Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 885 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026)
Nr. 5 VERSLAG
Vastgesteld 4 maart 2026
De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand
wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig en genoegzaam zal
hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel
voldoende voorbereid.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Steur
INLEIDING
De leden van de D66-, VVD-, GroenLinks-PvdA-, PVV-, CDA-, FVD- en BBB-fracties hebben
kennisgenomen van de Implementatiewet kapitaalvereisten 2026 en hebben nog een aantal
vragen en opmerkingen.
De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van een robuust en toekomstbestendig
prudentieel kader voor banken en achten verdere Europese harmonisatie in beginsel
wenselijk voor een gelijk speelveld binnen de interne markt. Deze leden hebben nog
enkele vragen en opmerkingen.
ALGEMEEN
§ 1. Inleiding
De leden van de D66-fractie constateren dat de richtlijn uiterlijk op 10 januari 2026
in nationale wetgeving had moeten zijn omgezet, maar dat deze termijn niet wordt gehaald.
Deze leden vragen de regering om nader toe te lichten wat de oorzaak is van het niet
tijdig halen van de implementatietermijn en wat de stand van zaken is in het overleg
met de Europese Commissie over het voorkomen van een formele inbreukprocedure.
Voorts vragen deze leden of de regering kan bevestigen dat het overschrijden van de
implementatietermijn naar verwachting geen materiële gevolgen heeft voor de financiële
sector en waarop deze inschatting is gebaseerd.
Op 11 januari 2026, 11 juli 2026 en 11 januari 2027 moeten wijzigingen op onderdelen
in werking treden, zo lezen de leden van de VVD-fractie. 11 januari 2026 is inmiddels
in het verleden. Klopt het dat dit kan leiden tot een inbreukprocedure? Wordt hierover
nauw contact gehouden met de Europese Commissie en zo ja, wat zegt de Europese Commissie?
Waarom is Nederland te laat met implementatie?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de EU-richtlijn een krappe implementatietermijn
heeft van 18 maanden en dat de uiterlijke implementatietermijn (10 januari 2026) al
is verstreken. Is hierover contact met de Europese Commissie om zodoende een inbreukprocedure
te voorkomen? Wat is het effect van het overschrijden van deze implementatietermijn
op de financiële sector en het toezicht van DNB? Dient het onderliggende implementatiebesluit
en regeling ook voor deze termijn in werking te zijn getreden? Wanneer verwacht de
regering dit afgerond te hebben?
§ 2. Totstandkoming richtlijn en verordening.
§ 2.2 Noodzaak tot aanpassing
Met het CRD-VI/CRR-III pakket wordt het laatste deel van de op 7 december 2017 overeengekomen
hervormingen (ook wel de finale Bazel III standaarden of Bazel 3.5 genoemd) opgenomen
in de Europese Unie. De leden van de VVD-fractie vragen welke economische machtsblokken
inmiddels de finale Bazel III standaarden hebben geïmplementeerd. Indien er landen
zijn die Bazel 3.5 nog niet hebben geïmplementeerd, zijn deze landen dan van plan
dit nog wel te doen?
§ 3. Inhoud richtlijn en verordening
§ 3.1.1 ESG-risico’s
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de integratie van ESG-risico’s. Kan de
regering nader verklaren of ESG-risico’s uitsluitend worden beoordeeld vanuit een
financieel perspectief en niet als instrument voor klimaatbeleid? Hoe wordt consistentie
in de toepassing gewaarborgd? Hoe wordt geborgd dat de beoordeling van ESG-risico’s
door toezichthouders proportioneel en risicogebaseerd plaatsvindt? Hoe wordt voorkomen
dat verschillen in interpretatie tussen lidstaten alsnog leiden tot divergent toezicht?
Op welke wijze wordt aangesloten bij bestaande Europese richtsnoeren van de ECB en
de EBA?
Daarnaast vragen deze leden of de regering nader kan toelichten hoe de verplichting
om plannen op te stellen voor het beheersen van ESG-gerelateerde risico’s zich verhoudt
tot bestaande duurzaamheidsrapportageverplichtingen, zoals onder de CSRD en hoe dubbele
lasten worden voorkomen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de richtlijn banken onder andere verplicht om
strategieën en procedures te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de hoogte, samenstelling
en verdeling van het interne kapitaal aansluiten op de ESG-risico’s. Ook worden banken
verplicht om effectieve procedures in te richten voor het identificeren, monitoren
en beheersen van ESG-risico’s. Deze leden willen weten wat voor toegevoegde waarde
dit heeft. In hoeverre is het de taak van banken om zich bezig te houden met klimaatverandering,
sociale thema’s en besluitvorming en om hun bedrijfsmodellen tevens daarop in te richten?
Verder willen de leden van de PVV-fractie weten in hoeverre de financiële sector ESG-risico’s
als reden kan aangrijpen om bestaande afspraken, dan wel contracten, met terugwerkende
kracht open te breken.
De leden van de FVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel banken verplicht om ESG-risico’s
expliciet mee te wegen in hun kredietbeoordeling. Zoals de memorie van toelichting
beschrijft, moeten banken strategieën en procedures opstellen om hun interne kapitaal
af te stemmen op ESG-risico’s, waarbij «uitdrukkelijk rekening dient te worden gehouden
met de korte, middellange en lange termijn.». Toezichthouders kunnen via het SREP-proces
bovendien aanvullende kapitaalvereisten opleggen wanneer de ESG-risicobeoordeling
van een bank daartoe aanleiding geeft. Het directe gevolg hiervan is dat leningen
aan bedrijven die fossiele brandstoffen gebruiken -of die anderszins als klimaatgevoelig
worden aangemerkt- een hoger risicogewicht krijgen toebedeeld. Hoe hoger het risicogewicht,
des te meer kapitaal de bank moet aanhouden en des te duurder de financiering wordt
voor de betrokken ondernemer. De memorie van toelichting bevestigt dit mechanisme
expliciet: «hoe risicovoller de blootstelling van banken is, des te hoger is het risicogewicht
dat hiervoor geldt.».
De leden van de FVD-fractie verzetten zich tegen de normatieve veronderstelling die
aan dit mechanisme ten grondslag ligt: dat bedrijven die fossiele brandstoffen gebruiken
per definitie een hoger kredietrisico vormen. Dit is een politieke keuze, geen objectieve
risicoanalyse. Een transportbedrijf dat rijdt op diesel, een glastuinbouwer die stookt
op aardgas of een staalfabriek die afhankelijk is van kolen; het zijn stuk voor stuk
levensvatbare en maatschappelijk waardevolle ondernemingen.
Bovendien merken de leden van de FVD-fractie op dat dit een bijzonder nadelig effect
op het mkb heeft. De memorie van toelichting erkent dat er voor banken zelf proportionaliteitsregels
gelden bij de implementatie van ESG-plannen, maar deze proportionaliteit werkt niet
door naar de bedrijven die bij die banken lenen. Een mkb-onderneming in de transportsector
of de voedingsmiddelenindustrie heeft niet de middelen om te verduurzamen op de tijdlijn
die de Europese Unie voorschrijft en wordt geconfronteerd met hogere financieringskosten.
De memorie van toelichting beschrijft dat ESG-risico's worden verweven in de bredere
risicobeheersing van banken. Deelt de regering de mening dat dit gebrek aan transparantie
problematisch is omdat het voor een bedrijf dat krediet wordt geweigerd of duurder
aangeboden krijgt, onmogelijk wordt om te achterhalen in welke mate dat het gevolg
is van zijn financieel profiel en in welke mate van zijn ESG-classificatie?
In dat licht vragen deze leden of de regering bereid is om te bevorderen dat banken
verplicht worden om de ESG-risicobijdrage afzonderlijk te rapporteren in de kredietbeoordeling,
zodat inzichtelijk wordt welk deel van een rente-opslag of kredietweigering aan ESG-factoren
is toe te schrijven en welk deel aan klassieke financiële risico's.
Deelt de regering de mening van de leden van de FVD-fractie dat de kwalificatie van
fossiel energiegebruik als ESG-risico een politieke keuze is en geen objectieve risicoanalyse?
Deze leden vragen van de regering om een overzicht van welke sectoren in Nederland
in de praktijk te maken krijgen met hogere risicogewichten als gevolg van de ESG-risicoverplichting
en wat de verwachte doorwerking is op de financieringskosten voor bedrijven in die
sectoren.
Tevens vragen de leden van de FVD-fractie hoe de verplichting om fossiel energiegebruik
als kredietrisico in te prijzen zich verhoudt tot de ambitie van de regering om het
vestigingsklimaat te verbeteren en de industrie te behouden. Acht de regering het
aanvaardbaar dat een transportbedrijf, een glastuinder of een staalfabriek duurder
geld moet lenen puur vanwege zijn energieprofiel?
Tenslotte vragen deze leden of de regering bereid is om zich in Europees verband in
te zetten voor het schrappen of substantieel beperken van de ESG-risicoverplichting
in de kapitaalvereisten, zodat banken kredietbesluiten kunnen nemen op basis van financiële
merites en niet op basis van klimaatpolitieke normen.
De leden van de BBB-fractie zijn kritisch op het uitbreiden van eisen rond ESG-verantwoording
voor banken/financiële instellingen. Banken worden verplicht om ESG-risico's op korte,
middellange en lange termijn expliciet op te nemen in hun governanceraamwerk en risicobeheersing.
Banken moeten concrete plannen ontwikkelen om de financiële risico's te beheersen
die voortvloeien uit bijvoorbeeld de klimaattransitie. Dit leidt financiële tot extra
administratieve lasten.
Nu banken verplicht worden ESG-risico's zwaarder mee te wegen, bestaat wat deze leden
betreft het risico dat zij hun financiering terugtrekken uit sectoren die momenteel
nog niet «groen» zijn (zoals de zware industrie of landbouw). Ziet de regering dit
risico ook en zo ja, waarom steunt de regering dit deel van de richtlijn, aangezien
«niet-groene» sectoren op deze wijze fors worden benadeeld?
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de implementatie van dit deel van de richtlijn
zich verhoudt tot het streven van lidstaten (waaronder Nederland) om het concurrentievermogen
in Europese economie te versterken? Het aanscherpen van (administratieve) eisen rond
ESG-doelen staat daar wat deze leden betreft haaks op.
§ 3.1.2.1 Prudentieel relevante transacties
De leden van de D66-fractie lezen dat de richtlijn voorziet in verdere harmonisatie
van het regime voor prudentieel relevante transacties, waaronder deelnemingen, fusies
en splitsingen. Deze leden vragen in hoeverre het nieuwe regime materieel afwijkt
van het bestaande Nederlandse stelsel van verklaringen van geen bezwaar? Welke effecten
verwacht de regering voor de doorlooptijden van transacties?
De leden van de VVD-fractie merken op dat bij marktpartijen zorgen leven over overgangssituaties
die kunnen ontstaan door de nieuwe regelgeving voor prudentieel relevante transacties.
Deze marktpartijen maken zich zorgen dat transacties onmiddellijk onder de nieuwe
goedkeuringseisen komen te vallen, dus ook als de transacties nu al in voorbereiding
zijn. Deze leden ontvangen op dit punt graag een reactie van de regering.
§ 3.1.2.2 Harmonisatie geschiktheid- en betrouwbaarheidseisen
De leden van de D66-fractie constateren dat met het voorliggende wetsvoorstel een
expliciete definitie wordt geïntroduceerd van «medewerkers met een sleutelfunctie»
en dat deze personen aan geschiktheids- en betrouwbaarheidseisen worden onderworpen.
Deze leden vragen hoe deze nieuwe categorie zich verhoudt tot het bestaande Nederlandse
«tweede echelon»-regime en of dit in de praktijk leidt tot uitbreiding van de groep
personen die door DNB extern wordt getoetst. Hoe wordt gewaarborgd dat deze toetsing
proportioneel blijft, met name bij kleinere instellingen?
§ 3.1.3 Derde land bijkantoren uit staten die geen lidstaat zijn
De leden van de D66-fractie hechten aan een gelijk speelveld en effectief toezicht
op banken uit derde landen. Deze leden lezen dat de richtlijn voorziet in een geharmoniseerd
regime voor bijkantoren uit staten die geen lidstaat zijn. Deze leden vragen hoeveel
instellingen naar verwachting onder het nieuwe regime zullen vallen. Daarnaast vragen
deze leden hoe de regering aankijkt tegen mogelijke toezichtarbitrage via vestiging
in lidstaten met een relatief lichter derde-land-regime.
§ 3.2.2 Kapitaalvloer
De leden van de D66-fractie vragen de regering om nader toe te lichten hoe het de
balans wordt beoordeeld tussen financiële stabiliteit en efficiëntie. Wanneer is er
volgens de regering sprake van voldoende buffers, en wanneer van onnodig hoge buffers?
Hoe verhoudt de ideale situatie zich tot de staande praktijk?
De leden van de FVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel een kapitaalvloer van
72,5 procent introduceert: risicogewogen activa berekend via interne modellen mogen
niet lager uitvallen dan 72,5% van de uitkomst op basis van de standaardbenadering.
De memorie van toelichting erkent dat dit leidt tot een toename van het Total Risk
Exposure Amount (TREA), wat doorwerkt in hogere buffervereisten. De totale kredietruimte
van banken wordt hierdoor verkleind. In combinatie met de ESG-risicoverplichting ontstaat
zo een dubbel effect: enerzijds minder ruimte voor kredietverlening in het algemeen
en anderzijds een gerichte beperking van krediet aan bedrijven die niet voldoen aan
klimaatnormen.
Deze leden vragen wat de verwachte kwantitatieve effecten zijn van de kapitaalvloer
van 72,5 procent op de totale kredietruimte van Nederlandse banken. Is de regering
bereid deze effecten te monitoren en de Kamer periodiek hierover te informeren?
§ 3.2.3 Lidstaatopties in de verordening
De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat Nederland gebruik
maakt van de lidstaatoptie om de kapitaalvereisten voor laagrisicohypotheken tot en
met 2032 tijdelijk te verlagen. Gegeven de karakteristieken van de Nederlandse hypotheekmarkt
(LTI-normering, NHG-vangnet en hoge betaalmoraal (low risk of default)) is dit inderdaad
wenselijk, maar zij vragen zich af wat dit voor banken betekent als deze tijdelijke
uitzondering afloopt. Betekent dit dat banken meer kapitaal moeten aanhouden voor
hun hypotheekportefeuille? Is het niet de verwachting dat banken hier in een eerder
stadium al op voorsorteren? Wat is het effect op de beschikbaarheid van bankkapitaal
voor hypotheken en de hypotheekrente voor consumenten? Is dit effect onderzocht en
is het niet verstandig te pleiten om standaard gebruik te maken van deze lidstaatoptie?
Kan hierbij gebruik gemaakt worden van een internationale vergelijking van de verschillende
hypotheekmarkten om zodoende ruimte te laten voor de inherente verschillen? Kan de
regering inzicht geven in welke andere landen gebruik maken van deze lidstaatoptie
voor laagrisicohypotheken?
De leden van de FVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat er wordt voorzien
in een tijdelijke verlaging van kapitaalvereisten voor laagrisicohypotheken tot en
met 2032. Waarom is een vergelijkbare bescherming niet voorzien voor bedrijfsleningen
aan mkb-ondernemingen met een laag financieel risicoprofiel die toevallig actief zijn
in een sector met een hoog ESG-risicoprofiel?
§ 4. Wijze van implementatie
§ 4.2 Lidstaatopties in de richtlijn
§ 4.2.1 Lidstaatopties omtrent afkoelingsperiode
De leden van de VVD-fractie constateren dat de CRD een afkoelingsperiode voor het
personeel (inclusief leidinggevende posities) introduceert als zij willen overstappen
naar een onderneming waarop de betreffende persoon toezicht heeft gehouden. Deze afkoelingsperiode
betreft zes maanden voor het personeel en twaalf maanden voor een lid van het leidinggevend
orgaan van de bevoegde autoriteit. De lidstaatoptie biedt de mogelijkheid om een afkoelingsperiode
op te leggen, met bijbehorende minimale termijnen, indien er een overstap zou zijn
naar een concurrent van de onderneming waarop rechtstreeks toezicht werd gehouden.
Deze lidstaatoptie wil de regering gebruiken. Dit betekent dat DNB ook bij een dergelijke
overstap een afkoelingsperiode kan opleggen. Is het gebruik van deze lidstaatoptie
volgens de regering een nationale kop? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verhoudt zich
dit tot het voornemen in het coalitieakkoord om af te zien van nationale koppen?
Tevens constateren de leden van de VVD-fractie dat er in de CRD een lidstaatoptie
is opgenomen om kortere afkoelingsperiodes voor toezichthouders vast te stellen als
een toezichthouder wil overstappen naar de onderneming waarop toezicht werd gehouden,
een directe- of indirecte moeder- of dochteronderneming, dienstverleners aan die onderneming
en andere aan die onderneming gelieerde ondernemingen. De regering doet het voorstel
om gebruik te maken van deze lidstaatoptie. De regering voert hierbij aan dat de Nederlandse
arbeidsmarkt krap en competitief is en dat afzien van gebruik van deze lidstaatoptie
de vrije arbeidskeuze kan schaden. Waarom gaat deze redenatie volgens de regering
wel op voor deze lidstaatoptie, maar niet voor de in de alinea hierboven aangehaalde
lidstaatoptie?
§ 4.2.2 Lidstaatoptie bijkantoren uit een staat die geen lidstaat is
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen op basis van welke risicoanalyse de
regering concludeert dat het nieuwe derde-landregime voldoende waarborgen biedt. Hoe
wordt voorkomen dat bankactiviteiten via bijkantoren worden ondergebracht om zwaarder
toezicht te ontwijken? Deze leden vragen of het niet gebruiken van deze lidstaatoptie
niet zorgt voor een ongelijke behandeling van verschillende actoren. Hoe ziet de regering
dit? Kan de regering concreet uiteenzetten welke vereisten níet gelden voor derde-landbijkantoren
maar wél voor banken onder de volledige CRR/CRD? Is het niet in het publieke belang
dat grote derde-landactiviteiten dezelfde transparantiestandaarden hanteren als Europese
banken? Acht de regering het risico aanwezig dat internationale bankgroepen kiezen
voor een bijkantoorconstructie in plaats van een dochterbank om strengere kapitaaleisen
te vermijden? Welke keuze maken vergelijkbare lidstaten als het gaat om deze lidstaatoptie?
§ 4.2.3 Lidstaatopties dwangsommen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering ervoor kiest om
geen hoger maximumbedrag vast te stellen voor de bedragen van de dwangsommen die per
dag kunnen worden opgelegd. Op basis waarvan concludeert de regering dat de bedragen
die de wet minimaal voorschrijft hoog genoeg zijn? Waarom acht de regering het niet
noodzakelijk deze te verhogen? Hoe gaat de regering monitoren of de bedragen inderdaad
hoog genoeg zijn?
§ 4.2.5 Lidstaatoptie ex-post assessment geschiktheid
De leden van de VVD-fractie zien dat er in het artikel over geschiktheid en betrouwbaarheid
een lidstaatoptie is opgenomen om, bij wijze van uitzondering, de geschiktheid- en
betrouwbaarheidstoets uit te voeren nadat nieuwbenoemde leden van het leidinggevend
orgaan van een bank of beleggingsonderneming in functie zijn getreden. Die mogelijkheid
bestaat in geval de meerderheid van de leden van het leidinggevend orgaan van een
instelling tegelijkertijd vervangen moet worden door nieuwbenoemde leden. In Nederland
wordt de geschiktheid- en betrouwbaarheidstoets door de toezichthouder altijd voorafgaand
aan de benoeming van nieuwe leden van het leidinggevend orgaan uitgevoerd, ongeacht
of het aantal van de leden dat vervangen wordt. Deze staande praktijk wordt in het
wetsvoorstel niet gewijzigd, waardoor van deze lidstaatoptie geen gebruik wordt gemaakt.
Is dit volgens de regering een nationale kop? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verhoudt
zich dit tot het voornemen in het coalitieakkoord om af te zien van nationale koppen?
§ 5. Gevolgen
§ 5.1 Regeldruk
De leden van de PVV-fractie merken op dat ESG-risico’s meenemen in interne governance,
risicobeheer, geschiktheid bestuur en beloningsbeleid relatief veel tijd met zich
meebrengt: tot 1.000 uur eenmalig en tot 450 uur structureel. Tevens brengt dit hoge
kosten met zich mee: tot 2,4 miljoen euro eenmalig en tot 1,1 miljoen euro structureel
voor reguliere banken en holdings. Deze leden willen weten hoe de regering tegenover
deze kosten staat en in hoeverre het dan nog waard is om deze wijziging door te voeren.
In hoeverre is deze wijziging doelmatig?
Voorts vragen de leden van de PVV-fractie naar een compleet overzicht van de opeenstapeling
van regels voor banken, inclusief het voorliggende wetsvoorstel, en het budgettair
belang daarbij. In hoeverre zijn de wijzigingen in het voorliggende wetsvoorstel dan
nog doelmatig en doeltreffend?
Ten slotte willen de leden van de PVV-fractie weten hoe voorkomen zal worden dat banken
als gevolg van de hoge kosten die banken moeten maken vanwege de wijzigingen in het
voorliggende wetsvoorstel door zullen berekenen aan hun klanten.
§ 7. Consultatie
7.6.5 Berekening kosten personeel
De Nederlandse Vereniging van Banken ageert tegen het feit dat er in de berekening
van de regeldrukkosten gerekend wordt met 54 euro aan kosten voor hoogopgeleid personeel
per uur, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Deze leden begrijpen daarbij dat het
ministerie zich baseert op het Handboek meting regeldruk, maar snappen ook dat de
Nederlandse Vereniging van Banken aanvoert dat deze bedragen best eens aan een update
toe kunnen zijn. Is een dergelijke update voorzien?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
R.A. van der Steur, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.