Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over de reactie op de motie van het lid Goudzwaard over een regeling om de 15.000 bestelauto's te ontzien die nu onbedoeld onder de vrachtwagenheffing vallen (Kamerstuk 31305-532)
2026D09579 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat hebben verschillende fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Infrastructuur
en Waterstaat over zijn brief met de reactie op de motie van het lid Goudzwaard over
een regeling om de 15.000 bestelauto’s te ontzien die nu onbedoeld onder de vrachtwagenheffing
vallen (Kamerstuk 31 305, nr. 532).
De voorzitter van de commissie,
P. de Groot
Adjunct-griffier van de commissie,
Meedendorp
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Inhoudsopgave
Inleiding
D66-fractie
VVD-fractie
GroenLinks-PvdA-fractie
JA21-fractie
Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
Minister die is geagendeerd voor het schriftelijk overleg «Bestelauto’s tot 3.500
kg in relatie tot de vrachtwagenheffing» de dato 3 maart 2026. Naar aanleiding daarvan
hebben deze leden enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van
Infrastructuur en Waterstaat over teruggekeurde vrachtwagens die onder de vrachtwagenheffing
vallen. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de motie en de reactie
van de Minister.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief waarin informatie wordt
verstrekt ten behoeve van de aangehouden motie-Goudzwaard (Kamerstuk 31 305, nr. 532). Deze leden hebben ingestemd met de wijziging van de Wet vrachtwagenheffing ter
implementatie van de Europese tolheffingsregels en zien de voorgenomen inwerkingtreding
per 1 juli 2026 met belangstelling tegemoet. Naar aanleiding van deze specifieke Kamerbrief
hebben deze leden geen nadere vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister omtrent
de toepassing van de vrachtwagenheffing op naar 3.500 kg teruggekeurde N2-voertuigen,
en willen graag enige vragen voorleggen aan de Minister.
D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 26 januari 2026.
De Minister stelt dat teruggekeurde N2-voertuigen technisch en juridisch volledig
gelijkgesteld worden aan vrachtwagens om de heffing te rechtvaardigen. Kan de Minister
bevestigen dat deze voertuigeigenaren hiermee ook onverkort aanspraak kunnen maken
op de gelden uit de zogenaamde «terugsluis» voor verduurzaming en innovatie? En op
welke wijze wordt geborgd dat de subsidieregelingen toegankelijk zijn voor de specifieke
voertuigconfiguraties in deze categorie?
De leden van de D66-fractie constateren dat er een opmerkelijk verschil in fiscale
behandeling ontstaat tussen technisch nagenoeg identieke voertuigen. Een ondernemer
met een technisch N1-voertuig (tot 3.500 kg) betaalt motorrijtuigenbelasting (mrb)
maar géén vrachtwagenheffing. Een ondernemer met een teruggekeurd N2-voertuig betaalt
géén mrb, maar wel vrachtwagenheffing. Heeft de Minister een impactanalyse gemaakt
van de concurrentieverschillen die hierdoor ontstaan op de korte afstand, waarbij
het bezitten van een N2-voertuig door de kilometerheffing netto fors duurder uit kan
pakken dan de N1-variant?
Ten slotte zien de leden van de D66-fractie dat de brief van 26 januari 2026 is opgesteld
onder het vorige kabinet. Kan de huidige Minister bevestigen dat het beleid ten aanzien
van teruggekeurde N2-voertuigen ongewijzigd blijft? En kan de Minister daarbij specifiek
ingaan op de financiële balans voor deze groep: wordt de gemiddelde ondernemer in
deze categorie per 1 juli 2026 geconfronteerd met een netto kostenstijging of een
netto kostendaling wanneer de mrb-vrijstelling en de vrachtwagenheffing tegen elkaar
worden weggestreept?
VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie lezen dat circa 15.000 voortuigen die administratief zijn
teruggekeurd naar een toegestane maximummassa van 3.500 kg onder de vrachtwagenheffing
vallen, omdat de technische maximummassa en de voertuigcategorie N2 ongewijzigd blijven.
Deze leden vragen of de Minister nader kan toelichten hoe deze groep voortuigen in
de praktijk wordt gebruikt. In welke sectoren komen deze voertuigen met name voor
en in hoeverre gaat het om voertuigen die regelmatig gebruikmaken van het heffingsnetwerk?
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie of het kabinet inzicht heeft in de verwachte
lastenontwikkeling voor eigenaren van deze teruggekeurde N2-voertuigen als gevolg
van de invoering van de vrachtwagenheffing. Kan de Minister aangeven wat voor deze
groep, naar verwachting, gemiddeld de financiële gevolgen zijn?
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat het op korte termijn aanpassen van de wet
niet haalbaar is. Tegelijkertijd vragen deze leden of het kabinet heeft verkend of
er andere manieren zijn om eventuele onbedoelde effecten voor ondernemers te beperken.
Kan de Minister toelichten of er bijvoorbeeld mogelijkheden zijn binnen het bestaande
beleid, de vormgeving van het heffingsnetwerk of via andere maatregelen om te voorkomen
dat met name ondernemers die hun voertuig relatief beperkt gebruiken onevenredig worden
geraakt?
Ook vragen de leden van de VVD-fractie hoe de Nederlandse systematiek zich verhoudt
tot die in andere Europese landen met een vrachtwagenheffing. Worden teruggekeurde
voertuigen daar op een vergelijkbare wijze behandeld of bestaan daar andere oplossingen?
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie of het kabinet voornemens is om de effecten
van de vrachtwagenheffing voor deze groep voertuigen na invoering te monitoren. Is
de Minister bereid om na invoering te bezien of zich in de praktijk knelpunten voordoen
en de Kamer hierover te informeren?
GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn tevreden met het antwoord van de Minister.
Deze leden steunen de lijn dat de regels zoveel mogelijk Europees geharmoniseerd zouden
moeten zijn. Ook zijn deze leden van mening dat het administratief terugkeuren van
voertuigen ontmoedigd zou moeten worden en zeker niet beloond met lagere belastingen.
Wat deze leden betreft kan de vrachtwagenheffing op dit punt gewoon blijven zoals
eerder aangenomen en is een uitzondering voor teruggekeurde vrachtwagens onwenselijk.
JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie constateren dat de (Europese) voertuigcategorie sinds
de wetswijziging van 18 november 2025 wordt toegekend op basis van de technische maximummassa.
Zij hebben de volgende vragen aan de Minister. Welke beleidsruimte hebben de lidstaten
om de definitie/indeling van de voertuigen in de betreffende categorieën te bepalen
of anderszins te sturen? Is het mogelijk om deze voertuigcategorieën toe te wijzen
op basis van de toegestane (gekeurde) maximummassa in plaats van de technische maximummassa?
Zo nee waarom niet?
De leden van de JA21-fractie constateren dat voertuigen met een gross vehicle weight
hoger dan 3.500 kg verplicht zijn te werken met een tachograaf en zich moeten houden
aan het Rijtijdenbesluit, of daar een vrijstelling voor aan moeten vragen. Gaat dit
met de nieuwe wetgeving ook gelden voor teruggekeurde N2-voertuigen tot 3.500 kg?
Zo ja, kan hier een uitzondering voor worden gemaakt?
De leden van de JA21-fractie constateren dat ondernemers vanwege de kostenstijging
overwegen om relatief nieuwe teruggekeurde N2-voertuigen vroegtijdig te verkopen en
over te stappen op N1-voertuigen met aanhangers. Hoe beschouwt de Minister het gedwongen
vroegtijdig verkopen of afschrijven van goed functionerende voertuigen in het kader
van duurzaamheid? Hoe beschouwt de Minister het overstappen van teruggekeurde N2-voertuigen
op N1-voertuigen met aanhangers in het kader van verkeersveiligheid?
De leden van JA21-fractie constateren dat ondernemers bij aanschaf zich niet altijd
bewust waren of hun voertuig tot 3.500 kg een N1- of een teruggekeurd N2-voertuig
betrof. Hoe beoordeelt de Minister de nieuwe vrachtwagenheffing wat betreft redelijk
ondernemersrisico bij de aanschaf van materieel, gezien het feit dat er voorheen geen
onderscheid werd gemaakt tussen N1-voertuigen en teruggekeurde N2 voertuigen?
De leden van JA21-fractie constateren dat de Wet vrachtwagenheffing is gewijzigd op
18 november 2025 en de heffing ingaat op 1 juli 2026. Hoe beoordeelt de Minister de
redelijkheid van het ondernemersrisico bij investeringen in materieel, gelet op de
beperkte tijd tussen de wetswijziging betreffende teruggekeurde N2-voertuigen en de
inwerkingtreding van de vrachtwagenheffing per 1 juli 2026?
De leden van JA21-fractie constateren dat eigenaren zelf moeten voorzien in een tolkastje
voor hun voertuig. Zijn de «European Electronic Toll Service»-aanbieders (EETS-aanbieders)
in staat om voor 1 juli 2026 te voldoen aan de te verwachte extra vraag?
De leden van JA21-fractie constateren dat teruggekeurde N2-voertuigen vrachtwagenheffing
gaan betalen in lijn met hun categorisatie als N2-voertuig, terwijl zij nog steeds
dezelfde toegestane maximummassa en rijbewijsvereisten hebben als N1-voertuigen. Hoe
beoordeelt de Minister deze divergentie in regelgeving bij teruggekeurde N2-voertuigen
in het kader van het streven naar eenvoudige regelgeving?
De leden van JA21-fractie constateren dat afhankelijk van de bedrijfsvoering van de
eigenaar de werkelijke voertuiggerelateerde lastenstijging tussen eigenaren onderling
sterk kan verschillen. In sommige gevallen kan het zelfs oplopen tot een kostenstijging
van 300% per jaar. Is de Minister bereid na invoering van de vrachtwagenheffing te
onderzoeken wat de daadwerkelijke financiële gevolgen zijn voor eigenaren van teruggekeurde
voertuigen, en of daarbij sprake is van een disproportionele lastenverzwaring? Zo
ja, hoe geeft de Minister hier concreet uitvoering aan?
II Reactie van de bewindspersoon
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
M. Meedendorp, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.