Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de buitengewoon opsporingsambtenaar een professionele partner met een eigenstandige taak in de publieke ruimte (Kamerstuk 36395-22)
36 395 Wijziging van de Politiewet 2012 in verband met een delegatiegrondslag voor een algemene maatregel van bestuur over de bewapening en uitrusting van buitengewoon opsporingsambtenaren
Nr. 23
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 2 maart 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de brief «De buitengewoon
opsporingsambtenaar een professionele partner met een eigenstandige taak in de publieke
ruimte» (Kamerstuk 36 395, nr. 22).
De vragen en opmerkingen zijn op 20 januari 2026 aan de Minister van Justitie en Veiligheid
voorgelegd. Bij brief van 2 maart 2026 zijn de vragen en gemaakte opmerkingen beantwoord.
De fungerend-voorzitter van de commissie, Ellian
Adjunct-griffier van de commissie, Van Tilburg
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
1.
Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie
2
2.
Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie
3
3.
Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie
4
4.
Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
6
5.
Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractie
8
6.
Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie
9
7.
Vragen en opmerkingen vanuit de SGP-fractie
13
8.
Vragen en opmerkingen vanuit de SP-fractie
15
II.
Reactie van de Minister
16
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
1. Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de voorstellen van het Minister
ten aanzien van het hernieuwde stelsel voor buitengewoon opsporingsambtenaren (boa).
Deze leden onderschrijven het belang van een goed functionerend, toekomstbestendig
en professioneel stelsel van boa’s, dat bijdraagt aan de veiligheid en leefbaarheid
in onze samenleving en tegelijkertijd stevig is verankerd in de rechtsstaat. Zij zien
dat boa's in de praktijk een steeds belangrijkere rol vervullen. In dit kader achten
zij een hernieuwd boa-stelsel een logische ontwikkeling. Tegelijkertijd roept de herziening
ook vragen op over de specifieke invulling van het herziene stelsel.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de zorgen en aandachtspunten
die door onder meer de Nederlandse Spoorwegen (NS) zijn ingebracht ten aanzien van
de herziening van het stelsel. De boa's van de NS worden regelmatig geconfronteerd
met strafbare feiten zoals mishandeling, diefstal en vernieling. De NS geeft aan dat
boa’s in dergelijke situaties geacht worden de-escalerend op te treden of een situatie
te stabiliseren, terwijl zij niet altijd beschikken over toereikende bevoegdheden
om dit veilig en effectief te doen. Deze leden vragen de Minister te reflecteren op
deze zorgen van de NS en vragen hoe de Minister acht te voorkomen dat boa's in deze
onhoudbare posities komen. Ook vragen deze leden hoe in de praktijk de balans wordt
gehouden, zodat boa's voldoende bevoegdheden hebben om adequaat in te grijpen bij
strafbare situaties, maar tegelijkertijd geborgd kan worden dat boa's zich niet begeven
op het terrein van openbare-ordehandhaving.
De leden van de D66-fractie enkele vragen over de verantwoordelijkheidsverdeling bij
aanhoudingen. De NS heeft aangegeven zich zorgen te maken over mogelijke onduidelijkheid
en een verschuiving van verantwoordelijkheden als gevolg van de herziening van het
stelsel, met name rondom de afhandeling van aanhoudingen. De NS is bang dat door de
herziening van het stelsel de boa's een grotere verantwoordelijkheid krijgen in de
afhandeling van de aanhoudingen en hebben liever dat de boa's zo veel mogelijk in
de trein op of op het station aanwezig blijven. Daarom zou de NS graag bestaande samenwerkingsafspraken
tussen de NS en de politie rondom de afhandeling van aanhouding landelijk willen verankeren
en explicieter willen maken. Deze leden vragen of de Minister uiteen kan zetten hoe
in het hernieuwde boa-stelsel de verantwoordelijkheden bij aanhouding en de verdere
afhandeling daarvan precies zijn belegd tussen werkgevers van boa’s en de politie.
Daarnaast vragen deze leden hoe de Minister reflecteert op de zorgen van de NS en
of hij deze terecht acht. Ook vragen zij of de Minister het wenselijk acht om bestaande
samenwerkingsafspraken landelijk te verankeren en explicieter te maken.
De leden van de D66-fractie merken eveneens op dat er een pilot loopt waarin boa’s
in het domein openbare ruimte in enkele gemeenten de mogelijkheid krijgen om de strafbaarstelling
van seksuele intimidatie in het openbaar te handhaven (artikel 429ter Sr.). Omdat
de strafbaarstelling van seksuele intimidatie in het openbaar niet is opgenomen in
de domeinlijst van het hoofddomein, zijn boa's op dit moment niet automatisch bevoegd
tot opsporen van en het handhaven. Deze leden vragen op welke termijn de Minister
de bevoegdheid op gaat nemen in het hernieuwde boa-stelsel, binnen het hernieuwde
hoofddomein voor boa’s in de publieke ruimte?
2. Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de beschouwing
op het boa-bestel (hierna: de beschouwing). Deze leden onderschrijven het belang van
een duidelijk, professioneel en toekomstbestendig boa-bestel waarin boa’s effectief
kunnen bijdragen aan de veiligheid en leefbaarheid en stellen nog enkele vragen naar
aanleiding van de beschouwing.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister vasthoudt aan een zeer strikte
lijn bij de toekenning van vuurwapens aan groene boa’s, terwijl wel wordt voorzien
in een verruiming van de mogelijkheden voor het dragen van pepperspray en de korte
wapenstok. Deze leden erkennen het belang van een terughoudende omgang met vuurwapens,
maar wijzen er tegelijkertijd op dat groene boa’s in het buitengebied steeds vaker
te maken krijgen met ondermijnende criminaliteit, afgelegen werkplekken en beperkte
directe politieback-up. Deze leden vragen de Minister hoe hij borgt dat groene boa’s
in de praktijk tijdig en adequaat worden uitgerust om hun veiligheid te waarborgen.
Daarnaast vragen zij hem toe te lichten hoe wordt voorkomen dat de huidige strikte
voorwaarden voor vuurwapenbewapening in de praktijk leiden tot langdurige procedures
of feitelijke onbeschikbaarheid, juist in situaties waarin het risico structureel
verhoogd is.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de voorgestelde herinrichting van het
boa-stelsel ertoe kan leiden dat in het openbaar vervoer (OV) taken verschuiven van
de politie naar OV-boa’s, terwijl daar geen structurele financiële middelen tegenover
lijken te staan. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Is de Minister het met deze leden
eens dat de veiligheid van de OV-boa voorop moet staan bij het werk wat zij doen en
hoe ziet de Minister zijn rol hierin? Deze leden vragen de Minister voorts hoe hij
borgt dat de voorstellen niet leiden tot een vermindering van de sociale veiligheid
in het openbaar vervoer, doordat vervoerders genoodzaakt worden keuzes te maken tussen
toezicht, controle en andere veiligheidstaken, en op welke wijze hij voorziet in structurele
financiering en tijdige betrokkenheid van concessieverleners en vervoerders bij de
verdere uitwerking van de voorstellen, mede gelet op de gevolgen voor concessie-eisen
en bestaande afspraken.
De leden van de VVD-fractie hechten aan landelijke uniformiteit. Hoe beoordeelt de
Minister de werking van de landelijke formats voor handhavingsarrangementen in domein
I en II en in hoeverre worden deze in de praktijk ook daadwerkelijk uniform toegepast?
Welke lessen zijn tot nu toe getrokken uit de toepassing van deze formats in de samenwerking
tussen boa’s en politie en hoe wordt voorkomen dat lokale of regionale verschillen
in invulling leiden tot ongelijke handhaving of onduidelijkheid? Hetzelfde geldt voor
de uitrusting van boa’s. Hoe borgt de Minister uniformiteit en te voorkomen dat er
A-, en B-boa’s ontstaan? Deze leden vragen voorts hoe wordt geborgd dat nieuwe keuzes
binnen het boa-bestel uitvoerbaar zijn voor gemeenten, provincies en andere werkgevers.
Hoe wordt bij deze keuzes rekening gehouden met de structurele krapte op de arbeidsmarkt,
zowel bij de politie als bij boa’s?
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de boa’s een belangrijke publieke
taak vervullen en dus ook de bescherming moeten genieten als zij te maken krijgen
met geweld en agressie. Ziet de Minister erop toe dat er van alle incidenten een melding
wordt gemaakt bij de werkgever en dat elke melding wordt omgezet in een aangifte?
Zo nee, waarom niet? Hoe kan de Minister de werkgevers beter ondersteunen bij deze
taak die zij hebben?
De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wat de gevolgen van deze wijziging
in het bestel zijn voor de samenwerking tussen de boa’s en de politie. Zijn huidige
belemmeringen in deze samenwerking nu makkelijker op te lossen, zoals bijvoorbeeld
de identiteits-check?
De leden van de VVD-fractie vragen naar de stand van zaken van de motie-Michon van
23 september 2025 waarin het knelpunt van bevoegdheden op basis van de Omgevingswet
is geadresseerd (Kamerstuk 29 911, nr. 483).
3. Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen
van de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid over het boa-stelsel. Deze
leden onderschrijven van harte de opvatting dat boa’s belangrijke partners zijn bij
de leefbaarheid en veiligheid in de Nederlandse samenleving. Boa’s hebben naar het
oordeel van deze leden een belangrijke rol in handhaving en hulpverlening in de openbare
ruimte en zijn vaak eerste aanspreekpunt van burgers. Naar het oordeel van deze leden
is het zo bezien belangrijk om in goed overleg met alle betrokkenen regelmatig te
bezien of, en zo ja hoe, de taken en bevoegdheden van boa’s toereikend zijn om de
gewenste bijdrage aan leefbaarheid en veiligheid te leveren. Gezien het grote belang
van boa’s voor de sociale veiligheid is draagvlak voor de voorgestelde stelselwijziging
essentieel. Daarom hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie zien het voornemen om de boa nadrukkelijk
te positioneren als professionele partner binnen de politiefunctie, met een eigen,
duidelijk afgebakende taak in de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Met
het tegengaan van de huidige versnippering van het boa-bestel en het verbreden van
bevoegdheden wordt naar het oordeel van deze leden handelingsverlegenheid tegengegaan.
Begrijpen deze leden het goed, dat er méér ruimte wordt gegeven aan boa’s om preventief
en proactief te handelen, terwijl de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde voorbehouden
blijft aan de politie. Deze leden hebben kennisgenomen van de opvattingen van de Vereniging
Nederlandse Gemeenten (VNG) over het boa-stelsel en leiden graag de vraag door hoe
de hulpverlenende taak van handhavers wordt belegd.
De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie hebben nog de nodige vragen over de beschikbare
standaarduitrusting, de aanvullende uitrusting en de aanvullende geweldsmiddelen.
Deze leden zijn benieuwd naar de onder de afzonderlijke groepen boa’s levende opvattingen
over het voorgestelde boa-stelsel. Kan de Minister voorzien in een uiteenzetting hoe
over zijn voorstellen wordt gedacht? Het valt deze leden namelijk op dat vanuit meerdere
groepen boa’s zorgen leven over de extra toebedeelde taken, die niet of onvoldoende
kunnen worden uitgevoerd met de beschikbaar gestelde middelen, waarbij óók gedacht
wordt aan het kunnen raadplegen van databases met belangrijke en relevante informatie
voor de boa-functie. Wordt aan boa’s in de uitoefening van hun functie toegang verleend
tot belangrijke, relevante informatiesystemen, zo vragen deze leden. Als expliciet
voorbeeld noemen deze leden de NS. Naar deze leden begrijpen vindt de NS zélf het
onwenselijk om de taak toebedeeld te krijgen om arrestanten te vervoeren. NS-boa’s
zijn bedoeld om de veiligheid op stations en in de treinen te vergroten. Het arrestantenvervoer
betekent dat NS-boa’s minder aanwezig en beschikbaar zullen zijn op hun primaire taak.
Hoe ziet de Minister dit? Als wordt vastgehouden aan deze taaktoebedeling, kan de
Minister aangeven welke standaarduitrusting, aanvullende uitrusting en aanvullende
middelen hiervoor aan NS-boa’s beschikbaar worden gesteld en is vastgesteld dat deze
uitrusting volstaat om deze extra taken uit te voeren? Wat vindt de Minister van de
oproep van NS om NS-boa’s een bevoegdheid toe te kennen om in ernstige situaties de
eerste maatregelen te kunnen nemen om escalatie te voorkomen en de situatie «te bevriezen».
Wat vindt de Minister ervan om de bestaande afspraken tussen NS en de politie rondom
arrestantenvervoer en de afhandeling van aanhouding gerelateerde processen landelijk
te verankeren en te expliciteren? Herkent de Minister dit soort signalen en welke
andere, vergelijkbare signalen heeft de Minister ontvangen? Wat vindt de Minister
ervan dat de NS zélf twijfels heeft en oproept om de herziening van het boa-stelsel
samen met boa-werkgevers vorm te geven. Is de Minister daartoe bereid en zo ja, brengt
hij de Kamer van de uitkomsten op de hoogte?
Ook over de aanvullende geweldsmiddelen bereiken de leden van de GroenLinks – PvdA-fractie
zorgelijke geluiden, bijvoorbeeld van de groene boa’s. De mate van agressie en geweld
waarmee groene boa’s de laatste jaren worden geconfronteerd is dusdanig, dat naar
het oordeel van deze leden onder strikte omstandigheden toekenning van een vuurwapen
moet worden overwogen. Van groene boa’s zélf horen deze leden dat de aanvraag en het
behoud van vuurwapens te ingewikkeld is, en in de procedure te weinig oog bestaat
voor de urgente knelpunten. Justis wordt als weigerachtig en niet consistent in de
beoordeling ervaren. Wat vindt de Minister van deze klacht en is hij bereid om samen
met vertegenwoordigers van groene boa’s te bezien hoe kan worden gekomen tot een genoegzame
procedure? Deelt de Minister voorts de constatering vanuit de groene boa’s dat bij
de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet geen nieuw strafrechtelijk
aanwijzingsbesluit is genomen voor groene boa’s voor flora- en fauna-activiteiten,
terwijl deze overtredingen zich kwalificeren als economische delicten in de zin van
artikel 17 van de Wet op de economische delicten?
De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie zijn benieuwd naar de wijze waarop het boa-werkgeverschap
wordt ingericht en welke eisen daaraan moeten worden gesteld. Verdere professionalisering
en afstemming met de politie wordt weliswaar positief beoordeeld, toch is het voor
deze leden de vraag of boa-werkgevers financieel en inhoudelijk voldoende in staat
worden gesteld om deze opdracht te vervullen. Het valt deze leden op dat er ook nu
al een groot tekort aan boa’s bestaat, zeker in het buitengebied. Met de toenemende
agressie valt te verwachten dat boa-werkgevers ook hun beleid op sociale veiligheid
moeten versterken. Zijn boa-werkgevers materieel in staat om effectief beleid te voeren
op het voorkomen en behandelen van bijvoorbeeld posttraumatische stressstoornis bij
hun boa’s? Hoe wordt gegarandeerd dat elke boa in beginsel op dezelfde beschermende
structurele maatregelen op preventie, begeleiding en nazorg kunnen rekenen, zoals
van goed (overheids)werkgeverschap verwacht mag worden? Krijgen boa-(overheids)werkgevers
de financiële ruimte die nodig is om volwaardig invulling te geven aan de boa-taak?
De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van het
Samenwerkingsverband van decentrale OV-autoriteiten. Het samenwerkingsverband wil
duidelijkheid over de toekomstige inrichting van het toezicht, de juridische, organisatorische
en operationele gevolgen voor de OV-bedrijven en ProRail en de structurele financiering
van de vermoedelijk aanzienlijke kostenstijging die uit de voorstellen voortvloeit,
zodat de huidige capaciteit voor toezicht en controle behouden blijft. Deze leden
zien graag een stelselbreed uitgewerkte financiële onderbouwing bij de voorstellen,
zodat voorkomen wordt dat wijzigingen in het stelsel afbreuk doen aan de effectiviteit.
De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie vragen urgentie voor onafhankelijke klachtbehandeling.
Het boa-optreden kan diep in de persoonlijke levenssfeer ingrijpen en daarom moet,
zoals in een goed functionerende democratische rechtstaat gebruikelijk is, voorzien
zijn in een laagdrempelige klachtprocedure. Deze leden begrijpen uit de brief van
de Minister dat dit volledig wordt overgelaten aan de individuele boa-werkgever. De
werkgever, zo lezen deze leden, wordt verplicht tot actieve verantwoording richting
de toezichthouder en richting de Minister als verantwoordelijk Minister. Vindt de
Minister dat voldoende waarborg op onafhankelijke en transparante klachtbehandeling?
Moet toezicht, zeker als er (vuurwapen)geweld is toegepast, niet veel dwingender en
doortastender worden ingevuld?
4. Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
het boa-stelsel, alsmede van de daarbij gevoegde bijlagen, waaronder de uitvoeringsagenda
en de handhavingsarrangementen. Deze leden danken de Minister voor deze uitgebreide
toelichting. Zij maken graag van de gelegenheid gebruik om, mede naar aanleiding van
signalen uit de praktijk, enkele vragen te stellen aan de Minister over de juridische
duiding, de uitvoeringspraktijk en de gevolgen voor de rechtspositie en veiligheid
van boa’s.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij de signalen herkent dat groene
boa’s sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 in de uitvoeringspraktijk
door Justis als (gedeeltelijk) onbevoegd worden beschouwd voor de handhaving van flora-
en fauna-activiteiten. Deze leden vragen daarbij of de Minister erkent dat dit concrete
gevolgen heeft voor de toekenning en verlenging van geweldsmiddelen, waaronder het
dienstvuurwapen.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe hij het risico beoordeelt dat groene
boa’s door deze ontstane rechtsonzekerheid feitelijk niet of slechts beperkt inzetbaar
zijn, terwijl zij in de praktijk wel verantwoordelijk blijven voor toezicht en handhaving
in het buitengebied. Zij vragen daarnaast of de Minister de zorg deelt dat deze situatie
afbreuk doet aan de veiligheid van boa’s zelf, de effectiviteit van de handhaving
en het vertrouwen in de rechtspositie van boa’s.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe de huidige uitvoeringspraktijk
bij Justis zich verhoudt tot de in de Kamerbrief over het nieuwe boa-bestel uitgesproken
ambitie van eenduidigheid, uniformiteit en voorspelbaarheid in bevoegdheden, uitrusting
en toezicht. Deze leden vragen in het bijzonder hoe wordt voorkomen dat verschillen
in interpretatie en uitvoering leiden tot handelingsverlegenheid en rechtsongelijkheid
in de dagelijkse praktijk van boa’s.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke juridische grondslag Justis
het standpunt baseert dat voor de strafrechtelijke handhaving van Omgevingswet-feiten
door groene boa’s een afzonderlijke aanwijzing door gedeputeerde staten als toezichthouder
vereist is. Deze leden vragen hoe dit standpunt zich verhoudt tot artikel 1:6 van
de Algemene wet bestuursrecht, waarin expliciet is bepaald dat de hoofdstukken over
toezicht niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister de analyse deelt dat overtredingen
van de Omgevingswet kwalificeren als economische delicten en dat op grond van artikel
17 van de Wet op de economische delicten de Minister van Justitie en Veiligheid zelf
bevoegd is om boa’s met de opsporing daarvan te belasten. In dat licht vragen deze
leden waarom bij de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet per
1 januari 2024 geen expliciet nieuw of herbevestigend aanwijzingsbesluit is genomen,
terwijl dit bij eerdere wetswijzigingen in 2002 en 2017 wel is gebeurd.
Voor zover de Minister van mening is dat een afzonderlijke provinciale aanwijzing
noodzakelijk is, vragen de leden van de CDA-fractie welke stappen hij zet om provincies
aan te sporen deze aanwijzingen met spoed te verrichten en hoe hij voorkomt dat hierdoor
rechtsongelijkheid tussen provincies ontstaat. Deze leden vragen tevens wat deze interpretatie
betekent voor groene boa’s die niet in dienst zijn van provincies, maar van omgevingsdiensten.
De leden van de CDA-fractie vragen verder of de Minister bereid is om, vooruitlopend
op structurele wijzigingen in het kader van het nieuwe boa-bestel, op korte termijn
een tijdelijk of herbevestigend strafrechtelijk aanwijzingsbesluit te nemen met terugwerkende
kracht tot 1 januari 2024 om rechtsonzekerheid weg te nemen. Indien hij daartoe niet
bereid is, vragen zij welke concrete alternatieve maatregelen worden getroffen om
te voorkomen dat boa’s in de praktijk onbevoegd handelen of onvoldoende beschermd
hun werk moeten doen.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij erkent dat de huidige onduidelijkheid
over bevoegdheden ertoe leidt dat aanvragen voor geweldsmiddelen, waaronder het dienstvuurwapen,
worden geweigerd of langdurig blijven liggen. Deze leden vragen daarbij of de Minister
bevestigt dat hierover inmiddels gerechtelijke procedures lopen en dwangsommen zijn
opgelegd.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu in het nieuwe boa-stelsel de verantwoordelijkheid
voor de uitrusting van boa’s primair bij de werkgever komt te liggen, of er een landelijk
beslissingskader beschikbaar is voor werkgevers. Zij vragen welke rol politie en Openbaar
Ministerie hierin hebben, hoe de taakafbakening is vormgegeven en hoe wordt voorkomen
dat verschillen tussen werkgevers leiden tot ongelijkheid in uitrusting en bescherming
van boa’s.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of het klopt dat de uitschuifbare wapenstok
in het nieuwe boa-stelsel niet terugkeert in de standaarduitrusting van boa’s, noch
in de aanvullende uitrusting. Deze leden vragen wat hiervoor de reden is en of boa’s
alsnog een verzoek kunnen indienen voor een uitschuifbare wapenstok. Indien dat mogelijk
is, vragen zij welke criteria daarbij worden gehanteerd.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister welke instructies of kaders hij aan
Justis geeft om te waarborgen dat aanvragen voor opsporingsakten en geweldsmiddelen
uniform, transparant en binnen redelijke termijnen worden afgehandeld, mede in het
licht van de aangekondigde wijzigingen in het nieuwe boa-bestel.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke wijze werkgevers en boa’s
momenteel worden geïnformeerd over hun rechtspositie onder de Omgevingswet en of hij
deze informatievoorziening toereikend acht, gelet op de signalen van onzekerheid en
uiteenlopende interpretaties in de praktijk.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu in het nieuwe boa-stelsel ook het
toezicht op de inzet van geweldsmiddelen primair bij de werkgever wordt belegd, of
hiervoor een landelijk beslissings- en toezichtskader bestaat. Deze leden vragen hoe
objectief en onafhankelijk toezicht wordt geborgd, welke rol politie en Openbaar Ministerie
hierbij hebben en hoe de taakafbakening tussen betrokken partijen is geregeld.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe de aansprakelijkheid van werkgevers
is geregeld bij onjuiste toewijzing van uitrusting aan boa’s en bij falend toezicht
op de inzet van geweldsmiddelen. Deze leden vragen hoe deze aansprakelijkheid zich
verhoudt tot de verantwoordelijkheid van de overheid voor een veilig en zorgvuldig
functionerend handhavingsstelsel.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij ermee bekend is dat de Politieacademie
door capaciteitstekorten niet in staat is tijdig de RTGB-certificering (Regeling Toetsing
Geweldsbeheersing Buitengewoon Opsporingsambtenaar) voor boa’s te faciliteren, waardoor
naar schatting circa 500 boa’s op een wachtlijst staan. Deze leden vragen welke maatregelen
de Minister neemt om te voorkomen dat boa’s door deze capaciteitstekorten hun bevoegdheid
om geweldmiddelen te gebruiken verliezen.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu het nieuwe boa-stelsel inzet van
boa’s buiten het eigen werkgeversgebied mogelijk maakt, wie in die situaties verantwoordelijk
is voor het toezicht op de taakuitvoering van deze boa’s. Deze leden vragen hoe dit
toezicht is ingericht op de verschillende toezichtsniveaus en hoe wordt voorkomen
dat onduidelijkheid ontstaat over verantwoordelijkheden en aanspreekbaarheid.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij bereid is de Kamer voorafgaand
aan het geplande commissiedebat over boa’s in februari 2026 schriftelijk te informeren
over de juridische duiding van deze problematiek, de gekozen oplossingsrichting en
de gevolgen daarvan voor de uitvoeringspraktijk.
5. Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse de stukken rondom het boa-stelsel
gelezen. In een flink aantal verbetervoorstellen kan de fractie van JA21 zich ook
vinden. Het publieke domein wordt namelijk ruwer en meer onvoorspelbaar en daarom
is flexibiliteit nodig op het gebied van taken, bevoegdheden en – wat ons betreft
– ook bewapening. Wel zijn er nog meerdere vragen.
De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief van 6 oktober 2025 dat de boa
wél strafrecht mag afdwingen, maar géén openbare orde mag handhaven. Is het verstoren
van de openbare orde niet vaak een strafbaar feit? Hoe kan een boa een strafbaar feit
beëindigen (bijvoorbeeld baldadigheid, verstoring, bedreiging), zonder feitelijk de
openbare orde te handhaven? Waar ligt juridisch het verschil? Is er een concrete grens?
De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief dat de boa zich in theorie moet
terugtrekken bij grote gevaarzetting. Afhankelijk van het beleid van de betreffende
gemeente kan een boa pepperspray, handboeien en/of een wapenstok hebben. Wanneer mag
een boa geweld gebruiken om een strafbaar feit te beëindigen, terwijl hij niet bevoegd
is om de orde te handhaven? Hoe valt dit te rijmen?
De leden van de JA21-fractie constateren dat boa’s de afgelopen jaren steeds vaker
in benarde situaties terechtkomen, terwijl de politie op dat moment niet in de buurt
is. Dit hebben we bijvoorbeeld meermaals gezien tijdens het handhaven van coronamaatregelen.
Wat wordt het handelingskader van een boa als de dichtstbijzijnde politieagenten bijvoorbeeld
langer dan 15 minuten van de boa verwijderd zijn? In het verlengde hiervan: in gebieden
met lage politiedichtheid en grote afstanden, zoals natuur- en buitengebieden, moet
de boa bij escalatie vaak langer zelf blijven optreden voordat de politie arriveert.
Welke minimale eisen gaat de Minister stellen aan responstijden en politiebeschikbaarheid
in handhavingsarrangementen, zodat boa’s niet feitelijk worden gedwongen tot situaties
waarvoor zij mogelijk niet binnen hun taakomschrijving kunnen handelen of niet over
de juiste verdedigingsmiddelen beschikken?
De leden van de JA21-fractie zien dat de formele bevoegdheid van de boa wordt verruimd
tot het gehele domein, maar dat de feitelijke inzet via regionale handhavingsarrangementen
wordt begrensd. Hoe wordt voorkomen dat boa’s opnieuw te maken krijgen met onduidelijkheid
en verschillen tussen regio’s over wat zij wel en niet mogen handhaven? Komt er een
landelijk minimumkader of een leidraad die ervoor zorgt dat een boa in vergelijkbare
situaties overal dezelfde bevoegdheid kan toepassen?
De leden van de JA21-fractie lezen dat uit pilots met de korte wapenstok blijkt dat
boa’s zich veiliger voelen en eerder bereid zijn om in complexe of spanningsvolle
situaties zelf op te treden, waardoor de druk op de politie afneemt. Dit draagt bij
aan de continuïteit van handhaving in de publieke ruimte, met name in gemeenten waar
de politiecapaciteit onder druk staat. Is het volgens de Minister juridisch mogelijk
om een objectief en automatisch toekenningsmechanisme te creëren waardoor boa’s in
gemeenten met structureel hoge incidentdruk en beperkte politiecapaciteit standaard
in aanmerking komen voor aanvullende geweldsmiddelen, zoals de korte wapenstok en/of
pepperspray?
De leden van de JA21-fractie vragen waarom er boa’s zijn die meer betaald krijgen
dan politieagenten.
6. Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor dit schriftelijke
overleg met betrekking tot het BOA-stelsel. Hier zijn nog een aantal vragen over.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief van de Minister
van Justitie en Veiligheid over het stelsel van boa’s. Deze brief is nauw verbonden
met wetsvoorstel het wetsvoorstel waarin de wettelijke basis wordt gelegd voor regels
over bewapening en uitrusting van boa’s (Kamerstuk 36 395). Deze leden waarderen dat de Minister expliciet aandacht besteedt aan de positie,
rol en toekomstbestendigheid van het boa-stelsel, maar constateert tegelijkertijd
dat de brief een groot aantal knelpunten blootlegt die vragen om nadere uitwerking.
De leden van de BBB-fractie lezen dat uit de brief blijkt dat boa’s een steeds belangrijkere
rol vervullen in de handhaving van leefbaarheid en veiligheid in de publieke ruimte.
Zij zijn vaak het eerste aanspreekpunt voor burgers bij overlast, kleine criminaliteit
en het handhaven van specifieke regelgeving. De Minister onderkent dat boa’s een eigenstandige
positie innemen binnen de bredere politiefunctie, maar geen rol hebben in de handhaving
van de openbare orde, die exclusief bij de politie blijft. Tegelijkertijd constateert
de Minister dat het huidige stelsel onvoldoende duidelijk maakt wat nu precies van
boa’s wordt verwacht, zowel voor de boa zelf als voor burgers, gemeenten en ketenpartners.
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de doorontwikkeling van het boa-stelsel
er niet toe mag leiden dat boa’s de politie vervangen of aan de politie gelijk worden
gesteld, zonder dat zij daarvoor de middelen of de bevoegdheden van de politie hebben.
De politie heeft binnen de rechtsstaat een unieke positie, met als kerntaken de handhaving
van de openbare orde, de opsporing van strafbare feiten in volle breedte en de uitoefening
van het geweldsmonopolie. Deze taken zijn verbonden aan vergaande bevoegdheden, intensieve
opleiding en een zwaar verantwoordings- en toezichtskader, wat de politie fundamenteel
onderscheidt van boa’s.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de sterke toename van het aantal boa’s
in de afgelopen jaren grotendeels lijkt samen te hangen met de aanhoudende personeelstekorten
bij de politie. Gemeenten zien zich hierdoor genoodzaakt om zelfstandig capaciteit
te organiseren door meer boa’s in gemeentelijke dienst te nemen. Deze leden vragen
de Minister of hij deze analyse herkent en of hij deze ontwikkeling als wenselijk
beschouwt, mede in het licht van de lange termijninrichting van het veiligheidsbestel.
De leden van de BBB-fractie constateren dat boa’s een andere rol vervullen. Boa’s
zijn aangesteld voor specifieke, afgebakende handhavingstaken, veelal gericht op leefbaarheid
en naleving van regelgeving. Juist deze begrenzing is de kracht van het boa-stelsel.
Wanneer boa’s structureel worden ingezet als vervanging van politiecapaciteit, ontstaat
taakvervaging en worden zij geconfronteerd met situaties waarvoor zij niet zijn toegerust
of bevoegd, met risico’s voor hun veiligheid, de rechtsbescherming van burgers en
het vertrouwen in de overheid.
De leden van de BBB-fractie geven aan dat zij een structurele verschuiving van politietaken
naar boa’s onwenselijk achten. Boa’s beschikken over beperktere bevoegdheden en zijn
niet toegerust voor het volledige palet aan taken dat hoort bij openbare ordehandhaving
en strafrechtelijke handhaving. De politie is, juist vanwege haar bredere bevoegdheden
en landelijke inzetbaarheid, effectiever en efficiënter in deze kerntaken. Deze leden
vragen de Minister of hij deze analyse deelt en of hij mogelijkheden ziet om prioriteit
te geven aan een groei van het aantal politieambtenaren in plaats van een verdere
uitbreiding van het aantal boa’s. Is hij bereid hierover in gesprek te treden met
gemeenten?
De leden van de BBB-fractie constateren dat door de situatie dat boa’s steeds verder
in het domein van de politie terechtkomen, zij tegen grenzen aanlopen van wat zij
mogen en kunnen doen. Zo worden zij in het dagelijks werk geconfronteerd met situaties
waarin snel en adequaat optreden noodzakelijk is. Dit spanningsveld wordt versterkt
door de beperkte toegang tot relevante informatiesystemen, waardoor boa’s hun taken
niet altijd effectief of veilig kunnen uitvoeren. De Minister kondigt in de brief
aan te willen toewerken naar een herziening van het stelsel, onder meer door domeinen
samen te voegen, bevoegdheden overzichtelijker te maken en de juridische basis van
uitrusting en bewapening te versterken. Deze leden wachten deze stelselwijziging met
belangstelling af, maar willen nogmaals benadrukken dat het boa-stelsel geen vervanging
mag worden van de politie.
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de veiligheid van boa-personeel te allen
tijde voorop moet staan. In dat kader achten deze leden het van groot belang dat boa’s
beschikken over passende middelen om hun taken veilig en verantwoord te kunnen uitvoeren.
Bewapening van boa-ambtenaren vormt daarbij een cruciaal onderdeel. Deze leden verzoeken
de Minister toe te lichten op welke wijze en onder welke voorwaarden boa-ambtenaren
gebruik kunnen gaan maken van bewapening.
Ten aanzien van de informatievoorziening constateren de leden van de BBB-fractie dat
de Kamerbrief weinig concreet is. Hoewel de Minister erkent dat een beperkte informatiepositie
de effectiviteit van boa’s ondermijnt, blijft onduidelijk welke oplossingen daadwerkelijk
worden voorzien. Deze leden benadrukken dat, ongeacht de uiteindelijke taakafbakening
van boa’s, effectieve en veilige handhaving alleen mogelijk is wanneer boa’s beschikken
over adequate en actuele informatie. Zij zijn van mening dat boa’s voor de uitvoering
van hun taken toegang moeten hebben tot relevante informatiesystemen, vergelijkbaar
met die van de politie. Deze leden verzoeken de Minister hierop nader te reageren
en concreet aan te geven welke stappen worden gezet om de informatiepositie van boa’s
structureel te verbeteren.
De leden van de BBB-fractie constateren dat in het huidige boa-bestel er zes verschillende
domeinen bestaan. Deze domeinstructuur heeft geleid tot een situatie waarin boa’s
vaak heel verschillende taken, bevoegdheden en specialisaties hebben. Het gaat om
de volgende zes domeinen:
• Domein I: Openbare Ruimte – dit is het grootste en meest zichtbare domein, met boa’s
die in steden en dorpen handhaven op overlast, kleine verstoringen, APV-regels en
leefbaarheid.
• Domein II: Milieu, Welzijn en Infrastructuur – een breed domein waarin zowel groene
boa’s (bijvoorbeeld boswachters, handhavers buitengebied) als grijze boa’s (omgevingsdiensten,
inspecties) werken.
• Domein III: Onderwijs (Leerplicht) – leerplichtambtenaren die toezicht houden op schoolbezoek
en handhaven op de Leerplichtwet.
• Domein IV: Openbaar Vervoer – boa’s in het OV, zoals bij NS, RET en andere vervoerders,
gericht op orde, vervoerbewijzen en veiligheid in voertuigen en stations.
• Domein V: Werk, Inkomen en Zorg – handhaving op socialezekerheidswetgeving, fraudebestrijding
en naleving van zorg- en inkomensregels.
• Domein VI: Overige specialistische opsporing – onder andere taken van CJIB-medewerkers
en andere zeer specialistische functies; hierover loopt op dit moment een apart WODC-traject.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister in de brief stelt dat de knelpunten
vooral spelen in de publieke ruimte, dus in domein I, de groene en blauwe boa’s binnen
domein II en de boa’s in het openbaar vervoer (domein IV). In die domeinen ervaren
boa’s dat de werkpraktijk onvoorspelbaar is, situaties snel kunnen escaleren en dat
een duidelijke taak- en bevoegdheidsafbakening essentieel is. De overige drie domeinen
kennen veel minder problemen. Deze boa’s werken in specialistische, minder onvoorspelbare
omgevingen, vaak met veel voorbereidingstijd en minder directe confrontatie. Daarom
kiest de Minister nadrukkelijk niet voor een volledige hervorming van het bestel,
maar voor een gerichte structuurwijziging waarbij de zes domeinen op een nieuwe manier
worden ingedeeld. In plaats van zes domeinen introduceert de Minister twee hoofddomeinen,
gebaseerd op de mate van onvoorspelbaarheid in het werk.
De leden van de BBB-fractie zijn kritisch over het voornemen om de bestaande zes boa-domeinen
samen te voegen tot twee bredere hoofddomeinen. Hoewel deze leden begrijpen dat de
Minister met deze samenvoeging meer overzicht en uitvoerbaarheid wil creëren, vrezen
zij dat deze koers onbedoeld leidt tot taakvervaging en een te algemene inzet van
boa’s. Door verschillende domeinen met uiteenlopende aard en context samen te brengen,
dreigt het onderscheid tussen specifieke handhavingstaken van boa’s en de kerntaken
van de politie verder te vervagen.
De leden van de BBB-fractie stellen dat de kracht van het huidige stelsel juist ligt
in specialisatie binnen een domein. Door boa’s bredere en generiekere taken toe te
kennen, ontstaat het risico dat zij steeds vaker worden ingezet in situaties die qua
aard en complexiteit sterk lijken op politiewerk, zonder dat zij beschikken over dezelfde
bevoegdheden, opleiding en verantwoordelijkheidsstructuur. Kan de Minister toelichten
hoe hij gaat waarborgen dat juist de specialistische kennis binnen een domein gewaarborgd
blijft?
De leden van de BBB-fractie constateren dat een belangrijk onderdeel van de brief
de uitrusting van boa’s betreft. De Minister kondigt aan een standaarduitrusting in
te voeren voor alle boa’s in hoofddomein I, bestaande uit onder meer een portofoon,
handboeien en bepaalde politiebevoegdheden op grond van de Politiewet. Daarnaast wordt
voorzien in de mogelijkheid van aanvullende uitrusting, zoals een bodycam, steek-
of kogelwerend vest, een korte wapenstok en pepperspray. Voor alle boa’s geldt dat
deze middelen uitsluitend worden toegekend als aan «strikte voorwaarden» wordt voldaan.
Kan de Minister uiteenzetten wat onder deze strikte voorwaarden wordt verstaan? Welke
concrete criteria worden gehanteerd bij de beoordeling of een boa in aanmerking komt
voor aanvullende uitrusting? Wie voert deze beoordeling uit en op basis van welke
risico-inschatting? Worden deze voorwaarden landelijk toegepast, of is er ruimte voor
lokale interpretatie?
De leden van de BBB-fractie lezend dat voor de groene boa een uitzondering wordt gemaakt.
Groene boa’s zijn de enige categorie boa’s die onder zeer specifieke omstandigheden
in aanmerking kan komen voor het dragen van een vuurwapen. De Minister geeft aan dat
dit samenhangt met hun wettelijke taken in het buitengebied, waar sprake kan zijn
van een reële kans op confrontaties met gewapende stropers. Daarbij wordt genoemd
dat vuurwapentoekenning alleen mogelijk is wanneer de boa een wettelijke taak heeft
op het gebied van bijvoorbeeld stroperijbestrijding, wanneer de politie deze taak
niet (voldoende) kan overnemen en wanneer minder ingrijpende middelen onvoldoende
bescherming bieden. Kan de Minister verduidelijken hoe deze voorwaarden in de praktijk
worden getoetst? Wanneer is volgens de Minister sprake van een situatie waarin de
politie een taak niet adequaat kan overnemen? Wie bepaalt dat minder ingrijpende middelen
onvoldoende bescherming bieden, en op basis van welke criteria? Hoe wordt voorkomen
dat deze voorwaarden zo strikt worden uitgelegd dat vuurwapentoekenning in de praktijk
alsnog vrijwel onmogelijk blijft, zoals nu het geval is?
7. Vragen en opmerkingen vanuit de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister over de inrichting van het nieuwe boa-bestel. Deze leden onderschrijven
het belang van een goed functionerend handhavingsstelsel, waarin boa’s op een duidelijke,
professionele en rechtsstatelijk verantwoorde wijze bijdragen aan veiligheid en leefbaarheid
in de publieke ruimte. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de voorgestelde herinrichting
grote gevolgen heeft voor de positionering van boa’s, de verhouding tot politie en
Openbaar Ministerie, de werkgeversverantwoordelijkheid van gemeenten en andere werkgevers,
en de bescherming van boa’s als hulpverleners. Deze leden hebben hierover enkele vragen.
De leden van de SGP-fractie lezen dat boa’s in het nieuwe bestel nadrukkelijker worden
gepositioneerd als professionele partner binnen de handhavingsketen. Deze leden vragen
de Minister hoe wordt geborgd dat deze professionalisering gepaard gaat met een duidelijke
en eenduidige werkgeversverantwoordelijkheid, met name bij gemeenten.
De leden van de SGP-fractie constateren dat boa’s, net als andere hulpverleners met
een publieke taak, in toenemende mate te maken krijgen met agressie en geweld. Deze
leden vragen de Minister hoe wordt gewaarborgd dat gemeenten hun verantwoordelijkheid
nemen op het gebied van preventie, nazorg, begeleiding bij aangifte en juridische
ondersteuning. Tevens vragen zij hoe wordt voorkomen dat verschillen tussen gemeenten
leiden tot ongelijke bescherming en ondersteuning van boa’s.
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat er geen landelijk uniform registratiesysteem
bestaat voor agressie en geweld tegen hulpverleners, waaronder boa’s. Deze leden vragen
de Minister of hij bereid is te komen tot één landelijk en verplicht registratiesysteem
en zo ja, op welke termijn en onder welke regie dit gerealiseerd wordt.
De leden van de SGP-fractie vragen expliciet aandacht voor boa’s die werkzaam zijn
bij niet-gemeentelijke werkgevers, zoals particuliere terreinbeherende organisaties.
Deze leden vragen de Minister hoe wordt geborgd dat ook deze boa’s kunnen rekenen
op een gelijkwaardige rechtspositie en bescherming. Voorts vragen zij aandacht voor
de complexiteit van het stelsel. Hoe wordt voor gemeenten duidelijk welke werkgevers
er in de gemeente boa’s inzetten, met welk doel en vindt hierbij de juiste afstemming
plaats met de gemeente?
De leden van de SGP-fractie constateren dat de aangifteketen bij geweld tegen hulpverleners
versnipperd en onoverzichtelijk is. Deze leden vragen de Minister hoe de aangifteketen
voor geweld tegen boa’s wordt vereenvoudigd en geharmoniseerd. Zij vragen of de Minister
bereid is landelijke afspraken te maken met politie en Openbaar Ministerie over de
prioritering en afhandeling van zaken waarin boa’s slachtoffer zijn van geweld. Zij
vragen de Minister hoe wordt geborgd dat geweld tegen boa’s daadwerkelijk leidt tot
zichtbare en consequente strafrechtelijke opvolging en vragen de Minister hierbij
in te gaan op de uitvoering van de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) waarbij geweld
tegen hulpverleners tweemaal zo hard gestraft zou moeten worden. Deze leden vragen
de Minister om inzicht te geven in de cijfers in dit soort zaken. Voorts vragen zij
de Minister naar de voortgang ten aanzien van de structurele, Rijksbrede invulling
van de Taskforce Onze hulpverleners veilig, conform de motie-Diederik van Dijk c.s.
(Kamerstuk 36 600 VI, nr. 100). Welke resultaten heeft deze taskforce tot op heden opgeleverd? Deze leden vragen
hoe de continuïteit van de inzet op een veilige publieke taak wordt geborgd na afloop
van de huidige opdracht van de taskforce. Op welke wijze worden boa’s, inclusief boa’s
bij particuliere werkgevers, structureel meegenomen in het beleid rond veilige publieke
taak?
De leden van de SGP-fractie constateren dat het boa-bestel meerdere beleidsterreinen
raakt en dat zowel het Ministerie van Justitie en Veiligheid als het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hierbij betrokken zijn. Deze leden vragen
de Minister hoe de samenwerking tussen deze ministeries concreet wordt ingericht,
met name op het gebied van afspraken in de samenwerking en eindverantwoordelijkheid.
Zij constateren dat uit de praktijk blijkt dat er op dit moment een gebrek aan samenwerking
is en vragen de Minister hoe hij dit structureel gaat verbeteren en welke afspraken
zijn gemaakt over regie en eindverantwoordelijkheid om te voorkomen dat departementen
langs elkaar heen werken.
De leden van de SGP-fractie achten goede gegevensdeling tussen politie en boa-organisaties
essentieel voor effectieve handhaving en opsporing. Deze leden vragen de Minister
welke knelpunten op dit moment bestaan bij de gegevensdeling tussen politie en gemeenten.
Welke concrete maatregelen worden genomen om te zorgen voor tijdige, volledige en
rechtmatige gegevensuitwisseling tussen politie en boa-systemen? Hoe wordt voorkomen
dat privacywetgeving of technische beperkingen leiden tot onnodige belemmeringen in
opsporing en vervolging?
De leden van de SGP-fractie lezen dat de versterking van het boa-bestel mede is ingegeven
door schaarste in capaciteit en middelen binnen het veiligheidsdomein, met name bij
de politie. Deze leden vragen de Minister of wordt verondersteld dat uitbreiding van
het boa-stelsel efficiënter is dan uitbreiding van de politiecapaciteit. Welke onderbouwing
ligt ten grondslag aan het argument dat versterking van het boa-stelsel daadwerkelijk
leidt tot structurele verlichting van de werkdruk bij de politie? Hoe wordt voorkomen
dat boa’s structureel worden ingezet als vervanging voor politiecapaciteit, zonder
dat daarvoor voldoende randvoorwaarden zijn gecreëerd?
De leden van de SGP-fractie wijzen op verschillen in aansturing: boa’s werken onder
verantwoordelijkheid van gemeenten, terwijl de politie onder gezag van het Openbaar
Ministerie valt. Deze leden vragen de Minister hoe deze verschillende gezags- en verantwoordingslijnen
in de praktijk worden afgestemd. Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat
over taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen boa’s en politie.
De leden van de SGP-fractie constateren dat in de praktijk sprake is geweest van handelingsverlegenheid
bij boa’s door onduidelijkheid over taken, bevoegdheden, uitrusting en toegang tot
systemen. Deze leden vragen de Minister hoe het nieuwe stelsel deze knelpunten aantoonbaar
oplost.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de uitrusting van boa’s, met name zij
die werkzaam zijn bij niet-gemeentelijke werkgevers, sterk uiteenloopt en afhankelijk
is van de bereidheid van werkgever en dienst Justis. Deze leden benadrukken dat de
veiligheid van boa’s voorop staat in het werk wat zij doen en dat zij met uitbreiding
van taken nog meer verlegen zitten om adequate uitrusting. Deze leden waken ervoor
dat boa’s ook onder het nieuwe stelsel onvoldoende zijn uitgerust om hun werkzaamheden
veilig en naar behoren te kunnen uitvoeren. Zij vragen de Minister hoe wordt geborgd
dat boa’s in iedere situatie, onder iedere werkgever, beschikken de juiste uitrusting
met passende geweldsmiddelen, conform de aangenomen motie- Diederik van Dijk hierover
(Kamerstuk 36 395, nr. 14). Voorts vragen zij aandacht voor borging van een passende opleiding en toegang tot
noodzakelijke informatiesystemen (Kamerstuk 36 395, nr. 15). Welke instrumenten worden ingezet om te monitoren of het nieuwe stelsel daadwerkelijk
leidt tot minder handelingsverlegenheid en meer effectiviteit.
De leden van de SGP-fractie benadrukken dat uitbreiding van taken alleen verantwoord
is wanneer de randvoorwaarden op orde zijn. Deze leden vragen de Minister welke structurele
middelen beschikbaar worden gesteld voor opleiding, uitrusting, toezicht en beheer.
Hoe wordt voorkomen dat kwaliteitsverschillen tussen gemeenten ontstaan? Zij vragen
de Minister te bevestigen dat eerst deze randvoorwaarden worden gerealiseerd alvorens
het nieuwe boa-bestel volledig in werking treedt.
8. Vragen en opmerkingen vanuit de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben de brief «de buitengewoon opsporingsambtenaar een
professionele partner met een eigenstandige taak in de publieke ruimte» van de Minister
aandachtig gelezen. Deze leden hebben nog een aantal vragen.
De leden van de SP-fractie vinden het begrijpelijk dat er wordt gekeken naar het beleggen
van extra bevoegdheden bij de boa, maar willen bij voorbaat wel waarschuwen voor het
hellende vlak waarin bij capaciteitsproblemen bij de politie al snel wordt gekeken
of deze gaten moeten worden gevuld door de boa’s. Het blijft voor deze leden prioriteit
dat de politie voldoende middelen krijgt voor het invullen van haar primaire bevoegdheden.
Er zijn nog steeds grote tekorten bij de politie die op korte termijn moeten worden
ingevuld. Desalniettemin staan deze leden open voor het bezien waar een boa meer verantwoordelijkheden
zou kunnen krijgen ter versterking van de politie. Zij zijn het eens dat het zou helpen
als de bevoegdheden van de boa beter worden omschreven omdat dit beeld momenteel diffuus
is.
De leden van de SP-fractie hebben middels de motie-Van Nispen ook gevraagd om de boa
onderdeel te maken van de politieorganisatie om de samenwerking te versterken (Kamerstuk
36 395, nr. 8). De Minister geeft aan het te zien als onhaalbaar en niet wenselijk. Deze motie
is aangenomen en toch doet de Minister deze motie vrij eenvoudig van de hand. Op welke
manier is er zoals de Minister zelf zegt, onderzoek gedaan binnen het werkveld naar
het draagvlak? Waarom vindt de Minister dit zowel onwenselijk als onuitvoerbaar? Waarom
acht de Minister dat de maatschappelijke functie van de boa vervalt als het gecentraliseerd
wordt onder de politie? Waarom zou het niet mogelijk zijn boa’s te laten opleiden
tot politieagent? Is de Minister het met deze leden eens dat juist vanwege de onduidelijke
taakomschrijving van de boa zij nu soms in gevaarlijke situaties terechtkomen? Is
het niet vreemd om een aangenomen motie van de hand te doen omdat de Minister het
zelf niet wenselijk acht? Is de Minister zich bewust van het feit dat de wens van
de Kamer zwaarder weegt dan de eigen wens van de Minister?
De leden van de SP-fractie zijn voorstander van het idee om de huidige losse domeinlijsten
I, II en IV samen te voegen tot één domeinlijst. De boa wordt hiermee formeel bevoegd
handhavend op te treden voor het gehele hoofddomein, voor zover zich hier geen wet-
of regelgeving tegen verzet. Ook zijn deze leden voorstander van het idee om de Eerste
Hulp Bij Ongelukken (EHBO) onderdeel te laten zijn van de basisopleiding, zodat de
boa dit kan toepassen bij ongelukken of een reanimaties. Bij het tweede onderdeel
zien deze leden echter dat hiermee ook meer raakvlak bestaat met de medische hulpdiensten.
Op welke manier wordt via deze weg afgesproken welke onderdelen van de EHBO de boa
zal doen en op welke onderdelen de medische diensten? Nu deze onderdelen dichter bij
elkaar komen te liggen vinden deze leden het ook noodzakelijk dat de Minister nadenkt
over in hoeverre de samenwerking hiermee ook zal veranderen. Op welke manier gaat
dit gesprek plaatsvinden?
De leden van de SP-fractie constateren dat de Minister een nieuwe weg inslaat door
in uitzonderlijke omstandigheden boa’s ook uit te rusten met een wapenstok en pepperspray
en zij dus uitgerust worden met wapens. Deze leden hebben hier moeite mee. Aan de
ene kant tracht de Minister een meer eenduidig profiel te maken voor het beroep boa,
aan de andere kant kiest het er nu voor de boa’s onderling op twee verschillende manieren
uit te rusten (met of zonder wapenstok en pepperspray) en vervolgens is het ook nog
de taak van de boa om op geen enkele manier geweld te gebruiken en te de-escaleren.
Deze leden hebben begrip voor deze taakomschrijving, maar niet voor het feit dat zij
hiermee een soortgelijke uitrusting krijgen als de politie maar de Minister er expliciet
voor kiest om deze twee beroepen strikt gescheiden te houden. Deze leden waarschuwen
ervoor dat dit voor meer verwarring dan duidelijkheid zal zorgen. Ook denken zij dat
dit zal zorgen voor juist meer situaties waarin geweld wordt toegepast in plaats van
minder. Is de Minister het met deze leden eens dat twee verschillende uitrustingen
tot meer verwarring zal leiden? Waarom handhaaft de Minister, juist ook met deze expliciete
keuze in een andere uitrusting, het harde onderscheid tussen de boa en de politie?
Op welke manier wordt de boa getraind in het gebruik van deze extra middelen en in
hoeverre verschilt dit met de training van de politieagent hiervoor? Waarom wordt
gekozen voor een inwerkingtreding op 1 januari 2026, zonder enige invloed of tussenkomst
van de Kamer? Waarom wordt er gekozen voor hoge spoed zonder debat? Is de Minister
zich bewust van het feit dat het bewapenen van boa’s een gevoelige discussie is die
al jaren loopt en dat hierbij een zorgvuldige bespreking van de Kamer noodzakelijk
is?
II. Reactie van de Minister
Inleiding
De buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: boa) is een belangrijke partner binnen
de brede politiefunctie en een belangrijke partner in het veilig houden van bijvoorbeeld
onze wijken, het openbaar vervoer en de natuurgebieden. Mijn brief van 2 oktober 2025
getiteld: de buitengewoon opsporingsambtenaar – een professionele partner met een
eigenstandige taak in de publieke ruimte, bevat de ontwikkelrichting voor het boa-bestel
die recht doet aan de dagelijkse praktijk waarin de boa zijn belangrijke werk doet.
Met de aangekondigde beleidswijzigingen stel ik hen in staat om hun eigenstandige
taak adequaat te kunnen uitvoeren binnen de noodzakelijke waarborgen waarmee werken
binnen de politiefunctie omgeven is. Als Minister van Justitie en Veiligheid schep
ik, vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid, de kaders en randvoorwaarden. De daadwerkelijke
inzet en primaire verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de functie, blijft bij
de boa-werkgevers liggen.
De wijzigingen in het boa-bestel zijn betekenisvol en moeten zorgvuldig en stapsgewijs
worden doorgevoerd. Met een uitvoerings- en implementatieagenda wordt richting gegeven
aan de verdere professionalisering en versterking van het bestel. De verdere uitwerking
en implementatie van deze wijzigingen in het stelsel zullen, onder regie van mijn
departement, tijd en verdere afstemming met de (keten-) partners vragen. Ook moeten
de werkgevers en andere partners de tijd krijgen om de impact van de wijzigingen te
bepalen en hieraan te voldoen. Uitvoeringstoetsen en impactanalyses zullen dan ook
worden gedaan op het moment dat de aangekondigde richting verder is uitgewerkt. De
voorgestelde wijzigingen vergen in ieder geval op onderdelen een aanpassing van de
wet en daarnaast een aanpassing van lagere regelgeving. Dit alles kost tijd. Ik werk
stapsgewijs en streef ernaar om het nieuwe stelsel volledig ingevoerd en operationeel
te hebben in 2028.
Vragen vanuit de D66-fractie
Vraag 1:
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de zorgen en aandachtspunten
die door onder meer de Nederlandse Spoorwegen (NS) zijn ingebracht ten aanzien van
de herziening van het stelsel. De boa's van de NS worden regelmatig geconfronteerd
met strafbare feiten zoals mishandeling, diefstal en vernieling. De NS geeft aan dat
boa’s in dergelijke situaties geacht worden de-escalerend op te treden of een situatie
te stabiliseren, terwijl zij niet altijd beschikken over toereikende bevoegdheden
om dit veilig en effectief te doen. Deze leden vragen de Minister te reflecteren op
deze zorgen van de NS en vragen hoe de Minister acht te voorkomen dat boa's in deze
onhoudbare posities komen.
Antwoord op vraag 1:
Ik begrijp dat de NS zich zorgen maakt over hun boa’s en dat zij willen voorkomen
dat hun medewerkers in onhoudbare posities terechtkomen terwijl van hen verwacht wordt
dat zij in bepaalde situaties de-escalerend optreden of de situatie proberen te stabiliseren.
In mijn brief van 2 oktober jl. benoem ik dat de handelingsverlegenheid van boa’s
één van de knelpunten is van het huidige boa-bestel. Deze handelingsverlegenheid wordt
onder andere veroorzaakt door onduidelijke afbakening van bevoegdheden, incongruente
verwachtingen en onduidelijke afbakening met de politietaak. Om de handelingsverlegenheid
in onvoorziene situaties zo veel als mogelijk te beperken, ben ik voornemens om enkele
veranderingen door te voeren in de verantwoordelijkheden en de bevoegdheden van de
boa. Zo worden de domeinen I, II (groen en blauw) en IV samengevoegd. De huidige domeinindeling
werkt onduidelijkheid en inflexibiliteit in de hand, dat wordt hiermee grotendeels
opgelost. De boa uit het zogenoemde «hoofddomein I», waartoe de NS-boa’s zullen gaan
behoren, wordt hiermee voor alle strafbare feiten uit de samengevoegde domeinlijst
bevoegd, binnen de bestaande kaders wordt de handelingsverlegenheid zo ver als mogelijk
verkleind.
Daarnaast is besloten om de boa niet aanvullend bevoegd te maken voor het handhaven
van de openbare orde, dit blijft voorbehouden aan de politie. De boa kan echter wel
in situaties terechtkomen waarin de boa alsnog onverwacht wordt geconfronteerd met
een verdere escalatie of geweld tijdens de taakuitvoering. Van de boa wordt verwacht
deze situatie te de-escaleren, te herstellen, te beëindigen of tenminste te bevriezen.
Hiermee draagt de boa bij aan het tegengaan van overlast en het herstellen van de
rust voor een normale gang van het publieke leven.
De komende periode zal de verdere uitwerking gezamenlijk met de betrokken partners
nader worden uitgewerkt. De OV-sector zal hier dan ook bij betrokken worden.
Vraag 2:
Ook vragen deze leden hoe in de praktijk de balans wordt gehouden, zodat boa's voldoende
bevoegdheden hebben om adequaat in te grijpen bij strafbare situaties, maar tegelijkertijd
geborgd kan worden dat boa's zich niet begeven op het terrein van openbare-ordehandhaving.
Antwoord op vraag 2:
Het handhaven van de openbare orde is geen taak van de boa. De openbare orde wordt
uitsluitend door de politie gehandhaafd. De politie is de enige organisatie die hiervoor
over de benodigde doorzettingsmacht en -middelen beschikt. De boa werkzaam in de openbare
ruimte heeft een eigen taak binnen de politiefunctie en richt zich op het leefbaar
en veilig houden van de leefomgeving voor de burger. Dat doet de boa door preventief
optreden, het handhaven van de zogenoemde kleine norm en specifieke wet- en regelgeving.
Bij de uitwerking van de domeinlijst voor hoofddomein I wordt geïnventariseerd waar
hiaten in de opsporingsbevoegdheden, passend bij de taak van de boa, worden ervaren.
Uiteraard liggen de boa- en politietaak in het verlengde van elkaar. Ze hebben allebei
de autoriteit en bevoegdheid om handhavend op te treden. De taak van politie en boa
zijn zo veel als mogelijk complementair aan elkaar en de samenwerking tussen beiden
is gelijkwaardig, ieder vanuit een eigen expertise. In de afbakening met politie blijft
het uitgangspunt dat de boa zich niet mengt in of terugtrekt uit situaties die gekenmerkt
worden door grote gevaarzetting. Hiertoe maakt de boa altijd een inschatting van de
situatie op basis van zijn professionaliteit voordat er actie ondernomen wordt. De
politie beschikt voor dit soort situaties over doorzettingsmacht en -middelen en dat
blijft zo.
Vraag 3:
De leden van de D66-fractie hebben enkele vragen over de verantwoordelijkheidsverdeling
bij aanhoudingen. De NS heeft aangegeven zich zorgen te maken over mogelijke onduidelijkheid
en een verschuiving van verantwoordelijkheden als gevolg van de herziening van het
stelsel, met name rondom de afhandeling van aanhoudingen. De NS is bang dat door de
herziening van het stelsel de boa's een grotere verantwoordelijkheid krijgen in de
afhandeling van de aanhoudingen en hebben liever dat de boa's zo veel mogelijk in
de trein op of op het station aanwezig blijven. Daarom zou de NS graag bestaande samenwerkingsafspraken
tussen de NS en de politie rondom de afhandeling van aanhouding landelijk willen verankeren
en explicieter willen maken. Deze leden vragen of de Minister uiteen kan zetten hoe
in het hernieuwde boa-stelsel de verantwoordelijkheden bij aanhouding en de verdere
afhandeling daarvan precies zijn belegd tussen werkgevers van boa’s en de politie.
Antwoord op vraag 3:
Een van de doelen van de ontwikkelrichting is om de buitengewoon opsporingsambtenaar
zijn werk zelfstandiger te kunnen laten uitvoeren. Er wordt reeds vereist dat boa’s,
voor de toekenning van politiebevoegdheden en vrijheidsbeperkende middelen, moeten
voldoen aan de eis om verdachten zelf te kunnen aanhouden en overbrengen naar de plaats
van verhoor. Dit geldt dus eveneens voor de boa’s in dienst van de NS, die over politiebevoegdheden
en vrijheidsbeperkende middelen beschikken. Mijn brief van 2 oktober jl. brengt hier
geen verandering in. Het is zaak dat de boa-werkgever en de politie, in afstemming
met de bevoegde gezagen, afspraken maken over de samenwerking. Onderdeel hiervan is
dat er afspraken worden gemaakt over de ondersteuning van boa’s door politie in bijvoorbeeld
het geval van het vervoeren van arrestanten.
Voor deze samenwerkingsafspraken bestaan landelijke formats die door de boa werkgevers
en de politie als basis voor hun eigen afspraken worden genomen. De formats bieden
naast handvatten ook de ruimte om specifieke lokale prioriteiten, omstandigheden en
(on)mogelijkheden mee te nemen in het uiteindelijke handhavingsarrangement, veiligheidsplan
of soortgelijke overeenkomst met de lokale of regionale politie. Voor een organisatie
als de NS zullen deze samenwerkingsafspraken zoveel mogelijk landelijk ingevuld moeten
worden.
Vraag 4:
Daarnaast vragen deze leden hoe de Minister reflecteert op de zorgen van de NS en
of hij deze terecht acht.
Antwoord op vraag 4:
De betrokkenheid van de vele stakeholders, waaronder de Nederlandse Spoorwegen (NS),
bij de totstandkoming van de diepgaande beschouwing op het boa-bestel waardeer ik
zeer. Zoals ik ook in mijn brief heb aangegeven, hoop ik op eenzelfde betrokkenheid
bij de verdere uitwerking en implementatie van de ontwikkelrichtingen. In de brief
van de NS wordt expliciet aandacht gevraagd voor twee zorgen: 1) handelingsverlegenheid
en 2) de afhandeling van aanhoudingen. Met betrekking tot handelingsverlegenheid moet
ik constateren dat die in de kern inherent is aan een buitengewone opsporingsbevoegdheid.
Door het samenvoegen van de verschillende domeinlijsten tot één lijst voor hoofddomein
I minimaliseer ik de ervaren handelingsverlegenheid, maar deze volledig wegnemen kan
alleen door het toekennen van een algemene opsporingsbevoegdheid en die vind ik niet
proportioneel in relatie tot de rol en taak van de boa. Het aanhouden en overbrengen
van verdachten behoort nu ook al tot de taken van de boa. De boa-werkgever kan hierover
specifieke afspraken maken in het handhavingsarrangement, veiligheidsplan of soortgelijke
overeenkomsten met de lokale of regionale politie.
Vraag 5:
Ook vragen zij of de Minister het wenselijk acht om bestaande samenwerkingsafspraken
landelijk te verankeren en explicieter te maken.
Antwoord op vraag 5:
Een goede samenwerking tussen boa en politie is essentieel. Deze samenwerking is gelijkwaardig
en dient vorm te worden gegeven vanuit de eigen expertise, rol en taak. Samenwerkingsafspraken
tussen politie en boa’s worden onder andere vastgelegd in handhavingsarrangementen,
veiligheidsplannen of gelijksoortige samenwerkingsovereenkomsten. In deze afspraken
moet er ruimte zijn voor onder andere lokale omstandigheden of andere omstandigheden
die relevant zijn voor de samenwerking tussen de politie en de betreffende boa(-werkgever).
Daarbij merk ik op dat ook het OM, binnen het kader van opportuniteit en selectiviteit,
een rol heeft waar het gaat om de instroom van zaken.
Omdat hier (lokaal) maatwerk mogelijk moet zijn, vind ik het niet wenselijk om samenwerkingsafspraken
landelijk te verankeren of landelijk verder te expliciteren. Voor deze samenwerkingsafspraken
bestaan overigens wel landelijke formats die door de boa werkgevers en de politie
als basis voor hun eigen afspraken kunnen worden genomen.
Vraag 6:
De leden van de D66-fractie merken eveneens op dat er een pilot loopt waarin boa’s
in het domein openbare ruimte in enkele gemeenten de mogelijkheid krijgen om de strafbaarstelling
van seksuele intimidatie in het openbaar te handhaven (artikel 429ter Sr.). Omdat
de strafbaarstelling van seksuele intimidatie in het openbaar niet is opgenomen in
de domeinlijst van het hoofddomein, zijn boa's op dit moment niet automatisch bevoegd
tot opsporen van en het handhaven. Deze leden vragen op welke termijn de Minister
de bevoegdheid op gaat nemen in het hernieuwde boa-stelsel, binnen het hernieuwde
hoofddomein voor boa’s in de publieke ruimte?
Antwoord op vraag 6:
De pilot waarin boa’s in enkele gemeenten handhaven op seksuele intimidatie in het
openbaar loopt tot juli 2026. De evaluatie van de effectiviteit van de handhaving
op deze strafbaarstelling, inclusief in het kader van deze pilot, wordt in het voorjaar
van 2026 verwacht.
Na oplevering van de evaluatie worden de uitkomsten besproken in de stuurgroep van
de pilot en in de verschillende overlegstructuren van het boa-stelsel, zoals de Bestuurstafel
Boa en het Strategisch Beraad Veiligheid. Op basis daarvan zal ik beslissen of deze
bevoegdheid generiek wordt toegevoegd aan de domeinlijsten binnen het hernieuwde boa-stelsel.
Dit besluitvormingsproces vergt zorgvuldige afstemming met betrokken partijen en neemt
enige tijd in beslag.
Gelet daarop en om de opgedane kennis en expertise te borgen en te voorkomen dat de
handhaving op seksuele intimidatie na afloop van de pilot stilvalt, hebben de deelnemende
partijen het volgende afgesproken. Pilotgemeenten die dat wensen kunnen, in overleg
met het OM, de handhaving voortzetten totdat een besluit is genomen over de structurele
inrichting en over het toevoegen van deze bevoegdheid aan de domeinlijsten voor boa’s.
Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk na afronding van de pilot informeren over de uitkomsten
van de evaluatie en de vervolgstappen.
Vragen vanuit de VVD-fractie
Vraag 7:
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister vasthoudt aan een zeer strikte
lijn bij de toekenning van vuurwapens aan groene boa’s, terwijl wel wordt voorzien
in een verruiming van de mogelijkheden voor het dragen van pepperspray en de korte
wapenstok. Deze leden erkennen het belang van een terughoudende omgang met vuurwapens,
maar wijzen er tegelijkertijd op dat groene boa’s in het buitengebied steeds vaker
te maken krijgen met ondermijnende criminaliteit, afgelegen werkplekken en beperkte
directe politieback-up. Deze leden vragen de Minister hoe hij borgt dat groene boa’s
in de praktijk tijdig en adequaat worden uitgerust om hun veiligheid te waarborgen.
Antwoord op vraag 7:
Ik hecht er veel waarde aan dat boa’s veilig hun werk kunnen doen. Werkgevers van
boa’s kunnen op basis van de bevoegdheid en taak van hun boa’s, zoals vastgelegd in
de akte, aanspraak maken op geweldmiddelen, mits dit noodzakelijk is voor de uitvoering
van hun taak. In mijn brief over het boa-bestel van 2 oktober jl. staat dat het aanpassen
van de beleidsregels op het punt van de criteria voor de toekenning van geweldmiddelen
geldt als de eerste stap van de invoering van het nieuwe bestel. Het is de bedoeling
dat de vereiste noodzaak van een geweldmiddel wordt gekoppeld aan de bevoegdheden
en taak van de boa zoals deze is vastgelegd in de akte, in plaats van aan vastgelegde
situaties uit het verleden waarbij een geweldmiddel wenselijk was geweest. De bepaling
om met situaties en incidenten uit het verleden de noodzaak voor toekenning aan te
tonen («kan-bepaling») zal, zoals eerder toegezegd, komen te vervallen.
Boa’s uit Domein II, waaronder de groene boa’s, kunnen ook de beschikking krijgen
over een vuurwapen. Om aanspraak te maken op een vuurwapen dient onder meer te worden
vastgesteld dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheid
komt of kan komen te verkeren dat hij of anderen met onmiddellijk vuurwapengebruik
of onmiddellijke dreiging met een vuurwapen wordt geconfronteerd. Hiervan is bijvoorbeeld
sprake bij de handhaving van gewapende stroperij op basis van de Omgevingswet. Echter,
de handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd
bij de gedeputeerde staten van de Provincies. Enkel de personen die voor het handhaven
op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop
te handhaven en hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om deze
toezichthouders aan te wijzen voor deze taak, waarmee zij als boa ook bevoegd zijn
stroperij strafrechtelijk te handhaven. Dus naast door mij beëdigd te zijn als boa
dient de desbetreffende persoon tevens door gedeputeerde staten van de Provincie,
als bestuursorgaan belast met bevoegd inzake de handhaving van stroperij, te zijn
aangewezen als toezichthouder.
Indien de boa niet is aangewezen en daardoor niet bevoegd is om te handhaven op bijvoorbeeld
gewapende wildstroperij, dan kunnen deze feiten niet tot de taak van de boa behoren
en kan de boa niet op basis van deze feiten aanspraak maken op een vuurwapen, ook
al kan hij deze in de praktijk tegenkomen. De toekenning van geweldmiddelen is immers
gekoppeld aan de bevoegdheid en taak van de boa zoals deze zijn vastgelegd in de akte.
De boa is in dat geval niet bevoegd om handhavend op te treden en dient zich terug
te trekken uit de situatie en de politie in te schakelen.
Vraag 8:
Daarnaast vragen zij hem toe te lichten hoe wordt voorkomen dat de huidige strikte
voorwaarden voor vuurwapenbewapening in de praktijk leiden tot langdurige procedures
of feitelijke onbeschikbaarheid, juist in situaties waarin het risico structureel
verhoogd is.
Antwoord op vraag 8:
Om aanspraak te maken op een vuurwapen dient onder meer te worden vastgesteld dat
de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheid komt
te verkeren dat hij of anderen met onmiddellijk vuurwapengebruik of onmiddellijke
dreiging met een vuurwapen wordt geconfronteerd. Dit is afhankelijk van de feiten
waar de boa voor bevoegd is om op te handhaven zoals vastgelegd is in de akte. De
langdurige procedures zijn het gevolg geweest van een discussie over de bevoegdheid
van boa’s om handhavend op te mogen treden tegen bepaalde feiten. Deze discussie is
nu ten einde waardoor de aanvraagprocedures kunnen worden afgerond.
Daarnaast ben ik bezig met het aanpassen van de Beleidsregels boa op het punt van
de toekenningscriteria voor de geweldmiddelen. Op dit moment wordt er gewerkt aan
de laatste afstemming van de tekst voor de aangepaste beleidsregels met de betrokken
partijen. Het streven is om de nieuwe regeling in het eerste tertaal van 2026 te laten
ingaan. Voordat deze in werking zal treden zal deze worden gepubliceerd zodat deze
voor alle betrokkenen kenbaar is.
Het is de bedoeling van de wijziging van de beleidsregels dat de vereiste noodzaak
van een geweldmiddel wordt gekoppeld aan de bevoegdheden en taak van de boa zoals
deze is vastgelegd in de akte, in plaats van aan vastgelegde situaties uit het verleden
waarbij een geweldmiddel wenselijk was geweest. Daarbij zal de bepaling om met situaties
en incidenten uit het verleden de noodzaak voor toekenning aan te tonen («kan-bepaling»),
zoals eerder toegezegd, komen te vervallen. Daarnaast zal ook het vereiste worden
vastgelegd dat de boa ook daadwerkelijk bevoegd moet zijn om te handhaven op bepaalde
feiten om dit als taak te kunnen aandragen. Pas als het daadwerkelijk een taak van
de boa is, kan er op basis daarvan een geweldmiddel worden toegekend. De toekenning
van geweldmiddelen blijft geschieden op basis van een goede, adequate en veilige taakuitvoering.
Geweldmiddelen moeten conform de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee
en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie) worden ingezet.
Vraag 9:
De leden van de VVD-fractie constateren dat de voorgestelde herinrichting van het
boa-stelsel ertoe kan leiden dat in het openbaar vervoer (OV) taken verschuiven van
de politie naar OV-boa’s, terwijl daar geen structurele financiële middelen tegenover
lijken te staan. Hoe kijkt de Minister hiernaar?
Antwoord op vraag 9:
Er verschuiven geen politietaken naar de (OV-)boa op basis van de ontwikkelrichting
in de brief. Het samenvoegen van de bestaande domeinlijsten die de bevoegdheden van
boa’s bepalen tot één domeinlijst voor hoofddomein I maakt de (OV-)boa voor meer strafbare
feiten bevoegd en vermindert de handelingsverlegenheid, maar de daadwerkelijke inzet
van de (OV-)boa blijft aan de werkgever. Door de domeinlijsten samen te voegen wordt
de handelingsverlegenheid binnen de bestaande kaders verkleind, doordat de nu in drie
domeinen te handhaven feiten zijn samengevoegd in één domein. Daarnaast levert het
meer flexibiliteit in de inzet van personeel voor de werkgever op en biedt het ontwikkelkansen
en loopbaanperspectief voor de boa. De boa wordt hiermee formeel bevoegd handhavend
op te treden voor het gehele hoofddomein, voor zover zich hier geen wet- of regelgeving
tegen verzet. De werkgever bepaalt de daadwerkelijke dagelijkse inzet binnen de kaders
van dit domein, de taak van de boa, en de handhavingsafspraken met het gezag.
Vraag 10:
Is de Minister het met deze leden eens dat de veiligheid van de OV-boa voorop moet
staan bij het werk wat zij doen en hoe ziet de Minister zijn rol hierin?
Antwoord op vraag 10:
Ik ben het uiteraard met de leden van de VVD-fractie eens dat boa’s in brede zin op
een veilige manier hun taken moeten kunnen uitoefenen, dit geldt ook voor de OV-boa’s.
Uitgangspunt voor de doorontwikkeling van het boa-bestel is daarom het regelen van
bevoegdheden, uitrusting en andere randvoorwaarden voor een veilige en adequate taakuitvoering
van boa’s. Dit past bij mijn rol als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor het
boa-stelsel. Een veilige taakuitvoering door deze functionarissen berust echter niet
enkel op de randvoorwaarden die worden vastgelegd in het boa-bestel. Het is van belang
dat ook de werkgevers van boa’s en andere bewindspersonen zich blijven inzetten voor
een veilige taakuitvoering van deze functionarissen.
Vraag 11:
Deze leden vragen de Minister voorts hoe hij borgt dat de voorstellen niet leiden
tot een vermindering van de sociale veiligheid in het openbaar vervoer, doordat vervoerders
genoodzaakt worden keuzes te maken tussen toezicht, controle en andere veiligheidstaken,
en op welke wijze hij voorziet in structurele financiering en tijdige betrokkenheid
van concessieverleners en vervoerders bij de verdere uitwerking van de voorstellen,
mede gelet op de gevolgen voor concessie-eisen en bestaande afspraken.
Antwoord op vraag 11:
Zoals toegelicht in vraag 9 krijgen (OV-)boa’s geen extra taken op basis van de voorgestelde
ontwikkelrichting. De werkgever gaat over de inzet van de boa en kan op die manier
prioriteren. Concessieverleners en vervoerders worden – net als bij de totstandkoming
van de diepgaande beschouwing – betrokken via de zogenaamde werkgeverstafel domein
IV.
Als Minister van Justitie en Veiligheid ben ik verantwoordelijk voor het boa-stelsel
dat de wettelijke kaders en randvoorwaarden schept voor het aanstellen en inzetten
van boa’s. Met boa’s kunnen de werkgevers invulling geven aan hun eigen verantwoordelijkheid
op het gebied van (sociale) veiligheid. Zij staan dan ook zelf aan de lat voor het
dragen van de kosten voor de boa’s die bij hen in dienst zijn. Specifiek voor OV-bedrijven
geldt dus dat zij hiermee rekening dienen te houden in de tenders richting de concessieverleners.
Vraag 12:
De leden van de VVD-fractie hechten aan landelijke uniformiteit. Hoe beoordeelt de
Minister de werking van de landelijke formats voor handhavingsarrangementen in domein
I en II en in hoeverre worden deze in de praktijk ook daadwerkelijk uniform toegepast?
Antwoord op vraag 12:
De landelijke formats voor handhavingsarrangementen worden veelvuldig gebruikt als
basis voor lokale of regionale afspraken met de lokale of regionale politie. Dit is
ook de intentie van de formats. Het biedt naast handvatten ook ruimte om specifieke
lokale prioriteiten, omstandigheden en (on)mogelijkheden mee te nemen in het uiteindelijke
handhavingsarrangement.
Vraag 13:
Welke lessen zijn tot nu toe getrokken uit de toepassing van deze formats in de samenwerking
tussen boa’s en politie en hoe wordt voorkomen dat lokale of regionale verschillen
in invulling leiden tot ongelijke handhaving of onduidelijkheid?
Antwoord op vraag 13:
Navraag bij onder andere de VNG leert mij dat de formats van de handhavingsarrangementen
die bij mijn brief van 2 oktober jl. zaten positief zijn ontvangen en gebruikt worden
om de samenwerking op lokaal en regionaal niveau te versterken.
Vraag 14:
Hetzelfde geldt voor de uitrusting van boa’s. Hoe borgt de Minister uniformiteit en
te voorkomen dat er A-, en B-boa’s ontstaan?
Antwoord op vraag 14:
Uniformiteit van de uitrusting van de boa draagt bij aan het verkleinen van de handelingsverlegenheid
van de boa. Het is belangrijk dat de burger weet wat hij van de boa kan verwachten.
Het stellen van een standaarduitrusting met eventuele aanvullende uitrusting draagt
hieraan bij.
Echter, het boa-werkveld is zeer divers. Zowel als het gaat om de problematiek waar
de boa tegen optreedt als de wijze waarop de boa wordt ingezet door zijn werkgever.
Daar dient de uitrusting van de boa bij aan te sluiten. Zo kan de boa op de meest
adequate en veilige manier zijn werk doen. Zo past voor de groene boa in het veld
waarbij de opvolging bij escalatie door de politie beperkt mogelijk is een andere
uitrusting dan een gemeentelijke handhaver. Daarnaast bestaan er ook weer verschillen
tussen de verschillende werkgevers binnen hetzelfde domein, bijvoorbeeld in verschillende
gemeenten. De ene gemeente zal de boa’s anders willen inzetten dan de andere, al naar
gelang de problematiek en context die speelt binnen de betreffende gemeente. En daar
kan dan ook een andere uitrusting bij passen. Juist ook de ruimte voor deze diversiteit
zorgt ervoor dat de boa zo goed mogelijk kan worden ingezet.
Vraag 15:
Deze leden vragen voorts hoe wordt geborgd dat nieuwe keuzes binnen het boa-bestel
uitvoerbaar zijn voor gemeenten, provincies en andere werkgevers. Hoe wordt bij deze
keuzes rekening gehouden met de structurele krapte op de arbeidsmarkt, zowel bij de
politie als bij boa’s?
Antwoord op vraag 15:
Ik vind het belangrijk dat nieuwe keuzes in het boa-bestel worden gedragen door gemeenten,
provincies en andere werkgevers. Daarom zullen werkgevers – net als bij de totstandkoming
van de diepgaande beschouwing – in de concrete uitwerking hiervan worden meegenomen
door middel van bestuurs- en werkgeverstafels.
Uit arbeidsmarktonderzoek blijkt dat een functie als boa een aantrekkelijke optie
is voor mensen met interesse in het veiligheidsdomein. Daarbij liggen boa- en politiefuncties
meer in het verlengde van elkaar dan dat zij elkaar beconcurreren. Dat neemt niet
weg dat we, gelet op de (structurele) krapte op de arbeidsmarkt, zo goed mogelijk
met de beschikbare mensen moeten omgaan. De krapte op de arbeidsmarkt en de impact
op politie en boa-werkgevers is daarom met enige regelmaat onderwerp van gesprek in
het Landelijke Overleg Veiligheid en Politie (LOVP), het overleg dat ik heb met het
OM, de Regioburgemeesters, en de korpschef.
Vraag 16:
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de boa’s een belangrijke publieke
taak vervullen en dus ook de bescherming moeten genieten als zij te maken krijgen
met geweld en agressie. Ziet de Minister erop toe dat er van alle incidenten een melding
wordt gemaakt bij de werkgever en dat elke melding wordt omgezet in een aangifte?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 16:
Met de leden van de VVD ben ik van mening dat de boa’s een belangrijke publieke taak
vervullen én dat zij op een veilige manier hun taak moeten kunnen vervullen. Ik acht
het dan ook van het grootste belang dat er van incidenten altijd een interne melding
wordt gedaan en dat er in het geval van een strafbaar feit ook aangifte wordt gedaan
bij de politie. De boa vakbonden zijn hier ook alert op voor hun leden. Of en hoe
dit wordt geregeld valt onder de verantwoordelijkheid van de werkgever van de boa.
Na een aangifte gelden wel de Eenduidige Landelijke Afspraken, op basis waarvan een
aangifte met prioriteit door de politie wordt opgepakt. Daarnaast heeft mijn ministerie
in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een
handreiking uitgebracht voor de functie van adviseur-VPD (Veilig Publieke Dienstverlening),
die het proces van het doen van de interne melding en de aangifte bij de politie kan
verbeteren.
Vraag 17:
Hoe kan de Minister de werkgevers beter ondersteunen bij deze taak die zij hebben?
Antwoord op vraag 17:
De boa als volwaardig partner binnen de politiefunctie vereist eveneens professioneel
werkgeverschap. Daarom ga ik expliciet maken voor werkgevers waar zij aan moeten voldoen,
zodat dit voor alle werkgevers tot duidelijkheid leidt. Ik hecht eraan te benadrukken
dat veel werkgevers hier naar alle waarschijnlijkheid nu al grotendeels aan voldoen,
maar een professioneel boa-bestel vereist dat dergelijke kaders expliciet in wet-
en regelgeving worden vastgelegd.
Het werk van de boa kan een zware emotionele en psychische belasting voor de boa zelf
zijn. Daarom zal in ieder geval van de werkgever worden verlangd dat deze voorziet
in adequate ondersteuning, zoals begeleiding, coaching en indien nodig (psychische)
nazorg. Dit helpt verzuim te voorkomen en draagt bij aan professioneel en duurzaam
functioneren van de boa.
Vraag 18:
De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wat de gevolgen van deze wijziging
in het bestel zijn voor de samenwerking tussen de boa’s en de politie. Zijn huidige
belemmeringen in deze samenwerking nu makkelijker op te lossen, zoals bijvoorbeeld
de identiteits-check?
Antwoord op vraag 18:
Een goede samenwerking tussen de politie en boa, die als gelijkwaardige partners met
ieder een eigen expertise en rol en taak binnen de politiefunctie steeds vaker samenwerken
op het snijvlak van leefbaarheid en veiligheid, is van belang. Ondanks de verbeterslag
die de samenwerking tussen de boa en politie in de afgelopen jaren heeft doorgemaakt,
heb ik uiteraard oog voor de benodigde doorontwikkeling. In mijn brief van 2 oktober
jl. heb ik onder andere aangegeven dat ik voornemens ben als eis te stellen dat de
werkgever van de boa, in samenspraak met politie, zorgdraagt voor een handhavingsarrangement,
veiligheidsplan of gelijksoortige samenwerkingsovereenkomst, waarin afspraken met
onder andere de politie worden gemaakt over welke partij optreedt in bepaalde situaties
en de ondersteuning daarbij. Dit zorgt in elk geval voor een professionaliseringsslag
van de benodigde samenwerking van de betrokken partijen binnen het veiligheidsdomein.
Daarnaast moet de boa beschikken over een goede informatiepositie. Dit bestaat enerzijds
uit (het verbeteren van) het onderling uitwisselen van informatie tussen samenwerkingspartners.
Anderzijds zou de boa in staat moeten zijn om de identiteit van staande gehouden personen
die geen identiteitsbewijs bij zich dragen, waarbij onder als mogelijke oplossingsrichting
is gedefinieerd de boa eigenstandig toegang te geven tot systemen. Ik verwijs daarvoor
naar mijn antwoord op vraag 23.
Vraag 19:
De leden van de VVD-fractie vragen naar de stand van zaken van de motie-Michon van
23 september 2025 waarin het knelpunt van bevoegdheden op basis van de Omgevingswet
is geadresseerd (Kamerstuk 29 911, nr. 483).
Antwoord op vraag 19:
De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd
bij de gedeputeerde staten van de Provincies. Enkel de personen die voor het handhaven
op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop
te handhaven en hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om deze
toezichthouders aan te wijzen, waarmee zij als boa ook bevoegd zijn stroperij strafrechtelijk
te handhaven. Dus naast door mij beëdigd te zijn als boa dient de desbetreffende persoon
tevens door gedeputeerde staten van de Provincie, als bestuursorgaan belast met de
handhaving van stroperij, te zijn aangewezen als toezichthouder.
Ik heb, vanwege het belang dat ik hieraan hecht, de provinciebesturen hier via de
portefeuilehoudend gedeputeerde bij het IPO, expliciet op gewezen en zij zijn hier
actief mee aan de slag gegaan, zo blijkt uit navraag bij het IPO. Zo zijn provinciebestuurders
hierover de afgelopen maanden in de twee relevante commissies van het Interprovinciaal
Overleg (IPO) geïnformeerd. Het IPO heeft mijn ministerie laten weten dat provinciebestuurders
zich bewust zijn van de noodzaak voor een aanwijzing en de snelheid die in dat kader
gewenst is.
Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie
Vraag 20:
De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie zien het voornemen om de boa nadrukkelijk
te positioneren als professionele partner binnen de politiefunctie, met een eigen,
duidelijk afgebakende taak in de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Met
het tegengaan van de huidige versnippering van het boa-bestel en het verbreden van
bevoegdheden wordt naar het oordeel van deze leden handelingsverlegenheid tegengegaan.
Begrijpen deze leden het goed, dat er méér ruimte wordt gegeven aan boa’s om preventief
en proactief te handelen, terwijl de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde voorbehouden
blijft aan de politie.
Antwoord op vraag 20:
De handhaving van de rechtsorde valt uiteen in de handhaving van de openbare orde
en de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De handhaving van de openbare
orde blijft voorbehouden aan de politie. Binnen de strafrechtelijke handhaving van
de rechtsorde heeft de boa een taak op het voorkomen, opsporen en beëindigen van strafbare
feiten. Deze strafbare feiten staan nu nog opgesomd op de afzonderlijke domeinlijsten.
Deze zullen worden samengevoegd tot één domeinlijst voor hoofddomein I. Daarbij zal
worden geïnventariseerd waar hiaten in de opsporingsbevoegdheden, passend bij de taak
van de boa, worden ervaren.
Vraag 21:
Deze leden hebben kennisgenomen van de opvattingen van de Vereniging Nederlandse Gemeenten
(VNG) over het boa-stelsel en leiden graag de vraag door hoe de hulpverlenende taak
van handhavers wordt belegd.
Antwoord op vraag 21:
De boa uit hoofddomein I werkt in de publieke ruimte en komt regelmatig terecht in
situaties waar zorg- of (acute) hulpverlening noodzakelijk is. Toch heb ik besloten
om zorg- en acute hulpverlening geen formele taak van de boa te laten zijn. Hiervoor
zou de boa opgeleid moeten worden en te allen tijde beschikbaar moeten zijn. Omdat
de boa in hoofddomein I aanwezig is in de publieke ruimte, vind ik het wel belangrijk
om de boa beter te bekwamen voor de situaties waarin een beroep op hulpverlening wordt
gedaan of waarin hij of zij zich genoodzaakt voelt om hulp te verlenen. Dit wil ik
bereiken door Eerste Hulp Bij Ongelukken (EHBO) onderdeel te laten zijn van de basisopleiding,
zodat de boa dit kan toepassen bij ongelukken of een reanimatie. Ook moet de boa goed
op de hoogte zijn van het netwerk van verschillende hulpverleners in zijn werkgebied,
zodat hij als professional en vertegenwoordiger van de Staat de benodigde hulp kan
organiseren door het inschakelen van de juiste hulpdiensten.
Vraag 22:
De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie hebben nog de nodige vragen over de beschikbare
standaarduitrusting, de aanvullende uitrusting en de aanvullende geweldsmiddelen.
Deze leden zijn benieuwd naar de onder de afzonderlijke groepen boa’s levende opvattingen
over het voorgestelde boa-stelsel. Kan de Minister voorzien in een uiteenzetting hoe
over zijn voorstellen wordt gedacht?
Antwoord op vraag 22:
De diepgaande beschouwing op het boa-bestel is na intensief overleg met een brede
vertegenwoordiging van betrokken partijen, waaronder werkgevers (gemeenten, OV-bedrijven,
Omgevingsdiensten etc.), toezichthouders (politie en OM) en een vertegenwoordigers
van verschillende groepen boa’s tot stand gekomen. Daarbij is expliciet aandacht besteed
aan de uitrusting van de boa en de inzet van aanvullende geweldsmiddelen.
Breed wordt het belang onderschreven van professionalisering en een adequate basisuitrusting.
Ook bestaat brede consensus dat boa’s in de publieke ruimte primair de rol hebben
van zichtbare, aanspreekbare en lokaal verankerde handhavers van leefbaarheid. Tegelijkertijd
lopen de opvattingen over de uitrusting uiteen. Een deel van de betrokken partijen
ziet meerwaarde in de mogelijkheid om aanvullende geweldsmiddelen toe te kennen met
het oog op de veiligheid van de boa tijdens de taakuitvoering, terwijl andere partijen
terughoudender zijn vanwege zorgen over mogelijke escalatie. Er bestaat overeenstemming
over het belang van communicatie en de-escalatie door de boa.
Daarnaast is door werkgevers en boa’s gewezen op de behoefte aan meer flexibiliteit
binnen landelijke kaders, zodat bewapening kan worden afgestemd op lokale omstandigheden
en risicoprofielen. Deze inzichten zijn betrokken en liggen aan de basis van het besluit
om onderscheid te maken tussen een standaarduitrusting en de optionele aanvullende
uitrusting voor de boa in het nieuwe bestel.
Voor een uitgebreidere uiteenzetting van het doorlopen proces verwijs ik u naar de
meegezonden bijlagen bij de Kamerbrief van 2 oktober.
Vraag 23:
Het valt deze leden namelijk op dat vanuit meerdere groepen boa’s zorgen leven over
de extra toebedeelde taken, die niet of onvoldoende kunnen worden uitgevoerd met de
beschikbaar gestelde middelen, waarbij óók gedacht wordt aan het kunnen raadplegen
van databases met belangrijke en relevante informatie voor de boa-functie. Wordt aan
boa’s in de uitoefening van hun functie toegang verleend tot belangrijke, relevante
informatiesystemen, zo vragen deze leden.
Antwoord op vraag 23:
Ik vind het van belang dat de boa als volwaardig partner binnen de politiefunctie
zijn taak volledig, adequaat en veilig moet kunnen uitvoeren. Een voorwaarde daarvoor
is dat de boa beschikt over een goede informatiepositie. Mijn departement zet daarom
al geruime tijd in op verbetering van de informatiepositie van boa’s, specifieker
in identificatiesituaties van personen die geen identiteitsbewijs kunnen tonen. Onderdeel
daarvan is dat de Ministeries van JenV en IenW werken aan de toegang tot het rijbewijzenregister
voor publieke boa’s uit de domeinen I, II en IV, evenals voor private ov-boa’s uit
domein IV.
De Staatssecretaris van IenW heeft uw Kamer, mede namens mij, op 19 december jl. geïnformeerd
dat de nieuwe streefdatum voor inwerkingtreding van de ministeriële regeling 1 april
2026 is. De toegang voor boa’s in publieke dienst wordt daarmee gerealiseerd. De toegang
voor ov-boa’s in domein IV wordt naar verwachting medio 2026 gerealiseerd.
Daarnaast is uit gesprekken met werkgevers en andere relevante stakeholders, het rapport
«Handhaven in het OV», dat is uitgevoerd in opdracht van OV-NL, de brancheorganisatie
van openbaarvervoerbedrijven, en de gesprekken die gevoerd zijn binnen het kader van
de diepgaande beschouwing van het boa-bestel gebleken dat de toegang tot het Rijbewijzenregister
als een goede eerste stap wordt gezien, maar dat er meer benodigd is om die informatiepositie
aanzienlijk te verbeteren. Daarom is de afgelopen maanden, gezamenlijk met de instanties
die verantwoordelijk zijn voor de betreffende registers, verkend of en onder welke
voorwaarden boa’s toegang tot de Strafrechtketendatabank (SKDB) en de Basisvoorziening
Vreemdelingen (BVV) zouden kunnen verkrijgen ten behoeve van identificatie.
Uit de verkenningen blijkt dat er een gedeeld beeld bestaat over de problematiek en
het doel om tot een meer zelfstandige identiteitsvaststelling door boa’s te komen.
Momenteel worden met de partijen die verantwoordelijk zijn voor de SKDB, de juridische
en technische vraagstukken nader uitgewerkt, onder meer met behulp van het beleidskompas.
Ten aanzien van de BVV geldt dat toegang voor boa’s onder meer om een wetswijziging
vraagt. Deze wetswijziging en de beste inbedding hiervoor wordt door de Minister voor
Asiel en Migratie in samenspraak met mijn departement verkend.
Vraag 24:
Als expliciet voorbeeld noemen deze leden de NS. Naar deze leden begrijpen vindt de
NS zélf het onwenselijk om de taak toebedeeld te krijgen om arrestanten te vervoeren.
NS-boa’s zijn bedoeld om de veiligheid op stations en in de treinen te vergroten.
Het arrestantenvervoer betekent dat NS-boa’s minder aanwezig en beschikbaar zullen
zijn op hun primaire taak. Hoe ziet de Minister dit?
Antwoord op vraag 24:
Op basis van het besluit boa wordt reeds vereist dat boa’s, voor de toekenning van
politiebevoegdheden en vrijheidsbeperkende middelen, moeten voldoen aan het vereiste
dat de boa verdachten zelf verdachten moet kunnen aanhouden en moet kunnen overbrengen
naar de plaats van verhoor. Dit geldt dus eveneens voor de boa’s in dienst van de
NS, die over politiebevoegdheden en vrijheidsbeperkende middelen beschikken. Mijn
brief van 2 oktober jl. brengt hier geen verandering in. Het is zaak dat de boa-werkgever
en de politie, in afstemming met de bevoegde gezagen, afspraken maken over de samenwerking.
Onderdeel hiervan is dat er afspraken worden gemaakt over de ondersteuning van boa’s
door politie in bijvoorbeeld het geval van het vervoeren van arrestanten. Hoe deze
afspraken er in de praktijk uit zien is mede afhankelijk van factoren aan de zijde
van de boa-werkgever en lokale omstandigheden, o.a. aan de zijde van de politie.
Vraag 25:
Als wordt vastgehouden aan deze taaktoebedeling, kan de Minister aangeven welke standaarduitrusting,
aanvullende uitrusting en aanvullende middelen hiervoor aan NS-boa’s beschikbaar worden
gesteld en is vastgesteld dat deze uitrusting volstaat om deze extra taken uit te
voeren?
Antwoord op vraag 25:
Omdat de ontwikkelrichting zoals gecommuniceerd op 2 oktober jl. geen verandering
aanbrengt in de situatie die de NS omschrijft is er van het toekennen van aanvullende
middelen of aanvullende uitrusting binnen het kader van arrestantenvervoer geen sprake.
Het is reeds aan de werkgever, in dit geval de NS, om dit op een adequate manier voor
hun personeel te regelen.
Vraag 26:
Wat vindt de Minister van de oproep van NS om NS-boa’s een bevoegdheid toe te kennen
om in ernstige situaties de eerste maatregelen te kunnen nemen om escalatie te voorkomen
en de situatie «te bevriezen». Wat vindt de Minister ervan om de bestaande afspraken
tussen NS en de politie rondom arrestantenvervoer en de afhandeling van aanhouding
gerelateerde processen landelijk te verankeren en te expliciteren?
Antwoord op vraag 26:
Ik heb kennisgenomen van de wens van de NS om de boa de mogelijkheid te geven, situaties
te bevriezen zonder hen formeel bevoegd te maken voor het gepleegde strafbare feit.
Hierover hebben in het verleden al meerdere gesprekken plaatsgevonden met de NS, de
politie en het OM. Uitkomst van die gesprekken was dat voor de gevraagde bevriezing
bevoegdheid niet mogelijk is. Een boa dient bevoegd te zijn voor het gepleegde strafbare
feit om bijvoorbeeld gebruik te kunnen maken van zijn politiebevoegdheden en geweldmiddelen.
Is hij dat niet, handelt de boa als burger en mag hij zijn boa-bevoegdheden niet inzetten.
Daarnaast verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 24.
Vraag 27:
Herkent de Minister dit soort signalen en welke andere, vergelijkbare signalen heeft
de Minister ontvangen?
Antwoord op vraag 27:
De boa brief zoals op 2 oktober 2025 aan uw Kamer gezonden, is de uitkomst van een
langdurig traject samen met vertegenwoordigers van alle stakeholders. In dat traject
zijn vanzelfsprekend allerlei signalen en wensen naar voren gekomen die soms ook tegenstrijdig
aan elkaar waren. Deze signalen en wensen heb ik uiteindelijk allemaal gewogen en
op basis daarvan keuzes gemaakt om te komen tot een coherent nieuw stelsel dat zo
goed mogelijk functioneert voor het gehele boa veld. Hiermee heb ik dus niet aan alle
wensen en signalen kunnen voldoen.
Vraag 28:
Wat vindt de Minister ervan dat de NS zélf twijfels heeft en oproept om de herziening
van het boa-stelsel samen met boa-werkgevers vorm te geven. Is de Minister daartoe
bereid en zo ja, brengt hij de Kamer van de uitkomsten op de hoogte?
Antwoord op vraag 28:
Zoals eerder aangegeven heb ik de betrokkenheid van de verschillende stakeholders,
waaronder de NS, bij de totstandkoming van de diepgaande beschouwing zeer gewaardeerd
en hoop ik op eenzelfde betrokkenheid bij de verdere uitwerking van de ontwikkelrichting.
Uw Kamer wordt vanzelfsprekend over de uitkomsten daarvan geïnformeerd.
Vraag 29:
Ook over de aanvullende geweldsmiddelen bereiken de leden van de GroenLinks – PvdA-fractie
zorgelijke geluiden, bijvoorbeeld van de groene boa’s. De mate van agressie en geweld
waarmee groene boa’s de laatste jaren worden geconfronteerd is dusdanig, dat naar
het oordeel van deze leden onder strikte omstandigheden toekenning van een vuurwapen
moet worden overwogen. Van groene boa’s zélf horen deze leden dat de aanvraag en het
behoud van vuurwapens te ingewikkeld is, en in de procedure te weinig oog bestaat
voor de urgente knelpunten. Justis wordt als weigerachtig en niet consistent in de
beoordeling ervaren. Wat vindt de Minister van deze klacht en is hij bereid om samen
met vertegenwoordigers van groene boa’s te bezien hoe kan worden gekomen tot een genoegzame
procedure?
Antwoord op vraag 29:
In de Kamerbrief over de rol van de boa, die op 2 oktober jl. naar uw Kamer is gestuurd,
staat dat het aanpassen van de beleidsregels boa op het punt van de criteria voor
de toekenning van geweldmiddelen geldt als de eerste stap van de invoering van het
nieuwe bestel. Er is besloten om artikel 3.2 beleidsregels boa onder het kopje Criteria toekenning geweldsmiddelen opnieuw in te richten. Volgens de Regeling Wapens en Munitie (RWM) kunnen boa’s gedurende
hun dienstuitoefening een wapen en munitie voorhanden hebben indien en voor zolang
de noodzaak tot bewapening aannemelijk is. Onder deze aanpassing van de Beleidsregels
boa wordt beoogd om het aannemen van de noodzaak voor toekenning van geweldmiddelen
te koppelen aan de in de akte vastgelegde taak van de boa en niet meer te kijken naar
de daadwerkelijke inzet of situaties en incidenten uit het verleden. Hierbij wordt
aansluiting gezocht bij de situaties waarbij het gebruik van het geweldmiddel geoorloofd
is als bepaald in de Ambtsinstructie.
Op dit moment wordt er gewerkt aan de laatste afstemming van de tekst voor de aangepaste
beleidsregels met de betrokken partijen. Het streven is om de nieuwe regeling in het
eerste tertaal van 2026 te laten ingaan. Voordat deze in werking zal treden zal deze
worden gepubliceerd zodat deze voor alle betrokkenen kenbaar is. Het is de bedoeling
dat de bepaling om met situaties en incidenten uit het verleden de noodzaak voor toekenning
aan te tonen («kan-bepaling»), zoals eerder toegezegd, komt te vervallen. Daarnaast
zal ook het vereiste worden vastgelegd dat de boa ook daadwerkelijk bevoegd moet zijn
om te handhaven op bepaalde feiten om dit als taak te kunnen aandragen. Pas als het
daadwerkelijk een taak van de boa is dan kan er op basis van die taak ook een geweldmiddel
worden toegekend. De toekenning van geweldmiddelen blijft geschieden op basis van
een goede, adequate en veilige taakuitvoering. Geweldmiddelen kunnen conform de Ambtsinstructie
worden ingezet.
Vraag 30:
Deelt de Minister voorts de constatering vanuit de groene boa’s dat bij de overgang
van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet geen nieuw strafrechtelijk aanwijzingsbesluit
is genomen voor groene boa’s voor flora- en fauna-activiteiten, terwijl deze overtredingen
zich kwalificeren als economische delicten in de zin van artikel 17 van de Wet op
de economische delicten?
Antwoord op vraag 30:
De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd
bij de gedeputeerde staten van de Provincies. Enkel de personen die voor het handhaven
op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop
te handhaven en hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om deze
toezichthouders aan te wijzen, waarmee zij als boa ook bevoegd zijn stroperij strafrechtelijk
te handhaven. Dus naast door mij beëdigd te zijn als boa dient de desbetreffende persoon
tevens door gedeputeerde staten van de Provincie, als bestuursorgaan belast met de
handhaving van stroperij, te zijn aangewezen als toezichthouder. Ik verwijs u ook
naar het antwoord op de vraag 19.
Vraag 31:
De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie zijn benieuwd naar de wijze waarop het boa-werkgeverschap
wordt ingericht en welke eisen daaraan moeten worden gesteld. Verdere professionalisering
en afstemming met de politie wordt weliswaar positief beoordeeld, toch is het voor
deze leden de vraag of boa-werkgevers financieel en inhoudelijk voldoende in staat
worden gesteld om deze opdracht te vervullen. Het valt deze leden op dat er ook nu
al een groot tekort aan boa’s bestaat, zeker in het buitengebied.
Antwoord op vraag 31:
Zoals in de brief aangegeven zullen door het Ministerie van JenV eisen gesteld worden
aan het boa-werkgeverschap. Gedacht kan worden aan het borgen van de vakbekwaamheid
van de boa en diens optreden, een in te stellen klachtenprocedure voor de burger,
maar ook aan eisen in relatie tot informatiebeveiliging en gegevensverwerking bij
de werkgever. De uitwerking van de professionalisering van de boa-werkgever en de
haalbaarheid van de in te richten eisen zal te allen tijde in gezamenlijkheid met
het veld moeten worden bepaald, onder meer door samenwerking met de werkgeverstafel.
Alleen zo kan het boa-werkgeverschap optimaal worden ingericht. Zoals ook aangegeven
bij de beantwoording van vraag 17 zal het expliciteren van de eisen voorts leiden
tot duidelijkheid voor de werkgevers, met kaders in wet- en regelgeving.
Vraag 32:
Met de toenemende agressie valt te verwachten dat boa-werkgevers ook hun beleid op
sociale veiligheid moeten versterken. Zijn boa-werkgevers materieel in staat om effectief
beleid te voeren op het voorkomen en behandelen van bijvoorbeeld posttraumatische
stressstoornis bij hun boa’s?
Antwoord op vraag 32:
Primair is het beleid op sociale veiligheid de verantwoordelijkheid van de betreffende
boa-werkgever. Wel ben ik van mening dat de verschillende werkgevers handvatten moeten
worden aangereikt om hun rol zo goed mogelijk in te vullen. In opdracht van de Taskforce
Onze hulpverleners veilig1 is onderzocht hoe de psychosociale ondersteuning voor boa’s (in domein I) momenteel
geregeld is en wat nodig is om deze ondersteuning te verbeteren. Uit dit in augustus
2025 opgeleverde onderzoek van ARQ2 zijn aanbevelingen gedaan die benut kunnen worden. Een belangrijke aanbeveling is
het implementeren van de Richtlijn psychosociale ondersteuning binnen hoog-risico
beroepen uit 2024. Deze richtlijn biedt een kader voor psychosociale ondersteuning
in beroepen waarin de kans op ingrijpende gebeurtenissen hoog is. Werkgevers kunnen
zo preventie, opvang en nazorg rondom ingrijpende gebeurtenissen organiseren.
Vraag 33:
Hoe wordt gegarandeerd dat elke boa in beginsel op dezelfde beschermende structurele
maatregelen op preventie, begeleiding en nazorg kunnen rekenen, zoals van goed (overheids)werkgeverschap
verwacht mag worden?
Antwoord op vraag 33:
Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om de boa op genoemde punten te beschermen.
Wel kunnen vanuit het Ministerie van JenV werkgevers die behoefte hebben aan informatie
over mogelijke manieren om de maatregelen goed in te richten worden voorzien van informatie.
Eén van die manieren is het verwijzen naar de in de beantwoording van vraag 32 aangehaalde
Richtlijn psychosociale ondersteuning binnen hoog-risico beroepen uit 2024. Ook heeft
het ministerie samen met verschillende partners, waaronder gemeenten en het Ministerie
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, een handreiking ontwikkeld voor de
functie van adviseur-VPD3. Deze handreiking biedt decentrale overheden handvatten om een adviseur-VPD aan te
stellen en na te denken over diens taken, zoals bijvoorbeeld de ondersteuning bij
aangiften en de registratie van incidenten.
Vraag 34:
Krijgen boa-(overheids)werkgevers de financiële ruimte die nodig is om volwaardig
invulling te geven aan de boa-taak?
Antwoord op vraag 34:
Als Minister van Justitie en Veiligheid ben ik verantwoordelijk voor het boa-stelsel
dat de wettelijke kaders en randvoorwaarden schept voor het aanstellen en inzetten
van boa’s. Met boa’s kunnen de diverse werkgevers invulling geven aan hun eigen verantwoordelijkheid
op het gebied van veiligheid. Zij zijn dan ook zelf verantwoordelijk voor het dragen
van de kosten voor de boa’s die bij hen in dienst zijn. Vanuit het ministerie draag
ik wel bij aan deze kosten. Zo gaat er sinds 2023 € 13 mln. per jaar naar het gemeentefonds
en € 5,5 mln. per jaar naar een subsidieregeling voor groene boa’s.
Vraag 35:
De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van het
Samenwerkingsverband van decentrale OV-autoriteiten. Het samenwerkingsverband wil
duidelijkheid over de toekomstige inrichting van het toezicht, de juridische, organisatorische
en operationele gevolgen voor de OV-bedrijven en ProRail en de structurele financiering
van de vermoedelijk aanzienlijke kostenstijging die uit de voorstellen voortvloeit,
zodat de huidige capaciteit voor toezicht en controle behouden blijft. Deze leden
zien graag een stelsel breed uitgewerkte financiële onderbouwing bij de voorstellen,
zodat voorkomen wordt dat wijzigingen in het stelsel afbreuk doen aan de effectiviteit.
Antwoord op vraag 35:
Zoals geantwoord bij vraag 34 ben ik als Minister van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk
voor het boa-stelsel dat de wettelijke kaders en randvoorwaarden schept voor het aanstellen
en inzetten van boa’s. Met boa’s kunnen de diverse werkgevers invulling geven aan
hun eigen verantwoordelijkheid op het gebied van veiligheid. Zij zijn dan ook zelf
verantwoordelijk voor het dragen van de kosten voor de boa’s die bij hen in dienst
zijn. Bij de verdere uitwerking van het nieuwe stelsel zullen de werkgevers en andere
partners worden betrokken en zullen ook de financiële consequenties nader worden uitgediept.
Vraag 36:
De leden van de GroenLinks – PvdA-fractie vragen urgentie voor onafhankelijke klachtbehandeling.
Het boa-optreden kan diep in de persoonlijke levenssfeer ingrijpen en daarom moet,
zoals in een goed functionerende democratische rechtstaat gebruikelijk is, voorzien
zijn in een laagdrempelige klachtprocedure. Deze leden begrijpen uit de brief van
de Minister dat dit volledig wordt overgelaten aan de individuele boa-werkgever. De
werkgever, zo lezen deze leden, wordt verplicht tot actieve verantwoording richting
de toezichthouder en richting de Minister als verantwoordelijk Minister. Vindt de
Minister dat voldoende waarborg op onafhankelijke en transparante klachtbehandeling?
Moet toezicht, zeker als er (vuurwapen)geweld is toegepast, niet veel dwingender en
doortastender worden ingevuld?
Antwoord op vraag 36:
Het afhandelen van klachten ligt in eerste instantie bij de werkgever van de boa.
Dat is onder het huidige stelsel ook al het geval en in overeenstemming met andere
beroepsgroepen. Naast de klachtafhandeling door de werkgever is het ook mogelijk om
een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman. Het OM blijft ook in het nieuwe
stelsel het bevoegd gezag voor zover de boa van zijn strafrechtelijke bevoegdheid
of zijn daaraan gekoppelde geweldsbevoegdheid gebruik maakt. Het kan daardoor processen-verbaal
seponeren of strafrechtelijke vervolging instellen bij buitensporig geweld. Bij de
nadere uitwerking van het nieuwe toezichtstelsel zal hiermee rekening worden gehouden.
Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
Vraag 37:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij de signalen herkent dat groene
boa’s sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 in de uitvoeringspraktijk
door Justis als (gedeeltelijk) onbevoegd worden beschouwd voor de handhaving van flora-
en fauna-activiteiten. Deze leden vragen daarbij of de Minister erkent dat dit concrete
gevolgen heeft voor de toekenning en verlenging van geweldsmiddelen, waaronder het
dienstvuurwapen.
Antwoord op vraag 37:
Werkgevers van boa’s kunnen op basis van de bevoegdheid en taak van hun boa, zoals
vastgelegd in de akte, een verzoek doen tot toekenning van geweldmiddelen, mits dit
noodzakelijk is voor de uitvoering van de taak van de boa. Boa’s uit Domein II, waaronder
de groene boa’s, kunnen ook de beschikking krijgen over een vuurwapen. Om aanspraak
te maken op een vuurwapen dient onder meer te worden vastgesteld dat de boa bij de
uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheid komt te verkeren dat
hij of anderen met onmiddellijk vuurwapengebruik of onmiddellijke dreiging met een
vuurwapen wordt geconfronteerd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij de handhaving van
gewapende stroperij op basis van de Omgevingswet. Echter, de handhaving van gewapende
stroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd bij de gedeputeerde staten
van de Provincies. Enkel de personen die voor het handhaven op gewapende stroperij
zijn aangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop te handhaven en hebben
dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om deze toezichthouders aan te
wijzen, waarmee zij als boa ook bevoegd zijn stroperij strafrechtelijk te handhaven.
Ik verwijs hierbij tevens naar mijn antwoord op vraag 19.
Vraag 38:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe hij het risico beoordeelt dat groene
boa’s door deze ontstane rechtsonzekerheid feitelijk niet of slechts beperkt inzetbaar
zijn, terwijl zij in de praktijk wel verantwoordelijk blijven voor toezicht en handhaving
in het buitengebied.
Antwoord op vraag 38:
Indien de boa niet is aangewezen en daardoor niet bevoegd is om te handhaven op bijvoorbeeld
gewapende wildstroperij, dan kunnen deze feiten niet tot de taak van de boa behoren
en kan de boa niet op basis van deze feiten aanspraak maken op een vuurwapen. De boa
is zoals gezegd niet bevoegd en daarmee ook niet verantwoordelijk voor de handhaving.
Indien de boa toch een dergelijk feit constateert dient deze zich terug te trekken
uit de situatie en de politie in te schakelen.
Vraag 39:
Zij vragen daarnaast of de Minister de zorg deelt dat deze situatie afbreuk doet aan
de veiligheid van boa’s zelf, de effectiviteit van de handhaving en het vertrouwen
in de rechtspositie van boa’s.
Antwoord op vraag 39:
Indien de boa niet is aangewezen en daardoor niet bevoegd is om te handhaven op bijvoorbeeld
gewapende wildstroperij, dan kunnen deze feiten niet tot de taak van de boa behoren.
De boa is, zoals ook aangegeven bij vraag 38, niet bevoegd en ook niet verantwoordelijk
voor de handhaving, en dient zich terug te trekken uit de situatie en de politie in
te schakelen.
Vraag 40:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe de huidige uitvoeringspraktijk
bij Justis zich verhoudt tot de in de Kamerbrief over het nieuwe boa-bestel uitgesproken
ambitie van eenduidigheid, uniformiteit en voorspelbaarheid in bevoegdheden, uitrusting
en toezicht.
Antwoord op vraag 40:
De geschetste aanpassingen aan het boa-bestel zullen leiden tot veranderingen in de
uitvoeringspraktijk van de Dienst Justis. Consistentie en voorspelbaarheid zullen
daarbij belangrijke aandachtspunten blijven, zowel voor de beleidskaders als voor
de uitvoeringspraktijk.
Vraag 41:
Deze leden vragen in het bijzonder hoe wordt voorkomen dat verschillen in interpretatie
en uitvoering leiden tot handelingsverlegenheid en rechtsongelijkheid in de dagelijkse
praktijk van boa’s.
Antwoord op vraag 41:
Dienst Justis beoordeelt alle verzoeken op basis van de criteria die in de boa regelgeving
en de beleidsregels staan. Bij de oordeelsvorming wegen zij in de huidige situatie
de argumentatie van de werkgever en de adviezen van de direct toezichthouder (politie)
en de toezichthouder (OM) ten aanzien van de criteria. Hiermee wordt zoveel mogelijk
uniformiteit geborgd. In de nieuwe situatie worden de verzoeken nog altijd beoordeeld
op basis van de regelgeving en de beleidsregels, maar komt er meer nadruk te liggen
op de eigen beoordeling door Justis en de mogelijke nieuwe actoren in het toezicht.
Vraag 42:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke juridische grondslag Justis
het standpunt baseert dat voor de strafrechtelijke handhaving van Omgevingswet-feiten
door groene boa’s een afzonderlijke aanwijzing door gedeputeerde staten als toezichthouder
vereist is.
Antwoord op vraag 42:
De reguliere functie/taak van boa’s in domein II is het houden van toezicht op grond
van één of meer milieuwetten. Echter, de handhaving van gewapende stroperij, zoals
bedoeld in de Omgevingswet, is belegd bij de gedeputeerde staten van de Provincies.
Enkel de personen die voor het handhaven op gewapende stroperij zijn aangewezen door
gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop te handhaven en hebben dit daarmee als taak.
De provincies zijn dus aan zet om deze toezichthouders aan te wijzen, waarmee zij
als boa ook bevoegd zijn stroperij strafrechtelijk te handhaven. Dus naast door mij
beëdigd te zijn als boa dient de desbetreffende persoon tevens door gedeputeerde staten
van de Provincie, als bestuursorgaan belast met de handhaving van stroperij, te zijn
aangewezen als toezichthouder. Ik verwijs hierbij tevens naar mijn antwoord op vraag
19.
Vraag 43:
Deze leden vragen hoe dit standpunt zich verhoudt tot artikel 1:6 van de Algemene
wet bestuursrecht, waarin expliciet is bepaald dat de hoofdstukken over toezicht niet
van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Antwoord op vraag 43:
De opsporing van strafbare feiten door politie en boa’s geschiedt onder gezag en verantwoordelijkheid
van het OM en met inachtneming van de regels van het Wetboek van Strafvordering. Om
die reden is de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de opsporing van
strafbare feiten. Dit neemt niet weg dat een boa op grond van artikel 25 lid 1 van
het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar slechts opsporingsbevoegdheid mag inzetten
in de praktijk voor zover dat noodzakelijk is voor de goede uitoefening van de functie
en de daaraan gekoppelde taakomschrijving. Die noodzakelijkheid vloeit voort uit de
toezichtbevoegdheid van de werkgever (en daarmee de boa).
Vraag 44:
De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister de analyse deelt dat overtredingen
van de Omgevingswet kwalificeren als economische delicten en dat op grond van artikel
17 van de Wet op de economische delicten de Minister van Justitie en Veiligheid zelf
bevoegd is om boa’s met de opsporing daarvan te belasten.
Antwoord op vraag 44:
Artikel 17 van de Wet op de economische delicten geeft aan dat de door mij – in overeenstemming
met andere Ministers wie het aangaat – aangewezen ambtenaren met de opsporing van
economische delicten zijn belast. Ook hiervoor geldt dat boa’s op grond van artikel
17 WED weliswaar formeel bevoegd zijn tot opsporing van economische delicten, maar
niet tot taak hebben al deze delicten op te sporen (net zoals dat voor de onder Domein
II vallende wetten geldt). De totstandkomingsgeschiedenis van art. 17 WED bevestigt
dit. Ook voor economische delicten geldt dus dat boa’s in de praktijk slechts opsporingsbevoegdheid
mogen inzetten als dit nodig is voor hun functie en de daarbij horende taken. Die
functie/taak is het houden van toezicht op grond van één of meer milieuwetten. De
overtreding daarvan kan een (specifiek) economisch delict opleveren, ten aanzien waarvan
de boa dan opsporingsbevoegdheid kan inzetten. Omdat gedeputeerde staten als bestuursorgaan
belast zijn met de handhaving van stroperij, moet een boa-werkgever eerst door hen
zijn aangewezen voordat de boa hiervoor opsporingsbevoegdheid mag inzetten.
Vraag 45:
In dat licht vragen deze leden waarom bij de overgang van de Wet natuurbescherming
naar de Omgevingswet per 1 januari 2024 geen expliciet nieuw of herbevestigend aanwijzingsbesluit
is genomen, terwijl dit bij eerdere wetswijzigingen in 2002 en 2017 wel is gebeurd.
Antwoord op vraag 45:
Met het bij elkaar brengen van verschillende wetten naar de Omgevingswet is deze aanwijzing
voor gewapende stroperij een bijkomend vereiste geworden. De provincies, als bevoegd
gezag en regisseur van het groene domein, hebben daarmee de taak gekregen om expliciet
te benoemen wie er handhavend mag optreden in geval van gewapende stroperij. Hiermee
houden zij de regie in handen.
Vraag 46:
Voor zover de Minister van mening is dat een afzonderlijke provinciale aanwijzing
noodzakelijk is, vragen de leden van de CDA-fractie welke stappen hij zet om provincies
aan te sporen deze aanwijzingen met spoed te verrichten en hoe hij voorkomt dat hierdoor
rechtsongelijkheid tussen provincies ontstaat.
Antwoord op vraag 46:
Zoals ook staat aangegeven bij het antwoord op vraag 19 zijn de provincies aan zet
om de boa’s aan te wijzen. Ik heb, vanwege het belang dat ik hieraan hecht, de provincies
hier expliciet op gewezen en zij zijn hier actief mee aan de slag gegaan. Zo zijn
provinciebestuurders hierover de afgelopen maanden in de twee relevante commissies
van het Interprovinciaal Overleg (IPO) geïnformeerd. Het IPO heeft mijn ministerie
laten weten dat provinciebestuurders zich bewust zijn van de noodzaak voor een aanwijzing
en de snelheid die in dat kader gewenst is.
De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd
bij de gedeputeerde staten van de Provincies. Enkel de personen die voor het handhaven
op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop
te handhaven en hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om deze
toezichthouders aan te wijzen, waarmee zij als boa ook bevoegd zijn stroperij strafrechtelijk
te handhaven. Dit geldt in alle provincies hetzelfde. Er is daarmee geen sprake van
rechtsongelijkheid.
Vraag 47:
Deze leden vragen tevens wat deze interpretatie betekent voor groene boa’s die niet
in dienst zijn van provincies, maar van omgevingsdiensten.
Antwoord op vraag 47:
De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd
bij de gedeputeerde staten van de Provincies. Enkel de personen die voor het handhaven
op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop
te handhaven en hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om deze
toezichthouders aan te wijzen, waarmee zij als boa ook bevoegd zijn stroperij strafrechtelijk
te handhaven. Het is hiervoor niet noodzakelijk dat de boa in dienst is bij de provincie.
Gedeputeerde staten kunnen zelf bepalen welke boa’s of boa-organisaties zij daarvoor
wil aanwijzen.
Vraag 48:
De leden van de CDA-fractie vragen verder of de Minister bereid is om, vooruitlopend
op structurele wijzigingen in het kader van het nieuwe boa-bestel, op korte termijn
een tijdelijk of herbevestigend strafrechtelijk aanwijzingsbesluit te nemen met terugwerkende
kracht tot 1 januari 2024 om rechtsonzekerheid weg te nemen. Indien hij daartoe niet
bereid is, vragen zij welke concrete alternatieve maatregelen worden getroffen om
te voorkomen dat boa’s in de praktijk onbevoegd handelen of onvoldoende beschermd
hun werk moeten doen.
Antwoord op vraag 48:
Het huidige toezicht en handhaving rond stroperij is gebaseerd op de Omgevingswet.
De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd
bij de gedeputeerde staten van de Provincies. Enkel de personen die voor het handhaven
op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop
te handhaven en hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om deze
toezichthouders aan te wijzen, waarmee zij als boa ook bevoegd zijn stroperij strafrechtelijk
te handhaven. Ik heb, vanwege het belang dat ik aan een goede taakuitvoering hecht,
de provincies hier expliciet op gewezen. De provincies waarbij dit speelt zijn momenteel
de aanwijzingsbesluiten aan het vormgeven.
Indien de boa niet is of wordt aangewezen en daardoor niet bevoegd is om te handhaven
op gewapende wildstroperij, dan kunnen deze feiten niet tot de taak van de boa behoren.
De boa is in dat geval niet bevoegd en dient zich terug te trekken uit de situatie
en de politie in te schakelen.
Vraag 49:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij erkent dat de huidige onduidelijkheid
over bevoegdheden ertoe leidt dat aanvragen voor geweldsmiddelen, waaronder het dienstvuurwapen,
worden geweigerd of langdurig blijven liggen.
Antwoord op vraag 49:
Zoals benoemd in mijn antwoord op vraag 48, is de onduidelijkheid over de bevoegdheden
van de boa op het gebied van gewapende stroperij weggenomen. De ingediende aanvragen
voor geweldmiddelen worden nu in behandeling genomen en beoordeeld met dit advies
als uitgangspunt. De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet,
is belegd bij de gedeputeerde staten van de Provincies. Enkel de personen die voor
het handhaven op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerde staten zijn
bevoegd hierop te handhaven en hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus
aan zet om deze toezichthouders aan te wijzen, waarmee zij als boa ook bevoegd zijn
stroperij strafrechtelijk te handhaven. Indien de boa niet is aangewezen en daardoor
niet bevoegd is om te handhaven op bijvoorbeeld gewapende wildstroperij, dan kunnen
deze feiten niet tot de taak van de boa behoren en kan de boa niet op basis van deze
feiten aanspraak maken op een vuurwapen.
Vraag 50:
Deze leden vragen daarbij of de Minister bevestigt dat hierover inmiddels gerechtelijke
procedures lopen en dwangsommen zijn opgelegd.
Antwoord op vraag 50:
Als gevolg van de lange procedures vanwege de eerdere juridische onduidelijkheid rondom
de bevoegdheid, en daarmee de taak van boa’s op het gebied van handhaving van gewapende
stroperij, lopen er gerechtelijke procedures en er zijn dwangsommen opgelegd. Op dit
moment lopen er twee inhoudelijke gerechtelijke procedures. Er zijn eerder meerdere
inhoudelijke beroepen geweest en beroepen wegens niet tijdig beslissen. Er zijn ook
dwangsommen opgelegd. Nu deze juridische onduidelijkheid is weggenomen, zoals beschreven
in mijn antwoord op vraag 48, kan weer op de gangbare manier een besluit op een aanvraag
worden genomen.
Vraag 51:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu in het nieuwe boa-stelsel de verantwoordelijkheid
voor de uitrusting van boa’s primair bij de werkgever komt te liggen, of er een landelijk
beslissingskader beschikbaar is voor werkgevers.
Antwoord op vraag 51:
Werkgevers van boa’s kunnen op basis van de bevoegdheid en taak van hun boa, zoals
vastgelegd in de akte, een verzoek doen tot toekenning van geweldmiddelen. De afweging
over de inzet van de boa en de benodigde uitrusting om deze taakuitvoering adequaat
en veilig te kunnen doen, moet door de werkgever gemaakt worden op basis van de lokale
inzet en context waarin de boa zijn werk uitvoert. Deze wordt vervolgens getoetst
aan de criteria in de Beleidsregels BOA.
Vraag 52:
Zij vragen welke rol politie en Openbaar Ministerie hierin hebben, hoe de taakafbakening
is vormgegeven en hoe wordt voorkomen dat verschillen tussen werkgevers leiden tot
ongelijkheid in uitrusting en bescherming van boa’s.
Antwoord op vraag 52:
De boa werkzaam in de openbare ruimte heeft een eigen taak binnen de politiefunctie
en richt zich op het leefbaar en veilig houden van de leefomgeving voor de burger.
Dat doet de boa door preventief optreden, het handhaven van de zogenoemde kleine norm
en specifieke wet- en regelgeving. De boa beschikt hiervoor in het nieuwe stelsel
over een standaarduitrusting van handboeien en portofoon. Eventuele aanvullende uitrusting
kan enkel gebaseerd zijn op de taak van de boa en op de omstandigheden waarin hij
deze taak uitvoert. De aanvullende uitrusting kan bestaan uit (een keuze uit) een
bodycam, steek- of kogelwerend vest, korte wapenstok en pepperspray. Deze aanvullende
uitrusting heeft daarnaast als grondslag de boa te beschermen als hij onvoorzien (en
ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt. In de afbakening met politie
blijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat de boa zich terugtrekt uit én zich niet (proactief)
mengt in situaties die gekenmerkt worden door grote gevaarzetting. De politie beschikt
voor dit soort situaties over doorzettingsmacht en -middelen en dat blijft zo. Op
verzoek van de werkgever, op zijn kosten en onder zijn verantwoordelijkheid, kan ik
als Minister van Justitie en Veiligheid besluiten de geweldmiddelen, korte wapenstok
en pepperspray, toe te kennen. De aanvraag voor de aanvullende uitrusting wordt, namens
mij, getoetst door Dienst Justis.
Zoals ook aangegeven onder vraag 14 kent het boa-veld een grote diversiteit aan boa-werkgevers,
die allen andere context hebben. In het verlengde daarvan kan het zijn dat boa-werkgevers
verschil in uitrusting of bescherming wensen voor hun boa’s.
Vraag 53:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of het klopt dat de uitschuifbare wapenstok
in het nieuwe boa-stelsel niet terugkeert in de standaarduitrusting van boa’s, noch
in de aanvullende uitrusting.
Antwoord op vraag 53:
De uitschuifbare wapenstok zal deel blijven uitmaken van de (optionele) aanvullende
uitrusting van de boa. Echter zal, zoals ook nu het geval is, de boa in eerste instantie
worden uitgerust met de korte wapenstok en niet met de uitschuifbare wapenstok. De
uitschuifbare wapenstok is een veel zwaarder geweldmiddel (hoger letselpotentieel)
dan de korte wapenstok. De uitschuifbare wapenstok is alleen aan te vragen als de
boa in aanmerking komt voor het vuurwapen, het gaat daarbij dus om de groene boa.
Voor overige boa’s is alleen de korte wapenstok beschikbaar.
Vraag 54:
Deze leden vragen wat hiervoor de reden is en of boa’s alsnog een verzoek kunnen indienen
voor een uitschuifbare wapenstok. Indien dat mogelijk is, vragen zij welke criteria
daarbij worden gehanteerd.
Antwoord op vraag 54:
De uitschuifbare wapenstok is alleen toe te kennen aan groene boa’s. Zoals ook aangegeven
onder vraag 29 geldt de aanpassing van de beleidsregels op het punt van de toekenningscriteria
voor de geweldmiddelen als eerste stap van de invoering van het nieuwe bestel. Op
dit moment wordt er gewerkt aan de laatste afstemming van de tekst voor de aangepaste
beleidsregels met de betrokken partijen. Het streven is om de nieuwe regeling in het
eerste tertaal van 2026 te laten ingaan. Voordat deze in werking zal treden zal deze
worden gepubliceerd zodat deze voor alle betrokkenen kenbaar is.
Het is de bedoeling dat de vereiste noodzaak van een geweldmiddel wordt gekoppeld
aan de bevoegdheden en taak van de boa zoals deze is vastgelegd in de akte, in plaats
van aan vastgelegde situaties uit het verleden waarbij een geweldmiddel wenselijk
was geweest. De bepaling om met situaties en incidenten uit het verleden de noodzaak
voor toekenning aan te tonen («kan-bepaling») zal, zoals eerder toegezegd, komen te
vervallen. In de huidige Beleidsregels boa staan de criteria die op dit moment gelden
voor de toekenning van een uitschuifbare wapenstok.
Vraag 55:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister welke instructies of kaders hij aan
Justis geeft om te waarborgen dat aanvragen voor opsporingsakten en geweldsmiddelen
uniform, transparant en binnen redelijke termijnen worden afgehandeld, mede in het
licht van de aangekondigde wijzigingen in het nieuwe boa-bestel.
Antwoord op vraag 55:
De aanvraag voor een akte van opsporingsbevoegdheid of de aanvraag van geweldmiddelen
dienen in overeenstemming met het Besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar binnen
13 weken door Dienst Justis behandeld te worden. In ruim 95% van de gevallen gebeurt
dat ook. In sommige gevallen is er meer informatie nodig om tot een besluit te komen
waardoor de beslistermijn verlengt moet worden. Indien dat nodig is, wordt de aanvrager
daarover geïnformeerd. Daarnaast verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 40.
Vraag 56:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke wijze werkgevers en boa’s
momenteel worden geïnformeerd over hun rechtspositie onder de Omgevingswet en of hij
deze informatievoorziening toereikend acht, gelet op de signalen van onzekerheid en
uiteenlopende interpretaties in de praktijk.
Antwoord op vraag 56:
Zoals ook staat beschreven onder vraag 19 heb ik, vanwege het belang dat ik hieraan
hecht, de provincies expliciet gewezen op de vereiste aanwijzing voor boa’s voordat
zij handhavend kunnen optreden tegen gewapende stroperij zoals bedoeld in de Omgevingswet.
Zo zijn provinciebestuurders hierover de afgelopen maanden in de twee relevante commissies
van het Interprovinciaal Overleg (IPO) geïnformeerd. Zij zijn hier actief mee aan
de slag gegaan. Het IPO heeft mijn ministerie laten weten dat provinciebestuurders
zich bewust zijn van de noodzaak voor een aanwijzing en de snelheid die in dat kader
gewenst is. De boa-werkgever ontvangt indien van toepassing meer uitleg over de geldende
interpretatie. Daarnaast zijn de Toezichthouder (OM) en de Direct Toezichthouder (Politie)
bekend met de geldende interpretatie en wat dit inhoudt voor de aanvragen van geweldmiddelen,
in het bijzonder het vuurwapen.
Vraag 57:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu in het nieuwe boa-stelsel ook het
toezicht op de inzet van geweldsmiddelen primair bij de werkgever wordt belegd, of
hiervoor een landelijk beslissings- en toezichtskader bestaat.
Antwoord op vraag 57:
Met het verstrekken van geweldmiddelen aan de boa komt een grote verantwoordelijkheid
voor de werkgever. De aanwending van geweld door de boa raakt tenslotte de onaantastbaarheid
van het lichaam en de lichamelijke integriteit. Werkgevers zijn er primair voor verantwoordelijk
dat hun boa’s op een juiste manier in staat worden gesteld gebruik te maken van deze
bevoegdheid.
Het daadwerkelijk gebruik van deze bevoegdheid geschiedt onder gezag en verantwoordelijkheid
van het OM. De Ambtsinstructie is leidend bij de inzet van geweld(middelen). Op basis
van de Ambtsinstructie is de boa reeds verplicht een geweldsmelding te doen bij de
hulpofficier van Justitie. Daarnaast wordt voor het nieuwe bestel samen met werkgevers,
politie (huidige direct toezichthouder) en OM (huidig toezichthouder) verder uitgewerkt
welke aanvullende waarborgen rondom de afhandeling en beoordeling van geweldsinzet
ingeregeld moeten worden. Het is van belang dat de afhandeling en beoordeling van
de geweldsaanwendingen door boa’s door een neutrale partij zal worden gedaan.
Vraag 58:
Deze leden vragen hoe objectief en onafhankelijk toezicht wordt geborgd, welke rol
politie en Openbaar Ministerie hierbij hebben en hoe de taakafbakening tussen betrokken
partijen is geregeld.
Antwoord op vraag 58:
Ik ben voornemens om in het nieuwe boa-bestel een gelaagd toezichtstelsel te introduceren,
waarin de werkgever zelf intern toezicht voert, de branche intercollegiale toetsing
ontwikkelt en het Rijk systeemtoezicht uitoefent. Hierdoor ontstaat er een stevig,
toekomstbestendig en lerend toezichtstelsel, waarin ruimte is voor diversiteit, maatwerk,
professionele ontwikkeling en lerend vermogen. De precieze invulling hiervan wordt
nader uitgewerkt in de uitvoerings- en implementatieagenda. Het uitgangspunt is dat
de rol van politie en OM als direct toezichthouder en toezichthouder verdwijnt.
Het OM blijft ook in het nieuwe stelsel het bevoegd gezag voor zover de boa van zijn
strafrechtelijke bevoegdheid of zijn daaraan gekoppelde geweldsbevoegdheid gebruik
maakt. Het kan daardoor processen-verbaal seponeren of strafrechtelijke vervolging
instellen bij buitensporig geweld. Bij de nadere uitwerking van het nieuwe toezichtstelsel
zal hiermee rekening worden gehouden.
Vraag 59:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe de aansprakelijkheid van werkgevers
is geregeld bij onjuiste toewijzing van uitrusting aan boa’s en bij falend toezicht
op de inzet van geweldsmiddelen.
Antwoord op vraag 59:
De aansprakelijkheid voor de taakuitvoering door de boa ligt primair bij de werkgever.
Wanneer incidenten raken aan de werking van het boa-bestel ligt de verantwoordelijkheid
primair bij mij als Minister van Justitie en Veiligheid.
Vraag 60:
Deze leden vragen hoe deze aansprakelijkheid zich verhoudt tot de verantwoordelijkheid
van de overheid voor een veilig en zorgvuldig functionerend handhavingsstelsel.
Antwoord op vraag 60:
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 59.
Vraag 61:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij ermee bekend is dat de Politieacademie
door capaciteitstekorten niet in staat is tijdig de RTGB-certificering (Regeling Toetsing
Geweldsbeheersing Buitengewoon Opsporingsambtenaar) voor boa’s te faciliteren, waardoor
naar schatting circa 500 boa’s op een wachtlijst staan.
Antwoord op vraag 61:
Op basis van de RTGB is de Politieacademie wettelijk verantwoordelijk voor het samenstellen
van de RTGB-toetsen en de certificering van de RTGB-toetsers. Daarnaast heeft de Politieacademie
de afgelopen jaren telkens een groot deel van de boa’s getoetst. Dit deden zij op
basis van oude afspraken met boa werkgevers.
Door een terugloop in capaciteit heeft de Politieacademie in 2025 aangegeven minder
toetsen af kunnen nemen dan in voorgaande jaren. Wel heeft de Politieacademie aan
het eind van vorig jaar een inhaalslag weten te maken om zoveel mogelijk van de boa-werkgevers,
die de afgelopen jaren bij de Politieacademie toetsing hebben afgenomen, te helpen
hun boa’s alsnog getoetst te krijgen. Alle boa-werkgevers die tijdens deze inhaalslag
een beroep hebben gedaan op de Politieacademie hebben de gelegenheid gekregen om hun
boa’s alsnog te laten toetsen.
Vraag 62:
Deze leden vragen welke maatregelen de Minister neemt om te voorkomen dat boa’s door
deze capaciteitstekorten hun bevoegdheid om geweldmiddelen te gebruiken verliezen.
Antwoord op vraag 62:
Zie het antwoord op vraag 61. De Politieacademie heeft een inhaalslag gemaakt waardoor
de betreffende boa-werkgevers alsnog een beroep op de Politieacademie hebben kunnen
doen. Daarnaast wordt gewerkt aan een structurele oplossing om de RTGB-certificering
voor boa’s vorm te geven. Een werkgroep voor de herziening van de RTGB is in februari
van start gegaan.4
Vraag 63:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu het nieuwe boa-stelsel inzet van
boa’s buiten het eigen werkgeversgebied mogelijk maakt, wie in die situaties verantwoordelijk
is voor het toezicht op de taakuitvoering van deze boa’s.
Antwoord op vraag 63:
Het is aan de werkgevers om goede afspraken te maken over de verantwoordelijkheden
tijdens de taakuitvoering op elkaars gebied. Dit neemt niet weg dat de uitoefening
van de opsporings- en geweldsbevoegdheid altijd geschiedt onder gezag en verantwoordelijkheid
van het OM.
Vraag 64:
Deze leden vragen hoe dit toezicht is ingericht op de verschillende toezicht niveaus
en hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over verantwoordelijkheden en
aanspreekbaarheid.
Antwoord op vraag 64:
De precieze inrichting van het toezichtstelsel is een belangrijk onderdeel van de
uitvoerings- en implementatieagenda. Duidelijkheid over verantwoordelijkheden en aanspreekbaarheid
is uiteraard een vereiste in het nieuwe toezichtstelsel. Dit neemt, zoals gezegd,
niet weg dat de uitoefening van de opsporings- en geweldsbevoegdheid altijd geschiedt
onder gezag en verantwoordelijkheid van het OM.
Vraag 65:
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij bereid is de Kamer voorafgaand
aan het geplande commissiedebat over boa’s in februari 2026 schriftelijk te informeren
over de juridische duiding van deze problematiek, de gekozen oplossingsrichting en
de gevolgen daarvan voor de uitvoeringspraktijk.
Antwoord op vraag 65:
De oplossingsrichting en de gevolgen daarvan voor de uitvoeringspraktijk moeten –
in samenspraak met de uitvoeringspraktijk – uitgewerkt worden als onderdeel van de
implementatie- en uitvoeringsagenda. Zodra deze oplossingsrichtingen en de gevolgen
daarvan er zijn, zal ik deze delen met de Kamer. Dit moet zorgvuldig gebeuren en zal
dus nog enige tijd kosten.
Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractie
Vraag 66:
De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief van 6 oktober 2025 dat de boa
wél strafrecht mag afdwingen, maar géén openbare orde mag handhaven. Is het verstoren
van de openbare orde niet vaak een strafbaar feit?
Antwoord op vraag 66:
De handhaving van de openbare orde moet worden onderscheiden van de strafrechtelijke
handhaving van de rechtsorde. De handhaving van de openbare orde ziet op het bewaren
van orde en rust in de openbare ruimte en geschiedt onder gezag van de burgemeester.
Het handhaven van de openbare orde blijft aan de politie. Zij hebben hiervoor de doorzettingsmacht
en -middelen. Een verstoring van de openbare orde is vaak een APV-feit, maar gaat
in de praktijk vaak gepaard met het plegen van strafbare feiten uit het wetboek van
strafrecht, zoals vernieling.
Vraag 67:
Hoe kan een boa een strafbaar feit beëindigen (bijvoorbeeld baldadigheid, verstoring,
bedreiging), zonder feitelijk de openbare orde te handhaven? Waar ligt juridisch het
verschil? Is er een concrete grens?
Antwoord op vraag 67:
Zie antwoord op vraag 66.
Vraag 68:
De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief dat de boa zich in theorie moet
terugtrekken bij grote gevaarzetting. Afhankelijk van het beleid van de betreffende
gemeente kan een boa pepperspray, handboeien en/of een wapenstok hebben. Wanneer mag
een boa geweld gebruiken om een strafbaar feit te beëindigen, terwijl hij niet bevoegd
is om de orde te handhaven? Hoe valt dit te rijmen?
Antwoord op vraag 68:
In het nieuwe bestel zal de boa, binnen de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde,
op kunnen treden ter voorkoming, opsporing en beëindiging van strafbare feiten. De
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde gebeurt onder het gezag van de Officier
van Justitie. De te handhaven feiten zijn die feiten die aan de boa zijn toegekend
en staan opgenomen in de akte.
Uiteraard liggen de boa- en politietaak in het verlengde van elkaar. Ze hebben allebei
de autoriteit en bevoegdheid om handhavend op te treden. De taak van politie en boa
zijn zo veel als mogelijk complementair aan elkaar en de samenwerking tussen beiden
is gelijkwaardig, ieder vanuit een eigen expertise. In de afbakening met politie blijft
het uitgangspunt dat de boa zich niet mengt in of terugtrekt uit situaties die gekenmerkt
worden door grote gevaarzetting. Hiertoe maakt de boa altijd een inschatting van de
situatie op basis van zijn professionaliteit voordat er actie ondernomen wordt. De
politie beschikt voor dit soort situaties over doorzettingsmacht en -middelen en dat
blijft zo.
De strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is dus iets anders dan de handhaving
van de openbare orde, ook al gaat in de praktijk een verstoring van de openbare orde
vaak gepaard met het plegen van strafbare feiten. De boa zal altijd een inschatting
moeten maken of hij bevoegd is op te treden in de gegeven situatie. Indien de boa
bevoegd is om handhavend op te treden tegen het geconstateerde feit, dan kan de boa
dit doen met gebruikmaking van de aan hem voor dit feit toegekende bevoegdheden en
middelen mits dit gebeurt binnen de grenzen van de Ambtsinstructie.
Vraag 69:
De leden van de JA21-fractie constateren dat boa’s de afgelopen jaren steeds vaker
in benarde situaties terechtkomen, terwijl de politie op dat moment niet in de buurt
is. Dit hebben we bijvoorbeeld meermaals gezien tijdens het handhaven van coronamaatregelen.
Wat wordt het handelingskader van een boa als de dichtstbijzijnde politieagenten bijvoorbeeld
langer dan 15 minuten van de boa verwijderd zijn?
Antwoord op vraag 69:
Het handelingskader van een boa wordt bepaald door de geldende wet- en regelgeving
en de lokale werkafspraken met politie en het lokale gezag. Boa’s werken binnen lokale
veiligheidsafspraken, waarin onder meer is vastgelegd hoe wordt omgegaan met meldingen,
opschaling en samenwerking met de politie. Daarbij geldt als uitgangspunt dat boa’s
geen vervanging zijn van de politie bij gewelds- of hoog-risicosituaties.
In de afbakening met politie blijft het uitgangspunt dat de boa zich niet mengt in
of terugtrekt uit situaties die gekenmerkt worden door grote gevaarzetting. Hiertoe
maakt de boa altijd een inschatting van de situatie op basis van zijn professionaliteit
voordat er actie ondernomen wordt. De politie beschikt voor dit soort situaties over
doorzettingsmacht en -middelen en dat blijft zo.
Vraag 70:
In het verlengde hiervan: in gebieden met lage politiedichtheid en grote afstanden,
zoals natuur- en buitengebieden, moet de boa bij escalatie vaak langer zelf blijven
optreden voordat de politie arriveert. Welke minimale eisen gaat de Minister stellen
aan responstijden en politiebeschikbaarheid in handhavingsarrangementen, zodat boa’s
niet feitelijk worden gedwongen tot situaties waarvoor zij mogelijk niet binnen hun
taakomschrijving kunnen handelen of niet over de juiste verdedigingsmiddelen beschikken?
Antwoord op vraag 70:
Het ministerie hanteert geen generieke landelijke minimumnormen voor responstijden
of politiebeschikbaarheid in handhavingsarrangementen. Wel bestaat er een landelijk
format handhavingsarrangement voor zowel de huidige Domein I als Domein II boa’s.
De inzet en beschikbaarheid van politie is afhankelijk van lokale omstandigheden,
risico-inschattingen en prioritering.
In handhavingsarrangementen worden lokaal afspraken gemaakt over samenwerking, opschaling
en taakverdeling tussen boa’s en politie. Tevens kunnen er afspraken worden gemaakt
over hoe er in bepaalde situaties (gezamenlijk) wordt opgetreden, maar ook over wanneer
er niet wordt opgetreden. In het geval er onvoldoende zekerheid is over de beschikbaarheid
van de politie zal afgesproken kunnen worden niet handhavend op te treden door de
boa in gevallen van een situatie waarbij de boa niet over de juiste middelen beschikt.
De onmogelijkheid voor de boa om een beroep te doen op de politie is overigens een
van de aanvullende criteria in de Beleidsregels BOA bij de beoordeling of er sprake
is van noodzaak tot bewapening van een groene boa met een vuurwapen.
Het ministerie blijft inzetten op duidelijke rolafbakening, goede samenwerking met
de politie en passende randvoorwaarden, zodat boa’s hun werkzaamheden veilig kunnen
uitvoeren.
Vraag 71:
De leden van de JA21-fractie zien dat de formele bevoegdheid van de boa wordt verruimd
tot het gehele domein, maar dat de feitelijke inzet via regionale handhavingsarrangementen
wordt begrensd. Hoe wordt voorkomen dat boa’s opnieuw te maken krijgen met onduidelijkheid
en verschillen tussen regio’s over wat zij wel en niet mogen handhaven?
Antwoord op vraag 71:
De boa wordt juridisch bevoegd voor het gehele domein. Het is echter aan de werkgever
en het gezag om de feitelijke en dagelijkse inzet daarbinnen te bepalen. Dit leidt
niet tot handelingsverlegenheid, maar kan wel leiden tot verschillende accenten in
de prioriteiten tussen werkgevers. Dit is goed omdat de handhavingsproblematiek ook
per gemeente, regio of terrein kan verschillen.
Vraag 72:
Komt er een landelijk minimumkader of een leidraad die ervoor zorgt dat een boa in
vergelijkbare situaties overal dezelfde bevoegdheid kan toepassen?
Antwoord op vraag 72:
Alle boa’s in hoofddomein I zijn juridisch gezien bevoegd voor dezelfde strafbare
feiten. Het is daarbinnen aan de werkgever en het gezag om de dagelijkse prioriteiten
te bepalen en af te wegen of er een aanvraag ingediend moet worden voor aanvullende
uitrusting.
Vraag 73:
De leden van de JA21-fractie lezen dat uit pilots met de korte wapenstok blijkt dat
boa’s zich veiliger voelen en eerder bereid zijn om in complexe of spanningsvolle
situaties zelf op te treden, waardoor de druk op de politie afneemt. Dit draagt bij
aan de continuïteit van handhaving in de publieke ruimte, met name in gemeenten waar
de politiecapaciteit onder druk staat. Is het volgens de Minister juridisch mogelijk
om een objectief en automatisch toekenningsmechanisme te creëren waardoor boa’s in
gemeenten met structureel hoge incidentdruk en beperkte politiecapaciteit standaard
in aanmerking komen voor aanvullende geweldsmiddelen, zoals de korte wapenstok en/of
pepperspray?
Antwoord op vraag 73:
Eventuele aanvullende uitrusting kan enkel gebaseerd zijn op de taak van de boa en
op de omstandigheden waarin hij deze taak uitvoert. De aanvullende uitrusting kan
bestaan uit (een keuze uit) een bodycam, steek- of kogelwerend vest, korte wapenstok
en pepperspray. Deze aanvullende uitrusting heeft daarnaast als grondslag de boa te
beschermen als hij onvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt.
In de afbakening met politie blijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat de boa zich
terugtrekt uit én zich niet (proactief) mengt in situaties die gekenmerkt worden door
grote gevaarzetting. De politie beschikt voor dit soort situaties over doorzettingsmacht
en -middelen en dat blijft zo. Op verzoek van de werkgever, op zijn kosten en onder
zijn verantwoordelijkheid, kan ik als Minister van Justitie en Veiligheid besluiten
de geweldmiddelen, korte wapenstok en pepperspray, toe te kennen. Werkgevers van boa’s
kunnen enkel op basis van de bevoegdheid en taak van hun boa, zoals vastgelegd in
de akte, een verzoek doen tot toekenning van geweldmiddelen, mits dit noodzakelijk
is voor de uitvoering van hun taak. Het feit dat de politiecapaciteit onder druk staat
is niet een van de toekenningscriteria voor geweldmiddelen. De boa moet uitdrukkelijk
ook niet gezien worden als vervanging van de politie.
Vraag 74:
De leden van de JA21-fractie vragen waarom er boa’s zijn die meer betaald krijgen
dan politieagenten.
Antwoord op vraag 74:
Als Minister van Justitie en Veiligheid ga ik niet over de afspraken tussen boa en
werkgever met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van de boa. Boa’s vallen onder
de CAO van de eigen werkgever. Het is daarbinnen aan de werkgever om bijvoorbeeld
te bepalen in welke functieschaal de boa moet worden ingeschaald.
Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie
Vraag 75:
i. De leden van de BBB-fractie lezen dat uit de brief blijkt dat boa’s een steeds belangrijkere
rol vervullen in de handhaving van leefbaarheid en veiligheid in de publieke ruimte.
Zij zijn vaak het eerste aanspreekpunt voor burgers bij overlast, kleine criminaliteit
en het handhaven van specifieke regelgeving. De Minister onderkent dat boa’s een eigenstandige
positie innemen binnen de bredere politiefunctie, maar geen rol hebben in de handhaving
van de openbare orde, die exclusief bij de politie blijft. Tegelijkertijd constateert
de Minister dat het huidige stelsel onvoldoende duidelijk maakt wat nu precies van
boa’s wordt verwacht, zowel voor de boa zelf als voor burgers, gemeenten en ketenpartners.
ii. De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de doorontwikkeling van het boa-stelsel
er niet toe mag leiden dat boa’s de politie vervangen of aan de politie gelijk worden
gesteld, zonder dat zij daarvoor de middelen of de bevoegdheden van de politie hebben.
De politie heeft binnen de rechtsstaat een unieke positie, met als kerntaken de handhaving
van de openbare orde, de opsporing van strafbare feiten in volle breedte en de uitoefening
van het geweldsmonopolie. Deze taken zijn verbonden aan vergaande bevoegdheden, intensieve
opleiding en een zwaar verantwoordings- en toezichtskader, wat de politie fundamenteel
onderscheidt van boa’s.
iii. De leden van de BBB-fractie constateren dat de sterke toename van het aantal boa’s
in de afgelopen jaren grotendeels lijkt samen te hangen met de aanhoudende personeelstekorten
bij de politie. Gemeenten zien zich hierdoor genoodzaakt om zelfstandig capaciteit
te organiseren door meer boa’s in gemeentelijke dienst te nemen. Deze leden vragen
de Minister of hij deze analyse herkent en of hij deze ontwikkeling als wenselijk
beschouwt, mede in het licht van de lange termijninrichting van het veiligheidsbestel.
iv. De leden van de BBB-fractie constateren dat boa’s een andere rol vervullen. Boa’s
zijn aangesteld voor specifieke, afgebakende handhavingstaken, veelal gericht op leefbaarheid
en naleving van regelgeving. Juist deze begrenzing is de kracht van het boa-stelsel.
Wanneer boa’s structureel worden ingezet als vervanging van politiecapaciteit, ontstaat
taakvervaging en worden zij geconfronteerd met situaties waarvoor zij niet zijn toegerust
of bevoegd, met risico’s voor hun veiligheid, de rechtsbescherming van burgers en
het vertrouwen in de overheid.
v. De leden van de BBB-fractie geven aan dat zij een structurele verschuiving van politietaken
naar boa’s onwenselijk achten. Boa’s beschikken over beperktere bevoegdheden en zijn
niet toegerust voor het volledige palet aan taken dat hoort bij openbare ordehandhaving
en strafrechtelijke handhaving. De politie is, juist vanwege haar bredere bevoegdheden
en landelijke inzetbaarheid, effectiever en efficiënter in deze kerntaken. Deze leden
vragen de Minister of hij deze analyse deelt en of hij mogelijkheden ziet om prioriteit
te geven aan een groei van het aantal politieambtenaren in plaats van een verdere
uitbreiding van het aantal boa’s. Is hij bereid hierover in gesprek te treden met
gemeenten?
Antwoord op vraag 75:
Ik deel de analyse van de leden van de BBB dat de boa in de afgelopen jaren in sterke
mate is geprofessionaliseerd en een belangrijke rol speelt binnen de politiefunctie.
Daarbij hecht ik eraan te benadrukken dat de boa – binnen de politiefunctie – een
eigenstandige taak heeft die verschilt van de politietaak. Deze eigenstandige taak
richt zich op het leefbaar en veilig houden van de leefomgeving voor de burger. Leefbaar
en veilig wordt gedefinieerd als de mate waarin de fysieke en sociale omgeving als
schoon, heel, rustig en veilig wordt ervaren. Dat doet de boa door preventief optreden,
het handhaven van de zogenoemde kleine norm en specifieke wet- en regelgeving. Het
werk van de boa is dus sterk gericht op de normale gang van het publieke leven.
Uiteraard liggen de boa- en politietaak in het verlengde van elkaar. Ze hebben allebei
de autoriteit en bevoegdheid om handhavend op te treden. De taak van politie en boa
zijn zo veel als mogelijk complementair aan elkaar en de samenwerking tussen beiden
is gelijkwaardig, ieder vanuit een eigen expertise. Beide zijn onmisbaar binnen onze
politiefunctie en verdienen continue aandacht en ontwikkeling. Ik wens dan ook geen
prioriteit te geven aan de verdere uitbreiding van het aantal politieambtenaren ten
koste van of in plaats van het aantal boa’s, omdat de een niet méér waarde heeft voor
de politiefunctie dan de ander.
Vraag 76:
vi. De leden van de BBB-fractie constateren dat door de situatie dat boa’s steeds verder
in het domein van de politie terechtkomen, zij tegen grenzen aanlopen van wat zij
mogen en kunnen doen. Zo worden zij in het dagelijks werk geconfronteerd met situaties
waarin snel en adequaat optreden noodzakelijk is. Dit spanningsveld wordt versterkt
door de beperkte toegang tot relevante informatiesystemen, waardoor boa’s hun taken
niet altijd effectief of veilig kunnen uitvoeren. De Minister kondigt in de brief
aan te willen toewerken naar een herziening van het stelsel, onder meer door domeinen
samen te voegen, bevoegdheden overzichtelijker te maken en de juridische basis van
uitrusting en bewapening te versterken. Deze leden wachten deze stelselwijziging met
belangstelling af, maar willen nogmaals benadrukken dat het boa-stelsel geen vervanging
mag worden van de politie.
vii. De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de veiligheid van boa-personeel te allen
tijde voorop moet staan. In dat kader achten deze leden het van groot belang dat boa’s
beschikken over passende middelen om hun taken veilig en verantwoord te kunnen uitvoeren.
Bewapening van boa-ambtenaren vormt daarbij een cruciaal onderdeel. Deze leden verzoeken
de Minister toe te lichten op welke wijze en onder welke voorwaarden boa-ambtenaren
gebruik kunnen gaan maken van bewapening.
Antwoord op vraag 76:
Zie het antwoord op vraag 29.
Vraag 77:
viii. Ten aanzien van de informatievoorziening constateren de leden van de BBB-fractie dat
de Kamerbrief weinig concreet is. Hoewel de Minister erkent dat een beperkte informatiepositie
de effectiviteit van boa’s ondermijnt, blijft onduidelijk welke oplossingen daadwerkelijk
worden voorzien. Deze leden benadrukken dat, ongeacht de uiteindelijke taakafbakening
van boa’s, effectieve en veilige handhaving alleen mogelijk is wanneer boa’s beschikken
over adequate en actuele informatie. Zij zijn van mening dat boa’s voor de uitvoering
van hun taken toegang moeten hebben tot relevante informatiesystemen, vergelijkbaar
met die van de politie. Deze leden verzoeken de Minister hierop nader te reageren
en concreet aan te geven welke stappen worden gezet om de informatiepositie van boa’s
structureel te verbeteren.
Antwoord op vraag 77:
Ik ben het met de leden van de BBB-fractie eens dat een effectieve en veilige taakuitvoering
door boa’s alleen mogelijk is wanneer zij beschikken over relevante en actuele informatie
die benodigd is voor een adequate uitoefening van de boa-taak. Het is hierbij goed
om scherp te houden dat de politietaak en de boa-taak elkaar op vlakken overlappen,
maar niet één op één gelijk aan elkaar zijn. Daarbij merk ik op dat de informatievoorziening
aan boa’s niet één op één vergelijkbaar kan zijn met die van de politie, gelet op
verschillen in wettelijke taak, bevoegdheden en toepasselijk gegevensbeschermingsregime.
Over de informatievoorziening aan boa’s is in o.a. de beantwoording van vraag 17 nadere
toelichting gegeven.
Een concrete stap die hiervoor in de afgelopen maanden is gezet is de aanbieding van
voor toegang tot het Rijbewijzenregister benodigde wijzigingen van de ministeriële
Regeling en de algemene maatregel van bestuur (AMvB) ter internetconsultatie en voor
externe toetsing, onder andere aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) en de
Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Daarnaast heb ik verkend of en op welke wijze het mogelijk is om toegang voor boa’s
tot de Basisvoorziening Vreemdelingen en de Strafrechtketendatabank te realiseren.
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag 23. Uw Kamer zal periodiek over de
voortgang van deze verschillende trajecten, die gezamenlijk tot een verbeterde informatiepositie
van boa’s moeten leiden, worden geïnformeerd.
Vraag 78:
De leden van de BBB-fractie constateren dat in het huidige boa-bestel er zes verschillende
domeinen bestaan. Deze domeinstructuur heeft geleid tot een situatie waarin boa’s
vaak heel verschillende taken, bevoegdheden en specialisaties hebben. Het gaat om
de volgende zes domeinen:
• Domein I: Openbare Ruimte – dit is het grootste en meest zichtbare domein, met boa’s
die in steden en dorpen handhaven op overlast, kleine verstoringen, APV-regels en
leefbaarheid.
• Domein II: Milieu, Welzijn en Infrastructuur – een breed domein waarin zowel groene
boa’s (bijvoorbeeld boswachters, handhavers buitengebied) als grijze boa’s (omgevingsdiensten,
inspecties) werken.
• Domein III: Onderwijs (Leerplicht) – leerplichtambtenaren die toezicht houden op schoolbezoek
en handhaven op de Leerplichtwet.
• Domein IV: Openbaar Vervoer – boa’s in het OV, zoals bij NS, RET en andere vervoerders,
gericht op orde, vervoerbewijzen en veiligheid in voertuigen en stations.
• Domein V: Werk, Inkomen en Zorg – handhaving op socialezekerheidswetgeving, fraudebestrijding
en naleving van zorg- en inkomensregels.
• Domein VI: Overige specialistische opsporing – onder andere taken van CJIB-medewerkers
en andere zeer specialistische functies; hierover loopt op dit moment een apart WODC-traject.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister in de brief stelt dat de knelpunten
vooral spelen in de publieke ruimte, dus in domein I, de groene en blauwe boa’s binnen
domein II en de boa’s in het openbaar vervoer (domein IV). In die domeinen ervaren
boa’s dat de werkpraktijk onvoorspelbaar is, situaties snel kunnen escaleren en dat
een duidelijke taak- en bevoegdheidsafbakening essentieel is. De overige drie domeinen
kennen veel minder problemen. Deze boa’s werken in specialistische, minder onvoorspelbare
omgevingen, vaak met veel voorbereidingstijd en minder directe confrontatie. Daarom
kiest de Minister nadrukkelijk niet voor een volledige hervorming van het bestel,
maar voor een gerichte structuurwijziging waarbij de zes domeinen op een nieuwe manier
worden ingedeeld. In plaats van zes domeinen introduceert de Minister twee hoofddomeinen,
gebaseerd op de mate van onvoorspelbaarheid in het werk.
De leden van de BBB-fractie zijn kritisch over het voornemen om de bestaande zes boa-domeinen
samen te voegen tot twee bredere hoofddomeinen. Hoewel deze leden begrijpen dat de
Minister met deze samenvoeging meer overzicht en uitvoerbaarheid wil creëren, vrezen
zij dat deze koers onbedoeld leidt tot taakvervaging en een te algemene inzet van
boa’s. Door verschillende domeinen met uiteenlopende aard en context samen te brengen,
dreigt het onderscheid tussen specifieke handhavingstaken van boa’s en de kerntaken
van de politie verder te vervagen.
ix. De leden van de BBB-fractie stellen dat de kracht van het huidige stelsel juist ligt
in specialisatie binnen een domein. Door boa’s bredere en generiekere taken toe te
kennen, ontstaat het risico dat zij steeds vaker worden ingezet in situaties die qua
aard en complexiteit sterk lijken op politiewerk, zonder dat zij beschikken over dezelfde
bevoegdheden, opleiding en verantwoordelijkheidsstructuur. Kan de Minister toelichten
hoe hij gaat waarborgen dat juist de specialistische kennis binnen een domein gewaarborgd
blijft?
Antwoord op vraag 78:
Vanuit mijn verantwoordelijkheid als Minister van JenV ken ik de opsporingsbevoegdheid
toe en bepaal daarmee – door middel van de domeinlijsten – op welke strafbare feiten
de boa kan handhaven. In het nieuwe bestel wil de huidige domeinlijsten I, II en IV
samenvoegen tot één domeinlijst voor hoofddomein I. Daarmee is de boa bevoegd om op
meer strafbare feiten te handhaven. Waar de boa daadwerkelijk op handhaaft is niet
aan mij als Minister van JenV, maar aan de werkgever. Ik schep de randvoorwaarden
waarbinnen de taakuitvoering moet plaatsvinden, maar de werkgever gaat over het inzetbeleid
en daarmee de daadwerkelijke taakuitvoering. Het specialisme is daarbij dan ook geborgd
door de werkgever.
Vraag 79:
x. De leden van de BBB-fractie constateren dat een belangrijk onderdeel van de brief
de uitrusting van boa’s betreft. De Minister kondigt aan een standaarduitrusting in
te voeren voor alle boa’s in hoofddomein I, bestaande uit onder meer een portofoon,
handboeien en bepaalde politiebevoegdheden op grond van de Politiewet. Daarnaast wordt
voorzien in de mogelijkheid van aanvullende uitrusting, zoals een bodycam, steek-
of kogelwerend vest, een korte wapenstok en pepperspray. Voor alle boa’s geldt dat
deze middelen uitsluitend worden toegekend als aan «strikte voorwaarden» wordt voldaan.
Kan de Minister uiteenzetten wat onder deze strikte voorwaarden wordt verstaan?
Antwoord op vraag 79:
Eventuele aanvullende uitrusting kan enkel gebaseerd zijn op de taak van de boa en
op de omstandigheden waarin hij deze taak uitvoert. De aanvullende uitrusting kan
bestaan uit (een keuze uit) een bodycam, steek- of kogelwerend vest, korte wapenstok
en pepperspray. Deze aanvullende uitrusting heeft daarnaast als grondslag de boa te
beschermen als hij onvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt.
In de afbakening met politie blijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat de boa zich
terugtrekt uit én zich niet (proactief) mengt in situaties die gekenmerkt worden door
grote gevaarzetting. De politie beschikt voor dit soort situaties over doorzettingsmacht
en -middelen en dat blijft zo. Op verzoek van de werkgever, op zijn kosten en onder
zijn verantwoordelijkheid, kan ik als Minister van Justitie en Veiligheid besluiten
de geweldmiddelen, korte wapenstok en pepperspray, toe te kennen. Als een aanvraag
wordt gedaan om een boa uit te rusten met geweldmiddelen (als voldaan is aan alle
voorwaarden), dan is het van belang te beseffen dat dit een serieuze aangelegenheid
is. De boa heeft een opsporingsbevoegdheid en is bevoegd in de rechtmatige uitoefening
van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, eventueel
met toepassing van geweldmiddelen ten behoeve van een goede en veilige taakuitvoering.
Dit is een ingrijpende bevoegdheid die in het licht van de bescherming van grond-
en mensenrechten zorgvuldig gereguleerd is, en moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit,
subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid. De boa wordt net als politieagenten
en andere opsporingsambtenaren adequaat getraind in het gebruik van geweld en geweldmiddelen
en werkgevers zijn primair verantwoordelijk voor het juiste gebruik van deze bevoegdheid
door hun medewerkers, zoals vastgelegd in de Ambtsinstructie. De werkgever is verantwoordelijk
om bij een aanvraag af te wegen of het doel van een adequate en veilige taakuitvoering
ook op een minder ingrijpende manier kan worden bereikt dan met geweldmiddelen. Daarnaast
moet de werkgever zorgen voor passende nazorg bij het gebruik van pepperspray. Ook
stel ik onder andere eisen aan de fysieke en psychische gesteldheid van de boa, eisen
aan de werkgever zoals een centraal aanspreekpunt en dient er een handhavingsarrangement,
veiligheidsplan of gelijksoortige samenwerkingsovereenkomst te zijn waarin met de
politie en andere partners in het veiligheidsdomein afspraken zijn gemaakt over wie
in welke situatie en op welke wijze optreedt en de ondersteuning daarbij. Deze strikte
voorwaarden gelden voor de toekenning van de korte wapenstok en pepperspray. De criteria
waaraan wordt getoetst voor de toekenning van geweldmiddelen zijn vastgelegd in de
beleidsregels boa. Zoals ook in het antwoord bij vraag 29 staat genoemd wordt op dit
moment gewerkt aan de laatste afstemming van de tekst voor de aangepaste beleidsregels
met de betrokken partijen. Het streven is om de nieuwe regeling in het eerste tertaal
van 2026 te laten ingaan.
De andere in mijn brief genoemde aanvullende uitrustingsmiddelen, zoals de bodycam
of een steek- of kogelwerend vest, vallen niet onder de standaarduitrusting, maar
zijn zonder tussenkomst of toekenningseisen van mijn ministerie aanvullend in te zetten.
Vraag 80:
Welke concrete criteria worden gehanteerd bij de beoordeling of een boa in aanmerking
komt voor aanvullende uitrusting?
Antwoord op vraag 80:
De huidige toekenningscriteria of een boa in aanmerking komt voor geweldmiddelen zijn
opgenomen in de beleidsregels boa. Zoals ook aangegeven onder vraag 29 geldt de aanpassing
van de beleidsregels boa op het punt van de toekenningscriteria voor de geweldmiddelen
als eerste stap van de invoering van het nieuwe bestel. Op dit moment wordt gewerkt
aan het afstemmen van de aangepaste beleidsregels boa met de betrokken partijen. Het
streven is om de nieuwe regeling in het eerste tertaal van 2026 te laten ingaan. Voordat
deze in werking zal treden zal deze worden gepubliceerd zodat deze voor alle betrokkenen
kenbaar is.
Vraag 81:
Wie voert deze beoordeling uit en op basis van welke risico-inschatting?
Antwoord op vraag 81:
In beginsel neemt de Dienst Justis, gehoord de adviezen van de toezichthouder en de
direct toezichthouder, namens mij een besluit op de aanvraag. Het gaat daarbij niet
om een risico-inschatting maar om het besluit of de boa op basis van zijn bevoegdheden
en taak, zoals vastgelegd in de akte, aanspraak kan maken op een geweldmiddel op basis
van de criteria die hiervoor gelden.
Vraag 82:
Worden deze voorwaarden landelijk toegepast, of is er ruimte voor lokale interpretatie?
Antwoord op vraag 82:
Dit zijn landelijk geldende criteria.
Vraag 83:
xi. De leden van de BBB-fractie lezend dat voor de groene boa een uitzondering wordt gemaakt.
Groene boa’s zijn de enige categorie boa’s die onder zeer specifieke omstandigheden
in aanmerking kan komen voor het dragen van een vuurwapen. De Minister geeft aan dat
dit samenhangt met hun wettelijke taken in het buitengebied, waar sprake kan zijn
van een reële kans op confrontaties met gewapende stropers. Daarbij wordt genoemd
dat vuurwapentoekenning alleen mogelijk is wanneer de boa een wettelijke taak heeft
op het gebied van bijvoorbeeld stroperijbestrijding, wanneer de politie deze taak
niet (voldoende) kan overnemen en wanneer minder ingrijpende middelen onvoldoende
bescherming bieden. Kan de Minister verduidelijken hoe deze voorwaarden in de praktijk
worden getoetst?
Antwoord op vraag 83:
De boa hoofddomein I wordt niet uitgerust met zwaardere geweldmiddelen dan beschreven
in de Kamerbrief, omdat dit niet noodzakelijk en proportioneel is voor zijn taak.
Als enige uitzondering hierop kan enkel de zogenoemde groene boa op grond van zijn
taak en bevoegdheden onder strikte voorwaarden en in bepaalde situaties over geweldmiddelen
tot en met een vuurwapen beschikken. Hiervoor moet de boa de opsporing en handhaving
van wetgeving als taak hebben waarbij een redelijke verwachting bestaat dat hij bij
de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheid komt te verkeren,
dat hij of anderen met onmiddellijk vuurwapengebruik of onmiddellijke dreiging met
een vuurwapen wordt geconfronteerd. Daarnaast moet het bezwaarlijk of onmogelijk zijn
om voor deze taak een beroep te doen op de politie en geven minder ingrijpende maatregelen
onvoldoende bescherming. De boa-werkgever levert bij de aanvraag een taak-/functieomschrijving
aan en de werkgever geeft aan waarom hij het noodzakelijk vindt dat de boa wordt uitgerust
met geweldsmiddelen aan de hand van de gestelde criteria in de beleidsregels boa.5 Als de boa tot taak heeft om te handhaven op stroperijbestrijding dient hij daarvoor
te zijn aangewezen via een aanwijzingsbesluit/mandaat van de provincie (bevoegd gezag).
Deze aanwijzing moet bij de aanvraag worden aangeleverd en Justis toetst de juistheid
hiervan.
Justis toetst of uit de aanvraag en de door de werkgever aangeleverde informatie blijkt
dat een beroep op de politie niet altijd mogelijk is. Omstandigheden die hierbij een
rol kunnen spelen zijn onvoldoende dekking van het C2000 netwerk, personele onderbezetting
en prioritering bij de politie, lange aanrijtijden, gebiedsonbekendheid en moeilijke
bereikbaarheid van het gebied waarin de boa opereert.
Bij de beoordeling of minder ingrijpende middelen onvoldoende bescherming bieden is
de taakstelling van de boa leidend: bezien wordt welke geweldmiddelen, gelet op de
taken die de boa voor zijn werkgever moet uitvoeren en waartoe hij ook bevoegd is,
naar verwachting voldoende bescherming zullen bieden. Ook voorbeelden uit de concrete
praktijk kunnen bij deze beoordeling worden betrokken.
Vraag 84:
Wanneer is volgens de Minister sprake van een situatie waarin de politie een taak
niet adequaat kan overnemen?
Antwoord op vraag 84:
Als door de boa-werkgever is aangetoond dat een beroep op het politiebasisteam niet
altijd mogelijk is vanwege onderbezetting of prioritering, het werkgebied moeilijk
bereikbaar is voor de politie, de aanrijtijden langer zijn dan gebruikelijk of het
gebruik van het C2000 netwerk niet toereikend is in het buitengebied, dan kan er sprake
zijn van een situatie waarin de politie een taak niet adequaat kan overnemen.
Vraag 85:
Wie bepaalt dat minder ingrijpende middelen onvoldoende bescherming bieden, en op
basis van welke criteria?
Antwoord op vraag 85:
De beleidsregels boa geven geen nadere invulling of minder ingrijpende middelen adequate
bescherming bieden. Op dit moment neemt de Dienst Justis, gehoord de adviezen van
de Toezichthouder (OM) en de Direct Toezichthouder (Politie), namens mij een besluit
op de aanvraag waarbij een afweging wordt gemaakt met betrekking tot dit criterium.
In de nieuwe situatie worden de verzoeken nog altijd beoordeeld op basis van de regelgeving
en de beleidsregels.
Vraag 86:
Hoe wordt voorkomen dat deze voorwaarden zo strikt worden uitgelegd dat vuurwapentoekenning
in de praktijk alsnog vrijwel onmogelijk blijft, zoals nu het geval is?
Antwoord op vraag 86:
Zoals uiteengezet onder vraag 29 staat in de Kamerbrief over de rol van de boa, die
op 2 oktober naar uw Kamer is gestuurd, dat het aanpassen van de Beleidsregels boa
op het punt van de criteria voor de toekenning van geweldmiddelen geldt als de eerste
stap van de invoering van het nieuwe bestel.
Vragen en opmerkingen vanuit de SGP-fractie
Vraag 87:
De leden van de SGP-fractie lezen dat boa’s in het nieuwe bestel nadrukkelijker worden
gepositioneerd als professionele partner binnen de handhavingsketen. Deze leden vragen
de Minister hoe wordt geborgd dat deze professionalisering gepaard gaat met een duidelijke
en eenduidige werkgeversverantwoordelijkheid, met name bij gemeenten.
Antwoord op vraag 87:
In het nieuwe boa-bestel zal de boa inderdaad nog meer worden gepositioneerd als professionele
partner binnen de handhavingsketen. Ik ben het met de leden van de SGP eens dat duidelijke
en eenduidige werkgeversverantwoordelijkheid hierbij belangrijk is. Met de ontwikkeling
van het boa-bestel zal daarom aandacht worden besteed aan het professionaliseren van
het werkgeverschap, onder andere door het stellen van duidelijke en eenduidige eisen
aan dit werkgeverschap. Werkgevers, zo ook de gemeenten, zullen betrokken worden bij
de uitwerking van dit onderdeel van het boa-bestel.
Vraag 88:
De leden van de SGP-fractie constateren dat boa’s, net als andere hulpverleners met
een publieke taak, in toenemende mate te maken krijgen met agressie en geweld. Deze
leden vragen de Minister hoe wordt gewaarborgd dat gemeenten hun verantwoordelijkheid
nemen op het gebied van preventie, nazorg, begeleiding bij aangifte en juridische
ondersteuning.
Antwoord op vraag 88:
Het is helaas zo dat boa’s en andere hulpverleners met een publieke taak in toenemende
mate te maken krijgen met agressie en geweld. Om de gemeenten te helpen om hun verantwoordelijkheid
te nemen, heb ik, zoals ook genoemd bij de beantwoording van vraag 33, samen met verschillende
partners, waaronder gemeenten en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
een handreiking ontwikkeld voor de functie van adviseur-VPD (Veilige Publieke Dienstverlening).
Deze persoon kan naar goed voorbeeld van onder andere de gemeente Nijmegen adviseren
hoe het beleid op het gebied van preventie, nazorg, begeleiding bij aangifte en juridische
ondersteuning vorm kan krijgen. Ook kan de invulling zorgen dat deze adviseur, naar
voorbeeld van onder andere de gemeente Tilburg, de aangifte zelf begeleidt.
Vraag 89:
Tevens vragen zij hoe wordt voorkomen dat verschillen tussen gemeenten leiden tot
ongelijke bescherming en ondersteuning van boa’s.
Antwoord op vraag 89:
De werkgever is in beginsel zelf verantwoordelijk voor preventie en nazorg en de begeleiding
bij aangifte en juridische ondersteuning van de boa. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk
dat alle boa’s een gelijke mate van bescherming en ondersteuning geboden wordt. Daarom
zal ik, zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 88, de Richtlijn psychosociale ondersteuning binnen hoog-risico beroepen uit 2024 breed onder de aandacht brengen, net als de handreiking voor het instellen
van de functie van adviseur-VPD. Dit biedt gemeenten handvatten om op de genoemde
onderwerpen eenduidige en gelijke processen in te richten.
Vraag 90:
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat er geen landelijk uniform registratiesysteem
bestaat voor agressie en geweld tegen hulpverleners, waaronder boa’s. Deze leden vragen
de Minister of hij bereid is te komen tot één landelijk en verplicht registratiesysteem
en zo ja, op welke termijn en onder welke regie dit gerealiseerd wordt.
Antwoord op vraag 90:
Het registreren van incidenten is een verantwoordelijkheid van de werkgever. Deze
verantwoordelijkheid wordt niet overgenomen door het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Vraag 91:
De leden van de SGP-fractie vragen expliciet aandacht voor boa’s die werkzaam zijn
bij niet-gemeentelijke werkgevers, zoals particuliere terreinbeherende organisaties.
Deze leden vragen de Minister hoe wordt geborgd dat ook deze boa’s kunnen rekenen
op een gelijkwaardige rechtspositie en bescherming.
Antwoord op vraag 91:
Het boa-bestel geldt voor alle boa’s ongeacht waar deze werkzaam zijn.
Vraag 92:
Voorts vragen zij aandacht voor de complexiteit van het stelsel. Hoe wordt voor gemeenten
duidelijk welke werkgevers er in de gemeente boa’s inzetten, met welk doel en vindt
hierbij de juiste afstemming plaats met de gemeente?
Antwoord op vraag 92:
De verantwoordelijkheid voor de inzet van boa’s ligt primair bij de werkgever. Gemeenten
hebben daarbij vanuit hun rol als lokaal gezag en regisseur van de openbare orde zicht
op de handhavingsactiviteiten binnen hun grondgebied.
In de praktijk vindt afstemming plaats via lokale veiligheidsstructuren, zoals driehoeken,
handhavingsarrangementen en overlegvormen tussen gemeente, politie en andere handhavende
partijen.
Vraag 93:
De leden van de SGP-fractie constateren dat de aangifteketen bij geweld tegen hulpverleners
versnipperd en onoverzichtelijk is. Deze leden vragen de Minister hoe de aangifteketen
voor geweld tegen boa’s wordt vereenvoudigd en geharmoniseerd.
Antwoord op vraag 93:
Boa’s vervullen een publieke taak en vallen daarmee onder de Eenduidige Landelijke
Afspraken (ELA). Hierin is onder andere afgesproken dat aangiften van agressie en
geweld tegen hen altijd en met prioriteit worden opgepakt.
Op dit moment wordt gewerkt aan de herziening van de ELA, waarbij ook de versterking
van het aangifteproces wordt meegenomen. Bekeken wordt waar het aangifteproces mogelijk
vereenvoudigd en geüniformeerd kan worden, bijvoorbeeld met behulp van digitalisering.
Daarnaast besteedt de politie doorlopend aandacht aan de afspraken in de ELA in interne
communicatie gericht op de medewerkers die meldingen en aangiften opnemen.
Vraag 94:
Zij vragen of de Minister bereid is landelijke afspraken te maken met politie en Openbaar
Ministerie over de prioritering en afhandeling van zaken waarin boa’s slachtoffer
zijn van geweld.
Antwoord op vraag 94:
Er bestaan reeds landelijke afspraken voor de aanpak van geweld en agressie tegen
personen met een publieke taak, namelijk de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA).
Dit zijn afspraken tussen politie en OM over de opsporing en vervolging van gepleegde
strafbare feiten tegen personen met een publieke taak. Het doel van de ELA is een
eenduidige, effectieve en snelle behandeling en afhandeling van delicten met agressie
en geweld tegen functionarissen met een publieke taak door de politie en het OM.
Boa’s vervullen een publieke taak en vallen daarmee ook onder de ELA. Binnen de ELA
wordt geen onderscheid gemaakt tussen beroepsgroepen, alle beroepen zijn gelijkwaardig
belangrijk binnen hun publieke rol. Om deze reden zullen er dan ook geen aparte landelijke
afspraken gemaakt worden voor enkel de boa’s.
Vraag 95:
Zij vragen de Minister hoe wordt geborgd dat geweld tegen boa’s daadwerkelijk leidt
tot zichtbare en consequente strafrechtelijke opvolging en vragen de Minister hierbij
in te gaan op de uitvoering van de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) waarbij geweld
tegen hulpverleners tweemaal zo hard gestraft zou moeten worden.
Antwoord op vraag 95:
De Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) dragen bij aan zichtbare en consequente strafrechtelijke
opvolging bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak, waaronder
boa’s, door politie en Openbaar Ministerie. In de ELA is onder meer afgesproken dat
een aangifte van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak altijd
en met prioriteit worden opgepakt. Daarnaast is een uitgangpunt van de ELA dat er
een actief communicatiebeleid (uitdragen van succes) wordt gevoerd.
De Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) bevatten geen voorschrift om geweld tegen
hulpverleners tweemaal zo hard te straffen. Wel hanteert het Openbaar Ministerie eigen
strafvorderingsrichtlijnen, waarin een 200% hogere strafeis als uitgangspunt is opgenomen
in dergelijke zaken. Naast de 200% verhoging als uitgangspunt zullen door het Openbaar
Ministerie ook andere factoren worden meegewogen, zoals de omstandigheden van het
geval en de persoon van de verdachte.
Vraag 96:
Deze leden vragen de Minister om inzicht te geven in de cijfers in dit soort zaken.
Antwoord op vraag 96:
VPT staat voor beroepsgroepen met een Veilige Publieke Taak (VPT). Zowel OM6 (aantal verdachten) als politie7 (aantal VPT-aangiften) houden cijfers van VPT-incidenten bij. Deze worden jaarlijks
gepubliceerd. Boa’s vallen ook onder de deze VPT-cijfers. Hierin wordt geen onderscheid
per beroepsgroep waardoor er geen aparte cijfers zijn specifiek over geweld en agressie
tegen boa’s.
Vraag 97:
Voorts vragen zij de Minister naar de voortgang ten aanzien van de structurele, Rijksbrede
invulling van de Taskforce Onze hulpverleners veilig, conform de motie-Diederik van
Dijk c.s. (Kamerstuk 36 600 VI, nr. 100).
Antwoord op vraag 97:
Goede borging van de resultaten van de Taskforce «Onze hulpverleners veilig» is van
belang. Binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid is het programma «Voorbereid
op agressie en geweld» opgericht. Dit programma richt zich op het versterken van de
werkgeversrol bij agressie en geweld van de organisaties die onder dit ministerie
vallen. Dit programma ontwikkelde de baseline «preventie, aanpak en zorg bij agressie
en geweld». Deze baseline bevat een groot aantal basisnormen en maatregelen op het
gebied van preventie, incidentmanagement, zorg en nazorg voor de medewerkers en hun
thuisfront.
De afgelopen vijf jaar heeft de taskforce meer kennis en inzicht verschaft door middel
van een aantal onderzoeken naar geweld en agressie tegen hulpverleners. Daarnaast
zijn concrete instrumenten ontwikkeld, zoals een handelingskader voor werkgevers bij
doxing en de nieuwe richtlijn Psychosociale Ondersteuning voor Hoog Risico beroepen.
Hiermee is een basis gelegd voor toekomstige inspanningen van werkgevers. Het is aan
de werkgevers om dit binnen hun organisatie te implementeren. Dit instrumentarium
en de onderzoeksfunctie van de taskforce wordt door het programma «Voorbereid op agressie
en geweld» overgenomen. Het ontwikkelde instrumentarium wordt hiermee geborgd, geactualiseerd
en uitgebreid. De producten van dit programma worden breed, voor alle publieke werkgevers,
beschikbaar gesteld, zoals de boa-werkgevers.
Vraag 98:
Welke resultaten heeft deze taskforce tot op heden opgeleverd?
Antwoord op vraag 98:
De Taskforce «Onze hulpverleners veilig» heeft een belangrijke rol vervuld in het
bij elkaar brengen van organisaties met een publieke taak rondom het thema «Geweld
tegen hulpverleners». Dit bood organisaties een platform om de knelpunten rondom het
signaleren van geweld en de aanpak van geweld tegen hulpverleners te delen. Ook liet
de taskforce onderzoeken uitvoeren op het thema geweld tegen hulpleners. Deze onderzoeken
leverden bijvoorbeeld inzicht in risicofactoren van de omstandigheden waarin geweld
tegen hulpverleners vaak voorkomt op. Op basis van deze uitkomsten en praktijkervaringen
formuleerde de taskforce maatregelen op het gebied van preventie, zorg en nazorg die
werkgevers hulpverleners kunnen bieden. Voorbeelden hiervan zijn het handelingskader
voor werkgevers bij doxing en de nieuwe richtlijn Psychosociale Ondersteuning voor
Hoog Risico beroepen. Tot slot droeg de taskforce uit dat agressie en geweld tegen
werknemers met een publieke taak onacceptabel is. Dit werd ook in samenwerking met
het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benadrukt door de collectieve
norm «Stop Agressie Samen» onder de aandacht van werkgevers te brengen. Met campagnes,
richtlijnen, trainingen en netwerkbijeenkomsten door het hele land, droeg de Taskforce
bij aan een cultuurverandering waarin geweld tegen hulpverleners actief wordt afgewezen
en waarbij werkgevers worden opgeroepen om deze norm actief over te nemen en te vertalen
naar hun eigen organisatiepraktijk in het kader van veilig werkgeverschap.
Vraag 99:
Deze leden vragen hoe de continuïteit van de inzet op een veilige publieke taak wordt
geborgd na afloop van de huidige opdracht van de taskforce.
Antwoord op vraag 99:
Zie beantwoording op vraag 97.
Vraag 100:
Op welke wijze worden boa’s, inclusief boa’s bij particuliere werkgevers, structureel
meegenomen in het beleid rond veilige publieke taak?
Antwoord op vraag 100:
Zie beantwoording op vraag 97.
Vraag 101:
De leden van de SGP-fractie constateren dat het boa-bestel meerdere beleidsterreinen
raakt en dat zowel het Ministerie van Justitie en Veiligheid als het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hierbij betrokken zijn. Deze leden vragen
de Minister hoe de samenwerking tussen deze ministeries concreet wordt ingericht,
met name op het gebied van afspraken in de samenwerking en eindverantwoordelijkheid.
Antwoord op vraag 101:
De verantwoordelijkheid voor het goed functioneren van het boa-bestel ligt bij mij
als Minister van Justitie en Veiligheid. Daar waar interdepartementale afstemming
nodig is, wordt deze georganiseerd.
Vraag 102:
Zij constateren dat uit de praktijk blijkt dat er op dit moment een gebrek aan samenwerking
is en vragen de Minister hoe hij dit structureel gaat verbeteren en welke afspraken
zijn gemaakt over regie en eindverantwoordelijkheid om te voorkomen dat departementen
langs elkaar heen werken.
Antwoord op vraag 102:
Ik deel de constatering van de leden van de SGP-fractie niet. Als Minister van Justitie
en Veiligheid ben ik verantwoordelijk voor het boa-bestel. Daar waar nodig werk ik
daarbij goed samen met mijn collega Ministers.
Vraag 103:
De leden van de SGP-fractie achten goede gegevensdeling tussen politie en boa-organisaties
essentieel voor effectieve handhaving en opsporing. Deze leden vragen de Minister
welke knelpunten op dit moment bestaan bij de gegevensdeling tussen politie en gemeenten.
Antwoord op vraag 103:
Het delen van politiegegevens tussen politie en boa’s, waaronder de boa’s die werkzaam
zijn voor gemeenten, is reeds mogelijk op grond van artikel 15 van de Wet Politiegegevens,
voor zover dit benodigd is voor de uitvoering van de taak van de betreffende ambtenaar.
Knelpunten die bij het delen van gegevens tussen politie en boa’s kunnen optreden
zijn onder andere gelegen in het feit dat de politie en boa met verschillende informatie-
en registratiesystemen werken waardoor praktische informatie-uitwisseling tussen politie
en boa’s lastig is. Bovendien gebruiken boa-werkgevers verschillende registratiesystemen,
waardoor de onderlinge informatie-uitwisseling van boa’s werkzaam bij verschillende
werkgevers ook niet altijd mogelijk is. Ook wordt met regelmaat gezien dat de ondersteuning
van de boa door de politie tot knelpunten leidt, gelegen in het feit dat de politie
toegang heeft tot bepaalde informatie(systemen), niet zijnde politiesystemen, voor
het uitvoeren van haar taak, niet zijnde de taak van de boa, terwijl de boa deze toegang
niet heeft. Dit treedt met name op bij assistentie van de boa door politie in identificatiesituaties.
Daarom is de afgelopen maanden, gezamenlijk met de instanties die verantwoordelijk
zijn voor de betreffende registers, verkend of en onder welke voorwaarden boa’s toegang
tot de Strafrechtketendatabank (SKDB) en de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV) zouden
kunnen verkrijgen ten behoeve van identificatie.
Vraag 104:
Welke concrete maatregelen worden genomen om te zorgen voor tijdige, volledige en
rechtmatige gegevensuitwisseling tussen politie en boa-systemen?
Antwoord op vraag 104:
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 103.
Vraag 105:
Hoe wordt voorkomen dat privacywetgeving of technische beperkingen leiden tot onnodige
belemmeringen in opsporing en vervolging?
Antwoord op vraag 105:
Ik heb een groot aantal betekenisvolle wijzigingen in het boa-stelsel geformuleerd,
die in de komende jaren zullen worden uitgevoerd aan de hand van de uw Kamer toegezonden
uitvoeringsagenda. Doelstelling van deze agenda is om richting te geven aan de maatregelen
die worden genomen ten behoeve aan het versterken van het boa-bestel en de professionalisering
hiervan. Daarom is de afgelopen maanden, gezamenlijk met de instanties die verantwoordelijk
zijn voor de betreffende registers, verkend of en onder welke voorwaarden boa’s toegang
tot de Strafrechtketendatabank (SKDB) en de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV) zouden
kunnen verkrijgen ten behoeve van identificatie. Daarbij zullen technische belemmeringen
zo veel als mogelijk worden weggenomen.
Bij de uitwerking van deze maatregelen dient te allen tijde de relevante (privacy)wetgeving
in ogenschouw te worden genomen. Privacywetgeving vormt daarbij geen belemmering op
zichzelf, maar biedt een kader waarbinnen gegevensdeling rechtmatig, noodzakelijk
en proportioneel kan plaatsvinden. Ook technische randvoorwaarden zijn niet bedoeld
als beperking, maar gericht op het mogelijk maken van gegevensdeling binnen de wettelijke
kaders, met passende waarborgen voor beveiliging en autorisatie.
Vraag 106:
De leden van de SGP-fractie lezen dat de versterking van het boa-bestel mede is ingegeven
door schaarste in capaciteit en middelen binnen het veiligheidsdomein, met name bij
de politie. Deze leden vragen de Minister of wordt verondersteld dat uitbreiding van
het boa-stelsel efficiënter is dan uitbreiding van de politiecapaciteit.
Antwoord op vraag 106:
De versterking van het boa-bestel is ingegeven door de sterke mate van professionalisering
en als gevolg daarvan belangrijke rol van de boa binnen de politiefunctie. Ik wil
daarbij graag benadrukken dat de boa – binnen de politiefunctie – een eigenstandige
taak heeft die verschilt van de politietaak. Deze eigenstandige taak richt zich op
het leefbaar en veilig houden van de leefomgeving voor de burger. Leefbaar en veilig
wordt gedefinieerd als de mate waarin de fysieke en sociale omgeving als schoon, heel,
rustig en veilig wordt ervaren. Dat doet de boa door preventief optreden, het handhaven
van de zogenoemde kleine norm en specifieke wet- en regelgeving. Het werk van de boa
is dus sterk gericht op de normale gang van het publieke leven.
Uiteraard liggen de boa- en politietaak in het verlengde van elkaar. Ze hebben allebei
de autoriteit en bevoegdheid om handhavend op te treden. De taak van politie en boa
zijn zo veel als mogelijk complementair aan elkaar en de samenwerking tussen beiden
is gelijkwaardig, ieder vanuit een eigen expertise. Beide zijn onmisbaar binnen onze
politiefunctie en verdienen continue aandacht en ontwikkeling.
Vraag 107:
Welke onderbouwing ligt ten grondslag aan het argument dat versterking van het boa-stelsel
daadwerkelijk leidt tot structurele verlichting van de werkdruk bij de politie?
Antwoord op vraag 107:
Het boa-bestel wordt niet versterkt met als doel een structurele verlichting van de
werkdruk bij de politie. De boa heeft een eigenstandige taak binnen de politiefunctie,
zo veel als mogelijk complementair aan de politietaak. Vanuit het belang van de boa
voor onze politiefunctie wordt het boa-bestel versterkt. Uiteraard wordt de slagkracht
van de politiefunctie groter door een goede samenwerking tussen boa en politie.
Vraag 108:
Hoe wordt voorkomen dat boa’s structureel worden ingezet als vervanging voor politiecapaciteit,
zonder dat daarvoor voldoende randvoorwaarden zijn gecreëerd?
Antwoord op vraag 108:
De boa is geen politieagent en moet dus ook niet ter vervanging van politie capaciteit
worden ingezet. De boa heeft een eigenstandige taak binnen de politiefunctie. De politietaak
is hetgeen de politie allemaal doet en beschreven staat in artikel 3 van de Politiewet
2012. De politiefunctie is breder. Het gaat bij de politiefunctie om handhaving van
gezamenlijke normen en regels en bescherming van ieders veiligheid, zo nodig zelfs
door dwang. Behalve de politie hebben ook anderen, zoals buitengewoon opsporingsambtenaren
(boa’s) en de Koninklijke Marechaussee, hierin een rol. De boa heeft een eigenstandige
taak binnen de politiefunctie gericht op leefbaarheid, veiligheid en de normale gang
van het publieke leven.
Vraag 109:
De leden van de SGP-fractie wijzen op verschillen in aansturing: boa’s werken onder
verantwoordelijkheid van gemeenten, terwijl de politie onder gezag van het Openbaar
Ministerie valt. Deze leden vragen de Minister hoe deze verschillende gezags- en verantwoordingslijnen
in de praktijk worden afgestemd.
Antwoord op vraag 109:
Ook de boa valt bij de opsporing van strafbare feiten onder het gezag en verantwoordelijkheid
van het Openbaar Ministerie. De werkgever is verantwoordelijk om binnen de gestelde
kaders van de boa regelgeving, de dagelijkse inzet te bepalen. Dat is niet wezenlijk
anders dan bij de politie, die bij de handhaving van de openbare orde werkzaam is
onder gezag van de burgemeester en bij de strafrechtelijke handhaving onder gezag
van het OM. Afstemming vindt onder andere plaats in de lokale driehoek.
Vraag 110:
Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden
tussen boa’s en politie.
Antwoord op vraag 110:
De boa werkzaam in de openbare ruimte heeft een eigen taak binnen de politiefunctie
en richt zich op het leefbaar en veilig houden van de leefomgeving voor de burger.
Dat doet de boa door preventief optreden, het handhaven van de zogenoemde kleine norm
en specifieke wet- en regelgeving (opgesomd op de domeinlijst). In de afbakening met
politie blijft het uitgangspunt dat de boa zich niet mengt in of terugtrekt uit situaties
die gekenmerkt worden door grote gevaarzetting. Hiertoe maakt de boa altijd een inschatting
van de situatie op basis van zijn professionaliteit voordat er actie ondernomen wordt.
De politie beschikt voor dit soort situaties over doorzettingsmacht en -middelen en
dat blijft zo. De handhaving van de openbare orde blijft voorbehouden aan de politie.
Bij de uitwerking van de domeinlijst voor hoofddomein I wordt geïnventariseerd waar
hiaten in de opsporingsbevoegdheden, passend bij de taak van de boa, worden ervaren.
Vraag 111:
De leden van de SGP-fractie constateren dat in de praktijk sprake is geweest van handelingsverlegenheid
bij boa’s door onduidelijkheid over taken, bevoegdheden, uitrusting en toegang tot
systemen. Deze leden vragen de Minister hoe het nieuwe stelsel deze knelpunten aantoonbaar
oplost.
Antwoord op vraag 111:
Met betrekking tot handelingsverlegenheid moet ik constateren dat die in de kern inherent
is aan een buitengewone opsporingsbevoegdheid. Deze volledig wegnemen kan alleen door
het toekennen van een algemene opsporingsbevoegdheid en die vind ik niet proportioneel
in relatie tot de rol en taak van de boa. Door het samenvoegen van de verschillende
domeinlijsten tot één lijst voor hoofddomein I, waarbij ook zal worden geïnventariseerd
waar hiaten in de opsporingsbevoegdheden, passend bij de taak van de boa, worden ervaren,
minimaliseer ik de ervaren handelingsverlegenheid.
De benodigde uitrusting wordt in het nieuwe bestel verondersteld op basis van de rol
en taak van de boa. De noodzaak hiertoe hoeft dus niet meer worden aangetoond, maar
als waarborg voor de aanvullende uitrusting worden wel eisen gesteld aan boa en werkgever.
Deze zullen nader worden uitgewerkt in de uitvoerings- en implementatieagenda. Aan
het zo ver als mogelijk toegankelijk maken van informatie(systemen) voor boa’s wordt
gewerkt, ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 23.
Vraag 112:
De leden van de SGP-fractie constateren dat de uitrusting van boa’s, met name zij
die werkzaam zijn bij niet-gemeentelijke werkgevers, sterk uiteenloopt en afhankelijk
is van de bereidheid van werkgever en dienst Justis. Deze leden benadrukken dat de
veiligheid van boa’s voorop staat in het werk wat zij doen en dat zij met uitbreiding
van taken nog meer verlegen zitten om adequate uitrusting. Deze leden waken ervoor
dat boa’s ook onder het nieuwe stelsel onvoldoende zijn uitgerust om hun werkzaamheden
veilig en naar behoren te kunnen uitvoeren. Zij vragen de Minister hoe wordt geborgd
dat boa’s in iedere situatie, onder iedere werkgever, beschikken de juiste uitrusting
met passende geweldsmiddelen, conform de aangenomen motie- Diederik van Dijk hierover
(Kamerstuk 36 395, nr. 14).
Antwoord op vraag 112:
Ik hecht er veel waarde aan dat boa’s veilig hun werk kunnen doen. De mogelijkheden
voor uitrusting en de randvoorwaarden waaraan voldaan moeten worden, zijn voor iedere
boa en werkgever hetzelfde. Het boa-werkveld is echter zeer divers. Zowel als het
gaat om de problematiek waar de boa tegen optreedt als de wijze waarop de boa wordt
ingezet door zijn werkgever. Daar dient de uitrusting van de boa bij aan te sluiten.
Het is primair aan de werkgever om te beoordelen wat hij noodzakelijk en verantwoord
vindt voor zijn boa’s. Zo kan de boa op de meest adequate en veilige manier zijn werk
doen.
Eventuele aanvullende uitrusting kan enkel gebaseerd zijn op de taak van de boa en
op de omstandigheden waarin hij deze taak uitvoert. De aanvullende uitrusting kan
bestaan uit (een keuze uit) een bodycam, steek- of kogelwerend vest, korte wapenstok
en pepperspray. Deze aanvullende uitrusting heeft daarnaast als grondslag de boa te
beschermen als hij onvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt.
In de afbakening met politie blijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat de boa zich
terugtrekt uit én zich niet (proactief) mengt in situaties die gekenmerkt worden door
grote gevaarzetting. De politie beschikt voor dit soort situaties over doorzettingsmacht
en -middelen en dat blijft zo. Op verzoek van de werkgever, op zijn kosten en onder
zijn verantwoordelijkheid, kan ik als Minister van Justitie en Veiligheid besluiten
de geweldmiddelen, korte wapenstok en pepperspray, toe te kennen.
In mijn brief over het boa-bestel van 2 oktober jl. staat dat het aanpassen van de
beleidsregels op het punt van de criteria voor de toekenning van geweldmiddelen geldt
als de eerste stap van de invoering van het nieuwe bestel. Het is de bedoeling dat
de vereiste noodzaak van een geweldmiddel wordt gekoppeld aan de bevoegdheden en taak
van de boa zoals deze is vastgelegd in de akte, in plaats van aan vastgelegde situaties
uit het verleden waarbij een geweldmiddel wenselijk was geweest. De bepaling om met
situaties en incidenten uit het verleden de noodzaak voor toekenning aan te tonen
(«kan-bepaling») zal, zoals eerder toegezegd, komen te vervallen. Dit conform de genoemde
motie van het Kamerlid Diederik van Dijk.
Vraag 113:
Voorts vragen zij aandacht voor borging van een passende opleiding en toegang tot
noodzakelijke informatiesystemen (Kamerstuk 36 395, nr. 15). Welke instrumenten worden ingezet om te monitoren of het nieuwe stelsel daadwerkelijk
leidt tot minder handelingsverlegenheid en meer effectiviteit.
Antwoord op vraag 113:
Voor een toelichting op de toegang tot noodzakelijke informatiesystemen binnen het
kader van de motie van het lid van Dijk (CDA) verwijs ik naar de beantwoording van
de vragen 23, 103 en 104. Ten aanzien van de borging van een passende opleiding wordt
het huidige opleidingsstelsel voor de boa onder de loep genomen en zullen extra eisen
gesteld worden aan de opleidingen. Het veld wordt bij de ontwikkeling zoveel mogelijk
betrokken, zodat een werkelijke verbeterslag wordt gemaakt. De werkgever staat vervolgens
aan de lat om de opleiding van de boa aan te vullen met functie-specifieke kennis
en vereisten. Dit laatste zal ook onder de aandacht worden gebracht bij de in te richten
werkgeverstafels.
Ik vind het van belang dat met alle bij het boa-stelsel betrokken partijen regelmatig
wordt bezien of het boa-bestel op een goede manier functioneert en welke impact relevante
ontwikkelingen hebben op het functioneren van het boa-bestel. Daarom heb ik in elk
geval een evaluatie van het nieuwe boa-bestel 5 jaar na inwerkingtreding aangekondigd.
Daar zal onder meer aandacht zijn voor de effectiviteit van het doorontwikkelde boa-bestel
en de vraag of knelpunten afdoende zijn verholpen.
Vraag 114:
De leden van de SGP-fractie benadrukken dat uitbreiding van taken alleen verantwoord
is wanneer de randvoorwaarden op orde zijn. Deze leden vragen de Minister welke structurele
middelen beschikbaar worden gesteld voor opleiding, uitrusting, toezicht en beheer.
Antwoord op vraag 114:
Zie het antwoord op de vragen 34 en 35.
Vraag 115:
Hoe wordt voorkomen dat kwaliteitsverschillen tussen gemeenten ontstaan? Zij vragen
de Minister te bevestigen dat eerst deze randvoorwaarden worden gerealiseerd alvorens
het nieuwe boa-bestel volledig in werking treedt.
Antwoord op vraag 115:
Vanuit mijn verantwoordelijkheid als Minister van Justitie en Veiligheid ga ik over
(de werking van) het boa-bestel. Ik schep de randvoorwaarden waarbinnen werkgevers
de daadwerkelijke inzet van de boa bepalen. De randvoorwaarden zijn vanzelfsprekend
voor iedereen gelijk, maar voor de kwaliteit van de taakuitvoering door de boa daarbinnen
is de werkgever primair verantwoordelijk. Dit draagt bij aan de lokale verankering
van de politiefunctie in de maatschappij en maakt lokaal maatwerk mogelijk. Het OM
blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit van de opsporing als geheel en specifiek
op casus niveau door processen-verbaal te seponeren waar nodig. Het nieuwe boa-bestel
treedt stap voor stap in werking zodra een onderwerp verder is uitgewerkt en de benodigde
randvoorwaarden daarvoor gerealiseerd zijn. Ik streef ernaar het nieuwe stelsel in
2028 volledig ingevoerd en operationeel te hebben.
Vragen en opmerkingen vanuit de SP-fractie
Vraag 116:
De leden van de SP-fractie vinden het begrijpelijk dat er wordt gekeken naar het beleggen
van extra bevoegdheden bij de boa, maar willen bij voorbaat wel waarschuwen voor het
hellende vlak waarin bij capaciteitsproblemen bij de politie al snel wordt gekeken
of deze gaten moeten worden gevuld door de boa’s. Het blijft voor deze leden prioriteit
dat de politie voldoende middelen krijgt voor het invullen van haar primaire bevoegdheden.
Er zijn nog steeds grote tekorten bij de politie die op korte termijn moeten worden
ingevuld. Desalniettemin staan deze leden open voor het bezien waar een boa meer verantwoordelijkheden
zou kunnen krijgen ter versterking van de politie. Zij zijn het eens dat het zou helpen
als de bevoegdheden van de boa beter worden omschreven omdat dit beeld momenteel diffuus
is.
De leden van de SP-fractie hebben middels de motie-Van Nispen ook gevraagd om de boa
onderdeel te maken van de politieorganisatie om de samenwerking te versterken (Kamerstuk
36 395, nr. 8). De Minister geeft aan het te zien als onhaalbaar en niet wenselijk. Deze motie
is aangenomen en toch doet de Minister deze motie vrij eenvoudig van de hand. Op welke
manier is er zoals de Minister zelf zegt, onderzoek gedaan binnen het werkveld naar
het draagvlak?
Antwoord op vraag 116:
Conform de aangenomen motie Van Nispen heb ik ook gewogen of het wenselijk is om de
boa onderdeel van de politieorganisatie te laten uitmaken. Ik acht dit geen haalbare
route. Hiervoor is in het werkveld geen draagvlak en in het licht van de majeure (financiële)
opgave die de politie al heeft om de basis op orde te brengen, acht ik dit naast onwenselijk
ook onuitvoerbaar. Daarnaast speelt de boa een belangrijke rol in de lokale verankering
van de politiefunctie in de maatschappij, die mogelijk teniet gedaan wordt door het
centraliseren van het werkgeverschap bij de politie. Het gevraagde onderzoek naar
wat ervoor nodig is om de boa onderdeel te maken van de politieorganisatie, zoals
verzocht in de motie Van Nispen, is een serieus en expliciet onderdeel geweest van
het breed maatschappelijk gesprek dat met het veld is gevoerd. Het is tevens aan de
orde gekomen aan de verschillende dialoogtafels met het brede veld en denksessies
met experts in voorbereiding op de diepgaande beschouwing. Hieraan hebben een afvaardiging
van verschillende werkgevers uit de huidige domeinen I, II en IV deelgenomen, politie,
OM en boa’s zelf. Deze bijeenkomsten hebben verspreid door het land plaatsgevonden.
Vraag 117:
Waarom vindt de Minister dit zowel onwenselijk als onuitvoerbaar?
Antwoord op vraag 117:
Een van de kenmerkende pijlers van onze politiefunctie is de lokale verankering ervan.
Ik hecht hier grote waarde aan en de boa speelt hierin een belangrijke rol. Het risico
dat de lokale verankering van de boa vermindert door het centraliseren van het werkgeverschap
bij de politie vind ik te groot. De werkgevers weten het beste wat er in hun werkgebied
nodig is en waar de boa op moet worden ingezet. Daarnaast is er uit het breed maatschappelijk
gesprek gebleken dat er geen draagvlak voor is om de boa onderdeel van de politieorganisatie
te maken.
Het onderbrengen van alle boa’s bij de politieorganisatie zou daarnaast een grote
reorganisatie betekenen die moet worden bewerkstelligd door een politieorganisatie
die reeds voor grote (financiële en organisationele) opgaven staat. Ter illustratie,
de politieorganisatie zou ruim 14.000 boa’s van andere boa werkgeversmoeten absorberen
in samenspraak met die meer dan 600 huidige werkgevers. Daarnaast moet ook voor de
6250 politieboa’s binnen de politieorganisatie een andere rechtspositionele invulling
worden gezocht. Naar mijn beste inschatting weegt het resultaat hiervan niet op tegen
de benodigde inspanning en gun ik de politieorganisatie de tijd om zich te focussen
op haar kerntaak.
Op basis van bovenstaande vind ik het onwenselijk en onuitvoerbaar om de boa bij de
politieorganisatie onder te brengen.
Vraag 118:
Waarom acht de Minister dat de maatschappelijke functie van de boa vervalt als het
gecentraliseerd wordt onder de politie?
Antwoord op vraag 118:
Zoals in antwoord op de vorige vraag reeds genoemd, is juist de lokale verankering
van de boa zo van toegevoegde waarde voor de politiefunctie. Centraliseren van het
werkgeverschap draagt hier naar mijn idee niet aan bij. Daarnaast zou ik toch ook
in antwoord op deze vraag willen benadrukken dat de boa een eigenstandige taak heeft
binnen de politiefunctie die echt verschilt van de politietaak. De veronderstelling
dat boa en politie hetzelfde doen en het daarom logisch is beide onder te brengen
bij één organisatie deel ik niet.
Vraag 119:
Waarom zou het niet mogelijk zijn boa’s te laten opleiden tot politieagent?
Antwoord op vraag 119:
Het zijn van boa is een vak apart. Een boa heeft een eigen taak, vanuit een eigen
expertise, binnen de politiefunctie. Wanneer een boa voldoet aan de eisen om toegelaten
te worden tot de Politieacademie, kan deze worden omgeschoold tot politieagent, maar
ik hecht eraan om te benadrukken dat deze daarmee niet méér waarde heeft voor de politiefunctie.
Vraag 120:
Is de Minister het met deze leden eens dat juist vanwege de onduidelijke taakomschrijving
van de boa zij nu soms in gevaarlijke situaties terechtkomen?
Antwoord op vraag 120:
Het werk van de boa is sterk gericht op de normale gang van het publieke leven. De
boa heeft een belangrijke signaalfunctie richting politie en openbaar bestuur en is
vaak het eerste aanspreekpunt voor burgers en ondernemers bij vragen, kleine ergernissen
of de handhaving van specialistische wetgeving. De functionaris met een boa-status
treedt op bij overlast, verstoring van rust en gedrag dat het maatschappelijk verkeer
schaadt of bedreigt. Hij kan daarmee, binnen zijn bevoegdheden, bijdragen aan de preventie,
de-escalatie en aanpak van gedragingen die de rust in de publieke ruimte aantasten.
Dit doen zij als aanvulling op en in samenwerking met politie en andere ketenpartners.
Uiteraard liggen de boa- en politietaak in het verlengde van elkaar. Ze hebben allebei
de autoriteit en bevoegdheid om handhavend op te treden. De taak van politie en boa
zijn zo veel als mogelijk complementair aan elkaar en de samenwerking tussen beiden
is gelijkwaardig, ieder vanuit een eigen expertise. In de afbakening met politie blijft
het uitgangspunt dat de boa zich niet mengt in of terugtrekt uit situaties die gekenmerkt
worden door grote gevaarzetting. Hiertoe maakt de boa altijd een inschatting van de
situatie op basis van zijn professionaliteit voordat er actie ondernomen wordt. De
politie beschikt voor dit soort situaties over doorzettingsmacht en -middelen en dat
blijft zo.
Vraag 121:
Is het niet vreemd om een aangenomen motie van de hand te doen omdat de Minister het
zelf niet wenselijk acht? Is de Minister zich bewust van het feit dat de wens van
de Kamer zwaarder weegt dan de eigen wens van de Minister?
Antwoord op vraag 121:
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 116 en vraag 117.
Vraag 122:
De leden van de SP-fractie zijn voorstander van het idee om de huidige losse domeinlijsten
I, II en IV samen te voegen tot één domeinlijst. De boa wordt hiermee formeel bevoegd
handhavend op te treden voor het gehele hoofddomein, voor zover zich hier geen wet-
of regelgeving tegen verzet. Ook zijn deze leden voorstander van het idee om de Eerste
Hulp Bij Ongelukken (EHBO) onderdeel te laten zijn van de basisopleiding, zodat de
boa dit kan toepassen bij ongelukken of een reanimaties. Bij het tweede onderdeel
zien deze leden echter dat hiermee ook meer raakvlak bestaat met de medische hulpdiensten.
Op welke manier wordt via deze weg afgesproken welke onderdelen van de EHBO de boa
zal doen en op welke onderdelen de medische diensten?
Antwoord op vraag 122:
De boa uit hoofddomein I werkt in de publieke ruimte en komt regelmatig terecht in
situaties waar zorg- of (acute) hulpverlening noodzakelijk is. Toch heb ik besloten
om zorg- en acute hulpverlening geen formele taak van de boa te laten zijn. Hiervoor
zou de boa opgeleid moeten worden en te allen tijde beschikbaar moeten zijn. Omdat
de boa in hoofddomein I aanwezig is in de publieke ruimte, vind ik het wel belangrijk
om de boa beter te bekwamen voor de situaties waarin een beroep op hulpverlening wordt
gedaan of waarin hij of zij zich genoodzaakt voelt om hulp te verlenen. Dit wil ik
bereiken door Eerste Hulp Bij Ongelukken (EHBO) onderdeel te laten zijn van de basisopleiding,
zodat de boa dit kan toepassen bij ongelukken of een reanimatie. Ook moet de boa goed
op de hoogte zijn van het netwerk van verschillende hulpverleners in zijn werkgebied,
zodat hij als professional en vertegenwoordiger van de Staat de benodigde hulp kan
organiseren door het inschakelen van de juiste hulpdiensten. Wanneer een boa zelf
EHBO toepast en wanneer hij de hulpdiensten inschakelt, is per situatie afhankelijk
en laat ik aan het professionele oordeel van de boa.
Vraag 123:
Nu deze onderdelen dichter bij elkaar komen te liggen vinden deze leden het ook noodzakelijk
dat de Minister nadenkt over in hoeverre de samenwerking hiermee ook zal veranderen.
Op welke manier gaat dit gesprek plaatsvinden?
Antwoord op vraag 123:
Aangezien de boa en politie als gelijkwaardige partner steeds vaker samenwerken op
het snijvlak van leefbaarheid en veiligheid en het OM het gezag is voor de strafrechtelijke
handhaving, is er behoefte aan een duidelijk overzicht van afspraken over die samenwerking.
Deze afspraken worden onder andere gemaakt in een handhavingsarrangement, veiligheidsplan
of gelijksoortige samenwerkingsovereenkomst. Hierin staan afspraken over informatiedeling
en samenwerking tussen de boa en politie (over en weer), of en hoe er in welke situatie
zal worden opgetreden door boa’s (en wanneer niet) en over inzet en back-up door politie
in onvoorziene situaties. In de verdere uitwerking van de implementatie agenda zal
ik ook met de partners stilstaan wat er aanvullend op het huidige handhavingsarrangement
nog kan worden geregeld voor een verstevigde samenwerking, bijvoorbeeld met medische
hulpdiensten.
Vraag 124:
De leden van de SP-fractie constateren dat de Minister een nieuwe weg inslaat door
in uitzonderlijke omstandigheden boa’s ook uit te rusten met een wapenstok en pepperspray
en zij dus uitgerust worden met wapens. Deze leden hebben hier moeite mee. Aan de
ene kant tracht de Minister een meer eenduidig profiel te maken voor het beroep boa,
aan de andere kant kiest het er nu voor de boa’s onderling op twee verschillende manieren
uit te rusten (met of zonder wapenstok en pepperspray) en vervolgens is het ook nog
de taak van de boa om op geen enkele manier geweld te gebruiken en te de-escaleren.
Deze leden hebben begrip voor deze taakomschrijving, maar niet voor het feit dat zij
hiermee een soortgelijke uitrusting krijgen als de politie maar de Minister er expliciet
voor kiest om deze twee beroepen strikt gescheiden te houden. Deze leden waarschuwen
ervoor dat dit voor meer verwarring dan duidelijkheid zal zorgen. Ook denken zij dat
dit zal zorgen voor juist meer situaties waarin geweld wordt toegepast in plaats van
minder. Is de Minister het met deze leden eens dat twee verschillende uitrustingen
tot meer verwarring zal leiden?
Antwoord op vraag 124:
Het boa-werkveld is zeer divers. Dit geldt voor zowel de problematiek waar de boa
tegen optreedt als de wijze waarop de boa wordt ingezet. Daar dient de uitrusting
van de boa bij aan te sluiten. Zo kan de boa op de meest adequate en veilige manier
zijn werk doen. Zo past voor de groene boa in het veld waarbij de opvolging bij escalatie
door de politie beperkt mogelijk is een andere uitrusting dan voor een gemeentelijke
handhaver die belast is met verkeershandhaving met betrekking tot niet-gemotoriseerd
verkeer. Daarnaast bestaan er ook weer verschillen tussen de verschillende werkgevers
binnen hetzelfde Domein, bijvoorbeeld in verschillende gemeenten. De ene gemeente
zal de boa’s anders willen inzetten dan de andere, al naar gelang de problematiek
die speelt. En daar kan dan ook een andere uitrusting bij passen. Juist ook de ruimte
voor deze diversiteit zorgt ervoor dat de boa zo goed mogelijk kan worden ingezet.
Op dit moment zijn er vele verschillende uitrustingen. Met het nieuwe bestel zal dit
worden beperkt doordat er een standaarduitrusting zal komen; minder uitrusting is
daarmee niet meer mogelijk. Echter wordt het mogelijk om een aanvraag te doen voor
aanvullende uitrusting. Eventuele aanvullende uitrusting kan enkel gebaseerd zijn
op de taak van de boa en op de omstandigheden waarin hij deze taak uitvoert. De aanvullende
uitrusting kan bestaan uit (een keuze uit) een bodycam, steek- of kogelwerend vest,
korte wapenstok en pepperspray. Deze aanvullende uitrusting heeft daarnaast als grondslag
de boa te beschermen als hij onvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting
terechtkomt. In de afbakening met politie blijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat
de boa zich terugtrekt uit én zich niet (proactief) mengt in situaties die gekenmerkt
worden door grote gevaarzetting. De politie beschikt voor dit soort situaties over
doorzettingsmacht en -middelen en dat blijft zo.
Vraag 125:
Waarom handhaaft de Minister, juist ook met deze expliciete keuze in een andere uitrusting,
het harde onderscheid tussen de boa en de politie?
Antwoord op vraag 125:
Zowel de boa’s als de politie hebben een eigenstandige taak binnen de politiefunctie.
Zie ook het antwoord op vraag 110.
Vraag 126:
Op welke manier wordt de boa getraind in het gebruik van deze extra middelen en in
hoeverre verschilt dit met de training van de politieagent hiervoor?
Antwoord op vraag 126:
De Regeling toetsing geweldsbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar en ambtenaren
van bijzondere opsporingsdiensten (RTGB) bepaalt dat de boa-werkgever zorgdraagt voor
de training en toetsing van de opsporingsambtenaar. De boa-werkgever kan zelf kiezen
waar de boa opgeleid of getraind wordt voor het gebruik van de extra middelen. Een
boa mag echter pas gebruikmaken van geweldmiddelen indien deze de daarvoor bestemde
toets met voldoende resultaat heeft afgerond. De Politieacademie is verantwoordelijk
voor het samenstellen van de RTGB-toetsen en de certificering van de RTGB-toetsers.
De training van politieagenten geschiedt volledig intern bij de politie.
Vraag 127:
Waarom wordt gekozen voor een inwerkingtreding op 1 januari 2026, zonder enige invloed
of tussenkomst van de Kamer? Waarom wordt er gekozen voor hoge spoed zonder debat?
Is de Minister zich bewust van het feit dat het bewapenen van boa’s een gevoelige
discussie is die al jaren loopt en dat hierbij een zorgvuldige bespreking van de Kamer
noodzakelijk is?
Antwoord op vraag 127:
Er is geen sprake van inwerkingtreding op 1 januari 2026. Zoals aangegeven in mijn
brief van 2 oktober jl. werk ik stapsgewijs aan het nieuwe boa-bestel en streef ik
ernaar het nieuwe stelsel in 2028 volledig ingevoerd en operationeel te hebben. Ik
zal dat in stappen doen en uw Kamer daar ook tussentijds van op de hoogte houden.
Daarnaast ben ik bezig met het aanpassen van de Beleidsregels boa op het punt van
de toekenningscriteria voor de geweldmiddelen. Op dit moment wordt er gewerkt aan
de laatste afstemming van de tekst voor de aangepaste beleidsregels met de betrokken
partijen. Het streven is om de nieuwe regeling in het eerste tertaal van 2026 te laten
ingaan. Voordat deze in werking zal treden zal deze worden gepubliceerd zodat deze
voor alle betrokkenen kenbaar is.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
U. Ellian, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
I. van Tilburg, adjunct-griffier