Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025 (Kamerstuk 28325-299)
28 325 Bouwregelgeving
Nr. 303 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 4 maart 2026
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening over de brief van 27 oktober 2025 over het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving
2025 (Kamerstuk 28 325, nr. 299).
De vragen en opmerkingen zijn op 3 december 2025 aan de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening voorgelegd. Bij brief van 4 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Beckerman
Adjunct-griffier van de commissie, Beekmans
Antwoord / reactie van de Minister
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden
van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van de Tweede
Kamer in het kader van de voorhang van het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving
2025 (28 325, nr. 299) in verband met aanvullende eisen voor het aanbrengen van PUR-schuim, de aanpassing
van de voorschriften voor tijdelijke bouwwerken, de eis om voor een bouwwerk, anders
dan een woonfunctie, verblijfsvoorzieningen te realiseren voor bouwwerkafhankelijke
beschermde diersoorten, de introductie van de woonfuncties zorggeschikt en nultreden
en enkele ondergeschikte wijzigingen.
Hieronder bied ik u de beantwoording op de vragen en opmerkingen aan. Bij de beantwoording
van de vragen wordt de volgorde van het verslag aangehouden.
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewinderspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het Verzamelbesluit bouwwerken
leefomgeving 2025 en de voorgestelde introductie van de woonfuncties zorggeschikt
en nultreden. Deze leden onderschrijven het belang van toegankelijke woningen voor
ouderen en mensen met een zorgbehoefte, maar constateren dat het voorstel geen aanvullende
brandveiligheidsnormen bevat, terwijl de beoogde bewoners naar verwachting verminderd
of niet zelfredzaam zijn. Zij nemen kennis van het feit dat de nieuwe woonfuncties
uitsluitend op bruikbaarheid zijn ingericht, en er nog onderzoek wordt gedaan naar
de toekomst van de woonfunctie voor zorg. Zij constateren dat hierdoor een groter
risico op slachtoffers bij brand ontstaat en dat rechtsongelijkheid kan optreden ten
opzichte van vergelijkbare groepen in intramurale zorginstellingen.
(1)
De leden van de D66-fractie verzoeken u toe te lichten waarom de woonfuncties zorggeschikt
en nultreden reeds worden geïntroduceerd zonder voorafgaande borging van brandveiligheid,
terwijl duidelijk is dat de beoogde doelgroep verminderd zelfredzaam is en afhankelijk
van adequate brandpreventieve voorzieningen.
Er gelden al eisen voor de brandveiligheid van de woonfuncties zorggeschikt en nultreden.
Deze zullen namelijk in ieder geval moeten voldoen aan de brandveiligheidseisen in
het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) die gelden voor de reguliere woonfuncties.
Daarnaast gelden de aanvullende brandveiligheidseisen voor de woonfunctie voor zorg
als aan de bewoners professionele zorg wordt verleend met een vanuit het zorgaanbod
georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg. In dat geval moeten de woningen dus
zowel voldoen aan de bruikbaarheidseisen voor zorggeschikte woningen als aan de aanvullende
brandveiligheidseisen voor de woonfunctie voor zorg. De brandveiligheidseisen voor
de woonfunctie voor zorg betreffen brandveiligheidsinstallaties en hulpverlening bij
brand.
Het enige dat verandert met de introductie van de woonfuncties zorggeschikt en nultreden
is dat in het Bbl eenduidig wordt vastgelegd welke bruikbaarheidseisen landelijk gelden
voor deze woningen ten behoeve van de aanstaande verplichting van gemeenten om volkshuisvestingsprogramma’s
op te stellen in het kader van de Wet versterking regie volkshuisvesting, en deze
eisen leiden bovendien tot standaardisatie waardoor (de benodigde) eenduidigheid ontstaat
in de sector.
Tegelijkertijd is in oktober 2024 een inventariserend onderzoek gestart door het Nederlandse
Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) naar de «woonfunctie voor zorg» in het Bbl. Hierbij
is een brede klankbordgroep betrokken.1 Het doel van dit onderzoek is om in kaart te brengen welke verschillende combinaties
van wonen en zorg er in de praktijk voorkomen. Daarbij wordt onderzocht hoe deze combinaties
zich verhouden tot de «woonfunctie voor zorg» zoals gedefinieerd in het Bbl, de bijbehorende
voorschriften, en de noodzakelijke «hulp bij brand» die bewoners mogelijk nodig hebben.
Dit wordt inzichtelijk gemaakt aan de hand van casestudies van bestaande woongebouwen
waarin verschillende vormen van zorg wordt geboden. De resultaten van dit onderzoek
zullen door mij worden gebruikt om samen met de zorgsector te bezien of de eisen in
het Bbl moeten worden geactualiseerd. Ik verwacht Uw Kamer hierover voor de zomer
nader te kunnen informeren.
(2)
Deze leden vragen u aan te geven hoe wordt gewaarborgd dat het brandveiligheidsniveau
van deze woningen adequaat en gelijkwaardig is ten opzichte van vergelijkbare groepen
in intramurale zorginstellingen, zodat rechtsongelijkheid wordt voorkomen en de bescherming
van bewoners gegarandeerd is.
Zoals in mijn antwoord op vraag 1 is vermeld, zijn voor de woonfunctie zorggeschikt
ook de aanvullende brandveiligheidseisen in het Bbl voor de woonfunctie voor zorg
van toepassing als aan de bewoners professionele zorg wordt verleend met een vanuit
het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg.
Voor intramurale zorginstellingen gelden de aanvullende brandveiligheidseisen in het
Bbl voor de woonfunctie voor zorg met 24-uurszorg. Als bij een woonfunctiefunctie
zorggeschikt ook sprake is van 24-uurszorg gelden dezelfde aanvullende brandveiligheidseisen
die nu gelden voor intramurale zorginstellingen.
(3)
De leden van de D66-fractie vragen u wanneer het aangekondigde onderzoek naar de toekomst
van de brandveiligheidsvoorschriften van de woonfunctie voor zorg start, wat het beoogde
tijdpad is, en welke opdrachtformulering daarbij wordt gehanteerd. Deze leden vragen
u ook te verduidelijken of het toevoegen van brandveiligheidsmaatregelen aan de nieuwe
woonfuncties zorggeschikt en nultreden deel uitmaakt van dit onderzoek. Als dit niet
het geval is, vragen zij zich af of u bereid bent de onderzoeksformulering uit te
breiden met dit onderdeel.
Als antwoord op de vraag verwijs ik naar de laatste alinea van mijn antwoord op vraag 1.
(4)
De leden van de D66-fractie vragen u daarnaast uiteen te zetten op welke wijze Brandweer
Nederland betrokken is bij de totstandkoming van de wijziging van het Besluit bouwwerken
leefomgeving (Bbl). Daarnaast vragen deze leden op welke wijze Brandweer Nederland
structureel kan worden betrokken bij de verdere uitwerking van brandveiligheidsvoorschriften,
zodat de veiligheid van de beoogde bewoners wordt geborgd.
Brandweer Nederland is deelnemer aan de klankbordgroep bij het hiervoor genoemde NIPV-onderzoek.
Binnen het NIPV is ook de Nederlandse Academie voor Crisisbeheersing en Brandweerzorg
betrokken bij het onderzoek.
Brandweer Nederland is verder structureel deelnemer aan het Overleg Platform Bouwregelgeving
(OPB) en de Juridische Technische Commissie (JTC). Alle wijzigingen van het Bbl worden
besproken in het JTC en voor advies voorgelegd aan het OPB. Tevens overleggen mijn
medewerkers regelmatig met vertegenwoordigers van Brandweer Nederland, daar waar het
de brandveiligheidsregels betreft.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Verzamelbesluit bouwwerken
leefomgeving 2025. Deze leden hechten aan duidelijke, uitvoerbare regels en vinden
het van groot belang dat nieuwe voorschriften niet leiden tot extra of onnodige regeldruk
voor gemeenten, bedrijven en woningbouwprojecten. Over meerdere onderdelen van het
besluit hebben zij nog vragen.
(5)
De leden van de CDA-fractie hebben over de PUR-regelgeving enkele vragen. Deze leden
vragen welke gevolgen de meldplicht voor PUR-werkzaamheden heeft voor de capaciteit
van vergunningverlening, toezicht en handhaving bij gemeenten en welke extra handelingen
deze meldplicht voor en na de werkzaamheden met zich meebrengt. Zij vernemen graag
welke mitigerende maatregelen beschikbaar zijn en welke signalen er bestaan over zorgen
bij gemeenten over het beoordelen van vooropname- en nacontrolerapportages.
De gevolgen voor gemeenten van de nieuwe regelgeving voor PUR-schuim zijn door Cebeon
in een bestuurlijk lastenonderzoek2 inzichtelijk gemaakt in het kader van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet.
Cebeon heeft daarbij in overleg met de VNG een overzicht gemaakt van de nieuwe werkzaamheden
voor gemeenten. Aan de hand van onder andere interviews met gemeenten heeft Cebeon
vervolgens de te verwachte tijdsbesteding en bijkomende kosten voor deze werkzaamheden
in beeld gebracht. Cebeon komt uiteindelijk voor alle gemeenten tot een eenmalige
lastentoename van minimaal € 1.725.000 en maximaal € 2.245.000 en een structurele
lastentoename van minimaal € 201.000 en maximaal € 262.000 per jaar (In paragraaf
5.3.1 van de Bbl-wijziging zijn de bedragen voor de eenmalige en structurele lastentoename
abusievelijk omgekeerd). Overeenkomstig de Financiële-verhoudingswet worden gemeenten
voor deze lastentoenamen gecompenseerd met een verhoging van het Gemeentefonds.
Zoals gemeld in paragraaf 8.5 van de Bbl-wijziging heeft de VNG bij de consultatie
van het de Bbl-wijziging nog opmerkingen gemaakt over het Cebeon-onderzoek. De VNG
vindt het te verwachten toezicht ter plaatse en de te verwachten kosten voor klachtafhandeling
te laag ingeschat. Voorts vindt VNG dat een deel van de eenmalige kosten jaarlijks
zullen terugkeren, zoals het opleiden van nieuwe medewerkers en het actueel houden
van beleid, standaardbrieven en systemen. Op een verzoek van het ministerie om nadere
informatie te sturen zodat het Cebeon onderzoek hierop mogelijk kon worden herzien,
is nog niet gereageerd door de VNG. En is besloten de Bbl-wijziging verder in procedure
te brengen en voor te leggen aan uw Kamer ter voorhang. Ik vind het belangrijk dat
gemeenten straks daadwerkelijk in staat zijn om de nieuwe werkzaamheden uit te voeren.
Ik zal opnieuw aan de VNG vragen om nadere informatie zodat Cebeon haar rapport eventueel
kan aanpassen.
(6)
Zij vragen in hoeverre verschillen in kennisniveau tussen gemeenten tot uiteenlopende
handhavingspraktijken kunnen leiden en welke maatregelen beschikbaar zijn om dit te
voorkomen. De leden van de CDA-fractie vragen welke factoren u hanteert bij het bepalen
of aanvullende ondersteuning nodig is en welke mogelijkheden er zijn voor regionale
taakverdeling of specialisatie binnen omgevingsdiensten. Tevens vragen deze leden
hoe de handhaving in de beginfase wordt ingeschat, of onbekendheid met nieuwe regels
een rol kan spelen en hoe wordt geborgd dat gezondheids- of arbeidsklachten niet onnodig
bij gemeenten worden neergelegd.
Het is aan iedere gemeente afzonderlijk hoe zij invulling geeft aan het toezicht op
en handhaving van eisen in het Bbl. Dit geldt ook voor de nieuwe eisen voor PUR-schuim.
In het hiervoor genoemde onderzoek is Cebeon voor iedere gemeente uitgegaan van scholing
van ambtenaren en het opstellen van toezichtbeleid. De daadwerkelijke invulling hiervan
is aan iedere afzonderlijke gemeente. Een gemeente kan zelf kiezen om eventueel taken
voor de nieuwe eisen te beleggen bij een omgevingsdienst of te kiezen voor samenwerking
met regiogemeenten. De inwerkingtredingsdatum voor de nieuwe regelgeving is nog niet
bepaald. Er zal nog voldoende tijd zijn voor gemeenten om zich hierop voor te bereiden,
waardoor problemen in de beginfase kunnen worden voorkomen. De te verwachten klachtafhandeling
door gemeenten is meegenomen in het Cebeon-onderzoek. Zoals hiervoor gesteld vraag
ik aan VNG nog naar nadere informatie hierover.
(7)
De leden van de CDA-fractie hebben ook over het digitale meldproces enkele vragen.
Deze leden vragen of gemeenten behoefte hebben aan een uniform digitaal meldformulier,
in welke mate automatische validatie in het Digitaal Stelsel Omgevingswet de administratieve
lasten kan verlagen en of mogelijkheden bestaan om automatische koppelingen met VTH-systemen
te verkennen. Zij vragen welke overwegingen gelden bij het ontwikkelen van een landelijke
handreiking voor PUR-toezicht en of binnen het interbestuurlijk programma ruimte bestaat
om uitvoeringsaspecten van PUR-regelgeving te adresseren zonder dat extra verplichtingen voor gemeenten
ontstaan. Zij vragen tevens of een overgangsfase is overwogen waarin de nadruk ligt
op begeleiding in plaats van directe handhaving.
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is een gezamenlijke ontwikkeling van de VNG,
het IPO, de Unie van Waterschappen en het Rijk. Alle nieuwe wetgeving wordt in overleg
met de ketenpartners voor de inwerkingtreding van de regels in het DSO uitgewerkt,
zo ook de nieuwe informatieplicht voor PUR-schuim. Het nieuwe meldformulier zal zijn
gebaseerd op hoe vergelijkbare informatieverplichtingen onder de Omgevingswet zijn
opgenomen in het DSO.
Vanuit het ministerie is er geen initiatief voor het ontwikkelen van een landelijke
handreiking PUR-toezicht of toepassing van een interbestuurlijke programma voor dit
onderwerp. Het toepassen van een interbestuurlijk programma ligt niet in de rede,
omdat de nieuwe eisen voor PUR-schuim relatief beperkte gevolgen hebben voor gemeenten.
Ik zal in gesprek gaan met de VNG om te bezien welke behoefte gemeenten hebben voor
een landelijke handreiking PUR-toezicht. Tussen de publicatie van de eisen en de inwerkingtreding
daarvan zullen ten minste 6 maanden zitten. Deze periode kan door zowel bedrijven
als gemeenten worden gebruikt als een overgangsfase.
(8)
De leden van de CDA-fractie hebben ook over de gevolgen voor mkb-bedrijven enkele
vragen. Deze leden verzoeken de regering inzicht te geven in de administratieve lasten
voor kleine bedrijven zonder erkende kwaliteitsverklaring en vragen of de meldtermijn
van vijf werkdagen voor hen uitvoerbaar is. Zij vragen of signalen bekend zijn dat
kleine isolatiebedrijven opdrachten dreigen te verliezen doordat opdrachtgevers vooral
gecertificeerde bedrijven selecteren en in hoeverre verschillen in verplichtingen
voor bedrijven met en zonder kwaliteitsverklaring invloed hebben op een gelijk speelveld.
In het door Sira uitgevoerde lastenonderzoek3 wordt uitgegaan van 47 gecertificeerde bedrijven en 5 niet gecertificeerde bedrijven.
Uit het Sira rapport blijkt dat de administratieve lasten voor niet gecertificeerde
bedrijven naar verwachting 23 euro per woning zijn (0,58 uur tegen uurtarief 39 euro).
Uit de MKB-toets is gebleken dat de meldtermijn van vijf werkdagen voor bedrijven
lastig is, maar niet dat deze niet uitvoerbaar is. Er zijn geen signalen bekend dat
niet-gecertificeerde bedrijven opdrachten dreigen te verliezen.
(9)
De leden van de CDA-fractie vragen welke mogelijkheden bestaan om ondersteuning richting
certificering te verkennen, welke randvoorwaarden gelden voor vormen van collectieve
certificering en of digitale standaardformulieren en checklists kunnen bijdragen aan
lagere uitvoeringslasten. Ook vragen deze leden in hoeverre laagdrempelige digitale
hulpmiddelen kunnen bijdragen aan uniforme kwaliteitsborging en of jaarlijks praktijkoverleg
tussen gemeenten, omgevingsdiensten en isolatiebedrijven kan bijdragen aan tijdige
signalering van knelpunten. Zij vragen ten slotte of risicogerichte toezichtmodellen,
waarin goed presterende bedrijven minder frequent worden gecontroleerd, kunnen bijdragen
aan lagere lasten.
Reeds 90% van de betreffende branche is vrijwillig gecertificeerd. Er zijn geen signalen
vanuit niet-gecertificeerde bedrijven dat zij behoefte hebben aan ondersteuning richting
(collectieve) certificering. Bij de gecertificeerde bedrijven is al sprake van uniforme
kwaliteitsborging door de van toepassing zijnde beoordelingsrichtlijnen voor certificering.
De eventuele toepassing van digitale hulpmiddelen is aan de certificeringsbranche.
Ik heb nu geen aanwijzingen van knelpunten. Na invoering van de regelgeving zal door
het ministerie vinger aan de pols worden gehouden door overleg met de Vereniging Bouw-
en Woningtoezicht Nederland. Een risicogericht toezichtmodel kan voor gemeenten mogelijk
zinvol zijn. Dit kan worden beschouwd bij een eventuele handreiking PUR-toezicht zoals
hiervoor bedoeld.
(10)
De leden van de CDA-fractie hebben ook over de regels voor tijdelijke woningen en
verplaatsing enkele vragen. Deze leden vragen hoe gemeenten en ontwikkelaars rekening
moeten houden met de opwaarderingsplicht wanneer tijdelijke woningen langer dan vijftien
jaar in stand blijven en of is meegenomen dat opwaarderen in sommige gevallen financieel
of technisch nauwelijks haalbaar is. Zij vragen of deze plicht ontmoedigend kan uitwerken
op langer gebruik van tijdelijke woningen.
De eis dat een tijdelijke woning moet worden aangepast op nieuwbouweisen (opwaarderingsplicht)
als deze langer dan vijftien jaar op een locatie aanwezig blijft, is nu al opgenomen
in het Bbl en voorheen ook in het Bouwbesluit 2012. Deze eis is dus niet nieuw voor
gemeenten en ontwikkelaars en het is aan hen om hiermee rekening te houden. Het langer
gebruik van een tijdelijke woning op dezelfde locatie is vanuit het Bbl (Bouwbesluit
2012) nooit beoogd omdat de eisen voor tijdelijke bouw lager zijn dan voor permanente
nieuwbouw, wat past binnen het beoogde tijdelijke gebruik. Er geldt hierop ook geen
uitzondering als de aanpassing financieel of technisch nauwelijks haalbaar zijn. De
wijziging in het Bbl betreft woningen met een oorspronkelijke nieuwbouwkwaliteit die
eerst op een tijdelijke locatie staan en vervolgens op deze locatie alsnog permanent
mogen blijven staan (bijvoorbeeld door aanpassing van het omgevingsplan) of worden
verplaatst naar een andere permanente locatie. Onder het huidige Bbl zouden deze woningen
dan eerst moeten worden aangepast (opgewaardeerd) op het dan geldende Bbl. De onderhavige
wijziging regelt dat dit niet meer nodig is.
(11)
Ook vragen zij welke criteria beschikbaar zijn om te bepalen wanneer een bouwwerk
bij verplaatsing ongewijzigd van samenstelling blijft en welke interpretatievragen
kunnen ontstaan bij gedeelten die mogen worden verwijderd of toegevoegd. Zij vragen
in hoeverre verschillen in interpretatie tot uiteenlopende uitkomsten bij vergunningverlening
kunnen leiden.
De criteria om te bepalen of sprake is van verplaatsing in ongewijzigde samenstelling
volgen uit artikel 5.6 en de daarop gegeven toelichting in het Bbl. Het moet gaan
om verplaatsing in precies dezelfde samenstelling, tenzij artikel 5.6 anders aangeeft.
Het verwijderen of toevoegen van gedeelten is niet toegestaan. Hierover zijn in de
praktijk voor zover bekend ook geen interpretatieverschillen. Wel waren er interpretatieverschillen
over het vernieuwen van constructieonderdelen bij het verplaatsen. In artikel 5.6
is in de onderhavige wijziging van het Bbl daarom opgenomen dat het vernieuwen van
constructieonderdelen van ondergeschikte aard niet valt onder de voorwaarde van ongewijzigde
samenstelling. In de toelichting bij artikel 5.6 zijn voorbeelden gegeven wat hier
onder wordt verstaan. Hiermee worden interpretatieverschillen bij vergunningverlening
voorkomen.
(12)
De leden van de CDA-fractie vragen om inzicht in de kostenimpact van de hoofdregel
dat bij verplaatsing nieuwbouweisen gelden en of signalen bestaan dat retrofitting
van flexwoningen financieel zwaar kan uitpakken. Deze leden vragen of de regels ertoe
kunnen leiden dat aanbieders standaard op nieuwbouwniveau moeten ontwerpen en wat
dit betekent voor de betaalbaarheid.
Er is geen sprake van een nieuwe regel. In de onderhavige wijziging van het Bbl is
slechts juridisch verduidelijkt dat de hoofdregel is dat de regels voor nieuwbouw
uit hoofdstuk 4 van toepassing zijn op het verplaatsen van een bouwwerk. Ook in het
huidige Bbl is dit al de hoofdregel. Er is daarmee dus geen kostenimpact ten opzichte
van het huidige Bbl. Van belang is verder dat het Bbl voor tijdelijke woningen lagere
nieuwbouweisen stelt dan voor permanente bouw. Flexwoningen die ergens tijdelijk worden
neergezet hoeven daarmee niet te voldoen aan de eisen die gelden voor permanente bouw.
Ook dit is niet veranderd met de onderhavige wijziging van het Bbl en er zijn geen
consequenties voor de betaalbaarheid. Er zijn in de gesprekken met producenten van
flexwoningen geen signalen naar voren gekomen dat retrofitting van tijdelijke bouw
financieel zwaar zou uitpakken.
(13)
Zij vragen tevens hoe gemeenten het maatwerkinstrument voor geluideisen dienen toe
te passen bij verplaatsing naar geluidsbelaste locaties en of toetsing bij elke verplaatsing
de procedureduur kan verlengen.
Het is aan de initiatiefnemer om, gekoppeld aan de aanvraag van een omgevingsvergunning,
bij een gemeente een maatwerkvoorschrift te vragen voor zover dit voor zijn bouwplan
(door verplaatsing) noodzakelijk is. Hierbij kan de gemeente het gezamenlijk buitengeluid
(de waarde op de gevel) waarop men moet toetsen opnieuw bepalen of de waarde waaraan
moet worden voldaan verlagen naar 38 dB. Als men kiest voor een verlaging naar 38 dB
zal geen sprake zijn van een langere procedureduur. Bij het op nieuw bepalen van het
gezamenlijk geluid mogelijk wel. Het is echter een keuze van de initiatiefnemer hiervan
gebruik te maken. Verder gelden de betreffende geluidseisen alleen in het geval de
woning op een permanente locatie wordt gezet en niet bij verplaatsing naar een tijdelijke
locatie.
(14)
Ook vragen de leden van de CDA-fractie of een landelijke vorm van typegoedkeuring,
een afzonderlijke categorie voor verplaatsbare woningen of een uniform pakket technische
eisen kan bijdragen aan minder dubbele toetsing en lagere lasten. Deze leden vragen
verder of regionale catalogi met vooraf getoetste concepten procedures kunnen versnellen
en in hoeverre standaardisatie van kavelmaten en verkaveling kan bijdragen aan vereenvoudiging.
Binnen het stelsel van de bouwregelgeving is het al mogelijk om met een zogenoemde
Erkende Kwaliteitsverklaring (verder: EKV) woningen of delen van woningen vooraf en
eenmalig te laten toetsen aan de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Met
een EKV wordt het bewijs geleverd dat aan de regels wordt voldaan en bij het aanvragen
van een vergunning en bij bouwen onder kwaliteitsborging is aanvullende toetsing op
de regels van het Bbl dan ook niet meer aan de orde. Ik stimuleer deze ontwikkeling
onder meer via de inrichting van een tweetal fastlanes, waarbij niet alleen via EKV’s
het voldoen aan het Bbl wordt aangetoond maar waarin ook wordt nagegaan in hoeverre
ook de vergunningverlening aan de ruimtelijke kant kan worden versneld. Mijn ambtsvoorganger
heeft uw Kamer hierover eerder geïnformeerd in de brief van 23 juni 2025.4 Standaardisatie kan hierbij zorgdragen voor extra versnelling en dat wordt dan ook
nadrukkelijk bezien in de betreffende projecten. In sommige gevallen kan het juist
aan te raden zijn om flexibiliteit te hanteren in het stedenbouwkundig plan, zodat
er mogelijk een extra woning gerealiseerd kan worden. Op basis van de resultaten kan
bezien worden in hoeverre de nu al bestaande typegoedkeuring kan worden aangepast
zodat uiteindelijk ook de vergunningplicht voor de bouwactiviteit – onder specifieke
nog te bepalen voorwaarden – kan komen te vervallen.
(15)
De leden van de CDA-fractie hebben ook over de natuur- en onderzoekslasten enkele
vragen. Deze leden vragen hoe de nieuwe bouwkundige voorzieningen voor huismus, gierzwaluw
en vleermuis zich verhouden tot bestaande verplichtingen onder natuurregelgeving,
zodat geen extra onderzoekslasten ontstaan. In welke mate zijn deze voorzieningen
bedoeld als no regret maatregelen en hoe wordt geborgd dat zij geen aanvullende vergunningplicht
of onderzoeksplicht oproepen? Zij vragen hoe wordt voorkomen dat gemeenten toch aanvullend
ecologisch onderzoek vragen en welke stappen worden gezet om te voorkomen dat voorzieningen
in het Bbl worden geïnterpreteerd als onderdeel van soortcompensatie.
Voorafgaand aan iedere activiteit die een nadelig effect kan hebben voor beschermde
soorten geldt een onderzoeksplicht. Dat vloeit voort uit het zorgplichtartikel en
het verbod om beschermde soorten te doden, verstoren of nesten te beschadigen of vernietigen,
zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze onderzoeksplicht
uit het Bal geldt ook voor een bouwactiviteit waarbij een nieuw utiliteitsgebouw wordt
gebouwd. De nieuwe verplichting voor de verblijfsvoorzieningen zoals opgenomen in
het Bbl staat hier los van.
De nieuwe eisen in het Bbl leiden er toe dat in de toekomst utiliteitsgebouwen gebouwd
moeten worden met verblijfsvoorzieningen voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen.
Deze verblijfsvoorzieningen zijn dan onderdeel van de bouwactiviteit waarvoor de onderzoeksplicht
in het Bal geldt. Er hoeft dus geen apart onderzoek te worden uitgevoerd voor deze
verblijfsvoorzieningen zelf.
Als uit de onderzoeksplicht blijkt dat de bouwactiviteit een nadelig effect heeft
op huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen dan moet er een omgevingsvergunning voor
flora- en fauna-activiteiten worden aangevraagd bij de provincie. In de vergunning
kan de provincie dan voorschrijven dat compenserende maatregelen moeten worden genomen.
Het is vervolgens aan het oordeel van de provincie of de verblijfsvoorzieningen die
op grond van het Bbl worden aangebracht voldoen als compenserende maatregel of dat
er iets anders nodig is.
(16)
Ook vragen zij of signalen bekend zijn dat onduidelijkheid over eDNA-onderzoek in
bestaande bouw zich uitbreidt naar nieuwbouwprojecten en of richtlijnen nodig zijn
om te verduidelijken dat eDNA onderzoek bij utiliteitsbouw niet noodzakelijk is. Verder
vragen zij of aanleiding bestaat om scherper te scheiden welke onderzoeksmethoden
bij renovatie gelden en welke bij nieuwbouw.
Er zijn geen signalen bekend over onduidelijkheid ten aanzien van eDNA-onderzoek bij
nieuwbouw. De Omgevingsregeling waarmee eDNA als erkende maatregel is opgenomen om
te voldoen aan de zorgplicht van artikel 11.27 van het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving)
geldt alleen bij na-isolatie en voor vleermuizen en kan dus niet worden gebruikt bij
nieuwbouwprojecten.
(17)
De leden van de CDA-fractie hebben ook over de nieuwe eisen voor toegankelijkheid
en woningplattegronden enkele vragen. Deze leden vragen welke effecten de eisen hebben
op de mogelijkheden van ouderen om langer zelfstandig te wonen en of koppeling aan
gemeentelijke woonzorgvisies is overwogen. Zij vragen welke kostenstijging wordt verwacht
door ruimere minimale oppervlaktes voor sanitaire en verkeersruimten en welke gevolgen
dit heeft voor woningdichtheid. De leden van de CDA-fractie vragen hoe de gewijzigde
maatvoeringseisen zich verhouden tot het STOER principe om regels te vereenvoudigen
en regeldruk te beperken en of effectberekeningen beschikbaar zijn van extra benodigde
vierkante meters. Tevens vragen zij welke gevolgen de eisen kunnen hebben voor de
betaalbaarheid, in het bijzonder bij binnenstedelijke projecten.
Deze eisen zijn nadrukkelijk niet van toepassing op de gehele nieuwbouw, maar van
toepassing op de woningtypes nultredenwoningen en zorggeschikte woningen (woningen
geschikt voor ouderen). De aanleiding voor het vastleggen van duidelijke definities
van ouderenwoningen en bruikbaarheidseisen is dat het werkveld hier expliciet om heeft
gevraagd bij het opstellen van het programma Wonen en Zorg voor Ouderen. Het hanteren van landelijke eisen heeft verschillende voordelen. Het leidt tot minder
(uiteenlopende) lokale regelgeving en voorkomt dat steeds weer opnieuw veel tijd moet
worden besteed aan discussies tussen bouwers, gemeenten en de zorgsector over de te
stellen eisen aan nultreden- of zorggeschikte woningen, of dat op deze eisen uiteenlopend
lokaal beleid wordt gehanteerd. Door vastlegging van landelijke definities en bijbehorende
bruikbaarheidseisen ontstaat duidelijkheid voor ontwikkelende partijen. Bovendien
bestaat hierdoor de mogelijkheid tot standaardisatie van woonconcepten en industriële
bouw. Gemeenten en provincies dienen in hun woonzorgvisies en/of volkshuisvestingsprogramma’s
te programmeren op deze woningtypes en daarbij uit te gaan van deze landelijke eisen.
Bij de voorgestelde bruikbaarheidseisen voor nultredenwoningen en zorggeschikte woningen
in het Bbl is aangesloten bij normen die in de praktijk al gangbaar zijn. Ze zijn
gebaseerd op de definities uit het programma Wonen en zorg voor ouderen en op de eisen van de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen. Daarnaast is aangesloten
bij de eisen die ontwikkelaars en woningcorporaties hanteren die al veel ervaring
hebben met het realiseren van dit type woningen. Er is dus geen sprake van nieuwe
eisen voor het werkveld en daarmee ook niet van bijvoorbeeld onvoorziene kostenstijgingen
of ruimere minimale oppervlakten. Met de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen
worden de meerkosten voor zorggeschikte woningen in het sociale huursegment gecompenseerd,
die in dit segment niet of nauwelijks kunnen worden terugverdiend. Voor zorggeschikte
woningen in de middenhuur is het mogelijk de extra kosten te verdisconteren in de
huurprijs via een puntenopslag in het WWS. De voorgestelde bruikbaarheidseisen in
het Bbl zijn bovendien afgestemd met de sector in verschillende fasen van het beleidstraject.
Het is daardoor aannemelijk dat vastlegging van deze eisen juist leidt tot een verlaging
van de regeldruk, versnelling van de realisatie en lagere bouwkosten als gevolg van
standaardisatie.
(18)
Deze leden hebben ook over de overgangstermijnen enkele vragen. Zij vragen welke overwegingen
hebben geleid tot de gekozen overgangstermijnen en of is onderzocht of voor specifieke
voorschriften een langere overgangstermijn wenselijk kan zijn om herontwerp in lopende
projecten te voorkomen. Zij vragen in welke mate de nieuwe eisen kunnen leiden tot
herontwerp of vertraging van reeds vergunde projecten en of is meegewogen dat aanvullende
toegankelijkheidseisen de bouwsnelheid kunnen beïnvloeden.
Indien een vergunningaanvraag is ingediend bij de gemeente of al is vergund op het
moment van inwerkingtreding van onderhavig wijzigingsbesluit, geldt dat de nieuwe
definities en bruikbaarheidseisen voor nieuwbouw niet van toepassing zijn. Een herontwerp
bij lopende trajecten is daarmee niet nodig. De definities en bruikbaarheidseisen
in het gewijzigde Bbl zijn wel van toepassing op projecten waarvoor nog geen vergunning
is aangevraagd. Hiervoor geldt dat de definities en bruikbaarheidseisen zijn gebaseerd
op de normen die in de praktijk worden gebruikt, en ook aansluiten op de huidige subsidievoorwaarden
onder de subsidieregeling voor zorggeschikte woningen. Een (volledig ander) herontwerp
is dan ook niet aannemelijk.
Overigens geldt dat de sector nog steeds woningen kan bouwen die niet aan de woonfuncties
van het gewijzigde Bbl voldoen; deze eisen gelden alleen voor de bouwopgave aan nultredenwoningen
of zorggeschikte woningen zoals gemeenten deze zullen programmeren in hun volkshuisvestingsprogramma.
Bij de publicatie van het onderhavige wijzigingsbesluit in het Staatsblad wordt ook
de datum opgenomen waarop de wijzigingen in werking treden. Omdat de wijzigingen voor
de nultreden en zorggeschikte woningen passen binnen wat nu al door de sector wordt
gebouwd, kan daarbij worden volstaan met een inwerkingtredingsdatum van de gebruikelijke
zes maanden na publicatie.
(19)
De leden van de CDA-fractie hebben ook over de gewijzigde trillingsrichtlijnen enkele
vragen. Deze leden vragen wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de eerdere
SBR-richtlijn en de nieuwe meet- en beoordelingsrichtlijnen trillingen deel B en of
de actualisatie leidt tot strengere beoordeling van nieuwbouw nabij spoor. Zij vragen
welke mogelijke kostenstijgingen trillingsisolatie met zich kan meebrengen en of is
overwogen dat strengere eisen het risico vergroten dat problemen worden afgewenteld
op ontwikkelaars in plaats van bij de bron te worden aangepakt. Zij vragen hoe de
wijziging is afgestemd met het programma Minder Hinder voor Spoor en in hoeverre het
uitgangspunt blijft dat bronmaatregelen leidend zijn bij het beperken van trillingen.
In het huidige Bbl wordt verwezen naar de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder
voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (oftewel de SBR-richtlijn B)
uit 2006. Met de onderhavige wijziging wordt dit aangepast naar de eerdere versie
van de SBR-richtlijn B uit 2002. De versie uit 2006 betreft geen actualisatie maar
een herdruk en bevat slechts redactionele wijzigingen ten opzichte van de versie uit
2002. Omdat in de Omgevingsregeling voor andere regelgeving dan het Bbl wordt verwezen
naar de versie uit 2002 is besloten om voor het Bbl op dezelfde manier te verwijzen.
Er verandert hiermee dus niets aan de regelgeving.
In het Bbl wordt alleen naar de SBR-richtlijn B verwezen voor eisen aan trillingen
die optreden bij bouw- en sloopwerkzaamheden. In het algemeen gaat het hierbij om
trillingen veroorzaakt door hei- en sloopmachines. Omdat er geen inhoudelijke wijzigingen
zijn tussen de versie uit 2002 en de versie uit 2006 is er geen sprake van strengere
eisen voor het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Uw vraag gaat echter niet over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden, maar
over de beoordeling van trillingen in het geval van nieuwbouw nabij het spoor. Dit
is geen onderwerp van regelgeving in het Bbl. Het beleid ten aanzien van trillinghinder
spoor is belegd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. In de Beleidsregel
Trillinghinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen wordt eveneens
uitgegaan van de SBR-richtlijn uit 2002. Ook daarbij is geen sprake van strengere
beoordeling van nieuwe spoorprojecten of van nieuwbouw nabij spoor. Het Ministerie
van Infrastructuur en Waterstaat blijft daarnaast gericht op bredere inzet van bronmaatregelen
zoals toegepast op druk bereden goederenroutes via het Minder Hinder-pakket.5
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben het ontwerp Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving
2025 met interesse gelezen en hebben de volgende opmerkingen en schriftelijke vragen
aan de Minister.
Het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025 beoogt het Bbl aan te passen op het
gebied van PUR-schuim, tijdelijke bouwwerken, natuureisen en de introductie van zorggeschikte
en nultreden woonfuncties. Deze leden hechten eraan dat regelgeving bijdraagt aan
de woonopgave en de gezondheid en veiligheid van burgers waarborgt, zonder onnodige
bureaucratie en kosten voor gemeenten, ondernemers en burgers.
Het Verzamelbesluit introduceert een informatieplicht voor het aanbrengen van PUR-schuim,
zowel vooraf (vijf werkdagen, dan wel twee dagen met Erkende Kwaliteitsverklaring
(EKV)) als achteraf. Volgens het Cebeon-rapport leidt dit tot een substantiële toename
van de bestuurlijke lasten voor gemeenten, oplopend tot maximaal € 2,245 miljoen structureel
per jaar.
(20)
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister waarborgt dat deze nieuwe informatieplichten
niet leiden tot onnodige bureaucratie en vertraging van de verduurzamingsprojecten,
gezien de omvang van de bestuurlijke lasten voor de gemeenten. Deze leden vragen ook
hoe realistisch het is dat gemeenten deze informatieverzoeken tijdig kunnen verwerken,
gezien de huidige capaciteitstekorten in toezicht en handhaving.
Om de bestuurlijke lasten voor gemeenten te beperken is juist gekozen voor een eenvoudige
informatieplicht. En niet voor een meldings- of vergunningsplicht. In paragraaf 5.3.1
van de Bbl-wijziging zijn de bedragen voor de eenmalige en structurele lastentoename
abusievelijk omgekeerd. De structurele lastentoename voor alle gemeenten is volgens
Cebeon maximaal € 262.000 en niet € 2,245 miljoen per jaar. Zie hierbij ook mijn antwoord
op de vragen van de CDA-fractie. Het gaat voor gemeenten om een beperkte structurele
lastentoename voor toezicht en handhaving. Gemeenten worden voor deze lastentoenamen
gecompenseerd met een verhoging van het Gemeentefonds.
Het eventueel niet tijdig verwerken van de aangeleverde informatie door gemeenten
zal niet leiden tot vertraging van verduurzamingsprojecten. Bedrijven kunnen na het
doorgeven van de informatie aan gemeenten altijd beginnen met de werkzaamheden. Er
is daarvoor geen toestemming van de gemeente nodig of een reactie van de gemeente
op de aangeleverde informatie.
(21)
De Minister erkent dat de aankondigingstermijn van vijf dagen in de praktijk lastig
kan zijn voor bedrijven. Dit wordt als compromis gehandhaafd, maar verkort tot twee
dagen voor bedrijven die beschikken over een EKV. De leden van de BBB-fractie vragen
welke concrete stappen u onderneemt om ervoor te zorgen dat dit EKV-stelsel snel breed
beschikbaar en betaalbaar wordt voor alle MKB-bedrijven die PUR-schuim aanbrengen,
zodat zij in de praktijk van de verkorte termijn kunnen profiteren en dubbel werk
(naast bestaande certificeringen) wordt voorkomen. Deze leden vragen op welke manier
wordt geborgd dat ook kleinere MKB-bedrijven zonder grote administratieve capaciteit
eenvoudig toegang krijgen tot een EKV. Zij vragen hoe wordt geborgd dat het EKV-stelsel
de kwaliteit van werkelijke PUR-toepassingen verhoogt, en niet slechts een administratieve
check wordt.
Reeds 90% van de betreffende branche is vrijwillig gecertificeerd. Het aanpassen van
de huidige certificeringsregelingen op de nieuwe eisen in het Bbl en EKV-stelsel is
aan de certificeringsbranche. Dit is in het lastenonderzoek van Sira6 ook zo beschouwd. Door Sira wordt verder uitgegaan van reeds 47 gecertificeerde bedrijven
en 5 niet gecertificeerde bedrijven. Er zijn geen signalen vanuit niet gecertificeerde
bedrijven dat certificering voor hen niet betaalbaar is. Er zijn vanuit het ministerie
daarom geen acties voorzien.
Een EKV (erkende kwaliteitsverklaring) wordt afgeven door een geaccrediteerde certificerende
instelling op basis van een beoordelingsrichtlijn die door de Toelatingsorganisatie
Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) is aangewezen. De certificerende instelling beoordeelt
periodiek de kwaliteit van de werkzaamheden van een bedrijf op locatie. Er is dus
geen sprake van slechts een administratieve check.
(22)
De aanvullende eisen zijn gericht op het voorkomen van gezondheidsklachten van bewoners.
Hoewel het meten van isocyanaat (een gevaarlijke stof) niet praktisch mogelijk blijkt,
zullen in de Omgevingsregeling proceseisen worden gesteld met betrekking tot onder
andere het dichten van naden en het juist mengen van de componenten. De leden van
de BBB-fractie vragen of u deze in de Omgevingsregeling vast te leggen proceseisen
voldoende acht om het doel van het Bbl, namelijk het beschermen van de bewonersgezondheid,
afdoende te waarborgen, zeker gezien het feit dat 90% van de branche reeds vrijwillig
gecertificeerd is. Deze leden vragen in hoeverre er ruimte blijft voor innovaties
in verwerkingsmethoden of materialen zonder dat deze direct strijdig worden met voorgeschreven
proceseisen. Zij vragen of is onderzocht of het afdichten van naden en het correct
mengen van componenten voldoende effectief is in situaties waar blootstelling aan
isocyanaten vooral ontstaat tijdens verwerking. Zij vragen welke gevolgen voor de
kosten en doorlooptijden van bouwprojecten worden verwacht door het invoeren van deze
proceseisen.
De proceseisen die in de Omgevingsregeling worden vastgelegd, zijn gebaseerd op het
onderzoek van de adviesbureaus VPRC en Nieman.7 Hierbij is door VPRC/Nieman nagegaan welk proceseisen leiden tot het verminderen
van het risico op gezondheidseffecten bij bewoners. Dit betreft onder andere het afdichten
van naden en het correct mengen van componenten. De proceseisen zijn afgeleid van
de proceseisen die gelden voor de huidige certificeringsregelingen waarop 90% van
de branche al vrijwillig is gecertificeerd. Door deze proceseisen op te nemen in de
Omgevingsregeling worden de eisen publiekrechtelijk waardoor gemeenten (bevoegd gezag)
hierop kunnen toezien en waar nodig kunnen handhaven. Dit is voor gemeenten nu niet
mogelijk op de proceseisen die staan in privaatrechtelijke certificeringsregelingen.
Ook is het hierdoor mogelijk om het voldoen aan deze proceseisen onderdeel te laten
zijn van een EKV. Door het opnemen van deze eisen in het Bbl kan de naleving van deze
eisen hierdoor beter worden geborgd.
In het lastenonderzoek van Sira zijn deze proceseisen beschouwd. Omdat de proceseisen
zijn afgeleid op wat al gangbaar is in de praktijk is de lastentoename beperkt tot
€ 165.000 per jaar voor de gehele branche. Deze toename is het gevolg van een strengere
eis voor het aanbrengen van lagen PUR-schuim dikker dan 4 cm in één keer. Er is hierdoor
sprake van 20 minuten extra tijdsbesteding per woning.
(23)
Het Verzamelbesluit introduceert de verplichting om bij nieuwe utiliteitsbouw (niet-woningen)
verblijfsvoorzieningen te realiseren voor onder andere huismussen, gierzwaluwen en
vleermuizen. De Nota van Toelichting meldt expliciet dat het Bbl voor deze voorzieningen
in de integrale schil van het bouwwerk limitatief is bedoeld. De leden van de BBB-fractie
vragen of de Minister kan bevestigen dat, nu de eis uit het Bbl met het oog op duurzaamheid
is gesteld, gemeenten op grond van het Besluit of het Omgevingsplan geen verdere «lokale
koppen» aan verblijfsvoorzieningen kunnen opleggen aan utiliteitsbouw of aan woningen.
Ik kan bevestigen dat gemeenten geen verdere «lokale koppen» aan verblijfsvoorzieningen
kunnen opleggen aan utiliteitsbouw of aan woningen. Dit is door mij ook duidelijk
gemaakt in artikelsgewijze toelichting op onderdeel H, waar staat: Voor de verblijfsvoorzieningen in de integrale schil van het bouwwerk is het Bbl limitatief
bedoeld. Op gebouwniveau kunnen er dus geen strengere of extra eisen in het kader
van duurzaamheid worden gesteld. Er kunnen dus ook voor woningen geen verblijfsvoorzieningen
worden verplicht, omdat het Bbl die gebruiksfunctie niet aanwijst.
(24)
Deze leden vragen of er uitzonderingen worden voorzien voor situaties waarin het integreren
van verblijfsvoorzieningen technisch niet haalbaar of disproportioneel kostbaar is.
De eisen in het Bbl gelden altijd. Er zijn ook geen aanwijzingen dat de eisen in bepaalde
situaties technisch niet haalbaar of disproportioneel kostbaar zijn. Wel is er (zoals
bij eisen in het Bbl) de mogelijkheid tot een gelijkwaardige oplossing ter beoordeling
van bevoegd gezag.
(25)
Zij vragen welke onderbouwing eraan ten grondslag ligt dat juist utiliteitsbouw een
significante bijdrage levert aan de biodiversiteit en is deze verplichting effectief
in verhouding tot de verwachte ecologische winst. Zij vragen hoe wordt gemonitord
of deze voorzieningen daadwerkelijk gebruikt worden door de betreffende diersoorten
De keuze om de eis alleen te laten gelden voor utiliteitsbouw is niet gebaseerd op
de aanname dat juist utiliteitsbouw een significante bijdrage levert aan de biodiversiteit.
Er is gekozen voor alleen utiliteitsbouw omdat de verplichting bij woningbouw op gespannen
voet staat met het regeerprogramma, zoals is toegelicht in paragraaf 2.3 van de nota
van toelichting. De gedachte achter de verplichting bij nieuwbouw is dat bij de moderne
bouwmethoden er in gebouwen veelal geen openingen/ruimten meer zijn waarin vleermuizen,
huismussen en gierzwaluwen zich kunnen vestigen. Door bij nieuwbouw hiervoor afzonderlijke
verblijfsvoorzieningen voor te schrijven, worden er meer mogelijkheden gecreëerd voor
deze bedreigde diersoorten.
Met de monitoring MUS = Meetnet Urbane Soorten van Sovon Vogelonderzoek Nederland
wordt de trend bijgehouden van vogels, waaronder huismussen en gierzwaluwen. De landelijke
trend van vleermuizen wordt via het meetnet vleermuis transsecttellingen bijgehouden.
Uit toekomstige monitoring moet blijken wat de trend is van deze soorten. Daar is
echter meer voor nodig dan alleen deze verblijfsvoorzieningen. Zo moet er voldoende
voedsel aanwezig zijn en daarvoor is een natuurlijke groene omgeving nodig die de
juiste condities bevat voor deze soorten.
(26)
De leden van de BBB-fractie lezen dat de standaardisering van eisen voor de woonfuncties
zorggeschikt en nultreden bedoeld is om de bouw van deze noodzakelijke woningtypen
te versnellen en te verduidelijken. De nieuwe, strenge eisen voor zorggeschikte woningen
omvatten onder meer een brancardlift (1,10 m x 2,10 m), een vrije keerruimte in de
badkamer (1,5 m x 1,5 m) en een doorgangsbreedte bij deuren van ten minste 0,88 m.
Deze leden vragen welke garantie de Minister kan geven dat deze specifieke technische
eisen, hoewel afgestemd op de sector, niet zullen leiden tot vertraging of onnodige
kostenstijgingen in de uitvoering van bouwplannen, zodat we, juist in deze tijd, snel
kunnen voorzien in geschikte en toegankelijke woningen voor ouderen. Zij vragen of
de Minister kan aangeven hoeveel zorggeschikte woningen, die al in de planning stonden,
mogelijk vertraging oplopen als gevolg van de aangescherpte eisen.
Ik deel het belang van de leden van de BBB-fractie van een voortvarende realisatie
van nultredenwoningen en zorggeschikte woningen. Bij ouderenwoningen geldt dat juist
vanuit het werkveld van ouderenhuisvesting is verzocht om het vastleggen van eenduidige
definities, voorzien van duidelijke bruikbaarheidseisen. Meer duidelijkheid en voorspelbaarheid
in het ontwerp en bouwproces kan juist leiden tot versnelling. Bovendien werken deze
eisen standaardisering in de hand.
Gelet op het voorgaande, en de omstandigheid dat deze eisen in de praktijk al vaak
worden gebruikt, ligt het niet in de rede dat vertraging ontstaat door het opnemen
van deze eisen in het Bbl.
(27)
Voor zowel de woonfunctie nultreden als zorggeschikt geldt de eis dat de hoofdverblijfsruimte,
toiletruimte, badruimte en keuken op één woonlaag liggen die zonder of met minimaal
hoogteverschil betreden kan worden. Dit is bedoeld om de woning bereikbaar te maken
voor een persoon die afhankelijk is van een rollator of rolstoel. De leden van de
BBB-fractie vragen of in de artikelen van het Bbl (hoofdstuk 4) de opstelplaats voor
de wasmachine wordt voorgeschreven. Zo nee, kan het ontbreken van deze eis er onbedoeld
toe leiden dat bewoners alsnog een trap moeten gebruiken als de wasmachine op een
toegestane, hoger gelegen tweede woonlaag staat, waarmee het «nultreden»-principe
feitelijk wordt omzeild voor een essentiële huishoudelijke functie?
Het Bbl (voorheen Bouwbesluit 2012) stelt slechts minimumeisen aan woningen en een
opstelplaats voor een wasmachine is niet voorgeschreven voor woningen. Dit is in de
onderhavige wijziging beschreven in de toelichting bij artikel 4.182. Het is aan de
initiatiefnemer van de nieuwbouw om op de betreffende woonlaag te voorzien in een
opstelplaats voor een wasmachine. Er zijn geen signalen dat dit in de praktijk niet
gebeurt.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.M. Beckerman, voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
J. Beekmans, adjunct-griffier