Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Invoeringstoets Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen (Tijdelijke wet) (Kamerstuk 36263-46)
2026D11958 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft onderstaande fractie de behoefte
vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
over de brief inzake de Invoeringstoets Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar
landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen
(Kamerstuk 32 263, nr. 46).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Van Eijk
Adjunct-griffier van de commissie,
Van der Haas
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
II
Antwoord / reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie lezen dat gezien de beperkte mate waarin de Tijdelijke
wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets
en overige specifieke voorzieningen (hierna: Tijdelijke wet) invulling heeft gekregen,
er geen compleet beeld is van wat de Tijdelijke wet in de praktijk betekent voor de
nationale veiligheid. Evenmin is er een compleet beeld wat de consequenties voor de
uitvoering van de Tijdelijke wet in de praktijk zijn. Er kan om die reden nu geen
sluitend antwoord worden gegeven op de vraag of het beoogde doel van de Tijdelijke
wet in voldoende mate is behaald. Wat is er voor nodig om dit antwoord wel te kunnen
geven, zo vragen deze leden. Welke aanvullend onderzoek wordt er nog gedaan?
Desondanks concludeert de Minister dat er een positieve verwachting is voor de toepassing
van de Tijdelijke wet en het antwoord dat deze wet biedt op de toenemende dreiging
vanuit statelijke actoren met een offensief cyberprogramma tegen Nederland. Waar is
deze verwachting op gebaseerd, zo vragen de leden van de D66-fractie. Deze leden vinden
deze conclusie niet terug in de bevindingen van de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden
(TIB) en de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD).
Deze geven juist aan geen volledig beeld te kunnen geven van de opbrengsten van de
Tijdelijke wet. Op basis van welke informatie trekt de Minister de conclusie over
de positieve verwachting van de potentie van de Tijdelijke wet? Is deze conclusie
ook voorgelegd aan de TIB en de CTIVD en zo ja, wat was hun reactie hierop?
De leden van de D66-fractie lezen dat het vernietigen van niet relevante gegevens
zal gaan gebeuren tijdens de verdere verwerking van de opbrengst van bulkinterceptie.
Deze leden wijzen hier op de op aanbeveling van de CTIVD om in de herziening van de
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) op dit punt meer duidelijkheid
te creëren. Wat betekent «de verdere verwerking», zo vragen deze leden. Welke eindtermijnen
worden hier aan gekoppeld en op welke wijze wordt het toezicht hierop ingeregeld?
De leden van de D66-fractie lezen dat een aantal knelpunten is geïdentificeerd, dat
wordt betrokken bij de herziening van de wet. Welke concrete verbetervoorstellen doet
de Minister voor de herziening van de wet op basis van de invoeringstoets, zo vragen
deze leden. Zij vragen om daarbij expliciet in te gaan op de twee bevindingen van
de CTIVD ten aanzien van de gegevensverstrekking aan buitenlandse diensten. Die schrijft
onder andere «Nationale toezichthouders kunnen vanwege hun nationale toezichtmandaat
niet onderzoeken wat er in andere landen met verstrekte gegevens gebeurt of hoe door
buitenlandse diensten bevoegdheden worden ingezet en gegevens worden verzameld. Toezichthouders
mogen hierover niet met elkaar communiceren. Hierdoor bestaat een (internationaal)
toezichtgat dat bij de formulering van de nieuwe wet aandacht behoeft.» Deze leden
vragen of de Minister de conclusie dat hiermee een gat in het toezicht bestaat erkent.
Zij ondersteunen de wens om vaker met onze internationale partners samen te werken
op het gebied van inlichtingen en veiligheid. In het coalitieakkoord zijn hier ook
goede afspraken over gemaakt. Dit kan echter niet betekenen dat gegevens van Nederlandse
burgers, verzameld door Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, door andere
landen gemonitord kunnen worden, zonder dat daar enige vorm van toezicht op plaatsvindt.
Op welke manier gaat de Minister dit punt adresseren bij het verder verstevigen van
de Europese inlichtingensamenwerking zoals voorgenomen in het coalitieakkoord? Welke
mogelijkheden ziet de Minister om dit vorm te geven?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Invoeringstoets
bij de Tijdelijke wet (hierna: de invoeringstoets). Deze leden benadrukken het belang
van snelle en wendbare diensten met hoogtechnologische capaciteiten ter bescherming
van onze nationale veiligheid. Zij zijn verheugd om te lezen dat het kunnen bijschrijven
van kenmerken in een lopende operatie zonder dat een nieuw toestemmingsverzoek moest
worden ingediend heeft gezorgd voor het vergroten van de operationele slagkracht.
En dat de mogelijkheid om gebruik te kunnen maken van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak) heeft geleid tot een
positief effect. Zij hebben nog enkele vragen over de invoeringstoets.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de CTIVD in haar brief van 5 december 2025 wijst
op het belang van het realiseren van belangrijke randvoorwaardelijke zaken bij de
toezichthouder, zoals budget, huisvesting, ICT en personele capaciteit. Deze leden
vragen de Minister of aan deze randvoorwaarden nu zijn voldaan.
De leden van de VVD-fractie achten het, gezien de toenemende onrust in de wereld,
van belang dat de diensten zo snel mogelijk in staat zijn om te starten met het uitvoeren
van de bevoegdheid van het doen van geautomatiseerde data-analyse op metadata uit
onderzoeksopdrachtgerichte interceptie. Deze leden vinden het zorgelijk dat dit nog
niet geregeld is en vragen voorts of de Minister inzicht kan geven op welke manier
hij zich inzet om het inzetten van deze bevoegdheid snel mogelijk te maken.
De leden van de VVD-fractie lezen in de brief van de CTIVD met betrekking tot de invoeringstoets
van 5 december 2025 dat de CTIVD van mening is dat bij de mogelijkheid om gegevens
die zijn verkregen in de verkennende fase van onderzoeksopdrachtgerichte interceptie
te delen met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten een bindend oordeel
van de CTIVD gekoppeld zou moeten zijn, omdat dit volgens de CTIVD anders niet in
lijn zou zijn met andere bevoegdheden in de Tijdelijke wet. Welke risico’s voorziet
de Minister bij zo’n bindend oordeel? Ook deze lezen in dezelfde brief dat de CTIVD
mogelijkheden ter verbreding van informatie-uitwisseling en toezichtsamenwerking tussen
toezichthouders uit andere landen en de CTIVD aanbeveelt. Kan de Minister ook op deze
aanbeveling van de CTIVD in gaan?
De leden van de VVD-fractie vragen verder aan de Minister in hoeverre het inplannen
van het eerstvolgende commissiedebat IVD-aangelegenheden volgens de Minister spoed
heeft nu de Minister schrijft dat de maatregel die hij wil nemen ten aanzien van het
werken met twee aparte verwervingssystemenregimes voor de toepassing van bulkinterceptie
niet eerder zal worden uitvoeren dan het eerstvolgende commissiedebat IVD-aangelegenheden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
de invoeringstoets, de brief van de Minister daarover, de bevindingen van de CTIVD
en de TIB alsmede van de antwoorden van de Minister op schriftelijke vragen van leden
van de Eerste Kamer. Deze leden delen de mening van de Minister dat de invoeringstoets
een belangrijk evaluatie-instrument is dat wordt ingezet om snel vast te stellen of
er problemen ontstaan voor mensen en/of uitvoerende organisaties na inwerkingtreding
van in dit geval de Tijdelijke wet. Helaas moeten zij concluderen dat de nu voorliggende
uitvoeringstoets geen volwaardige toets betreft, omdat belangrijke onderdelen van
de Tijdelijke wet in de praktijk niet of nauwelijks gebruikt zijn. De ervaringen met
de Tijdelijke wet kunnen daarom naar de mening van deze leden niet doorslaggevend
zijn als het gaat om het voorbereiden van de voorgenomen herziening van de Wiv 2017.
Deelt de Minister deze mening? Zo ja, welke conclusie trekt de Minister daar uit?
Zo nee, waarom niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen, ook in antwoorden op vragen van de
Eerste Kamer, dat de diensten gedurende de gehele looptijd de Tijdelijke wet evalueren
en monitoren. De Minister schrijft vervolgens dat «als de resultaten van de monitoring
daar aanleiding toe geven» daar rekening mee gehouden wordt «in de verschillende stadia
van het al in gang gezette wetgevingsproces tot herziening van de Wiv 2017». Tevens
zegt de Minister daarbij toe «uw Kamer via dat proces [te] informeren over eventuele
aanvullende geleerde lessen met de Tijdelijke wet». Deze leden zouden gezien de onvolledige
invoeringstoets van de Tijdelijke wet willen dat de Minister ten minste halfjaarlijks,
of zoveel eerder als nodig, na overleg met de diensten en de toezichthouders, de beide
Kamers schriftelijk informeert over de ervaringen met de Tijdelijke wet en in hoeverre
die van invloed zijn op het wetgevingsproces met betrekking tot de herziening van
de Wiv 2017. Kan de Minister dit toezeggen? Zo nee, waarom niet?
Invoeringstoets Tijdelijke wet
Toepassing bevoegdheden
Het valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de CTIVD niet overgegaan is
tot het geven van een bindend onrechtmatigheidsoordeel over de toepassing van bevoegdheden
op grond van de Tijdelijke wet door de diensten. In de brief van de CTIVD gaat deze
toezichthouder daar nader op in. Deze leden menen dat het vervangen van de rechtmatigheidstoets
vooraf door de TIB met betrekking tot de inzet van bevoegdheden in de Tijdelijke wet
door bindend toezicht door de CTIVD van groot belang is bij het toezicht op de diensten
en voor de balans ten opzichte van de in de Tijdelijke wet beoogde versnelling en
wendbaarheid van de diensten. Deelt de Minister deze mening? Zo ja, waarom? Zo nee,
waarom niet? Hoe ziet de Minister dit in het licht van het feit dat de CTIVD nog geen
gebruik heeft gemaakt van dat bindend toezicht? Deze leden lezen wel dat er in een
beperkt aantal gevallen een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de diensten en de
CTIVD over het bindend toezicht. Wat was de reden voor die gesprekken en wat was de
aard daarvan? Naar zij aannemen is het niet aan de diensten zelf om invloed uit te
oefenen over het al dan niet inzetten van de bindende bevoegdheid van de CTIVD. Is
de Minister het daarmee eens? Zo nee, waarom niet?
Geconstateerde knelpunten
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat naar de mening van de Minister in
sommige gevallen de termijn die de TIB nodig heeft om tot een oordeel over de rechtmatigheid
te komen onevenredig lang is. Tegelijkertijd meent de Minister ook dat de TIB «voldoende
gelegenheid dient te krijgen om zich een oordeel te kunnen vormen, al dan niet met
hulp van deskundigen». Is de TIB zelf ook van mening dat de genoemde termijn onevenredig
lang is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Deze leden lezen dat de Minister voornemens
is om in de nieuwe wet «tot een balans te komen tussen vereiste snelheid en duidelijkheid
voor de diensten en de benodigde oordeelsvorming door de TIB» en dat daarvoor een
wettelijke beslistermijn hierbij in de rede ligt. Zij begrijpen dat de Tijdelijke
wet bedoeld is om sneller te kunnen reageren, maar zijn tevens van mening dat dat
geen reden mag zijn om het toezicht af te zwakken. Hoe kan worden voorkomen dat onder
tijdsdruk een toezichthouder tot een onvoldoende onderbouwd oordeel moet gaan komen?
Hoe ziet de TIB het voornemen tot een wettelijke beslistermijn zelf?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het moeten onderhouden van twee
verwervingssystemen, negatief filteren onder de Wiv 2017 en positief filteren onder
de Tijdelijke wet, zorgt «voor een onevenredig beroep op de technische capaciteit
van de diensten». De Minister meent dat omdat bij negatieve filtering van streaming
en downloaddiensten inlichtingen over dreigingen gemist kunnen worden dat voortaan onder zowel
de Wiv 2017 als de Tijdelijke wet positieve filtering moet gaan plaatsvinden. Het
is deze leden niet duidelijk wat bij dit voornemen de doorslag heeft gegeven: gaat
het om het verlichten van de werkdruk voor de diensten of om het niet willen missen
van inlichtingen over dreigingen? Legt negatieve filtering een hoger beroep op de
diensten op dan positieve filtering? Zo ja, waarom?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Minister nader kan toelichten
wat de aard van de informatie is die gemist zou worden indien bij streaming en downloaddiensten
wel sprake zou blijven van negatieve filtering? Wat is er sinds de inwerkingtreding
van de Tijdelijke wet voor ervaring opgedaan met negatieve filtering en waaruit blijkt
dat daardoor informatie werd gemist? Waaruit blijkt dat de eerdere veronderstelling
dat soort informatie van streaming en downloaddiensten geen waarde zou hebben voor
de onderzoeken van de diensten, niet meer zou kloppen? Hoe kon dat worden opgemerkt?
Hoe vaak wordt er, bijvoorbeeld uitgedrukt in een percentage van de keren dat er gefilterd
is, wel waardevolle informatie gevonden bij positieve filtering dan wel waardevolle
informatie bij negatieve filtering gemist? Deelt de Minister de mening dat er in het
geval van negatieve filtering (vooraf) meer sprake is van de wettelijk vereiste gerichtheid
van gegevensvergaring dan in het geval van positieve filtering (achteraf)? Zo nee,
waarom niet?
De Minister stelt dat omdat de eerdere toezegging om niet meer negatief streaming-
en downloaddiensten te filteren niet in de wet is vastgelegd maar slechts uitvoeringspraktijk
is, dat de nu voorgenomen afwijking van die toezegging ook niet wettelijk verankerd
hoeft te worden. Dat mag formeel zo zijn, maar, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie,
zou het niet toch wenselijk zijn met het oog op de verdere verwerking van de gegevens
die door middel van positieve filtering worden verkregen, het gerichtheidsvereiste
en het toezicht daarop dit wel wettelijk verankerd gaat worden? Gesteld wordt dat
niet op de nieuwe Wiv 2017 kan worden gewacht alvorens de praktijk van filtering aan
te passen. Wordt dit dan tenminste wel in de nieuwe Wiv 2017 wettelijk vastgelegd?
Zo nee, waarom niet?
Wat is de mening van beide toezichthouders om voortaan geen negatieve filtering meer
te doen? Waar kunnen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie die meningen lezen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben de stukken omtrent de invoeringstoets met interesse
gelezen en hebben momenteel geen aanvullende vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de invoeringstoets.
Hiervoor bedanken deze leden de Minister. Zij hechten er grote waarde aan dat de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten goed geëquipeerd zijn om tegenwicht te bieden aan offensieve
cyberprogramma’s uit derde landen. Zij hebben nog enkele vragen.
Inleiding
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Tijdelijke wet vier jaar na inwerkingtreding
vervalt. Deze leden vragen om een stand van zaken van de herziening van de Wiv 2017.
Wanneer kan de Kamer deze wet verwachten?
Toepassing bevoegdheden
De leden van de CDA-fractie lezen dat voor een aanzienlijk aantal bevoegdheden, onder
andere rondom bulkinterceptie, geldt dat deze niet of in beperkte mate uitgeoefend
kunnen worden. Deze leden vragen of de Minister voldoende in beeld heeft wat er nodig
is om de obstakels hieromtrent weg te nemen en of de Minister bereid is dit korte
termijn op te pakken.
Geconstateerde knelpunten
De leden van de CDA-fractie lezen dat er enkele knelpunten in de uitvoering geïdentificeerd
zijn. Deze leden vragen of zij het goed begrijpen dat deze knelpunten meegenomen zullen
worden in de herziening van de Wiv 2017.
Conclusie
De leden van de CDA-fractie lezen dat het onderhouden van twee verwervingssystemen
heeft gezorgd voor een onevenredig beroep op de technische capaciteit van de diensten
en dat dit er mede toe leidt dat inlichtingen worden weggefilterd over dreigingen
die niet onder de Tijdelijke wet vallen, zoals jihadistisch terrorisme. Dit baart
deze leden zorgen en zij kunnen zich daarom goed vinden in de voorgestelde maatregel.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de invoeringstoets en hebben
hierover enkele vragen.
Uitvoering en toezicht door de CTIVD
De leden van de JA21-fractie lezen dat de CTIVD concludeert dat de Tijdelijke wet
heeft bijgedragen aan een grotere operationele slagkracht van de diensten, maar dat
de toepassing van de wet in de praktijk ook complex is en dat er interpretatie- en
uitvoeringsvraagstukken bestaan. Deze leden vragen welke concrete uitvoeringsproblemen
de CTIVD bij de toepassing van de Tijdelijke wet heeft geconstateerd. Kan de Minister
nader toelichten welke randvoorwaarden of knelpunten door de CTIVD worden genoemd
bij het gebruik van bulkdatasets en andere bevoegdheden onder deze wet? Daarnaast
vragen deze leden of er gevallen zijn geweest waarin de CTIVD heeft geoordeeld dat
bevoegdheden onder deze Tijdelijke wet onrechtmatig, disproportioneel of onzorgvuldig
zijn ingezet. Indien dat het geval is, kan de Minister toelichten om hoeveel gevallen
het gaat en welke lessen daaruit zijn getrokken voor de verdere toepassing van de
wet? Voorts vragen zij in hoeverre artikel 50 van de Wiv 2017 in de praktijk vragen
heeft opgeroepen bij het toezicht door de CTIVD. In het bijzonder vragen zij of er
situaties zijn geweest waarin het gebruik van bepaalde bevoegdheden mogelijk veiligheidsrisico’s
opleverde of waarbij de toepassing van de wet niet volledig operationeel bleek. Kan
de Minister tevens toelichten of er discussie is geweest over de toepassing van artikel
8 van de wet en op welke termijn deze eventuele interpretatievraagstukken zijn opgelost?
Daarnaast vragen de leden van de JA21-fractie hoe wordt gewaarborgd dat het toezicht
door de CTIVD over voldoende capaciteit beschikt om de uitgebreidere bevoegdheden
uit de Tijdelijke wet effectief te controleren. Is de capaciteit van de CTIVD aangepast
sinds de invoering van deze wet en acht de Minister deze capaciteit toereikend voor
de komende jaren?
Rechtmatigheidstoetsing door de TIB
De leden van de JA21-fractie lezen dat de TIB erop wijst dat de Tijdelijke wet de
besluitvorming over bepaalde bevoegdheden versnelt, maar dat dit ook extra druk legt
op het voorafgaande rechtmatigheidstoetsingsproces. Deze leden vragen in hoeverre
de capaciteit van de TIB is aangepast om de snellere procedures adequaat te kunnen
toetsen. Kan de Minister toelichten of de personele en organisatorische capaciteit
van de TIB is uitgebreid sinds de invoering van deze Tijdelijke wet? Daarnaast lezen
zij dat de TIB signaleert dat diensten soms onder aanzienlijke tijdsdruk opereren
bij het indienen van aanvragen. Acht de Minister het wenselijk dat de noodzakelijke
snelheid van operaties mogelijk ten koste kan gaan van de volledigheid of kwaliteit
van aanvragen voor de inzet van bevoegdheden? Welke maatregelen worden genomen om
te waarborgen dat de kwaliteit van aanvragen en de rechtmatigheidstoetsing onder tijdsdruk
voldoende gewaarborgd blijven?
Voorts vragen deze leden hoe de Minister de langere doorlooptijden beoordeelt die
de TIB in sommige operaties signaleert. Wat betekent dit voor de balans tussen snelheid
in operaties en zorgvuldigheid in toezicht?
Operationele capaciteit van AIVD en MIVD
De leden van de JA21-fractie lezen dat de Tijdelijke wet volgens de Minister heeft
geleid tot een efficiëntere verwerking van grote datasets en een betere mogelijkheid
om cyberdreigingen tijdig te identificeren. Tegelijkertijd wordt in de invoeringstoets
aangegeven dat de uitvoering aanzienlijke technische capaciteit en specialistische
expertise vereist. Deze leden vragen in hoeverre de AIVD en de MIVD momenteel organisatorisch
en technisch in staat zijn om de bevoegdheden uit de Tijdelijke wet optimaal te benutten.
Kan de Minister toelichten of er op dit moment capaciteitsbeperkingen bestaan bij
de diensten die de effectiviteit van de wet kunnen beperken? Daarnaast vragen zij
welke investeringen in personeel, technologische infrastructuur en analytische capaciteit
noodzakelijk zijn om de wet effectief te laten functioneren. Kan de Minister aangeven
welke investeringen reeds zijn gedaan en welke aanvullende investeringen eventueel
nog nodig zijn? Voorts vragen zij of er knelpunten bestaan in de samenwerking tussen
de AIVD en de MIVD bij de uitvoering van de Tijdelijke wet. Indien dat het geval is,
kan de Minister toelichten welke maatregelen worden genomen om deze samenwerking verder
te versterken?
Proportionaliteit en bescherming van fundamentele rechten
De leden van de JA21-fractie lezen dat de invoeringstoets benadrukt dat de Tijdelijke
wet een balans moet vinden tussen nationale veiligheid en de bescherming van fundamentele
rechten. Omdat de wet extra bevoegdheden introduceert, blijft robuust toezicht essentieel.
Deze leden vragen hoe de Minister, op basis van de eerste ervaringen met de wet, de
proportionaliteit van de verruimde bevoegdheden beoordeelt. In hoeverre blijkt uit
de invoeringstoets dat de inzet van deze bevoegdheden daadwerkelijk noodzakelijk en
proportioneel is in het licht van de dreiging die uitgaat van statelijke cyberactoren?
Daarnaast vragen zij hoe wordt gewaarborgd dat de verwerking van bulkdatasets niet
leidt tot een onevenredige verwerking van gegevens van personen die niet relevant
zijn voor het onderzoek.
De leden van de JA21-fractie lezen verder dat de Minister stelt dat het werken met
twee afzonderlijke verwervingssystemenregimes voor bulkinterceptie in de praktijk
niet uitvoerbaar is gebleken en dat daarom niet kan worden gewacht op een wetswijziging
om de werkwijze aan te passen. Tegelijkertijd geeft de Minister aan dat de beoogde
maatregel – waarbij het negatieve filteren van streaming- en downloadverkeer niet
langer in alle gevallen bij de eerste verwerving plaatsvindt maar pas in een latere
fase van de gegevensverwerking – niet zal worden ingevoerd vóór het eerstvolgende
commissiedebat IVD-aangelegenheden. Deze leden vragen hoe deze twee uitgangspunten
zich tot elkaar verhouden. Indien de huidige situatie volgens de Minister operationele
knelpunten veroorzaakt die niet kunnen wachten op een wetswijziging, waarom is het
dan wel mogelijk om de invoering van deze maatregel uit te stellen tot na het eerstvolgende
commissiedebat IVD-aangelegenheden, dat naar verwachting pas na het zomerreces zal
plaatsvinden? Kan de Minister nader toelichten hoe urgent de geschetste operationele
problematiek daadwerkelijk is?
Daarnaast vragen de leden van de JA21-fractie op welke juridische grondslag de Minister
vooruitlopend op een wetswijziging deze werkwijze wil toepassen op onderzoeken die
niet onder de Tijdelijke wet vallen. Hoe verhoudt deze voorgenomen aanpassing van
de uitvoeringspraktijk zich tot de huidige bepalingen van de Wiv 2017 en de daarin
vastgelegde waarborgen met betrekking tot proportionaliteit en gegevensminimalisatie?
Voorts vragen deze leden of de Minister kan bevestigen dat de Kamer voorafgaand aan
de invoering van deze werkwijze daadwerkelijk de gelegenheid krijgt om hierover een
inhoudelijk oordeel te vormen. Betreft het uitstellen van de invoering tot na het
commissiedebat IVD-aangelegenheden een politieke toezegging van de Minister of is
er een formele procedure waarbij de Kamer instemming kan onthouden?
Lessen voor toekomstige wetgeving
De leden van de JA21-fractie dat de invoeringstoets moet worden gezien als een eerste
evaluatiemoment dat input kan leveren voor toekomstige aanpassingen van de wetgeving.
Deze leden vragen welke concrete lessen uit deze invoeringstoets door de Minister
worden meegenomen bij toekomstige aanpassingen van de Wiv 2017. Kan de Minister aangeven
op welke termijn een bredere evaluatie van de Wiv 2017 en de Tijdelijke wet wordt
verwacht?
Daarnaast vragen deze leden hoe de Minister kijkt naar de door de Commissie voor de
Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) gevraagde verdere samenwerking en informatievoorziening
richting de Kamer. Op welke wijze wordt gewaarborgd dat de Kamer haar controlerende
rol effectief kan blijven vervullen bij de inzet van deze bevoegdheden?
II Antwoord / reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
J.P. van der Haas, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.