Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 808 Voorstel van het Presidium tot wijziging van het Reglement van Orde en tot vaststelling van een afzonderlijke regeling in verband met het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitale vergadermogelijkheden
Nr. 3
VERSLAG
Vastgesteld 3 maart 2026
De commissie voor de Werkwijze, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend
voorstel van het Presidium tot wijziging van het Reglement van Orde en tot vaststelling
van een afzonderlijke regeling in verband met het in buitengewone omstandigheden tijdelijk
mogelijk maken van digitale vergadermogelijkheden (Kamerstuk 36 808, nr. 2) heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat het Presidium op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen
afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit
voorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
Inbreng van de leden van de D66-fractie
1
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
2
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
3
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
4
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorstel tot
wijziging van het Reglement van Orde en tot vaststelling van een afzonderlijke regeling
in verband met het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitale
vergadermogelijkheden. Zij onderschrijven de noodzaak dat de Kamer voorbereid moet
zijn op situaties waarin de continuering van de democratische besluitvorming door
het houden van fysieke vergaderingen niet op een toereikende wijze kan worden gewaarborgd.
Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
In de eerste plaats vragen zij waarom niet gekozen is om een nadere beschrijving van
de «buitengewone omstandigheden» in het Reglement van Orde op te nemen. In de toelichting
wordt hier weliswaar een en ander over gezegd en verwezen naar een afwegingskader
uit een rapport van de werkgroep Effectief opereren in crisissituaties, maar in het
Reglement van Orde wordt nergens beschreven of en hoe deze kaders zouden moeten worden
toegepast door de Kamer, het Presidium of de Voorzitter, wanneer zij voor de keuze
staan om digitale vergadermogelijkheden aan te wenden. De leden van de D66-fractie
bevelen aan om de kaders waarin wordt beschreven wat buitengewone omstandigheden zijn
en hoe vastgesteld moet worden of hier sprake van is, verder uit te werken in het
Reglement van Orde.
Genoemde leden lezen in de toelichting op het voorstel dat het voornemen bestaat om
regelmatig te oefenen met digitaal vergaderen. Dat lijkt hen erg verstandig. Zij vragen
of het mogelijk is om, alvorens te stemmen over het voorliggende voorstel, een keer
te oefenen met digitaal vergaderen. Hieruit zouden praktische zaken naar voren kunnen
komen die relevant zijn om mee te nemen in het voorstel, of die de beslissing over
het huidige voorstel kunnen beïnvloeden. Als een dergelijke test reeds heeft plaatsgevonden,
vernemen deze leden graag de uitkomsten van deze test.
De leden van de D66-fractie lezen dat het besluit om gebruik te maken van digitale
vergadermogelijkheden telkens voor een periode van drie maanden genomen kan worden,
en vervolgens meermaals kan worden verlengd. Waarom is niet gekozen voor een limiet
op het aantal keren dat deze termijn kan worden verlengd? Welke andere waarborgen
zijn ingebouwd om te voorkomen dat een Kamermeerderheid, Presidium of Voorzitter fysieke
vergaderingen voor een lange periode buiten werking stelt?
Genoemde leden lezen dat een besluit over digitaal vergaderen in beginsel een besluit
van de Kamer is, en als dit niet mogelijk is, het Presidium of de Voorzitter kan besluiten
om digitaal te gaan vergaderen. Zij vragen of in het voorstel kan worden opgenomen
dat, indien de Voorzitter of het Presidium het besluit neemt om digitaal te vergaderen,
dit aan het begin van de eerste digitale vergadering door de Kamer moet worden goedgekeurd.
De leden van de D66-fractie lezen dat in de toelichting een aantal keer wordt verwezen
naar de voorlichting van de Raad van State over het Functioneren van de Eerste Kamer
in crisistijd. Welke grond heeft het Presidium om aan te nemen dat dezelfde adviezen
onverkort gelden voor het functioneren van de Tweede Kamer in crisistijd? Kan het
Presidium aangeven op welke wijze zij invulling heeft gegeven aan de randvoorwaarden
voor digitale plenaire beraadslaging die de Raad van State stelt? Kan deze toelichting
per randvoorwaarde afzonderlijk worden gegeven?
De leden van de D66-fractie merken op dat de het voorliggende voorstel niet uitsluit
dat het Reglement van Orde tijdens een digitale vergadering kan worden gewijzigd.
Dat betekent dat de spelregels van digitaal vergaderen tijdens een periode van digitaal
vergaderen kunnen worden gewijzigd. Deze leden zien hierin een kwetsbaarheid. Zij
vragen het Presidium of zij deze observatie deelt en of zij heeft overwogen om wijzigingen
van het Reglement van Orde ten aanzien van digitale vergadermogelijkheden uit te sluiten
van wijziging tijdens een digitale vergadering.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel
van het Presidium tot wijziging van het Reglement van Orde en tot vaststelling van
een afzonderlijke regeling in verband met het in buitengewone omstandigheden tijdelijk
mogelijk maken van digitale vergadermogelijkheden. Graag willen deze leden daarover
een aantal vragen stellen. Allereerst merken zij op dat hun voorkeur uitgaat naar
fysiek vergaderen in het gebouw van de Kamer, maar er kunnen situaties zijn dat het
juist goed is dat er een mogelijkheid is voor een digitaal quorum, dan wel er een
digitale vergadermogelijkheid is, zodat de parlementaire besluitvorming door kan gaan.
Het is dan ook een goede zaak dat er een regeling voor digitaal vergaderen in bepaalde
situaties komt. Zij roepen hierbij in herinnering de motie Van Gent c.s. (Kamerstuk
35 322, nr. 43), waarin de basis van het onderhavige voorstel besloten ligt.
Voorgesteld wordt om in «buitengewone» omstandigheden het vereiste quorum voor vergaderingen
digitaal te kunnen bereiken, dan wel digitaal te kunnen vergaderen. Dat kan tijdens
«ernstige crisissituaties», zoals een pandemie, natuurramp, kernramp, aanslag, aan
de orde zijn. Het valt de leden van de VVD-fractie op dat in het wetsvoorstel voor
de Wet digitaal vergaderen decentrale overheden (Kamerstuk 36 558) het begrip «bijzondere» omstandigheden wordt gebruikt. Genoemde leden vragen of
dezelfde reikwijdte wordt beoogd. Of is er sprake van een andere reikwijdte? Graag
krijgen zij een reactie van het Presidium.
In de toelichting staat dat het belangrijk is om de digitale vergadervoorziening regelmatig
te testen. Dit houdt in dat er periodiek geoefend moet worden met het digitale quorum,
beraadslagen en stemmen in de digitale vergadervoorziening. De leden van de VVD-fractie
vragen hoe dat in zijn werk zal gaan. Geschiedt dat oefenen in aanwezigheid van leden
van de Kamer? Moet dat oefenen door de leden thuis worden gedaan of kan dat ook in
het gebouw van de Kamer? Hoe vaak zal worden geoefend?
Artikel 1, onderdeel A
Het valt de leden van de VVD-fractie op dat in het huidige artikel 7.19 lid 5 van
het Reglement van Orde wordt gesproken over «bijzondere omstandigheden» en dat het
in de voorgestelde wijziging van het Reglement van Orde gaat om «buitengewone omstandigheden».
Graag krijgen deze leden een uitleg van dat verschil.
Artikel 1, onderdeel B
In de titel van de voorgestelde paragraaf en in de tekst van het voorgestelde artikel
15.23a staat het begrip «buitengewone» omstandigheden, waarbij het gaat om «ernstige»
crisissituaties, zoals een pandemie, ramp, of aanslag, die het normale bijeenkomen
van de Kamer verhinderen. Is overwogen om in de naam van de paragraaf en in het nieuwe
artikel het begrip «ernstige» crisissituaties te gebruiken in plaats van «buitengewone»
omstandigheden? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van het Presidium.
Met onderdeel a van het eerste lid wordt het mogelijk voor leden om zich op afstand
langs elektronische weg (digitaal) aan te melden voor het benodigde quorum. Maakt
de voorgestelde regeling het mogelijk dat het vereiste quorum wordt bereikt doordat
sommige leden zich fysiek in de Kamer melden en andere leden digitaal? Of kan het
quorum alleen langs de digitale weg worden bereikt?
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het voorstel van het Presidium inzake een regeling in verband met de mogelijkheid
om in buitengewone omstandigheden digitaal te vergaderen. Deze leden hebben op dit
moment hierover een aantal vragen.
Allereerst merken zij op dat zij hopen dat deze regeling in de praktijk niet gebruikt
hoeft te worden, omdat zij van mening zijn dat het parlement zoveel mogelijk op de
gebruikelijke fysieke wijze behoort te functioneren. Zij vinden het wel verstandig
dat er voor het uiterste geval een goede juridische regeling is waardoor het parlement
ook tijdens buitengewone omstandigheden haar democratische rol kan blijven vervullen.
Genoemde leden lezen in artikel 15.23a dat de Kamer voor een periode van ten hoogste
drie maanden kan besluiten om langs digitale weg te vergaderen. Kan worden toegelicht
waarom voor een periode van drie maanden gekozen is? Deelt het Presidium de redenering
dat het logischer zou zijn om bijvoorbeeld iedere maand te beoordelen of er nog sprake
is van buitengewone omstandigheden waardoor fysieke vergaderingen geen doorgang kunnen
vinden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kunnen zich voorstellen dat er ook een combinatie
van maatregelen mogelijk is, waarbij bijvoorbeeld wel gebruik wordt gemaakt van het
digitale quorum, maar dat vergaderingen op de reguliere fysieke wijze plaatsvinden,
zoals tijdens de COVID-periode in de Eerste Kamer is gebeurd. Klopt de aanname dat
het met de voorliggende regeling mogelijk is om gebruik te maken van het digitale
quorum en fysiek te vergaderen?
In de regeling staat dat digitale vergaderingen alleen plaats kunnen vinden als leden
op een geverifieerde wijze kunnen deelnemen en de vergadering voor eenieder te volgen
is. Dit betekent dat de internetverbinding overal in Nederland goed moet werken. Genoemde
leden vragen daarom hoe omgegaan wordt met situaties waarin er buitengewone omstandigheden
zijn en ook in een deel van het land de internetverbinding niet (goed) werkt.
Tot slot vragen zij aandacht voor de strategische onafhankelijkheid tijdens een buitengewone
omstandigheid. Daarom vinden deze leden het van belang dat er bij de keuze voor een
online-vergadertool nadrukkelijk meegenomen wordt dat deze tool ofwel van Europese
makelij, dan wel open source is, en bij voorkeur beiden. Graag ontvangen zij een reactie
van het Presidium hierop.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wijzigingsvoorstel. Deze
leden vinden het goed dat er een voorstel ligt om ervoor te zorgen dat de Kamer ook
in buitengewone omstandigheden kan functioneren. Wel merken deze leden op dat fysiek
vergaderen wat hen betreft de absolute norm is en daarvan afwijken alleen in uiterste
noodscenario’s dient te geschieden. Deze leden vragen of het voorliggend voorstel
wel voldoende is ingericht op noodscenario’s waarin sprake is van dreigingen onder
andere op het gebied van ICT (waarin wellicht online verbindingen lastig tot stand
kunnen komen), of waarin Kamerleden door een ontstane noodsituatie beperkt aanwezig
kunnen zijn. Deze leden hebben nog enkele vragen.
Genoemde leden merken op dat herhaaldelijk wordt aangegeven dat enkele zaken nog nader
uitgewerkt moeten worden of nog door het Presidium vastgesteld moeten worden. Deze
leden maken zich zorgen dat in noodsituaties nog te veel nader uitgewerkt moet worden.
Zij vragen daarom om een overzicht van welke zaken naar aanleiding van dit voorstel
nog verder uitwerkt zullen worden. Deze leden vragen ook of aangegeven kan worden
wanneer deze nadere uitwerking zal plaatsvinden.
De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere toelichting van het type buitengewone
omstandigheden waarvoor dit wijzigingsvoorstel dient. Deze leden merken hierbij wederom
op dat fysiek vergaderen wat hen betreft de absolute norm is en daarvan afwijken alleen
in uiterste noodscenario’s dient te geschieden. Ook vragen deze leden of aangegeven
kan worden hoe de buitengewone omstandigheden uit dit voorstel zich verhouden tot
de definitie van «bijzondere omstandigheden», die gehanteerd wordt in het wetsvoorstel
Wet digitaal vergaderen decentrale overheden.
Deze leden lezen dat er in sommige gevallen mogelijk gestemd zal moeten worden via
een door het Presidium vast te stellen procedure waarin het stemgeheim zoveel mogelijk
gewaarborgd is. Deze leden vragen of het Presidium het niet verstandig acht een dergelijke
procedure alvast uit te werken.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er periodiek geoefend moet worden met het digitale
quorum, beraadslagen en stemmen in de digitale vergadervoorziening. Zij vragen om
een nadere toelichting hoe dit in zijn werk zal gaan en vragen of daarbij overwogen
is vooral de ambtelijk secretarissen van de fracties ook te betrekken in het kader
van snel kennis kunnen delen/opschalen in geval van nood.
Artikel I, onderdeel B
De leden van de CDA-fractie vragen waarom gekozen is voor een verlengingsperiode van
ten hoogste drie maanden. Zij lezen dat het Presidium ervoor verantwoordelijk is om
ervoor te zorgen dat in de digitale vergaderomgeving op een volwaardige wijze vergaderd
kan worden. Deze leden merken hierbij op dat over de invulling van de term «volwaardig»
mogelijk discussie kan ontstaan. Het is immers anders dan fysiek vergaderen en daarmee
voor mensen wellicht überhaupt niet volwaardig. Deze leden vragen om een nadere beschrijving
van de situatie die volgens het Presidium als «volwaardig» wordt geacht.
Artikel II
Genoemde leden constateren dat enkele vereisten opgenomen zijn waaraan voldaan moet
worden voordat een plenaire vergadering langs elektronische weg geopend kan worden.
Deze leden vragen om een reflectie op het scenario waarin onverhoopt niet aan (een
van) deze voorwaarden voldaan kan worden, maar wel spoedbesluiten genomen dienen te
worden. Welke uitvalsopties heeft de Kamer in een dergelijk scenario?
Het succesvol kunnen zijn van digitaal vergaderen is enerzijds afhankelijk van hoe
een en ander gefaciliteerd wordt vanuit de Kamer. Maar ook Kamerleden zelf hebben
hierin een verantwoordelijkheid. Wordt deze laatste verantwoordelijkheid ook ergens
duideijk weggeschreven?
De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere toelichting bij de formulering uit
artikel 8, derde lid, waarin staat dat «de beslotenheid van de vergadering zo goed
mogelijk geborgd dient te zijn». Waarom is hier gekozen voor «zo goed mogelijk»?
De voorzitter van de commissie, Van Campen
De griffier van de commissie, Bakker
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.A.H. van Campen, voorzitter van de commissie voor de Werkwijze -
Mede ondertekenaar
J. Bakker, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.