Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Coenradie over het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: ’Gezondheid patiënten staat op het spel’'
Vragen van het lid Coenradie (JA21) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht «Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: «Gezondheid patiënten staat op het spel»» (ingezonden 17 februari 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 11 maart
2026).
Vraag 1
Erkent u de uitkomsten van het onderzoek door het SIR instituut en de Landelijke Eerstelijns
Farmacie (LEF) dat jaarlijks circa vier miljoen patiënten worden geconfronteerd met
medicijntekorten en dat in meer dan zeventig procent van de gevallen het gaat om preferent
aangewezen medicijnen die niet leverbaar zijn?1
Antwoord 1
Het kabinet is bekend met het onderzoek. In het onderzoek van het SIR instituut en
LEF wordt geconstateerd dat 56,7% van de geregistreerde tekorten plaatsvond in een
groep van geneesmiddelen waarop preferentiebeleid wordt gevoerd2. Het verbaast mij niet dat een groot deel van de in de «meldweek» gemelde tekorten
en leveringsproblemen gaat om preferente geneesmiddelen. Het aandeel van de geneesmiddelenmarkt
waarover preferentiebeleid wordt gevoerd is namelijk groot: in 2023 werd op 86% van
de extramuraal geleverde geneesmiddelen preferentiebeleid gevoerd3. Het percentage uit het onderzoek van het SIR instituut en LEF zegt niets over een
eventueel oorzakelijk verband tussen het voeren van het preferentiebeleid en het ontstaan
van geneesmiddelentekorten of andere leveringsproblemen.
Het kabinet deelt met mevrouw Coenradie dat, ondanks dat de tekorten teruglopen, nog
steeds te veel patiënten geraakt worden door geneesmiddelentekorten. Dit vindt het
kabinet onwenselijk. Het kabinet zet zich dan ook onverminderd in om tekorten zoveel
mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid te verbeteren. Nog dit voorjaar informeert
het kabinet de Kamer, zoals gebruikelijk, over de voortgang van de ingezette maatregelen
en over de verdere plannen om de beschikbaarheid en leveringszekerheid van geneesmiddelen
te verbeteren.
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat voor het welzijn van al deze patiënten slechts één relevante
definitie bestaat: een tekort is een tekort zodra de apotheek het medicijn niet kan
leveren, ongeacht wat er administratief wordt geregistreerd?
Antwoord 2
Het kabinet deelt deze opvatting grotendeels. Uiteraard is ook voor dit kabinet het
belangrijkst dat de patiënt over diens geneesmiddel kan beschikken. Maar op meer plekken
in de keten kunnen problemen ontstaan met de beschikbaarheid van geneesmiddelen, waar
de patiënt niets van hoeft te merken. Bijvoorbeeld bij de producent of groothandel.
Ook op die plekken wil het kabinet de beschikbaarheid van geneesmiddelen verbeteren.
Om ervoor te zorgen dat álle partijen in de keten sneller en duidelijker kunnen communiceren,
handelen en monitoren, en zo uiteindelijke tekorten voor patiënten te voorkomen, is
binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) de afspraak gemaakt om uniforme
definities van geneesmiddelentekorten op te stellen.
Het kabinet deels overigens niet de stelling uit het Telegraaf-artikel dat er sprake
is van een tekort als er een bepaald merk van een geneesmiddel niet beschikbaar is,
terwijl andere merken van hetzelfde geneesmiddelen wel beschikbaar zijn. In verreweg
de meeste gevallen kan een patiënt overstappen naar een ander merk van hetzelfde geneesmiddel
zonder dat dat gevolgen heeft voor diens gezondheid.4
Vraag 3
Deelt u de signalen uit de apotheekpraktijk dat apothekers met de rug tegen de muur
worden gezet: het preferente middel is er niet, een alternatief ligt wel op de plank,
maar als de apotheker dat alternatief verstrekt riskeert hij een boete van de zorgverzekeraar?
Antwoord 3
Het kabinet kent de signalen dat apothekers zich in dergelijke situaties soms klemgezet
kunnen voelen en dat dit (financiële) onzekerheid voor hen creëert. Daarom neemt het
kabinet deze signalen mee in gesprekken met zorgverzekeraars, apothekers en andere
betrokken partijen over de uitvoering van het preferentie- en inkoopbeleid.
Deze onzekerheid wordt onder andere veroorzaakt doordat de aanduiding van deze situatie
in informatiesystemen niet gestandaardiseerd is en anders wordt beoordeeld door zorgverzekeraars.
Een andere oorzaak ligt in de snelheid waarmee informatiesystemen aangepast kunnen
worden. Om te zorgen voor een betere en snellere aansluiting tussen leverbaarheid
en vergoedingsstatus is in het AZWA afgesproken dat de Koninklijke Nederlandse Maatschappij
ter bevordering der Pharmacie (KNMP) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) gaan zorgen
voor snelle aanpassing van de vergoedingsstatus door zorgverzekeraars wanneer een
preferent product niet leverbaar is. Ook werken zij aan meer frequente updates van
de informatie hierover in informatiesystemen. Zodra zij dit gerealiseerd hebben is
het voor apothekers veel sneller dan nu duidelijk welk alternatief zij binnen het
preferentiebeleid kunnen afleveren. Ook neemt hierdoor de administratieve last voor
apothekers af doordat hun ICT-systemen sneller actueel zijn. Het kabinet is blij dat
de KNMP en ZN dit oppakken en spoort hen aan hier voortvarend mee aan de slag te gaan.
Het is van belang dat er heldere, realistische en eenduidige afspraken zijn over de
situaties waarin een preferent aangewezen merk van een geneesmiddel niet voorradig
is. Uiteindelijk is het aan de zorgverzekeraars en apotheken zelf om hier in de inkoopgesprekken
afspraken over te maken, voor zover dat niet al gebeurt. Het kabinet vraagt daar bij
beide partijen aandacht voor.
Vraag 4
Vind u deze situatie verdedigbaar en zo ja, hoe legt u dat uit aan de patiënt die
met lege handen naar huis moet?
Antwoord 4
Het komt zelden voor dat patiënten zonder behandeling komen te staan als een preferent
aangewezen middel niet voorradig is. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij
99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld
een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een middel dat geïmporteerd is uit
het buitenland.5
Vraag 5
Bent u bereid om per direct, zonder te wachten op lopend onderzoek, een noodmaatregel
in te voeren waarbij apothekers geen boetes van zorgverzekeraars krijgen wanneer zij
in dringende situaties een beschikbaar alternatief verstrekken, aangezien wat op papier
beschikbaar is in de praktijk niet aan de balie bestaat? Zo nee, wat is dan uw alternatieve
oplossing voor de patiënt die morgen zijn hartmedicatie nodig heeft maar niet gaat
krijgen?
Antwoord 5
Nee, het kabinet ziet geen noodzaak tot het instellen van een noodmaatregel. Contractuele
afspraken over de omgang met dit soort situaties zijn een zaak tussen apothekers en
zorgverzekeraars. Het kabinet begrijpt dat er onzekerheid ontstaat bij apotheken doordat
niet alle zorgverzekeraars op dezelfde manier met deze situaties omgaan. Het kabinet
gaat hiervoor aandacht vragen bij de koepels van apotheken en zorgverzekeraars.
Vraag 6 en 7
Kunt u uitleggen waarom een patiënt in het huidige systeem niet mag bijbetalen voor
een vertrouwd medicijn, maar wel de volledige kosten zelf moet betalen als hij dat
middel wil blijven gebruiken?
Waarom acht u deze situatie rechtvaardiger dan een systeem waarbij iemand alleen het
prijsverschil bijbetaalt?
Antwoord 6 en 7
Een systeem waarin patiënten kunnen bijbetalen voor niet-preferent aangewezen middelen
creëert ongelijke toegang tot zorg en verhoogt de totale zorgkosten. Dat wordt hieronder
nader toegelicht.
In het huidige systeem vergoedt de zorgverzekeraar per groep geneesmiddelen met dezelfde
werkzame stof in ieder geval één variant volledig. Op deze variant krijgt de zorgverzekeraar
korting van de leverancier. Het preferentiebeleid is nu zo vormgegeven dat bijbetaling
binnen zo’n groep niet toegestaan is. Dit houdt de uitvoering eenvoudig en de zorgkosten
beheersbaar. Een niet-preferent geneesmiddel valt buiten de basisdekking, dus de verzekerde
betaalt het hele bedrag zelf.
Dit kan oneerlijk lijken omdat een bekend, maar duurder geneesmiddel niet vergoed
wordt. Ook niet voor een deel. Het huidige systeem is juist solidair en rechtvaardig
omdat iedere verzekerde met dezelfde aandoening dezelfde behandeling volledig vergoed
krijgt, ongeacht inkomen. Bijbetaling zou ongelijke toegang tot zorg creëren, omdat
niet iedereen uit eigen portemonnee kan bijbetalen. En het zou de totale zorgkosten
verhogen door voorkeur voor varianten waarop de zorgverzekeraar geen korting krijgt.
Ook zou vaker kiezen voor duurdere geneesmiddelen waarop de zorgverzekeraar geen korting
ontvangt de totale zorgkosten verhogen, waardoor premies voor iedereen stijgen. Daarnaast
zou deze mogelijkheid betekenen dat de zorgverzekeraar zich niet aan haar afspraken
met de leverancier kan houden. De zorgverzekeraar krijgt namelijk korting van de leverancier
omdat eerstgenoemde garandeert dat het betreffende merk van het geneesmiddel voor
al diens verzekerden het preferent aangewezen middel is. Dat is niet meer het geval
als een verzekerde door bijbetaling een ander geneesmiddel kan krijgen. Dit zou de
onderhandelingspositie van zorgverzekeraars ten opzichte van leveranciers verslechteren,
opnieuw met hogere zorgkosten als gevolg.
Vraag 8
Bent u bekend met het pleidooi van de apothekersbranches voor een systeem van «laagste
prijs + bandbreedte», waarbij meerdere merken van een medicijn volledig worden vergoed
en waarvoor geen jarenlang onderzoek maar een beleidsbesluit nodig is? Bent u bereid
om uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 met zorgverzekeraars concrete afspraken
te maken over de implementatie van dit model? Zo nee, wat is uw bezwaar tegen een
systeem dat leveringszekerheid vergroot zonder afbreuk te doen aan kostenbeheersing?
Antwoord 8
Ja, het kabinet is bekend met het pleidooi voor een «laagste prijs + bandbreedte»-model.
De stellingname die de schrijvers van het pleidooi doen dat dit model de leveringszekerheid
vergroot zonder kostenstijging vraagt om meer onderbouwing. Doorgaans brengen bredere
vergoedingen hogere zorguitgaven met zich mee.
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om afspraken te maken over de implementatie
van dit model. Het kabinet werkt op dit moment aan een evaluatie van het huidige preferentiebeleid
en haar toepassing, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het kabinet verwacht u
in lijn met de motie eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie.
Het lijkt mij zinvol om deze evaluatie af te wachten. Afhankelijk van de uitkomsten
daarvan, kan dan overwogen worden alternatieven zoals dit model nader te verkennen.
Vraag 9
Kunt u, aangezien zorgverzekeraars rapporteren over de besparingen van het preferentiebeleid,
ook inzichtelijk maken wat de totale maatschappelijke kosten zijn: extra huisartsbezoeken,
ziekenhuisopnames door medicatiewisselingen, uitvoeringslasten voor apothekers, en
de menselijke tol van patiënten die zonder medicatie zitten?
Antwoord 9
Ja, de evaluatie van het preferentiebeleid die op verzoek van de Kamer wordt uitgevoerd
beoogt naast de besparingen ook de maatschappelijke kosten en baten van het preferentiebeleid
in beeld te brengen. Het kabinet verwacht u eind 2026 te kunnen informeren over de
uitkomsten van de evaluatie.
Vraag 10
Erkent u dat «goedkoop op papier» niet hetzelfde is als «doelmatig in de praktijk»?
Antwoord 10
Als het lid Coenradie bedoelt dat aan het preferentiebeleid behalve baten ook kosten
verbonden kunnen zijn, dan deelt het kabinet dat. Zoals hierboven aangegeven is het
doel van de evaluatie van het preferentiebeleid om de totale kosten en baten inzichtelijk
te maken. Dit omvat niet alleen de directe besparingen op papier, maar ook effecten
op de administratieve lasten voor apothekers, op de beschikbaarheid van geneesmiddelen
en op de patiëntenzorg.6
Vraag 11
Bent u bereid om uiterlijk eind februari 2026 een spoedoverleg te beleggen met zorgverzekeraars,
apothekersbranches en patiëntenvertegenwoordigers, met als concrete opdracht: het
vaststellen van afspraken die per 1 april 2026 operationeel zijn, zodat patiënten
niet langer met lege handen naar huis gaan terwijl alternatieven op de plank liggen?
Antwoord 11
Het kabinet ziet geen toegevoegde waarde in het inlassen van een spoedoverleg. Er
vindt namelijk al regelmatig overleg met hen plaats. Specifiek werkt het kabinet bijvoorbeeld
met de zorgverzekeraars, apothekersbranches en andere relevante partijen aan verbeteringen
van het inkoop- en preferentiebeleid. En werkt het kabinet met veldpartijen (met vertegenwoordigers
van patiënten, leveranciers, groothandels, zorgverzekeraars, zorgaanbieders, voorschrijvers,
apothekers en de overheid) voortvarend aan de structurele verbetering van de beschikbaarheid
van geneesmiddelen. Zo wordt in het kader van het AZWA gewerkt aan snelle aanpassing
van de vergoeding door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar
is én aan een frequente update van de informatie hierover in informatiesystemen zoals
de G-standaard. Alle veldpartijen zijn zich bewust van de urgentie en dragen naar
vermogen bij aan het oplossen van de beschikbaarheidsproblematiek.
Vraag 12
Hoe verklaart u aan miljoenen Nederlanders dat, als zij in een levensbedreigende situatie
terechtkomen, ze niet geholpen mogen worden vanwege beleid, terwijl een alternatief
medicijn beschikbaar is?
Antwoord 12
Deze vraag wekt de suggestie dat miljoenen Nederlanders, als zij in een levensbedreigende
situatie terecht komen, niet geholpen mogen worden. Dat is onjuist. Uit cijfers van
KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar
is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of met
een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.7
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.