Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 878 Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 12 maart 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen.
Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende
zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel
van wet genoegzaam voorbereid.
INHOUDSOPGAVE
blz.
Gezamenlijke inbreng commissie
3
I
Algemeen
3
1.
Algemeen
3
2.
Doelstelling
3
3.
Informatiesysteem
3
4.
Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)
4
5.
Toelage sociale kanstrajecten
4
6.
Financiële gevolgen
5
7.
Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens
6
8.
Wetsvoorstel in relatie tot lagere regelgeving
6
9.
Evaluatie
6
II
Artikelsgewijze toelichting
Inbreng leden van de fracties
7
I.
Algemeen
7
1.
Inleiding
8
1.1
Aanleiding
8
1.2
Doelstelling
9
2.
Hoofdlijnen van het voorstel
10
2.1
Erkenning beroepsopleidingen
11
2.2
Bekostiging beroepsopleidingen
11
2.3
Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)
11
2.4
Het beroepsonderwijs
12
2.5
Volwasseneneducatie
13
2.6
Medezeggenschap
13
2.7
Informatiesystemen
13
2.8
Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)
13
2.9
Onderliggende voorzieningen
14
3.
Verhouding tot ander recht
14
3.1
Grondwet
14
4.
Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
14
4.1
Reactie Dienst Uitvoering Onderwijs
15
5.
Overige reacties
15
5.1
Reacties openbare lichamen
15
6.
Gevolgen en administratieve lasten
15
7.
Financiële gevolgen
15
8.
Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens
15
9.
Internetconsultatie en advies toetsing regeldruk
16
9.1
Internetconsultatie
16
II.
Artikelsgewijs
16
Artikelen XX. Inwerkingtreding
16
Gezamenlijke inbreng commissie
I Algemeen
1. Algemeen
De vaste commissie voor OCW heeft in het kader van het voorbereidend onderzoek van
dit wetsvoorstel de leden Heera Dijk (D66) en Tseggai (GroenLinks-PvdA) tot wetgevingsrapporteurs
benoemd. De wetgevingsrapporteurs hebben ten behoeve van het verslag een schriftelijke
inbreng opgesteld met vragen van verdiepende en verduidelijkende aard aan de regering.
De commissie heeft in de procedurevergadering van 5 maart 2026 besloten de inbreng
van de wetgevingsrapporteurs over te nemen en in het verslag als inbreng van de commissie
op te nemen. Bij de hiernavolgende inbreng is zo veel mogelijk de volgorde van de
memorie van toelichting aangehouden.
2. Doelstelling
De leden van de commissie lezen dat de regering met het wetvoorstel vijf doelen beoogt,
waaronder het zoveel mogelijk gelijktrekken van de regels en het voorzieningenniveau
voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie in Caribisch Nederland met dat
in Europees Nederland zodat gelijkwaardig onderwijs en gelijkwaardige voorzieningen
ontstaan. De regering verwijst in dit kader ook naar verschillende CBS-cijfers: de
hoogst genoten opleiding van 50 procent van de beroepsbevolking op Bonaire ligt onder
het niveau van een startkwalificatie, op Sint Eustatius geldt dat voor 67 procent
van de beroepsbevolking en op Saba voor 40 procent. In Europees Nederland ligt dit
percentage op 28 procent. De leden van de commissie constateren dat de regering in
de memorie van toelichting geen kwantitatieve doelstellingen heeft opgenomen. Zij
vragen zich daarom af of de regering, naast de kwalitatief geformuleerde doelstellingen,
ook inzet op kwantitatieve doelstellingen zoals ten aanzien van het percentage van
de bevolking met startkwalificatie? Zo ja, welke (tussen)doelen ziet de regering hierin
en wanneer verwacht de regering een gelijkwaardig percentage te bereiken? Hoe monitort
de regering dit?
Met betrekking tot de doelstelling van het realiseren van gelijkwaardig onderwijs
en gelijkwaardige voorzieningen ten opzichte van Europees Nederland valt het de leden
van de commissie op dat daartoe benodigde randvoorwaarden als de data-infrastructuur,
bestuurlijke capaciteit en financiering nog in onderzoek of ontwikkeling zijn. Hoe
wordt voorkomen dat wettelijke verplichtingen worden ingevoerd die in de praktijk
(nog) niet uitvoerbaar zijn? Hoe is in de voorbereiding van het wetsvoorstel expliciet
gekeken naar de uitvoerbaarheid voor de openbare lichamen en onderwijsinstellingen,
en hoe is deze gewogen ten opzichte van de beoogde beleidsambitie om te komen tot
gelijkwaardig onderwijs en gelijkwaardige voorzieningen? Meer specifiek hebben de
leden van de commissie over de data-infrastructuur, uitvoerbaarheid en financiering
nog enkele vragen verderop in deze inbreng.
3. Informatiesystemen
De leden van de commissie merken op dat de regering in de memorie van toelichting
aandacht besteedt aan het feit dat een centraal register nog ontbreekt in Caribisch
Nederland en het Ministerie van OCW momenteel daardoor nog geen «doorwrochte stelselinformatie
heeft van jaar op jaar over indicatoren als studiesucces, diplomaresultaat, verzuim
en uitval in Caribisch Nederland». De regering geeft daarbij aan dat een geautomatiseerde
koppeling van gegevens over verzuim en voortijdig schoolverlaten (vsv) nog niet direct
vanaf inwerkingtreding van het wetsvoorstel uitvoerbaar is, maar pas met ingang van
studiejaar 2026–2027. Het zal volgens de regering ook nog enige tijd duren voor uitgebreide
onderwijsdata van Saba en Sint Eustatius kunnen worden opgenomen, maar hierop zal
wel ambtelijke inzet gepleegd blijven worden. Kan de regering een nadere toelichting
geven op de geautomatiseerde koppeling en beschikbaarheid van deze gegevens?
Welke randvoorwaarden zijn nu nog niet vervuld om dit mogelijk te maken en wanneer
verwacht de regering dit gerealiseerd te hebben? Wanneer is een volledig centraal
register voor Caribisch Nederland gereed? De leden van de commissie vragen tot slot
of de regering nader kan toelichten welke ambtelijke inzet nu gepleegd wordt.
4. Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)
De regering stelt voor om de aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv) vooralsnog niet
te beleggen bij de openbare lichamen, maar bij de scholen voor voortgezet en beroepsonderwijs.
Reden hiervoor is dat de openbare lichamen nog een flinke slag te maken hebben om
hun wettelijke taken ten aanzien van registratie, doorverwijzing en monitoring op
orde te brengen. De scholen wordt nu de taak toebedeeld om in samenwerking met andere
relevante partijen een eilandelijk plan te maken. Het openbaar lichaam neemt deel
in de door scholen op te richten overlegstructuur en is in de woorden van de regering
medeverantwoordelijk. Kan de regering een toelichting geven op in hoeverre de scholen
in staat zijn deze taak te verrichten en hoe zij worden gefaciliteerd om dit te gaan
doen? Hoe staan de scholen zelf tegenover deze taak? Kan de regering verder een toelichting
geven op de rol van een openbaar lichaam in de overlegstructuur? Op basis waarvan
is een openbaar lichaam formeel (mede)verantwoordelijk en waarvoor? Tot slot vragen
deze leden of de regering een planning voor ogen heeft voor de invulling van deze
taak op lange termijn. Is het de bedoeling dat deze taak alsnog bij het openbaar lichaam
wordt belegd, als zij hun wettelijke taken op orde hebben? Op welke termijn verwacht
de regering dat dit het geval is? Welke rol ziet de regering voor de SKJ-organisaties1 in de overlegstructuur, nu de wettelijke grondslag voor de SKJ-organisatie verdwijnt?
5. Toelage sociale kanstraject
De regering is voornemens de toelage die SKJ-kandidaten momenteel nog kunnen ontvangen
als ze deelnemen aan een traject, te laten vervallen. In eventueel toekomstige trajecten
voor voortijdig schoolverlaters worden zij volgens de regering niet meer financieel
bevoorrecht ten opzichte van leerlingen en studenten die wel naar school gaan. Kan
de regering een nadere onderbouwing geven van het laten vervallen van deze toelage?
Met welke doelen was deze toelage destijds geïntroduceerd en welke effecten verwacht
de regering van het afschaffen van deze toelage? Hoeveel voortijdig schoolverlaters
ontvangen momenteel zo’n toelage en is gekeken naar de inkomensgevolgen voor deze
specifieke groep?
6. Financiële gevolgen
De leden van de commissie constateren dat de regering naar aanleiding van het advies
van de Raad van State uitgebreider is ingegaan op de financiële gevolgen van het wetsvoorstel.
De toelichting op de financiële gevolgen leidt bij deze leden nog tot een aantal vragen.
Ten eerste lezen de leden van de commissie dat het overgangsrecht ten aanzien van
onderwijshuisvesting pas vervalt als duidelijk is dat de Scholengemeenschap Bonaire
de financiële gevolgen van eigen verantwoordelijkheid kan dragen. Aan welke voorwaarden
moet dan naar het oordeel van de regering zijn voldaan en wanneer is dat naar verwachting
van de regering het geval?
Ten tweede constateren de leden van de commissie dat de regering aangeeft dat het
CBS momenteel onderzoekt of er voldoende data beschikbaar zijn, of beschikbaar gemaakt
zouden kunnen worden, om tot een onderbouwd nieuw bekostigingsmodel voor de aanpak
van vsv in Caribisch Nederland te kunnen komen. De regering geeft daarbij aan niet
de verwachting te hebben dat er op grond van het wetsvoorstel minder middelen beschikbaar
zullen worden gesteld ten behoeve van de vsv aanpak, al verdwijnen wel de toelagen
voor SKJ-kandidaten. Kan de regering nader inzicht geven in hoeveel middelen er beschikbaar
zullen zijn en wanneer de uitkomsten van het onderzoek van het CBS bekend zijn? Wanneer
kan vervolgens een verdeelsleutel worden gemaakt? Zijn de middelen naar het oordeel
van de regering afdoende voor het bereiken van de doelstellingen van het wetsvoorstel?
Ten derde constateren de leden van de commissie dat de openbare lichamen van Bonaire
en Saba benadrukken dat nog geen duidelijkheid is over de financiën. Het openbaar
lichaam Bonaire (OLB) geeft in dit verband aan dat onzeker is of het uitoefenen van
de taak met betrekking tot voortijdig schoolverlaten mogelijk is met het huidige subsidiebedrag.
Ook ten aanzien van volwasseneneducatie benadrukt het OLB het belang dat voldoende
middelen en ondersteuning worden verstrekt. De regering geeft in de memorie van toelichting
wel aan zich in te spannen om de vrije uitkering vanwege de extra wettelijke taak
op het gebied van volwasseneneducatie te verhogen. Kan de regering toelichten wat
de stand van zaken is met betrekking tot het overleg met de openbare lichamen? Hebben
de openbare lichamen inmiddels meer vertrouwen in dat zij kunnen beschikken over voldoende
middelen voor het vervullen van de wettelijke taken? Zijn de zorgen van het OLB ten
aanzien van de financiering van de taak met betrekking tot vsv weggenomen, door de
taak van het opstellen van een eilandelijk plan bij de scholen te beleggen? Heeft
de regering al vorderingen geboekt als het gaat om het verhogen van de vrije uitkering?
De leden van de commissie constateren dat in artikel 87 Wet financiën openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba is vastgelegd dat indien beleidsvoornemens van het
Rijk leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door de
openbare lichamen, in een afzonderlijk onderdeel van de bijbehorende toelichting met
redenen omkleed en met kwantitatieve gegevens wordt gestaafd welke de financiële gevolgen
zijn voor de openbare lichamen. Ook is hierin bepaald dat in de toelichting wordt
aangegeven via welke bekostigingswijze de financiële gevolgen voor de openbare lichamen
kunnen worden opgevangen. Kan de regering in lijn met het bepaalde in dit artikel
een nadere toelichting geven op deze extra wettelijke taak met betrekking tot volwasseneneducatie?
Tot slot vragen de leden van de commissie of voorzien is in financiële middelen en
andere ondersteuning voor openbare lichamen en scholen voor de implementatie van de
wijzigingen als gevolg van het wetsvoorstel, zoals ten aanzien van informatieverplichtingen
of de wijzigingen op het gebied van medezeggenschap.
7. Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens
De leden van de commissie lezen dat de Raad van State heeft geadviseerd om ten aanzien
van de bescherming van persoonsgegevens de toelichting aan te passen, nader in te
gaan op de specifieke maatregelen die worden getroffen ten behoeve van een adequate
doorgifte, en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen. De Raad van State wees hierbij
op de evaluatie van de Wbp BES, waaruit blijkt dat niet zonder meer kan worden verondersteld
dat deze wet voorziet in een voldoende passend beschermingsniveau, gezien de onvoldoende
naleving in de praktijk. De regering geeft aan dat daarom aanvullende maatregelen
zullen worden genomen, zoals het aanbieden van trainingen en gerichte voorlichting.
De leden van de commissie vragen of de regering inmiddels een advies heeft ontvangen
van de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES (CPB BES) over de vraag
of de door de regering aangekondigde maatregelen een voldoende passend beschermingsniveau
waarborgen. Zo ja, kan de regering dit advies met de Kamer delen? Zo nee, heeft de
regering op andere wijze overleg gevoerd met de CPB BES over dit punt?
8. Wetsvoorstel in relatie tot lagere regelgeving
De leden van de commissie constateren dat het wetsvoorstel diverse grondslagen bevat
voor nog op te stellen lagere regelgeving bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur of bij ministeriële regeling. Kan de regering een overzicht geven van alle
voorgenomen lagere regelgeving, een korte toelichting geven op de hoofdlijnen van
de inhoud daarvan en inzicht geven in de planning?
De leden van de commissie hebben verder een vraag met betrekking tot de delegatiegrondslag
in het voorgestelde artikel 1.6.6, derde lid, WEB. Hierin is bepaald dat bij of krachtens
amvb aan de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN andere taken kunnen worden toegekend, die
in het verlengde van zijn huidige taak liggen. In de memorie van toelichting geeft
de regering aan dat zo bijvoorbeeld de mogelijkheid open blijft om aan Raad Onderwijs
Arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) als taak de erkenning van leerbedrijven
in de zin van de WEB of WVO 2020 in de drie andere landen van het Koninkrijk toe te
bedelen. Kan de regering aangeven of er concrete voornemens zijn om dit te gaan doen?
Zo ja, op welke termijn? Deze leden vragen ook of de regering nog andere voorbeelden
kan noemen van taken die in het verlengde van de huidige taken van de ROA CN, zoals
geformuleerd in het voorgestelde artikel 1.6.6 WEB, liggen en die zij voornemens is
aan de ROA CN toe te bedelen.
9. Evaluatie
Zowel het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) als de Raad van State heeft geadviseerd
om duidelijk te maken hoe en op welke aspecten de wet wordt geëvalueerd. De regering
heeft hierop de memorie van toelichting aangevuld en een aantal aspecten benoemd waarvan
het in de rede ligt deze in ieder geval te betrekken bij die evaluatie.2 De leden van de commissie vragen of de regering nader in kan gaan hoe de regering
deze elementen wil gaan evalueren en betrekken bij de Strategische Evaluatie Agenda
van het ministerie. Deze leden vragen de regering om daarbij inzicht te geven in aan
de hand van welke indicatoren zal worden gemeten of het wetsvoorstel de doelstellingen
behaald heeft. Ten aanzien van welke factoren is de regering voornemens een kwantitatieve
meting te doen en is ook voorzien in een nulmeting?
Inbreng leden van de fracties
I. Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel.
Deze leden onderschrijven de noodzaak om de verouderde wetgeving te herzien en om
het principe van comply or explain centraal te stellen. De wetgeving zoveel mogelijk integreren in de bestaande Wet
Educatie en beroepsonderwijs (WEB) en Wet Voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) achten
zij een goede stap richting gelijkwaardigheid. Zij hechten in het bijzonder aan het
doel dat jongeren en volwassenen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelijkwaardige
kansen op onderwijs en een startkwalificatie moeten hebben als jongeren in Europees
Nederland. Zij hebben nog enkele vragen met name over de uitvoerbaarheid.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden onderschrijven het belang van goed onderwijs in het gehele Koninkrijk en
gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor jongeren en volwassen op Bonaire, Sint Eustatius
en Saba. Deze leden hebben nog enkele vragen en opmerkingen over het wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden hechten aan gelijke kansen voor kinderen
en jongeren in Caribisch Nederland en willen dan ook dat onderwijswetgeving en voorzieningen
in Caribisch Nederland gelijk zijn aan die van Europees Nederland, tenzij er daar
bijzondere omstandigheden bestaan die andere wetgeving of voorzieningen rechtvaardigen.
In die gevallen dienen de verschillen helder en uitlegbaar te zijn. Deze leden vinden
in het algemeen dat het mbo meer regelvrijheid nodig heeft om opleidingen flexibeler
vorm te geven, zodat er meer wordt aangesloten bij de praktijk, en de snel veranderende
arbeidsmarktbehoeften. Deelt de regering deze visie? Wat moet dit haars inziens betekenen
bij de arbeidsmarkt van Caribisch Nederland? Tegelijkertijd maken de leden van de
GroenLinks-PvdA-fractie zich ernstige zorgen over het hoge aandeel van de bevolking
van Caribisch Nederland dat weinig tot geen opleiding heeft gevolgd («zeer laaggeschoold,
dan wel laaggeletterd is»). Deze leden willen dat de regering samen met mbo-instellingen
werkt aan een kwaliteitsimpuls voor het mbo-onderwijs gericht op betere basisvaardigheden.
Hoe wil de regering hierbij recht doen aan de bijzondere omstandigheid dat voor veel
jongeren in Caribisch Nederland niet het Nederlands, maar het Papiamentu, Engels of
Spaans de thuistaal vormt, maar er in deze talen in zeer ongelijke mate lectuur –
in gedrukte vorm of online – beschikbaar is?
Het valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de memorie van toelichting
meermalen de uitdrukking «laagopgeleid» hanteert. Betekent dit dat de regering niet
langer vasthoudt aan de visie van de toenmalige Minister Dijkgraaf op het onderwijsstelsel
als een waaier, waarin meer praktisch gericht onderwijs dus niet langer werd afgedaan
als «lager onderwijs»? Deze leden zouden liever vasthouden aan het beeld van de waaier.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover
de volgende vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van de Wet Educatie
en beroepsonderwijs, de Wet Voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede
tot intrekking van de Wet Educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet Sociale kanstrajecten
jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs
en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland.
Deze wet biedt kansen voor gelijkheid en participatie van jongeren en volwassenen
in het onderwijs en op de arbeidsmarkt op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dit wetsvoorstel
bevat echter veel delegatiebepalingen. Daarom vinden deze leden het lastig te overzien
hoe de wet in praktijk op de eilanden zal uitwerken. Kan de regering hier eens op
reflecteren.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover
de volgende vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de modernisering regels voor
beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland. Deze leden hebben geen vragen
aan de regering.
1. Inleiding
De leden van de VVD-fractie moedigen aan dat de reeds verouderde regelgeving gemoderniseerd
wordt om de onduidelijkheden en knelpunten in de uitvoering weg te nemen. Deze leden
vinden het verstandig om af te stappen van de separate wetgeving en over te gaan naar
één wettelijk kader. Zij steunen daarbij het waar mogelijk aansluiten bij het bestaande
wettelijke kader in Europees Nederland.
De leden van de VVD-fractie vragen zich af in hoeverre er sprake is van studie- en
arbeidsmigratie naar Europees Nederland van en naar de BES-eilanden. Deze leden vragen
de regering nader toe te lichten welke mogelijkheden er bestaan voor samenwerking
tussen onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland en in Europees Nederland. Zij
vragen de regering of er mogelijkheden zijn om dit soort samenwerking verder te stimuleren,
bijvoorbeeld via gezamenlijke opleidingen of digitaal onderwijs. Daarbij vragen de
leden van de VVD-fractie ook in hoeverre het mogelijk is om met diploma’s behaald
in Caribisch Nederland doorgestroomd kan worden naar vervolgonderwijs of werk in Europees
Nederland.
1.1 Aanleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de memorie van toelichting meldt
dat het kabinetsbeleid tot 2019 werd gekenmerkt door «legislatieve terughoudendheid»
ten aanzien van Caribisch Nederland vanwege het beperkte absorptievermogen van de
eilanden, maar dat het kabinet deze terughoudendheid in 2019 heeft losgelaten en is
gaan werken vanuit het comply or explain-principe. Ook het coalitieakkoord van de minderheidscoalitie stelt in lijn hiermee:
«Nieuw beleid in Europees Nederland wordt in de basis ingevoerd in Caribisch Nederland,
tenzij er zwaarwegende redenen zijn dit niet te doen». Deze leden zijn het hiermee
eens, maar zij vragen hoe het legislatieve absorptievermogen van de eilanden zich
inmiddels heeft ontwikkeld. Op welke wijze(n) stelt de regering dit absorptievermogen
vast, waar het onderwijswetgeving betreft?
De leden van de PVV-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt gesteld
dat de WEB BES en de SKJ-wet verouderd zijn geraakt. Deze leden vragen de regering
om per artikel aan te geven welke bepalingen tot uitvoeringsproblemen of juridische
knelpunten hebben geleid en hierbij voorbeelden te geven.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom er niet is gekozen voor gerichte
aanpassing van knelpunten in de bestaande WEB BES in plaats van volledige integratie
in de WEB.
1.2 Doelstelling
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie waarderen de inzet om de wetgeving voor beroepsonderwijs,
educatie en de aanpak van voortijdig schoolverlaten te moderniseren en beter te laten
aansluiten bij de huidige onderwijspraktijk in Caribisch Nederland. Deze leden zien
deze wetswijziging als een belangrijke stap in de verdere ontwikkeling en versterking
van het onderwijsstelsel in Caribisch Nederland. Ook vanuit een onderwijsinstelling
op Bonaire bevestigt men hun waardering.
Toch hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie over de doelstelling nog enkele
vragen. De memorie van toelichting benoemt dat de huidige WEB BES – die wordt ingetrokken
– al een kader gaf voor volwassenonderwijs, maar er anders dan in het Europese deel
van Nederland geen middelen beschikbaar waren gesteld en mede daardoor er geen structureel
beleid inzake volwasseneducatie werd ontplooid. Deze leden lezen in de financiële
paragraaf dat er wordt gewerkt aan een onderbouwd bekostigingsmodel, maar er in de
periode 2025–2027 tussen de € 125.000 en € 500.000 per eiland beschikbaar komt in
het kader van het project «LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden». Kan
de regering inzichtelijk maken welke afrekenbare doelen haar te zijner tijd voor ogen
staan, in termen van minder laagopgeleiden en minder laaggeletterden in Caribisch
Nederland? En kan de regering hierbij nader toelichten waar deze bedragen precies
op zijn gebaseerd?
Op Sint Eustatius is 67 procent van de beroepsbevolking opgeleid onder het niveau
van een startkwalificatie. Tegelijkertijd constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
dat de Gwendoline van Putten School volgens de Onderwijsinspectie al drie jaar op
rij de basiskwaliteit niet heeft gehaald.3 Wat wil de regering ondernemen opdat bij deze tekortschietende basiskwaliteit het
percentage opgeleiden zonder startkwalificatie op Sint Eustatius niet alleen maar
blijft groeien? Wat wil de regering in het bijzonder
ondernemen tegen de problematiek om goede docenten Nederlands te vinden, die wij ook
kennen in Europees Nederland, maar in Caribisch Nederland nog iets prangender blijkt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de Wet Sociale kanstrajecten
BES, die met het onderhavige wetsvoorstel wordt ingetrokken, pas in overheidsinterventie
om jongeren tussen 18 en 24 jaar terug te leiden naar het onderwijs of de arbeidsmarkt
voorzag, nádat deze de school voortijdig hadden verlaten. Het onderhavige wetsvoorstel
beoogt om ook in Caribisch Nederland het preventieve aspect van de wetgeving inzake
voortijdig schoolverlaten toe te voegen aan het repertoire van beleid tegen voortijdig
schoolverlaten. Nu pleit de organisatie van leerplichtambtenaren Ingrado, waarvan
het eiland Bonaire al drie jaar lid is, voor een aanpak waarbij niet langer alleen
de nadruk ligt op registratie van spijbelgedrag als voorbode van voortijdig schoolverlaten,
maar vooral op aanwezigheidsregistratie, omdat ook veelvuldig geoorloofd schoolverzuim
een risicofactor van betekenis vormt. Navraag bij het Centraal Bureau voor Statistiek
heeft de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie geleerd dat deze instelling voor Caribisch
Nederland helaas geen informatie heeft over voortijdig schoolverlaters. Op welke gegevens
over voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland baseert de regering de precieze
aanpak van voortijdig schoolverlaten bij het onderhavige wetsvoorstel? Wat betekent
haars inziens de beperkte beschikbaarheid van gegevens voor de toepasbaarheid van
de bevindingen die de Onderwijsinspectie formuleert in de meta-analyse van haar rapport
«Terug naar school: effectieve interventies»4 op de situatie in Caribisch Nederland?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering om te verduidelijken hoe de regering
het begrip «gelijkwaardig voorzieningenniveau» exact definieert en aan welke meetbare
indicatoren dit wordt getoetst. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen
dat het loslaten van legislatieve terughoudendheid leidt tot een stapeling van regelgeving
die de uitvoeringskracht op de eilanden overstijgt.
2. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de VVD-fractie hechten aan en benadrukken de noodzaak van een goede aansluiting
tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt. Juist op plekken waar de lokale dan wel regionale
arbeidsmarkt klein is, zoals op de BES, vinden deze leden het van belang dat het aanbod
van opleidingen zo goed als mogelijk aansluit op de vraag van werkgevers. Zij vragen
de regering te schetsen hoe de arbeidsmarkt op de BES zich ontwikkelt. Is er net als
in Europees Nederland sprake van tekorten aan technisch geschoold personeel, zorgpersoneel
en onderwijspersoneel? Op welke manier wordt er aan het tegengaan van die tekorten
gewerkt, zo vragen zij zich af.
De leden van de VVD-fractie constateren dat er in het recentelijk gesloten regeerakkoord
verschillende ambities staan over het (beroeps)onderwijs. Zo weten deze leden dat
de nieuwe regering een periodieke macrodoelmatigheidstoets in gaat voeren om het opleidingsaanbod
actueel en doelmatig te houden. Deze leden vragen zich af of de Raad Onderwijs Caribisch
Nederland (ROA) ook over dergelijke instrumenten beschikt om het opleidingsaanbod
relevant te houden. Zij vragen de regering nader toe te lichten hoe wordt gewaarborgd
dat het regionale opleidingsaanbod goed aansluit bij de arbeidsmarkt. Daarbij vragen
zij ook hoe het toezicht op het ROA is geregeld.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn zich bewust van het feit dat het onderhavige
wetsvoorstel betrekking heeft op de drie openbare lichamen in Caribisch Nederland
en dat de CAS-landen zelf verantwoordelijk zijn voor hun onderwijsbeleid. Toch vragen
deze leden aandacht voor het feit dat er zowel op de bovenwindse als benedenwindse
eilanden sprake kan zijn van het feit dat studenten van een eiland in Caribisch Nederland
verhuizen naar één van de CAS-landen of andersom. Kan de regering aangeven of en zo
ja op welke wijze Nederland en de CAS-eilanden samenwerken bij het versterken van
de kwaliteit van het beroepsonderwijs en om ervoor te zorgen dat het onderwijs waar
mogelijk en gewenst dusdanig op elkaar aansluit dat onnodige belemmeringen om onderwijs
op een van de naburige eilanden zoveel mogelijk worden weggenomen?
2.1 Erkenning beroepsopleidingen
De leden van de PVV-fractie vragen de regering uit te leggen waarom de zorgplicht
voor arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid volledig bij de instelling wordt neergelegd,
terwijl op Bonaire slechts één bekostigde instelling actief is.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de Commissie Macrodoelmatigheid
mbo haar taak effectief kan uitvoeren, gelet op de geografische afstand en de beperkte
schaal van de arbeidsmarkt op Bonaire.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering te verduidelijken welke criteria worden
gehanteerd in het geval van een verschil van inzicht tussen de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt
Caribisch Nederland (ROA CN) en de instelling.
2.2 Bekostiging beroepsopleidingen
De leden van de D66-fractie constateren dat voor twee onderdelen van dit wetsvoorstel,
de bekostiging van de vsv-aanpak en de educatiemiddelen voor volwasseneneducatie,
het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) momenteel nog onderzoekt of er voldoende
data beschikbaar zijn om tot een onderbouwd bekostigingsmodel te komen. De memorie
van toelichting en het nader rapport geven nog geen indicatie van wanneer de uitkomsten
van dit onderzoek worden verwacht. Deze leden vragen de regering of de bekostigingsmodellen
voor vsv en volwasseneneducatie gereed zijn voor 1 augustus 2026. Zo nee, welke tijdelijke
bekostigingsregeling geldt er dan en hoe is de verdeling van de beschikbare middelen
over de eilanden geregeld voor de periode tot de nieuwe bekostigingsmodellen van kracht
worden?
De leden van de D66-fractie vragen de regering voor elk van de drie eilanden inzichtelijk
te maken welke nieuwe wettelijke taken zij met dit wetsvoorstel krijgen en via welk
instrument en welke verdeelsleutel de bijbehorende middelen worden toegekend.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering te bevestigen dat de bekostigingssystematiek
voor het mbo-deel van de Scholengemeenschap Bonaire (SGB) inhoudelijk ongewijzigd
blijft ten opzichte van de huidige systematiek.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke risicoanalyse is uitgevoerd met
betrekking tot mogelijke versnippering van het beroepsonderwijs indien andere instellingen
toegang krijgen tot het mbo-aanbod op Bonaire.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten hoe wordt gewaarborgd
dat publieke middelen doelmatig worden besteed wanneer voorafgaande ministeriële instemming
is vereist voor de toetreding van nieuwe aanbieders.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering stelt dat het geringe studentenvolume
(746 mbo-studenten voor het studiejaar 2024–2025) op een eiland met ongeveer 25.000
inwoners het een uitdaging maakt om een zo breed mogelijk aanbod aan beroepsopleidingen
in stand te houden en tegelijkertijd die instelling in staat te stellen een structurele
kwaliteitsborging te realiseren. Dat kunnen de leden van de CDA-fractie zich voorstellen,
krijgt het mbo op Bonaire hier ondersteuning bij? Kunnen zij gebruik maken van Nederlandse
ervaring aan ondersteuningsmogelijkheden om structurele kwaliteitsborging te borgen?
2.3 Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)
De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten hoe in de praktijk wordt
omgegaan met situaties waarbij de taakverdeling tussen de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt
Caribisch Nederland (ROA CN) en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven
(SBB) tot onduidelijkheid of conflicten leidt, met name bij de erkenning van leerbedrijven
en het beheer van het gezamenlijke register.
2.4 Het beroepsonderwijs
De leden van de PVV-fractie constateren dat bij toepassing van de referentieniveaus
Nederlandse taal naar verwachting slechts circa 20 procent van de studenten een diploma
zou behalen. Deze leden vragen de regering inzicht te geven in de exacte toetsresultaten
per referentieniveau en per opleiding.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de civiele waarde
van een mbo-diploma uit Bonaire wordt geborgd indien de Nederlandse taal geen onderdeel
uitmaakt van de slaag-zakbepaling.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering in hoeverre het risico bestaat dat
studenten bij doorstroom naar Europees Nederland alsnog tegen taalachterstanden aanlopen
die hun studiesucces belemmeren.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke financiële middelen beschikbaar
worden gesteld om het taalonderwijs structureel te versterken.
De leden van de CDA-fractie vinden net als de regering dat de vraag gerechtvaardigd
is of op de eilanden de Nederlandse taalvaardigheid mee moet worden genomen in de
examenresultaten en hoe dat moet worden bezien in het licht van doorstroommogelijkheden
naar het vervolgonderwijs. Dit is immers niet de moedertaal. Deze leden vragen zich
vervolgens wel af hoe de regering dit nu verder wil uitwerken. Er worden verschillende
opties gepresenteerd maar aan welke richting denkt de regering nu? Wanneer wordt hier
een beslissing over genomen?
De leden van de JA21-fractie merken op dat omdat het Nederlands voor de meeste leerlingen
en studenten in Caribisch Nederland niet de moedertaal is en bij veel werkgevers en
leerbedrijven nauwelijks of geen Nederlands wordt gesproken, besloten is de examenresultaten
van het vak Nederlands niet meer mee te tellen voor de slaag-zakbeslissing, omdat
anders te weinig leerlingen zouden slagen. De leden van de JA21-fractie vragen de
regering welke gevolgen deze wijziging volgens de regering heeft voor de beheersing
van de Koninkrijkstaal in Caribisch Nederland? Lopen wij het risico om het Koninkrijk
te kort te doen omdat straks kinderen in het Caribisch deel van het Koninkrijk met
slechts een beperkte kennis van het Nederlands van school komen? En wat zijn volgens
de regering de gevolgen van het verdwijnen van het Nederlands uit de slag-zakregeling
voor leerlingen die een vervolgopleiding willen volgen in Nederland?
De Nederlandse UNESCO Commissie heeft bij monde van haar voorzitter Kathleen Ferrier
vorig jaar tijdens een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over de «Voertaal en instructietaal
in het Caribisch deel van het Koninkrijk» gewaarschuwd dat kinderen die van huis uit
Papiamento spreken en van school komen met een beperkte kennis van het Nederlands
veel moeilijker toegang hebben tot het Europese deel van het Koninkrijk en dat dit
maatschappelijke, culturele en economische gevolgen heeft. De leden van de JA21-fractie
vragen of de regering overweegt tegen deze achtergrond om het beleid op Aruba over
te nemen waar leerlingen die willen doorstromen naar het hoger onderwijs in Nederland
een extra keuzevak Nederlands kunnen volgen?
Volgens een onderzoek van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) van december «Caribbean
Netherlands in Numbers»5 willen meer dan acht op de tien scholieren Caribisch Nederland verlaten. Opleiding
of werk worden vaak genoemd als reden. Deze leden vragen hoe de regering deze uitkomsten
rijmt met de vaststelling dat de meeste afgestudeerde mbo’ers op Aruba of Bonaire
niet zullen doorstromen naar een vervolgopleiding of de arbeidsmarkt in Nederland?
2.5 Volwasseneneducatie
De Raad van State adviseert om de toelichting aan te vullen met de financiële gevolgen
van het wetsvoorstel voor volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting, mede gelet
op het ordentelijk beheer van financiën op de eilanden. Nu stelt de regering dat zij
zich zal inspannen om de vrije uitkering vanwege deze extra wettelijke taak te verhogen.
De CDA-fractie vraagt wat deze inspanningsverplichting concreet betekent? Is hier
(meer) duidelijkheid over bij de plenaire behandeling van deze wet? Er worden wel
middelen beschikbaar gesteld voor structurele regeldrukkosten.
2.6 Medezeggenschap
De leden van de D66-fractie constateren dat dit wetsvoorstel de Scholengemeenschap
Bonaire (SGB) een uitgebreid regime van advies- en instemmingsrecht introduceert,
terwijl de huidige wetgeving enkel een informatieplicht kent. Deze leden steunen dit
van harte, gezien het belang van medezeggenschap. Zij vragen de regering daarbij welke
ondersteuning de instelling ontvangt bij de implementatie van het nieuwe medezeggenschapsregime
en wat de beoogde implementatietermijn is.
2.7 Informatiesystemen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie achten betrouwbare en tijdige gegevens essentieel
voor het vroegtijdig signaleren van risico’s op uitval en zouden hier willen aansluiten
bij ontwikkelingen in Europees Nederland, waaronder de Wet Terugdringen schoolverzuim,
ook al zien deze leden in dit wetsvoorstel niet het wondermiddel dat de memorie van
toelichting suggereert. Het is van belang dat privacybescherming adequaat wordt geborgd
en dat betrokken organisaties worden ondersteund bij de implementatie van de regels
voor gegevensbescherming. Welke ondersteuning staat de regering op dit punt voor ogen?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke concrete technische belemmeringen
momenteel bestaan bij de aansluiting op Registratie Instellingen en Opleidingen (RIO)
en het Register Onderwijsdeelnemers (ROD).
De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke waarborgen worden ingebouwd ter
bescherming van persoonsgegevens bij de uitrol van deze registratiesystemen in Caribisch
Nederland.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering te bevestigen dat zonder volledige
registratie betrouwbare sturingsinformatie ontbreekt en toe te lichten hoe lang deze
situatie naar verwachting nog zal voortduren.
2.8 Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)
De leden van de D66-fractie wijzen op de constatering in de memorie van toelichting
dat de openbare lichamen de bestaande wettelijke taken op het gebied van registratie
en monitoring van voortijdig schoolverlaten (vsv) tot op heden niet conform de geldende
regelgeving uitvoeren, en dat hierin nog een slag gemaakt moet worden. Deze leden
vragen de regering welke maatregelen worden getroffen om dit voor inwerkingtreding
op orde te brengen en hoe wordt geborgd dat ook de nieuwe vsv-taken tijdig en conform
de wet worden uitgevoerd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie signaleren dat het wetsvoorstel de aanpak
van voortijdig schoolverlaten voorlopig legt bij schoolbesturen. In Europees Nederland
ligt de regierol bij gemeenten, wat deze een onafhankelijke positie biedt en samenwerking
met partners in zorg en arbeid faciliteert. Kan de regering nader toelichten waarom
zij in dezen vooralsnog nog niet wil werken naar een vergelijkbare publieke regierol
voor de openbare lichamen in Caribisch Nederland?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering hoeveel voortijdig schoolverlaters
in de afgelopen vijf jaar per eiland zijn geregistreerd en hoeveel van hen daadwerkelijk
zijn teruggeleid naar onderwijs of werk.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten waarom het preventieve
kader uit Europees Nederland niet eerder is ingevoerd, indien dit aantoonbaar effectiever
is.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten op welke wijze wordt
gemeten of de nieuwe aanpak daadwerkelijk leidt tot een daling van het aantal voortijdig
schoolverlaters.
De leden van de CDA-fractie merken op dat dit wetsvoorstel een belangrijke stap richting
gelijkwaardigheid is ten opzichte van Europees Nederland. Zeker gezien het toekomstige
vsv-beleid waarbij meer aandacht komt voor het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten.
Deze leden denken wel dat kennis en opgedane ervaring van de huidige SKJ-organisaties
geborgd moet worden en kan dienen als leidraad om de preventieve aanpak op te starten.
Kan de regering meer duidelijkheid geven over hoe zij de overgangsfase ziet?
2.9 Onderliggende voorzieningen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat wetgeving
rekening houdt met de schaal en context van de Caribische eilanden. Ondersteuning
bij uitvoering is daarbij essentieel. Ondanks de gebrekkige registratie, weten deze
leden dat het aantal voortijdig schoolverlaters in Caribisch Nederland relatief hoog
is, wat de urgentie van effectieve uitvoering van beleid vergroot. Dit vraagt om scholing
en begeleiding van alle betrokken professionals en niet alleen van schoolbesturen,
maar ook medewerkers van de openbare lichamen en andere uitvoeringspartijen om de
wet effectief en in overeenstemming met de doelstellingen te kunnen toepassen. Wat
gaat de regering op dit punt ondernemen?
3. Verhouding tot ander recht
3.1 Grondwet
Volgens de regering wordt met dit wetsvoorstel de vrijheid van onderwijs niet ingeperkt,
behalve indien sprake is van een aanvullende deugdelijkheidseis voor het verzorgen
van een bekostigde beroepsopleiding binnen een openbaar lichaam. In dat geval is,
na inwerkingtreding van het wetsvoorstel, toestemming van de Minister van OCW vereist
om de opleiding in aanmerking te laten komen voor bekostiging. De leden van de CDA-fractie
voeren echter aan dat dit voorstel wel degelijk een beperking vormt van de vrijheid
van onderwijs. Kan de regering stellen waarom zij van mening zijn dat dit onderhavig
wetsvoorstel proportioneel is? Dit wetsvoorstel bouwt toch een extra toets in voordat
een Europees- Nederlands instelling beroepsopleidingen mag aanbieden.
4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader toe te lichten hoe deze nieuwe
regelgeving daadwerkelijk beter uitvoerbaar is in de eilandspecifieke context. Hoe
borgt de regering dat, zo vragen deze leden. Zij vragen de regering voorts of de onderwijsinstellingen
op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) zijn betrokken dan wel meegenomen in het
opstellen van deze nieuwe wetgeving en hoe deze instellingen de uitvoerbaarheid van
de voorgestelde vernieuwingen beoordelen. Wat verandert er concreet voor hen, zo willen
deze leden weten.
4.1 Reactie Dienst Uitvoering Onderwijs
De leden van de PVV-fractie vragen de regering of DUO heeft aangegeven dat implementatie
per studiejaar 2026–2027 haalbaar is binnen de huidige capaciteit. Deze leden vragen
de regering tevens welke fallbackscenario’s zijn uitgewerkt voor het geval de ICT-koppelingen
vertraging oplopen.
5. Overige reacties
5.1 Reacties openbare lichamen
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de reacties van de bestuurscolleges
van Bonaire en Saba, die beiden aangeven nog geen duidelijkheid te hebben over de
wijze waarop de middelen voor hun nieuwe wettelijke taken worden verdeeld en verstrekt.
Deze leden vragen de regering wanneer de bestuurscolleges hierover uitsluitsel kunnen
verwachten.
6. Gevolgen en administratieve lasten
De leden van de CDA-fractie vraagt om meer duidelijkheid van de regering over de gevolgen
voor de administratieve lasten. Vooral omdat de regering spreekt over het verschuiven
of overdragen van verantwoordelijkheden. Volgens deze leden lijken deze veranderingen
te leiden tot een hogere administratieve lastendruk voor openbare lichamen, scholen
en toezichthouders, terwijl zij geen ervaring met deze wetgeving hebben. Deze leden
verzoeken de regering hierop te reageren.
7. Financiële gevolgen
De leden van de PVV-fractie vragen de regering een volledig uitgesplitst overzicht
te geven van de structurele en incidentele kosten per eiland, inclusief de uitvoeringskosten
en de ICT-kosten. Tevens vragen deze leden de regering of kan worden gegarandeerd
dat de middelen voor volwasseneneducatie daadwerkelijk geoormerkt worden besteed en
niet opgaan in de algemene middelen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering aan geeft dat het CBS onderzoekt
of er voldoende data beschikbaar is, dan wel beschikbaar kan worden gemaakt, om een
onderbouwd nieuw bekostigingsmodel te ontwikkelen voor de aanpak van vroegtijdig schoolverlaten
in Caribisch Nederland. Deze leden vragen of de regering een overzicht kan geven van
de huidige stand van zaken? Is het mogelijk om dit inzichtelijk te maken? Welke aanvullende
informatie is nog nodig en wat ontbreekt er op dit moment? Kan de regering ook aangeven
of deze informatie beschikbaar zal zijn tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel?
De leden van de JA21-fractie merken op dat de afdeling advisering Raad van State opgemerkt
heeft dat voor de volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting niet duidelijk is wat
de financiële gevolgen zijn van de wetswijziging zijn voor het Rijk, de openbare lichamen
die de verantwoordelijkheid krijgen voor de volwasseneneducatie, de onderwijshuisvesting
en voor andere maatschappelijke sectoren. Is hierover inmiddels meer duidelijkheid
gekomen, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
8. Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens
De leden van de D66-fractie constateren dat de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens
BES (CBP BES) op het moment van indiening van het wetsvoorstel nog geen formeel advies
had uitgebracht, terwijl CBP BES de aangewezen toezichthouder is. Deze leden vragen
de regering wanneer dit advies wordt verwacht en wanneer de Kamer hierover geïnformeerd
wordt. Welke concrete afspraken zijn er inmiddels gemaakt met CBP BES over de handhaving?
9. Internetconsultatie en advies toetsing regeldruk
9.1 Internetconsultatie
De van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat bij de internetconsultatie de Bonaireaanse
zorgstichting Fundashon Mariadal heeft gesteld dat het voor nieuwe opleidingen in
Caribisch Nederland niet per se meteen nodig zou zijn dat men arbeidsmarktperspectief
zou kunnen aantonen, omdat dit soms over vijf jaar wèl het geval zal zijn. Kan de
regering nader toelichten wat haar reactie is op deze overweging, zo vragen deze leden.
II. Artikelsgewijs
Artikelen XX. Inwerkingtreding
De leden van de D66-fractie vragen de regering of de beoogde inwerkingtreding per
1 augustus 2026 haalbaar is, gelet op de nog te voltooien lagere regelgeving, de nog
lopende CBS-onderzoeken naar de bekostigingsmodellen voor vsv en educatie en de benodigde
ICT-aanpassingen bij DUO. Hebben alle betrokken uitvoeringspartijen bevestigd dat
zij per die datum gereed zijn voor uitvoering?
De fungerend voorzitter van de commissie, Bromet
Adjunct-griffier van de commissie, Van Thiel
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
L.E.T.M. van Thiel, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.