Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 860 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet handhaving consumentenbescherming ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2673 tot wijziging van Richtlijn 2011/83/EU wat betreft op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten, en tot intrekking van Richtlijn 2002/65/EG (Implementatiewet richtlijn op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 11 maart 2026
Inleiding
De regering is de vaste commissie voor Financiën erkentelijk voor de aandacht die
zij aan het onderhavige wetsvoorstel heeft geschonken en voor de door haar daarover
gestelde vragen. Ik zal de vragen, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en
Veiligheid, beantwoorden in de volgorde waarin zij zijn gesteld.
INLEIDING
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Implementatiewet
richtlijn op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten. Deze leden
benadrukken de beperking van regeldruk, ruimte voor digitale innovatie en uitvoerbaarheid
voor bedrijven. Deze leden hebben nog meerdere vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel tot implementatie
van de richtlijn op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten. Deze
leden zien de meerwaarde van de daarin voorgestelde toevoegingen aan de consumentenbescherming
inzake financiële diensten, namelijk een eenvoudige ontbindingsfunctie bij online
afgesloten overeenkomsten (click-to-cancel), betere precontractuele informatie zoals
een gericht e-mailadres, het verbod op misleidende websites en het recht op menselijke
tussenkomst bij geautomatiseerd advies. Deze leden zien dit als logische toevoegingen
in een steeds sterker gedigitaliseerd advieslandschap. Deze leden hebben enkele vragen
ter verduidelijking en bij de implementatiekeuzes die Nederland maakt.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en zien af
van het stellen van vragen.
Algemeen
§ 4. Gebruik lidstaatopties
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering ervoor kiest om bestaande taalvoorschriften
voor precontractuele informatie te handhaven. Kan de regering nader motiveren waarom
deze voorschriften worden gehandhaafd, terwijl dit mogelijk een belemmering vormt
voor grensoverschrijdende dienstverlening?
De regering heeft ervoor gekozen om de taalvoorschriften in de precontractuele fase
te handhaven, omdat precontractuele informatie duidelijk en begrijpelijk moet zijn
voor consumenten. De precontractuele informatie moet de consument in staat stellen
om met kennis van zaken een weloverwogen keuze te maken over het aangaan van een overeenkomst
inzake een financieel product of financiële dienst. De meeste consumenten kunnen de
voorgeschreven precontractuele informatie het beste tot zich nemen in hun eigen taal.
Voor Nederlandse consumenten is dat meestal de Nederlandse taal. Informatie in het
Engels of een andere taal maakt het mogelijk voor consumenten lastiger om de informatie
te begrijpen. De artikelen 49, tweede lid, en 49a, derde lid, BGfo bepalen in welke
situaties de informatie ook in een andere taal kan worden verstrekt.
Deze leden lezen ook dat de consument recht heeft op menselijke tussenkomst in dezelfde
taal. Welke kaders worden hier gesteld?
Het recht op menselijke tussenkomst wordt verder uitgewerkt en toegelicht in het implementatiebesluit
ter omzetting van de richtlijn. Daarin wordt geregeld dat een financiëledienstverlener,
beheerder van beleggingsinstellingen, beheerder van icbe’s of een beleggingsonderneming
die gebruik maakt van online instrumenten (zoals een chatbot) op verzoek van een consument
voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst op afstand menselijke tussenkomst
(via telefoon of een live-chat) dient aan te bieden. Ook wordt geregeld dat de consument
recht heeft op menselijk contact in dezelfde taal als waarin de precontractuele informatie
is verstrekt. Dat is in het beginsel het Nederlands. Hiernaast heeft de consument
in bepaalde gevallen na de precontractuele fase ook het recht op menselijke tussenkomst
wanneer dat gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld bij verlenging van de overeenkomst, financiële
problemen of verandering van contractvoorwaarden.
Ten aanzien van de lidstaatopties lezen de leden van de CDA-fractie dat Nederland
geen gebruik maakt van de optie om een overeenkomst via de telefoon alleen bindend
te verklaren nadat de consument de overeenkomst schriftelijk heeft aanvaard. Als voorbeeld
wordt genoemd een reisverzekering of autoverzekering, die direct in werking treedt,
maar deze leden vragen de regering waarom schriftelijke bevestiging tegenwoordig nog
een drempel zou zijn. Dat kan doorgaans direct op de telefoon via welke de overeenkomst
wordt afgesloten, bijvoorbeeld via een bevestigingslink via de mail met het aanbod.
Deze leden vragen of de regering dit niet een extra bescherming zou vinden van de
consument, ook om simpelweg fouten te voorkomen door de opgegeven informatie nog een
keertje schriftelijk te kunnen controleren.
De regering heeft gekozen om een schriftelijke bevestiging niet verplicht te stellen
voor overeenkomsten inzake financiële diensten die telefonisch worden aangegaan. Een
schriftelijkheidsvereiste zou aanvullende regeldruk voor het bedrijfsleven met zich
mee meebrengen. Bij bepaalde financiële diensten of producten komt telefonisch contact
met regelmaat voor, bijvoorbeeld als een consument via de telefoon een order doorgeeft
een bepaald aandeel te kopen voor een bepaalde prijs. Een schriftelijkheidsvereiste
zou ervoor zorgen dat elk bedrijf dat telefonisch financiële diensten of producten
afsluit zijn werkwijze moeten veranderen. Dit zou aanvullende lasten voor het bedrijfsleven
met zich brengen. Mede gelet op het belang van een lastenluwe implementatie is hier
niet voor gekozen.
Bovendien kan het snel afsluiten van een financiële dienst of product in het belang
van de consument zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval als een consument een order doorgeeft
om een bepaald aandeel te kopen. De consument wil dan snel dat aandeel tegen de dan
geldende prijs kopen. Een schriftelijkheidsvereiste zou deze werkwijze vertragen.
Nederland maakt ook geen gebruik van de lidstaatoptie om een financiële onderneming
niet toe te staan te staan een vergoeding te vragen voor gebruik van de financiële
dienst aan de consument indien deze gebruik maakt van zijn ontbindingsrecht. De leden
van de CDA-fractie vragen of er voorwaarden zijn of een maximum is aan een dergelijke
vergoeding.
De leden van de CDA-fractie doelen vermoedelijk op de lidstaatoptie om te bepalen
dat van consumenten in het geheel geen betaling kan worden verlangd in geval van ontbinding
van een verzekeringsovereenkomst.1 Voor andere overeenkomsten biedt de richtlijn namelijk geen ruimte om te regelen
dat geen vergoeding mag worden verlangd. Deze lidstaatoptie bestond ook al onder Richtlijn
2002/65/EG. Bij de implementatie van Richtlijn 2002/65/EG is van deze lidstaatoptie
geen gebruik gemaakt en dit wordt gehandhaafd. Het kan voorkomen dat ter uitvoering
van de overeenkomst al bepaalde diensten zijn verricht voordat de overeenkomst wordt
ontbonden, zoals het verlenen van dekking bij een verzekeringsovereenkomst. Het is
redelijk dat de consument voor deze diensten een vergoeding betaalt. Er zijn wel voorwaarden
verbonden aan de vergoeding voor deze reeds geleverde diensten.2 Zo kan enkel een vergoeding worden gevraagd voor de daadwerkelijk reeds voor de ontbinding
geleverde diensten. Verder is bepaald dat de vergoeding voor een reeds geleverd financieel
product of dienst niet hoger mag zijn dan een bedrag dat evenredig is aan de verhouding
tussen het reeds geleverde product en de volledige uitvoering van de overeenkomst
op afstand of buiten de verkoopruimte én in geen geval zo hoog mag zijn dat deze als
een boete kan worden opgevat
De leden van de CDA-fractie lezen dat er geen gebruik wordt gemaakt van de optie om
te specificeren en te bepalen wat de reikwijdte is van toelichtingen over overeenkomsten
inzake financiële diensten aan de hand waarvan een consument kan beoordelen of een
dergelijke overeenkomst aansluit op de behoefte en de financiële situatie van de consument.
Deze leden begrijpen dat de regering nalevingskosten niet wil verhogen. Toch vragen
deze leden of het, in het kader van financiële weerbaarheid van consumenten bij financiële
producten, niet juist goed zou zijn om ook informatie over mogelijke consequenties
voor bepaalde persoonlijke situaties te geven. Een paar voorbeelden schetsen zou al
volstaan. Deze leden vragen de regering of beter begrip bij consumenten over de implicaties
van hun keuzes niet juist tot meer zekerheid en vertrouwen in financiële producten
kan leiden.
De regering onderschrijft het belang dat een consument de persoonlijke gevolgen van
een overeenkomst inzake financiële diensten begrijpt. De richtlijn voorziet hier onder
andere in door te verplichten een adequate toelichting te verstrekken die informatie
bevat over de specifieke gevolgen die de voorgestelde overeenkomst kan hebben voor
de consument. Die toelichting dient voor zover relevant onder meer in te gaan op de
gevolgen van wanbetaling of een betalingsachterstand door de consument.
Het verder specificeren welke toelichting in welk geval gepast is, acht de regering
niet wenselijk. Een algemene toelichting op de gevolgen van de overeenkomst voor de
consument, inclusief de gevolgen bij wanbetaling of een betalingsachterstand, acht
de regering afdoende. Het verplicht verstrekken van meer informatie zou tot meer lasten
voor financiële ondernemingen leiden. De regering meent dat er een passend evenwicht
is gevonden tussen het voldoende informeren van consumenten en het beperken van lasten
voor het bedrijfsleven.
§ 5. Toezicht en handhaving
De leden van de VVD-fractie lezen dat de ACM opmerkt dat zij geen proactief toezicht
kan uitvoeren op de zichtbaarheid en toegankelijkheid van de ontbindingsfunctie. Hoe
wordt gecontroleerd of de ontbindingsfunctie op websites daadwerkelijk goed zichtbaar
en toegankelijk is?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is de relevante toezichthouder voor de onderdelen
van het wetsvoorstel die van toepassing zijn op een handelaar die een overeenkomst,
niet zijnde een overeenkomst inzake een financiële dienst, aangaat met een consument.
Dat betreft met name de verplichting voor de handelaar om consumenten die een overeenkomst
hebben gesloten via een online-interface de mogelijkheid te bieden om de gesloten
overeenkomst op afstand te ontbinden door gebruik te maken van een ontbindingsfunctie.
De handelaar moet deze ontbindingsfunctie gedurende de ontbindingstermijn duidelijk
zichtbaar en makkelijk toegankelijk op de online-interface aanbieden. De ACM bepaalt
zelf hoe zij het toezicht inricht. De ACM geeft aan dat zij reactief en risico-gestuurd
toezicht zal houden op de ontbindingsfunctie. Dat houdt in dat de ACM kan besluiten
een mogelijke overtreding van de verplichting te onderzoeken en aan te pakken in reactie
op signalen die zij ontvangt. Startpunt van zo’n onderzoek kunnen bijvoorbeeld schermopnames
van de online interface zijn die signaalindieners aan de ACM verstrekken. Deze signalen
kan de ACM vervolgens voor wederhoor aan de onderneming voorleggen.
Deze leden constateren dat de ACM het ontbreken van een ontbindingsfunctie bij telefonisch
afgesloten overeenkomsten ziet als een gemiste kans. Waarom is ervoor gekozen om geen
ontbindingsfunctie verplicht te stellen bij telefonisch afgesloten overeenkomsten?
De richtlijn biedt lidstaten geen ruimte om de ontbindingsfunctie ook te verplichten
voor overeenkomsten die niet op afstand zijn gesloten via een online-interface.3 De richtlijn consumentenrechten, waar de ontbindingsfunctie in wordt geregeld, gaat
uit van volledige harmonisatie (maximumharmonisatie). Dat betekent dat het lidstaten
niet is toegestaan om binnen het toepassingsbereik van de richtlijn bepalingen in
te voeren of te handhaven die afwijken van de richtlijn, tenzij dat expliciet anders
wordt vermeld. Dat geldt zowel voor bepalingen die minder consumentenbescherming als
voor bepalingen die meer consumentenbescherming bieden. In dit geval betekent dat
dat lidstaten de verplichting voor handelaren om een ontbindingsfunctie aan te bieden
niet mogen uitbreiden naar overeenkomsten op afstand die niet via een online-interface
zijn gesloten.
Tenslotte lezen de leden van de VVD-fractie dat de AFM in haar uitvoerbaarheidstoets
aangeeft dat zij extra capaciteit en expertise nodig heeft voor toezicht op misleidende
websites en menselijke tussenkomst bij geautomatiseerd advies. Hoeveel extra middelen
worden beschikbaar gesteld aan de AFM en hoe wordt dit gefinancierd?
De AFM verwacht structureel 1 fte nodig te hebben om toezicht te houden op misleidende
websites en het recht op menselijke tussenkomst bij geautomatiseerd advies. Deze toezichttaken
zijn niet voorzien in het kostenkader 2025–2028 van de AFM. De AFM zal eerst nagaan
of de benodigde capaciteit kan worden opgevangen binnen haar begroting en het bijbehorende
kostenkader. Als dit niet lukt, zal het Ministerie van Financiën in gesprek gaan met
de AFM om een passende oplossing te vinden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de ACM vraagt waarom de online ontbindingsfunctie
ook niet wordt verplicht bij overeenkomsten die op afstand via telemarketing worden
gesloten. De ACM ziet dit als gemiste kans. De regering geeft aan dat dit niet verplicht
is onder de richtlijn. Deze leden vragen waarom er volgens de regering een verschil
is met colportage, waarop de richtlijn wel van overeenkomstige toepassing wordt verklaard,
terwijl daartoe ook geen verplichting toe is. De regering schrijft hiervoor te hebben
gekozen met het oog op consumentenbescherming en coherentie. Deze leden vragen of
het vanuit die twee doelen dan ook niet verstandig is om wel een click-to-cancel optie
voor telefonisch gesloten contracten in te voeren. Deze leden zien immers nauwelijks
een verschil tussen een overeenkomst die wordt gesloten aan de deur of via de telefoon:
voor beide is het in het belang van de klant deze gemakkelijk binnen de gestelde ontbindingstermijn
te kunnen ontbinden.
In antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie hierboven is toegelicht dat
de richtlijn de lidstaten geen ruimte biedt om de ontbindingsfunctie te verplichten
bij overeenkomsten die telefonisch zijn gesloten. De verplichting een ontbindingsfunctie
aan te bieden geldt dus alleen als de overeenkomst op afstand via een online-interface
is gesloten. De verplichting gaat dus ook niet gelden voor overeenkomsten inzake financiële
diensten die buiten de verkoopruimte worden gesloten (bijvoorbeeld bij verkoop aan
de deur).4 De ontbindingsfunctie wordt ingevoerd om ervoor te zorgen dat consumenten een overeenkomst
net zo makkelijk kunnen ontbinden als dat zij deze zijn aangegaan. Daar past bij dat
de ontbindingsfunctie, die het mogelijk maakt een overeenkomst eenvoudig via een functie
op een online-interface te ontbinden, is beperkt tot de overeenkomsten die ook daadwerkelijk
via een online-interface zijn aangegaan.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de AFM aangeeft aanvullende expertise nodig
te hebben om effectief toezicht te kunnen houden op misleidende websites. Deze leden
vragen of er ook een mogelijkheid is voor consumenten, consumentenorganisaties zoals
de Consumentenbond of zelfs het Kifid om signalen door te geven over misleidende websites.
Iedereen kan signalen doorgeven aan de AFM over overtredingen, zo ook het Kifid of
de Consumentenbond. De AFM benut deze signalen in haar toezicht.
§ 6.1.2. Betrokken ondernemingen
De leden van de VVD-fractie lezen dat de implementatie van de richtlijn leidt tot
aanzienlijke eenmalige regeldrukkosten voor handelaren en financiële dienstverleners,
onder meer door het verplicht aanbieden van een ontbindingsfunctie en het aanpassen
van websites. Hoe beoordeelt de regering de proportionaliteit van deze regeldrukkosten,
met name voor het MKB en welke maatregelen worden genomen om deze lasten te beperken?
De implementatie van de richtlijn leidt onder andere tot regeldrukkosten doordat het
aanbieden van een ontbindingsfunctie verplicht wordt. Deze verplichting volgt direct
uit de richtlijn. De proportionaliteit van de richtlijn is op Europees niveau beoordeeld,
met inachtneming van het belang van consumentenbescherming en het beperken van regeldruk.
Waar de regering de keuze had om de regeldruk te beperken, heeft zij oog gehad voor
de lasten voor het bedrijfsleven. Hiermee wordt recht gedaan aan het uitgangspunt
van een lastenluwe implementatie.
§ 7.1 Ontbindingsfunctie
De leden van de VVD-fractie lezen dat brancheorganisaties zoals NVF twijfelen aan
de toegevoegde waarde van een ontbindingsfunctie bij financiële diensten, gezien de
specifieke aard van deze producten. Kan de regering toelichten waarom ervoor is gekozen
om de verplichting tot een ontbindingsfunctie ook van toepassing te verklaren op overeenkomsten
inzake financiële diensten? Thuiswinkel.org en NVF uiten zorgen dat de ontbindingsfunctie
kan leiden tot meer impulsaankopen en een toename van ontbindingen. Hoe wordt voorkomen
dat de verplichting tot een ontbindingsfunctie leidt tot onbedoelde gedragsprikkels
bij consumenten?
Uit de richtlijn volgt dat de ontbindingsfunctie ook van toepassing is op overeenkomsten
inzake financiële diensten die op afstand via een online-interface worden gesloten.
De richtlijn consumentenrechten gaat uit van volledige harmonisatie (maximumharmonisatie)
en biedt lidstaten geen ruimte om de verplichting om een ontbindingsfunctie aan te
bieden te beperken tot bepaalde soorten diensten of producten. Op Europees niveau
is reeds de afweging gemaakt dat het wenselijk is dat consumenten toegang hebben tot
een ontbindingsfunctie in alle gevallen waarin een overeenkomst via een online-interface
is gesloten en de consument het recht heeft om de overeenkomst te ontbinden. Dat is
in lijn met het doel van de ontbindingsfunctie: het ontbinden van een overeenkomst
moet net zo makkelijk zijn voor de consument als het aangaan van die overeenkomst.
Wel is het zo dat een handelaar geen ontbindingsfunctie hoeft aan te bieden als de
overeenkomst inzake een financieel product niet kan worden ontbonden. Een voorbeeld
daarvan is de overeenkomst inzake een financieel product waarvan de waarde afhankelijk
is van schommelingen op de financiële markt of bij verzekeringen met een looptijd
korter dan een maand.5
De leden van de VVD-fractie wijzen voorts op de zorgen van Thuiswinkel.org en NVF
dat de ontbindingsfunctie kan leiden tot meer impulsaankopen en een toename van ontbindingen.
In reactie hierop geeft de regering aan dat de ontbindingsfunctie slechts een aanvullende
wijze is waarop de consument zijn ontbindingsrecht kan uitoefenen. Het BW kent, onder
invloed van Europees recht, reeds bepalingen die erop gericht zijn de uitoefening
van het ontbindingsrecht te vergemakkelijken, zoals het modelformulier. De richtlijn
past de reikwijdte van het ontbindingsrecht niet aan. Het doel is dat de uitoefening
van het ontbindingsrecht voor een consument niet belastender is dan het aangaan van
een overeenkomst. De mogelijkheid om van een online ontbindingsfunctie gebruik te
maken voor overeenkomsten die via een online-interface zijn afgesloten sluit daar
ook bij aan.
§ 7.3 Implementatietermijn
De leden van de VVD-fractie lezen dat VodafoneZiggo vraagt of de implementatiedatum
van 19 juni 2026 haalbaar is. Kan de regering bevestigen dat deze datum haalbaar is
en welke stappen worden genomen om vertraging te voorkomen?
De implementatiedatum van 19 juni 2026 is haalbaar. Als deze datum niet wordt gehaald,
zal de wet zo snel mogelijk na deze datum in werking treden. Het tijdig implementeren
van deze en andere richtlijnen heeft prioriteit en de regering zet zich in voor een
zo spoedig mogelijke afronding van het implementatietraject.
§ 7.5 Citeertitel
De leden van de CDA-fractie lezen dat VodafoneZiggo de titel van het wetsvoorstel
onduidelijk vindt omdat deze ziet op overeenkomsten inzake financiële diensten, terwijl
het wetsvoorstel ook voorschriften bevat die relevant zijn voor andere producten en
diensten. Deze leden vragen of de regering kan toelichten wat precies de scope is
van producten en diensten die onder het toepassingsbereik van de richtlijn vallen.
De richtlijn bevat regels voor handelaren, financiëledienstverleners, beleggingsondernemingen
en beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s, aanbieders van cryptoactivadiensten
en crowdfundingdienstverleners. De regering heeft gekozen om de citeertitel toe te
spitsen op financiële diensten. Zo sluit de citeertitel aan bij de titel van de richtlijn.
Hiermee wordt duidelijk dat het wetsvoorstel strekt ter implementatie van de richtlijn.
Een citeertitel zonder verwijzing naar de richtlijn die wordt geïmplementeerd zou
verwarring oproepen over de inhoud en het doel van het wetsvoorstel.
§ 7.6 Overig
De leden van de VVD-fractie lezen dat naar aanleiding van opmerkingen van ING opgemerkt
wordt bij de verdere behandeling van onderhavig wetsvoorstel en het ontwerp-Implementatiewetsvoorstel
herziene richtlijn consumentenkrediet rekening wordt gehouden met samenloop van de
wetsvoorstellen. Op welke manier wordt er rekening gehouden met de samenloop van de
wetsvoorstellen?
Beide wetten wijzigen artikel 1:20 van de Wet op het financieel toezicht. Het onderhavige
wetsvoorstel zal naar verwachting eerder in werking treden en daarom zal het ontwerp-Implementatiewetsvoorstel
herziene richtlijn consumentenkrediet op dit punt worden aangepast.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
Ondertekenaars
E. Heinen, minister van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.