Nota van wijziging : Nota van wijziging
36 832 Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het opnemen van medisch hulpverlener acute zorg en klinisch fysicus in de lijst van registerberoepen
Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 18 maart 2026
Het wetsvoorstel wordt als volgt gewijzigd:
A
Het opschrift komt te luiden:
Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met
het opnemen van de medisch hulpverlener acute zorg en de klinisch fysicus in de lijst
van registerberoepen.
B
In artikel I worden na onderdeel B de volgende onderdelen ingevoegd, luidende:
BA
In artikel 4, vierde lid, wordt «en de artikelen 17, tweede lid, 34, vierde lid, en
36a, derde lid, tweede volzin,» vervangen door «en de artikelen 17, tweede lid, en
34, vierde lid,».
BB
In artikel 4a vervalt «en van een beroep als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, voor
zover daarvoor een tijdelijk register als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, is ingesteld,».
C
In artikel I, worden na onderdeel C, de volgende onderdelen ingevoegd, luidende:
CA
In artikel 11, eerste lid, vervalt onderdeel b, onder vernummering van onderdeel c
tot onderdeel b.
CB
In artikel 12, derde lid, wordt «tegen betaling van een vergoeding volgens een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen tarief» vervangen door «tegen betaling
van een vergoeding volgens een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast
te stellen tarief»
CC
Artikel 13a, eerste lid, komt te luiden:
1. Onverminderd hoofdstuk V van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement
en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in
verband met verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die
gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)
kan Onze Minister besluiten de bevoegde autoriteiten van andere staten dan de staten
bedoeld in artikel 31a, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties
onverwijld in kennis te stellen van een in Nederland door een rechterlijke instantie
of een andere bij of krachtens de wet bevoegde instantie aan een beroepsbeoefenaar
opgelegd verbod of een opgelegde beperking van een beroep dat op grond van artikel 3
of 34 is gereguleerd.
CD
In artikel 17, derde lid, wordt «de artikelen 4, tweede lid, 34, vierde lid, en 36a,
derde lid, tweede volzin,» vervangen door «de artikelen 4, tweede lid en 34, vierde
lid,.
D
In artikel I worden na onderdeel D, de volgende onderdelen ingevoegd, luidende:
DA
In artikel 34, vijfde lid, wordt «de artikelen 4, tweede lid, 17, tweede lid, en 36a,
derde lid, tweede volzin,» vervangen door «de artikelen 4, tweede lid, en 17, tweede
lid,.
DB
In artikel 35, eerste lid, onderdeel a, wordt «de artikelen 36, 36a, eerste lid, of
37, eerste lid,» vervangen door «de artikelen 36 of 37, eerste lid,».
E
In artikel I wordt na onderdeel E, een onderdeel ingevoegd luidende:
EA
De artikelen 36a en 36b vervallen.
F
In artikel I wordt na onderdeel F, een onderdeel ingevoegd, luidende:
FA
In de artikelen 55, eerste lid, 56, eerste lid en 57, tweede lid, vervalt telkens
«of krachtens artikel 36a, eerste lid,».
G
In artikel I wordt na onderdeel G, een onderdeel ingevoegd, luidende:
GA
In artikel 88 wordt «een op grond van artikel 3, 34 of 36a gereguleerd beroep,» vervangen
door «een op grond van artikel 3 of 34 gereguleerd beroep».
H
In artikel I wordt na onderdeel H een onderdeel ingevoegd, luidende:
I
In artikel 100, tweede lid, vervalt «– artikel 36a, derde lid, tweede volzin;».
Toelichting
Deze nota van wijziging bevat enkele aanpassingen van het wetsvoorstel, die ook al
zijn aangekondigd in de Verzamelbrief Wet BIG 2025 van 25 november 20251. Verder bevat de nota van wijziging een aantal juridisch-technische verbeteringen
van het wetsvoorstel en de wet.
In de Kamerbrief van 16 juni 20252 heb ik aangegeven uitvoering te willen geven aan het advies van de Gezondheidsraad3 om het experimenteerartikel op basis waarvan bepaalde categorieën beroepsbeoefenaren
bij wijze van experiment voorbehouden handelingen mogen verrichten, te laten vervallen.
Met de nota van wijziging wordt dit dan ook voorgesteld. Daarmee samenhangend, dient
ook artikel 36b op basis waarvan een tijdelijk register kan worden ingesteld voor
deze experimenteerberoepen, te vervallen. Hierdoor ontstaat, zoals ook in de Kamerbrief
uiteengezet, één duidelijke en transparante route naar wettelijke regulering in de
Wet BIG, volgens het uitgangspunt «nee, tenzij»: regulering van een beroep vindt uitsluitend
plaats als dit noodzakelijk is ter bescherming van patiënten tegen onzorgvuldig of
ondeskundig handelen. De voorgestelde aanpassingen door toevoeging van de onderdelen BA,
BB, CA, CC, CD, DA, DB, EA, FA, GA en I aan artikel I van het voorstel hangen alle
samen met het voorstel artikel 36a van de Wet BIG te laten vervallen.
In 2023 heeft de Minister van VWS de Gezondheidsraad gevraagd te adviseren over een
toekomstbestendig toetsingskader voor het opnemen van nieuwe beroepen en voorbehouden
handelingen in de Wet BIG4. Ook is gevraagd om een heldere en toegankelijke adviesprocedure voor de regulering
van voorbehouden handelingen en van beroepen. In juni 2025 bracht de Gezondheidsraad
zijn advies uit en direct daarna volgde de beleidsreactie hierop5.
In zijn advies concludeerde de Gezondheidsraad dat artikel 36a van de Wet BIG onvoldoende
aansluit bij de doelstelling van de wet. Artikel 36a van de Wet BIG maakt het mogelijk
om tijdelijk bevoegdheden bij wijze van experiment aan beroepsgroepen toe te kennen.
Het richt zich vooral op taakherschikking en arbeidsmarktvraagstukken, terwijl de
Wet BIG primair de patiëntveiligheid en de kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar
borgt.
Daardoor bestaan feitelijk twee routes voor opname van nieuwe beroepen in de Wet BIG:
één op basis van patiëntveiligheid en kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar
en één met als doel taakherschikking. Dit leidt tot onduidelijkheid en inconsistentie.
De Gezondheidsraad adviseert daarom artikel 36a van de Wet BIG te laten vervallen.
Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat het vervallen van artikel 36a de mogelijkheden
voor taakherschikking onverkort in stand laat. Binnen de bestaande wettelijke kaders,
zoals de opdrachtregeling en de mogelijkheid van functionele zelfstandigheid, blijft
ruimte bestaan om taken doelmatig te verdelen tussen beroepsbeoefenaars.
Voorts heeft de Gezondheidsraad in zijn bovengenoemde advies geadviseerd een onafhankelijke
instantie te belasten met de advisering over de regulering van beroepen en voorbehouden
handelingen. Deze instantie moet de door de Gezondheidsraad geschetste kaders voor
de regulering van beroepen en voorbehouden handelingen nader concretiseren. Zoals
in de Verzamelbrief Wet BIG 2025 is aangegeven, is een mogelijke rol voor het Zorginstituut
Nederland (verder: het Zorginstituut) verkend ten aanzien van deze structurele, adviserende
taak. Het Zorginstituut heeft zich bereid verklaard deze rol te vervullen. Het Zorginstituut
zal deze taak gaan uitvoeren op basis van het bestaande artikel 66f van de Zorgverzekeringswet.
Onderdeel A
Dit onderdeel brengt vanwege de leesbaarheid een redactionele verbetering aan in het
opschrift van het wetsvoorstel.
Onderdeel C
Ook de in dit onderdeel voorgestelde wijziging van artikel 12 van de Wet BIG houdt
verband met de aankondiging in de Kamerbrief van 25 november 2025. Het huidige artikel 12,
derde lid, van de Wet BIG biedt een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur
een tarief te bepalen ter vergoeding van kosten voor de verstrekking van schriftelijke
mededelingen. In onderdeel CB van artikel I van het wetsvoorstel wordt voorgesteld
artikel 12, derde lid, van de Wet BIG in die zin aan te passen dat het tarief ook
kan worden vastgesteld bij ministeriële regeling wanneer daartoe een delegatiegrondslag
is opgenomen in de algemene maatregel van bestuur.
Veel gegevens over de BIG-registratie van beroepsbeoefenaren zijn openbaar en eenvoudig
raadpleegbaar, zoals de naam, voorletters, het geslacht, het BIG-nummer en het betreffende
beroep en specialisme van de BIG-geregistreerde (artikel 3, derde lid, van de Wet
BIG). Ook zijn tuchtrechtelijke maatregelen, zoals een schorsing van de bevoegdheid
of doorhaling van de inschrijving, openbaar en raadpleegbaar voor eenieder (artikel 11
van de Wet BIG en artikel 5, derde lid, Registratiebesluit BIG). Deze raadpleging
is uiteraard kosteloos, evenals de informatie die beroepsbeoefenaren op grond van
het eerste lid van artikel 12 van de Wet BIG verzoeken over hun eigen registratie
in het register. Omdat ook die informatie voor hen zichtbaar is in het BIG-register,
verzoeken beroepsbeoefenaren het CIBG nauwelijks om deze mededelingen.
Artikel 12, derde lid, van de wet is onder meer relevant voor de afgifte van het zogenoemde
Certificate of Current Professional Status (CCPS). Dit CCPS kan nodig zijn om aan
de slag te kunnen in het buitenland. Het gaat hierbij om een Engelstalige verklaring
over de bevoegdheid en (voormalige) registratie van de beroepsbeoefenaar die het aanvraagt.
Het CCPS wordt als een (digitaal) gewaarmerkt document verstrekt dat de beroepsbeoefenaar
zelf kan toezenden aan de vragende instantie. Door deze wijziging wordt het mogelijk
voor de verstrekking van een CCPS bij ministeriële regeling een tarief te bepalen.
De mogelijkheid om tarieven ook in ministeriële regeling te bepalen is gewenst met
het oog op regelmatige bijstelling van de tarieven, zoals ook al in de Kamerbrief
van 25 november 2025 is uiteengezet. Op deze wijze wordt aangesloten bij het bestaande
artikel 5 van de Wet BIG, waarin is geregeld dat de tarieven voor registratie in het
BIG-register bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden vastgesteld.
In de voorgestelde wijziging van artikel 13a is, naast het vervallen van artikel 36a
zoals hiervoor toegelicht, de verwijzing naar de Wet bescherming persoonsgegevens
vervangen door een verwijzing naar algemene verordening gegevensbescherming. Abusievelijk
is dit bij een eerdere wijziging van dat artikel niet meegenomen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.