Brief regering : Eindrapportage Onderzoek naar de Validiteit, Proportionaliteit, Doelmatigheid en Doeltreffendheid van Ophogingen
24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting
Nr. 819
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 maart 2026
De Rijksincassovisie 20231 en het Nationaal Programma Armoede en Schulden2 hebben als belangrijke ambitie om onnodige schuldenoploop bij burgers te voorkomen.
Tegelijkertijd blijft het uitgangspunt overeind dat wie een schuld aan de overheid
heeft deze in beginsel ook moet terugbetalen. Het vinden van een evenwicht tussen
enerzijds het innen van verschuldigde bedragen en anderzijds het voorkomen van problematische
schulden is een belangrijk vraagstuk binnen het rijksincassobeleid.
De Rijksincassovisie is uitgewerkt in vier thema’s, waaronder het thema het voorkomen
van onnodige schuldenoploop. Om beter zicht te krijgen op de werking van zogenoemde
ophogingen – verhogingen die ontstaan bij het niet tijdig betalen van een vordering
– heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Hogeschool Utrecht
en Panteia gevraagd onderzoek te doen naar de validiteit, proportionaliteit, doelmatigheid
en doeltreffendheid van deze instrumenten.
Met deze brief bied ik – mede namens de Staatssecretaris van Justitie & Veiligheid
– het eindrapport aan uw Kamer aan. In de brief wordt kort stilgestaan bij de belangrijkste
bevindingen, de duiding daarvan en de betekenis die het kabinet hieraan toekent.
I. Onderzoek naar de validiteit, proportionaliteit, doelmatigheid en doeltreffendheid
van ophogingen
Resultaten
Het onderzoek laat zien dat ophogingen binnen de overheid zeer verschillend zijn vormgegeven.
De aard, hoogte en doelstelling ervan lopen uiteen tussen de organisaties die deelnemen
aan het samenwerkingsverband Clustering Rijksincasso (CRI)3. Waar sommige organisaties verhogingen inzetten als kostencompensatie, rentevergoeding,
betalingsprikkel of ter dekking van invorderingskosten, kiezen andere ervoor geen
verhogingen toe te passen. Dit leidt ertoe dat burgers bij het niet (tijdig) betalen
van een schuld te maken kunnen krijgen met uiteenlopende consequenties, wat de begrijpelijkheid
van het stelsel niet ten goede komt. De onderzoekers concluderen dan ook dat er geen
sprake is van een eenduidige overheid waar het ophogingen betreft.
Verder signaleren de onderzoekers dat de onderliggende rechtvaardigingen voor ophogingen
niet altijd in lijn zijn met de beleidsambitie om onnodige schuldenoploop te voorkomen.
Zij constateren dat er geen overkoepelend kader bestaat dat richting geeft aan de
weging tussen enerzijds de inningstaak van de overheid en anderzijds de sociale verantwoordelijkheid
ten opzichte van burgers in financiële problemen. De spanning tussen deze doelen is
fundamenteel van aard.
Op onderdelen achten de onderzoekers bepaalde ophogingssystematieken disproportioneel.
Dit geldt in het bijzonder voor de wettelijke verhogingen op grond van de Wet administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Wahv-boetes die niet tijdig worden betaald
en waarvoor geen betalingsregeling is overeengekomen worden in eerste instantie met
50% en vervolgens met 100% over het al verhoogde bedrag verhoogd. Het oorspronkelijke
sanctiebedrag wordt hierdoor verdrievoudigd. Volgens het onderzoek kan dit bij burgers
met een beperkte afloscapaciteit leiden tot problematische schuldopbouw.
De onderzoekers constateren tevens dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB)
zich inspant om binnen de bestaande wettelijke kaders meer ruimte te creëren voor
maatwerk en het voorkomen van ophogingen. In lijn met de ambities uit het regeerakkoord
bestaat sinds 1 juni 2025 de mogelijkheid om in uitzonderlijke situaties tot (gedeeltelijke)
kwijtschelding van verhogingen over te gaan. Dit vormt een betekenisvolle stap in
de richting van een uitvoeringspraktijk waarin de menselijke maat nadrukkelijker wordt
gewaarborgd. De onderzoekers wijzen daarnaast op de positieve potentie van de kosteloze
betalingsherinnering bij Wahv-boetes die als pilot op 1 juli 2026 bij het CJIB van
start gaat. Uit het onderzoek blijkt dat tijdige en duidelijke communicatie het betalingsgedrag
kan verbeteren en het risico op ophogingen kan beperken.
Beperkte beschikbaarheid gegevens
Een belangrijke bevinding is dat met name de doelmatigheid en doeltreffendheid van
ophogingen niet of slechts beperkt konden worden vastgesteld. Er is onvoldoende actueel
en volledig onderzoeksmateriaal beschikbaar over de kosten en effecten van verschillende
ophogingssystematieken. Ook ontbreekt empirisch bewijs over de mate waarin ophogingen
bijdragen aan tijdige betaling of juist leiden tot verdere schuldenopbouw.
Programma Clustering Rijksincasso
De onderzoekers besteden ook aandacht aan de positieve ontwikkelingen binnen het CRI-programma.
Het rapport brengt naar voren dat CRI-partijen zich voortvarend inzetten om kostenoploop
te voorkomen. Het kabinet herkent deze positieve ontwikkeling. De invoering van één
deurwaarder en één gezamenlijke betalingsregeling bij betalingsachterstanden heeft
de complexiteit voor burgers verminderd en de voorspelbaarheid van het incassotraject
vergroot. Ook het in ontwikkeling zijnde Mijn Betaaloverzicht (voorheen: Vorderingenoverzicht
Rijk) biedt burgers meer inzicht in openstaande verplichtingen om ophogingen te voorkomen.
Deze initiatieven dragen bij aan een meer samenhangende en mensgerichte uitvoering
van de Rijksincasso en sluiten aan bij de uitgangspunten van eenvoud, transparantie
en proportionaliteit zonder hierbij de inningstaak van de overheid uit het oog te
verliezen.
Appreciatie
Het rapport biedt een helder en waardevol beeld van de praktijk van ophogingen, inclusief
de knelpunten waarmee burgers met beperkte afloscapaciteit worden geconfronteerd.
Tegelijkertijd volgt uit de bevindingen dat veel ophogingspraktijken hun basis vinden
in wettelijke voorschriften, waardoor de ruimte voor aanpassing beperkt is.
Het kabinet herkent de spanning die de onderzoekers beschrijven tussen de inningstaak
van de overheid en de ambitie om onnodige schuldenoploop te voorkomen.
De hoogte van de verkeersboetes en de verhogingen bij niet-tijdige betaling zijn ook
twee aandachtspunten waarvoor het recent aan Uw Kamer aangeboden onderzoeksrapport
«Evaluatie Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften» een aanbeveling
doet. De Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Justitie en
Veiligheid streven ernaar Uw Kamer in september dit jaar van een inhoudelijke beleidsreactie
op het onderzoeksrapport te voorzien.4
Als het gaat om de verhogingen binnen de Wahv wijst het kabinet erop dat deze verhogingen
van rechtswege zijn voorgeschreven en dat voor verlaging van ophogingspercentages
op dit moment geen financiële middelen beschikbaar zijn.
Onderwijl zet het kabinet zich in voor het ondersteunen van lopende verbetertrajecten
in de uitvoeringspraktijk, zoals de pilot kosteloze betalingsherinnering Wahv-boetes
bij het CJIB.5 Op die manier worden mensen niet direct met extra kosten geconfronteerd als zij een
keer vergeten om tijdig te betalen. Het kabinet zal met belangstelling kennisnemen
van de uitkomsten van de pilot. De kennis die hiermee wordt opgedaan kan worden benut
bij toekomstige besluitvorming over eventuele voortzetting van de pilot.
Daarnaast is het CJIB in juni 2025 gestart met de mogelijkheid om mensen die verkeren
in situaties van overmacht of in geval van onevenredig hardvochtige effecten te helpen
door verhogingen bij Wahv-boetes (gedeeltelijk) kwijt te schelden. Dit biedt het CJIB
meer mogelijkheden om te komen tot een meer persoonsgerichte inning.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid informeert Uw Kamer dit voorjaar over
de eerste ervaringen van het CJIB met deze bevoegdheid.
Binnen de uitvoering ligt de nadruk op het voortbouwen op ingezette verbeteringen
die de menselijke maat versterken, zonder de inningsopgave van de overheid uit het
oog te verliezen. Door binnen het programma CRI in te zetten op preventie en samenwerking
voorkomen we dat burgers door onnodige kosten verder in de problemen komen en bieden
we ze beter inzicht in hun positie. Dit legt een basis voor een samenhangende rijksincasso
die effectief incasseert waar dat kan, en menselijk is waar nodig. De positieve bevindingen
uit het onderzoek onderstrepen de waarde van deze integrale koers en bieden een waardevolle
basis voor de verdere bestendiging van een samenhangende rijksincasso.
Het programma CRI vormt een belangrijk kader voor verdere professionalisering, betere
gegevensuitwisseling en borging van de menselijke maat. De bredere vragen die het
rapport opwerpt – zoals de wenselijkheid van een coherent ophogingskader en preventieve
prikkels waaronder een kosteloze betalingsherinnering – sluiten aan bij de behoefte
aan een overkoepelende wet op de overheidsincasso. CRI-partijen zetten binnen het
huidige wettelijke kader stappen om hierop voor te sorteren. In de voortgangsbrief
bij het Nationaal Programma Armoede en Schulden is uw Kamer nader geïnformeerd over
deze verkenning, conform de motie van het lid Van Nispen.6
Tot slot
Het kabinet dankt de Hogeschool Utrecht en Panteia voor hun uitvoerige en gedegen
onderzoek. Door de beperkte beschikbaarheid van gegevens heeft het rapport vooral
een beschrijvend en duidend karakter en kan het niet worden opgevat als een sluitende
evaluatie van de effectiviteit van ophogingen. De analyse maakt duidelijk dat er geen
optimaal evenwicht bestaat tussen de inningstaak van de overheid en het voorkomen
van onnodige schuldenoploop. Het kabinet blijft desondanks streven naar een invorderingspraktijk
die recht doet aan zowel de inningstaak als aan de menselijke maat door in te zetten
op verdere implementatie van lopende verbetertrajecten. De ervaring en opbrengsten
die binnen het CRI-programma worden opgedaan, kunnen richting geven aan een verdere
ontwikkeling van het rijksincassobeleid, zoals in een Wet op de overheidsincasso.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd over de resultaten van
het onderzoek naar de validiteit van ophogingen.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid