Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over evaluatie CO2-heffing industrie en CO2- minimumprijs elektriciteitsopwekking (Kamerstuk 32813-1553)
2026D10237 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Financiën heeft op 3 maart 2026 een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de door de Staatssecretaris
op 4 februari 2026 toegezonden brief over de externe ex post evaluatie aan van de
CO2-heffing industrie, de CO2-minimumprijs industrie en de CO2-minimumprijs voor elektriciteitsopwekking (Kamerstuk 32 813, nr. 1553).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie,
Lips
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de evaluatie van
de CO2-heffing voor de industrie. Deze leden hebben enkele vragen over de evaluatie en over
het bredere beleid.
Deze leden constateren ten aanzien van het aanvullend beleid dat Nederland als een
van de weinige EU-lidstaten ervoor koos om ETS-sectoren extra te beprijzen. Deze leden
hebben er begrip voor dat dit kabinet voor een meer Europees gerichte aanpak kiest.
Tegelijkertijd constateren deze leden dat het afschaffen van de CO2-heffing ertoe leidt dat er minder emissiereductie in de industrie zal worden gerealiseerd.
Ze vragen wat de algemene inzet is van de Staatssecretaris op dit punt en welke aanknopingspunten
de Staatssecretaris ziet in de suggesties van de overlegtafel CO2-heffing Industrie.
De leden constateren ten aanzien van het helpen van duurzame bedrijven dat het afschaffen
van de CO2-heffing ertoe leidt dat de concurrentiepositie van bedrijven die vóórlopen in de
verduurzaming of al duurzaam zijn verslechtert. Deze leden lezen dat het coalitieakkoord
uitspreekt dat het voor de industrie stabiel langetermijnbeleid wil voeren. Ze zijn
van mening dat dat ook voor deze bedrijven moet gelden. Ze vragen daarom de Staatssecretaris
om inzichtelijk maken welke bedrijven nadeel hebben ondervonden van het afschaffen
van de CO2-heffing. Deze leden vragen voorts of de SDE++ voldoende is om het daardoor ontstane
nadeel voor duurzame bedrijven weg te nemen. Daarnaast vragen ze in algemene zin welke
inzet de Staatssecretaris pleegt voor deze duurzame bedrijven.
De leden van de D66-fractie constateren op het punt van invulling geven aan de ambitie
voor verduurzaming van de industrie dat het kabinet stevige ambities heeft op het
gebied van verduurzaming van de industrie. Zo lezen ze dat het kabinet vol wil inzetten
op een groene industrie met een lagere uitstoot. Deze leden vragen de Staatssecretaris
welke beleidsstappen de Staatssecretaris vanuit zijn departement gaat zetten om industrie
te verduurzamen. Ze vragen daarbij specifiek naar instrumenten waarmee de overheid
daadwerkelijk stuurt op het verduurzamen van industrie.
De leden van de D66-fractie constateren op het punt van de inzet door de Staatssecretaris
op de knelpunten voor de industrie dat uit de evaluatie van de CO2-heffing blijkt dat deze op zichzelf onvoldoende is om bedrijven te verduurzamen.
Er zijn namelijk stevige knelpunten voor industrie om te verduurzamen. Deze leden
noemen in dit kader netcongestie en het stikstofslot. Ze constateren dat uit de evaluatie
blijkt dat als de overheid deze knelpunten niet oplost, bedrijven geen handelingsperspectief
hebben om serieus te kunnen investeren in verduurzaming. Deze leden zien daarin een
goede reden om op dit moment geen aanvullende CO2-heffing boven op de Europese ETS te heffen. Deze leden constateren wél dat voor verduurzaming
van industrie het wegnemen van deze knelpunten absoluut noodzakelijk is. Ze vragen
de Staatssecretaris daarom hoe de Staatssecretaris vanuit zijn departement bijdraagt
aan de kabinetsbrede ambitie om stikstof- en netcongestie zo snel mogelijk op te lossen.
De leden van de D66-fractie constateren ten aanzien van de inzet in de Europese Unie
door de Staatssecretaris dat dit kabinet de klimaatdoelen vasthoudt en alles op alles
gaat zetten om doorbraken te realiseren om deze doelen te halen. Deze leden vragen
in algemene zin wat de inzet van de Staatssecretaris is om hieraan bij te dragen.
Daarnaast constateren deze leden dat het kabinet ook wil inzetten op een ambitieuze
Europese klimaataanpak. In dat kader constateren deze leden dat er ook bedrijven zijn
waarvoor mondiale overcapaciteit en import uit de Europese Unie vanuit China een belangrijke
oorzaak is van de druk op hun verdienvermogen en dat ook zonder de nationale CO2-heffing ingrijpende keuzes over fabriekssluitingen onvermijdelijk waren geweest.
In dat kader vragen de leden van de D66-fractie de Staatssecretaris specifiek hoe
de Staatssecretaris zich de aankomende tijd gaat inzetten voor stevige Europese CO2-beprijzing en een stevig CO2-beprijzingsinstrument aan de Europese grens.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de evaluatie CO2-heffing industrie en CO2-minimumprijs elektriciteitsopwekking. Deze leden hebben hierover op dit moment geen
vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de evaluatie met interesse gelezen.
Deze leden hebben veel vragen.
Deze leden merken allereerst op dat de evaluatie moeilijk negatief te noemen valt.
De evaluatie is kritisch over de minimum CO2-prijs industrie en de minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking, maar gematigd positief over de CO2-heffing industrie. Deelt de Staatssecretaris deze lezing of interpreteert de Staatssecretaris
de uitkomsten van het onderzoek anders? Zo ja, waarom?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten zeer aan onafhankelijke evaluaties
van belastinginstrumenten. Het valt deze leden echter op dat met veel ronduit negatieve
evaluaties weinig tot niets wordt gedaan. Tegelijkertijd is dit kabinet voornemens
de CO2-heffing af te schaffen, terwijl de evaluatie van de heffing juist gematigd positief
is. Kan de Staatssecretaris hierop reflecteren? Vindt de Staatssecretaris onafhankelijke
evaluaties van fiscale instrumenten net als deze leden belangrijk? Zo ja, hoe komt
het dan dat het kabinet niet van plan lijkt om ook maar één van de aanbevelingen uit
evaluaties die de afgelopen jaren verschenen zijn op te volgen?
Deze leden vragen ook of de Staatssecretaris het geen beter idee zou vinden om te
kijken naar de aanbevelingen uit de evaluatie van de CO2-heffing, in plaats van over te gaan tot het volledig afschaffen of anderszins buiten
werking stellen. Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat de Staatssecretaris dat dan ook
doen?
In die context hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ook nog enkele vragen
over alternatieve heffingsvormen die niet zijn meegenomen in de evaluatie. Deze leden
wijzen daarbij op de zogenaamde «bezemwagenheffing» in de fichebundel bij het rapport
«Routes naar realisatie» (door de CO2-tafel voor de industrie «benchmarkheffing» genoemd), waarbij een vast heffingstarief
wordt ingevoerd, maar enkel boven de ETS-benchmark, waardoor alleen «achterblijvers»
extra worden belast. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar dit alternatief en naar andere
al onderzochte alternatieven? Is de Staatssecretaris bereid om de CO2-heffing om te vormen in plaats van volledig te schrappen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de combinatie van de heffing en
toereikende subsidies «van belang» is: «zonder de heffing zou de nationale «stok»
vervallen, waardoor bedrijven enkel met subsidies op een vrijblijvende wijze gestimuleerd
worden om meer emissies te reduceren». Deze leden lezen ook dat de twee instrumenten
in principe op elkaar afgestemd zouden moeten zijn: met de CO2-heffing ontstaat een concurrentievoordeel voor duurzame productie ten opzichte van
conventionele productie, terwijl subsidie ervoor kan zorgen dat bedrijven «weer competitief
zijn met conventionele productie buiten Nederland». Deze leden vragen de Staatssecretaris
wat de Staatssecretaris ervan vindt dat het concurrentievoordeel voor duurzame productie
ten opzichte van conventionele productie wegvalt als de CO2-heffing verdwijnt. Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat investeringen
in verduurzaming daardoor minder rendabel worden? Hoe kijkt de Staatssecretaris naar
de conclusie uit de evaluatie dat «de huidige subsidies ontoereikend zijn om alle
«financiële knelpunten aan te pakken»»? Erkent de Staatssecretaris dat met het afschaffen
van de heffing nog minder financiële ruimte ontstaat voor dergelijke subsidies? Kan
de Staatssecretaris inzicht geven in de totale budgettaire derving tot 2040 als gevolg
van het schrappen van de CO2-heffing?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat uit de evaluatie blijkt dat
afschaffing van de CO2-heffing in de praktijk betekent dat hogere subsidies noodzakelijk zijn om verduurzaming
rendabel te maken. Deze leden hopen dat de Staatssecretaris de mening deelt dat verduurzaming
onontkoombaar is en dat eerder verduurzamen een concurrentievoordeel kan opleveren
voor de Nederlandse industrie. Daarvoor is wel noodzakelijk dat de overheid ervoor
zorgt dat de randvoorwaarden op orde zijn. Deze leden vragen de Staatssecretaris of
het kabinet van plan is fors meer geld uit te trekken voor verduurzamingssubsidies
voor de Nederlandse industrie en zo ja, waar dat geld vandaan moet komen. Zo nee,
kan de Staatssecretaris toelichten hoe het kabinet dan denkt de verduurzaming van
de industrie te gaan bereiken, gegeven de resultaten van de evaluatie?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen daarnaast dat de CO2-heffing heeft bijgedragen aan het ontwikkelen van verduurzamingsplannen en tot het
daadwerkelijk investeren in verduurzamingsprojecten bij bedrijven. Vindt de Staatssecretaris
dit ook een wenselijke ontwikkeling? Hoe reageert de Staatssecretaris op de klacht
dat bedrijven die al hebben geïnvesteerd in verduurzaming benadeeld worden door het
afschaffen van de CO2-heffing? In hoeverre hecht de Staatssecretaris waarde aan voorspelbaarheid van beleid
en zekerheid voor bedrijven die voor een verduurzamingsopgave staan? Hoe denkt hij
dat het afschaffen van de CO2-heffing daaraan bijdraagt? Is de Staatssecretaris het ermee eens dat de CO2-heffing meer zekerheid biedt dan het ETS, omdat de ETS-prijs sterk kan fluctueren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben voorts een aantal vragen over de behandeling
van afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) in de CO2-heffing. Deze leden vragen of het kabinet van plan is de CO2-heffing ook voor AVI’s volledig te laten vervallen en of dit plan ook is meegenomen
in de analyse van het CPB van het coalitieakkoord, gezien dit naar verwachting zowel
budgettaire effecten heeft als koopkrachteffecten.
Deze leden vragen ook hoe het kabinet de toekomst van de afvalverbrandingssector in
Nederland ziet en hoe en wanneer deze sector volgens het kabinet moet gaan verduurzamen.
Is de Staatssecretaris het ermee eens dat het handelingsperspectief van AVI’s beperkt
is? Deelt de Staatssecretaris de mening dat afval idealiter zoveel mogelijk wordt
gerecycled en dat broeikasgasemissies als gevolg van verbranding van het niet-recyclebare
deel zoveel mogelijk beperkt dienen te worden? Wat gaat het kabinet de komende jaren
doen om deze doelen te bereiken en in hoeverre bestaat volgens de Staatssecretaris
het risico dat de export van afval toeneemt en/of de kosten van de CO2-heffing afgewenteld worden op huishoudens? Deze leden merken op dat zekerheid nodig
is over het rendement van de investeringen in verduurzaming voor de jaren vanaf 2030.
Vindt de Staatssecretaris het vanuit dat perspectief niet wenselijk om de CO2-heffing voort te laten bestaan en zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden over het
prijspad voor in ieder geval de komende tien jaar? Deze leden horen ook graag van
de Staatssecretaris wat op dit moment de stand van zaken is van de uitvoering van
de motie Stultiens c.s. (Kamerstuk 36 812, nr. 83).
Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie enkele vragen over de aanbevelingen
uit het evaluatierapport. Deze leden lezen dat de onderzoekers aanbevelen om een keuze
te maken tussen «(1) het verruimen van subsidies, of (2) het accepteren van een verhoogd
risico op verminderde industriële activiteit om het nationale klimaatdoel voor de
industrie te halen». Deze leden vragen de Staatssecretaris welke keuze dit kabinet
maakt en waarom. Voorts vragen deze leden hoe de aanbeveling om prioriteit te geven
aan het aanpakken van knelpunten te rijmen valt met het rücksichtsloze afschaffen
dan wel buiten werking stellen van de gehele CO2-heffing. Deze leden hebben dezelfde vraag met betrekking tot de aanbeveling «vergroot
de voorspelbaarheid omtrent de CO2-heffing industrie».
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie vinden het belangrijk dat we nu spreken over de evaluatie
van de CO2-heffing. Deze leden wijzen erop dat de nationale CO2-heffing is ontworpen om samen met subsidiemaatregelen te functioneren als de wortel
en de stok om bedrijven te verduurzamen. De evaluatie concludeert dat de (extra) druk
van de CO2-heffing op bedrijven en de overheid om te verduurzamen de transitie naar een klimaatneutrale
economie ten goede komt omdat bedrijven zich (blijven) inspannen voor de realisatie
van de benodigde infrastructuur voor de verduurzamingsplannen. Tegen die achtergrond
achten deze leden het zorgelijk dat juist nu uit de Klimaat- en Energieverkenning
(KEV) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de doorrekening van het coalitieakkoord
blijkt dat het huidige beleid en de plannen van het kabinet tekortschieten, de CO2-heffing wordt afgeschaft. Ze hebben daarom de volgende vragen.
Allereerst hebben deze leden vragen over de juridische verplichtingen en klimaatdoelen.
Acht de Staatssecretaris, kijkend naar de conclusies van het rapport «Routes naar
realisatie» van de commissie-Van Kempen en het vonnis van de rechtbank Den Haag in
de klimaatzaak Bonaire, het mogelijk om aan dit gerechtelijk vonnis te voldoen voor
het zichtjaar 2030 zonder behoud van de nationale CO2-heffing voor de industrie? Zo ja, kunnen de analyses worden gedeeld waarop de Staatssecretaris
deze verwachting baseert? Het rapport «Routes naar realisatie» concludeert dat het
reductiedoel van 55 procent bijna gehaald kan worden met aanvullende maatregelen (pakket
B+), maar dat dit onder meer vereist dat de nationale CO2-heffing voor de industrie niet wordt afgeschaft en mogelijk zelfs moet worden verhoogd.
Is de Staatssecretaris bereid om dit advies over te nemen? Zo nee, hoe verhoudt dat
zich tot de verplichting om aan het gerechtelijke vonnis in de klimaatzaak Bonaire
te voldoen? De KEV van het PBL laat zien dat het huidige beleid onvoldoende is om
de klimaatdoelen te halen. Kan de Staatssecretaris concreet toelichten hoe het kabinet,
bij afschaffing van de nationale CO2-heffing, alsnog borgt dat de industrie haar reductiedoelen haalt? Bestaat er een
analyse van de juridische consequenties als niet aan de klimaatdoelen en gerechtelijke
uitspraken wordt voldaan en zo ja, kan deze analyse met de Kamer worden gedeeld? Deelt
de Staatssecretaris de analyse van het PBL dat versterking van klimaatbeleid noodzakelijk
is om de klimaatdoelen te halen? Zo nee, op basis van welke analyses of doorrekeningen
komt het kabinet tot een andere conclusie dan het PBL, met name in relatie tot het
afzwakken of afschaffen van de nationale CO2-heffing? Welk concreet en juridisch houdbaar alternatief heeft het kabinet voor de
nationale CO2-heffing dat aantoonbaar dezelfde emissiereductie realiseert binnen de vereiste termijn
en hoe wordt geborgd dat hiermee daadwerkelijk wordt voldaan aan de klimaatdoelen
en gerechtelijke uitspraken?
Ook hebben deze leden nog een vraag over de maatschappelijke kosten van afzwakken
beleid. De klimaatcrisis gaat onverminderd door. De gevolgen hiervan zijn steeds zichtbaarder,
onder meer door toenemende extremen in weer, schade aan ecosystemen en risico’s voor
voedselproductie. Tegelijkertijd wordt klimaatbeleid op verschillende punten afgezwakt
of uitgesteld. Hoe weegt de Staatssecretaris het risico dat het afzwakken van instrumenten
zoals de CO2-heffing leiden tot hogere fysieke en maatschappelijke kosten op de middellange- en
lange termijn? Op welke manier worden deze kosten meegewogen in een besluit over een
alternatief voor de CO2-heffing?
De leden vragen hoe het kabinet de positie van bedrijven beoordeelt die reeds hebben
geïnvesteerd in emissiereductie of verduurzaming, mede op basis van de invoering en
aangekondigde ontwikkeling van de nationale CO2-heffing voor de industrie, terwijl bedrijven die dergelijke investeringen hebben
uitgesteld mogelijk profiteren van het (tijdelijk) afzwakken van deze heffing? Kan
het kabinet daarbij ingaan op:
a. In hoeverre het kabinet het onwenselijk acht dat bedrijven die hun verantwoordelijkheid
voor emissiereductie eerder hebben genomen mogelijk worden benadeeld ten opzichte
van bedrijven die dat niet hebben gedaan;
b. Of het kabinet risico’s ziet dat het afzwakken van klimaatbeleid leidt tot strategisch
uitstelgedrag van bedrijven bij investeringen in verduurzaming; en
c. Welke maatregelen het kabinet overweegt om te voorkomen dat bedrijven, die al hebben
geïnvesteerd in emissiereductie of verduurzaming worden benadeeld door het afschaffen
of afzwakken van de CO2-heffing?
In de berichtgeving, onder andere in de Volkskrant van 7 april 20251, geven bedrijven als LyondellBasell en Covestro aan dat mondiale overproductie, met
name vanuit China, hun businessmodel onder druk zet en dat fabrieken ook zonder een
nationale CO2-heffing zouden moeten kunnen gaan sluiten. Kan de Staatssecretaris met cijfers onderbouwen
in welke mate de nationale CO2-heffing daadwerkelijk bijdraagt aan de verslechterende concurrentiepositie van specifieke
industriële sectoren? Hoe verhoudt deze invloed zich tot andere factoren zoals hoge
energieprijzen, internationale overcapaciteit en afnemende vraag naar fossiele producten?
Tot slot vragen deze leden of de Staatssecretaris de opvatting deelt dat consistent
en voorspelbaar klimaatbeleid noodzakelijk is om bedrijven daadwerkelijk te bewegen
tot investeringen in emissiereductie en duurzame technologieën? Zo ja, hoe wordt die
voorspelbaarheid geborgd wanneer instrumenten zoals de CO2-heffing telkens ter discussie worden gesteld en/of afgezwakt, terwijl alle analyses
erop wijzen dat er aanvullend klimaatbeleid nodig zal zijn en de evaluatie van de
CO2-heffing concludeert dat de heffing de transitie naar een klimaatneutrale economie
ten goede komt? Hoe voorkomt het kabinet dat het afzwakken van klimaatbeleid ertoe
leidt dat verouderde en vervuilende productiemodellen langer in stand worden gehouden,
terwijl deze geen toekomstbestendig perspectief hebben en gepaard gaan met hoge maatschappelijke
kosten
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.