig acht.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen ook uit het rapport dat de verslechterende
planetaire omstandigheden de druk op de gezondheidseffecten én op de gebouwen waarin
zorg wordt verleend vergroten. Alleen investeren in de zorg is al niet meer voldoende
om alle tekortkomingen op te vangen. Hoe gaat de Staatssecretaris de kwetsbaarheid
van de gebouwen in de zorg aanpakken? Is hier al een plan van aanpak voor? Hoe zorgt
zij ervoor dat de zorg gereed is voor toenemende extreme omstandigheden?
Zorgorganisaties zijn zelf verantwoordelijk voor bouw, onderhoud en beheer van gebouwen
waarin zij gezondheidszorg verlenen. In de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) die medio 2026 in werking zal treden zijn organisaties die als kritieke entiteiten
worden aangewezen verplicht om alle relevante risico’s te inventariseren om de continuïteit
te borgen. Dit geldt ook voor de kritieke entiteiten in de sector zorg die de Minister
van VWS zal aanwijzen (uiterlijk 17 juli 2026). Deze kritieke entiteiten hebben na
17 juli 2026 tien maanden de tijd om de risico’s te inventariseren waaronder de klimaatrisico’s.
Aangezien de sector zorg voor deze wet geen vitale sector was in Nederland is het
uitvoeren van dergelijke klimaatrisicoanalyses nieuw. Het kabinet is voornemens om
te onderzoeken hoe de toekomstige kritieke entiteiten kunnen worden ondersteund om
hun weerbaarheid tegen klimaatrampen proactief te vergroten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderkennen dat al het overkoepelende beleid
invloed heeft op de volksgezondheid en gezond samenleven. Voorbeelden hiervan zijn
gezond en duurzaam voedsel wat duurder is dan ongezonde alternatieven en medicijnonderzoek
waarbij de nadruk ligt op financiële opbrengsten. Is de Staatssecretaris bereid stappen
te zetten voor in health in all policies, zodat volksgezondheid een onderdeel wordt
van al het beleid? Is zij bereid samen te werken met andere bewindspersonen en ministeries
op dit onderwerp, zoals in het rapport wordt betoogd?
De Kamer heeft eind 2024 de eerste contouren van een rijksbrede beleidsagenda «Gezondheid
in alle beleidsdomeinen» ontvangen16. Hierin wordt onder andere de brede inzet op een aantal impactvolle beleidsthema’s
voor gezondheid en gezondheidsachterstanden beschreven, waaronder de gezonde leefomgeving.
Recent is de Kamer over de voortgang van de beleidsagenda geïnformeerd17. Tevens is in het ontwerpKlimaatplan 2025–2035 en in de bijbehorende impactanalyse
ten aanzien van de effecten op economie en brede welvaart18 aandacht voor de samenhang met andere (transitie)opgaven. Ook aan de adaptatiekant
krijgt de wisselwerking tussen klimaatverandering en gezondheid een plek, bijvoorbeeld
in de nieuwe Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS’26), waarin gezondheid expliciet
is ingebed in een domeinoverstijgende visie op hoe Nederland zich voorbereidt op klimaatverandering.
In het Coalitieakkoord is expliciet benoemd dat gezondheid niet begint in het ziekenhuis,
maar in het dagelijks leven: thuis, op school, op het werk en in de buurt. Een gezonde
leefomgeving en een stevige sociale basis helpen mensen om langer gezond te blijven
Het kabinet zet in op een verschuiving van zorg naar gezondheid. Daarbij kijkt het
ook naar oplossingen buiten de zorg, zoals het oplossen van schuldenproblematiek en
het werken aan een gezonde leefomgeving.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen dat de specifieke bijdrage van geneesmiddelenproductie
aan klimaatverandering onderbelicht blijft in het rapport. Juist binnen de medicijnensector
ontbreekt het aan systematisch inzicht in de CO2-uitstoot, het grondstoffengebruik, de milieuvervuiling in internationale productieketens
en de ophoping van geneesmiddelresten in water en bodem. Heeft de Staatssecretaris
een duidelijk beeld van in hoeverre de medicijnensector bijdraagt aan het veranderende
klimaat? Welke stappen gaat zij zetten om deze kennis te vergaren? Hoe wordt voorkomen
dat de regie over de verduurzaming van de medicijnensector blijft liggen bij actoren
die een economisch belang hebben bij het produceren van geneesmiddelen?
Chemische producten, waaronder geneesmiddelen, dragen voor ongeveer 40% bij aan de
klimaat- en milieuvoetafdruk van de zorg19. Voor geneesmiddelen zit dat vooral in de productieprocessen van zeer zuivere werkzame
stoffen, die Europees zijn voorgeschreven om de veiligheid van de patiënt te borgen.
Dat kost veel grondstoffen en energie. De productieprocessen vinden meestal buiten
Europa plaats. De ondoorzichtige internationale handelsketen zorgt ervoor dat gegevens
over de exacte klimaat-voetafdruk moeilijk te verkrijgen en te verifiëren zijn. Dit
is moeilijk te beïnvloeden. Het kabinet richt zich daarom met name op beïnvloedbare
schakels zoals het terugdringen van verspilling en terugdringen van de milieu-impact
van medicijnresten na gebruik. Dat vindt het kabinet belangrijker dan extra stappen
zetten om kennis te vergaren.
Het kabinet zet bijvoorbeeld in op gepast gebruik20,
21,
22,
23, Europese regelgeving24, onderzoek naar haalbare oplossingen25,
26,
27,
28 en draagt actief bij aan de Nationale Ketenaanpak Medicijnresten uit Water29. Verder werken het Ministerie van VWS en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
aan de implementatie van de Uitgebreide Producenten Verantwoordelijkheid voor de aanvullende
rioolwaterzuivering voor medicijnresten30. Tenslotte steunt het kabinet de wens van de Europese Commissie om meer geneesmiddelproductie
naar Europa terug te halen. Wat betreft het kabinet gaat een weerbare Europese productie
hand in hand met verduurzaming van de productie. Via deze inzet wordt verduurzaming
van de medicijnensector bevorderd, zonder dat de regie ligt bij actoren die een economisch
belang hebben bij het produceren van geneesmiddelen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het rapport «Is de zorg klaar voor het klimaat van vandaag?». Deze leden delen een
zorg over de bevindingen die stellen dat zorgaanbieders niet voldoende zijn voorbereid
op de gevolgen van het veranderende klimaat.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er nog nauwelijks kaders zijn die
zorgaanbieders houvast geven om te kunnen bepalen wat van hen nodig is. Zij lezen
dat er nog een gebrek aan expertise over dit onderwerp is binnen de zorg. Het rapport
concludeert dat zorgaanbieders onvoldoende bekend zijn met de middelen en maatregelen
die nodig zijn om zich voor te bereiden op klimaatrisico’s. Dit kennistekort leidt
tot onduidelijkheid over verantwoordelijkheden en een beperkt gevoel van urgentie.
Genoemde leden lezen in het rapport dat zorgaanbieders prikkels nodig hebben om zelf
alert te zijn op klimaatrisico’s. Wat gaat de overheid doen om die prikkels te bieden
en te motiveren tot maatregelen? Hoe gaat de Staatssecretaris de zorgaanbieders overtuigen
van de noodzaak van deze voorbereidingen?
In de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid31 zijn klimaat- en natuurrisico’s voor Nederland en vitale sectoren beschreven, waaronder
hitte, droogte, natuurbranden, overstromingen en risico’s voor infectieziekten. Op
basis daarvan kunnen zorgorganisaties zich voorbereiden op de dreigingen die op hen
af kunnen komen. Zij kunnen voor die voorbereiding gebruikmaken van het Kwaliteitskader
Crisisbeheersing en OTO (Opleiden, Trainen en Oefenen) die daarvoor in beheer is bij
het Landelijk netwerk acute zorg32, en van de samenwerking met de geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio
(GHOR/veiligheidsregio).
In de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) die medio 2026 in werking zal treden zijn organisaties die als kritieke entiteiten
worden aangewezen verplicht om alle relevante risico’s te inventariseren om de continuïteit
te borgen. Dit geldt ook voor de kritieke entiteiten in de sector zorg die de Minister
van VWS zal aanwijzen (uiterlijk 17 juli 2026). Deze kritieke entiteiten hebben na
17 juli 2026 tien maanden de tijd om de risico’s te inventariseren, waaronder de klimaatrisico’s.
Aangezien de sector zorg voor deze wet geen vitale sector was in Nederland is het
uitvoeren van dergelijke klimaatrisicoanalyses nieuw. Het kabinet is voornemens om
te onderzoeken hoe de toekomstige kritieke entiteiten kunnen worden ondersteund om
hun weerbaarheid tegen klimaatrampen proactief te vergroten.
Genoemde leden lezen dat veranderingen in de zorg kunnen moeilijk top down worden
afgedwongen door hoe de zorg is georganiseerd in Nederland. Welke mogelijkheden bestaan
er voor het kabinet om regels op te leggen aangaande de klimaatadaptatie van zorgaanbieders?
Welke opties overweegt de Staatssecretaris?
Het is van belang om klimaatadaptatie in den brede op te pakken. In de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) die medio 2026 in werking zal treden zijn organisaties die als kritieke entiteiten
worden aangewezen verplicht om alle relevante risico’s te inventariseren om de continuïteit
te borgen. Dit geldt ook voor de kritieke entiteiten in de sector zorg die de Minister
van VWS zal aanwijzen (uiterlijk 17 juli 2026). Deze kritieke entiteiten hebben na
17 juli 2026 tien maanden de tijd om de risico’s te inventariseren waaronder de klimaatrisico’s.
Aangezien de sector zorg voor deze wet geen vitale sector was in Nederland is het
uitvoeren van dergelijke klimaatrisicoanalyses nieuw. Het kabinet is voornemens om
te onderzoeken hoe de toekomstige kritieke entiteiten kunnen worden ondersteund om
hun weerbaarheid tegen klimaatrampen proactief te vergroten.
Genoemde leden lezen ook dat zorgaanbieders terughoudend zijn om investeringen te
doen die ze weerbaar maken tegen de risico’s van klimaatverandering, omdat die vaak
een lange terugverdientijd hebben of financieel onvoordelig zijn. Verder staat er
in het onderzoek dat het Ministerie van VWS met zorgverzekeraars kan zorgen voor duidelijke
kaders over de financiering van klimaat adaptieve maatregelen. Gaat dit gebeuren vanuit
de Staatssecretaris en haar ministerie? Op welke termijn? Is zij bereid financieel
bij te dragen aan deze investeringen om de volksgezondheid te waarborgen?
Het kabinet is er mee bekend dat investeringen om zorgaanbieders meer weerbaar te
maken tegen risico’s van klimaatverandering een lange terugverdientijd kunnen hebben.
Er is geen apart budget en er komen geen aparte kaders over financiering van klimaatadaptieve
maatregelen. Zorgaanbieders moeten daar, al dan niet in gezamenlijkheid met zorgverzekeraars,
vooral over in gesprek met de bancaire sector.
Het rapport stelt dat het goed zou zijn om samen te werken met experts en ervaringsdeskundigen
uit andere sectoren. Hierbij moeten technisch adviesbureaus, onderzoeksinstituten,
gemeenten, waterschappen en veiligheidsregio’s worden meegenomen. Hoe gaat de Staatssecretaris
deze samenwerking verwezenlijken? Welke rol gaat de Staatssecretaris samen met haar
ministerie hierin spelen?
Samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen uit andere sectoren is inderdaad
belangrijk. Het kabinet ziet echter geen rol voor zichzelf om die samenwerking te
verwezenlijken of te versterken.
Ook blijkt uit het rapport dat er een actievere kennisuitwisseling tussen de verschillende
zorgaanbieders nodig is. Welke stappen gaat de Staatssecretaris zetten om deze kennisuitwisseling
te stimuleren en te faciliteren? En hoe zorgt de Staatssecretaris ervoor dat zorgaanbieders
makkelijker kennis kunnen nemen van alle relevante informatiebronnen en inzichten
die er al zijn, bijvoorbeeld het kennisportaal klimaatadaptie? Hoe gaan we zorgaanbieders
aanmoedigen om zich aan te sluiten bij één of meerdere bestaande CoP’s?
Het kabinet onderneemt geen stappen om deze kennisuitwisseling tussen zorgaanbieders
te stimuleren en faciliteren.
Individuele zorgaanbieders zijn erg afhankelijk van andere partijen bij onverwachte
situaties. In het rapport wordt gesteld dat dit een reden is om de zorg meer te betrekken
bij de algemene klimaatadaptatiestrategievorming van overheden op verschillende niveaus.
Benadrukt de Staatssecretaris de noodzaak van het verkleinen van de afhankelijkheid
van externe partijen bij onverwachte klimaat gerelateerde situaties? Wordt dit advies
overgenomen en uitgewerkt?
In het Coalitieakkoord zijn geen afspraken gemaakt over klimaatadaptatie. Het kabinet
onderneemt daarom nu geen stappen om de zorg meer te betrekken bij de algemene klimaatadaptatie-strategievorming.
Verder lezen de leden van de GroenLinks-PvdA fractie de aanbeveling om ministeries
samen te laten werken met de Nationale Adaptie Strategie en het Deltaprogramma om
zorgaanbieders te voorzien van heldere beleidskaders. Wat gaat uw ministerie doen
om deze samenwerking te verwezenlijken? De leden van de GroenLinks-PvdA fractie veronderstellen
een gebrek aan expertise en een gebrek aan duiding van complexe situaties die klimaat
gerelateerd zijn. Er wordt aangeraden om de overheid een expertisecentrum weerbaarheid
zorg te laten financieren en faciliteren. Het inschatten van klimaatrisico’s is nog
heel ingewikkeld in de zorg. Deelt de Staatssecretaris deze noodzaak? Is het kabinet
bezig met een verdiepend onderzoek naar de risico’s van klimaatverandering op de zorg?
In de nieuwe Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS’26), die het kabinet in 2026
zal uitbrengen, en het eerder uitgebrachte Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie
(NUPKA’23)33 wordt beschreven wat de Rijksoverheid doet om Nederland beter voor te bereiden op
klimaatverandering. In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) werken gemeenten,
waterschappen, provincies en het Rijk samen aan maatregelen die ervoor moeten zorgen
dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Dat doen ze in
45 werkregio’s. Zorgorganisaties kunnen daar met hun voorbereiding op aansluiten.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in kaart gebracht welke klimaatrisico’s
er zijn voor Nederland. Het PBL keek naar klimaatrisico’s voor diverse sectoren, zoals
landbouw, cultureel erfgoed, natuur en gezondheid. De nieuwe NAS’26 gaat met de kennis
over deze verwachte klimaatrisico’s aan de slag. Ook in de Rijksbrede Risicoanalyse
Nationale Veiligheid34 zijn klimaat- en natuurrisico’s voor Nederland en vitale sectoren beschreven, waaronder
hitte, droogte, natuurbranden, overstromingen en risico’s voor infectieziekten. Op
basis daarvan kunnen zorgorganisaties zich voorbereiden op de dreigingen die op hen
af kunnen komen. Zij kunnen voor die voorbereiding gebruikmaken van het Kwaliteitskader
Crisisbeheersing en OTO (Opleiden, Trainen en Oefenen) die daarvoor in beheer is bij
het Landelijk netwerk acute zorg35 en van de samenwerking met de geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio
(GHOR/veiligheidsregio).
De zorgsector heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid. In de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) die medio 2026 in werking zal treden zijn organisaties die als kritieke entiteiten
worden aangewezen verplicht om alle relevante risico’s te inventariseren om de continuïteit
te borgen. Dit geldt ook voor de kritieke entiteiten in de sector zorg die de Minister
van VWS zal aanwijzen (uiterlijk 17 juli 2026). Deze kritieke entiteiten hebben na
17 juli 2026 tien maanden de tijd om de risico’s te inventariseren waaronder de klimaatrisico’s.
Aangezien de sector zorg voor deze wet geen vitale sector was in Nederland is het
uitvoeren van dergelijke klimaatrisicoanalyses nieuw. Het kabinet is voornemens om
te onderzoeken hoe de toekomstige kritieke entiteiten kunnen worden ondersteund om
hun weerbaarheid tegen klimaatrampen proactief te vergroten.
De Wetenschappelijke Klimaatraad (WKR) werkt momenteel samen met de Gezondheidsraad
aan een advies over risico’s van klimaatverandering voor de gezondheid36. Dit advies wordt dit jaar verwacht. Het kabinet zal zich daarna buigen over dat
advies en de implicaties ervan.
Tijdens de COP30 in Belém heeft Nederland gewerkt rond klimaat en gezondheid. Wat
leert de Staatssecretaris van andere landen? Hebben andere landen beleidskeuzes gemaakt
op dit vlak die we in Nederland ook kunnen overwegen, zoals bijvoorbeeld het Vlaamse
beleid om een klimaatarts aan te stellen?
Nederland integreert lessen uit andere landen om de volksgezondheid te beschermen
tegen klimaatverandering, waarbij de focus ligt op hitteplannen, vectorziekten en
watermanagement. Denk aan landen die al langer gevolgen aan klimaatverandering ervaren,
waardoor hun ervaringen met klimaatadaptatie zeer waardevol zijn voor de Nederlandse
aanpak van toenemende hitte, droogte en veranderende infectieziekten. Een voorbeeld
van internationale kennisuitwisseling is de Nederlandse campagne «weren, kleren, smeren»
ter preventie van huidschade door UV-straling, die vergelijkbare principes volgt als
de Australische campagne «Slip, Slop, Slap». Het kabinet is ook bekend met de Vlaamse
aanpak om klimaatarts aan te stellen, maar ziet daarvoor in Nederland geen meerwaarde.
Naast het risico op het creëren van een extra bestuurslaag, zijn er in Nederland verschillende
instellingen die zich bezig houden met en adviseren over de gezondheidsimpact van
klimaatverandering, waaronder het RIVM, de GGD’en en de Wetenschappelijke Klimaatraad.
De leden van de PVV-fractie danken de Staatssecretaris voor toezending van de twee
rapporten. Zij constateren dat beide documenten sterk leunen op veronderstellingen
over «planetaire grenzen», brede systeemverandering en een noodzaak tot verdere integratie
van klimaatbeleid in het gehele zorg- en maatschappelijke domein. Vanuit het perspectief
van de leden van de PVV-fractie – waarin natuurlijke klimaatvariatie, zonnekracht,
geologische cycli en beperkte meetbare invloed van de mens centraal staan; waarin
CO2 wordt beschouwd als een essentieel gas voor leven; en waarin minimale temperatuurschommelingen
of zeeniveaubewegingen in de orde van centimeters niet automatisch reden zijn voor
stelselwijziging – hebben zij fundamentele vragen bij de uitgangspunten, proportionaliteit
en beleidsconclusies. Zij hebben daarom meerdere vragen aan de Staatssecretaris.
De Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) stelt dat zes van de negen «planetaire
grenzen» zijn overschreden en dat dit een directe bedreiging vormt voor volksgezondheid.
De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris aan te geven op basis van welke
empirisch verifieerbare drempelwaarden deze grenzen daadwerkelijk bestaan en op basis
van welke meetreeksen wordt vastgesteld dat Nederland zich in een «onveilige» zone
bevindt? Zij vragen tevens of het klopt dat dit model geen meetbare, door de natuur
geformuleerde grenzen betreft, maar menselijk-bedachte normatieve modellen. Ook vragen
de leden van de PVV-fractie welke concrete, reproduceerbare bewijzen de Staatssecretaris
hanteert om te stellen dat menselijke CO2-uitstoot een significante of doorslaggevende invloed heeft op temperatuurstijgingen,
los van correlatieve modellen? Erkent de Staatssecretaris dat klimaatsystemen op geologische
tijdschalen altijd natuurlijk zijn geschommeld, dat temperatuursveranderingen van
rond de 1 graad per eeuw historisch vaker zijn voorgekomen zonder menselijke invloed
en dat deze natuurlijke variatie veel groter is dan de minimale percentages waarover
nu wordt gedebatteerd? Daarnaast vragen zij de Staatssecretaris het feit te beoordelen
dat het RVS-rapport vrijwel geen aandacht schenkt aan de rol van zonneactiviteit,
oceaanoscillaties en andere natuurlijke variabelen die een dominante invloed op klimaat
en temperatuur hebben.
Het model van planetaire grenzen is een internationaal breed geaccepteerd en wetenschappelijk
onderbouwd model, waaraan onder meer organisaties als het PBL, CBS, RIVM en de KNAW
bijdragen. Het betreft geen door de natuur vastgestelde grenzen, maar een door mensen
ontwikkeld model met drempelwaarden die aangeven waar het risico op onomkeerbare veranderingen
toeneemt, vergelijkbaar met gangbare drempelwaarden voor bijvoorbeeld koorts of hoge
bloeddruk. Daarmee biedt het model een wetenschappelijke basis ter ondersteuning van
politieke afwegingen en besluitvorming, zonder deze keuzes te vervangen. De RVS heeft
laten weten bereid te zijn om de Kamer nadere toelichting te geven over dit rapport,
bijvoorbeeld een technische briefing, rondetafelgesprek of gesprek met de commissie
VWS.
Het kabinet maakt daarnaast gebruik van de meest actuele wetenschappelijke inzichten
voor beleid om klimaatverandering tegen te gaan. De rapporten van het Intergovernmental
Panel on Climate Change (IPCC) zijn daarbij een belangrijke bron omdat ze de best
beschikbare stand van de wetenschap vertegenwoordigen. Op basis van de zesde, meest
recente, cyclus van assessmentrapporten concludeert het IPCC dat het vaststaat dat
menselijke activiteiten de opwarming van de aarde veroorzaken37. Bovendien stelt het IPCC in datzelfde rapport dat het afgelopen decennium warmer
was dan welke periode ook sinds het laatste interglaciaal, zo’n 125.000 jaar geleden
(IPCC AR6 WGI, Figuur 2.11). We treden nu buiten historische afwijkingen in de mondiale
temperatuur, en dat brengt risico’s met zich mee voor mensen en ecosystemen.
In Te heet onder onze voeten worden voorbeelden van hittestress, lokale regenval,
allergieën en psychische klachten gekoppeld aan «planetaire grensoverschrijding».
De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris voor elk genoemd gezondheidsprobleem
aan te geven welk deel empirisch is toe te schrijven aan bewezen klimaateffecten,
welk deel aan demografie (vergrijzing), en welk deel aan sociaaleconomische omstandigheden?
Ook vragen zij waarom in het RVS-rapport geen enkele weging wordt gemaakt van mogelijke
positieve gevolgen van een warmer klimaat (minder wintersterfte, langere groeiseizoenen,
lagere energiekosten, meer buitenactiviteit). De leden van de PVV-fractie vragen de
Staatssecretaris te bevestigen dat het verwarren van correlatie en causaliteit – bijvoorbeeld
het direct koppelen van incidenten zoals fikse regenbuien aan «klimaatverandering»
– beleidsmatig onzorgvuldig is, zeker wanneer deze incidenten zich ook in vroegere
eeuwen herhaaldelijk voordeden?
Het kabinet hecht eraan de rol en positie van de RVS helder te duiden. De RVS is een
onafhankelijk adviesorgaan dat tot taak heeft om, gevraagd en ongevraagd, strategische
beleidsvraagstukken te agenderen en te duiden, juist ook door nieuwe perspectieven
en samenhangende denkkaders aan te reiken. De RVS heeft laten weten bereid te zijn
om de Kamer nadere toelichting te geven over dit rapport, bijvoorbeeld een technische
briefing, rondetafelgesprek of gesprek met de commissie VWS.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in opdracht van het Rijk en in samenwerking
met onder andere het RIVM en Deltares in beeld gebracht wat de risico’s van klimaatverandering
zijn voor Nederland38. In de onderliggende rapporten van het RIVM en Deltares39 zijn meer details te vinden over onder andere de effecten op de gezondheid van hitte,
UV(ultraviolet)-straling, luchtkwaliteit, (pollen)allergieën, infectieziekten, mentale
gezondheid en waterveiligheid. Daarnaast heeft het RIVM de verhouding tussen mogelijke
hittesterfte en koudesterfte onderzocht in het kader van de KNMI’23-klimaatscenario40. Daarbij heeft het RIVM ook onderscheid gemaakt tussen effecten van klimaatverandering
en van bevolkingsgroei en vergrijzing. In de Themaverkenning leefomgeving en klimaat
heeft RIVM41 laten zien dat klimaat- en milieuveranderingen zowel positieve als negatieve gezondheidseffecten
met zich mee kunnen brengen.
Er is inderdaad een verschil tussen een causaliteit en correlatie. Op basis van de
wetenschappelijke kennis kan wel worden gesteld dat bepaalde (extreme) weersverschijnselen
door klimaatverandering vaker voorkomen. Het is mijns inziens daardoor wel correct
om te stellen dat een bepaald (extreem) individueel weersverschijnsel waarschijnlijker
is geworden door klimaatverandering.
Het rapport Is de zorg klaar voor het klimaat van vandaag? stelt dat zorgaanbieders
pas maatregelen nemen na daadwerkelijk ervaren schade, en dat vooraf investeren weinig
vanzelfsprekend is. De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris of zij
het met deze leden eens is dat dit een rationeel en proportioneel handelingsperspectief
is, gezien het ontbreken van harde voorspellingen en de hoge kosten van preventieve
verbouwingen. De onderzoekers constateren dat zorginstellingen moeite hebben om «kans
en impact» te bepalen en dat prikkels ontbreken voor grootschalige klimaatadaptatie.
De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris waarom zij deze onzekerheden
toch wil omzetten in normatieve verplichtingen, terwijl het wetenschappelijke fundament
discutabel is. Ook vragen zij de Staatssecretaris te bevestigen dat bestaande zorgcontinuïteitsplannen
reeds voorzien in voorbereiding op overstromingen, ICT-storingen, hitte en stroomuitval
– los van een klimaatkader – en dat uitbreiding van verplichtingen mogelijk leidt
tot bureaucratische lasten zonder bewezen gezondheidswinst.
Het kabinet is op dit moment niet voornemens normatieve verplichtingen op te leggen.
Wel dienen organisaties in de zorgsector die worden aangewezen als kritieke entiteiten
in hun risicoanalyses en weerbaarheidsplannen onder andere aandacht te besteden aan
klimaatadaptatie. De kritieke entiteiten dienen zelf te beoordelen of de risicobeoordeling
onder meer over de bestaande zorgcontinuïteits-plannen reeds voorzien of dat aanvullende
maatregelen nodig zijn om de continuïteit van zorg te borgen.
Het is van belang om klimaatadaptatie in den brede op te pakken. In de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) die medio 2026 in werking zal treden zijn organisaties die als kritieke entiteiten
worden aangewezen verplicht om alle relevante risico’s te inventariseren om de continuïteit
te borgen. Dit geldt ook voor de kritieke entiteiten in de sector zorg die de Minister
van VWS zal aanwijzen (uiterlijk 17 juli 2026). Deze kritieke entiteiten hebben na
17 juli 2026 tien maanden de tijd om de risico’s te inventariseren waaronder de klimaatrisico’s.
Aangezien de sector zorg voor deze wet geen vitale sector was in Nederland is het
uitvoeren van dergelijke klimaatrisicoanalyses nieuw. Het kabinet is voornemens om
te onderzoeken hoe de toekomstige kritieke entiteiten kunnen worden ondersteund om
hun weerbaarheid tegen klimaatrampen proactief te vergroten.
De RVS pleit voor «fundamentele systeemverandering», «transities», en integratie van
planetaire gezondheid in alle beleidsdomeinen. De leden van de PVV-fractie vragen
de Staatssecretaris aan te geven welke financiële gevolgen dit heeft voor zorginstellingen,
burgers en bedrijven. Ook vragen zij de Staatssecretaris uit te sluiten dat de voorgestelde
koers leidt tot hogere zorgpremies, extra bouw- en renovatiekosten voor zorginstellingen
en hogere lasten voor lage inkomens (zoals de RVS zelf signaleert). Verder vragen
de leden van de PVV-fractie hoe de Staatssecretaris borgt dat rechtvaardigheid niet
wordt gebruikt als argument voor nóg meer herverdeling, regulering en lastenverzwaring
terwijl de onderliggende klimaatrisico’s niet onomstotelijk zijn aangetoond.
Verschillende onderzoeken naar de kosten van niet handelen in klimaat- en energiebeleid
concluderen dat klimaatverandering zowel mondiaal als in Nederland reeds substantiële
kosten veroorzaakt die in de toekomst verder zullen stijgen42. Effectief mitigatie- en adaptatiebeleid kan deze kostenstijging verminderen en heeft
bijkomende voordelen voor onder andere de economie, gezondheid en energieonafhankelijkheid.
Het kabinet blijft zich daarom inzetten voor een daadkrachtige en rechtvaardige uitvoering
van de klimaat- en energietransitie. Het kabinet zet in op klimaatbeleid waarbij lusten
en lasten eerlijk worden verdeeld. Rechtvaardigheid is daartoe opgenomen als één van
de vier uitgangspunten van het Klimaatplan. Het kabinet concretiseert dit uitgangspunt
met analyses, het ontwikkelen van methoden en toepassing daarvan. In juli 2025 is
een studie verschenen over het toepassen van rechtvaardigheidsprincipes in beleid
(TNO, 2025)43. Het inschatten van de werking van verdelingsprincipes wordt toegepast bij beleidsontwikkeling.
Een recent voorbeeld is de analyse van TNO op de toepassing van rechtvaardigheidsprincipe
in de beleidspakketten en hoofdkeuzes voor klimaatbeleid die voorlagen in de afgelopen
kabinetsformatie. Deze quick scan bracht in kaart hoe de kosten en baten van Nederlands
klimaatbeleid worden verdeeld binnen de samenleving en in welke mate deze verdeling
aansluit bij de principes «de vervuiler betaalt», «de verduurzamer verdient», «bijdrage
en ondersteuning naar draagkracht» en «met behoud van een minimale ondergrens».44
De Staatssecretaris stelt in de aanbiedingsbrief dat het planetaire-grenzen-model
wordt gebruikt als denkkader in beleid (NAS, Klimaatplan, NWA-onderzoekslijnen). De
leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris aan te geven wanneer de Kamer
expliciet heeft ingestemd met het gebruik van dit normatieve model als basis voor
nationale beleidsontwikkeling. Ook vragen zij welke alternatieve visies (zoals natuurlijke
klimaatcycli, adaptatie zonder ideologische mitigatie, technologische innovatie) door
de Staatssecretaris overwogen zijn, maar niet zijn meegenomen in de beleidsvorming.
Verder vragen zij of de Staatssecretaris bereid is de proportionaliteitstoets expliciet
toe te passen op alle voorgestelde maatregelen, en hierbij scenario’s te hanteren
waarin menselijke impact op klimaat minimaal is. De leden van de PVV-fractie vragen
de Staatssecretaris om een overzicht van alle beleidsonderdelen waarin de termen «planetaire
gezondheid», «planetaire grenzen», «rechtvaardigheidstransitie» of «systeemperspectief»
een functionele rol spelen, inclusief financiële consequenties. Tot slot vragen de
leden van de PVV-fractie de Staatssecretaris toe te zeggen dat toekomstige beleidsvoorstellen
waarin bovengenoemde modellen worden gebruikt, altijd worden voorzien van een wetenschappelijke
onzekerheidsanalyse, inclusief alternatieve hypothesen.
Het model van planetaire grenzen is een internationaal breed geaccepteerd en wetenschappelijk
onderbouwd model, waaraan onder meer organisaties als het PBL, CBS, RIVM en de KNAW
bijdragen. Het betreft geen door de natuur vastgestelde grenzen, maar een door mensen
ontwikkeld model met drempelwaarden die aangeven waar het risico op onomkeerbare veranderingen
toeneemt, vergelijkbaar met gangbare drempelwaarden voor bijvoorbeeld koorts of hoge
bloeddruk. Daarmee biedt het model een wetenschappelijke basis ter ondersteuning van
politieke afwegingen en besluitvorming, zonder deze keuzes te vervangen.
Alle beleidsontwikkeling vindt plaats onder politieke verantwoordelijkheid van het
kabinet, met instemming van en controle door het parlement. Ontwikkeling van beleid
en wetgeving gebeurt aan de hand van het Beleidskompas en is onderhevig aan allerlei
vormen van toetsing, bijvoorbeeld ten aanzien van wetgeving, uitvoerbaarheid of regeldruk.
Het kabinet beschouwt dit als voldoende waarborgen voor het meewegen van verschillende
visies en hypothesen. Het kabinet is er mee bekend dat er verschillende opvattingen
bestaan rondom klimaatverandering en het te voeren beleid daaromtrent. De Kamer is
de plek om het debat daarover te voeren. Het kabinet maakt gebruik van de meest actuele
wetenschappelijke inzichten voor beleid om klimaatverandering tegen te gaan. De rapporten
van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zijn daarbij een belangrijke
bron omdat ze de best beschikbare stand van de wetenschap vertegenwoordigen.
Het kabinet beschikt niet over het gevraagde overzicht van alle beleidsonderdelen.
De termen waarin de vraag naar verwezen wordt zijn dwarsdoorsnijdende thema’s binnen
het klimaat- en energiebeleid. Voor een overzicht van de middelen die van de rijksoverheid
aan het klimaatbeleid worden besteed verwijst het kabinet naar de bijlage in de Klimaat-
en Energienota 202545.
De leden van de FVD-fractie hebben de twee rapporten en de reactie van de Staatssecretaris
hierop met interesse gelezen. Zij vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen het
concept «planetaire gezondheid» en vooral hoe het, volgens haar, gesteld is met deze
«planetaire gezondheid». Is er volgens de Staatssecretaris bijvoorbeeld sprake van
een «klimaatcrisis»? En indien dat zo is, hoe kijkt zij dan aan tegen de meer dan
tweeduizend (!) wetenschappers die de «World Climate Declaration» hebben ondertekend
en daarmee te kennen geven dat er volgens hen helemaal geen sprake is van een «klimaatcrisis»?46
Of het boek «The Skeptical Environmentalist», waarin de Deense auteur Lomborg, een
voormalig lid van Greenpeace nota bene, op basis van grote hoeveelheid data concludeert
dat er meer reden voor optimisme dan voor pessimisme is met betrekking tot onze lucht-
en waterkwaliteit. Is, volgens de Staatssecretaris, ondanks dit alles, de «planetaire
gezondheid» de afgelopen decennia achteruit gegaan?
Klimaatverandering is door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uitgeroepen tot de
grootste bedreiging voor de volksgezondheid van deze eeuw47. Nu al heeft het veranderende klimaat impact op de gezondheid en welzijn in Nederland:
hittedoden, verminderde arbeidsproductiviteit en meer mensen met luchtwegproblemen48. Het gaat daarnaast niet alleen om hittegolven en overstromingen; ook geleidelijke
veranderingen schaden de fysieke en mentale gezondheid. Meer en andere pollen, zoönosen
en nieuwe infectieziekten, slechtere waterkwaliteit en voedselonzekerheid zetten de
gezondheid onder druk. Kortom: klimaatverandering leidt nu al tot menselijk leed en
maatschappelijke kosten, en die gevolgen zullen alleen maar toenemen als we niets
doen. Klimaatbeleid draagt bij aan het voorkomen of beperken van die gevolgen49.
Door veel partijen is de afgelopen jaren gesteld dat het woord crisis onderhevig is
aan inflatie. Het kabinet heeft daar geen oordeel over. Het kabinet houdt rekening
met klimaatverandering en neemt daarom maatregelen om daarmee om te gaan. Het kabinet
is er mee bekend dat er verschillende opvattingen bestaan rondom klimaatverandering
en het te voeren beleid daaromtrent.
In de Themaverkenning leefomgeving en klimaat heeft RIVM50 laten zien dat klimaat- en milieuveranderingen zowel positieve als negatieve gezondheidseffecten
met zich mee kunnen brengen. Hoewel sommige indicatoren voor de leefomgeving in Nederland
de afgelopen jaren verbetering laten zien, zoals de luchtkwaliteit51, is de kwaliteit van de leefomgeving nog niet overal op orde. Het Schone Lucht Akkoord
dient voor het kabinet als uitgangspunt. Tevens zet het kabinet in op het structureel
verbeteren van de waterkwaliteit.
Mag een arts, deze vraag hebben we inmiddels al meerdere keren (schriftelijk) gesteld
maar we krijgen hier maar geen duidelijk «ja/nee» antwoord op van het kabinet, die
van mening is dat er geen verband is tussen klimaatverandering en gezondheidsproblemen
(en die artsen zijn er weten we), in de publieke ruimte, heel concreet bij de NPO
aan een talkshowtafel, deze mening onderbouwen en verkondigen?
De Minister van VWS heeft in het Verslag van een schriftelijk overleg van 4 juli 202552 en het Verslag van een schriftelijk overleg van 26 november 202553 het volgende geschreven. In de KNMG-Gedragscode (verder: gedragscode) voor artsen
is opgenomen dat artsen op basis van hun expertise en binnen de grenzen van hun kennen
en kunnen in vrijheid kunnen deelnemen aan het publieke en wetenschappelijke debat.
Dit is opgenomen in kernregel 8 van de gedragscode: «Als arts blijf je binnen de grenzen
van je eigen kennen en kunnen. Je onthoudt je van handelingen en uitingen die daarbuiten
liggen»54. Ook kan een arts, zoals in eerdere antwoorden op vragen van het lid Van Houwelingen
(FVD) van 3 april 2024 is aangegeven55, gemotiveerd van de gedragscode afwijken. Dit geeft de arts vrijheid in het publieke
en wetenschappelijke debat. Het kabinet onderschrijft dit.
Artsen kunnen op basis van hun expertise en binnen de grenzen van hun kennis en kunde
in vrijheid deelnemen aan het publieke en wetenschappelijke debat. Ook artsen hebben
recht op vrijheid van meningsuiting. Deze vrijheid vraagt een verantwoordelijke afweging
van de arts. De gedragscode biedt artsen een leidraad voor het professioneel handelen.
De daarin opgenomen regels zijn normerend en richtinggevend van aard.
De KNMG-Gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere
stakeholders56, zoals de Patiëntenfederatie Nederland. Ook heeft de KNMG gesproken met de Inspectie
Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in hun rol als toezichthouder. De KNMG is zich bewust
van de inhoud van de eigen gedragscode en daarover bestaat consensus binnen de beroepsgroep.
Of loopt deze arts dan het risico (ja of nee?) hiervoor vervolgd te worden door de
gezondheidsinspectie omdat hij daarmee de artsencode van de KNMG (specifiek kernregel
14) immers overtreedt, waarin is opgenomen dat er een verband zou zijn tussen klimaatverandering
en gezondheidsproblemen?
De IGJ heeft de Minister van VWS laten weten dat zij de gedragscode van de KNMG niet
oplegt, maar het handelen van zorgprofessionals toetst aan de richtlijnen en veldnormen
die de KNMG zelf heeft vastgesteld. Daaronder valt ook de hier bedoelde gedragscode.
Pas wanneer de IGJ risico’s ziet voor de kwaliteit of veiligheid van zorg, kan zij
passende interventies inzetten. Artsen kunnen op de website van de IGJ lezen hoe de
IGJ interventies inzet en welke maatregelen zij kan nemen57. Daarbij benadrukt het kabinet dat de IGJ een arts niet strafrechtelijk kan vervolgen
en ook niet zelfstandig een beroepsverbod kan opleggen. Vervolging vindt plaats in
het strafrecht door het OM en niet in het toezicht door de IGJ.
Kan de Staatssecretaris deze, simpele, duidelijke en specifieke (juridische) vraag
met «ja» of «nee» beantwoorden? Zo nee, waarom lukt dit maar niet? Is de Staatssecretaris,
mocht ze niet in staat zijn deze vraag met «ja» of «nee» te beantwoorden, bereid hierover
juridisch advies in te winnen, al was het maar om artsen die zich in het publiek willen
uitspreken hierover duidelijkheid te verschaffen? Zo nee, waarom niet?
De Minister van VWS heeft aangegeven dat het antwoord op deze vraag genuanceerd ligt
omdat de omstandigheden van het geval van belang zijn58. Daarmee doet een antwoord in de vorm van «ja of nee» geen recht aan de praktijk.
Het kabinet benadrukt dat op grond van de KNMG-Gedragscode voor artsen als kernregel geldt dat een arts zich bewust is van de relatie
tussen gezondheid, klimaat en milieu en zich inzet voor een duurzame zorgsector en
gezonde leefwereld. Van deze regel kan echter in een specifiek geval gemotiveerd afgeweken
worden. In de gedragscode zelf wordt artsen aangeraden om met een collega te overleggen
als ze zich niet aan een kernregel kunnen houden. Het is de verantwoordelijkheid van
de arts zelf om te beoordelen of er ruimte is om af te wijken van een kernregel van
de gedragscode. Op voorhand kan het kabinet niet aangeven in welke gevallen dat aan
de orde kan zijn omdat dit aan de arts zelf is. Een nadere juridische analyse zal
eveneens niet leiden tot een antwoord met ja of nee, omdat de omstandigheden van het
geval bepalend zijn.
In dit verband gaf het kabinet, naar onze mening, tot slot ook geen duidelijk antwoord
op de schriftelijke vraag59
van genoemde leden of het kabinet hun mening deelt dat (individuele) gezondheidsadviezen
nooit mogen worden gebaseerd op overwegingen die te maken hebben met het klimaatbeleid.
Kan de Staatssecretaris deze vraag met «ja» of «nee» beantwoorden? Zo nee, waarom
niet? Indien zij deze vraag niet met «ja» kan beantwoorden, betekent dit dan wellicht,
concreet (ja of nee?), dat nu, of in de toekomst, bepaalde medische handelingen achterwege
kunnen worden gelaten omdat deze handelingen te veel CO2-uitstoot zouden veroorzaken, CO2-uitstoot die de «planetaire gezondheid» immers zou bedreigen en daarmee weer een
gevaar zou kunnen vormen voor de volksgezondheid?
De gezondheidsadviezen waar het kabinet zich op baseert zijn gebaseerd op onafhankelijke,
wetenschappelijke informatie met betrekking tot gezondheid. In de medische wetenschap
wordt breed erkend dat gezondheid wordt beïnvloed door factoren in de leefomgeving,
zoals luchtkwaliteit, hitte, waterkwaliteit en infectierisico’s. Deze factoren kunnen
samenhangen met milieufactoren, waaronder klimaatverandering. Aandacht voor deze verbanden
betekent niet dat gezondheidsadviezen worden gebaseerd op klimaatbeleid, maar dat
zij worden onderbouwd vanuit gezondheidswetenschappelijke inzichten. En juist door
die samenhang, kan het voorkomen dat bij het formuleren van gezondheidsadviezen en
ook bij het formuleren van een passend zorgaanbod vanuit het basispakket de milieu-impact
van een behandeling meeweegt. In de individuele situatie geldt, dat het ten eerste
essentieel is dat de behandeling werkt. Als er een alternatieve behandeling bestaat
die even effectief is, dan zou het mogelijk kunnen zijn dat er in de toekomst wordt
gekozen voor een behandeling waarvan de milieu-impact kleiner is.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de twee rapporten over gezondheidszorg en klimaat. Deze leden hebben hierover de volgende vragen
aan de Staatssecretaris.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de voorliggende rapporten eerder een breed
ideologisch klimaatmanifest vormen dan een technische gezondheidskundige analyse.
Zij constateren dat deze rapporten niet alleen gaan over risico’s in de zorg, maar
dat zij een omvangrijke en sterk normatieve klimaatvisie introduceren, inclusief systeemverandering,
rechtvaardigheidsconcepten, planetaire grenzen, sociaaleconomische herverdeling en
brede maatschappelijke transities. Dit gaat fors verder dan het reguliere kader van
volksgezondheid en raakt aan politieke keuzes die thuishoren in een debat, niet in
adviezen of technische verkenningen.
De RVS positioneert in hun rapport «planetaire grenzen» als uitgangspunt voor beleid
en formuleert dat volksgezondheid alleen houdbaar is binnen dat kader. Dit betreft
een politiek en ideologisch geladen sturingsmodel. Onderkent de Staatssecretaris dat
dit raamwerk geen wettelijke status heeft? Acht de Staatssecretaris het wenselijk
dat de RVS eenzijdig één beleidsfilosofie tot norm verheft? Waarom is er geen pluraliteit
van wetenschappelijke en maatschappelijke perspectieven meegenomen, inclusief kritische
geluiden? Is de Staatssecretaris van mening dat de RVS hiermee buiten haar mandaat
treedt door één omvattende maatschappelijke ideologie als beleidskader te presenteren?
Het model van planetaire grenzen is een internationaal breed geaccepteerd en wetenschappelijk
onderbouwd model, waaraan onder meer organisaties als het PBL, CBS, RIVM en de KNAW
bijdragen. Het betreft geen door de natuur vastgestelde grenzen, maar een door mensen
ontwikkeld model met drempelwaarden die aangeven waar het risico op onomkeerbare veranderingen
toeneemt, vergelijkbaar met gangbare drempelwaarden voor bijvoorbeeld koorts of hoge
bloeddruk. Daarmee biedt het model een wetenschappelijke basis ter ondersteuning van
politieke afwegingen en besluitvorming, zonder deze keuzes te vervangen. De RVS heeft
laten weten bereid te zijn om de Kamer nadere toelichting te geven over dit rapport,
bijvoorbeeld een technische briefing, rondetafelgesprek of gesprek met de commissie
VWS.
Het kabinet hecht eraan de rol en positie van de RVS helder te duiden. De RVS is een
onafhankelijk adviesorgaan dat tot taak heeft om, gevraagd en ongevraagd, strategische
beleidsvraagstukken te agenderen en te duiden, juist ook door nieuwe perspectieven
en samenhangende denkkaders aan te reiken. Het hanteren van het model van planetaire
grenzen in het genoemde advies moet in dat licht worden gezien: als een analytisch
raamwerk waaruit de wisselwerking tussen leefomgeving, gezondheid en samenleving afgeleid
kan worden, niet als een juridisch of bindend beleidskader. Het is uiteindelijk aan
kabinet en parlement om politieke afwegingen te maken en keuzes te verankeren in beleid
en wetgeving.
Het is daarom legitiem dat de RVS in zijn adviezen een samenhangende visie presenteert,
juist ook wanneer deze richtinggevend van aard zijn. Dergelijk adviezen vormen altijd
één input in een bredere beleidsvorming, waarin ook andere wetenschappelijke inzichten,
maatschappelijke opvattingen en kritische geluiden worden betrokken. Het kabinet beschouwt
RVS-adviezen nadrukkelijk niet als blauwdruk, maar als uitnodiging tot debat en verdere
reflectie. Het kabinet is dan ook niet van mening dat de RVS hiermee buiten haar mandaat
treedt; het agenderen van fundamentele vraagstukken en het expliciteren van onderliggende
aannames behoort juist tot de kern van haar rol.
Het kabinet is er mee bekend dat er verschillende opvattingen bestaan rondom klimaatverandering
en het te voeren beleid daaromtrent. De Kamer is de plek om het debat daarover te
voeren.
Genoemde leden constateren dat in het RVS-rapport wordt gepleit voor «fundamentele
veranderingen» in voedsel, energie, economie, mobiliteit, gebouwde omgeving en gezondheidszorg.
Heeft de Staatssecretaris inzicht in de financiële gevolgen van deze systeemveranderingen
voor zorgverleners en burgers? Waarom is er geen impactanalyse opgenomen voor zorginstellingen,
die al worstelen met personeelstekorten, regeldruk en financiering? En waarom is er
een doorgeslagen focus op klimaat, terwijl de zorg op dit moment kampt met groeiende
tekorten, doorgeslagen regeldruk en tekortkomende financiering? Is het volgens de
Staatssecretaris niet een idee om dit eerst op te lossen en daarna pas over te gaan
tot nieuwe onderwerpen zoals klimaat?
Het kabinet hecht eraan de rol en positie van de RVS helder te duiden. De RVS is een
onafhankelijk adviesorgaan dat tot taak heeft om, gevraagd en ongevraagd, strategische
beleidsvraagstukken te agenderen en te duiden, juist ook door nieuwe perspectieven
en samenhangende denkkaders aan te reiken. De RVS kiest daarbij zijn eigen aanpak.
Het kabinet beschouwt RVS-adviezen nadrukkelijk niet als blauwdruk, maar als uitnodiging
tot debat en verdere reflectie.
Op basis van allerlei voorbeelden uit de praktijk heeft het kabinet er vertrouwen
in dat de gezondheidszorg kan werken aan het verminderen van de (onnodige) negatieve
impact, zonder afbreuk te doen aan kwaliteit of toegankelijkheid van zorg. Diezelfde
voorbeelden laten ook zien dat veel maatregelen die de negatieve impact verkleinen,
juist ook positief kunnen uitpakken voor andere uitdagingen in de zorg. Denk aan het
tegengaan van verspilling dat bijdraagt aan beschikbaarheid van medische producten,
of aan het schrappen van overbodige handelingen en werkzaamheden die het werkplezier
vergroten.
Verder zien genoemde leden dat de rapporten taken en verantwoordelijkheden leggen
bij de zorgsector die niet in wetgeving zijn verankerd. Welke wettelijke taak geeft
zorginstellingen de verantwoordelijkheid om klimaatrisico’s, planetaire grenzen of
klimaatimpact mee te nemen? Onderschrijft de Staatssecretaris dat de zorg primair
verantwoordelijk is voor zorgverlening en patiëntveiligheid, en niet voor bredere
klimaatagenda’s?
Er is geen wettelijke taak voor zorgaanbieders om klimaatrisico’s, planetaire grenzen
of klimaatimpact mee te nemen. Desondanks is de zorgsector zelf zeer gemotiveerd om
klimaatrisico’s en de klimaatimpact te verkleinen, juist vanwege de verantwoordelijkheid
voor zorgverlening en patiënt-veiligheid. Klimaatverandering en schade aan de leefomgeving
kunnen leiden tot méér en andersoortige zorgvragen. Bijvoorbeeld door toename van
het risico op hitte-gerelateerde klachten en het voorkomen van exotische infectieziekten
in ons land. Voor de continuïteit, kwaliteit en houdbaarheid van de zorgverlening,
voelt de zorgsector een verantwoordelijkheid de eigen (onnodige) klimaatimpact te
verminderen.
Ook wordt in het RVS-rapport klimaat aan sociaaleconomische herverdeling en ongelijkheidsvraagstukken
verbonden. Waarom worden deze bredere maatschappelijke discussies gekoppeld aan de
zorgsector? Is de Staatssecretaris het ermee eens dat zulke discussies thuishoren
in politieke besluitvorming, niet in beleidsadviezen aan zorgprofessionals?
Volgens de Wet op de Raad voor volksgezondheid en samenleving60 heeft de RVS als taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren
over het te voeren beleid op het gebied van volksgezondheid en samenleving waarbij
alle aspecten worden betrokken die van invloed zijn op de volksgezondheid en het functioneren
van burgers in de samenleving, met bijzondere aandacht voor de rol van de decentrale
overheden en veranderingen in het aanbod van zorg en welzijn. In dat kader wijst de
RVS erop dat planetaire omstandigheden samenhangen met sociaaleconomische verschillen
en gezondheidsuitkomsten en ook de druk op het zorgstelsel beïnvloeden. Het leggen
van deze verbanden is bedoeld om inzicht te geven in onderliggende oorzaken en langetermijnrisico’s
op het snijvlak van Zorg & Samenleving, niet om als Raad zelf politieke keuzes over
herverdeling te maken of voor te schrijven.
Adviezen van de RVS zijn niet primair gericht aan zorgprofessionals als kader voor
hun handelen, maar aan beleidsmakers en volksvertegenwoordigers, met als doel het
debat te verrijken en beleidsopties te verkennen. Het kabinet beschouwt deze adviezen
dan ook als input voor de politieke afweging, waarbij verschillende perspectieven
worden gewogen en de verantwoordelijkheid voor keuzes expliciet bij de politiek blijft
liggen. Dit geldt ook voor besluiten over sociaaleconomische herverdeling en ongelijkheidsbeleid.
Tot slot zijn genoemde leden bezorgd dat klimaatideologie andere kerndoelen verdringt.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat zorginstellingen niet verplicht worden om klimaatdoelen
boven zorgdoelen te stellen? Wat doet de Staatssecretaris om te voorkomen dat klimaatbeleid
zorgcapaciteit, gebouwinvesteringen en arbeidsmarktproblematiek verder onder druk
zet?
Er is geen verplichting voor zorginstellingen om klimaatdoelen boven zorgdoelen te
stellen. Op basis van allerlei voorbeelden uit de praktijk heeft het kabinet er vertrouwen
in dat de gezondheidszorg kan werken aan het verminderen van de (onnodige) negatieve
impact, zonder afbreuk te doen aan kwaliteit of toegankelijkheid van zorg. Diezelfde
voorbeelden laten ook zien dat veel maatregelen die de negatieve impact verkleinen,
juist ook positief kunnen uitpakken voor andere uitdagingen in de zorg. Denk aan het
tegengaan verspilling dat bijdraagt aan beschikbaarheid van medische producten, of
aan het schrappen van overbodige handelingen en werkzaamheden die het werkplezier
vergroten.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier