Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad van 5 en 6 maart 2026 (Kamerstuk 32317-995)
2026D09243 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd over de volgende brieven:
• Geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad van 5 en 6 maart 2026 (Kamerstuk 32 317, nr. 995);
• Antwoorden op vragen commissie over o.a. de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad
van 22–23 januari 2026 (Kamerstuk 32 317, nr. 989) (Kamerstuk 32 317, nr. 991);
• Verslag formele JBZ-Raad van 8 en 9 december 2025 (Kamerstuk 32 317, nr. 987);
• Verslag informele JBZ Raad 22–23 januari 2026 (Kamerstuk 32 317, nr. 994);
• Fiche: Mededeling Europese strategie justitiële opleiding 2025–2030 (Kamerstuk 22 112, nr. 4237);
• Verlenging interim-derogatie van de EU-privacyregels om online kindermisbruik te bestrijden
(Kamerstuk 32 317, nr. 993);
• Fiche: Mededeling DigitalJustice@2030 (Kamerstuk 22 112, nr. 4236);
• Fiche: Mededeling over het EU actieplan tegen drugshandel (Kamerstuk 22 112, nr. 4243);
• Fiche: EU-drugsstrategie (Kamerstuk 22 112, nr. 4246);
• Fiche: Herziening precursorenwetgeving (Kamerstuk 22 112, nr. 4264).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Ellian
Adjunct-griffier van de commissie,
Paauwe
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II
Reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
EU-Anticorruptierichtlijn
De leden van de D66-fractie constateren dat de Raad en het Europees Parlement een
akkoord hebben bereikt over de Europese Anticorruptierichtlijn en dat deze naar verwachting
op korte termijn zal worden aangenomen. Nederland zal daaropvolgend tot de zomer van
2028 tijd krijgen voor het implementeren van de Richtlijn, waaronder de strafbaarstelling
van handelen in invloed. Deze leden vragen de Minister in hoeverre de regering voorbereidende
maatregelen treft in aanloop naar implementatie van de Richtlijn en welke stappen
daar tot dusver in zijn gezet. Daarbij vragen deze leden de Minister expliciet in
te gaan op de voorbereiding van de strafbaarstelling van handelen in invloed.
Voorts merken de leden van de D66-fractie op dat de Anticorruptierichtlijn naast verplichte
ook diverse optionele bepalingen bevat op het terrein van preventieve maatregelen,
zoals aanvullende transparantieverplichtingen, integriteitsbeleid en institutionele
waarborgen. Deze leden vragen de Minister uiteen te zetten of hij voornemens is deze
optionele bepalingen te implementeren en welke afwegingen daarbij doorslaggevend zijn.
Tevens vragen deze leden of de Minister bereid is in de Raad nadrukkelijk aandacht
te vragen voor het belang van een zo breed mogelijke toepassing van preventieve maatregelen
door de lidstaten.
De leden van de D66-fractie zijn zich ervan bewust dat verschillende lidstaten reeds
verdergaande anticorruptiemaatregelen kennen dan Nederland. Zo is Nederland, met het
implementeren van de Richtlijn, het laatste EU-land dat handelen in invloed strafbaar
zal stellen. Deze leden vragen dan ook of de Minister bereid is in de Raad actief
best practices op te halen bij andere EU-lidstaten met betrekking tot het tegengaan
van corruptie en handelen in invloed, zodat deze tijdig en zorgvuldig kunnen worden
betrokken bij de Nederlandse implementatie.
Tot slot hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van het feit dat er nog
extra kansen liggen om het anticorruptiekader verder te versterken. Zo noemt Transparency
International ruimte om de regels betreft bedrijfsverantwoordelijkheid aan te scherpen,
minimumeisen te introduceren met betrekking tot de transparantie over lobbyactiviteiten
en politieke financiering en om de rol van het maatschappelijk middenveld te vergroten.1 Welke mogelijkheden ziet de Minister om op deze punten aanvullende nationale maatregelen
te treffen in aanvulling op de Europese Richtlijn, zo vragen de leden.
EU-Drugsstrategie
De leden van de D66-fractie constateren dat het EU-actieplan onder meer inzet op het
dichten van juridische mazen met betrekking tot designerprecursoren en het verbeteren
van de identificatie van drugsgerelateerde stoffen. Deze leden wijzen er in dit verband
op dat de Kamer in mei 2022 de motie-Sneller (Kamerstuk 35 954, nr. 7) heeft aangenomen, waarin de regering werd verzocht te onderzoeken op welke manier
de mogelijkheid kan worden gecreëerd om de verkoop en het bezit van nieuwe risicovolle
middelen sneller en doelmatiger te reguleren. Deze leden vragen de Minister wat de
stand van zaken is van de uitvoering van deze motie en in hoeverre de bevindingen
uit dit onderzoek zijn betrokken bij de totstandkoming van de Nederlandse inzet op
het EU-actieplan. Specifiek vernemen deze leden graag welke inspanningen zijn verricht
om bij andere lidstaten steun te verkrijgen om werk te maken van aanpassing van de
regelgeving.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister op welke wijze de voorgestelde EU-aanpak
van designerprecursoren en synthetische drugs concreet kan bijdragen aan snellere
en doelmatiger regulering van nieuwe risicovolle middelen in Nederland en of de EU-aanpak
aanleiding geeft het nationale instrumentarium, waaronder de mogelijkheid van een
«lijst 0» zoals verkend naar aanleiding van de motie-Sneller, te heroverwegen of te
actualiseren.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister voorts of hij bereid is in de Raad
te bepleiten dat het EU-actieplan een expliciete actie opneemt gericht op het harmoniseren
van nationale early warning- en snelreguleringsmechanismen voor nieuwe psychoactieve
stoffen, zodat lidstaten niet steeds achter de feiten aanlopen wanneer nieuwe middelen
op de markt verschijnen.
De leden van de D66-fractie lezen in het BNC-fiche2 dat het kabinet binnen het EU-actieplan meer aandacht vraagt voor de aanpak van criminele
geldstromen. Deze leden onderschrijven dit, maar vragen de Minister of hij ook bereid
is in Europees verband te pleiten voor meer aandacht voor de vraagkant, te weten preventie
en het voorkomen van gebruik van nieuwe risicovolle middelen, naast de aanbod- en
handhavingskant waarop het actieplan primair is gericht. Deze leden wijzen op de scheefgroei
tussen de uitgaven aan de repressieve aanpak ten opzichte van de preventieve kant
in het Nederlandse drugsbeleid. Ook op EU-niveau zien deze leden onvoldoende aandacht
voor harm reduction en een beleid dat het beschermen van de volksgezondheid vooropzet, terwijl in steeds
meer lidstaten de exclusieve focus op het verbieden van drugs als meest effectieve
strategie om de problemen aan te pakken, wordt verlaten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Verlenging interim-derogatie van de EU-privacyregels om online kindermisbruik te bestrijden
De leden van de VVD-fractie hebben in het schriftelijk overleg voorafgaand aan de
informele Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 22–23 januari 2026 vragen gesteld
aan het toenmalige kabinet over de verlenging van de tijdelijke regels over detectie
van Child Sexual Abuse Material (hierna: CSAM), zodat aanbieders vrijwillig kunnen blijven scannen en dergelijk walgelijk
materiaal kunnen verwijderen. Kan de Minister aangeven wat het standpunt van Nederland
hierover is en kunnen de eerder gestelde vragen van januari 2026 alsnog worden beantwoord?
En wanneer kan de Kamer de toegezegde brief hierover ontvangen? Kan de Minister hierin
ook meenemen wat het standpunt is van Nederland ten aanzien van de taken, bevoegdheden
en locatie van het EU-CSAM-centrum waarover wordt gesproken tijdens de trilogen over
de CSAM-verordening? Kan de Minister voorts de laatste stand van zaken geven van de
voortgang van de trilogen?
Fiche: Mededeling over het EU-actieplan tegen drugshandel
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over het EU-actieplan
tegen drugshandel. Kan de Minister aangeven wat voor Nederland de allerbelangrijkste
prioriteiten zijn in het actieplan? Deze leden lezen dat het kabinet van mening is
dat de brede, multidisciplinaire en gebalanceerde drugsaanpak op het gebied van gezondheid,
veiligheid, maatschappij en schadebeperking slechts in zeer beperkte mate terugkomt
in het actieplan. Deze leden lezen ook dat het kabinet stelt dat in de samenwerking
met derde landen de nadruk ligt op repressieve maatregelen, terwijl derde landen vragen
voor aandacht voor de gezondheidsaspecten van de drugsproblematiek. Deze leden vragen
hierover nadere verduidelijking van het kabinet. Welke derde landen hebben dit gevraagd
en waarom? Wat is de wettelijke grondslag op grond waarvan de EU gezondheidsaspecten
van drugsproblematiek zou moeten aanpakken? Deelt de Minister de mening van deze leden
dat juist in het kader van opsporing, vervolging, berechting en bestraffing van drugscriminelen
internationaal effectiever moet worden samengewerkt? Deze leden missen in het actieplan
concrete wetgevende initiatieven die juist dat bevorderen. Deelt de Minister dat?
De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat het kabinet terecht kritisch is
dat de doelen in de vorige EU-drugsstrategie en het EU-drugsactieplan weinig concreet
en meetbaar zijn. Welke voorstellen doet het kabinet zelf om meer SMART3-geformuleerde concrete meetbare doelen in het EU-drugsactieplan op te nemen? Welke
indicatoren stelt het kabinet voor? Worden er nulmetingen gedaan? En zo niet, waarom
niet? Hoe gaat het kabinet beoordelen of de doelen uit het actieplan straks daadwerkelijk
zijn bereikt? Deze leden merken op dat de wens van het kabinet om het actieplan te
verbreden naar «gezondheidsaspecten van drugsbeleid» etc., ook ertoe leidt dat het
lastiger wordt om SMART-geformuleerde doelen op te nemen en indicatoren op te nemen
om te meten of de doelen worden bereikt. Is het kabinet dat met deze leden eens? Graag
ontvangen deze leden een reactie hierop.
De leden van de VVD-fractie zijn het eens met het initiatief van de Commissie om samen
met lidstaten en de transportsector de mogelijkheden te onderzoeken voor het verder
versterken van het bestaande Europese Advance Passenger Information (API)/Passenger
Name Records (PNR)-raamwerk, als maatregel om grensoverschrijdende samenwerking bij
de aanpak van georganiseerde misdaad te intensiveren. Kan de Minister concreet aangeven
aan welke uitbreidingen wordt gedacht?
Toekomst van Europol
De leden van de VVD-fractie stellen dat Europol belangrijk werk verricht bij informatie-uitwisseling
tussen lidstaten in diverse grensoverschrijdende politieonderzoeken. Deze leden vragen
of de Minister de inzet van Nederland nader kan verduidelijken bij het agendapunt
over de toekomst van Europol. Is de Minister van mening dat Europol ook een explicietere
rol moet krijgen bij de aanpak van hybride dreigingen? Hoe staat hij tegenover uitbreiding
van het mandaat van Europol? Welke uitbreidingen hebben lidstaten recentelijk voorgesteld?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
en de bijbehorende stukken. Deze leden hebben vragen en opmerkingen over de Europese
CSAM-verordening en zaken op het gebied van privacy en rechtsbescherming.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie blijven onverminderd kritisch op het voorstel
voor de CSAM-verordening. Massasurveillance maakt iedereen digitaal onveiliger en
is nooit een oplossing voor zaken als grooming en onlinemisbruik. Deze leden vragen
de Minister om de stand van zaken van de CSAM-verordening. Hoe ver is de triloogfase
gevorderd? Op welke manieren oefent de Minister invloed uit op deze onderhandelingen,
zodat ook de zorgpunten rondom privacy – genoemd door de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) – worden weggenomen? Hoe voert de regering de aangenomen
motie-Kathmann c.s. (Kamerstuk 32 317, nr. 981) uit, die vraagt om blijvend verzet tegen de CSAM-verordening én om zich in te zetten
om kwalijke verplichtingen uit het voorstel te slopen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben zorgen over het verlengen van de derogatie
op de e-Privacyrichtlijn. Met deze voorziening kunnen providers van onlinediensten
nog langer, als uitzondering op de Europese privacyregels, hun netwerk scannen op
verdacht gedrag. Dit is een verstrekkende bevoegdheid die nu niet wordt beperkt door
de wet. Hoe kijkt de Minister naar deze verlenging van twee jaar? Enerzijds benadrukken
deze leden dat er betrouwbare Europese regelgeving nodig is om onlinemisbruik te voorkomen,
met keiharde grenzen aan hoe gegevens hiertoe verzameld en gedeeld mogen worden. Anderzijds
begrijpen deze leden dat het aflopen van de derogatie ook extra druk zet op de onderhandelingen
over de CSAM-verordening, waardoor de druk toeneemt om deze gemankeerde regelgeving
onzorgvuldig aan te nemen. Hoe kijkt de Minister naar de spanning tussen de verlengde
derogatie en de CSAM-verordening?
Tot slot zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie waakzaam voor de decryptiemogelijkheden
die in het kader van ProtectEU ontwikkeld worden bij Europol. Deze leden menen dat
elke poging om het recht op end-to-endencryptie te omzeilen, te doorbreken, of onmogelijk
te maken, afbreuk doet aan de cyberveiligheid van burgers. Dit is echter wel een van
de doelen van de ProtectEU-agenda alsmede van de Commissie haar «Roadmap for effective
and lawful access to data for law enforcement.» Dit zou verplichtingen stellen aan
onder andere Meta WhatsApp en Apple iMessage om encryptie te verzwakken. Dit is technisch
en cryptologisch een enorme uitdaging, maar gaat ook uit van medewerking door bedrijven
als Meta en Apple. Deze leden achten het onvoorstelbaar om in dit tijdsgewricht te
rekenen op de medewerking van Amerika, om zijn versleutelde chattoepassingen toegankelijk
te maken voor de EU. Hoe schat de Minister dit in? Deelt hij de opvatting dat dit
een doodlopend en onwerkbaar spoor zal blijken? Ook vragen deze leden aan de Minister
wat in algemene zin het standpunt van dit kabinet is over encryptie en het ontwikkelen
van decryptiemogelijkheden en op welke wijze Nederland invloed zal uitoefenen op deze
plannen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken op 5 en 6 maart 2026 te Brussel.
Deze leden maken van de gelegenheid gebruik om nog een enkele vraag te stellen aan
de Minister hierover.
Werklunch: voortgezet crimineel handelen in detentie
De leden van de CDA-fractie lezen dat tijdens de werklunch zal worden gesproken over
voortgezet crimineel handelen vanuit detentie, mede in het licht van het EU-actieplan
tegen drugshandel (2026–2030). Deze leden onderschrijven dat detentie daadwerkelijk
moet leiden tot het doorbreken van criminele netwerken. Deze leden vragen de Minister
welke concrete aanvullende Europese maatregelen hij wenselijk acht om te voorkomen
dat high-risk gedetineerden hun criminele activiteiten vanuit detentie blijven aansturen.
Acht de Minister het huidige instrumentarium toereikend of is verdere aanscherping,
bijvoorbeeld ten aanzien van communicatiebeperkingen en informatie-uitwisseling, noodzakelijk?
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat verschillen tussen
detentieregimes in lidstaten leiden tot verplaatsing van criminele aansturing naar
landen met minder strenge regimes.
Conclusies over de toepassing van het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie 2026
De leden van de CDA-fractie lezen dat in de Raadsconclusies wordt benadrukt dat naleving
van rechtsstaat en grondrechten voorwaarde is voor ontvangst van EU-middelen. Deze
leden vragen de Minister hoe deze koppeling in de praktijk functioneert en of dit
instrument volgens hem effectief wordt ingezet wanneer lidstaten structureel tekortschieten
in de naleving van rechtsstatelijke beginselen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de stukken die zijn geagendeerd
voor het schriftelijk overleg over de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-raad).
Deze leden vinden het belangrijk om duidelijk te maken dat zij online seksueel kindermisbruik
en georganiseerde drugscriminaliteit hard willen aanpakken. Slachtoffers moeten worden
beschermd en daders moeten worden opgespoord en vervolgd. Tegelijkertijd mag de aanpak
van zware criminaliteit er niet toe leiden dat onschuldige burgers hun fundamentele
rechten kwijtraken. Zeker wanneer Europese voorstellen raken aan digitale communicatie
en dataverzameling, is voorzichtigheid nodig.
De leden van de Groep Markuszower hebben met zorg kennisgenomen van de brief van de
Minister van Justitie en Veiligheid van 23 januari 2026 over de verlenging van de
interim-derogatie op de ePrivacyrichtlijn. Deze leden zien dat opnieuw wordt voorgesteld
om een tijdelijke uitzondering op privacyregels te verlengen. Die uitzondering is
inmiddels al meerdere keren verlengd. Daardoor krijgt zij steeds meer een vast karakter.
Dat roept de vraag op hoe tijdelijk deze regeling nu eigenlijk nog is en waar de Minister
de grens trekt.
In de brief spreekt de Minister over vrijwillige detectie door aanbieders van communicatiediensten.
De leden van de Groep Markuszower zetten daar vraagtekens bij. In de praktijk moeten
aanbieders risico’s inschatten, maatregelen nemen en meldingen doen. Doen zij dat
niet, dan kunnen zij daarvoor aansprakelijk worden gesteld. Deze leden vragen in hoeverre
er dan nog echt sprake is van vrijwilligheid. Is er voor bedrijven nog een echte keuze
of worden zij door regels en risico’s in feite gedwongen om te detecteren?
Ook maken de leden van de Groep Markuszower zich zorgen over het steeds opnieuw verlengen
van een maatregel die ooit nadrukkelijk tijdelijk was bedoeld. Wat maakt deze verlenging
anders dan eerdere verlengingen, behalve dat zij opnieuw twee jaar duurt? Kan de Minister
uitsluiten dat over twee jaar weer wordt gezegd dat verlenging nodig is, omdat de
CSAM-verordening nog steeds niet is afgerond? En hoe voorkomt de Minister dat een
tijdelijke uitzondering op het briefgeheim langzaam als normaal wordt gezien?
De Minister erkent in de brief dat er zorgen blijven bestaan over privacy, grondrechten
en digitale veiligheid. De leden van de Groep Markuszower delen die zorgen. Deze leden
vragen de Minister om concreet te maken welke risico’s het kabinet ziet bij deze verlenging
en hoe zwaar die risico’s hebben meegewogen in de besluitvorming. Ook vragen deze
leden welke rol het oordeel van de AIVD hierbij heeft gespeeld. Daarbij vragen deze
leden hoe het steunen van deze verlenging past bij eerdere waarschuwingen van het
kabinet over massasurveillance en druk op end-to-endencryptie.
Verder merken de leden van de Groep Markuszower op dat het kabinet zelf stelt dat
er geen goede en proportionele technologie bestaat om grooming en onbekend materiaal
te detecteren. Toch blijft het gebruik van dergelijke technologie onder de derogatie
toegestaan. Deze leden vragen waarom daarvoor is gekozen en hoe wordt voorkomen dat
aanbieders deze middelen alsnog inzetten, met het risico dat grote groepen onschuldige
gebruikers worden geraakt.
Bovendien vragen de leden van de Groep Markuszower hoe geloofwaardig het is dat deze
verlenging los zou staan van de CSAM-verordening. In de praktijk draagt het voortzetten van vrijwillige detectie bij aan
het steeds normaler maken van toezicht op privécommunicatie. Waarom kiest het kabinet
er dan niet voor om tegen te stemmen en een duidelijk signaal af te geven dat Nederland
deze richting niet acceptabel vindt?
De leden van de Groep Markuszower vinden het daarnaast belangrijk om de discussie
over CSAM te verbinden met de voorstellen over het EU-actieplan tegen drugshandel
en de EU-drugsstrategie. In het CSAM-dossier wijst het kabinet terecht op de risico’s
van grootschalige dataverzameling en toezicht. Tegelijkertijd zien deze leden dat
in de aanpak van drugscriminaliteit steeds vaker wordt ingezet op het verzamelen en
analyseren van grote hoeveelheden gegevens, zoals passagiersinformatie, logistieke
data en onlinegegevens, vaak zonder dat sprake is van een concrete verdenking.
Deze leden vragen daarom hoe de Minister voorkomt dat onder het mom van drugsbestrijding
opnieuw grootschalige dataverzameling van onschuldige burgers plaatsvindt, vergelijkbaar
met de zorgen die het kabinet zelf uit bij de CSAM-voorstellen. Hoe wordt voorkomen
dat losse maatregelen binnen het JBZ-domein samen uitgroeien tot een systeem van permanent
toezicht, zonder dat daar ooit expliciet politiek voor is gekozen?
Ook vragen de leden van de Groep Markuszower aandacht voor de rol van Europese agentschappen.
In de stukken wordt gesproken over intensieve samenwerking en het delen van informatie,
terwijl tegelijk wordt erkend dat sommige organisaties formeel geen bevoegdheid hebben
op dit terrein. Hoe voorkomt de Minister dat bevoegdheden op deze manier stap voor
stap worden uitgebreid, zonder duidelijke politieke besluitvorming en zonder voldoende
controle?
II Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
U. Ellian, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
B.A. Paauwe, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.