Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Mededeling EU strategie Maatschappelijke Organisaties (Kamerstuk 22112-4248)
2026D10247 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben onderstaande fracties de
behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties over de brief inzake het kabinetsstandpunt ten aanzien van
de Mededeling EU-strategie Maatschappelijke organisaties (Kamerstuk 22 112, nr. 4248).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Van Eijk
Adjunct-griffier van de commissie,
Van der Haas
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II
Antwoord/reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de fiche. Hierover
hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie verwelkomen de EU-strategie voor het versterken en beschermen
van het maatschappelijk middenveld. Een sterk, onafhankelijk en pluriform maatschappelijk
middenveld is een dragende pijler van onze democratie. Tegen onder meer de achtergrond
van de krimpende maatschappelijke ruimte in de Europese Unie, achten deze leden een
Europese strategie gerechtvaardigd. In dat verband zijn zij benieuwd naar best practices in lidstaten waar de krimp van de maatschappelijke ruimte al wordt tegengegaan of
zich niet voordoet. Welke lessen trekt het kabinet daaruit voor de situatie in Nederland?
Welke initiatieven is het kabinet bereid te nemen?
Daarnaast benadrukken de leden van de D66-fractie dat de strategie niet mag leiden
tot onbedoelde negatieve effecten voor maatschappelijke organisaties zelf. Een sterke
democratie vraagt volgens deze leden immers om een sterke tegenmacht. Transparantieverplichtingen,
registratie-eisen en financieringsvoorwaarden moeten uitvoerbaar en proportioneel
zijn. Hoe wordt voorkomen dat dergelijke maatregelen leiden tot afschrikkende effecten
(chilling effects), stigmatisering of onevenredige administratieve lasten?
De leden van de D66-fractie merken op dat een democratisch offensief nodig is. Hoe
reflecteert het kabinet op de aanbevelingen van de jaarlijkse rapportage «Tegenspraak
onder druk» van het College voor de Rechten van de Mens?1 Hoe wil het kabinet ervoor zorgen dat maatschappelijke organisaties in een vroeg
stadium, proactief en in toegankelijke taal worden geïnformeerd over de mogelijkheden
voor participatie bij het opstellen van wetgeving en beleid?
Daarnaast zijn de leden van de D66-fractie benieuwd naar hoe de regering reflecteert
op de aanbevelingen uit het MACS-rapport.2 Welke maatregelen wil het kabinet nemen om in lijn met deze aanbevelingen te handelen?
Ziet het kabinet in dat een stapeling van maatregelen nodig is om te komen tot een
versterking van het maatschappelijk middenveld? Is het kabinet in het bijzonder bereid
om te komen tot een nationaal actieplan ter versterking en bescherming van de ruimte
voor het maatschappelijk middenveld?
Tot slot zijn de leden van de D66-fractie benieuwd naar de uitwerking van het Meerjarig
Financieel Kader. Hoe wordt bij de nadere uitwerking van dit kader gewaarborgd dat
EU-financiering voor maatschappelijke organisaties daadwerkelijk toegankelijk, transparant
en administratief uitvoerbaar is? Welke kansen ziet het kabinet hierin om te komen
tot een gelijker speelveld voor maatschappelijke organisaties? Welke rol wil het kabinet
daarbij spelen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche
met betrekking tot de mededeling EU-strategie maatschappelijke organisaties. Deze
strategie richt zich op het versterken van de betrokkenheid, bescherming, ondersteuning
en financiering van maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers. Deze
leden merken op dat zij het belang van maatschappelijke organisaties in de samenleving
inzien. Graag willen zij het kabinet een aantal vragen over de strategie stellen.
Allereerst vragen de leden van de VVD-fractie wat deze strategie betekent voor de
betrokkenheid van nationale lidstaten van de Europese Unie. Deze leden vragen het
kabinet daar op in te gaan.
Er wordt voorgesteld om een nieuw platform op te richten, te weten een EU-platform
ter bevordering van de dialoog tussen de Europese Commissie en het maatschappelijk
middenveld. Wat is de toegevoegde waarde van dit nieuwe platform ten opzichte van
het bestaande Europese raamwerk dat raakt aan de positie van maatschappelijke organisaties?
Zouden de taken van dit nieuwe platform bij een bestaande organisatie kunnen worden
ondergebracht? Wat is de inzet van het kabinet ten aanzien van het op te richten EU-platform
voor het maatschappelijk middenveld? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een
reactie van het kabinet.
In het fiche valt te lezen, dat het kabinet in de strategie de koppeling mist met
andere strategieën op het vlak van Europese fundamentele rechten en waarden. Ook ontbreekt
er volgens het kabinet een link met relevante EU-wetgeving. In hoeverre is het kabinet
voornemens om dit in Brussel naar voren te brengen? Kan het kabinet nader motiveren
waarom de grondhouding ten aanzien van de subsidiariteit positief is? Wat wordt in
dezen bedoeld met de grensoverschrijdende aard van de bedreigingen voor het maatschappelijk
middenveld? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van het kabinet.
Het kabinet verwelkomt het voorstel. In hoeverre speelt daarbij een rol dat de onderhavige
strategie geen directe gevolgen heeft voor de Rijksbegroting? Als dat anders was geweest,
zou het kabinet dan een andere afweging hebben gemaakt? Graag krijgen de leden van
de VVD-fractie een reactie van het kabinet.
De Europese Commissie stelt voor om de financiële ondersteuning van maatschappelijke
organisaties te verhogen naar negen miljard euro. Hoeveel geld wordt daar nu aan uitgegeven?
Waar zal die negen miljard euro aan worden besteed? Kan de regering daar enkele voorbeelden
van geven? Verwacht het kabinet dat andere lidstaten ook aan de slag gaan met deze
strategie? Heeft het kabinet daar inzicht in? Lidstaten zijn immers niet verplicht
de strategie over te nemen. In hoeverre moeten lidstaten verantwoording afleggen over
de besteding van de middelen? Zal er een evaluatie plaatsvinden? Zo ja, wanneer? Graag
krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van het kabinet op de hier gestelde
vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met belangstelling kennis van de
Kamerbrief over het Fiche over de EU strategie Maatschappelijke Organisaties. Deze
leden hebben hierover op dit moment nog enkele vragen.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben zorgen over de positie van maatschappelijke
organisaties in de EU en in Nederland. De positie zou wat deze leden moeten worden
versterkt en niet worden verzwakt. De afgelopen tijd, zo constateren deze leden, zijn
er juist stappen gezet om de positie te verzwakken. Deelt het kabinet dit standpunt?
Zo nee, waarom niet?
In de brief wordt meermaals genoemd dat er wordt ingezet op maatschappelijke organisaties
op Europees niveau, in EU-extern beleid als in de afzonderlijke lidstaten. De EU en
de afzonderlijke lidstaten hebben economische activiteiten en handelsrelaties over
de hele wereld. Het is wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreft in het
belang van de EU dat de landen waar deze activiteiten plaatsvinden een sterke democratie
en rechtstaat hebben, en dat de handels- en economische activiteiten hieraan bijdragen.
Deze leden zouden daarom graag twee punten concrete punten hierover explicieter benoemd
zien: 1) dat de Europese versterking van maatschappelijke organisaties ook dient bij
te dragen aan versterking van maatschappelijk middenveld in de landen waar EU-landen
economische en handels- activiteiten ontwikkelen, en 2) het weerbaar maken van HRDs
kan alleen als er vanuit de overheid ook gestuurd wordt op de actieve bescherming
van HRDs in geval van publieke investeringen en handelsfacilitatie. Deze leden ontvangen
graag een reactie van het kabinet hierop.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan de Aarhus conventie.
Deze leden constateren dat het vorige kabinet ruimte zocht om onder de verplichtingen
van het dit verdrag uit te komen. Hoe staat het nieuwe kabinet hierin, zo vragen zij.
Ziet het kabinet, net als deze leden, het grote belang van het Verdrag van Aarhus?
Zo nee, waarom niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet het door de Commissie
omschreven belang van een zorgvuldige monitoring van risico’s en bedreigingen voor
het maatschappelijk middenveld om vrij en veilig te kunnen functioneren, zoals het
versterken van early warning systems voor het signaleren van krimpende ruimte voor
het maatschappelijk middenveld in kandidaat-lidstaten deelt. Deze leden zien in monitoring
een eerste stap. Deelt het kabinet het standpunt dat de EU het voortouw zou moeten
nemen in het ontwikkelen van concrete stappen die lidstaten kunnen nemen om het maatschappelijk
middenveld en mensenrechtenbeschermers te beschermen? Zo ja, is het kabinet bereid
om dit bij de EU in te brengen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat uit het recente MACS-rapport
naar voren komt dat dat de maatschappelijke ruimte in Nederland onder druk staat.
Maar liefst 86 procent van de bevraagde organisaties geeft aan dat hun werkomstandigheden
in 2025 verder zijn verslechterd. Ook wordt gewaarschuwd voor toenemende stigmatisering
van waakhondorganisaties, inperking van vrijheden en maatregelen die steeds vaker
botsen met mensenrechten en rechtsstatelijkheid.
De feiten uit het MACS-rapport laten zien dat verdere inperking in Nederland niet
alleen strijdig is met Europese ambities, maar ook democratische risico’s vergroot
op het moment dat civiele ruimte al onder druk staat. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
vinden het zorgelijk om dit te lezen. Graag ontvangen deze leden een reactie van het
kabinet hierop. Deelt het kabinet de zorgen die uit dit rapport naar voren komen?
Zo nee, waarom niet?
In verlengde van voorgaande vragen hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
nog enkele specifieke vragen. Hoe verhoudt de ruimte voor het maatschappelijk middenveld
zich tot de recente bezuinigingen voor het maatschappelijk middenveld onder dat buitenland
beleid? Hoe verhoudt dit zich tot de kabinetsreactie op motie-Kröger3 naar aanleiding van het voortdurend uitsluiten van dialoog en informatiedeling in
Nederland?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Fiche en danken het kabinet
hiervoor. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen
aan het kabinet hierover.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de EU-strategie
voor het maatschappelijk middenveld. Deze leden onderschrijven het belang van een
sterk maatschappelijk middenveld als pijler van de democratische rechtsstaat. Tegelijkertijd
vragen zij het kabinet concreet uiteen te zetten wat de toegevoegde waarde van deze
strategie is ten opzichte van reeds bestaande Europese instrumenten, zoals de rechtsstaatrapportage
en de rapportages van het EU-Grondrechtenagentschap. Waar ziet het kabinet overlap en hoe wordt voorkomen dat maatschappelijke
organisaties in de praktijk worden geconfronteerd met dubbele monitoring of aanvullende
verantwoordingsverplichtingen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat een EU-platform voor structurele dialoog zal
worden opgericht. Deze leden hechten eraan dat maatschappelijke betrokkenheid primair
nationaal en lokaal verankerd blijft. Kan het kabinet toelichten hoe wordt gewaarborgd
dat dit platform daadwerkelijk aanvullend is op bestaande nationale overlegstructuren
en niet leidt tot centralisering van participatie op EU-niveau? Welke inzet kiest
het kabinet in de Raad om deze nationale verankering expliciet te borgen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet positief oordeelt over subsidiariteit
en proportionaliteit. Deze leden vragen hoe het kabinet concreet zal bewaken dat dit
niet-wetgevende initiatief niet alsnog leidt tot extra administratieve lasten of sluipende
normering op een terrein dat in belangrijke mate nationaal is verankerd. Op welke
wijze zullen subsidiariteit en proportionaliteit bij de verdere uitwerking actief
worden getoetst? Zij vragen daarnaast hoe wordt gewaarborgd dat eventuele Europese
financiering niet leidt tot inhoudelijke sturing of indirecte normering van maatschappelijke
organisaties, bijvoorbeeld via selectiecriteria of voorwaarden die de onafhankelijkheid
van het maatschappelijk middenveld kunnen beïnvloeden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het fiche over de EU-strategie
voor maatschappelijke organisaties en zijn daar zeer kritisch over.
Deze leden merken op dat de Europese Commissie maatschappelijke organisaties in deze
strategie neerzet als «partner in bestuur». Zij vragen de Minister waarom niet-gekozen
organisaties een structurele rol zouden moeten krijgen in beleidsvorming. Vindt de
Minister het wenselijk dat invloed verschuift van gekozen volksvertegenwoordigers
naar organisaties die geen democratisch mandaat hebben en vaak afhankelijk zijn van
EU-subsidies?
De leden van de Groep Markuszower lezen dat de Commissie maatschappelijke ruimte in
lidstaten wil monitoren. Deze leden vragen wie straks bepaalt wat wel en niet acceptabel
beleid is. Kan de Minister uitsluiten dat lidstaten onder druk worden gezet wanneer
zij democratisch besluiten nemen die Brussel onwelgevallig zijn?
De leden van de Groep Markuszower vinden het zorgelijk dat de Commissie hiermee een
normerende rol lijkt te claimen op een terrein dat thuishoort bij nationale democratieën.
Op welke concrete verdragsbasis meent de Commissie zich te mogen bemoeien met de inrichting
van het maatschappelijk middenveld binnen lidstaten?
De leden van de Groep Markuszower maken zich zorgen over de inhoudelijke richting
van de Europese steun aan maatschappelijke organisaties. Deze leden constateren dat
EU-financiering en ondersteuning in de praktijk vaak terechtkomen bij organisaties
die actief zijn op thema’s als gender, diversiteit, migratie en identiteitspolitiek.
Hoe voorkomt de Minister dat met deze strategie vooral organisaties worden versterkt
die aansluiten bij de beleidsprioriteiten van de Commissie, terwijl andere maatschappelijke
organisaties en burgerinitiatieven minder toegang krijgen tot middelen en invloed?
De leden van de Groep Markuszower merken op dat het kabinet zelf waarschuwt voor stigmatisering
en extra regeldruk, maar desondanks positief is over de strategie. Waarom neemt het
kabinet deze risico’s voor lief?
De leden van de Groep Markuszower vragen of de Minister erkent dat zogenaamd niet-bindende
strategieën via monitoring, richtsnoeren en financieringsvoorwaarden alsnog dwingend
kunnen worden. In hoeverre kan de Minister garanderen dat dit geen opstap is naar
verdere EU-bemoeienis of wetgeving?
Tot slot vragen de leden van de Groep Markuszower of de Minister bereid is zich duidelijk
en actief te verzetten tegen iedere vorm van directe of indirecte bevoegdheidsoverdracht
op dit terrein van de lidstaten naar de Europese Unie.
II Antwoord/reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
J.P. van der Haas, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.