Initiatiefnota : Initiatiefnota
36 909 Initiatiefnota van het lid Ceder over het effectiever oplossen en duurzaam voorkomen van problematische schulden
Nr. 2
INITIATIEFNOTA
Inhoudsopgave
1.
Probleemanalyse
2
2.
Stand van zaken
5
2.1
Noodzaak van veranderingen van het systeem rond het innen van problematische schulden
5
2.2
Kabinetsreactie IBO problematische schulden
5
2.3
Overige ontwikkelingen
6
2.4
Doel van de initiatiefnota
6
3.
Voorkomen van schulden
7
3.1
Het grensbedrag voor kredietwaardigheidstoetsing te verlagen naar € 0 (ofwel een toets
voor alle kredieten)
7
3.2
Realiseer (wettelijk vereiste) waterdichte leeftijdsverificatie voor BNPL
8
3.3
Vereis dat jongeren tot 21 jaar bij aankoop via achterafbetaaldienst minstens één
termijn betalen
8
3.4
Rechtvaardige boetes door het CJIB
9
3.5
Direct sanctioneren van incassobedrijven bij overtreding incassoregister en herziening
toegestane incassokosten
10
3.6
Laagdrempelige hulp voor mensen met financiële problemen
10
3.7
Duurzame verankering van vrijwillige schuldhulpverlening in beleid
11
3.8
Versterk financiële educatie voor jongeren en startende ondernemers
11
4.
Effectiever oplossen van schulden
12
4.1
Voorzetting collectief afbetalingsplan met voldoende middelen
12
4.2
Hervorm de rol van de gerechtsdeurwaarder: introductie van de sociale ministerieplicht
inclusief bijbehorend de-escalerend bekostigingsmodel
13
4.3
Introduceer een nationaal schuldenfonds voor jongeren
14
4.4
Schaf de bestuursrechtelijke premie in de Zorgverzekeringswet af (wanbetalersregeling)
14
4.5
Een maximumrentebedrag invoeren bij overheidsvorderingen
16
4.6
Wijzigen preferente positie overheidsvorderingen
16
4.7
Verkorting verjaringstermijn consumentenvorderingen
17
4.8
Een krediettax voor consumptieve kredieten (incl. BNPL)
17
4.9
Ook de BES schuldenvrij
17
5.
Duurzaam schuldenvrij
18
5.1
Betrek persoonlijkheidskenmerken in beleid en bij de ontwikkeling van wet- en regelgeving
18
5.2
Rust werkgevers beter toe hoe om te gaan met loonbeslag bij werknemers
19
5.3
Verbeter schuldhulpverlening na detentie
20
5.4
Verbeter begeleiding na schuldhulpverleningstraject in samenwerking met vrijwillige
schuldhulpverleningsorganisaties
20
6.
Beslispunten
21
7.
Financiële gevolgen
22
1. Probleemanalyse
Pacta sunt servanda: overeenkomsten moeten worden nagekomen. Een eenvoudig fundament
onder onze economie. In de meeste gevallen is er ook geen discussie over of leidt
het niet tot problemen. Consumenten of bedrijven sluiten een overeenkomst, de dienst
of het product wordt geleverd en de vordering betaald. Maar soms ontstaan er problemen.
En de problemen worden complexer zodra iemand een vordering niet betaalt, niet omdat
hij dat niet wil, maar omdat men deze niet kan betalen. Bedrijven en organisaties
die een openstaande vordering hebben, schakelen op een gegeven moment een incassobureau
of gerechtsdeurwaarder in. Vaak gaat dat goed en volgens de regels en wordt de openstaande
vordering alsnog voldaan. Maar in veel gevallen gaat het niet goed en belanden mensen
in een problematische schuldensituatie en verkeren schuldeisers in onzekerheid of
hun vordering ooit wordt voldaan. Het betalen van een openstaande schuld is in principe
een zaak tussen koper en verkoper, mensen zijn primair zelf verantwoordelijk. De overheid
moet er wel voor zorgen dat de regels rond het nakomen van schulden rechtvaardig zijn
en dat er adequate hulpverlening is voor wie de schulden niet zelfstandig kan aflossen.
Dit systeem kan en moet beter. Voor zowel schuldeisers als schuldenaren.
Problematische schulden zijn een hardnekkig probleem. Na jarenlange stijging is in
2025 een lichte daling van het aantal huishoudens met geregistreerde problematische
schulden te zien.1 Desondanks hebben volgens deze CBS-definitie nog steeds ruim 720.000 huishoudens
geregistreerde problematische schulden. Of de daling structureel is ingezet, moet
echte worden afgewacht. De maatschappelijke kosten van de schuldenproblematiek zijn
ook groot en worden ingeschat op ten minste 8,5 miljard euro per jaar, oftewel bijna
1% van het bbp.2 Schulden kunnen leiden tot huisuitzetting en dakloosheid, afsluiting van gas en water,
ziekteverzuim, sociaal isolement, stress en andere gezondheidsklachten zoals hart-
en vaatziekten, diabetes, obesitas, verslaving en depressie.3 Mensen met problematische schulden leven vaak in armoede. Met name kinderen zijn
hier vaak de dupe van en lopen zelf ook een grotere kans om als volwassene in armoede
te leven. Schulden en armoede hebben invloed op de gezondheid, de wijze waarop mensen
in staat zijn keuzes te maken en op sociale relaties.
Daarnaast levert de wijze van innen op dit moment ook problemen op. Het innen van
een problematische schuldenlast verloopt inefficiënt en wordt gekenmerkt door twee
problemen. Allereerst lopen de kosten voor de schuldenaren snel op. Een kleine schuld
van € 50 kan oplopen tot € 858,59, zoals in het rapport van het IBO problematische
schulden wordt geïllustreerd.4Dit is niet alleen het geval bij private schulden tussen een schuldenaar en een particulier
bedrijf. Ook bij overheidsvorderingen kan de openstaande vordering in een mum van
tijd uitgroeien tot een grote schuld. Deze sterke kostenoploop is het eerste kernprobleem
van het huidige stelsel.
Het tweede fundamentele probleem is het gebrek aan overzicht en afstemming bij het
innen van schulden. De focus in het huidige stelsel ligt op het innen van een individuele
vordering. De schuldenlast loopt snel op, mede doordat schuldeisers concurrenten van
elkaar zijn. Het huidige systeem is erop gericht dat er meerdere schuldeisers naast
elkaar kunnen bestaan die tegelijkertijd incasseren. Elke schuldeiser gaat – logischerwijs
– voor zijn eigen vordering en haalt zijn eigen recht. Schuldeisers hebben geen inzicht
in de betaalcapaciteit en de eventuele aanwezigheid van andere schuldeisers. Doordat
er geen afstemming is in het incassotraject voordat er beslag ligt, wordt de betaalcapaciteit
niet naar rato verdeeld over de verschillende schuldeisers. Dat leidt tot een perverse
prikkel: doordat elke schuldeiser zijn recht haalt om mee te kunnen delen en daarvoor
gerechtelijke kosten maakt, wordt de schuldenlast alleen maar hoger, en de kans op
volledige terugbetaling van de vordering kleiner. Ook wanneer duidelijk is dat een
schuldenaar niet direct volledig kan betalen en de schuldenaar de vordering wel erkent,
moet een schuldeiser eerst een vonnis halen (met griffierecht en kosten voor de schuldenaar
als gevolg) om te kunnen aansluiten bij een lopend beslag.5 Deze problematiek is kernachtig beschreven in het rapport «Schulden klein houden
en perspectief bieden»6 van mr. André Moerman en prof. dr. Nadja Jungmann. De huidige systematiek kent perverse
prikkels die ertoe leiden dat de kosten toenemen, de rechtspraak overbelast raakt,
er geen sprake is van een eerlijke verdeling van de afloscapaciteit en de kans dat
een gezin lijdt aan stress, geldproblemen en doorlopende druk van incassobureaus en
deurwaarders, toeneemt.
Naast deze twee fundamentele problemen was er de afgelopen jaren ook zeer gebrekkig
toezicht op incassobureaus.7 Malafide incassobureaus intimideerden mensen met schulden en maakten misbruik van
het gebrek aan kennis van mensen over wettelijke regels. Met de Wet kwaliteit incassodienstverlening,
inclusief het incassoregister, is geprobeerd om cowboys uit de incassobranche te weren.
Ook de excessieve kosten in de incassobranche zijn ingedamd. Hoewel veel incassobureaus
geregistreerd staan in het register en zich aan de wet houden, is dit systeem nog
niet waterdicht. En zolang er misstanden plaatsvinden, straalt dit negatief af op
de incassobureaus die zich wel aan de wet houden en het goede voorbeeld geven.
Wat men zich vaak niet realiseert, is dat de meest voorkomende schuldeiser in Nederland
uiteindelijk de overheid zelf is. De overheid speelt rond de schuldensituatie dan
ook een dubbele rol. Enerzijds heeft de overheid het doel om het aantal mensen in
problematische schuldensituaties te verlagen en ontwikkelt de overheid beleid en wet-
en regelgeving om dit voor elkaar te krijgen. Anderzijds draagt de overheid als grote
schuldeiser zelf ook bij aan het vergroten van de problematiek. Uit onderzoek van
Berenschot blijkt dat het aandeel van publieke vorderingen de afgelopen jaren is toegenomen.8 Bekend is ook dat regelingen van de overheid zélf veroorzaker zijn van verergering
van schuldenproblematiek, zoals de wanbetalersregeling uit de Zorgverzekeringswet9, de beperkte bescherming van de overheid voor mensen met schulden10 bij de Belastingdienst, de niet-proportionele boetes van het CJIB11 en het systeem van toeslagen die vooruit worden betaald en een jaar later tot grote
terugvordering kunnen leiden. Ook heeft de overheid voor zichzelf een uitzonderingspositie
bedongen ten opzichte van private schuldeisers. Sommige overheidsschulden hebben namelijk
voorrang bij het aflossen van schulden ten opzichte van private vorderingen.
Ook ander overheidsbeleid heeft grote invloed op de mogelijkheid om in de schulden
te belanden, zoals het kansspelbeleid. Na de legalisatie van online gokken is het
aantal (veelal jonge) mensen dat gokt explosief gestegen.12 Hoewel er geen exacte cijfers bekend zijn, is het aannemelijk dat de toename van
online gokkers gepaard gaat met een evenredige toename van het aantal hoog-risicogokkers,
inclusief bijbehorende schade (zoals schulden).13 Het signaal wordt herkend door schuldhulpverleners. Deze stijging was te voorkomen
geweest, wanneer besloten was om online gokken niet te legaliseren. Ook het gemak
waarmee mensen momenteel een schuld kunnen aangaan, mede door een gebrek aan duidelijke
kaders van de overheid, zoals bij buy-now-pay-later bedrijven, zorgt voor schuldgewenning14 en leidt tot problematische schulden. Met name jongeren worden via social media aan
veel verleidingen blootgesteld en kunnen dit nu te gemakkelijk materialiseren via
uitgestelde betalingen. Tevens werkt de (aangekondigde) uitrol van BNPL in winkelstraten
verdere normalisering en schuldgewenning in de hand.15
Het is helder dat het sneller oplossen en duurzaam voorkomen van schulden moet worden
verbeterd om het aantal mensen in problematische schuldensituaties te verminderen
en de duur ervan zo beperkt mogelijk te houden. En ook de positie van schuldeisers
verdient verbetering. Het incassosysteem moet op de schop omdat schuldeisers er nu
vaak te bekaaid vanaf komen omdat ze moeten concurreren met andere schuldeisers voor
dezelfde (vaak beperkte) afloscapaciteit. Als we willen dat mensen met schulden perspectief
ervaren, dan is het belangrijk dat de schuldeiser hun vorderingen op een andere manier
kunnen innen. Het invorderingssysteem voor problematische schulden moet op de schop.
2. Stand van Zaken
2.1. Noodzaak van veranderingen van het systeem rond het innen van problematische
schulden
Zoals uit de probleemanalyse blijkt is het noodzakelijk het huidige stelsel van het
invorderen en oplossen van problematische schulden te verbeteren. Dit was ook de conclusie
van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (hierna: IBO) dat in juni 2024 is afgerond.
Geconcludeerd wordt dat het centrale knelpunt in de huidige inrichting van de schuldenketen
een gebrek aan samenhang is: «De manier waarop het stelsel is ingericht zorgt ervoor dat elke partij prikkels heeft
om vooral haar eigen rol in de keten te spelen.»16 Een andere conclusie is dat «een substantiële verlaging van het aantal mensen met problematische schulden, en
[de] daarmee gepaard gaande maatschappelijke kosten, alleen gerealiseerd [kan worden] als er niet alleen aanpassingen in, maar ook van het bestaande systeem plaatsvinden».17 Met alleen «pleisters plakken» of kleine aanpassingen zal er geen substantiële verbetering
komen. In het IBO wordt de aanbeveling gedaan voor een samenhangend basispakket, inclusief
benodigde wetswijzigingen. De belangrijkste maatregelen in dit basispakket zijn de
invoering van het collectief afbetalingsplan, een wettelijke zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders
en een integraal overzicht van schulden.
2.2. Kabinetsreactie IBO problematische schulden
In de kabinetsreactie18 van oktober 2024 is het «basispakket aan maatregelen» dat wordt voorgesteld in het
IBO als uitgangspunt voor het te voeren beleid neergezet om de belangrijkste knelpunten
op te lossen: «De maatregelen die in deze brief worden genoemd, worden de komende tijd verder uitgewerkt
en getoetst op doelmatigheid, uitvoerbaarheid en juridische haalbaarheid. Uit deze
beleidsmatige uitwerkingen en verkenningen zal moeten blijken of en zo ja in welke
vorm wetgeving wenselijk en noodzakelijk is.»
Tot op heden hebben deze beloften nog niet tot wetswijzigingen dan wel wijzigingen
in de praktijk geleid. Zelfs van een wetsvoorstel in consultatie is nog geen sprake.
Voormalig Staatssecretaris Struyken heeft op twee maatregelen een eerste uitwerking
naar de Kamer gestuurd19, namelijk het collectief afbetalingsplan en de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders
(sociale ministerieplicht). De uitwerking op de andere maatregelen is onbekend. Bovendien
zijn de structurele middelen voor al deze maatregelen (zowel aan de zijde van J&V
als van SZW) wegbezuinigd bij de Voorjaarsnota 2025.20
De ambities van het kabinet Jetten op dit punt zijn nog onduidelijk. Er wordt structureel
150 miljoen uitgetrokken voor de aanpak van armoede en schulden. Op welke wijze deze
middelen besteed gaan worden is nog niet gespecificeerd. Daarnaast is het nog onduidelijk
hoe een aantal aangenomen moties vanuit de Kamer op dit onderwerp uitgevoerd zal worden,
waaronder een verbod op het doorverkopen van schulden,21 het afschaffen van de preferente positie van de overheid bij schulden en faillissementen22 en een vaste betaaldag voor inkomensondersteunende regelingen23.
2.3. Overige ontwikkelingen
Ondanks dat er op het gebied van wetgeving rond de fundamenten onder civiele invordering
de laatste jaren weinig is gebeurd, heeft het brede schuldendossier allerminst stilgestaan.
Aan de zijde van de schuldhulpverlening is er veel veranderd, bijvoorbeeld met het
gezamenlijk plan van het Rijk, de VNG, Divosa en de NVVK voor basisdienstverlening
schuldhulpverlening.24 Dit plan heeft als doel de verschillen in het niveau van schuldhulpverlening dat
door gemeenten wordt geboden te verkleinen.25 Een zo mogelijk veel groter effect had het amendement26 dat regelde dat de wettelijke schuldsaneringstermijn werd verkort van 36 naar 18
maanden. Hierop werd ook het minnelijke schuldentraject verkort tot 18 maanden. Ook
rond incassobureaus is er veel veranderd, waar de grootste verandering werd gerealiseerd
met de inwerkingtreding van de Wet kwaliteit incassodienstverlening. Voor het voorkomen
van schulden is de Europese richtlijn consumentenkrediet (CCDII) gewijzigd waardoor
BNPL-bedrijven vanaf november 2026 ook zullen vallen onder de werkingssfeer van deze
richtlijn.
2.4. Doel van de initiatiefnota
De initiatiefnemer doet aan de hand van de probleemanalyse voorstellen voor beslispunten
langs drie lijnen:
1. Voorkomen van schulden
2. Effectiever oplossen van schulden
3. Duurzaam schuldenvrij
Veel voorstellen zijn niet nieuw, echter is realisatie van veel van deze voorstellen
(ondanks inhoudelijke steun in de Kamer) nog steeds niet van de grond gekomen. Nu
er een nieuwe Tweede Kamer en een nieuw kabinet is aangetreden is dit het aangewezen
moment om opnieuw te prioriteren en daadwerkelijk een aantal voorstellen uit te werken
tot wetswijzigingen dan wel beleidsveranderingen.
3. Voorkomen van Schulden
De meest effectieve vorm van schuldhulp is preventie. Hoe langer iemand met schulden
rondloopt, hoe groter de kans dat deze steeds verder oplopen en een oplossing verder
uit zicht raakt. Met deze voorstellen beoogt de initiatiefnemer er enerzijds voor
te zorgen dat de kans dat iemand in de schulden raakt, wordt verkleind. Anderzijds
hebben de voorgestelde maatregelen als doel om wanneer mensen eenmaal in de schulden
zijn beland, hen zo snel mogelijk te identificeren en te helpen.
3.1. Het grensbedrag voor kredietwaardigheidstoetsing te verlagen naar € 0 (oftewel
een toets voor alle kredieten)
Consumenten zijn over het algemeen vrij goed beschermd tegen het aangaan van (grote)
leningen die ze niet kunnen terugbetalen. In de Richtlijn Consumentenkrediet zijn
de kaders opgenomen waaraan kredietverstrekking en informatie daarover moeten voldoen.
De aanbieder moet bij kredieten tussen € 250 en € 1.000 informatie inwinnen over de
inkomsten en lasten van de consument. Voor kredieten boven € 250 moeten aanbieders
het BKR raadplegen voor bestaande schulden en eventuele betalingsachterstanden.27 Vanaf € 1.000 moeten aanbieders die informatie verifiëren aan de hand van objectieve
informatie (bijvoorbeeld een loonstrook).
Onterecht werden aankopen die werden gedaan via BNPL-dienstverleners niet gezien als
verstrekt krediet, waarvoor deze strenge regelgeving over informatieverstrekking en
kredietwaardigheid niet van toepassing was op deze bedrijven. Inmiddels is duidelijk
dat de BNPL-sector en de grote e-commerceplatforms vanaf november 2026 onder de Europese
Richtlijn Consumentenkrediet gaan vallen en dus zullen moeten voldoen aan strenge
regelgeving.
Een grensbedrag van € 250 voor kredietwaardigheidsbeoordeling, verificatie en BKR-check
voor BNPL-aankopen zou te hoog zijn. Bekend is dat bij negen op de tien BNPL-transacties
waarbij betalingsproblemen ontstaan het bestedingsbedrag onder de € 250 lag. Een grensbedrag
van € 250 voor kredietwaardigheidstoetsing zou ervoor zorgen dat maar één op de tien
transacties met betalingsproblemen binnen de reikwijdte van de kredietwaardigheidstoetsing
en BKR-checks gaat vallen.28 Het is dus noodzakelijk om, zoals ook de AFM stelt, de grens naar € 0 te verlagen
zodat kredietverstrekkers voor ieder krediet moeten toetsen of de klant de lasten
kan dragen.
Zonder verlaging van deze grens zal de nieuwe wetgeving weinig effect hebben om het
risico van BNPL-transacties op het ontstaan van schulden drastisch te verlagen. Initiatiefnemer
stelt daarom voor om de grens te verlagen naar € 0 om de wetgeving zo effectief mogelijk
te laten zijn.
3.2. Realiseer (wettelijk vereiste) waterdichte leeftijdsverificatie voor BNLP
Binnen de groep consumenten die gebruik maakt van BNPL is er een verschil in de mate
van kwetsbaarheid. Minderjarigen vormen vanzelfsprekend een kwetsbare doelgroep. Volgens
de AFM is deze mogelijkheid voor jongeren «riskant».29 Het is op grond van artikel 1:234 lid 1 BW niet toegestaan om aan minderjarigen krediet
te verstrekken. Nu BNPL-bedrijven de afgelopen jaren niet onder de reikwijdte van
de Richtlijn Consumentenkrediet vielen konden minderjarigen door de mazen van de wet
heen alsnog gebruik maken van deze dienstverlening. Onder politieke druk hebben de
BNPL-aanbieders uiteindelijk in hun eigen gedragscode een minimumleeftijd van 18 jaar
geïntroduceerd.30 Met de aanstaande implementatie van de nieuwe Richtlijn Consumentenkrediet wordt
deze wettelijke leeftijdsgrens expliciet gemaakt ook voor BNPL-dienstverlening en
wordt het expliciet verboden om krediet te verstrekken aan minderjarigen.
Ondanks de gedragscode van BNPL-bedrijven is de leeftijdscontrole niet waterdicht.
Hierover zijn al eerder zorgen geuit en stappen ondernomen.31 Gebruikers kunnen de leeftijdsgrens gemakkelijk omzeilen en uit onderzoek van Nibud/ABN
AMRO blijkt dat 13% van de jongeren onder de 18 jaar alsnog gebruik maakt van achterafbetaaldiensten.32 Daarnaast is te zien dat hoewel Klarna, de grootste aanbieder van achterafbetaaldiensten,
aangeeft geen reclame te maken onder jongeren33, juist generatie Z en millennials het meest merkbewust zijn van Klarna.34 Het is aannemelijk dat deze conclusies uit onderzoek in Groot-Brittannië ook van
toepassing kunnen zijn op Nederland.
Een waterdichte leeftijdsverificatie is nodig voor gebruikers van BNPL-dienstverlening,
ook voor handhaving van de aankomende wettelijke verplichting. Initiatiefnemer stelt
daarom voor om aan de wettelijke leeftijdsverificatie een verplichting tot gebruik
van een waterdicht systeem te koppelen. Een voorbeeld hiervan is de dienst iDIN, een
dienst van banken waarmee consumenten via een privacyproof manier kunnen bewijzen
dat zij voldoen aan het leeftijdsvereiste. Initiatiefnemer stelt voor dat het kabinet
dit voorstel verwerkt in de wet die de aangepaste Richtlijn Consumentenkrediet implementeert.
3.3. Vereis dat jongeren tot 21 jaar bij aankoop via achterafbetaaldienst minstens
één termijn betalen
De AFM onderscheidt twee typen van achteraf betalen: in één keer en in termijnen.
Bij het eerstgenoemde moet het gehele bedrag in één keer worden betaald, meestal binnen
14 of 30 dagen. Bij het tweede type betaalt de consument over meerdere termijnen en
wordt bij de aankoop al het eerste deel betaald. Gebruikers die conform het tweede
type betaalden in 2024, hadden verhoudingsgewijs minder betalingsproblemen: er kwamen
19% minder ingebrekestellingen voor.35 Dit is een kans die moet worden benut. Daarom stelt initiatiefnemer voor om het verplicht
te maken dat gebruikers van BNPL-dienstverlening onder de 21 jaar gebruik moeten maken
van afbetaling in meerdere termijnen en dus geen gebruik mogen maken van het volledig
achteraf betalen van een aankoop.
3.4. Rechtvaardige boetes door het CJIB
Het is al lang bekend dat verkeersboetes een disproportionele hoogte hebben. Deze
conclusie is onlangs opnieuw getrokken uit onderzoek van het WODC, maar ook helder
uitgelegd in het boek «De Boetefabriek» van Merel van Rooy36. De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv)
had ten tijde van oprichting het centrale uitgangspunt dat de sancties laag en gestandaardiseerd
moesten zijn, passend bij het lichte karakter van de overtredingen. Sinds 1994 heeft
er een tarievenstijging van 220% plaatsgevonden, terwijl de consumentenprijsindex
70% steeg.37 Daarnaast kan, indien een boete niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, de
vordering oplopen tot drie keer het oorspronkelijke bedrag. Tevens staan disproportionele
dwangmiddelen zoals gijzeling nog steeds in de wet.
Eén van de geobserveerde neveneffecten van de Wahv is dat de sanctionering kan leiden
tot (vergroting van) schuldenproblematiek. Dit wordt vooral veroorzaakt door de al
te hoge boetes en de excessieve kosten bij het niet tijdig betalen van boetes. Initiatiefnemer
stelt voor om:
• De kosteloze betalingsherinnering bij Wahv-boetes wettelijk te verplichten en structureel
te financieren (financiering hiervoor is weggehaald bij de Voorjaarsnota 2025); het
Kabinet stuurt hier voor eind 2026 een wetsvoorstel naar de Kamer toe.
• Het schrappen van het wettelijke minimumbedrag (nu € 225) waarbij een betalingsregeling
overeen kan worden gekomen (artikel 23 lid 2 Wahv) of het bedrag in overeenstemming
brengen met het bedrag van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke en administratiefrechtelijke
beslissingen (€ 75). Hoewel het CJIB het inningsbeleid door de jaren heeft versoepeld
is de wetgeving nog niet aangepast;
• De aanmaningskosten van verkeersboetes (van nu 50% bij eerste verhoging en 100% bij
tweede verhoging) drastisch te verlagen en in overeenstemming te brengen met de verhogingen
van niet-tijdig betaalde strafrechtelijke sancties (€ 20 bij eerste verhoging en 20%
van het openstaand bedrag bij tweede verhoging);
• Wahv-tarieven niet langer beleidsmatig verhogen, eerdere verhogingen stapsgewijs terugdraaien
en perverse financiële prikkels uit het boetebeleid halen door de beslissingsbevoegdheid
over de hoogte van boetes bij een onafhankelijke expertgroep te beleggen.
• Het schrappen van de gijzelingsmogelijkheid voor wet-Mulder boetes.
3.5. Direct sanctioneren van incassobedrijven bij overtreding incassoregister en herziening
toegestane incassokosten
Op 1 april 2024 is de Wet kwaliteit incassodienstverlening (hierna: Wki) in werking
getreden. De wet eist dat alle incassodienstverleners zich dienen te registreren in
het register incassodienstverlening. De wet stelt eisen aan de kwaliteit van incassodienstverlening.
Doel van de wet is om consumenten beter te beschermen tegen malafide praktijken. Het
is niet toegestaan om incassoactiviteiten te ondernemen zonder registratie in het
register (artikel 4 lid 1 Wet kwaliteit incassodienstverlening).
In de wet zijn sancties opgenomen richting bedrijven die zich niet houden aan de wet.
De Minister is bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke
boete (artikel 15 en 16 Wki). Bij zeer ernstige overtredingen kan de Minister een
registratie ook doorhalen (artikel 17 Wki). Wanneer een bedrijf wel incassowerkzaamheden
uitvoert, maar niet geregistreerd staat in het register kan de Minister een last onder
dwangsom opleggen. Deze last onder dwangsom is niet bindend. De Minister is niet verplicht
een last onder dwangsom op te leggen wanneer bedrijven niet geregistreerd staan in
het register, maar dat wel behoren te zijn. Recent werd bekend dat de grootste aanbieder
van buy-now-pay-later-dienstverlening in Nederland, Klarna, niet geregistreerd staat in het incassoregister.
Dit terwijl hun buitengerechtelijke incassowerkzaamheden wel onder de reikwijdte van
de Wki vallen.38 Onduidelijk is of de Inspectie van Justitie en Veiligheid hier handhavend tegen heeft
opgetreden. Initiatiefnemer acht het onwenselijk dat handhaving in dit geval een optie
is, en geen dwingend karakter. Om die reden stelt initiatiefnemer voor de regering
te verzoeken artikel 15 van de Wki te wijzigen en hier een meer dwingende bepaling
van te maken.
De incassokosten die incassobedrijven mogen rekenen zijn gereguleerd in de Wet Incassokosten
(WIK) en de bijbehorende staffel (Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten,
BIK). Deze bedragen zijn toe aan herijking. Hoewel met de komst van de Wet Kwaliteit
Incassodienstverlening een aantal aanpassingen zijn gedaan, blijven een aantal fundamentele
wijzigingen uit. Zo zijn de minimum kosten van € 40, ook bij zeer lage bedragen, een
perverse financiële prikkel om versneld over te gaan tot een aanmaning met verhoogde
incassokosten. Het WODC evalueert genoemde wetgeving momenteel.39 Initiatiefnemer acht het (ten minste) noodzakelijk dat het minimumbedrag wordt aangepast
en de rechter meer ruimte te geven om de kosten zelf te matigen als daar gerechtvaardigde
redenen voor zijn.
3.6. Laagdrempelige hulp voor mensen met financiële problemen
Voorkomen is beter dan genezen. Wanneer mensen die op het randje van schulden balanceren
op tijd geholpen worden kan veel leed worden voorkomen. Deze hulp is er nu vaak al
wel, maar veel mensen weten de hulp niet te vinden. In Nederland zijn enorm veel vrijwilligers
actief in de schuldhulpverlening (verenigd in de Alliantie Vrijwillige Schuldhulp).
Zij helpen mensen met het lezen van brieven, het inventariseren of mensen nog recht
hebben op toeslagen of gemeentelijke potjes, het op orde houden van het huishoudboekje
of het aanvragen van een betalingsregeling. Deze vrijwilligers zijn goud waard. Formele
hulp (via een gemeente) is vaak een drempel te hoog of mensen zijn nog niet zo erg
in de problemen dat formele hulp niet kan. Het is belangrijk dat de informele hulp
op plekken aanwezig is waar mensen komen, zoals scholen, apotheken, huisartsen of
buurthuizen. En de professionals die daar werken moeten kunnen herkennen dat mensen
financieel kwetsbaar zijn en weten hoe ze kunnen doorverwijzen naar vrijwillige schuldhulpverlening.
Initiatiefnemer stelt voor dat het kabinet in samenwerking met andere sectoren verkent
hoe informele hulp op steeds meer plekken beschikbaar wordt.
3.7. Duurzame verankering van vrijwillige schuldhulpverlening in beleid
In totaal ondersteunen meer dan 20.000 vrijwilligers ruim 56.000 hulpvragers bij geldzorgen,
van preventie tot nazorg. Uit onderzoek van Deloitte blijkt dat de hulp die geboden
wordt door de Alliantie Vrijwillige Schuldhulp (AVS) tot gigantische besparing van
overheidsuitgaven leidt.40 De maatschappelijke waarde van schuldhulp bedraagt € 208 miljoen op jaarbasis. Het
werk van vrijwilligers is onmisbaar. Professionele schuldhulpverleners hebben beperkte
tijd per hulpvrager en hebben niet de ruimte en tijd om tassen vol ongeopende brieven
door te spitten. Vrijwilligersorganisaties zijn daarom essentieel in het systeem van
schuldhulpverlening en het voorkomen van schulden. Ze zijn een cruciale aanvulling
op de professionele hulp die door gemeenten geboden wordt. Vrijwilligers bereiken
groepen mensen die de overheid niet bereiken en verlagen de drempel om hulp te vragen
bij hun financiële situatie.
Vrijwilligersorganisaties zijn daarmee cruciaal voor de algehele schuldenaanpak. Desondanks
hangt de financiering ervan vaak van tijdelijke subsidies aan elkaar en worden ze
niet gezien als volwaardige partners door het ministerie. Structurele financiële ondersteuning
van vrijwilligersorganisaties én erkenning van hun rol en functie in het totaalsysteem
is noodzakelijk want zonder deze organisaties zou het kaartenhuis ineen storten. Daarnaast
stelt initiatiefnemer voor dat informele hulp, verenigd in de Alliantie Vrijwillige
Schuldhulp, wordt meegenomen in de overlegstructuren van de ministeries wanneer het
om schuldhulpverlening en bestrijding van armoede gaat.
3.8. Versterk financiële educatie voor jongeren en startende ondernemers
Er is ook een wereld te winnen door verbeterde financiële educatie voor jongeren en
voorlichting voor mensen die besluiten om ondernemer te worden. Het op jonge leeftijd
leren omgaan met geld is cruciaal om een gezond zelfstandig leven te kunnen leiden.
Er is een subsidieregeling «Financiële educatie in het onderwijs» waar veel behoefte
aan is: er doen veel meer scholen een beroep op de subsidieregeling dan er budget
voor is.41 Uitbreiding van deze subsidieregeling is noodzakelijk om meer jongeren te bereiken
met deze educatie. Ook initiatieven als «Wijzer in geldzaken» om de financiële geletterdheid
te stimuleren (bijv. door de «week van het geld») dragen bij en verdienen meer aandacht.
Naast jongeren zijn startende zelfstandigen ook een groep mensen die risico lopen
op een problematische schuldensituatie. Het aantal zelfstandigen (met of zonder personeel)
met een belastingschuld is nu nog steeds een stuk hoger dan voor de coronacrisis.42 Het is eenvoudig om jezelf in te schrijven bij de Kamer van Koophandel maar een deel
van de zelfstandigen is niet (goed) op de hoogte van hoe een financieel gezonde onderneming
draait, en de complexiteit van het belastingstelsel is lastig te doorgronden. Betere
en laagdrempelige voorlichting voor startende ondernemers kan leiden tot meer bewustwording
over de financiële gevolgen (en mogelijke persoonlijke aansprakelijkheid) van deze
keuze.
4. Effectiever oplossen van schulden
Het is duur om arm te zijn. Deze constatering is voor vele gezinnen een realiteit,
omdat ze geconfronteerd worden met een neerwaartse spiraal als gevolg van het hebben
van schulden. Denk aan oplopende kosten, maar ook aan een gebrek aan adequate ondersteuning.
Dit vraagt om een hervorming van de huidige incassopraktijk. Door te komen met een
nieuw systeem van het invorderen van schulden en incassowerkzaamheden waardoor oplopende
kosten beteugeld worden, de gerechtsdeurwaarders meer instrumenten te geven om ook
het belang van de schuldenaar te kunnen meewegen, en mogelijkheden te creëren waardoor
mensen, en met name jongeren, sneller van hun schulden af zijn, kunnen we ervoor zorgen
dat veel mensen een tweede start kunnen maken. Hiervoor doet de initiatiefnemer de
volgende voorstellen:
4.1. Voortzetting collectief afbetalingsplan met voldoende middelen
In de probleemanalyse is duidelijk geschetst dat de huidige praktijk tot onderlinge
concurrentie tussen schuldeisers inclusief bijbehorende kostenoploop leidt. Het collectief
afbetalingsplan biedt hiervoor een oplossing.43 Kern van het collectief afbetalingsplan is dat de afloscapaciteit van de schuldenaar
naar rato van de vordering wordt verdeeld over de schuldeisers. Er wordt een afbetalingsplan
gemaakt waarbij de beslagvrije voet de ondergrens is. Er ontstaat schuldenrust omdat
de incasso-activiteiten gestaakt worden. Schuldeisers hoeven niet met eindeloze (kostbare)
procedures hun best te doen om hun geld te innen. Samengevat biedt het collectief
afbetalingsplan een verschuiving van individueel naar collectief belang.
Voor het succes van het collectief afbetalingsplan is samenhang cruciaal. Zolang schuldeisers
(publiek of privaat) geen volledig inzicht hebben in elkaars vorderingen, blijven
parallel kosten worden gemaakt die de aflossingsduur verlengen of oninbaar blijken.
Een integraal schuldenoverzicht, waarin zowel publieke als private schulden (in minnelijke
én gerechtelijke fase) zijn opgenomen, is daarom een noodzakelijke randvoorwaarde.
Het collectief afbetalingsplan is in principe bedoeld voor de situatie dat er nog
geen vonnis is. Mocht één van de schuldeisers al wel een vonnis hebben dan moeten
overige schuldeisers, op verzoek van de debiteur, kunnen meedelen in beslag (zonder
een nieuw vonnis te halen). Het collectief afbetalingsplan moet dus niet enkel worden
beperkt tot minnelijke en private schulden maar ook gerechtelijke, executoriale en
overheidsschulden moeten onderdeel kunnen uitmaken van een collectief afbetalingsplan.
De expertise van gerechtsdeurwaarders kan worden ingezet om de opbrengsten te innen
van de schuldenaar en te verdelen onder de schuldeisers.
Het is belangrijk dat de Kamer de ontwikkeling van het collectief afbetalingsplan
niet alleen bevestigt, maar zich tevens committeert om hier voldoende middelen voor
vrij te maken.
4.2. Hervorm de rol van de gerechtsdeurwaarder: introductie van de sociale ministerieplicht
inclusief bijbehorend de-escalerend bekostigingsmodel
In de huidige praktijk kunnen gerechtsdeurwaarders een praktijk voeren door financiering
vanuit de opdrachtgever alsook door het uitvoeren van ambtshandelingen (betekening
van een titel, beslaglegging enzovoorts) waarvoor wettelijke tarieven zijn vastgesteld.
Dit bekostigingsmodel zorgt ervoor dat de financiële prikkels voor gerechtsdeurwaarders
vooral (of alleen) gericht zijn op de executie van een vonnis met stapeling van gerechtskosten
als gevolg. Voor de groep schuldenaren die kunnen betalen (1), maar dit weigeren is
dit geen probleem. Maar voor de groepen schuldenaren die simpelweg niet kunnen betalen
(2) of voor wie betalen ingewikkelder ligt (3) is dit bekostigingsmodel niet passend.
De verschillende groepen schuldenaren vragen om een eigen werkwijze. Voor de groepen
2 en 3 is het collectief afbetalingsplan (zoals hiervoor uitgelegd) de aangewezen
oplossing. Een gevolg van de introductie van het collectief afbetalingsplan is dat
er meer schulden in minnelijke trajecten worden opgelost en het aantal ambtshandelingen
dat gerechtsdeurwaarders zal verrichten, af zal nemen.44
Met een meer toegespitst model van instrumenten, in plaats van enkel verkrijgen en
executeren van vonnissen, wordt het maatschappelijk belang van gerechtsdeurwaarders
meer leidend. In de huidige systematiek zijn gerechtsdeurwaarders vooral gericht op
het voldoen van het openstaande bedrag. Gerechtsdeurwaarders ontvangen nu ook enkel
vergoedingen voor deze handelingen, niet voor het voorkomen daarvan. Voor een doorverwijzing
naar schuldhulpverlening of beschermingsbewind, die ambtshandelingen (inclusief kostenoploop)
voorkomen (conform de zorgplicht/sociale ministerieplicht), krijgen gerechtsdeurwaarders
nu geen vergoeding. Het loont dus niet om deze ambtshandelingen nu achterwege te laten.
Ook de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders pleit voor aanpassing
op dit punt en in het IBO Problematische Schulden wordt de huidige situatie ook duidelijk
aangekaart: «Gerechtsdeurwaarders krijgen alleen betaald voor escalatie en hebben de bevoegdheid
noch de prikkel om debiteuren actief door te verwijzen naar de hulpverlening, terwijl
dit voor veel debiteuren de aangewezen weg is.»45
Financiering voor deze meer publieke taken is passend. Het ambt van gerechtsdeurwaarders
is nota bene een publiek ambt. Een gerechtsdeurwaarder is een openbaar ambtenaar en
wordt bij koninklijk besluit benoemd door de Kroon. Een vergoeding voor de-escalerende
werkzaamheden kan een oplossing zijn en kan ervoor zorgen dat er sneller oplossingen
gevonden worden in de minnelijke fase. Bovendien verstevigt de mogelijkheid van vergoedingen
voor de-escalerende werkzaamheden ook de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder.46 Bij het ontwerp van het collectief afbetalingsplan en een meer publieke rol voor
gerechtsdeurwaarders is het van belang om het hele (nieuwe) systeem te beoordelen
zodat voorkomen wordt dat er nieuwe perverse prikkels ontstaan die niet in het belang
van schuldenaar of schuldeiser zijn.
Daarnaast moet de informatiepositie van de gerechtsdeurwaarder verbeterd worden. Momenteel
kunnen veel handelingen pas verricht worden nadat een vonnis is betekend, waardoor
er al veel kosten zijn gemaakt. Dit vereist een wetswijziging waarbij de informatiepositie
rond het kunnen bepalen van de vermogenspositie verlegd wordt naar de minnelijke fase
zodat er eerder bepaald kan worden of verdere incasseringswerkzaamheden vruchteloos
zouden zijn. Dit voorkomt onnodige kosten aan alle kanten. Deze informatiepositie
dient omkleed te worden met goede en bindende waarborgen.
4.3. Introduceer een nationaal schuldenfonds voor jongeren
Steeds meer jongeren tussen de 18 en 27 jaar kampen met geldzorgen en betalingsproblemen.47 Het hebben van schulden op jonge leeftijd heeft grote gevolgen voor het leven van
de jongere. Echter niet alleen op de korte termijn of tijdens de schuldensituatie,
maar ook voor de toekomst. Veel jongeren stoppen met hun opleiding of raken zelfs
dakloos. Het hebben van problematische schulden is voor jongeren een bedreiging voor
hun toekomstkansen.48 Om jongeren met schulden perspectief te geven op een diploma, baan en zelfstandige
woonruimte werken een aantal gemeenten met een perspectieffonds. De gemeente koopt
de schulden af met een saneringskrediet en de jongere maakt samen met een trajectbegeleider
een toekomstplan over de mogelijkheden voor het terugbetalen van de schuld en wat
er nodig is om weer naar school te gaan of stage te gaan lopen. De maatschappelijke
kosten van schulden onder jongeren zijn groot. Het niet afmaken van een opleiding
leidt tot een slechtere positie op de arbeidsmarkt en is een verspilling van menselijk
kapitaal.
Het is afhankelijk in welke gemeente je woont of het aanbod van een jongerenperspectieffonds
er is. Dat is onwenselijk. Initiatiefnemer stelt daarom voor een nationaal fonds voor
deze specifieke doelgroep op te richten. Dit zorgt ervoor dat voor elke jongere met
problematische schulden het mogelijk wordt om perspectief te krijgen op een schuldenvrije
toekomst inclusief afgeronde opleiding of het hebben en behouden van een baan.
4.4. Schaf de bestuurlijke premie in de Zorgverzekeringswet af (wanbetalersregeling)
Mensen zijn verplicht verzekerd voor de Zorgverzekeringswet. Mensen betalen hiervoor
maandelijks premie aan hun zorgverzekeraar. Wanneer mensen zes maanden lang geen zorgpremie
hebben betaald, worden zij door de zorgverzekeraar aangemeld bij het CAK voor de wanbetalersregeling
Zorgverzekeringswet. Mensen blijven (alleen voor de basisverzekering) verzekerd, worden
gesommeerd de openstaande rekening te betalen, en daar bovenop een boete van 10% van
het gemiddelde premiebedrag. Dit wordt ingehouden op loon, uitkering of pensioen en
eventuele zorgtoeslag wordt direct overgemaakt aan het CAK. Dat mensen verzekerd blijven
is uiteraard een goede zaak. De hoogte van de bestuursrechtelijke premie zorgt echter
voor problemen en brengt het doel (een duurzaam betalende klant) niet dichterbij.
De bestuursrechtelijke premie is hoger dan de reguliere zorgverzekering (in 2026 bedraagt
de bestuursrechtelijke premie € 172,70 per maand). Zodra mensen een betalingsregeling
treffen met hun zorgverzekeraar (voor de opgelopen achterstand van de «reguliere»
zorgpremie), een schuldregeling hebben getroffen of de schuld hebben afgelost, wordt
de persoon afgemeld voor de wanbetalersregeling.
De hoogte van de bestuursrechtelijke premie is vastgelegd in de Zorgverzekeringswet
en is een percentage tussen 110% en 130% van de gemiddelde premie. Per amendement
is de hoogte eerder verlaagd van 120% van de gemiddelde premie naar het wettelijk
minimum van 110%.49
Initiatiefnemer is van mening dat de bestuursrechtelijke premie moet worden afgeschaft.
Initiatiefnemer wordt gesterkt in dit standpunt door het feit dat het CAK, de Raad
voor de Rechtspraak, de VNG en de NVVK pleiten voor afschaffing van de bestuursrechtelijke
premie. De premie wordt een «boete op armoede»50 genoemd. Het CAK, die de regeling uitvoert, stelt dat de bestuursrechtelijke premie
«niet meer [past] bij maatschappelijk verantwoord innen en oplossen van schulden»51. De oorspronkelijke gedachte van de bestuursrechtelijke premie is gericht op mensen
die niet willen betalen een pressiemiddel te geven, maar feitelijk raakt het alleen mensen die niet
kunnen betalen door hun problematische schuldensituatie (die met de bestuursrechtelijke
premie alleen maar verergert).
De Raad voor de Rechtspraak bestempelde de bestuursrechtelijke premie als «buikpijndossier»
in haar jaarverslag 2021: «De Rechtspraak ziet dat er in de uitvoering van artikel 18a door zorgverzekeraars
en het Centraal Administratie Kantoor (CAK) weinig ruimte is voor de menselijke maat
en dat in deze zaken kwetsbare mensen en mensen met schulden, die jarenlang klant
zijn van het CAK een boetepremie moeten betalen bij een achterstand in de betaling
van de premie waardoor de problemen juist oplopen. Door het niet of niet op tijd betalen
van eigen risico of zorgkosten aan de eigen verzekeraar, krijgen zij dan ook nog eens
te maken met torenhoge proces- en beslagkosten. Dit soort zaken wordt veelvuldig bij
verstek afgedaan. Omdat geen verweer wordt gevoerd worden veel schrijnende situaties
ook niet gezien door de Rechtspraak.»52 Het Ministerie van VWS liet onderzoeksbureau AEF onderzoek uitvoeren naar het effect
van de bestuursrechtelijke premie. De hoofdconclusie van het onderzoek was dat «de effectiviteit en de legitimiteit van de boete niet kan worden aangetoond en onderschreven».53 De motiverende werking van de regeling wordt overschat en als er al een prikkel tot
uitstroom is, is die niet duurzaam.
Initiatiefnemer acht het tijd eindelijk te besluiten om de bestuursrechtelijke premie
af te schaffen en andere manieren te zoeken om mensen duurzaam hun zorgverzekeringspremie
te laten betalen aan de zorgverzekeraar. Een manier hiervoor is om met mensen met
(een risico op) betalingsachterstanden af te spreken dat hun zorgtoeslag rechtstreeks
verrekend wordt met de zorgpremie.
4.5. Een maximumrentebedrag invoeren bij overheidsvorderingen
Schuldenaren met een beperkte afloscapaciteit lopen het risico op de situatie dat
een schuld nooit afbetaald raakt. Hun afloscapaciteit gaat volledig op aan de (groeiende)
rente en kosten. Uiteindelijk komen ze nooit toe aan het daadwerkelijk aflossen van
de oorspronkelijke vordering. Dit leidt tot uitzichtloze schuldensituaties.
Zeker bij openstaande overheidsvorderingen, bijvoorbeeld bij het CJIB of de Belastingdienst,
is dit een onwenselijke situatie. Waar de overheid aan de ene kant probeert om mensen
uit een problematische schuldensituatie te krijgen, hanteert diezelfde overheid aan
de andere kant te strakke regels waardoor er juist een uitzichtloze schuldensituatie
ontstaat. Initiatiefnemer stelt daarom voor om bij overheidsvorderingen de omvang
van de rentekosten na verloop van tijd (of na het behalen van een bepaald percentage
van de oorspronkelijke vordering) vast te zetten óf om af te spreken dat bij overheidsvorderingen
altijd evenredig afgelost wordt over de hoofdsom, incassokosten en rentekosten. Doel
is dat er altijd óók wordt afgelost op de hoofdsom en niet alleen de groeiende rente
en kosten. Daarmee wordt aan de schuldenaar tegemoet gekomen en wordt de schuldeiser
(in dit geval de overheid) niet «verrijkt» met rentes.
4.6. Wijzigen preferente positie overheidsvorderingen
De individuele insteek van het innen van vorderingen (zoals beschreven in de probleemanalyse)
worden versterkt doordat preferente vorderingen voorrang hebben bij de inning, maar
ook een betere informatiepositie hebben. De invordering van private schulden wordt
gepauzeerd en een private schuldeiser ontvangt niets, zolang een preferente schuld
open staat.54 Door de betere informatiepositie van de Belastingdienst kan zij gerichter beslag
leggen.
Het is noodzakelijk om de werkwijze rond preferente vorderingen te wijzigen. Ook hier
is het immers de vraag of de preferentie niet zorgt voor nieuwe schuldenaren. Daarnaast
zou de werkwijze dat private vorderingen geen aflossing krijgen totdat de preferente
vordering is afgelost bij introductie van het collectief afbetalingsplan er ook ertoe
kunnen leiden dat private schuldeisers hier niet aan willen meewerken. Een collectief
afbetalingsplan zonder wijziging van de preferente vorderingen zorgt er namelijk voor
dat private schuldeisers alsnog geen geld ontvangen. Voor het succes van het collectief
afbetalingsplan is het noodzakelijk om ten minste dezelfde regels te hanteren die
nu bij een (wettelijk) schuldsaneringstraject worden gebruikt. Preferente schuldeisers
ontvangen een twee keer zo hoog percentage ten opzichte van concurrente schuldeisers.
Deze systematiek moet nu vanuit het saneringstraject naar voren gehaald worden naar
het reguliere invorderingstraject. Een motie om de preferente positie van de overheid
te wijzigen bij vormgeving van het collectief afbetalingsplan is overigens al aangenomen.55 In de Kabinetsbrief over de eerste uitwerking van het collectief afbetalingsplan
wordt dit probleem erkend56 maar vervolgens geen oplossing geboden (zoals hierboven geschetst). Initiatiefnemer
stelt een wetswijziging voor die de preferente positie van de overheid aanpast.
4.7. Verkorting verjaringstermijn consumentenvorderingen
Een wettelijk vonnis verjaart momenteel na 20 jaar. Deze verjaring is er om de schuldenaar
te beschermen tegen een schuldeiser die wacht met het uitoefenen van zijn recht. Schuldopkopers
kunnen in de huidige praktijk een verdienmodel maken door verjaringen te stuiten en
geld verdienen door de oploop van de rente en andere kosten. De huidige verjaringstermijnen
en mogelijkheden tot het stuiten van de termijnen zorgen ervoor dat vorderingen oneindig
in het rechtsverkeer vastgehouden worden, ook als de kans op inning miniem is. De
te innen bedragen van de oorspronkelijke vordering staan na jaren niet meer in verhouding
tot de gemaakte kosten (en de uiteindelijke vordering).
Bovendien is het voor veel consumenten te ingewikkeld om een vordering op verjaring
te onderzoeken. Conform artikel 3:322 BW is een rechter ook niet bevoegd ambtshalve
te onderzoeken of een vordering verjaard is. Initiatiefnemer stelt voor om dit artikel
te wijzigen en rechters voor consumenten deze bevoegdheid wel te geven. Daarnaast
stelt initiatiefnemer voor de verjaringstermijn van (consumenten)vorderingen te verkorten.
De termijn van 20 jaar na een wettelijk vonnis moet worden verkort omdat de huidige
termijn vooral ten voordele wordt gebruikt door schuldopkopers. Ook kunnen er regels
gesteld worden dat een consumentenkoopvordering ophoudt te bestaan bij overlijden
van de debiteur (nu is dat niet zo en gaat de vordering over op de erfgenamen).
4.8. Een krediettax voor consumptieve kredieten (incl. BNPL)
De maatschappelijke gevolgen van schulden worden nu volledig afgewenteld op de maatschappij.
In andere sectoren is het gebruikelijk dat producenten een (zeer klein) deel van de
maatschappelijke kosten op zich nemen. Voorbeelden hiervan zijn de verwijderingsbijdrage
bij elektronische apparaten of de bijdrage van de verpakkingsindustrie. Ook voor de
«industrie» van consumptieve kredieten (incl. BNPL) stelt initiatiefnemer een dergelijke
bijdrage voor. Bij elk consumptief krediet wordt een zeer beperkt percentage geheven
dat wordt gestort in een fonds. Vanuit dit fonds kan het schuldenfonds voor jongeren
worden gevuld of dekking gegeven worden aan het oplossen van schulden of preventieve
maatregelen.
4.9. Ook de BES schuldenvrij
Diverse wetgeving die in Nederland wel van toepassing is, is niet van toepassing op
de BES-eilanden. Aangezien inwoners van de BES ook gewoon Nederlanders zijn is het
onacceptabel dat zij mindere consumentenbescherming hebben dan Nederlanders die in
Europees Nederland wonen. Zo zijn de wettelijke kaders rond incassodienstverlening
en normering incassokosten niet van toepassing op de BES. Initiatiefnemer acht dit
onacceptabel. Initiatiefnemer stelt voor dat de regering snel met een voorstel komt
om voor de BES betere consumentenbescherming te ontwikkelen, vergelijkbaar met het
niveau in Europees Nederland.
5. Duurzaam schuldenvrij
Schuldregelingen en schuldhulpverlening zijn erop gericht om mensen schuldvrij te
krijgen. Schuldvrij betekent echter niet dat iemand duurzaam uit de schulden blijft.
Er zijn helaas geen cijfers bekend over de omvang van deze terugval.57 Gebrek aan begeleiding, persoonlijkheidskenmerken, life events of het slecht kunnen
omgaan met geld kunnen ervoor zorgen dat mensen opnieuw in de schulden terechtkomen.
Om deze terugval te minimaliseren is het belangrijk om te investeren in het natraject.
Initiatiefnemer doet daarom de volgende voorstellen:
5.1. Betrek persoonlijkheidskenmerken in beleid en bij de ontwikkeling van wet- en
regelgeving
Tot nu toe is in het debat en beleid over problematische schulden weinig aandacht
besteed aan persoonlijkheidskenmerken van mensen met problematische schulden. Prof.
dr. Nadja Jungmann heeft hier recent een oratie over uitgesproken.58 De afgelopen jaren is er vooral aandacht besteed aan generiek beleid en generieke
verbeteringen van wet- en regelgeving. De drempels voor schuldhulpverlening zijn verlaagd
en de termijn voor schuldhulpverleningstrajecten zijn gehalveerd. Er is dus vooral
aandacht besteed om mensen schuldvrij te krijgen. Maar voor zowel schuldeisers als
schuldenaren is het van belang dat een schone lei ook duurzaam is. Een schuldeiser
gaat gemakkelijk akkoord bij het kwijtschelden van een schuld van een consument, maar
het herhaaldelijk moeten kwijtschelden van schulden van diezelfde consument is onwenselijk
en leidt ertoe dat het draagvlak voor schuldregelingen afneemt. Het voorkomen van
recidive is dus cruciaal.
Om daarin te voorzien is het van belang onder ogen te zien dat het dominante beeld
in het beleid dat mensen door life-events in financiële problemen komen te beperkt
is. Een life-event brengt mensen vaak in een financieel kwetsbare situatie. In die
situatie gaan persoonlijkheidskenmerken een belangrijke rol spelen. Zo blijkt uit
Nederlands onderzoek dat mensen die laag scoren op zelfcontrole beduidend vaker melden
dat zij financiële problemen en betalingsachterstanden hebben dan mensen met veel
zelfcontrole.59 Ook ander Nederlands onderzoek bevestigt dit beeld. Daaruit blijkt ook dat verschillen
in betalingsachterstanden slechts voor ongeveer een kwart samenhangen met inkomen,
inkomensschokken, werk en gezondheid, terwijl financiële keuzes, financieel inzicht
en impulsief koopgedrag samen een aanmerkelijk groter deel verklaren.60 Gedrag is een factor van invloed bij zowel het ontstaan als het duurzaam oplossen
van schulden.
Ter illustratie een voorbeeld. Voor iedere 18-plusser is het legaal om online te gokken.
Wie goed in staat is om het eigen gedrag te reguleren en met verlangens om te gaan,
doet dat niet of af en toe recreatief. De groep met lage zelfregulatie is veel ontvankelijker
voor de verleiding om te gokken. Het beleid is generiek en gaat voorbij aan de beschermingsbehoefte
die een bepaalde groep mensen nodig heeft.
Concreet betekent het voorgaande dat er meer onderzoek nodig is naar de rol van persoonlijkheidskenmerken
bij het ontstaan en (duurzaam) oplossen van schulden. Hoe kunnen we mensen met onder
meer lage zelfcontrole en lage consciëntieusheid ondersteunen om niet in de schulden
te komen en als het toch gebeurt na een schuldhulpverleningstraject helpen om duurzaam
schuldenvrij te blijven? Initiatiefnemer stelt voor om hier nader onderzoek naar te
laten verrichten en daarbij ook te betrekken wat inzichten over de invloed van persoonlijkheidskenmerken
kunnen betekenen bij het terugdringen van het niet-gebruik van schuldhulpverlening.
Vervolgens is het ook aan de overheid om haar eigen rol in het veroorzaken van schulden
onder de loep te nemen. Dat begint met wat de overheid legaal toestaat, bijvoorbeeld
rond BNPL en online gokken. Maar ook in haar eigen beleid gaat de overheid vaak te
veel uit van rationeel handelende burgers die zelf in de actiestand moeten komen.
Dit terwijl eenvoudige maatregelen mensen kunnen beschermen en problemen kunnen voorkomen.
We verwachten nu van mensen dat zij zelf aan de bel trekken bij Dienst Toeslagen als
ze verhuizen, gaan samenwonen of scheiden, of als het inkomen omhoog of omlaag gaat,
enzovoorts. Met gegevensdeling en een meer pro-actieve signaleringsrol van Dienst
Toeslagen valt hier al een wereld te winnen. Initiatiefnemer stelt voor dat het kabinet
hier duidelijke wettelijke grondslagen voor creëert en hier ook helder over communiceert
naar medeoverheden en hulporganisaties.
5.2. Rust werkgevers beter toe hoe om te gaan met loonbeslag bij werknemers
Financiële problemen of schulden hebben een negatief effect op het functioneren van
mensen. Ook op de werkvloer. Uit onderzoek van het Nibud61 uit 2017 blijkt dat 62% van de werkgevers te maken heeft met werknemers met financiële
problemen. Een werkgever is al snel € 13.000 per jaar kwijt aan een dergelijke werknemer
als gevolg van ziekteverzuim en productiviteitsverlies. Voor zowel werkgevers als
werknemers is een financieel gezonde thuissituatie dus cruciaal.
Door de mogelijkheid van schuldeisers om loonbeslag te leggen kan een werkgever al
in een (relatief) vroeg stadium ontdekken dat een werknemer financiële problemen heeft.
Het is van belang dat een werkgever dan weet wat hij het beste kan doen en hoe hij
zijn medewerker optimaal kan ondersteunen. Werkgevers kunnen dus een cruciale rol
spelen in het vroegsignaleren van schulden om erger te voorkomen. Zodat de medewerker
perspectief krijgt op het einde van het loonbeslag, duurzaam schuldenvrij kan blijven
én duurzaam optimaal kan functioneren.
Er komen nu situaties voor waarin werknemers jarenlang loonbeslag hebben, en de werkgever
hier dus ook jarenlang van op de hoogte is. Veel schuldenaren weten niet dat er hulp
is via gemeenten of willen deze hulp niet aannemen. Bijvoorbeeld omdat ze denken er
in een saneringstraject financieel nog verder op achteruit te gaan. Initiatiefnemer
stelt voor om werkgevers beter toe te rusten hoe om te gaan met werknemers met schulden
en de samenwerking tussen werkgevers en gemeentelijke schuldhulpverlening, brancheorganisaties,
informele hulpverlening en rijksoverheid te verbeteren zodat werknemers gemakkelijker
en actiever doorverwezen worden naar gemeenten voor hulp. Daarnaast stelt initiatiefnemer
voor om in de Wgs een wettelijke grondslag te creëren voor het geven van een signaal
richting gemeenten wanneer er loonbeslag is gelegd.
5.3. Verbeter schuldhulpverlening na detentie
Van specifieke groepen mensen is bekend dat zij groot risico lopen op het hebben van
problematische schulden. Één van deze groepen is (ex-)gedetineerden. Het hebben van
problematische schulden kan bovendien ook zorgen voor terugval in criminaliteit. Het
vroegtijdig starten van schuldhulpverlening tijdens detentie is één van de meest bepalende
factoren voor succesvolle re-integratie. Praktijkervaring, bijvoorbeeld uit de PI
in Alphen aan den Rijn, laat zien dat dit ook kan en werkt. Door al tijdens detentie
te beginnen met de schuldenaanpak, kan bij vrijlating een lopend traject worden voortgezet
in plaats van dat iemand opnieuw moet aankloppen.
Daarnaast blijft de afhankelijkheid van gemeentelijk beleid een structurele belemmering.
Het maakt voor ex-gedetineerden in de praktijk sterk uit naar welke gemeente zij terugkeren,
mede doordat de gemeente van herkomst niet altijd de gemeente van inschrijving is
en beleidskaders verschillen. Het toewerken naar landelijke basiselementen voor re-integratie
zou de rechtsgelijkheid en uitvoerbaarheid vergroten. In het eerder gesloten Bestuurlijk
Akkoord re-integratie ex-gedetineerde burgers (2019)62 is vastgelegd dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor ondersteuning bij schulden,
maar deze verantwoordelijkheid is onvoldoende concreet uitgewerkt en de afstemming
met de PI blijft diffuus. Gezien de verstreken tijd ligt een evaluatie van het akkoord
voor de hand, met als doel de rollen en verantwoordelijkheden scherper te definiëren
en de aansluiting tussen detentie en gemeentelijke ondersteuning te verbeteren. Initiatiefnemer
stelt voor dat het kabinet een evaluatie doet naar het huidige beleid en tevens in
gesprek met de PI’s en lokale gemeenten tot een herijking van het beleid komt. Daarnaast
stelt initiatiefnemer voor de rechter de bevoegdheid te geven, om in zeer uitzonderlijke
gevallen, ook strafrechtelijke vorderingen mee te laten nemen in een WSNP-traject.
5.4. Verbeter begeleiding na schuldhulpverleningstraject in samenwerking met vrijwillige
schuldhulpverleningsorganisaties
Nazorg na een schuldhulpverleningstraject is cruciaal voor het voorkomen van nieuwe
financiële problemen. Nazorg is echter verre van standaard. Het bieden van nazorg
is onderdeel van de Wgs, maar gemeenten worstelen met de uitvoering. In slechts een
derde tot de helft van de gevallen is er vanuit gemeenten contact na afronding van
een traject.63 Zeker nu de schuldsaneringstrajecten zijn verkort van 36 naar 18 maanden en het nulaanbod
toeneemt wordt het belang van nazorg vergroot. Initiatiefnemer stelt voor om, net
als bij de toegang tot schuldhulpverlening, de samenwerking met vrijwilligersorganisaties
te versterken en hen een nadrukkelijke rol te geven in nazorg na saneringstrajecten.
6. Beslispunten
Om schulden te voorkomen vraagt initiatiefnemer aan de Kamer om de regering te verzoeken
de volgende maatregelen te nemen:
– Het grensbedrag voor kredietwaardigheidstoetsing te verlagen naar € 0 (ofwel een toets
voor alle kredieten
– Een waterdichte leeftijdsverificatie voor BNPL-dienstverlening wettelijk te verankeren
– Wettelijk te vereisen dat jongeren tot 27 jaar bij aankoop via achterafbetaaldiensten
minstens één termijn moeten betalen
– De boetesystematiek van, en inning van boetes door het CJIB te verbeteren, door:
• De kosteloze betalingsherinnering bij Wahv-boetes wettelijk te verplichten en structureel
te financieren (financiering hiervoor is weggehaald bij de Voorjaarsnota 2025); het
Kabinet stuurt hier voor eind 2026 een wetsvoorstel naar de Kamer toe.
• Het schrappen van het minimumbedrag (nu € 225) waarbij een betalingsregeling overeen
kan worden gekomen (artikel 23 lid 2 Wahv) of het bedrag in overeenstemming brengen
met het bedrag van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke en administratiefrechtelijke
beslissingen (€ 75);
• De aanmaningskosten van verkeersboetes (van nu 50% bij eerste verhoging en 100% bij
tweede verhoging) drastisch te verlagen en in overeenstemming te brengen met de verhogingen
van niet-tijdig betaalde strafrechtelijke sancties (€ 20 bij eerste verhoging en 20%
van het openstaand bedrag bij tweede verhoging);
• Wahv-tarieven niet langer beleidsmatig te verhogen, eerdere verhogingen stapsgewijs
terugdraaien en perverse financiële prikkels uit het boetebeleid halen door de beslissingsbevoegdheid
over de hoogte van boetes bij een onafhankelijke expertgroep te beleggen.
• De gijzelingsmogelijkheid voor wet-Mulder boetes te schrappen.
– Incassobedrijven bij overtreding van het incassoregister direct te sanctioneren en
de toegestane incassokosten (BIK) te herzien.
– Een meer dekkend aanbod van laagdrempelige hulp voor geldzorgen organiseren samen
met vrijwilligersorganisaties inclusief kennis en kunde bij huisartsen, scholen, apotheken
enzovoorts voor warme doorverwijzing naar deze hulp
– Vrijwillige schuldhulpverlening te verankeren door structurele financiering en betrokkenheid
bij ontwerp en discussies over het totaalsysteem van schuldhulpverlening
Om schulden effectiever op te lossen vraagt initiatiefnemer aan de Kamer om de regering
te verzoeken de volgende maatregelen te nemen:
– Ontwikkel het collectief afbetalingsplan tot instrument dat in de praktijk ingezet
kan worden inclusief adequate financieringssystematiek
– Hervorming van de rol van de gerechtsdeurwaarder: introduceer de sociale ministerieplicht
inclusief bijbehorend de-escalerend bekostigingsmodel en betere informatiepositie
– Introductie van een nationaal schuldenfonds voor jongeren
– Afschaffing van de bestuursrechtelijke premie in de Zorgverzekeringswet
– Invoeren van een maximumrentebedrag bij overheidsvorderingen of overheidsvorderingen
evenredig laten aflossen (rente/kosten/hoofdsom)
– Preferente positie van overheidsvorderingen wijzigen
– Verjaringstermijn consumentenvorderingen verkorten
– Betere consumentenbescherming voor inwoners van de BES
Voor een duurzaam schuldenvrije toekomst voor mensen vraagt initiatiefnemer aan de
Kamer om de regering te verzoeken de volgende maatregelen te nemen:
– Betrek persoonlijkheidskenmerken in beleid bij de ontwikkeling van wet- en regelgeving
– Rust werkgevers beter toe hoe om te gaan met loonbeslag bij werknemers
– Verbeter schuldhulpverlening na detentie
– Verbeter begeleiding na een schuldhulpverleningstraject in samenwerking met vrijwillige
schuldhulpverleningsorganisaties
7. Financiële gevolgen
In onderstaande tabel een korte weergave van eventuele financiële gevolgen van de
voorstellen van initiatiefnemer. Bij veel van de voorstellen kan worden aangesloten
bij lopend beleid en past het binnen de reguliere begroting van het departement van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid of moet ruimte gezocht worden binnen de begroting
van Justitie en Veiligheid. Het Kabinet Jetten heeft in haar coalitieakkoord een bedrag
van € 150 miljoen structureel beschikbaar gesteld voor het bestrijden van armoede
en het verbeteren van schuldhulpverlening. Dit bedrag (of een deel ervan) kan worden
besteed voor het structureel verbeteren van de algehele schuldhulpverlening.
Voorstel
Eventuele financiële gevolgen
Grensbedrag voor kredietwaardigheidstoetsing te verlagen naar € 0
Geen financiële gevolgen. Maatregel kan worden opgenomen in de implementatiewet CCDII.
Waterdichte leeftijdsverificatie wettelijk verankeren
Geen financiële gevolgen. Maatregel kan worden opgenomen in de implementatiewet CCDII.
Wettelijke vereiste dat jongere tot 27 jaar bij achterafbetaaldienst minstens één
termijn moet betalen
Geen financiële gevolgen. Maatregel kan worden opgenomen in de implementatiewet CCDII.
Kosteloze betalingsherinnering bij Wahv-boetes verplichten
10–25 mln.1 Dalende inkomsten voor de overheid (gemiste ontvangsten J&V Begroting) van die mensen/bedrijven
die na een betalingsherinnering alsnog meteen de hoofdsom/vordering betalen, voordat
verhogingen worden opgelegd (en die anders nu de verhoging(en) wel betalen).
Schrappen van het minimumbedrag waarbij een betalingsregeling overeen kan worden gekomen
Onduidelijk. Het gemakkelijker aanbieden van een betalingsregeling kan er ook toe
leiden dat het bedrag dat daadwerkelijk geïnd wordt omhoog gaat.
Aanmaningskosten van verkeersboetes verlagen
50–75 mln.2 Derving doordat mensen/bedrijven de nu hogere aanmaningskosten wel betalen. Tegelijk
is ook de verwachting dat er minder aanschrijvingen en incassokosten e.d. nodig zijn
doordat de boetes eerder in het traject beter betaalbaar worden.
Wahv-tarieven niet langer beleidsmatig verhogen en stapsgewijs terug te draaien
Afhankelijk van hoe sterk e.e.a. wordt teruggedraaid. Ter indicatie: verlagen van
Wahv-boetes met 30% zorgt voor een derving van de boeteopbrengsten oplopend tot 300
miljoen per jaar.3
Mogelijkheid voor gijzeling bij niet betalen wet-Mulder boetes schrappen
Geen financiële gevolgen.
Incassobedrijven bij overtreding van het incassoregister direct sanctioneren en herijking
BIK
Incassobedrijven direct sanctioneren leidt niet tot financiële gevolgen. Het wijzigen
van het BIK heeft naar verwachting ook geen financiële gevolgen voor de rijksoverheid.
Dekkend aanbod van laagdrempelige hulp organiseren samen met vrijwilligersorganisaties
Beperkte financiële gevolgen. Er is nu al veel aanbod beschikbaar. Kan worden betrokken
bij lopend beleid vanuit Ministerie van SZW.
Structurele financiering vrijwilligersorganisatie
8–10 miljoen. Organisaties krijgen (veelal) al (incidenteel) subsidie. Het meer structureel
maken van deze subsidie geeft erkenning aan de rol van vrijwillige schuldhulpverlening.
Collectief afbetalingsplan
Omvang nog niet in te schatten4. Aantal rechtszaken zal dalen. Uitgangspunt is dat de debiteur betaalt voor het opstellen
en uitvoeren van het collectief afbetalingsplan. Mogelijke financiering vanuit overheid
voor uitvoering van de plannen.
Sociale ministerieplicht gerechtsdeurwaarders
Omvang nog niet goed in te schatten5.
Nationaal schuldenfonds
Financiële gevolgen afhankelijk van de gekozen omvang.
Afschaffing bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet
22 mln. Elke verlaging van 5% vereist circa € 11 miljoen aan structurele dekking.6
Maximumrentebedrag bij overheidsvorderingen
Onbekend is hoeveel inkomsten de overheid haalt uit oplopende rentekosten. De verwachting
is dat een groot deel van deze rentekosten uiteindelijk in schuldsaneringsregelingen
kwijtgescholden wordt (en er dus geen daadwerkelijke overheidsinkomsten worden geïnd).
Preferente positie van overheidsvorderingen wijzigen
Onbekend is wat de financiële voordelen zijn van de huidige preferente positie van
bepaalde overheidsvorderingen. Het wijzigen ervan heeft gevolgen voor de begroting
(omdat het invorderingspercentage zal dalen). De omvang hiervan is moeilijk in te
schatten.
Verjaringstermijn consumentenvorderingen verkorten
Geen financiële gevolgen. Gaat enkel over consumentenvorderingen dus heeft geen effect
op de Rijksbegroting.
Krediettax voor consumptieve kredieten
Geen financiële gevolgen. Levert geld op ter dekking van het nationaal schuldenfonds
of andere maatregelen.
Betere consumentenbescherming op de BES
Geen financiële gevolgen. Vraagt vooral ambtelijke capaciteit om wetgeving voor te
bereiden en te implementeren. Gezien de schaalgrootte van de BES zullen de daarmee
gepaard gaande kosten beperkt zijn.
Betrekken persoonlijkheidskenmerken op beleid
Geen financiële gevolgen. Er volgen geen directe kosten voor de Rijksbegroting uit
deze maatregel. Allereerst is meer onderzoek nodig hoe huidig beleid verbeterd kan
worden met de wetenschappelijke kennis die er nu is.
Beter toerusten van werkgevers hoe om te gaan met loonbeslag
Geen financiële gevolgen. Kan worden aangesloten bij lopend beleid van het Ministerie
van SZW.
Verbeter schuldhulpverlening na detentie
Geen financiële gevolgen. Kan worden aangesloten bij lopend beleid van het Ministerie
van SZW en J&V.
Verbeter begeleiding na schuldhulpverleningstrajecten
Het is een reeds bestaande wettelijke verplichting die nu door gemeenten onvoldoende
wordt ingevuld. Met gemeenten moet worden bezien wat er voor nodig is om (samen met
vrijwillige schuldhulpverleningsorganisaties) de begeleiding te verbeteren.
X Noot
1
IBO Problematische schulden, fichebundel, pagina 70, beschikbaar via: https://open.overheid.nl/documenten/1ef97bf1-43fa-484e-b336-7fa08e8a80d…
X Noot
2
Idem, pagina 67
X Noot
3
WODC, «Evaluatie Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften»,
pagina 61, beschikbaar via: https://www.wodc.nl/actueel/nieuws/2026/01/29/wet-voor-opleggen-verkeer…
X Noot
4
IBO Problematische schulden, fichebundel, pagina 73, beschikbaar via: https://open.overheid.nl/documenten/1ef97bf1-43fa-484e-b336-7fa08e8a80d…
X Noot
5
Idem, pagina 88
X Noot
6
IBO Problematische schulden, fichebundel, pagina 102, beschikbaar via: https://open.overheid.nl/documenten/1ef97bf1-43fa-484e-b336-7fa08e8a80d…
Indieners
Don Ceder, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.